CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-02-23 Bijlage 1 - Concept ruimtelijke onderbouwing Zuidpoort Leisure Park fase 1

commissie Omgeving 23 februari 2022, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Afgeven ontwerpverklaring van geen bedenkingen in het kader van procedure omgevingsvergunning bij verordening speelautomatenhallen26.147 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In de toelichting op deze waardenkaart is vermeld dat bij cultuurhistorie kan worden gedacht aan beschermde stads- en dorpsgezichten, molens met bijbehorende molenbiotopen, bebouwingsstructuren, beplanting, karakteristieke bebouwing, monumenten, landgoederen, buitenplaatsen, zichtlijnen. Het gaat veelal om sporen, objecten, patronen en structuren die bepalend zijn voor de geschiedenis en identiteit van een gebied. Onderzoek Gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Terneuzen bestaat uit drie kaartbladen: 'behoud', 'behoud door ontwikkeling' en 'vernieuwing mogelijk'. In figuur 4.1 - 4.3 is een uitsnede van de drie kaartenbladen voor het beoogde plangebied weergegeven inclusief legenda. Hierna wordt per kaartblad uitgelegd welke strategie voor de locatie geldt. Behoud: Door het plangebied ligt een kreekrestant van de Bronkreek of Spuikreek. Dit is een vrij brede kreek met een aantal smalle takken in de Koegors- en Nieuwe Zevenaarpolder, stroomt naar de Otheensche Kreek in de Zaamslagpolder. De kreek is als zijgeul van de Otheensche kreek ontstaan na de militaire inundaties aan het eind van de 16e eeuw, toen een groot deel van West- en Oost-Zeeuwsch-Vlaanderen onder water werd gezet door Spaanse of Staatse troepen.

De zichtbaarheid van de kreek wordt vergoot in het stedenbouwkundig plan door deze op te nemen in de water/groenpartij. De strategie voor het plangebied is niet gericht op beschermen of behouden (zie figuur 4.1).

33/201

Figuur 4.1 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Behoud' met plangebied in rood Behoud door ontwikkeling: Het plangebied zelf is geen onderdeel van een cultuurhistorische structuur. De strategie is deels gericht op verbinden.

Figuur 4.2 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Behoud door ontwikkeling' met plangebied in rood Vernieuwing mogelijk: in het plangebied is de strategie gericht op transformeren.

34/201

Figuur 4.3 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Vernieuwing mogelijk' met plangebied in rood Op grond van de Cultuurhistorische waardenkaart is in het plangebied een cultuurhistorische waardevol kreekrestant aanwezig. Deze wordt in het planvoornemen opgenomen. Op grond van dezelfde waardenkaart valt de locatie niet binnen één van de strategieën van de structuurvisie om cultuurhistorische waarden te behouden of te versterken. Wel ligt de locatie binnen een gebied waar transformatie mogelijk is. Het planvoornemen sluit daar op aan. Cultuurhistorische waardenkaart Provincie Zeeland De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Op de uitsnede in figuur 4.4 is te zien dat er binnen het plangebied een cultuurhistorisch waardevol kreek aanwezig is. De kreek is als zijgeul van de Otheensche kreek ontstaan na de militaire inundaties aan het eind van de 16e eeuw, toen een groot deel van West- en Oost-Zeeuwsch-Vlaanderen onder water werd gezet door Spaanse of Staatse troepen. De kreek blijft in het ontwerp behouden en wordt verbreed aan de zuidzijde als onderdeel van de waterbergingsopgave en landschap voor het hotel. De aanwezigheid van de kreek wordt daarmee versterkt. In de omgeving van het projectgebied is daarnaast een historische boerderij en historische dijk aanwezig.

De ontwikkeling heeft geen invloed op deze objecten. Bouwhistorisch waardevolle objecten in of rond het plangebied staan de ontwikkeling dan ook niet in de weg.

35/201

Figuur 4.4 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (bron: geoweb provincie Zeeland) Conclusie Er dient vanuit het beleid rekening te worden gehouden met het cultuurhistorisch waardevolle kreekrestant. Deze is in het ontwerp verwerkt. Het aspect cultuurhistorie staat de ontwikkeling niet in de weg. 4.2.3 Archeologie Toetsingskader Op grond van de Wro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld. Gemeentelijk archeologiebeleid Op 27 januari 2011 is door de gemeenteraad van Terneuzen het interimbeleid archeologie vastgesteld. De insteek van dit beleid is het regelen van archeologie in ruimtelijke plannen.

In een cyclus van 10 jaar zullen alle ruimtelijke plannen aangepast worden, waarbij archeologie in de plannen zal worden ingebracht of geactualiseerd aan de hand van het dan geldende beleid. Zolang de bescherming van archeologische waarde niet is geregeld in een ruimtelijk plan (bestemmingsplan of beheersverordening) fungeert als vangnet de Erfgoedverordening Terneuzen 2011. Deze verordening is geactualiseerd en is in samenhang met het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld.

36/201

In lijn met de intentie van de wetgever wordt een algemene vrijstelling van archeologisch onderzoek verleend tot 100 m2 en een reeds verstoorde diepte van 0,5 meter voor de zogenaamde kruimelgevallen. Naast de hiervoor vermelde algemene vrijstelling kan vrijstelling van archeologisch onderzoek worden verleend indien reeds eerder aantoonbaar verstoring heeft plaatsgevonden. Hierbij kan gedacht worden aan ophogingen, ontgrondingen, wegcunetten, rioleringsleuven, bodemsanering en dergelijke. Een en ander dient ter beoordeling aan het bevoegd gezag (in de meeste situaties de gemeente) te worden voorgelegd. Tot slot kan vrijstelling van archeologisch onderzoek eveneens worden verleend als: het gebied niet wordt vermeld op de Archeologische Monumentenkaart (AMK), volgens de Indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW) een zeer lage of lage trefkans heeft (op eventuele waarden tot 1,2 meter beneden het maaiveld), in de nationale digitale database ARCHIS en het Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) geen gegevens zijn geregistreerd, danwel alleen gegevens die duiden op een lage waarde er volgens de Geologische kaart Van Rummelen sprake is van de geologische formatie Duinkerke III. Een en ander is uitgewerkt in een stroomschema dat is opgenomen in bijlage 1 van 'De onderste steen boven? Interim-beleid archeologie gemeente Terneuzen'.

Voor een aantal gebieden is de huidige kennis ontoereikend. Deze leemten worden in de toekomst ingevuld. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen en vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening zal de toets aan het stroomschema het uitgangspunt zijn voor de beoordeling. Vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening is alleen aan de orde voor een gemeentelijk monument en een rijksmonument, niet voor archeologisch verwachtingsgebieden. Daarvoor geldt een verbodsregeling zonder de mogelijkheid van ontheffing. Het toepassen van een grotere 'vrijstellingsdiepte' is in sommige gebieden denkbaar. Voor een weloverwogen afweging hierover beschikt de gemeente over een 'Vrijstellingenkaart Archeologie'. Hierop is aangegeven of en tot op welke diepte werkzaamheden op of in een terrein kunnen worden vrijgesteld van het opstellen van een archeologisch onderzoek(srapport). De vrijstellingenkaart wordt in bestemmingsplannen gekoppeld aan archeologische dubbelbestemmingen. De 'Vrijstellingenkaart Archeologie' is geen statisch document, maar wordt op basis van nieuwe informatie om de paar jaar geactualiseerd. Op 14 november 2017 is de 'Vrijstellingenkaart Archeologie 2017' gepresenteerd. Het archeologiebeleid is inmiddels in alle bestemmingsplannen en beheersverordeningen verwerkt, zo ook in de beheersverordening Oostelijke Kanaaloever.

In de plannen en verordeningen is, voor zover dat op grond van dat beleid nodig is, een regeling ter bescherming van mogelijk aanwezige verwachtingswaarden opgenomen waaraan een nieuwe bouwactiviteit met bodemverstorende werkzaamheden moeten worden getoetst. Onderzoek In de bestemmingsplannen wordt doorgaans een diepte van ten hoogste 0,5 meter beneden het maaiveld gehanteerd waarvoor het verlenen van een omgevingsvergunning (voor het bouwen en voor grond- en sloopwerkzaamheden) vrijgesteld is van het opstellen van een onderzoek(srapport). Hierna wordt beoordeeld of in het bestemmingsplan een regeling (onderzoeksplicht en vergunningstelsel) moet

37/201

worden opgenomen die eventuele archeologische waarden planologisch beschermt. Het plangebied maakt geen deel uit van een gemeentelijk of rijksmonument.

Figuur 4.4. AMK en IKAW (bron: https://archeologieinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/amk-en-ikaw) Aan de hand van de geologische kaart kan nagegaan worden welke geologische, voor de archeologie relevante, bodemlagen aanwezig zijn. Pleistoceen: vanaf de Steentijd; Hollandveen: vanaf de IJzertijd en Romeinse tijd; Duinkerke II, inclusief ‘oudere afzettingen van Duinkerke’: vanaf de Middeleeuwen; Duinkerke III; vanaf de Nieuwe Tijd. In de gemeente Terneuzen kunnen archeologische resten in de bodem voorkomen tot in de Pleistocene afzettingen. Op de geologische kaart blijkt dat er verschillende afzettingen van Duinkerke aanwezig zijn (zie figuur 4.6): Do.3b 'Kreekafzettingen van Duinkerke DIIIb' en; F0.3b 'Afzetting van Duinkerke IIIb op oudere afzettingen van Duinkerke ( kreekafzettingen DIIIb op kreekafzettingen DII) op Hollandveen DPo.3b Afzettingen van Duinkerke IIIb op niet geërodeerd Pleistoceen

38/201

Figuur 4.5 Geologische kaart Van Rummelen met aanduiding plangebied Voor de Kreekafzettingen van Duinkerke DIIIb' (geologische laag Do.3b) geldt geen onderzoeksplicht. Aangezien het gaat om kreekafzettingen, is er een grote kans dat mogelijk in het verleden daar aanwezige resten zijn verdwenen. Voor de Afzetting van Duinkerke IIIb (geologische laag F0.3b) op Hollandveen op Pleistoceen zouden volgens het gemeentelijke beleid in de ruimtelijke plannen moeten worden voorzien van de dubbelbestemming of gebiedsaanduidingen Waarde - Archeologie 2 of Waarde - Archeologie 3. In gebieden met een Waarde Archeologie 2 geldt een onderzoeksplicht bij een te verstoren oppervlak >500 m2 en voor gebieden met een Waarde Archeologie 3 geldt een onderzoeksplicht bij een te verstoren oppervlak >1.000 m2. In beide gevallen gaat het om verstoringen die dieper reiken dan 0,5 meter –mv. Een uitsnede van de vrijstellingenkaart Terneuzen 2017 met het plangebied is opgenomen in figuur 4.7. In deze vrijstellingenkaart is een vrijstellingsdiepte van 1,5 meter opgenomen.

39/201

Figuur 4.6. Uitsnede archeologische vrijstellingenkaart met aanduiding plangebied In het wijzigingsplan 'Verwijderen bestemming Archeologie Sluiskiltunnel' (vastgesteld 24 juni 2014) is archeologisch onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een groot deel van het plangebied van onderliggend bestemmingsplan (figuur 4.8). Uit dit onderzoek blijkt dat dit deel van het plangebied kan worden beschouwd als zijnde van lage kwaliteit en er is geen sprake van waardevolle archeologische vondsten. Er zijn geen aanwijzingen geweest van sporen van bewoning of langdurige aanwezigheid van de mens. Naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek is de archeologische dubbelbestemming op deze gronden verwijderd. Het projectgebied bevindt zich op gronden waar de dubbelbestemming naar aanleiding van het onderzoek is verwijderd.

40/201

Figuur 4.7 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Verwijderen bestemming Archeologie Sluiskiltunnel' in relatie tot project- (rood) en plangebied (blauw) (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Voor de gronden binnen het plangebied die nog niet eerder zijn onderzocht, maken grotendeels deel uit van fase 2 van de ontwikkeling. Hier geldt de dubbelbestemming Waarde- Archeologie 2. Voor fase 1 zijn hier de parkomgeving en de verbreding van de watergang voorzien. Voorafgaand aan bodemroerende werkzaamheden dieper dan 50 centimeter zal hier nader onderzoek worden gedaan. Conclusie Het aspect archeologie staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.3

Bodemkwaliteit

4.3.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4.3.2 Onderzoek Een zogenoemde quickscan is uitgevoerd. Deze geeft globaal inzicht in de verwachte milieu-hygiënische bodemkwaliteit. De bodemkwaliteitskaart van Zeeuws-Vlaanderen is geraadpleegd. Deze kaart is op basis van het zogenoemde generieke (= landelijke) beleid vastgesteld. De betreffende locatie is milieu-hygiënisch in principe ingedeeld voor de kwaliteit achtergrondwaarde. Een aan de kaart gerelateerde inventarisatie (historische toets) naar potentiële verontreinigingsbronnen en/of bodem belastende gebeurtenissen is uitgevoerd.

De bodemkwaliteit voor de voorgenomen kwaliteit 'achtergrondwaarde' wordt door toetsing aan de bodemkwaliteitskaart als voldoende beschouwd. Voor de ruimtelijke planprocedure is geen bodemonderzoek vereist.

41/201

Figuur 4.8 Historisch gebruik locatie (bron: Provincie Zeeland)

42/201

Figuur 4.9 boomgaardenkaart (bron: Provincie Zeeland) De boven- en ondergrond van de locatie is volgens de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Terneuzen als ‘Achtergrondwaarde grond’ geclassificeerd. Uit historische kaarten en historische luchtfoto’s blijkt dat de locatie in het verleden altijd in gebruik is geweest als akkerbouwgrond. Bodemloket Binnen het plan- en projectgebied zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd (zie figuur 4.10)

43/201

Figuur 4.10 Weergave onderzoeken Bodemloket (bron: bodemloket.nl) De resultaten van de uitgevoerde bodemonderzoeken geven aan dat de onderzoekslocatie voldoende is onderzocht in het kader van de Wet bodembescherming en is geen vervolgactie vereist. 4.3.3 Conclusie De aanwezige bodemkwaliteit levert naar verwachting geen belemmering voor de nieuwe functie op. Het aspect bodem staat het bestemmingsplan niet in de weg.

4.4

Water

4.4.1 Toetsingskader Ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling dient een watertoets met het waterschap overlegd te worden. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het tot stand komen van deze paragraaf wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder. 4.4.2

Toetsing

Bij het waterschap Scheldestromen wordt hiervoor een watertoetstabel gebruikt. In deze tabel zijn de hiervoor genoemde aspecten verwerkt. De watertoetstabel in bijlage 9 is ingevuld voor de totaalontwikkeling Zuidpoort. Gezien de grote toename aan verharding, is er in de definitieve situatie circa 31.000 m2 aan wateroppervlak beoogd. Dit zal binnen het plangebied worden gerealiseerd. In fase 1 van de ontwikkeling zal binnen het projectgebied de bestaande sloot aan de zuidzijde worden verbreed. De sloot zal zodanig worden verbreed dat kan worden voorzien in voldoende waterberging als gevolg van de extra verharding die binnen fase 1 wordt aangebracht. Overigens zullen ook bij de inrichting van het terrein zoveel mogelijk maatregelen getroffen worden om infiltratie ter plaatse mogelijk te maken. Denk hierbij aan zoveel mogelijk groen, parkeerplaatsen in halfverharding en waar mogelijk gebruik van infiltratiekratten.

4.5

Geluid

4.5.1 Wegverkeerslawaai Op de locatie zijn vrijetijdsfuncties, een hotel, een casino, een restaurant en een foodcourt voorzien. In het kader van de Wet geluidhinder zijn geen van alle functies geluidsgevoelige bestemmingen. Binnen het 'Omgevingsplan Zeeland 2018' van de provincie Zeeland is ook expliciet aangegeven dat hotels geen geluidsgevoelige functies betreffen. Voor de beoogde ontwikkelingen hoeft akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai daarom niet te worden uitgevoerd. In het kader van de trajectnota/MER voor de ontwikkeling van de Sluiskiltunnel, het verleggen van het tracé en het verbreden van de N62 heeft akoestisch onderzoek plaatsgevonden voor wegverkeerslawaai ten aanzien van

44/201

bestaande geluidsgevoelige functies in de omgeving. De hierbij gebruikte verkeersgegevens zijn inclusief de verschillende ontwikkelingen binnen de Koegorspolder. Ook de ontwikkeling van Zuidpoort Leisure Park is hierbij dus meegenomen. In het kader van de ontwikkeling van de locatie Zuidpoort Leisure Park hoeft daarom ook geen akoestisch onderzoek naar het uitstralingseffect van de verkeerstoename te worden uitgevoerd. 4.5.2 Spoorweglawaai Indien nieuwe woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de geluidzone van een spoorweg worden gerealiseerd, dient onderzoek plaats te vinden naar de geluidbelasting vanwege deze spoorweg. In paragraaf 4.5.1 is geconcludeerd dat de ontwikkeling geen geluidsgevoelige bestemmingen in het kader van de Wet geluidhinder en het 'Omgevingsplan Zeeland 2018'. Voor de beoogde ontwikkelingen hoeft akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai daarom niet te worden uitgevoerd. 4.5.3 Industrielawaai Toetsingskader Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) dienen alle industrie- en bedrijventerreinen, waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, gezoneerd te zijn. Rondom deze industrieterreinen dient een geluidzone te worden vastgesteld en vastgelegd in bestemmingsplannen. Buiten deze zone mag de geluidbelasting als gevolg van het industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen.

Bij het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige functies dient rekening te worden gehouden met de zonering van industrielawaai. Onderzoek Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van het industrieterrein “Oostelijke Kanaal Oevers” en “Sluiskil-Oost”. Binnen het plangebied worden geen geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt.

4.6

Bedrijven en milieuzonering

4.6.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals verblijfsrecreatie: ter plaatse van de verblijfsrecreatie en omliggende woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de

45/201

aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. 4.6.2 Onderzoek De ontwikkeling bestaat uit zowel milieuhinderlijke als milieugevoelige functies. Er dient getoetst te worden of: de realisatie van gevoelige objecten (hotel) niet leidt tot beperkingen bij omliggende bedrijven; ter plaatse van het hotel sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, de realisatie van functies zoals een hotel, restaurant en casino niet leiden tot nadelige milieueffecten ter plaatse van de omliggende woningen. Bedrijven in de omgeving Dichtstbijzijnde bedrijf is het tankstation (geen LPG) aan de oostrand van het plangebied. De afstand tot de milieugevoelige functie hotel is 200 meter. De richtafstand van een tankstation zonder LPG is 30 meter, het hotel ligt daarmee niet binnen deze richtafstand. De skihal ten westen van het plangebied ligt op ruim 300 meter van het hotel. De richtafstand volgens de VNG-brochure is 50 meter, deze functie zal geen belemmering vormen van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het beoogde hotel. Nabij de planontwikkeling ligt het windpark Koegorspolder.

De dichtstbijzijnde windturbine staat ca. 330 meter van de planontwikkeling vandaan. Door deze grote afstand loopt de planontwikkeling geen risico's op vanwege mastbreuk, gondelval, bladbreuk of wegslingerend ijs van de windturbine. Wel krijgt de planontwikkeling te maken met slagschaduw. Omdat de planontwikkeling geen gevoelige objecten bevat voor slagschaduw vormt de planontwikkeling geen beperking voor het windturbinepark. Wel moet de planontwikkeling rekening houden met enige hinder van slagschaduw. Overige bedrijven in de omgeving liggen op afstanden die ruim boven de richtafstanden zoals deze genoemd zijn in de VNG brochure. De ontwikkeling van het hotel vormt derhalve geen beperking van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. Omliggende woningen De dichtstbijzijnde woningen liggen op 500 meter of ruimere afstand tot het plangebied. Deze woningen liggen niet binnen de richtafstanden van de beoogde functies in Zuidpoort Leisure Park. De richtafstanden van de verschillende te ontwikkelen functies zijn in tabel 4.3 weergegeven. Tabel 4.3 Functie Hotel Casino Restaurant Gemakswinkel Bowlingcentra Amusementshallen

46/201

richtafstand volgens VNG-Brochure 10 meter 30 meter 10 meter 10 meter 30 meter 30 meter

Woon- en leefklimaat ter plaatse van het hotel Het hotel is, zoals eerder beschreven, beoogt op gronden die ruim buiten de richtafstand van de verschillende bedrijven in de omgeving ligt. Binnen het plangebied bedraagt de richtafstand van de verschillende functies meer dan de in tabel 4.3 weergegeven afstand. Ter plaatse van het hotel is dan ook sprake van een goed woonen leefklimaat. 4.6.3 Conclusie Het aspect milieuhinder vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Binnen redelijke afstand van het plangebied zijn namelijk geen bedrijven in de omgeving die van invloed zijn op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het hotel. Ook belemmert de ontwikkeling omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering.

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de onderstaande weergegeven. Tabel 4.4 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van Grenswaarde stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j.

meer dan 50 µg / m³ fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg /m³ Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

47/201

Besluit gevoelige bestemmingen Volgens het Besluit gevoelige bestemmingen is de vestiging van een nieuwe gevoelige bestemming niet zonder meer mogelijk op een locatie die (gedeeltelijk) binnen 300 meter vanaf de rand van een rijksweg is gelegen, dan wel binnen 50 meter vanaf de rand van een provinciale weg, en waar sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor fijnstof of stikstofdioxide. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. De vestiging van een dergelijke bestemming is alleen mogelijk indien dit niet leidt tot een toename van het aantal ter plaatse verblijvende personen. 4.7.2 Onderzoek In de beoogde situatie wordt er geen gevoelige bestemming opgericht. Daarnaast is er rond het plangebied geen sprake van een overschrijding van de grenswaarden voor fijnstof of stikstofoxide. Hiermee wordt voldaan aan het Besluit gevoelige bestemmingen. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling wordt een toename verwacht van 8.232 mv/etmaal (weekdaggemiddelde) over de N62. Middels de NIBM-tool is de planbijdrage in 2022 berekend, zie figuur 4.11.

Figuur 4.11 NIBM-tool 2021 Via de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl), die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort, is bekeken hoe hoog de concentraties luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van het plangebied zijn. De dichtstbijzijnde toetspunt ligt aan de Hoofdweg, welke in de NSL-monitoringstool aangegeven wordt als Rijkswaterstaat. In figuur 4.12 is de ligging weergegeven.

48/201

Figuur 4.12 Maatgevende toetspunt nabij het plangebied (bron: NSL-monitoringstool) In tabel 4.5 zijn de achtergrondconcentraties ter plaatse van de maatgevende weg de Hoofdweg (in de NSL-monitoringstool aangegeven als Rijkswaterstaat) weergegeven en is getoetst of in 2019 aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer wordt voldaan. Er is uitgegaan van de hoogste achtergrondconcentratie ter plaatse van de maatgevende weg. Tabel 4.5: Toetsing (2019) aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer Stofcategorie Maximale Hoogste Maximaal planbijdrage 2020 achtergrond optredende 3 (µg/m ) concentratie concentratie 3 volgens (µg/m ) 2020 2020 (µg/m3) NIBM rekentool (Rijkswaterstaat) NO2 5,44 17,654 23,094 PM10 1,34 17,574 18,914 PM2,5 1,34 10,524 11,864

Grenswaarde Wm (µg/m3)

40 40 25

Uit figuur 4.11 in combinatie met tabel 4.12 blijkt dat wanneer de maximale planbijdrage bij de concentraties luchtverontreinigende stoffen worden opgeteld in 2020, er alsnog ruimschoots aan de grenswaarden (tabel 4.4) uit de Wet milieubeheer wordt voldaan ter plaatse van de maatgevende weg Hoofdweg/Rijkswaterstaat. Omdat direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Ook nemen door gebruikmaking van steeds betere technieken de achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen jaarlijks af.

49/201

4.7.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.8

Externe veiligheid

4.8.1 Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. De concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties.

Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de

50/201

transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden (PAG) benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. 4.8.2

Toetsing

Figuur 4.13 Uitsnede professionele risicokaart met projectgebied donkerblauw omrand (bron: professionele risicokaart) Risicovolle inrichtingen Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen zijn gelegen is de professionele risicokaart geraadpleegd. Binnen het besluitgebied zijn geen Bevi Inrichtingen gelegen. Niet op de professionele risicokaart aangegeven is dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de kunstmestfabriek Yara. Het groepsrisico (gelet op de laatst bekende rapportage) is in de huidige situatie vrij laag. Gelet op de grote afstand tussen het plangebied en Yara (ca. 1700 m) en het beperkte aantal personen dat binnen het plangebied wordt verwacht, zal het groepsrisico met de komst van Zuidpoort, nauwelijks veranderen. Het groepsrisico blijft in elk geval ruim onder de oriënterende waarde. Binnen het plangebied worden geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt.

51/201

Transport bronnen Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transport-assen zijn gelegen is de professionele risicokaart geraadpleegd. De onderstaande transportassen zijn beoordeeld. Rijkswegen, provinciale wegen, gemeentelijke wegen Rijkswegen, provinciale wegen, gemeentelijke wegen De N62 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd ligt binnen 200 meter van het plangebied. Het invloedsgebied van de N62 wordt bepaald door de stof GF3 en bedraagt 355 meter. Het projectgebied valt in het invloedsgebied. Voor de ruimtelijke procedure moeten de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen over deze weg inzichtelijk worden gemaakt en geëvalueerd. Om dit te onderzoeken wordt een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) Externe veiligheid gemaakt. Ook moet het groepsrisico in een verantwoording inzichtelijk worden gemaakt. Spoor- en vaarwegen Spoor- en vaarwegen waarover significant transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt zijn in de omgeving van het plangebied niet aanwezig. Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied van een in het Bevt aangewezen transportroute over water of het spoor. Buisleidingen Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een aardgasbuisleiding.

Aangezien het plangebied zich binnen de inventarisatieafstand van de voornoemde aardgasbuisleiding bevindt moet er conform het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) inzicht worden gegeven in het externe veiligheidsrisico. Er is een QRA uitgevoerd, waarmee het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) is berekend. Kwantitatieve risicoanalyse (QRA) Externe veiligheid De locatie ligt binnen de 1%-letaliteitsafstand van hogedruk gasleiding A-523, binnen de 1%-letaliteitsafstand van waterstofleiding X-804 en binnen 200 m tot de N62 waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Inzicht in de externe veiligheidsrisico’s is daarom nodig. De resultaten van de risicoberekeningen worden in de rapportage opgenomen in bijlage 10 gepresenteerd. De conclusies uit dit onderzoek worden hierna kort benoemd. Voor wegtransport over de N62 en N290 geldt dat er geen sprake van een PR 106-contour is waardoor het groepsrisico dan ook geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. Het groepsrisico in zowel de huidige als toekomstige situatie is kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde, een verdere verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Voor de hogedruk aardgasleiding geldt dat er geen sprake is van een PR 106-contour en het plaatsgebonden risico daarom geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.

Omdat zowel in de huidige als toekomstige situatie het groepsrisico kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde is, kan volstaan worden met een beperkte verantwoording groepsrisico. Voor de waterstofleiding hebben de berekeningen niet geleid tot ene PR 106-contour. Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling. Formeel is er geen sprake van een groepsrisico. Het groepsrisico hoeft niet te worden verantwoord.

52/201

Beknopte verantwoording groepsrisico Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om zijn taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering ten allen tijde een belangrijke rol. Het plangebied wordt ontsloten op de N290. Dit is een hoofdontsluitingsweg en genereert een goede bereikbaarheid. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan bijvoorbeeld via meerdere aanvalswegen een mogelijke brand geblust worden. Daarnaast kan via de N290 in noordelijke en zuidelijke richting van de bron af worden gevlucht en kan de Gravin Mariaweg gebruikt worden als vluchtweg. Zelfredzaamheid De beoogde ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling Leisuregebied. De aanwezige personen in de voorzieningen zijn over het algemeen zelfredzaam.

Aanwezige kinderen en ouderen worden beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen, denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. 4.8.3 Conclusie De locatie ligt binnen de 1%-letaliteitsafstand van hogedruk gasleiding A-523, binnen de 1%-letaliteitsafstand van waterstofleiding X-804 en binnen 200 m tot de N62 waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De locatie ligt nieit binnen de PR 106-contour van de hiervoor genoemde risicovolle transportassen. Het groepsrisico is zowel in de huidige als toekomstige situatie minder dan 10% van de oriëntatiewaarde. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd.

Wel moet rekening gehouden worden dat de gebouwen geschikt zijn om enkele uren in te schuilen, denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Verder zijn geen risicovolle bronnen aanwezig in de omgeving die een belemmering vormen. De externe veiligheidssituatie in het plangebied is positief te noemen.

53/201

4.9

Ecologie

4.9.1 Toetsingskader Wet natuurbescherming Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De WN kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en, Natura 2000-gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in provincie Zeeland uitgewerkt in het Natuurnetwerk Zeeland. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de WN wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten ofwel soorten van de lijst Nationaal beschermde soorten behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. In de provincie Zeeland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de "overig" beschermde soorten. Het betreft de soorten aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse

54/201

woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd. 4.9.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur 4.14). Het plangebied maakt ook geen deel uit van Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe, ligt op een afstand van circa 4 kilometer. Het dichtstbijzijnde NNZ-gebied ligt op gelijke afstand (figuur 4.15).

Figuur 4.14 Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. Natura 2000-gebied (bron: provincie Zeeland)

Figuur 4.15 Ligging plangebied in rood t.o.v. Natuurnetwerk Zeeland (Bron: provincie Zeeland)

55/201

Het plangebied ligt niet in beschermde natuurgebieden. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen daarom worden uitgesloten. Gezien de afstand kunnen ook effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding worden uitgesloten. Met de uitspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen. Ieder plan en project zal daarom moeten aantonen dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en habitattypen uit de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige delen in de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Om dit te onderzoeken is een Aerius-berekening uitgevoerd voor de aanlegfase en gebruiksfase, deze is opgenomen in bijlage 11. Uit berekeningen voor blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr op Natura 2000-gebied in zowel de gebruiks- als aanlegfase. Voor projecten die niet leiden tot een toename van depositie is geen vergunning conform de Wet natuurbescherming nodig. De uitkomsten van de berekening dienen 5 jaar te worden bewaard, zodat bij controle kan worden aangetoond dat dit aspect is onderzocht.

Figuur 4.16: Situatie tijdens locatiebezoek 18 april 2019 Soortenbescherming Om te onderzoeken of het gebied mogelijk geschikt is voor beschermde soorten wordt een quickscan ecologie uitgevoerd. 4.9.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Een quickscan ecologie zal worden uitgevoerd om te onderzoeken of sprake is van negatieve effecten op beschermde soorten. Dit kan als voorwaarde voor de omgevingsvergunning worden opgenomen.

56/201

4.10 Leidingen en kabels 4.10.1 Toetsingskader en referentiesituatie Het relevante toetsingskader ten aanzien van planologisch relevante kabels en leidingen is Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen; de Wet ruimtelijke ordening (criterium 'goede ruimtelijke ordening) het provinciaal Omgevingsplan Zeeland (herzien 2016) Advies van het Ministerie van Infrastructuur en milieu met betrekking tot hoogspanningslijnen het 'Handboek Risicozonering Windturbines (2014)'. Planologische relevantie Planologisch relevante kabels en leidingen dienen in het bestemmingsplan te worden geregeld (lees: te worden beschermd). Deze zijn namelijk van groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang. Deze kabels en leidingen hebben een relatief grote invloed op het gebruik van gronden in de directe omgeving of dienen te worden beschermd tegen invloeden van buitenaf. In ieder geval zijn buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen die vallen onder het Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen planologisch relevant. Deze leidingen hebben externe veiligheidscontouren.

De volgende buisleidingen vallen onder de reikwijdte van het Bevb/Revb: aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPA of meer; aardolieproducten met een uitwendige diameter van 70 mm of meer en een druk van 1.600 kPA of meer (aardolie, aardgasolie, vloeibare aardolieproducten, en derivaten); brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer; vergiftige stoffen, (stoffen die zijn geclassificeerd als acuut toxisch) en; specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer (kooldioxide, zuurstof en stikstof). Het Bevb is niet van toepassing op: Leidingen op het continentaal plat of in de territoriale zee. Voor buisleidingen in de mijnbouw geldt een aparte regeling (zie artikel 3 van de Revb). Gasleidingen (<1600 kPa) die deel uitmaken van het gasdistributienet (deze vallen onder de Gaswet).

Andere mogelijk planologisch relevante buisleidingen zoals elektriciteits-, afvalwater- en rioolwaterleidingen (zie verder in dit document) Leidingen voor vervoer van gevaarlijke stoffen die deel uitmaken van een inrichting, Voor deze leidingen geldt dat deze in het bestemmingsplan moeten worden aangegeven als deze op het terrein van een inrichting liggen maar geen deel uitmaken van die betreffende inrichting, In het Bevb is voorts bepaald dat het hart van de leiding alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook op de verbeelding moeten worden aangegeven. Naast buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn er nog andere buisleidingen die planologisch

57/201

relevant worden geacht. Het gaat om leidingen met een (boven)regionale transportfunctie of leidingen die op een andere manier risico's met zich meebrengen voor mens of de leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Een voorbeeld hiervan zijn sommige rioolleidingen richting zuiveringsinstallaties. Wanneer de werking van een dergelijke riolering door een beschadiging langdurig verstoord wordt, kan dit grote gezondheidsproblemen in een groot gebied veroorzaken. Ook afvalwaterpersleidingen met bepaalde diameter, buisleidingen tussen internetdistributiepunten/dataopslagcentra verdienen nadrukkelijk de aandacht. Voor zover er geen wettelijke verplichting is om al dit soort buisleidingen in een bestemmingsplan op te nemen, is de vraag relevant of het maatschappelijk belang van een buisleiding bescherming vanuit een bestemmingsplan wenselijk is. Afstemming met de leidingexploitant kan hieromtrent duidelijkheid geven. De netwerkconfiguratie is hierbij van belang. Er is voor deze leidingen geen sprake van externe veiligheidscontouren. De leidingen vallen niet onder het Bevb. Wel krijgt een dergelijke leiding ter bescherming van de leiding en om beheer en onderhoud niet onmogelijk te maken, een dubbelstemming ter grootte van de belemmeringenstrook of zakelijk rechtstrook (aan weerzijden van de leiding).

Behalve buisleidingen worden door de gemeente Terneuzen hoogspanningsleidingen en -verbindingen van 50 kV en hoger die geen deel uitmaken van een inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Wet milieubeheer als planologisch relevant aangemerkt. Welke leidingen planologisch relevant zijn en worden opgenomen in het bestemmingsplan is aan het bevoegd gezag. De provincie Zeeland heeft in het Omgevingsplan Zeeland beleid opgenomen ten aanzien van hoofdtransportleidingen Daarmee worden deze leidingen en verbindingen aangemerkt als planologisch relevant. Het betreft buisleidingen waarmee de volgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/ goederen; aardgas hoofdtransportnet Gasunie, of andere gasnetten, met diameter vanaf 18 inch (47,5 cm); defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening, met een diameter groter of gelijk aan 18 inch (47,5 cm) aardolieproducten, met een uitwendige diameter van meer dan 7 cm en een druk van meer dan 16 bar. Grondroeringsregeling (WION) In principe zijn leidingen ook beschermd tegen schade door graafwerkzaamheden vanwege de meldingsplichtig op basis Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION). De WION verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster.

Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteiten gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. Hoogspanningsleidingen

58/201

Ook hoogspanningsverbindingen vanaf een bepaald voltage kunnen planologisch relevant zijn. In oktober 2005 heeft het Ministerie van VROM aan te houden afstanden geformuleerd (in de praktijk ook wel Teslazones genoemd) van gevoelige functies tot bovengrondse hoogspanningsverbindingen (> 150 kV) vanwege een mogelijke relatie tussen straling en leukemie bij kinderen. De gemeente Terneuzen hanteert als uitgangspunt dat hoogspanningsverbindingen met een spanning van 50 kV of meer planologisch relevant zijn. 4.10.2 Onderzoek In het plangebied van de ontwikkeling Zuidpoort Leisure Park zijn twee planologisch relevante leidingen aanwezig, namelijk twee ondergrondse hoogspanningsleidingen van ten minste 50kV. Deze liggen in het westen van het plangebied en doorkruisen het gebied Zuidpoort. Daarnaast is direct ten oosten van het plangebied van Zuidpoort Leisure Park een planologisch relevante leiding voor transport van aardgas- of waterstofgas aanwezig zijn. Binnen de leidingbestemmingen gelden beperkingen voor het bouwen en voor het uitvoeren van werkzaamheden die los staan van bouwwerkzaamheden en die de grond roeren. Voor de aanleg van de verschillen onderdelen uit het plan ter plaatse van deze bestemming zal in overleg met de leidingbeheerder een omgevingsvergunning worden aangevraagd.

Voor de ontwikkeling van de bebouwing en bijbehorende voorzieningen als parkeerplaatsen en wegen geldt dat deze niet voorzien zijn op gronden waar deze dubbelbestemmingen gelden. Dit staan de ontwikkeling dan ook niet in de weg. In het kader van de externe veiligheid zal een QRA en verantwoording groepsrisico worden uitgevoerd (zei paragraaf 4.8).

4.11 Niet gesprongen explosieven Gemeente Terneuzen hanteert voor de paragraaf Niet-gesprongen explosieven (NGE) het Historisch Vooronderzoek en NGE-Risicokaart van REASeuro, kenmerk RO180093 van 24 oktober 2018. Het ontwikkelgebied in valt in relatie tot NGE door oorlogshandelingen in de Tweede Wereldoorlog in een aangemerkt risicogebied.

4.11.1 Toelichting Tijdens de bevrijding hebben in september 1944 hevige grondgevechten en artilleriebeschietingen plaatsgevonden, namelijk bij het verdrijven van Duitse soldaten uit Axel in de opmars richting Terneuzen en Zaamslag door Poolse eenheden. In het gebied dient rekening te worden gehouden met achtergebleven geschutmunitie van de kalibers 5 cm t/m 10,5 cm, afkomstig van grondartillerie.

59/201

Figuur 4.17 Historische kaarten (bron: www.topotijdreis.nl)

4.11.2 Overweging De NGE-risicokaart gaat in beginsel uit van een aanwijsbaar risicogebied. Door de omvang van het te ontwikkelen terrein is het aantreffen van een vorm van munitie in dat geval zeker reëel. De omschreven en naar verwachting kleine munitie zou zich dan op, of juist onder de oppervlakte kunnen bevinden. Het plangebied is echter al decennia in meer of mindere mate voor landbouwdoeleinden in gebruik, met enige grondroering/-verzet aan de oppervlakte tot gevolg. Een aantal munitievondsten is bovendien door de Explosieven Opruimingsdienst (EOD) geruimd. De trefkans van munitie is niet ondenkbaar, maar wel klein. Op basis van trefkans en kaliber van bedoelde munitie wordt humaan risico laag ingeschat en wordt onderzoek redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht. Afhankelijk van het tijdpad kan de initiatiefnemer zekerheidshalve zelf tot onderzoek naar NGE besluiten, bedoeld om vertraging tijdens de fase van projectuitvoering te voorkomen. In geval er alsnog munitie worden aangetroffen, wordt ingezet op het handelen op basis van het protocol 'Toevalstreffer conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog'.

4.11.3 Conclusie Er is geen (vervolg)onderzoek naar zogenoemde ontplofbare oorlogsresten vereist. Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

60/201

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling daarvan is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij Algemene Maatregel van Bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of een omgevingsvergunning met afwijking. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk: de bouw van één of meer woningen; de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² bvo of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bvo bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bvo. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Vaststellingsprocedure De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het ruimtelijk plan maatschappelijk draagvlak heeft. De ontwerp omgevingsvergunning zal in het kader van de vaststellingsprocedure 6 weken ter inzage liggen. Binnen deze termijn kan een ieder zijn of haar zienswijze indienen. Ook zal de ontwerp omgevingsvergunning worden toegestuurd aan de overlegpartners.

61/201

5.2.2 Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

62/201

Bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing

63/201

64/201

Bijlage 1

65/201

Tekening bestaande situatie

ONDERGRONDSE HOOGSPANNINGSLEIDING

20

PLANGEBIED 112.200 m² (11ha)

225

tankstation

30

BESTAANDE SITUATIE

ZUIDPOORT BUSINESS PARK | TERNEUZEN

0

10 20

40

100m

19 februari 2021

Bijlage 2

67/201

Tekening totaalontwikkeling

FOODCOURT perceel 10.000m2 4 units x max 400m2 LEISURE 167 parkeerplaatsen

225 parkeerplaatsen

bowling

langzaam verkeerverbinding

langzaam verkeerverbinding

bevoorrading

1.000m2

max 400m2 max 5m hoog

2 lagen, max 10m

max 400m2 350m2 max 5m hoog

terras

terras

nieuw water fase 2 22.600m2

begane grond lobby, restaurant, fitness, keuken, wasserette, e.a.

max 400m2 max 5m hoog

max 400m2 max 5m hoog

supermarkt 300m2 max 5m

PARKEREN ZUID 240 parkeerplaatsen

e.a.

hoteltoren -min 65m hoog -max 80m hoog

restaurant 1000m2 2 lagen, max 10m

overig hotel 4 bouwlagen boven op plint -bouwhoogte 20 m -max. 220 kamers

plein

casino 600m2 1 laag, max 5m

mast

terras

STEDENBOUWKUNDIG ONTWERP ZUIDPOORT BUSINESS PARK | TERNEUZEN

0

10 20

40

100m 30 09 2021

Bijlage 3

69/201

Tekening fase 1

FOODCOURT perceel 10.000m2 4 units x max. 400m2 bouwhoogte max 5m

Bowling 60 parkeerplaatsen

225 parkeerplaatsen

bowling

langzaam verkeerverbinding

langzaam verkeerverbinding

bevoorrading

1.000m2

max 400m2 max 5m hoog

2 lagen, max 10m

max 400m2 350m2 max 5m hoog

terras

terras

max 400m2 max 5m hoog

max 400m2 max 5m hoog

begane grond lobby, restaurant, fitness, keuken, wasserette, e.a.

PARKEREN ZUID 240 parkeerplaatsen

nieuw water hoteltoren 9.500m2

restaurant 1000m2 2 lagen, max 10m

-min 65m hoog -max 80m hoog overig hotel 4 bouwlagen boven op plint -bouwhoogte 20 m -max. 220 kamers

300m2 max 5m

plein

casino 600m2 1 laag, max 5m

terras

verbreden watergang fase 1

STEDENBOUWKUNDIG ONTWERP | FASE 1 ZUIDPOORT BUSINESS PARK | TERNEUZEN

0

10 20

40

100m 30 09 2021

Bijlage 4

71/201

Ladderonderbouwing

19 november 2021

1/38

19 november 2021 400011_20191619JB Zuidpoort Leisure Park Terneuzen ing. R.B.P. Verkooijen Four-D 20190619 Julia Breukelman, Joost Jansen Definitief

2/38

3/38

4/38

Het gebied Zuidpoort Terneuzen is na de realisatie van de Sluiskiltunnel de stadsentree van Terneuzen geworden en heeft in de structuurvisie Terneuzen 2025 de doelstelling gekregen om onder andere als regionaal leisurecentrum te functioneren. Als onderdeel van het gebied Zuidpoort Terneuzen wordt Zuidpoort Leisure Park ontwikkeld op een wijze die uitwerking aan de doelstelling geeft. Fase 1 van Zuidpoort Leisure Park ligt direct naast het bestaande tankstation en bestaat uit de realisatie van een hotel, een foodcourt met vier fastservice-restaurants, een supermarkt bij het bestaande tankstation, een wereldrestaurant, bowling en casino. Fase 2 betreft circa 9.000 tot 10.000 m2 bvo aan nog nader in te vullen binnen-leisurefuncties, met als thema ‘simulatie’. Ook wordt een waterberging en groene zone aangelegd in het midden van het gebied Zuidpoort Terneuzen. De beoogde ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan Buitengebied, waarin het gebied een agrarische bestemming heeft. Daarom wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. In dit document wordt de behoefte aan de ontwikkeling beschreven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11180202/1