2022-11-29 a. Belastingverordeningen 2023 - ontwerpbesluit
Tekst van het document
Gemeenteraad Ontwerpbesluit
Zitting van 15 december 2022 Middelen - Financiën zaaknummer: 13399
2022_Raad_00204 - Belastingverordeningen 2023 Portefeuillehouder Frank Hulle,van Programma en/of paragraaf Paragraaf Lokale heffingen Besluit Besluitpunt 1 De gemeenteraad besluit de Verordening onroerende-zaakbelastingen 2023 vast te stellen en de Verordening onroerende-zaakbelastingen 2022 in te trekken. Besluitpunt 2 De gemeenteraad besluit de Verordening reinigingsheffingen 2023 vast te stellen en de Verordening reinigingsheffingen 2022 in te trekken. Besluitpunt 3 De gemeenteraad besluit de Verordening rioolheffing 2023 vast te stellen en de Verordening rioolheffing 2022 in te trekken. Besluitpunt 4 De gemeenteraad besluit de Verordening forensenbelasting 2023 vast te stellen en de Verordening forensenbelasting 2022 in te trekken. Besluitpunt 5 De gemeenteraad besluit de Verordening toeristenbelasting 2023 vast te stellen en de Verordening toeristenbelasting 2022 in te trekken. Besluitpunt 6 De gemeenteraad besluit de Verordening hondenbelasting 2023 vast te stellen en de Verordening hondenbelasting 2022 in te trekken. Besluitpunt 7 De gemeenteraad besluit de Verordening parkeerbelastingen 2023 en de bijbehorende tarieventabel vast te stellen en de Verordening parkeerbelastingen 2022 in te trekken.
1/189
Besluitpunt 8 De gemeenteraad besluit het Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen 2023 vast te stellen en het Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen 2022 in te trekken. Besluitpunt 9 De gemeenteraad besluit de Verordening lijkbezorgingsrechten 2023 vast te stellen en de Verordening lijkbezorgingsrechten 2021 in te trekken. Besluitpunt 10 De gemeenteraad besluit de Verordening markt- en standplaatsgelden 2023 vast te stellen en de Verordening markt- en standplaatsgelden 2022 in te trekken. Besluitpunt 11 De gemeenteraad besluit de Legesverordening 2023, de bijbehorende tarieventabel en het overzicht bouwkosten vast te stellen en de Legesverordening 2022, laatstelijk gewijzigd op 2 juni 2022, in te trekken. Wat is de aanleiding? Het uitgangspunt voor het heffingenbeleid staat vermeld in het Bestuursakkoord 2022-2026 ‘Goed leven in Terneuzen. Verder bouwen aan een duurzame toekomst’. We corrigeren de lasten voor onze inwoners met niet meer dan het jaarlijkse prijspeil, tenzij meer noodzakelijk blijkt. In de raadsinformatiebrief "Actualisatie financiële positie naar aanleiding van meicirculaire 2022 gemeentefonds" van 14 juni 2022 informeerden wij u over de uitkomsten van de meicirculaire. Hierin namen wij ook op dat door de toenemende lasten voor onze burgers we de verhoging voor het jaar 2023 terugbrengen van 7,4% (prijspeil) naar 3,1%.
De tariefsverhoging van 3,1% hebben wij verwerkt bij het actualiseren van de belastingverordeningen. Wat willen we bereiken? Met de vaststelling van de belastingverordeningen kunnen wij in 2023 rechtsgeldige aanslagen opleggen. Hiermee worden de begrote gemeentelijke inkomsten voor 2023 gewaarborgd. Argumenten Het vaststellen van deze belastingverordeningen is noodzakelijk om de geraamde opbrengsten, zoals blijkt uit de begroting 2023 en de Perioderapportage 7, te kunnen realiseren. De belastingverordeningen zijn geactualiseerd voor het jaar 2023. De tariefsaanpassingen zijn hierin verwerkt. Indien de tarieven in de belastingverordeningen niet conform het voorstel worden vastgesteld, heeft dit direct gevolgen voor de opbrengsten in 2023. De ramingen voor het begrotingsjaar 2023 kunnen dan niet gerealiseerd worden. Wij verwijzen u naar bijlage 12.A voor een toelichting op de belangrijkste wijzigingen per verordening.
2/189
Kanttekeningen Wat mag het kosten? In de onderstaande tabel geven wij per belastingverordening de geraamde opbrengsten weer voor het jaar 2023.
Raming opbrengsten 2023 Belastingverordening incl. wijzigingen 2023 o.b.v. perioderapportage 7 Onroerendezaakbelastingen
€ 19.471.000
Afvalstoffenheffing
€
8.837.000
Rioolheffing
€
5.813.000
Forensenbelasting
€
258.000
Toeristenbelasting
€
454.000
Hondenbelasting
€
371.000
Parkeerbelasting/heffing
€
1.155.000
Markt- en staanplaatsgelden
€
47.000
Lijkbezorgingsrechten
€
779.000
Leges
€
1.912.000
Totaal
€ 39.097.000
Wat gaan we ervoor doen? De belastingverordeningen maken wij bekend via publicatie op de Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties (DROP).
Bijlagen 1. 01.A. Verordening onroerende-zaakbelastingen 2023.pdf 2. 01.B. Verordening onroerende-zaakbelastingen 2023 - wijzigingen bijhouden.pdf 3/189
3. 02.A. Verordening reinigingsheffingen 2023 en tarieventabel.pdf 4. 02.B. Verordening reinigingsheffingen 2023 en tarieventabel - wijzigingen bijhouden.pdf 5. 03.A. Verordening rioolheffing 2023.pdf 6. 03.B. Verordening rioolheffing 2023 - wijzigingen bijhouden.pdf 7. 04.A. Verordening forensenbelasting 2023.pdf 8. 04.B. Verordening forensenbelasting 2023 - wijzigingen bijhouden.pdf 9. 05.A. Verordening toeristenbelasting 2023.pdf 10. 05.B. Verordening toeristenbelasting 2023 - wijzigingen bijhouden.pdf 11. 06.A. Verordening hondenbelasting 2023.pdf 12. 06.B. Verordening hondenbelasting 2023 - wijzigingen bijhouden.pdf 13. 07.1.A. Verordening parkeerbelastingen 2023.pdf 14. 07.1.B. Verordening parkeerbelastingen 2023 - wijzigingen bijhouden.pdf 15. 07.2.A. Tarieventabel parkeren parkeergarages 2023 (collegebesluit).pdf 16. 07.2.B. Tarieventabel parkeren parkeergarages 2023 (collegebesluit) - wijzigingen bijhouden.pdf 17. 08.A. Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen 2023.pdf 18. 08.B. Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen 2023 - wijzigingen bijhouden.pdf 19. 09.A. Verordening lijkbezorgingsrechten 2023.pdf 20. 09.B. Verordening lijkbezorgingsrechten 2023 - wijzigingen bijhouden.pdf 21. 10.A. Verordening markt- en standplaatsgelden 2023.pdf 22. 10.B. Verordening markt- en standplaatsgelden 2023 - wijzigingen bijhouden.pdf 23. 11.A.
Legesverordening 2023.pdf 24. 11.B. Legesverordening 2023 - wijzigingen bijhouden.pdf 25. 12.A Toelichting per belastingverordening 2023.pdf 26. 12.B. Raadsbesluit en Evaluatie bezorgen reisdocumenten.pdf
4/189
Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2023 De raad van de gemeente Terneuzen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2022; gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2023 (Verordening onroerende-zaakbelastingen 2023).
Artikel 1 Belastbaar feit en belastingplicht 1.
Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a.
een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;
b.
een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.
2.
Bij de gebruikersbelasting wordt: a.
gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven (verder: de gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verder: de gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker;
b.
het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
3.
Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
5/189
Artikel 2 Voorwerp van de belasting 1.
Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak.
2.
Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.
3.
Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 3 Maatstaf van heffing 1.
De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 1.
2.
Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4 Vrijstellingen 1.
In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a.
voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
b.
glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;
c.
onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
d.
één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;
e.
natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;
f.
openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
g.
waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
6/189
h.
werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
i.
werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken.
j.
onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs;
k.
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;
l.
plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. 2.
De vrijstelling voor de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.
3.
In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 5 Belastingtarieven 1.
Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:
2.
a.
de gebruikersbelasting 0,2580 %;
b.
de eigenarenbelasting 1.
voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1291 %;
2.
voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,3214 %.
Voor belastingbedragen tot € 10 vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerendezaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.
Artikel 7 Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
7/189
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in het geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 10.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande, dat het aantal termijnen tenminste vier en ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Artikel 8 Kwijtschelding Bij de invordering van onroerende-zaakbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 9 Overgangsrecht De 'Verordening onroerende-zaak belastingen 2022' van 11 november 2021 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 10, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 10 Inwerkingtreding 1.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
2.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023.
Artikel 11 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening onroerende-zaakbelastingen 2023.
Besloten in de openbare vergadering van de gemeente Terneuzen op 15 december 2022.
griffier (plv),
voorzitter,
ing. N.M.J. Jansen-Geerinckx
H.J.A. van Merrienboer
8/189
Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 20222023 De raad van de gemeente Terneuzen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 288 septembernovember 20212022; gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 20222023 (Verordening onroerende-zaakbelastingen 20222023).
Artikel 1 Belastbaar feit en belastingplicht 1.
Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a.
een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;
b.
een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.
2.
Bij de gebruikersbelasting wordt: a.
gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven (verder: de gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verder: de gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker;
b.
het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
3.
Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
9/189
Artikel 2 Voorwerp van de belasting 1.
Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak.
2.
Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.
3.
Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 3 Maatstaf van heffing 1.
De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 1.
2.
Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4 Vrijstellingen 1.
In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a.
voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
b.
glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;
c.
onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
d.
één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;
e.
natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;
f.
openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
10/189
g.
waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
h.
werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
i.
werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken.
j.
onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs;
k.
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;
l.
plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. 2.
De vrijstelling voor de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.
3.
In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 5 Belastingtarieven 1.
Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:
2.
a.
de gebruikersbelasting 0,24932580 %;
b.
de eigenarenbelasting 1.
voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,13651291 %;
2.
voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,31063214 %.
Voor belastingbedragen tot € 10 vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerendezaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.
Artikel 7 Termijnen van betaling 11/189
1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in het geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 10.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande, dat het aantal termijnen tenminste vier en ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Artikel 8 Kwijtschelding Bij de invordering van onroerende-zaakbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 9 Overgangsrecht De 'Verordening onroerende-zaak belastingen 2021'2022' van 1211 november 20202021 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 10, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 10 Inwerkingtreding 1.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
2.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 20222023.
Artikel 11 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening onroerende-zaakbelastingen 20222023.
Besloten in de openbare vergadering van de gemeente Terneuzen op 1115 november december 20212022.
griffier,
(plv),
mr. ing. N.M.J.H.P. de Jong
voorzitter,
Jansen-Geerinckx
H.J.A. van Merrienboer
12/189
Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2023 De raad van de gemeente Terneuzen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2022; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; besluit: vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2023 (Verordening reinigingsheffingen 2023).
Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1 Inleidende bepalingen Krachtens deze verordening worden geheven: a.
een afvalstoffenheffing;
b.
reinigingsrechten.
Artikel 2 Definitie In deze verordening wordt verstaan onder ‘gebruik maken’ in hoofdstuk II Afvalstoffenheffing: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer.
13/189
Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing Artikel 3 Aard van de belasting en belastbaar feit 1.
Onder de naam 'afvalstoffenheffing' wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.
2.
De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Artikel 4. Voorwerp van de belasting 1.
Voorwerp van de belasting is een perceel.
2.
Als perceel wordt aangemerkt: a.
de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken;
b.
de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;
c.
een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d.
een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren.
e.
het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 5 Belastingplicht De belasting wordt geheven van degene die al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel.
Artikel 6 Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.
Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
14/189
Artikel 8 Wijze van heffing 1.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een aanslag.
2.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een gedagtekende kennisgeving waarop de verschuldigde belasting is vermeld.
3.
Per belastbaar feit kan afzonderlijk worden geheven.
Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2.
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3.
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
4.
Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in feitelijk gebruik neemt.
5.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening.
Artikel 10 Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in het geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 10.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande, dat het aantal termijnen tenminste vier en ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3.
De belasting, welke door middel van een gedagtekende kennisgeving bedoeld in artikel 8, tweede lid wordt geheven, moet worden betaald op het moment van het uitreiken van de kennisgeving.
4.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.
15/189
Hoofdstuk III Reinigingsrechten Artikel 11 Belastbaar feit Onder de naam 'reinigingsrechten' worden rechten geheven zowel voor het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.
Artikel 12 Belastingplicht De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt.
Artikel 13 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1.
De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 3 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.
2.
Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.
Artikel 14 Belastingjaar Met betrekking tot de rechten die per jaar worden geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 15 Wijze van heffing De rechten bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel worden geheven door middel van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.
Artikel 16 Ontstaan van de belastingschuld voor de overige rechten De rechten bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen.
Artikel 17 Termijnen van betaling 1.
De reinigingsrechten moeten worden betaald op het moment van het uitreiken van de schriftelijke kennisgeving, dan wel ingeval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.
2.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
16/189
Hoofdstuk IV Aanvullende bepalingen Artikel 18 Kwijtschelding Bij de invordering van de belasting en rechten onder onderdeel 1.3, hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3 van de tarieventabel wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 19 Overgangsrecht De ‘Verordening reinigingsheffingen 2022’ van 11 november 2021 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 20, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 20 Inwerkingtreding 1.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
2.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023.
Artikel 21 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening reinigingsheffingen 2023.
Besloten in de openbare vergadering van de gemeente Terneuzen op 15 december 2022.
griffier (plv),
voorzitter,
ing. N.M.J. Jansen-Geerinckx
H.J.A. van Merrienboer
17/189
Bijlage 1 Tarieventabel, behorende bij de Verordening reinigingsheffingen 2023 Algemeen De bedragen genoemd in deze tabel zijn inclusief omzetbelasting, indien deze verschuldigd is.
Hoofdstuk 1 Maatstaven en jaarlijkse tarieven afvalstoffenheffing 1.
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar:
1.1
indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de
€ 310,85
belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door één persoon 1.2
indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de
€ 363,50
belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door twee of meer personen 1.3
indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de
€ 363,50
belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht wordt gebruikt als niet-permanente bewoonde woning 1.4
De belasting als bedoeld in de onderdelen 1.1 tot en met 1.3 wordt vermeerderd voor het op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, in bruikleen hebben van:
1.4.1
een extra grijze container, per container met
€ 203,70
1.4.2
een extra groene container, per container met
Gratis
1.4.3
een extra blauwe container, per container met
€ 31,35
Hoofdstuk 2 Maatstaven en overige tarieven afvalstoffenheffing 2.
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 bedraagt de belasting voor het op aanvraag
2.1
inzamelen van grove huishoudelijke afvalstoffen, per aanvraag, met
€ 30,30
een maximum van 2 m3 per adres: 2.2
extra ledigen van één container, per aanvraag:
18/189
€ 31,35
2.3
inzamelen van snoeiafval aan huis, per aanvraag, met een maximum
€ 26,55
van 2 m3 per adres:
Hoofdstuk 3 Maatstaven en tarieven overige reinigingsrechten 3.
Het recht bedraagt voor:
3.1
het ledigen van beer- of zinkputten, septictanks, en het verwijderen van de daarin verzamelde afvalstoffen:
3.1.1
voor 1,5 m³ of een gedeelte daarvan
€ 125,00
3.1.2
voor meer dan 1,5 m³ doch maximaal 3 m2
€ 169,00
3.1.3
voor meer dan 3 m2
€ 263,00
Behoort bij raadsbesluit van 15 december 2022.
griffier (plv),
ing. N.M.J. Jansen-Geerinckx
19/189
Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 20222023 De raad van de gemeente Terneuzen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 288 september november 20212022; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; besluit: vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 20222023 (Verordening reinigingsheffingen 20222023).
Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1 Inleidende bepalingen Krachtens deze verordening worden geheven: a.
een afvalstoffenheffing;
b.
reinigingsrechten.
Artikel 2 Definitie In deze verordening wordt verstaan onder ‘gebruik maken’ in hoofdstuk II Afvalstoffenheffing: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer.
20/189
Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing Artikel 3 Aard van de belasting en belastbaar feit 1.
Onder de naam 'afvalstoffenheffing' wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.
2.
De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Artikel 4. Voorwerp van de belasting 1.
Voorwerp van de belasting is een perceel.
2.
Als perceel wordt aangemerkt: a.
de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken;
b.
de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;
c.
een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d.
een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren.
e.
het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 5 Belastingplicht De belasting wordt geheven van degene die al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel.
Artikel 6 Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.
Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
21/189
Artikel 8 Wijze van heffing 1.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een aanslag.
2.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een gedagtekende kennisgeving waarop de verschuldigde belasting is vermeld.
3.
Per belastbaar feit kan afzonderlijk worden geheven.
Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2.
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3.
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
4.
Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in feitelijk gebruik neemt.
5.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening.
Artikel 10 Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in het geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 10.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande, dat het aantal termijnen tenminste vier en ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3.
De belasting, welke door middel van een gedagtekende kennisgeving bedoeld in artikel 8, tweede lid wordt geheven, moet worden betaald op het moment van het uitreiken van de kennisgeving.
4.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.
22/189
Hoofdstuk III Reinigingsrechten Artikel 11 Belastbaar feit Onder de naam 'reinigingsrechten' worden rechten geheven zowel voor het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.
Artikel 12 Belastingplicht De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt.
Artikel 13 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1.
De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 3 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.
2.
Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.
Artikel 14 Belastingjaar Met betrekking tot de rechten die per jaar worden geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 15 Wijze van heffing De rechten bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel worden geheven door middel van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.
Artikel 16 Ontstaan van de belastingschuld voor de overige rechten De rechten bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen.
Artikel 17 Termijnen van betaling 1.
De reinigingsrechten moeten worden betaald op het moment van het uitreiken van de schriftelijke kennisgeving, dan wel ingeval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.
2.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
23/189
Hoofdstuk IV Aanvullende bepalingen Artikel 18 Kwijtschelding Bij de invordering van de belasting en rechten onder onderdeel 1.3, hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3 van de tarieventabel wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 19 Overgangsrecht De ‘Verordening reinigingsheffingen 2021’2022’ van 1211 november 20202021 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 20, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 20 Inwerkingtreding 1.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
2.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 20222023.
Artikel 21 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening reinigingsheffingen 20222023.
Besloten in de openbare vergadering van de gemeente Terneuzen op 1115 november december 20212022.
griffier,
(plv),
mr. J.H.P. de Jong ing. N.M.J. Jansen-Geerinckx
voorzitter,
H.J.A. van Merrienboer
24/189
Bijlage 1 Tarieventabel, behorende bij de Verordening reinigingsheffingen 20222023 Algemeen De bedragen genoemd in deze tabel zijn inclusief omzetbelasting, indien deze verschuldigd is.
Hoofdstuk 1 Maatstaven en jaarlijkse tarieven afvalstoffenheffing 1.
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar:
1.1
indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de
€ 301,75310,85
belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door één persoon 1.2
indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de
€ 352,90363,50
belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door twee of meer personen 1.3
indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de
€ 352,90363,50
belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht wordt gebruikt als niet-permanente bewoonde woning 1.4
De belasting als bedoeld in de onderdelen 1.1 tot en met 1.3 wordt vermeerderd voor het op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, in bruikleen hebben van:
1.4.1
een extra grijze container, per container met
€ 197,60203,70
1.4.2
een extra groene container, per container met
Gratis
1.4.3
een extra blauwe container, per container met
€ 30,4531,35
Hoofdstuk 2 Maatstaven en overige tarieven afvalstoffenheffing 2.
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 bedraagt de belasting voor het op aanvraag
2.1
inzamelen van grove huishoudelijke afvalstoffen, per aanvraag, met
€ 29,4030,30
een maximum van 2 m3 per adres: 2.2
extra ledigen van één container, per aanvraag:
25/189
€ 30,4531,35
2.3
inzamelen van snoeiafval aan huis, per aanvraag, met een maximum
€ 25,8026,55
van 2 m3 per adres:
Hoofdstuk 3 Maatstaven en tarieven overige reinigingsrechten 3.
Het recht bedraagt voor:
3.1
het ledigen van beer- of zinkputten, septictanks, en het verwijderen van de daarin verzamelde afvalstoffen:
3.1.1
voor 1,5 m³ of een gedeelte daarvan
€ 122125,00
3.1.2
voor meer dan 1,5 m³ doch maximaal 3 m2
€ 164169,00
3.1.3
voor meer dan 3 m2
€ 256263,00
Behoort bij raadsbesluit van 1115 november december 20212022.
griffier, (plv),
mr. J.H.P. de Jong
ing. N.M.J. Jansen-Geerinckx
26/189
Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2023 De raad van de gemeente Terneuzen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2022; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2023 (Verordening rioolheffing 2023).
Artikel 1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: -
gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;
-
water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.
Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a.
de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en
b.
de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht 1.
De belasting wordt geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel.
2.
Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als
27/189
zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 4. Voorwerp van de belasting 1. 2.
Voorwerp van de belasting is een perceel. Als perceel wordt aangemerkt: a.
de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken;
b.
de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;
c.
een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d.
een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
e.
het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 5 Maatstaf van heffing 1.
De belasting wordt geheven naar de waarde in het economische verkeer van het perceel.
2.
Als het perceel een onroerende zaak is, is de waarde in het economische verkeer de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde zoals deze voor het in artikel 7 bedoelde kalenderjaar geldt.
3.
Als voor het perceel geen waarde op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld, wordt de heffingsmaatstaf van dat perceel bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 6 Belastingtarieven Het tarief bedraagt 0,084% van de heffingsmaatstaf.
Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 8 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar.
28/189
Artikel 10 Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in het geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 10.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande, dat het aantal termijnen tenminste vier en ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Artikel 11 Kwijtschelding Bij de invordering van rioolheffing wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 12 Overgangsrecht De 'Verordening rioolheffing 2022' van 11 november 2021, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 13, tweede, lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 13 Inwerkingtreding 1.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
2.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023.
Artikel 14 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rioolheffing 2023.
Besloten in de openbare vergadering van de gemeente Terneuzen op 15 december 2022.
griffier (plv),
voorzitter,
ing. N.M.J. Jansen-Geerinckx
H.J.A. van Merrienboer
29/189
Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 20222023 De raad van de gemeente Terneuzen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 288 september november 20212022; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 20222023 (Verordening rioolheffing 20222023).
Artikel 1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: -
gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;
-
water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.
Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a.
de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en
b.
de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
30/189
Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht 1.
De belasting wordt geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel.
2.
Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 4. Voorwerp van de belasting 1. 2.
Voorwerp van de belasting is een perceel. Als perceel wordt aangemerkt: a.
de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken;
b.
de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;
c.
een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d.
een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
e.
het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 5 Maatstaf van heffing 1.
De belasting wordt geheven naar de waarde in het economische verkeer van het perceel.
2.
Als het perceel een onroerende zaak is, is de waarde in het economische verkeer de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde zoals deze voor het in artikel 7 bedoelde kalenderjaar geldt.
3.
Als voor het perceel geen waarde op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld, wordt de heffingsmaatstaf van dat perceel bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 6 Belastingtarieven Het tarief bedraagt 0,088084% van de heffingsmaatstaf.
Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
31/189
Artikel 8 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar.
Artikel 10 Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in het geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 10.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande, dat het aantal termijnen tenminste vier en ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Artikel 11 Kwijtschelding Bij de invordering van rioolheffing wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 12 Overgangsrecht De 'Verordening rioolheffing 2021'2022' van 1211 november 20202021, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 13, tweede, lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 13 Inwerkingtreding 1.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
2.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 20222023.
32/189
Artikel 14 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rioolheffing 20222023.
Besloten in de openbare vergadering van de gemeente Terneuzen op 1115 november december 20212022.
griffier,
(plv),
mr. ing. N.M.J.H.P. de Jong
voorzitter,
Jansen-Geerinckx
H.J.A. van Merrienboer
33/189
Verordening op de heffing en de invordering van een forensenbelasting 2023 De raad van de gemeente Terneuzen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2022; gelet op artikel 223 van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van een forensenbelasting 2023 (Verordening forensenbelasting 2023).
Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder woning: een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet.
Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplicht 1.
Onder de naam 'forensenbelasting' wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
2.
Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
Artikel 3 Vrijstellingen Niet belastingplichtig is degene die ter tijdelijke waarneming van een openbare betrekking of ter bijwoning van de vergaderingen van een algemeen vertegenwoordigend lichaam, waarvan hij het lidmaatschap bekleedt, dan wel ingevolge last of bevel van de overheid, buiten de gemeente van zijn hoofdverblijf vertoeft.
34/189
Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1.
De belasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen zoals die voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt, voor het tijdvak waarbinnen het belastingjaar valt, is vastgesteld.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven naar de waarde, indien de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt voor het belastingjaar is vastgesteld met toepassing van artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken.