2022-06-22 bijlage bestemmingsplan Philippine, Braakmanweg 18 vastgesteld 1-gecomprimeerd
Tekst van het document
Calamiteiten
Voor zover bij de opdrachtgever bekend hebben zich op de onderzoekslocatie in het verleden geen calamiteiten met een bodembedreigend karakter voorgedaan en zijn geen gegevens bekend dat op deze locatie, als ook in de directe nabijheid, met schuim is geblust. Ook uit informatie van de gemeente Terneuzen blijkt niet, dat er zich in het verleden bodembedreigende calamiteiten hebben voorgedaan. 3.5
Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie
Op de onderzoekslocatie zijn, voor zover bekend, geen bodemonderzoeken uitgevoerd. 3.6
Aangrenzende terreindelen/percelen
In paragraaf 3.1 zijn de geraadpleegde informatiebronnen voor de omliggende terreindelen en aangrenzende percelen binnen 25 meter van de onderzoekslocatie opgenomen. Het bodemgebruik van de omliggende terreindelen is als volgt:
aan de noordzijde bevindt zich een stuk bebossing en de Kanaalpolderweg. aan de oostzijde bevindt zich bebossing. aan de zuidzijde bevinden zich diverse woningen. aan de westzijde bevindt zich de Braakmanweg met daar aangrenzend het Philippinekanaal.
Op het perceel dat in zuidelijke richting aan de onderzoekslocatie grenst is in 1996 en 2005 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In 1996 is een aan de zuidgrens van de onderzoekslocatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door SGS EcoCare B.V (rapportnummer: EZ 854.118, d.d. 30 september 1996). De boringen die relevant zijn voor onderhavige onderzoekslocatie zijn boringen 12, 13 en 32. Zintuiglijk zijn er in deze boringen geen bijmengingen aangetroffen. Analytisch is in de mengmonsters waar deze boringen deel van uit maakten een lichte verontreinig met EOX aangetoond. Verdere onderzoeksinspanningen worden niet noodzakelijk geacht. In 2005 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Grond, Gewas- en Milieulaboratorium ‘’Zeeuws Vlaanderen’’ B.V (projectnummer: 05A0482, d.d. 27 juni 2005). De boringen die relevant zijn voor onderhavige onderzoekslocatie zijn boringen 12, 14, 15 en 17. Boringen 12 en 14 behoren tot mengmonster MM2 en boringen 15 en 17 behoren tot mengmonster MM3. Zintuiglijk zijn er geen bijmengingen aangetroffen. In mengmonster MM2 werd PAK en minerale olie aangetoond en in mengmonster MM3 werd minerale olie aangetoond. De huidige eigenaar van de onderzoekslocatie is niets bekend omtrent potentieel bodembedreigende activiteiten op aangrenzende percelen. Er vinden geen industriële activiteiten in de directe omgeving van de onderzoekslocatie plaats.
R 15321.001 versie D1
Pagina 3 van 14
Uit de verzamelde informatie blijkt, dat er vanuit de omliggende percelen geen grensoverschrijdende verontreinigingen zijn te verwachten. 3.7
Terreininspectie
Voorafgaand aan het bodemonderzoek is er een terreininspectie uitgevoerd. Deze is gericht op de identificatie van bronnen, die mogelijk hebben geleid of kunnen leiden tot een grond- en/of grondwaterverontreiniging. De tijdens de terreininspectie aangetroffen situatie komt overeen met de locatiegegevens, zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.2. Op de onderzoekslocatie zijn geen mogelijke bronnen voor een grond- en/of grondwaterverontreiniging aangetroffen. Op de onderzoekslocatie zijn eveneens geen specifieke mogelijke bronnen voor een asbestverontreiniging aangetroffen. 3.8
Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten
Op 2 juli 2020 is de geactualiseerde versie van het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie gepubliceerd waarin enkele nieuwe toepassingswaarden zijn opgenomen, waaronder voorlopige achtergrondwaarden. PFAS en PFOA zijn stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. Deze stoffen worden al heel lang gebruikt in industriële en andere processen. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. De stoffen zijn persistent, mobiel en nauwelijks biologisch afbreekbaar. Met het nieuwe handelingskader is heel Nederland verdacht op het voorkomen van deze stoffen. Als bij het ontgraven of saneren sprake is van afvoer van de grond naar elders, is het voor de toepassing elders of de acceptatie bij een grondbank, verwerker of stortplaats noodzakelijk om onderzoek te doen naar PFAS. De onderzoekslocatie is met betrekking tot de bovengrond gelegen binnen de bodemkwaliteitszone "Achtergrondwaarde”, vanuit de gegevens van de provincie Zeeland. Met betrekking tot de ondergrond is de onderzoekslocatie gelegen binnen de bodemkwaliteitszone "Achtergrondwaarde”. Volgens de bodem functiekaart valt de onderzoekslocatie in het gebied “Wonen”. Voor het gebied waarin onderhavige onderzoekslocatie is gelegen, is géén asbestkansenkaart vastgesteld. 3.9
Bodemopbouw en geohydrologie
De originele bodem bestaat volgens de bodemkaart van Nederland uit een zeekleibodem, die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit zeeklei en -zand op zand. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien de Formatie van Naaldwijk. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 0,2 m -NAP, waardoor het grondwater zich op ± 2,2 m -mv zou bevinden. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO in westelijke richting. Er liggen geen pompstations in de buurt van de onderzoekslocatie die van invloed zouden kunnen zijn op de grondwaterstroming ter plaatse van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied.
R 15321.001 versie D1
Pagina 4 van 14
4
CONCLUSIES MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM (ONDERZOEKSOPZET)
Ten behoeve van het bodemonderzoek is, op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, een aantal deellocaties geïdentificeerd. In tabel 2 zijn de onderzoeksstrategieën, die van toepassing zijn op de betreffende deellocaties, weergegeven. Tabel 2.
Onderzoeksstrategie Deellocatie
Oppervlakte 2
A
gehele onderzoekslocatie
9.590 m
B
te slopen schuur
1.100 m2
Verwachte stoffen
Onderzoeksstrategie
-
HIS
metalen, minerale olie, PAK, asbest
VED-HE
Onderzoeksstrategieën volgens NEN 5740 / NEN 5707: VED-HE-NL: Verdacht, diffuse bodembelasting, heterogene verontreiniging, niet lijnvormig
Op basis van het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecies” blijkt dat vooralsnog heel Nederland (voornamelijk de bovengrond) als “verdacht” wordt aangemerkt met betrekking tot de parametergroep PFAS. Dit betekent echter niet dat alle locaties per definitie verdacht zijn op PFAS bóven de toetsnorm. Verwacht wordt, dat er verspreid over de onderzoekslocatie gelijke gehalten aan PFAS voorkomen. Uit de reeds bekende gegevens concludeert Econsultancy dat atmosferische depositie naar verwachting de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op de locatie is. Van atmosferische depositie is bekend dat dit tot beperkt verhoogde PFAS-gehalten in bodem en water kan leiden. Indien bij het ontgraven of saneren sprake is van afvoer van de grond naar elders, is het voor de toepassing elders of de acceptatie bij een grondbank, verwerker of stortplaats noodzakelijk om onderzoek te doen naar PFAS. Op aangeven van de opdrachtgever maakt PFAS geen deel uit van onderhavig onderzoek.
5
VELDWERK
5.1
Algemeen
Tijdens het opstellen van het boorplan is rekening gehouden met de doelstellingen en de richtlijnen, die geformuleerd zijn in de inleiding. Daarnaast is rekening gehouden met de gegevens voortvloeiend uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem en de ligging van kabels en leidingen. Bijlage 2a bevat de locatieschets met daarop aangegeven de situering van de boorpunten/gaten en de peilbuis. In bijlage 3a zijn de bodemprofielen van de asbestinspectiegaten en de boringen opgenomen. Bijlage 3b bevat enkele foto’s van de asbestinspectiegaten en het opgegraven en opgeboorde bodemmateriaal. Het veldwerk is op 28 juni 2021 uitgevoerd onder kwaliteitsverantwoordelijkheid van de heer M.M. Timmermans. Deze medewerker van Econsultancy staat geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2001 en 2018 van de SIKB BRL 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". De boringen en peilbuis zijn geplaatst met behulp van een edelmanboor en een schep. Van het opgeboorde en opgegraven materiaal is een boorbeschrijving conform de NEN 5104 gemaakt en zijn er grondmonsters genomen over trajecten van ten hoogste 0,5 m, waarbij bodemlagen met verontreinigingskenmerken of een afwijkende textuur separaat bemonsterd zijn. Ten behoeve van het verken-
R 15321.001 versie D1
Pagina 5 van 14
nend onderzoek asbest is het opgegraven materiaal gezeefd over een 20 mm zeef en zintuiglijk beoordeeld. Indien van toepassing is een schatting gemaakt van het asbestgehalte per gat. Indien er asbestverdacht materiaal is aangetroffen, is dit verzameld. 5.2
Visuele inspectie toplaag/maaiveld op asbest
Er zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In tabel 3 zijn enkele algemene gegevens met betrekking tot de visuele inspectie van de toplaag opgenomen. Tabel 3.
Visuele inspectie toplaag Aandachtsgebied
Opmerking
Oppervlakte van geïnspecteerde locatie
1.100 m²
Conditie toplaag
Droog
Beperkingen van de inspectie
Geen
Weersomstandigheden
Neerslag < 10 mm/dag Zicht > 50 m
Zand, klei/leem en/of veen
Klei
Los of (deels) vastgereden
Vastgereden klei
Geen/matige vegetatie
Matige vegetatie
Geschatte inspectie-efficiëntie (tabel 2 NEN 5707)
50-70 %
Asbestverdacht materiaal op maaiveld aangetroffen?
Nee
5.3
Grondonderzoek
Aan de hand van de geldende onderzoeksstrategieën zijn de werkzaamheden uitgevoerd zoals die in tabel 4 zijn vermeld. Tabel 4.
Uitgevoerde werkzaamheden
Deellocatie
Veldwerk Boringen/gaten/peilbuizen
B
te slopen loods
7 (1,0 m -mv) 1 (2,0 m -mv) 1 (peilbuis) 9 (gaten) (*A)
Analyses Verharding
grind/onverhard
Grond
asbest (kwantitatief) (4x)
(*A)
De gaten hebben een afmeting van 0,3 x 0,3 x 0,5 m en worden gecombineerd uitgevoerd met de boringen
(*B)
Inclusief organische stof en lutum (1x)
5.4
Grondwater
standaardpakket (3x verdach- standaardpakket (1x) te laag, 1x ondergrond) (*B)
Algemene bodemopbouw en visuele inspectie opgegraven materiaal
De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, zeer fijn zand met plaatselijk sterk zandige klei. De bovengrond is plaatselijk zwak tot matig puinhoudend. Tevens is de bovengrond zwak tot sterk baksteenhoudend. De ondergrond is ter plaatse van boring 05 zwak puinhoudend. Tijdens de werkzaamheden is er zintuiglijk asbestverdacht materiaal aangetroffen ter plaatse van boring 04 en boring 06 (zie tabel 6). Het plaatmateriaal is tijdens dit onderzoek niet geanalyseerd, ten tijde van de opdracht van de opdrachtgever waren deze inmiddels niet meer beschikbaar in het laboratorium.
R 15321.001 versie D1
Pagina 6 van 14
Tabel 5 en 6 geven een overzicht van de zintuiglijk waargenomen verontreinigingen, die in het opgegraven en opgeboorde materiaal zijn aangetroffen. Tabel 5.
Zintuiglijk waargenomen verontreinigingen
Gat/boring
Einddiepte (m -mv)
Traject (m -mv)
02
1,00
0,00-0,50
zwak puinhoudend
0,10-0,15
volledig baksteen
0,15-0,50
zwak baksteenhoudend, asbestverdacht materiaal houdend
0,10-0,50
sterk baksteenhoudend, matig puinhoudend
0,50-1,00
zwak puinhoudend
0,00-0,50
asbestverdacht materiaal houdend
04
2,00
05
1,00
06
1,00
Tabel 6.
Waargenomen verontreinigingen
Zintuiglijk waargenomen verontreinigingen
Einddiepte (m -mv)
Traject (m -mv)
Waargenomen verontreinigingen
04
2,0
0,15-0,50
06
1,0
0,00-0,50
Gat/boring
Asbestverdachte materialen waargenomen? gewicht (gram)
soort
codering
zwak baksteenhoudend
227
golfplaat
ASB-2
-
8
vlakke plaat
ASB-1
Tabel 7 geeft een overzicht van de in het veld samengestelde (meng)monsters. Tabel 7.
Overzicht van de samenstelling van de (meng)monsters
(Meng)monster
Monsters (in m -mv)
Bijzonderheden
ASB-MM1
04 (0,15-0,50)
verdachte laag (asbestverdacht materiaal houdend, zwak baksteenhoudend)
ASB-MM2
01 (0,00-0,50) 03 (0,30-0,50) 07 (0,00-0,50) 08 (0,00-0,50)
bovengrond (zintuiglijk schoon)
ASB-MM3
06 (0,00-0,50)
verdachte laag (asbestverdacht materiaal houdend
ASB-MM4
02 (0,00-0,50) 03 (0,00-0,30) 05 (0,00-0,50)
verdachte laag (zwak tot matig puinhoudend, sterk baksteenhoudend)
ASB-MM5
04 (0,15-0,50)
verdachte laag (volledig puin)
5.5
Grondwateronderzoek
5.5.1
Uitvoering veldwerk
Centraal op de onderzoekslocatie is een peilbuis (filterstelling 2,0-3,0 m -mv) geplaatst. De filterstelling is bepaald op basis van de grondwaterstand, zoals deze tijdens de veldwerkzaamheden op 28 juni 2021 is ingeschat.
R 15321.001 versie D1
Pagina 7 van 14
5.5.2
Grondwaterbemonstering
De grondwaterbemonstering is op 5 juli 2021 uitgevoerd door de heer S.L. Luk. Deze medewerker van Econsultancy staat geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2002 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". De bemonstering is uitgevoerd conform de eisen uit het protocol 2002 van de BRL SIKB 2000 en de NEN 5744:2011. Tabel 8 geeft een overzicht van de peilbuisgegevens en de resultaten van de veldmetingen. Tabel 8.
Overzicht gegevens peilbuis en veldmetingen grondwater
Peilbuisnummer
Situering peilbuis
Filterstelling (m -mv)
Grondwaterstand (m -mv)
Elektrisch Geleidingsvermogen (µS/cm)
Troebelheid (NTU)
Zuurgraad (pH)
07
centraal op onderzoekslocatie
2,0-3,0
1,52
978
5,72
7,05
6 6.1
LABORATORIUMONDERZOEK Uitvoering analyses
Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Alle grond- en grondwatermonsters zijn aangeboden aan een laboratorium dat is erkend door de Raad voor Accreditatie en AS3000-geaccrediteerd is voor milieuhygiënisch bodemonderzoek. In het laboratorium zijn in totaal 4 grondmengmonsters samengesteld (3 grondmengmonster van de bovengrond en 1 grondmengmonster van de ondergrond). De zintuiglijk meest verontreinigde grondmonsters zijn gebruikt bij de samenstelling van de grondmengmonsters. De 4 grondmengmonsters en het grondwatermonster zijn geanalyseerd op de volgende pakketten: -
standaardpakket grond: droge stof, lutum, organische stof, metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), polychloorbifenylen (PCB), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en minerale olie;
-
standaardpakket grondwater: metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromaten (BTEX), styreen, naftaleen, gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX) en minerale olie.
R 15321.001 versie D1
Pagina 8 van 14
Tabel 9 geeft een overzicht van de samenstelling van de grond(meng)monsters en de analysepakketten. Tabel 9.
Overzicht van de samenstelling van de grond(meng)monsters en de analysepakketten
Grond(meng)monster
Traject (m -mv)
Analysepakket
Bijzonderheden
M01
04 (0,15 - 0,50)
standaardpakket grond
bovengrond - zandlagen (zwak baksteenhoudend, matig asbestverdacht materiaal houdend)
MM02
02 (0,00 - 0,50) 05 (0,10 - 0,50) 05 (0,50 - 1,00)
standaardpakket grond
zandlagen (sterk baksteenhoudend, zwak grindhoudend, matig puinhoudend, zwak puinhoudend)
MM03
06 (0,00 - 0,50) 07 (0,00 - 0,50) 08 (0,00 - 0,50)
standaardpakket grond
bovengrond - kleilagen (zwak asbestverdacht materiaal houdend)
MM04
04 (0,50-1,00) 04 (1,00-1,50) 04 (1,50-2,00) 07 (0,50-1,00) 07 (1,00-1,50) 07 (1,50-2,00)
standaardpakket grond
ondergrond (zintuiglijk schoon)
Verkennend onderzoek asbest in bodem/puin NEN 5707/NEN 5897 Het aangetroffen asbestverdacht materiaal (fractie > 20 mm) is aangeboden aan een laboratorium dat is erkend door de Raad voor Accreditatie. In het laboratorium is het aangeboden asbestverdacht materiaal geanalyseerd op de volgende componenten: -
asbestverdacht materiaal (fractie > 20 mm; kwalitatief): serpentijn asbest (chrysotiel), amfibool asbest (amosiet, crocidoliet, anthophylliet, tremoliet en actinoliet).
Ten aanzien van de parameter asbest zijn in het laboratorium in totaal 4 (meng)monsters geanalyseerd op het volgende analysepakket: -
asbest (kwantitatief): droge stof, serpentijn asbest (chrysotiel), amfibool asbest (amosiet, crocidoliet, anthophylliet, tremoliet en actinoliet).
Tabel 10 geeft een overzicht van de samenstelling de (meng)monsters en het analysepakket. Tabel 10.
Overzicht van de samenstelling van de (meng)monsters en het analysepakket
(Meng)monster
Monsters (in m -mv)
Analysepakket
Bijzonderheden
ASB-MM1
04 (0,15-0,50)
asbest in bodem (NEN 5898 - 2016)
verdachte laag (asbestverdacht materiaal houdend)
ASB-MM3
06 (0,00-0,50)
asbest in bodem (NEN 5898 -2016)
verdachte laag (asbestverdacht materiaal houdend)
ASB-MM4
02 (0,00-0,50) 03 (0,00-0,50) 05 (0,00-0,50)
asbest in bodem (NEN 5898 -2016)
verdachte laag (zwak tot matig puinhoudend, sterk baksteenhoudend)
ASB-MM5
09 (0,00-0,50)
asbest in puin
verdachte laag (volledig puin)
R 15321.001 versie D1
Pagina 9 van 14
6.2
Toetsingskader
Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering en aan de achtergrondwaarden voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1). Het toetsingskader voor de beoordeling van de gehalten en/of concentraties van verontreinigingen is gegeven in de toetsingstabel en bevat voor grond en grondwater elk drie te onderscheiden waarden met de verschillende niveaus: -
achtergrondwaarde: deze waarde ("AW") geeft de gehalten aan zoals die op dit moment voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen;
-
streefwaarde: deze waarde ("S") geeft het milieukwaliteitsniveau aan voor grondwater, waarbij als nadelig te waarderen effecten verwaarloosbaar worden geacht;
-
tussenwaarde: deze waarde ("T") is de helft van de som van de achtergrondwaarde (of in het geval van grondwater de streefwaarde) en de interventiewaarde. De tussenwaarde is de concentratiegrens waarboven in beginsel nader onderzoek moet worden uitgevoerd, omdat het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat;
-
interventiewaarde: deze waarde ("I") geeft het niveau voor verontreinigingen in grond en grondwater aan waarboven ernstige vermindering of dreigende vermindering optreedt van de functionele eigenschappen, die de bodem heeft voor mens, plant of dier. Bij gehalten en/of concentraties boven de interventiewaarde is er sprake van een sterke verontreiniging. Bij overschrijding van de interventiewaarde wordt vaak een nader onderzoek uitgevoerd om de ernst van de verontreiniging en de saneringsurgentie te bepalen. Wanneer het boven de tussenwaarde of interventiewaarde gelegen gehalte een natuurlijke oorsprong heeft, is uitvoering van vervolgonderzoek meestal niet noodzakelijk.
In bijlage 5 is de toetsingstabel opgenomen uit de eerder genoemde circulaires. Deze bijlage bevat de achtergrondwaarden en de interventiewaarden voor een standaardbodem (10% organische stof en 25% lutum). De gemeten gehalten zijn door middel van een BoToVa-toetsing, met behulp van de door het laboratorium bepaalde waarden voor het organische stof- en lutumgehalte, omgerekend naar gehalten in een standaardbodem en vervolgens getoetst. De gebruikte analysetechnieken zijn weergegeven op de certificaten in bijlage 4aaaaaaa. Om de mate van verontreiniging aan te geven wordt de volgende terminologie gebruikt: Grond: - niet verontreinigd: - licht verontreinigd: - matig verontreinigd: - sterk verontreinigd:
R 15321.001 versie D1
gehalte < achtergrondwaarde en/of detectielimiet; gehalte > achtergrondwaarde en < tussenwaarde; gehalte > tussenwaarde < interventiewaarde; gehalte > interventiewaarde.
Pagina 10 van 14
Grondwater: - niet verontreinigd: - licht verontreinigd: - matig verontreinigd: - sterk verontreinigd:
concentratie < streefwaarde en/of detectielimiet; concentratie > streefwaarde en < tussenwaarde; concentratie > tussenwaarde < interventiewaarde; concentratie > interventiewaarde.
Verkennend bodemonderzoek asbest in bodem NEN 5707 De analyseresultaten met betrekking tot de bodem zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering. Het toetsingskader voor de beoordeling met betrekking tot asbest is als volgt omschreven. De interventiewaarde voor asbest is gelijk aan de maximale hergebruikswaarde uit de Regeling bodemkwaliteit, welke de hergebruiksmogelijkheden van grond bepaalt en is vastgesteld op 100 mg/kg d.s. Indien sprake is van een overschrijding van de hergebruikswaarde voor asbest in bodem (“interventiewaarde”) is tevens sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging zoals bedoeld in de Wet bodembescherming, onafhankelijk van het bodemvolume waarin deze asbestgehalten zijn aangetoond. Indien het asbestgehalte kleiner is dan de helft van de hergebruikswaarde (50 mg/kg d.s.) is het statistisch aannemelijk dat ook in een nader onderzoekstraject de hergebruikswaarde niet zal worden overschreden. In deze gevallen geldt er geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de hergebruikswaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. 6.3
Resultaten grond- en grondwatermonsters verkennend bodemonderzoek
Tabel 11 geeft een overzicht van de parameters in de grond die de geldende toetsingskaders overschrijden. Tabel 11.
Overschrijdingen toetsingskaders grond
Grond(meng)monster
Traject (m -mv)
Gehalte > AW
Gehalte > T
Gehalte > I
(licht verontreinigd)
(matig verontreinigd)
(sterk verontreinigd)
M01
04(0,15-0,50)
cadmium kobalt kwik lood minerale olie zink
PAK
MM02
02 (0,00 - 0,50) 05 (0,10 - 0,50) 05 (0,50 - 1,00)
lood minerale olie zink
PAK PCB
MM03
06 (0,00 - 0,50) 07 (0,00 - 0,50) 08 (0,00 - 0,50)
-
-
-
MM04
04 (0,50-1,00) 04 (1,00-1,50) 04 (1,50-2,00) 07 (0,50-1,00) 07 (1,00-1,50) 07 (1,50-2,00)
-
-
-
Tabel 12.
-
Overschrijdingen toetsingskader grondwater
Grondwatermonster
Situering peilbuis
07
centraal op de onderzoekslocatie
R 15321.001 versie D1
-
Concentratie > S
Concentratie > T
Concentratie > I
(licht verontreinigd)
(matig verontreinigd)
(sterk verontreinigd)
-
-
Pagina 11 van 14
Bijlage 4a bevat de door het laboratorium aangeleverde analysecertificaten. Bijlage 4b bevat de getoetste analyseresultaten aan de Circulaire bodemsanering. 6.4
Resultaten verkennend onderzoek asbest
Tabel 13 geeft een overzicht van de analytisch vastgestelde asbestgehalten (fractie < 20 mm). Tabel 13.
Vastgestelde asbestgehalten fijne fractie (< 20 mm)
(Meng)monster
Traject (m -mv)
Asbestgehalte (< 20 mm)
ASB-MM1
04 (0,15-0,50)
1,1 mg/kg d.s.
ASB-MM3
06 (0,00-0,50)
7,2 mg/kg d.s.
ASB-MM4
02 (0,00-0,50) 03 (0,00-0,50) 05 (0,00-0,50)
11 mg/kg d.s.
ASB-MM5
09 (0,00-0,50)
< 1,0 mg/kg d.s.
Het aangetroffen asbestverdachte plaatmateriaal ter plaatse van gat 04 en 06 is niet geanalyseerd. Op basis van de analyseresultaten van de grondmengmonsters wordt het asbestgehalte ingeschat op 12,5% chrysotiel asbest. Het asbestgehalte ter plaatse van gat 04 (traject: 0,15-0,5 m -mv) en gat 06 (0-0,5 m -mv) wordt derhalve geschat op respectievelijk 547,8 mg/kg d.s. en 14,8 mg/kg d.s. Het aangetoonde gehalte van gat 04 bevindt zich boven het criterium voor nader onderzoek. De aangetoonde gehaltes van de overige gaten bevinden zich onder het criterium voor nader onderzoek. Bijlage 4a bevat de door het laboratorium aangeleverde analysecertificaten. Bijlage 4c bevat de berekende asbestgehalten.
R 15321.001 versie D1
Pagina 12 van 14
7
SAMENVATTING, CONCLUSIES EN ADVIES
Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd aan de Braakmanweg 18 te Philippine (Zeeuws-Vlaanderen). Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Op basis van het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecies” blijkt, dat vooralsnog heel Nederland (voornamelijk de bovengrond) als “verdacht” gebied wordt gekenmerkt met betrekking tot de parametergroep PFAS. Verwacht wordt, dat er verspreid over de onderzoekslocatie gelijke gehalten van dit PFAS voorkomen. PFAS komt diffuus in Nederland voor. Dit betekent echter niet dat alle locaties per definitie verdacht zijn op PFAS bóven de toetsnorm. Uit het vooronderzoek concludeert Econsultancy dat atmosferische depositie de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op het de locatie kan zijn. Van atmosferische depositie is bekend dat dit tot beperkt verhoogde PFAS-gehaltes in bodem en water kan leiden. Op de onderzoekslocatie zijn de volgende deellocaties onderzocht: Deellocatie A: Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem NEN 5720 Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem en de terreininspectie gesteld worden dat er milieuhygiënisch géén belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging op de onderzoekslocatie.
De onderzoeksresultaten geven géén aanleiding voor verder bodemonderzoek dan wel een bodemonderzoek op analytische grondslag. Deellocatie B: te slopen schuur Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdacht, niet lijnvormig" (VED-HE). De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, zeer fijn zand met plaatselijk sterk zandige klei. De bovengrond is plaatselijk zwak tot matig puinhoudend. Tevens is de bovengrond zwak tot sterk baksteenhoudend. De ondergrond is ter plaatse van boring 05 zwak puinhoudend. In de bovengrond is er plaatselijk een matige verontreiniging met PAK en/of PCB aangetoond. De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium, kobalt, kwik, lood, zink, en minerale olie. In de onverdachte ondergrond zijn er geen verontreinigingen aangetroffen. Ook het grondwater is niet verontreinigd. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard. Econsultancy adviseert om op termijn de aard en de omvang van de vastgestelde PAK en PCB verontreinigingen ter plaatse van boring 02 en 05 nader te onderzoeken.
Verkennend onderzoek asbest in bodem/puin NEN 5707/NEN 5897 Er zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de bodem zijn zintuiglijk in de fractie > 20 mm asbestverdachte materialen aangetroffen ter plaatse van boring 04 en boring 06.
R 15321.001 versie D1
Pagina 13 van 14
Het plaatmateriaal is tijdens dit onderzoek niet geanalyseerd, deze waren niet meer beschikbaar in het laboratorium. Analytisch is in de (meng)monsters (fractie < 20 mm) asbest aangetoond. De gehaltes in alle (meng)monsters bevinden zich ruim beneden de helft van de interventiewaarde. Op basis van de analyseresultaten van de grondmengmonsters wordt het asbestgehalte ingeschat op 12,5% chrysotiel asbest. Het asbestgehalte ter plaatse van gat 04 (traject: 0,15-0,5 m -mv) en gat 06 (0-0,5 m -mv) wordt derhalve geschat op respectievelijk 547,8 mg/kg d.s. en 14,8 mg/kg d.s. Het aangetoonde gehalte van gat 04 bevindt zich boven het criterium voor nader onderzoek. De aangetoonde gehaltes van de overige gaten bevinden zich onder het criterium voor nader onderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem ter plaatse van gat 04. Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (d.d. 2 juli 2020) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.
Econsultancy Rotterdam, 11 oktober 2021
R 15321.001 versie D1
Pagina 14 van 14