2022-11-29 a. Belastingverordeningen 2023 - ontwerpbesluit
Tekst van het document
3.
In geval geen heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen is vastgesteld, wordt de belasting geheven naar de waarde.
4.
De vaststelling van de waarde bedoeld in het tweede en derde lid geschiedt overeenkomstig de artikelen 220 tot en met 220d van de Gemeentewet, met dien verstande dat daarbij artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken niet wordt toegepast.
Artikel 5 Belastingtarief De belasting bedraagt 9,63 promille van de heffingsmaatstaf zoals bedoeld in artikel 4 van deze verordening.
Artikel 6 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 7 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 7A Ontstaan van de belastingschuld De belasting is verschuldigd op het moment dat de gemeubileerde woning meer dan 90 dagen in het belastingjaar beschikbaar is gehouden als bedoeld in artikel 2.
Artikel 8 Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in het geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 10.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande, dat het aantal termijnen tenminste vier en ten hoogste
35/189
negen bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Artikel 9 Kwijtschelding Bij de invordering van forensenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 10 Overgangsrecht De 'Verordening forensenbelasting 2022' van 11 november 2021, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 11, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 11 Inwerkingtreding 1.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking.
2.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023.
Artikel 12 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening forensenbelasting 2023.
Besloten in de openbare vergadering van de gemeente Terneuzen op 15 december 2022.
griffier (plv),
voorzitter,
ing. N.M.J. Jansen-Geerinckx
H.J.A. van Merrienboer
36/189
Verordening op de heffing en de invordering van een forensenbelasting 20222023 De raad van de gemeente Terneuzen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 288 november september 20212022; gelet op artikel 223 van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van een forensenbelasting 20222023 (Verordening forensenbelasting 20222023).
Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder woning: een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet.
Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplicht 1.
Onder de naam 'forensenbelasting' wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
2.
Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
Artikel 3 Vrijstellingen Niet belastingplichtig is degene die ter tijdelijke waarneming van een openbare betrekking of ter bijwoning van de vergaderingen van een algemeen vertegenwoordigend lichaam, waarvan hij het lidmaatschap bekleedt, dan wel ingevolge last of bevel van de overheid, buiten de gemeente van zijn hoofdverblijf vertoeft.
37/189
Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1.
De belasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen zoals die voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt, voor het tijdvak waarbinnen het belastingjaar valt, is vastgesteld.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven naar de waarde, indien de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt voor het belastingjaar is vastgesteld met toepassing van artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken.
3.
In geval geen heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen is vastgesteld, wordt de belasting geheven naar de waarde.
4.
De vaststelling van de waarde bedoeld in het tweede en derde lid geschiedt overeenkomstig de artikelen 220 tot en met 220d van de Gemeentewet, met dien verstande dat daarbij artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken niet wordt toegepast.
Artikel 5 Belastingtarief De belasting bedraagt 10,189,63 promille van de heffingsmaatstaf zoals bedoeld in artikel 4 van deze verordening.
Artikel 6 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 7 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 7A Ontstaan van de belastingschuld De belasting is verschuldigd op het moment dat de gemeubileerde woning meer dan 90 dagen in het belastingjaar beschikbaar is gehouden als bedoeld in artikel 2.
Artikel 8 Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in het geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 10.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande, dat het aantal termijnen tenminste vier en ten hoogste
38/189
negen bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Artikel 9 Kwijtschelding Bij de invordering van forensenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 10 Overgangsrecht De 'Verordening forensenbelasting 2021'2022' van 1211 november 20202021, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 11, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 11 Inwerkingtreding 1.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking.
2.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 20222023.
Artikel 12 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening forensenbelasting 20222023.
Besloten in de openbare vergadering van de gemeente Terneuzen op 1115 november december 20212022.
griffier,
(plv),
mr. ing. N.M.J.H.P. de Jong
voorzitter,
Jansen-Geerinckx
H.J.A. van Merrienboer
39/189
Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting 2023 De raad van de gemeente Terneuzen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2022; gelet op artikel 224 van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting 2023 (Verordening toeristenbelasting 2023).
Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a.
vakantieonderkomens: woningen en andere verblijven, niet zijnde mobiele kampeeronderkomens of stacaravans, in hoofdzaak bestemd voor dan wel gebezigd als verblijf voor vakantie- en andere recreatieve doeleinden;
b.
mobiele kampeeronderkomens: tenten, vouwwagens, kampeerauto’s, toercaravans en soortgelijke onderkomens dan wel soortgelijke voertuigen welke bestemd zijn dan wel gebezigd worden als verblijf voor vakantie en andere recreatieve doeleinden;
c.
verhuurde ruimten: woningen en andere verblijven, of gedeelten daarvan, niet-zijnde mobiele kampeeronderkomens of stacaravans, welke niet in hoofdzaak bestemd zijn als verblijf voor vakantie en andere recreatieve doeleinden, doch wel in bepaalde perioden van het jaar voor die doeleinden worden verhuurd dan wel te huur aangeboden;
d.
verhuurde woningen: woningen en andere verblijven, of gedeelten daarvan, die geheel of gedeeltelijk worden gebezigd voor verblijf anders dan voor vakantie- en andere recreatieve doeleinde van personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven;
e.
vaste jaarplaats: een terrein of terreingedeelte op een kampeerterrein, dat is gehuurd van de exploitant van het kampeerterrein, bestemd voor het gedurende een jaar hebben van een zelfde mobiel kampeeronderkomen, stacaravan of vakantieonderkomen, dat doorgaans na afloop van het seizoen niet wordt verwijderd, voor het gebruik door de huurders voor toeristische of recreatieve doeleinden gedurende de totale huurperiode;
40/189
f.
vaste seizoenplaats: een terrein of terreingedeelte op een kampeerterrein, dat is gehuurd van de exploitant van het kampeerterrein, bestemd voor het gedurende een seizoen hebben van een zelfde mobiel kampeeronderkomen, stacaravan of vakantieonderkomen, dat doorgaans na afloop van het seizoen niet wordt verwijderd en waarin het gedurende de winterperiode niet toegestaan is om te overnachten, voor het gebruik door de huurders voor toeristische of recreatieve doeleinden gedurende de totale huurperiode;
g.
seizoenplaats: een terrein of terreingedeelte op een kampeerterrein, dat is gehuurd van de exploitant van het kampeerterrein, bestemd voor het gedurende het seizoen hebben van een zelfde mobiel kampeeronderkomen, stacaravan of vakantieonderkomen, dat doorgaans na afloop van het seizoen wordt verwijderd, voor het gebruik door de huurders voor toeristische of recreatieve doeleinden gedurende de totale huurperiode;
h.
toeristische plaats: een terrein of terreingedeelte dat bestemd is voor het gedurende een jaar of seizoen plaatsen van steeds wisselende mobiele kampeeronderkomens;
i.
verhuureenheden: vakantieonderkomens, mobiele kampeeronderkomens of verhuurde ruimten die door de eigenaar of exploitant worden verhuurd voor perioden korter dan een maand aan steeds wisselende personen;
j.
kampeerterrein: een terrein dat bestemd is om te worden gebruikt voor verblijfsrecreatie;
k.
stacaravans: caravans die op een seizoens-, vaste seizoens- of jaarplaats op een kampeerterrein zijn neergezet om voor langere tijd als verblijfsplaats te dienen en die bestemd zijn voor en gebezigd worden als verblijf voor vakantie- en andere recreatieve doeleinden;
l.
arrangement: een reservering op een toeristische plaats voor een gezin, echtpaar of samen reizende personen gedurende een vooraf vastgelegde periode van minimaal vier weken voor een vast huurbedrag;
m. voorseizoenarrangement: een arrangement lopend vanaf het begin van het kampeerseizoen en eindigend aan het eind van de maand juni; n.
verlengd voorseizoenarrangement: een arrangement lopend vanaf het begin van het kampeerseizoen en eindigend in de eerste helft van de maand juli;
o.
naseizoenarrangement: een arrangement met een looptijd van ongeveer twee maanden, startend na het hoogseizoen en eindigend bij de afloop van het kampeerseizoen;
p.
maandarrangement: een arrangement met een looptijd van één maand gedurende de maand juni of september.
Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam 'toeristenbelasting' wordt een directe belasting geheven voor het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven.
41/189
Artikel 3 Belastingplicht 1.
Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 2.
2.
De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene die verblijf houdt als bedoeld in artikel 2.
3.
Als er geen persoon is aan te wijzen die gelegenheid biedt tot verblijf, is degene belastingplichtig die verblijf houdt als bedoeld in artikel 2.
Artikel 4 Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven voor het verblijf: 1.
van degene die verblijft in een instelling als bedoeld in artikel 4 van de Wet toetreding zorgaanbieders;
2.
van een vreemdeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, letters c, d, f, g, h, van voornoemde wet, en voor zover deze persoon verblijf houdt als bedoeld in artikel 2 van de Verordening, onder verantwoordelijkheid van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers;
3.
van degene die verblijf houdt in een gemeubileerde woning voor welk verblijf forensenbelasting is verschuldigd.
Artikel 5 Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar het aantal overnachtingen in het belastingjaar. Het aantal overnachtingen wordt gesteld op het aantal overnachtende personen vermenigvuldigd met het aantal nachten.
Artikel 6 Forfaitaire berekeningswijze van de maatstaf van heffing 1.
Het aantal personen dat heeft overnacht, wordt met betrekking tot mobiele kampeeronderkomens, vakantieonderkomens en stacaravans op vaste jaarplaatsen, vaste seizoenplaatsen en seizoenplaatsen bepaald op 2,5.
2.
Het aantal malen dat door de in het eerste lid bedoelde personen is overnacht, wordt bepaald op 55.
3.
In afwijking van het tweede lid, wordt het aantal malen dat de door in het eerste lid bedoelde personen is overnacht bepaald op:
4.
a.
29, indien sprake is van een voorseizoenarrangement;
b.
39, indien sprake is van een verlengd voorseizoenarrangement;
c.
14, indien sprake is van een naseizoenarrangement;
d.
12, indien sprake is van een maandarrangement.
In afwijking van het eerste, tweede en derde lid wordt het forfait niet toegepast op verblijf in verhuureenheden, vakantieonderkomens en mobiele kampeeronderkomens, die niet door dezelfde persoon of personen worden gehuurd voor de gehele jaar-, seizoens- of arrangementenperiode, doch steeds worden gehuurd door wisselende verblijfhoudenden voor een korte periode.
5.
Het aantal personen dat heeft overnacht, wordt met betrekking tot verhuurde woningen bepaald op het aantal kamers dat in de verhuurde woning aanwezig is, verminderd met 1.
6.
Het aantal malen dat door de het in het vijfde lid bedoelde personen is overnacht, wordt bepaald op 300.
42/189
Artikel 7 Opteren voor niet-forfaitaire maatstaf van heffing In afwijking van het bepaalde in artikel 6 wordt op een door de belastingplichtige bij de aangifte gedane aanvraag de maatstaf van heffing vastgesteld op het werkelijke aantal overnachtingen, indien blijkt dat dit aantal lager is dan het op grond van artikel 6 berekende aantal.
Artikel 8 Belastingtarief Het tarief bedraagt per overnachting € 1,67.
Artikel 9 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 10 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 11 Aanslaggrens Een belastingaanslag wordt niet opgelegd als het aantal overnachtingen, waartoe gelegenheid wordt of is gegeven, tijdens het belastingjaar minder dan tien zal of heeft belopen.
Artikel 12 Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, en de tweede termijn twee maanden later.
2.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Artikel 13 Kwijtschelding Bij de invordering van toeristenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 14 Aanmeldingsplicht 1.
De belastingplichtige, als bedoeld in artikel 3, is gehouden, voordat hij voor de eerste maal na het in werking treden van deze verordening gelegenheid tot overnachten verschaft, zulks schriftelijk te melden aan de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gemeenteambtenaren, bedoeld in artikel 231 tweede lid, onderdelen b en d, van de Gemeentewet.
43/189
2.
De verplichting als bedoeld in het voorgaande lid geldt niet voor de belastingplichtige die met betrekking tot het jaar voorafgaand aan het belastingjaar in de heffing van de toeristenbelasting betrokken is.
Artikel 15 Registratieplicht 1.
De belastingplichtige, als bedoeld in artikel 3, is gehouden, degenen die verblijf houden te registreren in een daarvoor bestemd nachtverblijfregister.
2.
Met betrekking tot de inrichting en het gebruik van het nachtverblijfregister kunnen nadere regels gesteld worden.
3.
Het bepaalde in lid 2 van dit artikel geldt niet voor zover de belastingplichtige gebruik maakt van een eigen registratiesysteem.
4.
Bij de vaststelling van feiten ten behoeve van de heffing van toeristenbelasting kan de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b en d van de Gemeentewet, bedoelde gemeenteambtenaar het door belastingplichtige bijgehouden nachtverblijfregister raadplegen.
Artikel 16 Overgangsrecht De 'Verordening toeristenbelasting 2022' van 11 november 2021 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 17, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 17 Inwerkingtreding 1.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
2.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023.
Artikel 18 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening toeristenbelasting 2023.
Besloten in de openbare vergadering van de gemeente Terneuzen op 15 december 2022.
griffier (plv),
voorzitter,
ing. N.M.J. Jansen-Geerinckx
H.J.A. van Merrienboer
44/189
Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting 20222023 De raad van de gemeente Terneuzen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 288 november september 20212022; gelet op artikel 224 van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting 20222023 (Verordening toeristenbelasting 20222023).
Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a.
vakantieonderkomens: woningen en andere verblijven, niet zijnde mobiele kampeeronderkomens of stacaravans, in hoofdzaak bestemd voor dan wel gebezigd als verblijf voor vakantie- en andere recreatieve doeleinden;
b.
mobiele kampeeronderkomens: tenten, vouwwagens, kampeerauto’s, toercaravans en soortgelijke onderkomens dan wel soortgelijke voertuigen welke bestemd zijn dan wel gebezigd worden als verblijf voor vakantie en andere recreatieve doeleinden;
c.
verhuurde ruimten: woningen en andere verblijven, of gedeelten daarvan, niet-zijnde mobiele kampeeronderkomens of stacaravans, welke niet in hoofdzaak bestemd zijn als verblijf voor vakantie en andere recreatieve doeleinden, doch wel in bepaalde perioden van het jaar voor die doeleinden worden verhuurd dan wel te huur aangeboden;
d.
verhuurde woningen: woningen en andere verblijven, of gedeelten daarvan, die geheel of gedeeltelijk worden gebezigd voor verblijf anders dan voor vakantie- en andere recreatieve doeleinde van personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven;
e.
vaste jaarplaats: een terrein of terreingedeelte op een kampeerterrein, dat is gehuurd van de exploitant van het kampeerterrein, bestemd voor het gedurende een jaar hebben van een zelfde mobiel kampeeronderkomen, stacaravan of vakantieonderkomen, dat doorgaans na afloop van het seizoen
45/189
niet wordt verwijderd, voor het gebruik door de huurders voor toeristische of recreatieve doeleinden gedurende de totale huurperiode; f.
vaste seizoenplaats: een terrein of terreingedeelte op een kampeerterrein, dat is gehuurd van de exploitant van het kampeerterrein, bestemd voor het gedurende een seizoen hebben van een zelfde mobiel kampeeronderkomen, stacaravan of vakantieonderkomen, dat doorgaans na afloop van het seizoen niet wordt verwijderd en waarin het gedurende de winterperiode niet toegestaan is om te overnachten, voor het gebruik door de huurders voor toeristische of recreatieve doeleinden gedurende de totale huurperiode;
g.
seizoenplaats: een terrein of terreingedeelte op een kampeerterrein, dat is gehuurd van de exploitant van het kampeerterrein, bestemd voor het gedurende het seizoen hebben van een zelfde mobiel kampeeronderkomen, stacaravan of vakantieonderkomen, dat doorgaans na afloop van het seizoen wordt verwijderd, voor het gebruik door de huurders voor toeristische of recreatieve doeleinden gedurende de totale huurperiode;
h.
toeristische plaats: een terrein of terreingedeelte dat bestemd is voor het gedurende een jaar of seizoen plaatsen van steeds wisselende mobiele kampeeronderkomens;
i.
verhuureenheden: vakantieonderkomens, mobiele kampeeronderkomens of verhuurde ruimten die door de eigenaar of exploitant worden verhuurd voor perioden korter dan een maand aan steeds wisselende personen;
j.
kampeerterrein: een terrein dat bestemd is om te worden gebruikt voor verblijfsrecreatie;
k.
stacaravans: caravans die op een seizoens-, vaste seizoens- of jaarplaats op een kampeerterrein zijn neergezet om voor langere tijd als verblijfsplaats te dienen en die bestemd zijn voor en gebezigd worden als verblijf voor vakantie- en andere recreatieve doeleinden;
l.
arrangement: een reservering op een toeristische plaats voor een gezin, echtpaar of samen reizende personen gedurende een vooraf vastgelegde periode van minimaal vier weken voor een vast huurbedrag;
m. voorseizoenarrangement: een arrangement lopend vanaf het begin van het kampeerseizoen en eindigend aan het eind van de maand juni; n.
verlengd voorseizoenarrangement: een arrangement lopend vanaf het begin van het kampeerseizoen en eindigend in de eerste helft van de maand juli;
o.
naseizoenarrangement: een arrangement met een looptijd van ongeveer twee maanden, startend na het hoogseizoen en eindigend bij de afloop van het kampeerseizoen;
p.
maandarrangement: een arrangement met een looptijd van één maand gedurende de maand juni of september.
Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam 'toeristenbelasting' wordt een directe belasting geheven voor het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven.
46/189
Artikel 3 Belastingplicht 1.
Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 2.
2.
De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene die verblijf houdt als bedoeld in artikel 2.
3.
Als er geen persoon is aan te wijzen die gelegenheid biedt tot verblijf, is degene belastingplichtig die verblijf houdt als bedoeld in artikel 2.
Artikel 4 Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven voor het verblijf: 1.
van degene die verblijft in een instelling als bedoeld in artikel 4 van de Wet toetreding zorgaanbiedersdegene die verblijft in een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet Toelating Zorginstellingen;
2.1. van een vreemdeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, letters c, d, f, g, h, van voornoemde wet, en voor zover deze persoon verblijf houdt als bedoeld in artikel 2 van de Verordening, onder verantwoordelijkheid van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers; 3.2. van degene die verblijf houdt in een gemeubileerde woning voor welk verblijf forensenbelasting is verschuldigd.
Artikel 5 Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar het aantal overnachtingen in het belastingjaar. Het aantal overnachtingen wordt gesteld op het aantal overnachtende personen vermenigvuldigd met het aantal nachten.
Artikel 6 Forfaitaire berekeningswijze van de maatstaf van heffing 1.
Het aantal personen dat heeft overnacht, wordt met betrekking tot mobiele kampeeronderkomens, vakantieonderkomens en stacaravans op vaste jaarplaatsen, vaste seizoenplaatsen en seizoenplaatsen bepaald op 2,5.
2.
Het aantal malen dat door de in het eerste lid bedoelde personen is overnacht, wordt bepaald op 55.
3.
In afwijking van het tweede lid, wordt het aantal malen dat de door in het eerste lid bedoelde personen is overnacht bepaald op:
4.
a.
29, indien sprake is van een voorseizoenarrangement;
b.
39, indien sprake is van een verlengd voorseizoenarrangement;
c.
14, indien sprake is van een naseizoenarrangement;
d.
12, indien sprake is van een maandarrangement.
In afwijking van het eerste, tweede en derde lid wordt het forfait niet toegepast op verblijf in verhuureenheden, vakantieonderkomens en mobiele kampeeronderkomens, die niet door dezelfde persoon of personen worden gehuurd voor de gehele jaar-, seizoens- of arrangementenperiode, doch steeds worden gehuurd door wisselende verblijfhoudenden voor een korte periode.
5.
Het aantal personen dat heeft overnacht, wordt met betrekking tot verhuurde woningen bepaald op het aantal kamers dat in de verhuurde woning aanwezig is, verminderd met 1.
47/189
6.
Het aantal malen dat door de het in het vijfde lid bedoelde personen is overnacht, wordt bepaald op 300.
Artikel 7 Opteren voor niet-forfaitaire maatstaf van heffing In afwijking van het bepaalde in artikel 6 wordt op een door de belastingplichtige bij de aangifte gedane aanvraag de maatstaf van heffing vastgesteld op het werkelijke aantal overnachtingen, indien blijkt dat dit aantal lager is dan het op grond van artikel 6 berekende aantal.
Artikel 8 Belastingtarief Het tarief bedraagt per overnachting € 1,6267.
Artikel 9 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 10 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 11 Aanslaggrens Een belastingaanslag wordt niet opgelegd als het aantal overnachtingen, waartoe gelegenheid wordt of is gegeven, tijdens het belastingjaar minder dan tien zal of heeft belopen.
Artikel 12 Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, en de tweede termijn twee maanden later.
2.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Artikel 13 Kwijtschelding Bij de invordering van toeristenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 14 Aanmeldingsplicht 1.
De belastingplichtige, als bedoeld in artikel 3, is gehouden, voordat hij voor de eerste maal na het in werking treden van deze verordening gelegenheid tot overnachten verschaft, zulks schriftelijk te melden aan de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gemeenteambtenaren, bedoeld in artikel 231 tweede lid, onderdelen b en d, van de Gemeentewet.
48/189
2.
De verplichting als bedoeld in het voorgaande lid geldt niet voor de belastingplichtige die met betrekking tot het jaar voorafgaand aan het belastingjaar in de heffing van de toeristenbelasting betrokken is.
Artikel 15 Registratieplicht 1.
De belastingplichtige, als bedoeld in artikel 3, is gehouden, degenen die verblijf houden te registreren in een daarvoor bestemd nachtverblijfregister.
2.
Met betrekking tot de inrichting en het gebruik van het nachtverblijfregister kunnen nadere regels gesteld worden.
3.
Het bepaalde in lid 2 van dit artikel geldt niet voor zover de belastingplichtige gebruik maakt van een eigen registratiesysteem.
4.
Bij de vaststelling van feiten ten behoeve van de heffing van toeristenbelasting kan de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b en d van de Gemeentewet, bedoelde gemeenteambtenaar het door belastingplichtige bijgehouden nachtverblijfregister raadplegen.
Artikel 16 Overgangsrecht De 'Verordening toeristenbelasting 2021'2022' van 1211 november 20202021 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 17, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 17 Inwerkingtreding 1.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
2.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 20222023.
Artikel 18 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening toeristenbelasting 20222023.
Besloten in de openbare vergadering van de gemeente Terneuzen op 1115 november december 20212022.
griffier,
(plv),
mr. ing. N.M.J.H.P. de Jong
voorzitter,
Jansen-Geerinckx
H.J.A. van Merrienboer
49/189
Verordening op de heffing en de invordering van hondenbelasting 2023 De raad van de gemeente Terneuzen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders 8 november 2022; gelet op artikel 226 van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van hondenbelasting 2023 (Verordening hondenbelasting 2023).
Artikel 1 Belastbaar feit Onder de naam 'hondenbelasting' wordt een directe belasting geheven voor het houden van een hond binnen de gemeente.
Artikel 2 Belastingplicht 1.
Belastingplichtig is de houder van een hond.
2.
Als houder wordt aangemerkt degene die onder welke titel dan ook een hond onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is.
3.
Het houden van een hond door een lid van het huishouden wordt aangemerkt als het houden van een hond door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden.
Artikel 3 Vrijstellingen 1.
In dit artikel wordt verstaan onder hondenasiel: aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honden die zwervend zijn aangetroffen, dan wel waarvan door de eigenaar permanent afstand is gedaan, welke locatie als inrichting is aangemeld overeenkomstig artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren.
50/189
2.
De belasting wordt niet geheven voor honden: a.
die zijn opgeleid tot en dienen als blindengeleidehond en in hoofdzaak als zodanig door een blind persoon worden gehouden;
b.
die zijn opgeleid tot en dienen als assistentiehond en in hoofdzaak als zodanig door een gehandicapt persoon worden gehouden;
c.
die verblijven in een hondenasiel;
d.
die uitsluitend ten verkoop of aflevering in voorraad worden gehouden in een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren;
e.
die jonger zijn dan drie maanden, voor zover zij tezamen met de moederhond worden gehouden.
Artikel 4 Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden.
Artikel 5 Belastingtarief 1.
2.
De belasting bedraagt per belastingjaar: a.
voor een eerste hond € 76,00;
b.
voor iedere hond boven het aantal van één € 171,00;
In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting voor honden, gehouden in een kennel, per belastingjaar, per kennel € 305,00. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt onder een kennel verstaan een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, bestemd en gebruikt voor het fokken van honden voor de verkoop of aflevering van nakomelingen.
Artikel 6 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 7 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.
De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, als dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2.
Indien de belastingplicht in de loop van het jaar aanvangt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar toeneemt, is de belasting, respectievelijk de hogere belasting voor het toegenomen aantal honden, verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, respectievelijk de toename van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven.
3.
Als de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar vermindert, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van
51/189
de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht respectievelijk de vermindering van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven.
Artikel 9 Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in het geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 10.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande, dat het aantal termijnen tenminste vier en ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Artikel 10 Kwijtschelding Bij de invordering van hondenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 11 Overgangsrecht De ‘Verordening hondenbelasting 2022' van 11 november 2021 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 12 Inwerkingtreding 1.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
2.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023.
52/189
Artikel 13 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening hondenbelasting 2023.
Besloten in de openbare vergadering van de gemeente Terneuzen op 15 december 2022.
griffier (plv),
voorzitter,
ing. N.M.J. Jansen-Geerinckx
H.J.A. van Merrienboer
53/189
Verordening op de heffing en de invordering van hondenbelasting 20222023 De raad van de gemeente Terneuzen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders 288 september november 20212022; gelet op artikel 226 van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van hondenbelasting 20222023 (Verordening hondenbelasting 20222023).
Artikel 1 Belastbaar feit Onder de naam 'hondenbelasting' wordt een directe belasting geheven voor het houden van een hond binnen de gemeente.
Artikel 2 Belastingplicht 1.
Belastingplichtig is de houder van een hond.
2.
Als houder wordt aangemerkt degene die onder welke titel dan ook een hond onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is.
3.
Het houden van een hond door een lid van het huishouden wordt aangemerkt als het houden van een hond door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden.
Artikel 3 Vrijstellingen 1.
In dit artikel wordt verstaan onder hondenasiel: aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honden die zwervend zijn aangetroffen, dan wel waarvan door de eigenaar permanent afstand is gedaan, welke locatie als inrichting is aangemeld overeenkomstig artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren.
54/189
2.
De belasting wordt niet geheven voor honden: a.
die zijn opgeleid tot en dienen als blindengeleidehond en in hoofdzaak als zodanig door een blind persoon worden gehouden;
b.
die zijn opgeleid tot en dienen als assistentiehond en in hoofdzaak als zodanig door een gehandicapt persoon worden gehouden;
c.
die verblijven in een hondenasiel;
d.
die uitsluitend ten verkoop of aflevering in voorraad worden gehouden in een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren;
e.
die jonger zijn dan drie maanden, voor zover zij tezamen met de moederhond worden gehouden.
Artikel 4 Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden.
Artikel 5 Belastingtarief 1.
2.
De belasting bedraagt per belastingjaar: a.
voor een eerste hond € 73,8076,00;
b.
voor iedere hond boven het aantal van één € 166,00171,00;
In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting voor honden, gehouden in een kennel, per belastingjaar, per kennel € 296305,00. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt onder een kennel verstaan een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, bestemd en gebruikt voor het fokken van honden voor de verkoop of aflevering van nakomelingen.
Artikel 6 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 7 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.
De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, als dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2.
Indien de belastingplicht in de loop van het jaar aanvangt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar toeneemt, is de belasting, respectievelijk de hogere belasting voor het toegenomen aantal honden, verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, respectievelijk de toename van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven.
55/189
3.
Als de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar vermindert, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht respectievelijk de vermindering van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven.
Artikel 9 Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in het geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 10.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande, dat het aantal termijnen tenminste vier en ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Artikel 10 Kwijtschelding Bij de invordering van hondenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 11 Overgangsrecht De ‘Verordening hondenbelasting 2021'2022' van 1211 november 20202021 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 12 Inwerkingtreding 1.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
2.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 20222023.
56/189
Artikel 13 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening hondenbelasting 20222023.
Besloten in de openbare vergadering van de gemeente Terneuzen op 1115 november december 20212022.
griffier,
(plv),
mr. ing. N.M.J.H.P. de Jong
voorzitter,
Jansen-Geerinckx
H.J.A. van Merrienboer
57/189
Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2023 De raad van de gemeente Terneuzen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2022; gelet op artikel 225 van de Gemeentewet en de Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen 2023; besluit: vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2023 (Verordening parkeerbelastingen 2023).
Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a.
parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar vervoer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;
b.
motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990;
c.
houder: degene op wiens naam het motorrijtuig ten tijde van het parkeren in het kentekenregister, bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, was ingeschreven;
d.
parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, voor het betalen van parkeerbelasting ingerichte mobiele apparaten en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;
e.
mobiel parkeren: het in werking stellen van de parkeerapparatuur met behulp van een mobiele telefoon of op een andere door de serviceprovider geaccepteerde methode, of op een andere in het maatschappelijk en economisch verkeer geaccepteerde methode om achteraf aan de betaalplicht te kunnen voldoen;
f.
serviceprovider: aanbieder van mobiel parkeren welke is aangesloten bij de centrale database: het Nationale Parkeer Register.
58/189
Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam 'parkeerbelastingen' worden de volgende belastingen geheven: a.
een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;
b.
een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een motorvoertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.
Artikel 3 Belastingplicht 1.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van de degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd.
2.
Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt: a.
degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen;
b.
zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het motorvoertuig, met dien verstande dat: 1.
als een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het motorvoertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd;
2.
als blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd.
3.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, als deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het motorvoertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.
4.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd.
Artikel 4 Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel.
Artikel 5 Wijze van heffing 1.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften.
2.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte.
3.
Bij de voldoening op aangifte moet het kenteken van het motorvoertuig waarmee wordt geparkeerd of waarvoor de vergunning geldt worden opgegeven.
59/189
Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld 1.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door mobiel parkeren.
2.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.
Artikel 7 Termijnen van betaling 1.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren.
2.
In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt via mobiel parkeren.
3.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.
4.
Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.
Artikel 8 Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit.
Artikel 9 Bevoegdheid tot gebruik wielklem en wegsleepregeling 1.
Tot zekerheid van de betaling van een naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, kan aan het voertuig ook een wielklem worden aangebracht.
2.
Het college wijst bij openbaar te maken besluit in alle gevallen de terreinen en weggedeelten aan waar de wielklem wordt toegepast.
3.
Als na het aanbrengen van de wielklem 24 uren zijn verstreken kan het motorvoertuig naar een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen plaats worden overgebracht en in bewaring worden gesteld.
Artikel 10 Kosten 1.
De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedragen € 72,90.
2.
De kosten van het aanbrengen en van het verwijderen van de wielklem bedragen € 129,00.
3.
De kosten voor het overbrengen en bewaren van het motorvoertuig naar de bewaarplaats zijn opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen 2023.
4.
Het bedrag van de ingevolge het eerste tot en met het derde lid in rekening te brengen kosten wordt bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld.
60/189
Artikel 11 Kwijtschelding Bij de invordering van de parkeerbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 12 Overgangsrecht De 'Verordening parkeerbelastingen 2022' van 11 november 2021, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 13, tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 13 Inwerkingtreding 1.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking.
2.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023.
Artikel 14 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening parkeerbelastingen 2023.
Besloten in de openbare vergadering van de gemeente Terneuzen op 15 december 2022.
griffier (plv),
voorzitter,
ing. N.M.J. Jansen-Geerinckx
H.J.A. van Merrienboer
61/189
Bijlage 1 Tarieventabel behorende bij de Verordening parkeerbelastingen 2023 A. Parkeertarief Het tarief voor het parkeren bij parkeerapparatuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedraagt binnen de grenzen van het exploitatiegebied: 1.
op de Oostkant (bronpunt Oostkant), op de Herengracht, aan de Rosegracht (bronpunt Rosegracht), aan de noord-oostzijde van het stadskantoor (bronpunt Stadhuisplein), aan de oostzijde van de Scheldekade, aan de noordzijde van de Scheldekade (bronpunt Scheldekade), het gedeelte van de Vlooswijkstraat tussen de Noordstraat en de Dwarsstraat, aan de Steenkamplaan (bronpunt Steenkamplaan), aan het Oostelijk Bolwerk (bronpunt Oostelijk Bolwerk), op het parkeerterrein aan de Axelsedam (bronpunt Axelsedam), op het parkeerterrein aan de Oude Veerhaven (bronpunt Oude Veerhaven):
1.1
voor het parkeren per uur, met een minimum inworp van € 0,10:
€ 1,60
voor een dagkaart, met een tarief per dag van:
€ 6,00
van maandag tot en met zaterdag van 09.00 uur tot 18.00 uur; 2.
op het parkeerterrein Westkolk, gelegen aan de Westkolkstraat:
2.1
voor het parkeren per uur, met een minimum inworp van € 0,10:
€ 1,60
voor een dagkaart, met een tarief per dag van:
€ 6,00
van maandag tot en met zaterdag van 09.00 uur tot 24.00 uur; 3.
op de parkeerplaats Westerscheldedijk, gelegen tussen de Binnenvaartweg en de Westerscheldedijk:
3.1
voor het parkeren per uur, met een minimum inworp van € 0,10:
€ 1,60
voor een dagkaart, met een tarief per dag van:
€ 6,00
van maandag tot en met zaterdag van 09.00 uur tot 24.00 uur; 3.2
voor het parkeren per uur, met een minimum inworp van € 0,10: met een maximum van € 2,50;
62/189
€ 1,60
van maandag tot en met zaterdag van 18.00 uur tot 24.00 uur; 4.
op de daarvoor bestemde parkeerplaatsen aan de dr. Buizestraat (parkeerterrein Epicurus):
4.1
voor het parkeren per uur, met een minimum inworp van € 0,10,
€ 1,60
met dien verstande dat het eerste uur parkeren gratis is; voor een dagkaart, met een tarief per dag van:
€ 6,00
van maandag tot en met zaterdag van 09.00 uur tot 18.00 uur. 5.
op de daarvoor bestemde parkeerplaatsen in de vergunninghouderszones 1 tot en met 4:
5.1
voor een dagkaart, met een tarief per dag van:
€ 20,00
van maandag tot en met zondag van 0.00 uur tot en met 24.00 uur. B.
Parkeervergunning
Het tarief voor een parkeervergunning als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, bedraagt: 1.
voor een vergunning op grond van artikel 3.90, tweede lid, onder a van
€ 32,90
de Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen 2023 per jaar (bewonersvergunning) 2.
voor een vergunning op grond van artikel 3.90, tweede lid, onder b of c van de Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen 2023 (zakelijke vergunning):
2.1
voor één dag, per jaar
€ 153,00
2.2
voor twee dagen, per jaar
€ 193,00
2.3
voor drie dagen, per jaar
€ 233,00
2.4
voor vier dagen, per jaar
€ 273,00
2.5
voor vijf dagen, per jaar
€ 310,00
2.6
voor zes dagen, per jaar
€ 389,00
3.
voor het wijzigen van kentekens
Gratis
63/189
4.
voor een vergunning op grond van artikel 3.90, tweede lid, onder e van
€ 8,70
de Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen 2023, per jaar (bezoekersvergunning) 5.
voor een vergunning op grond van artikel 3.90, derde lid van de Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen 2023:
5.1
per week
€ 22,20
5.2
per dag
€ 5,40
Behoort bij raadsbesluit van 15 december 2022.
griffier (plv),
ing. N.M.J. Jansen-Geerinckx
64/189
Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 20222023 De raad van de gemeente Terneuzen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28 september 20218 november 2022; gelet op artikel 225 van de Gemeentewet en de Parkeerverordening 2008Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen 2023; besluit: vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 20222023 (Verordening parkeerbelastingen 20222023).
Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a.
parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar vervoer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;
b.
motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990;
c.
houder: degene op wiens naam het motorrijtuig ten tijde van het parkeren in het kentekenregister, bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, was ingeschreven;
d.
parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, voor het betalen van parkeerbelasting ingerichte mobiele apparaten en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;
e.
mobiel parkeren: het in werking stellen van de parkeerapparatuur met behulp van een mobiele telefoon of op een andere door de serviceprovider geaccepteerde methode, of op een andere in het maatschappelijk en economisch verkeer geaccepteerde methode om achteraf aan de betaalplicht te kunnen voldoen;
65/189
f.
serviceprovider: aanbieder van mobiel parkeren welke is aangesloten bij de centrale database: het Nationale Parkeer Register.
Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam 'parkeerbelastingen' worden de volgende belastingen geheven: a.
een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;
b.
een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een motorvoertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.
Artikel 3 Belastingplicht 1.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van de degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd.
2.
Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt: a.
degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen;
b.
zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het motorvoertuig, met dien verstande dat: 1.
als een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het motorvoertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd;
2.
als blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd.
3.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, als deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het motorvoertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.
4.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd.
Artikel 4 Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel.
Artikel 5 Wijze van heffing 1.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften.
66/189
2.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte.
3.
Bij de voldoening op aangifte moet het kenteken van het motorvoertuig waarmee wordt geparkeerd of waarvoor de vergunning geldt worden opgegeven.
Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld 1.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door mobiel parkeren.
2.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.
Artikel 7 Termijnen van betaling 1.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren.
2.
In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt via mobiel parkeren.
3.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.
4.
Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.
Artikel 8 Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit.
Artikel 9 Bevoegdheid tot gebruik wielklem en wegsleepregeling 1.
Tot zekerheid van de betaling van een naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, kan aan het voertuig ook een wielklem worden aangebracht.
2.
Het college wijst bij openbaar te maken besluit in alle gevallen de terreinen en weggedeelten aan waar de wielklem wordt toegepast.
3.
Als na het aanbrengen van de wielklem 24 uren zijn verstreken kan het motorvoertuig naar een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen plaats worden overgebracht en in bewaring worden gesteld.
Artikel 10 Kosten 1.
De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedragen € 66,5072,90.
2.
De kosten van het aanbrengen en van het verwijderen van de wielklem bedragen € 125129,00.
67/189
3.
De kosten voor het overbrengen en bewaren van het motorvoertuig naar de bewaarplaats zijn opgenomen in de Wegsleepverordening gemeenteVerordening fysieke leefomgeving Terneuzen 2023.
4.
Het bedrag van de ingevolge het eerste tot en met het derde lid in rekening te brengen kosten wordt bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld.
Artikel 11 Kwijtschelding Bij de invordering van de parkeerbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 12 Overgangsrecht De 'Verordening parkeerbelastingen 2021'2022' van 1211 november 20202021, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 13, tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.