2021-12-01 BIJLAGE 8 - DEO 6 - tech-kwal-eisen gem. Terneuzen algemene versie (29-03-2021)
Tekst van het document
Algemene Versie Technische Kwaliteitsomschrijving Bouw- en Woonrijp maken Infrastructuur en groenvoorzieningen Gemeente Terneuzen
Datum: 29 maart 2021 Bijlage behorende bij exploitatieovereenkomst:
Algemene versie Technische Kwaliteitsomschrijving Infrastructuur en groenvoorzieningen Gemeente Terneuzen
Par. 01 Algemene Voorwaarden Op de aan te leggen infrastructuur zijn van toepassing: Alle voorwaarden, bepalingen, richtlijnen (b.v. bouwstoffenbesluit), eisen, publicaties, enz., zoals opgenomen in de “Standaard RAW Bepalingen 2010” (C.R.O.W.). Bestek, tekeningen, enz. dienen dan ook opgesteld te zijn conform de R.A.W.systematiek. Nà de goedkeuringen (onder meer in het kader van par. 07 kunnen deze opgesteld worden; zij dienen vervolgens tijdig vóór de start uitvoering ter beoordeling voorgelegd te worden aan de gemeente. Materialen en bouwstoffen dienen te voldoen aan het gestelde in de betreffende hoofdstukken van de voornoemde Standaard, de bij deze omschrijving behorende bijlagen en aan de goedkeuring van de ‘gemeente’. Voor toepassing van materialen en bouwstoffen geldt het bouwstoffenbesluit.
Par. 02 Vrijkomende grondstoffen en materialen 1
Op alle (vrijkomende) grondstoffen is het bouwstoffenbesluit van toepassing.
2
Vrijkomende teerhoudend asfalt dient voor rekening van de exploitant c.q. aannemer te worden afgevoerd naar een erkende verwerkingsinrichting.
3
Indien tijdens de uitvoering van het werk blijkt dat (een deel van) de af te voeren grond verontreinigd is, of verontreinigde stoffen bevat, waarvan de aanwezigheid niet is vermeld, brengt de aannemer dit onmiddellijk ter kennis van de gemeente. Hij neemt terstond, zo mogelijk in overleg met de gemeente de door de omstandigheden vereiste en in de "Standaard" vermelde, veiligheidsmaatregelen. De hieruit voortvloeiende kosten en extra kosten vanwege onderzoeken etc. van verwerking op het afvalcentrum zijn voor rekening van de "Exploitant". Oponthoud ten gevolge van de bovenvermelde verontreiniging zal nimmer aanleiding geven tot enigerlei verrekening van bijkomende, onvoorziene kosten, schadevergoedingen en dergelijke.
4
Op alle uit het werk vrijkomende materialen is hetgeen vermeld is in hoofdst. 01, par. 17 van de “Standaard RAW Bepalingen” van toepassing. Hierbij dient voor de opdrachtgever en directie gelezen te worden: de Exploitant.
5
Voor de kosten waarvoor en de condities waaronder de onder lid 3 genoemde materialen kunnen worden aangeboden, wordt verwezen naar de richtlijnen en tarieven gesteld door betreffende instanties.
2
Algemene versie Technische Kwaliteitsomschrijving Infrastructuur en groenvoorzieningen Gemeente Terneuzen
Par 03. Bouwstoffen Van alle te leveren bouwstoffen die op of in de bodem of in het oppervlaktewater moeten worden aangebracht, dienen de gegevens te worden versterkt waaruit blijkt dat deze bouwstoffen voldoen aan de eisen die het Besluit Bodemkwaliteit stelt. Bouwstoffen die drie maanden voor het afsluiten van de overeenkomst leverbaar zijn met: KOMO-(attest-met-) productcertificaat, KIWA-keur voor bouwstoffen ten behoeve van waterleidingen, KEMA-keur voor bouwstoffen ten behoeve van kabelwerk, GASTEC QA- merk voor bouwstoffen ten behoeve van gasleidingen, FSC-keurmerk voor alle houtsoorten dienen te worden geleverd onder afgifte van het van toepassing zijnde certificaat.
Par. 04 Nutsvoorzieningen 1.
Exploitant dient in overleg met de nutsbedrijven zorg te dragen voor een plan voor de nieuwe, c.q. aan te passen distributievoorzieningen inclusief openbare verlichting en bluswatervoorzieningen. Dit plan dient de instemming te hebben van de veiligheidsregio en de ‘gemeente’. Exploitant zorgt er tevens voor dat ruim voor de aanvang van het werk een werkoverleg belegd wordt tussen hem, de aannemer, de ‘gemeente’ en de nutsbedrijven.
2.
Tijdig voordat met de graafwerkzaamheden wordt begonnen, moet door de exploitant / aannemer een KLIC-melding verricht worden.
3.
De exploitant, c.q. aannemer dient rekening te houden met de aanwezigheid van kabels en leidingen e.d. Hij moet de nodige voorzorgsmaatregelen treffen, dat deze niet worden beschadigd.
4.
Exploitant / aannemer is aansprakelijk voor schade aan ondergrondse leidingen voor zover deze door de uitvoering van het werk is toegebracht en te wijten is aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van hem of van degenen voor wie hij verantwoordelijk is.
5.
Op de aanleg van kabels en leidingen zijn de richtlijnen NPR en de AVOI van toepassing.
6.
De ligging van nieuwe kabels en leidingen dienen te zijn conform het standaarddetail van de gemeente Terneuzen.
7.
Mantelbuizen voor nutsleidingen dienen te worden uitgevoerd in PVC en zijn minimaal stijfheidsklasse SN8.
8.
Mantelbuizen dien aan de uiteinden te zijn afgedicht zodat geen zand e.d. in de buis kan lopen. 3
conform de
Algemene versie Technische Kwaliteitsomschrijving Infrastructuur en groenvoorzieningen Gemeente Terneuzen
Par. 05 Verkeersvoorzieningen/wegmeubilair 1.
Bij het ontwerp van de verkeersvoorzieningen uitgaan van de A.S.V.V. 2004, Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (C.R.O.W.).
2.
Bij het ontwerp van de wegen dient te worden uitgegaan van het Wegencategoriseringsplan en de Standaarddetails van de gemeente Terneuzen.
3.
Het ontwerp van de wegen en verkeersvoorzieningen dient te voldoen aan de richtlijnen NVBR Handleiding bluswatervoorziening.
4.
Verkeersborden en verkeersvoorzieningen: Levering en plaatsing hiervan, zowel bij tijdelijke verkeersmaatregelen als in de "eind-situatie", dienen te voldoen aan het gestelde in het RVV 1990 en de B(esluit) A(dministratieve) B(epalingen) inzake het W(egverkeer). Standaard verkeersborden DO (dubbel omgezette rand) volgens RVV 1990 en NEN 3381. Ten aanzien van verkeersmaatregelen bij werken in uitvoering gelden tevens de inmiddels aangepaste aanbevelingen en voorwaarden in de Standaard RAW bepalingen en in de publicatie no. 96b van het C.R.O.W. De plaats dient in overleg met de gemeente bepaald te worden.
5.
De exploitant c.q. aannemer dient ter goedkeuring aan de gemeente tekening(en) aan te leveren met alle te nemen (tijdelijke en definitieve) verkeersmaatregelen en te plaatsen bebordingen.
6.
Markeringen: Op gesloten verhardingen markeringen aan te brengen van thermoplastisch materiaal, bij elementenverhardingen speciale witte markeringselementen toepassen.
7.
Straatnaamborden: Plaats, aantal, afmetingen, kleur en letterghoogte te bepalen in overleg met de gemeente.
8.
Fietsenrekken/ fietsbeugels: Fietsenrekken, fietsbeugels, aanleunhekken e.d. dienen te voldoen aan de fietsparkkeur.
9.
Overig meubilair: Huisnummerborden, zitbanken, papierbakken, speelwerktuigen, enz. altijd in overleg en ter goedkeuring van gemeente Terneuzen. Standaardtype afvalbak: Bammens Capitole, 50 liter, indien 50 liter te klein dan Constructo Moreno van Grijsen; Standaard verkeersafschermpaal: type “Amsterdammertje” staal, verzinkt en gecoat. 4
Algemene versie Technische Kwaliteitsomschrijving Infrastructuur en groenvoorzieningen Gemeente Terneuzen
10.
Straatmeubilair in verhardingen: De ruimte tussen straatmeubilair en verkeersbordpalen in verhardingen dient te worden afgedicht met voegvulling streetprotexion ter voorkoming van onkruidgroei.
Par. 06 Grondwerken 1.
In het kader van het “actief grondbeheer” dient als uitgangspunt gehanteerd te worden dat het plan met een gesloten grondbalans wordt uitgevoerd. De exploitant is verantwoordelijk voor de afvoer van eventuele overtollige grond. Uitkomend(e) grond en zand dient dan ook binnen het werk verwerkt te worden.
2.
Sleuven, e.d. welke buiten de (toekomstige) verhardingen van wegen, paden, enz. vallen kunnen aangevuld worden met grond. Sleuven, e.d. welke onder (toekomstige) verhardingen vallen aanvullen met zand.
Par. 07 Rioleringen en Waterhuishouding 1.
Voor de Algemene Voorwaarden, het Ontwerp en de materiaaleisen van riolering, drainage en werken ten behoeve van het oppervlaktewater wordt verwezen naar de bijlage “Programma van Eisen Water- en Rioolbeheer gemeente Terneuzen”.
2.
Alle riolerings- en ontgravingswerken moeten in den droge worden uitgevoerd. Met betrekking tot grondwateronttrekking en grondwaterlozing dient voldaan te worden aan de vergunning- en milieuvoorwaarden gesteld door, respectievelijk, de Provincie en het Waterschap.
3.
Riolerings- en waterhuishoudingsplan: Een rioleringsplan en een plan voor de waterhuishouding vereist. Voor de uitwerking hiervan wordt verwezen naar de bijlage “Programma van Eisen Water- en Rioolbeheer gemeente Terneuzen”.
4.
Watertoets Er dient rekening te worden gehouden met het gestelde in de waterparagraaf van de Ruimtelijke Onderbouwing. Het plan dient, in het kader van de Watertoets, goedkeuring van het waterschap Scheldestromen te verkrijgen. In deze plannen zijn de benodigde maatregelen m.b.t. de riolering, respectievelijk het oppervlaktewater, enz. weergegeven.
Par. 08 Verhardingen 1.
De verhardingen dienen, voor wat betreft de berijdbare gedeelten, te worden opgebouwd uit een fundering van menggranulaat (minimaal 25 cm dik) met daarop de asfaltconstructie of klinkerverharding (op een straatlaag van 5 cm), 5
Algemene versie Technische Kwaliteitsomschrijving Infrastructuur en groenvoorzieningen Gemeente Terneuzen
e.e.a. zoals staat aangegeven in de bijlage 4. 2.
Trottoirs dienen te worden uitgevoerd in trottoirtegels van 6 cm dik.
3.
Bij mindervalide-routes en inritten rekening houden met het aanbrengen van verlaagde opsluitingen. Bij mindervalide-routes dienen achter de verlaagde opsluitingen witte betontegels 30 x 30 x 8 cm aangebracht te worden.
4.
Bouwwegen dienen al voorzien te zijn van de volledige funderingsconstructie en een verharding van betonstraatstenen dan wel een asfaltverharding dik minimaal 8 cm.
5.
Voegvulling in verhardingen: De ruimte bij knipwerk in bestratingen en rondom kolken, lantaarnpalen, straatmeubilair en verkeersbordpalen in verhardingen dient te worden afgedicht met voegvulling streetprotexion ter voorkoming van onkruidgroei. De voegen bij bestrating met natuursteen, gebakken materialen en betonplaten dienen te worden afgedicht met voegvulling streetprotexion.
Par. 09 Openbare Verlichting 1.
Algemeen Levering en plaatsing van openbare verlichting dient te voldoen aan de Nederlandse Praktijkrichtlijn ‘Kwaliteitscriteria Openbare Verlichting’, NPR 13201.Deze praktijkrichtlijnen maakt onderdeel uit van het beleidsplan openbare verlichting van de gemeente Terneuzen.
2.
Aanbrengen van lichtmasten De afstand van de lichtmast ten opzichte van de rijbaan / verharding dient in overleg met de directie te gebeuren. Indien in de nabijheid een parkeerstrook is gelegen dienen de lichtmasten zoveel mogelijk op de vakscheidingen te worden geplaatst. Lichtmasten dienen zo geplaatst te worden dat het deurtje zich van de rijrichting af bevindt, tenzij de directie anders bepaald. Het deurtje dient goed toegankelijk te zijn. De aansluitleiding en eventuele afgaande leiding dienen bij iedere lichtmast minstens 3,0 meter op slag te worden gelegd. Van alle lichtmasten geplaatst dient het grondstuk van de lichtmasten bij het plaatsen gevuld te worden met zand tot 0,1m onder het maaiveld. Daar waar mogelijk masten plaatsen in een vloeiende lijn langs de weg. Lichtmasten welke, zonder in achtneming van het geen in dit artikel staat voorgeschreven, op de verkeerde locatie zijn geplaatst, dienen zonder verrekening verplaatst te worden naar de correctie locatie. Masten dienen dusdanig te worden geplaatst, dat er geen contact mogelijk is met omliggende objecten zoals stoeptegels. 6
Algemene versie Technische Kwaliteitsomschrijving Infrastructuur en groenvoorzieningen Gemeente Terneuzen
In de directe nabijheid van hoogspanningslijnen en/ of hoogspanningsmasten elke lichtmast voorzien van een waarschuwingsbordje. Het waarschuwingsbordje moet voldoen aan de door de netbeheerder gestelde eisen en op 1 meter onder het armatuur bevestigd te worden, tenzij de beheerder anders bepaald. Bij het plaatsen van een verlichtingsobject dienen de voorschriften van de fabrikant te worden opgevolgd. 3.
Aanbrengen van verlichtingsarmaturen Dubbele geïsoleerde armaturen niet aarden.
4.
Nummeren van lichtmasten De nummering bij lichtmasten wordt geplaatst aan de straatzijde, evenwijdig met de as van de weg. Nummering dient te geschieden op een hoogte van ca. 2 meter boven het maaiveld, echter niet boven de 2,2 meter. Oppervlakte voor te plakken nummers licht opschuren en vetvrij maken, gepoedercoate masten niet schuren. Nummers dienen horizontaal en aaneengesloten te worden geplakt. De nummers mogen niet worden aangebracht als de ondergrond een temperatuur heeft, lager dan 5 graden Celsius. De nummers mogen niet worden aangebracht als het lichtpunt door regenval nat is. Aan te brengen nummers worden bepaald door de directie. - Wit retro-reflecterende weer-, watervast- en UV-bestendige zelfklevende sticker, met afmetingen breedte x hoogte 80 x 50 mm met afgeronde hoeken.Tekst opmaak sticker: - Zwarte cijfers: lettertype Arial (westers) Bold, Cijfers zijn 15x35mm en 5 mm dikke zwarte lijnen.
5.
Inmeten coördinaten verlichtingsobjecten De aannemer dient met een door een bevoegd gezag erkende instantie gekalibreerd meetapparaat de x en de y positie per lichtmast in te meten. Gegevens over het meetapparaat en het calibratierapport dienen binnen 5 werkdagen na gedane verzoek te worden overhandigd aan de directie. Het inmeten geschied bij het plaatsen en verplaatsen van verlichtingsobjecten of op verzoek van de directie in combinatie met andere werkzaamheden. De coördinaten dienen conform het Rijksdriehoekscoördinaten te worden ingemeten De meetgegevens dienen op 1m nauwkeurig te zijn. De volgende gegevens dienen per lichtmast te worden bijgehouden. - Straatnaam. - Mastnummer. - x en de y coördinaat (9 cijferig). De meetgegevens dienen te worden ingediend in een xls bestand. De aannemer garandeert de accuraatheid en de nauwkeurigheid van de door hem ingemeten verlichtingsobjecten. 7
Algemene versie Technische Kwaliteitsomschrijving Infrastructuur en groenvoorzieningen Gemeente Terneuzen
De ingemeten gegevens moeten voldoen aan de specificaties van de OVLpartij. 6.
Regelapparatuur De aannemer dient in overleg met de directie de schakel- / dimstanden in te stellen van de dimmodules, in de lichtpunten als zowel de schakel- en verdeelinrichting. De volgende instellingen voor het schakelen / dimmen van de dimmodules worden gehanteerd: Dimprofiel 3A, Standaard Gemeente Terneuzen: "ontsteken - 21.00 uur" 100% "21.00 - 23.00 uur" 70% "23.00 - 05.00 uur" 50% "05.00 - 07.00 uur" 70% "07.00 uur - doven" 100% Deze instellingen kunnen voor realisatie nog gewijzigd worden. Dit zal tijdig met de opdrachtnemer gecommuniceerd worden. De aannemer dient de garantie te geven de door hem ingestelde schakel- / dimstanden van de dimmodules correct zijn uitgevoerd volgend lid 1. De garantie gaat in nadat het volledige systeem werkend is opgeleverd van het (deel)project. De garantie is gelijk gesteld op 3 maanden. Hierbij dient alle documentatie en handleidingen overhandigd zijn aan de directie.
7.
Lichtmasten Geleverde masten dienen te zijn voorzien van een CE-keurmerk. De kwaliteit van de roestvrij stalen masten dient RVS 316 te zijn. Met het oog op het zeeklimaat in Zeeland dienen stalen masten te zijn voorzien van een dikke zinklaag van minimaal 80 micrometer. Deursectie met sluiting driekant 10 mm een glijrail met 2 glijmoeren M6x16 en aardbout M8. Het grondstuk van de stalen masten moet voorzien zijn van een corrosiewerende coating of bandage en een kabelinvoermanchet bevatten. Het grondstuk van de aluminium lichtmasten moet voorzien zijn van een tweelaags corrosiewerende PVC bandage en een kabelinvoermanchet bevatten. Verder moeten de aluminium masten voorzien zijn van een LDPE 2 schalige maaiveldbeschermer met RVD Torc schroeven, kleur grijs of RAL 7035. De lichtmasten dienen gedimensioneerd te zijn overeenkomstig de modellering in bijlage 09 en berekend overeenkomstig het gestelde in de NEN EN40 rekening houdend met het relevante windgebied en een maximale uitbuiging van 6%. Afmetingen mastdeurtje dusdanig dat er een aansluitkastje van Eleq (LS94) in gemonteerd kan worden, minimaal 85 x 400 mm. Uitgegaan dient te worden van de volgende armatuurgegevens: • Gewicht: 20 kg • Cxs waarde: 0.2 m2 • Armatuurlengte: 1 m 8
Algemene versie Technische Kwaliteitsomschrijving Infrastructuur en groenvoorzieningen Gemeente Terneuzen
De combinatie uitlegger – mast: De opzetdiameters corresponderen met de gewenste uitlegger.
8.
Elektrische leidingen Aansluitsnoer moet zijn: - RTPR 3x 1,5mm2
9.
Overlengte kabels Per lichtmast wordt per armatuur een lengte van 1x lph + 1x uithouderlengte aansluitsnoer gerekend.
Par. 10 Bluswatervoorzieningen 1.
Algemeen De openbare ruimte en blusvoorzieningen dienen te voldoen aan de “Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2012” van de NVBR.
2.
Aansluiting hydrant De aansluiting op hydranten dient een nokkenkoppeling van het type Nps maat 3”, nokafstand 81 mm te zijn.
Par. 11 Groenvoorzieningen 1.
Algemeen Het beplantingsplan wordt door exploitant geleverd en bestaat onder meer uit een ontwerp, een beplantingsplan volgens de vastgestelde lijst met beplantingen van de gemeente Terneuzen. Zie bijgevoegde lijst. Op alle onderdelen is goedkeuring vereist door de gemeente Terneuzen. Hierna te noemen als gemeente. Om de wijk zo snel mogelijk van groen te voorzien, draagt de exploitant er zorg voor dat het groen zo snel mogelijk wordt aangelegd na het gereedkomen van de bouw, verhardingen enz.
2.
Uitvoeringseisen Op plaatsen waar beplanting moet komen, wordt een laag kleigrond van lichte klei tot zavel aangebracht. Deze laag moet minimaal 40 cm dik zijn. Deze wordt ter beschikking gesteld door de gemeente voor zover niet reeds ter plaatse aanwezig is of vrijkomt bij de werkzaamheden t.b.v. de bouw en woonrijp maken. Op plaatsen waar gras is voorzien kan worden volstaan met een laagdikte van 20 cm. De aan te leggen beplantingsvakken en gazons dienen machinaal gespit te worden. Proefboring uitvoeren tot min 1.20 m diep Diepte minimaal 60 cm en indien nodig dieper om storende en harde onderlagen te doorbreken om waterafvoer en beworteling te bevorderen. 9
Algemene versie Technische Kwaliteitsomschrijving Infrastructuur en groenvoorzieningen Gemeente Terneuzen
Alvorens overgegaan wordt tot uitvoering van het beplantingsplan of een deel daarvan, wordt de gemeente op de hoogte gebracht. De gemeente kan nadere eisen stellen op toe te passen grondverbeteringsmiddelen, bemesting e.d. 3.
Bomen in parkeervakken/verhardingen Op plaatsen waar bomen in parkeervakken of in verhardingen zijn geprojecteerd, wordt de boom ter bescherming voorzien van een constructie van een type en kwaliteit ter goedkeuring van de gemeente. De bomen opsluiten in een boomkrans van 150 x 150 cm, d.m.v. opsluitbanden Plantgaten hebben een minimale afmetingen van 150 x 150 cm en 100 cm diep. Om een doorwortelbare ruimte te realiseren dient men bomengranulaat toe te passen. Bomengranulaat kan belasting van auto`s verdragen. De te gebruiken hoeveelheid bomengranulaat is afhankelijk van de uiteindelijke grootte van de boom. Plantgaten voorzien van beluchtingssysteem, wortelgeleiding en gietrand. Het wortelgeleidingscherm aan binnenzijde van de boomkrans plaatsen Zie bijlage: Bomen in ontwerp.
4.
Bomen in gazon/beplanting Bomen in gazons en beplanting voorzien van een gietrand voor een periode van 2 jaar. Minimale doorsnede van een gietrand is Ø 80 cm en 30 cm hoog. Hiervan 10 cm in de grond en 20 cm boven de grond. Gietrand aan boompalen bevestigen. Waar bomen op minder dan 2 meter van een verharding komen te staan zal langs de verharding wortelwering worden toegepast. De lengte is afhankelijk van de uiteindelijke kroongrootte van de boom.
5.
Heesters en bosplantsoen Plantgaten voor bosplantsoen, heesters hebben een minimale afmeting van 50 x 50 cm en diepte van 50 cm. Deze afmetingen zijn afhankelijk van het te planten materiaal.
6.
Gazons Grond in de bovenste laag 30 cm diep los maken d.m.v. frezen of spitten met een kraan. Waar nodig de storende laag doorbreken om een goede waterdoorlaatbaarheid te bevorderen. In overleg met gemeente kan gekozen worden voor drainage. Bij zware kleigrond de bovenste laag doormengen met compost. De grond dient geëgaliseerd en vrij te zijn van stenen, puin e.d. De speelgazons worden gedurende 1 jaar door exploitant gemaaid. Bermen inzaaien en verrijken met bloemmengsel om de biodiversiteit te 10
Algemene versie Technische Kwaliteitsomschrijving Infrastructuur en groenvoorzieningen Gemeente Terneuzen
bevorderen. Keuze van graszaad in overleg met gemeente. 7.
Plantmateriaal Plantmateriaal dient NAKtuinbouw gekeurd te zijn. Ten aanzien van de te gebruiken plantmaterialen gelden de volgende maten: Bomen in verharding maat 14/16 met draadkluit Bomen in gazons en plantvakken maat 14/16 met draadkluit Bosplantsoen maat 80/100 cm Heesters Container C.1.5, C 2.0 Vaste planten Pot P9 Rozen 3-tak Graszaad bermen B1 Gazonzaad recreatie R1 Bij afwijkende maten is goedkeuring van gemeente vereist. De te gebruiken boompalen hebben de afmetingen van Ø 8 x 140 cm. De palen dienen 60 cm boven maaiveld uit te steken. Om de bomen vast te zetten wordt 5 cm breed autogordelband gebruikt te worden, de bevestiging aan de palen met boomspijkers. Minimaal 2 palen per boom. In overleg met gemeente kan afgeweken worden van de lengtematen
8.
Onderhoudstermijn In overleg met de gemeente kan een onderhoudstermijn van 1 jaar geëist worden. Hierbij is het volgende vereist: Minimaal 6 ronden voor het onkruidvrijhouden van beplantingen. Water geven indien nodig, dit kan als stelpost opgevoerd worden en zal in overleg met de gemeente uitgevoerd worden. Het inzaaien en maaien van gazons in de onderhoudsperiode. Bemestingen van plantvakken e.d. in overleg met gemeente . Afvoeren van vrijkomend groenafval, puin en andere onzuiverheden incl. stortkosten.
9.
Werken rond bestaande bomen Voor werkzaamheden rond en nabij bestaande bomen is het handvest Boombescherming van toepassing. (vereniging Stadswerk Nederland) Zie bijlage: Werken rond Bomen.
10.
Rooien van bomen en beplantingen De exploitant is verantwoordelijk voor de klic-meldingen, deze moeten digitaal aanwezig zijn. Werk in uitvoering volgens de CROW richtlijnen. Exploitant is verantwoordelijk voor het inzetten van verkeersregelaars en wegafzettingen. 11
Algemene versie Technische Kwaliteitsomschrijving Infrastructuur en groenvoorzieningen Gemeente Terneuzen
Bij het niet voldoen van bovenstaande richtlijnen kan de gemeente het werk stil leggen. Exploitant dient een planning van de werkzaamheden te overleggen, dit is nodig om de bewoners en belanghebbenden tijdig te kunnen informeren. De informatie en communicatie naar bewoners wordt gedaan door de gemeente. Na de rooiwerkzaamheden binnen de bebouwde kom dienen de afvalresten, zoals boomstammen, takken, zaagsel enz. zo spoedig mogelijk opgeruimd te worden. Het is niet toegestaan om monumentale bomen zonder kapvergunning te rooien. De lijst met de monumentale bomen is te vinden op de website van de gemeente Terneuzen.
Par. 12 Speeltoestellen 1.
NVWA Elk speeltoestel en de daarbij de valdempende ondergrond moet voldoen aan het W.A.S. (Warenwetbesluit Attractie en Speeltoestellen)
2.
Normen Speeltoestellen moeten voldoen aan de NEN-EN 1176-1 t/m 1176-7. Bij alle speeltoestellen is een certificaat verplicht.
3.
Plaatsen van speeltoestellen Deze worden geplaatst conform de productinformatie van het toestel. Als valdempende ondergrond in gazons wordt speelmix of dekowood gebruikt in overleg met gemeente. De opbouw van een valdempende ondergrond is als volgt. Zie ook bijlage. Cunet: 30 cm diep Rivierzand: 10 cm Speelmix of dekowood 20 cm Waar nodig drainage aanbrengen. Speeltoestellen in verhardingen, pleinen, enz. waarbij valdemping verplicht is worden voorzien van rubbertegels (dikte afhankelijk van valhoogte) andere valdempende ondergronden mogen gebruikt worden in overleg en goedkeuring van de gemeente. Elk toestel dient geplaatst te worden in een obstakelvrije ruimte van minimaal 1,5 m uit het toestel. Grond afvoeren naar aannemer in overleg met gemeente.
4.
Overdracht speeltoestel Overdracht vindt plaats nadat het toestel geplaatst en gecontroleerd is Bij de overdracht worden alle benodigde papieren overhandigd of digitaal opgestuurd. De benodigde papieren: Logboek 12
Algemene versie Technische Kwaliteitsomschrijving Infrastructuur en groenvoorzieningen Gemeente Terneuzen
Technische tekeningen Onderdelenlijst Certificaat van het toestel
Par. 13 Civieltechnische kunstwerken 1.
Het ontwerp van civieltechnische kunstwerken als bruggen, steigers e.d. moet duurzaam, vandalismebestendig en onderhoudsarm zijn.
2.
Voor de toe te passen bruggen voor alle verkeer geldt een ontwerpeis van verkeersklasse 45, waarbij de sterktebelasting van de brug ook afgestemd dient te zijn op de uitvoeringsfase van het project.
3.
De verkeersbruggen dienen uitgevoerd te worden met een verhoogd trottoir aan beide zijden. De breedte van de brug dient conform de aanliggende wegen te worden uitgevoerd.
4.
het vrije profiel van doorgang onder de brug dient te zijn afgestemd op het gebruik van de te kruisen weg, watergang etc.
5.
Bij de dimensionering van fiets- en fiets/voetgangersbruggen dient rekening te worden gehouden met het gebruik van deze bruggen door kleine veegwagens en strooiwagens.
6.
Delen van kunstwerken die na voltooiing van het kunstwerk moeilijk te bereiken zijn dien zodanig te worden geconserveerd dat gedurende de levensduur geen onderhoud nodig is.
Par. 14 Werkgrenzen/ Opname 1.
De werkgrenzen waarbinnen deze Technische kwaliteitseisen van toepassing zijn worden in overleg met de gemeente bepaald en kunnen waar nodig ruimer zijn dan alleen het plangebied.
2.
De begrenzing van bouwterreinen dient op een deugdelijke wijze en in overleg met de gemeente te worden aangebracht.
3.
De aan- en afvoerroutes naar het werkterrein worden door “de exploitant” aan de gemeente ter goedkeuring voorgelegd.
4.
Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt de toestand van de bestaande en aansluitende wegen, alsmede de aan- en afvoerwegen door middel van een opnamerapport wordt vastgesteld. Dit opnamerapport betreft een gedetailleerde visuele inspectie van de aanwezige verharding, uitgevoerd door derden op kosten van de exploitant, conform de richtlijnen van het CROW waarbij alle schadebeelden vastgelegd. 13
Algemene versie Technische Kwaliteitsomschrijving Infrastructuur en groenvoorzieningen Gemeente Terneuzen
Par. 15 Oplevering en Overdracht 1.
Overdracht van de infrastructuur aan gemeente zal plaatsvinden 12 maanden na volledige aanleg/voltooiing/inrichting en na beëindiging van alle bouwverkeer, e.e.a. in nauw overleg met en onder medeakkoordverklaring door de gemeentelijke beheersafdeling middels een proces-verbaal van overdracht en onder overlegging van inspectierapporten.
2.
Rioleringen (incl. alle tot het rioolstelsel behorende voorzieningen en onderdelen) en Oppervlaktewater: Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 8 in de bijlage “Programma van Eisen Water- en Rioolbeheer gemeente Terneuzen”.
3
Wegen: de inspectie(rapporten) dient(en) o.a. gebaseerd te zijn op visuele inspectie en constructieboringen. Bij de overdracht dienen tevens de complete revisiegegevens overgedragen te worden (digitale inmeting, maatvoering, fundering, toegepaste materialen etc.).
4
Openbare verlichting: Het Revisie format openbare Verlichting, bijlage 4 dient volledig te zijn ingevuld en aan de gemeente Terneuzen te worden overgedragen.
5
Groenvoorzieningen: “exploitant” neemt op zich, aan het eind van het/een plantseizoen alle cultuurtechnische werken op te leveren aan de gemeente (hoeveelheid in nader overleg), waarna “exploitant” deze werken gedurende één seizoen zal onderhouden en 100% inboeten. Het onderhoud zal o.a. bestaan uit het snoeien, onkruid vrij houden, schoffelen, spitten, maaien, water geven e.d. Het onderhoudsschema dient men aan team Groenbeheer van de gemeente ter goedkeuring voor te leggen. De aanvangsdatum van de onderhoudsperiode zal in overleg met de gemeente bepaald worden. Na beëindiging van de onderhoudsperiode zal door partijen, zoals hierboven bedoeld, een proces-verbaal van overdracht worden opgesteld, zijnde de eindoplevering. Per eindoplevering zal op tekening aangegeven worden aangegeven welke delen door “de exploitant”aan de gemeente Terneuzen zijn opgeleverd. Bij de overdracht dienen de complete revisie-gegevens overgedragen te worden (digitale inmeting, soorten etc.).
14
Algemene versie Technische Kwaliteitsomschrijving Infrastructuur en groenvoorzieningen Gemeente Terneuzen
Algemeen Bij werken, welke door derden, middels een specifieke contractvorm (bijvoorbeeld Turn-Key) worden uitgevoerd, zal de gemeente geen dagelijks toezicht uitoefenen. Om toch toe te kunnen zien op een juiste uitvoering en materiaalgebruik zullen er in overleg met de contractant aan de hand van de planning zogenaamde “controlemomenten” worden vastgelegd, waarop de gemeente het werk kan beoordelen. Van deze controlemomenten worden schriftelijke rapportages gemaakt. Aan het eind van het werk of na voltooiing vindt een uitgebreide controle plaats, waarbij de contractant moet aantonen dat alles conform afspraken is gerealiseerd en het werk kan worden overgedragen.
Bijlagen :
1.
Programma van Eisen Water- en Rioolbeheer
2.
Algemeen dwarsprofiel kabels & leidingen
3.
Standaarddetails gemeente Terneuzen
4.
Detail vijverkant/ beschoeiing
5.
Revisie format openbare verlichting
6.
Bomen in ontwerp (bomenposter)
7.
Bomen in verharding
8.
Werken rond bomen (bomenposter)
15
Technisch programma van eisen Water- en Rioolbeheer (dd. 30-12-2019)
1
Technisch Programma van Eisen Water- en Rioolbeheer Datum: 30 december 2019 Waterbeheerder: Anika Boeije Rioolbeheerder: Esther Neyt
Technisch programma van eisen Water- en Rioolbeheer (dd. 30-12-2019)
2
Inhoudsopgave 1
INLEIDING ............................................................................................................................. 4 1.1 AANLEIDING EN DOEL .................................................................................................................................. 4 1.2 LEESWIJZER ............................................................................................................................................... 4
2
ALGEMENE ONTWERPVOORWAARDEN ................................................................................. 5 2.1 ALGEMENE RANDVOORWAARDEN .................................................................................................................. 5 2.1.1 Van toepassing zijnde documenten ................................................................................................... 5 2.1.2 Beheersbaarheid ............................................................................................................................... 5 2.1.3 Toegankelijkheid ............................................................................................................................... 5 2.1.4 Duurzaamheid ................................................................................................................................... 6 2.2 SPECIFIEKE RANDVOORWAARDEN................................................................................................................... 6 2.2.1 Afvalwater ......................................................................................................................................... 6 2.2.2 Hemelwater .......................................................................................................................................
7 2.2.3 Grondwater ....................................................................................................................................... 7 2.2.4 Oppervlaktewater ............................................................................................................................. 7 2.3 PLANVORMING NIEUWE ONTWIKKELINGEN ...................................................................................................... 8
3
ONTWERP OPPERVLAKTEWATER ......................................................................................... 10 3.1 OEVERS .................................................................................................................................................. 10 3.2 UITSTROOMVOORZIENINGEN ...................................................................................................................... 10 3.3 WADI’S .................................................................................................................................................. 11
4
ONTWERP RIOLERING ......................................................................................................... 12 4.1 RANDVOORWAARDEN LIGGING RIOOLSYSTEMEN ............................................................................................. 12 4.2 DIMENSIONERING RIOOLSYSTEMEN .............................................................................................................. 12 4.2.1 Afvalwaterstelsel (DWA-stelsel) ...................................................................................................... 12 4.2.2 Hemelwaterstelsel (HWA-stelsel) .................................................................................................... 13 4.2.3 Gemengd stelsel .............................................................................................................................. 13 4.2.4 Gemalen en persleidingen ............................................................................................................... 14
5
ONTWERP DRAINAGE.......................................................................................................... 15
6
VERIFICATIE EN VALIDATIE ONTWERP.................................................................................. 16
5.1 ONTWERP DRAINAGESTELSEL ...................................................................................................................... 15 6.1 VERIFICATIE ONTWERP ............................................................................................................................... 16 6.2 VALIDATIE ONTWERP ................................................................................................................................. 16
7
MATERIAALEISEN ................................................................................................................ 17 7.1 VAN TOEPASSING ZIJNDE BEPALINGEN ........................................................................................................... 17 7.2 LEIDINGEN............................................................................................................................................... 17 7.2.1 Hoofdriolering ................................................................................................................................. 17 7.2.2 Huisaansluitingen ............................................................................................................................ 18 7.2.3 Kolken en kolkaansluitingen ............................................................................................................ 18 7.2.4 Pers- / Drukleidingen ....................................................................................................................... 19 7.3 PUTTEN .................................................................................................................................................. 19 7.3.1 Inspectieputten en andere putconstructies .....................................................................................
19 7.3.2 Putafdekkingen ............................................................................................................................... 20 7.4 GEMALEN EN POMPPUTTEN ........................................................................................................................ 21 7.4.1 Pompen, pompputten en bijbehorende voorzieningen ................................................................... 21 7.4.2 Installaties en bijbehorende voorzieningen ..................................................................................... 22
8
OPLEVERING EN OVERDRACHT ............................................................................................ 23 8.1 OPLEVERING ............................................................................................................................................ 23 8.1.1 Opleverdossier ................................................................................................................................. 23 8.1.2 Inspectie .......................................................................................................................................... 23 8.1.3 Revisietekeningen ............................................................................................................................ 24 8.1.4 Verificatiedocument oplevering ...................................................................................................... 25 8.2 OVERDRACHT........................................................................................................................................... 26 8.2.1 Onderhoud tot overdracht............................................................................................................... 26 8.2.2 Controles en revisie bij overdracht .................................................................................................. 26
Technisch programma van eisen Water- en Rioolbeheer (dd. 30-12-2019)
3
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding en doel
Het beleid en de visie van gemeente Terneuzen op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater is beschreven in het Water- en Rioleringsplan 2019-2023 gemeente Terneuzen (d.d. 22 oktober 2018). Het voorliggende Programma van Eisen geeft een nadere technische vertaling van dit beleid. Het document vormt de leidraad en het uitgangspunt voor initiatiefnemers (ontwikkelaars), ontwerpers en uitvoerders. Dit document zal wellicht niet voor alle situaties volledig zijn. Daar waar dit document niet volledig is, beslissen de riool- en waterbeheerders van gemeente Terneuzen.
1.2
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 worden de algemene (ontwerp-)uitgangspunten beschreven waarbij in de hoofdstukken 3, 4 en 5 de technisch inhoudelijke randvoorwaarden en eisen worden verwoord voor respectievelijk oppervlaktewater, riolering en drainage. In hoofdstuk 6 wordt beschreven hoe een concept ontwerp wordt geverifieerd en gevalideerd. Hoofdstuk 7 beschrijft de materialisatie voor de toe te passen objecten. Hoofdstuk 8 beschrijft hoe een werk dient te worden opgeleverd en te worden overgedragen aan de gemeente Terneuzen.
Technisch programma van eisen Water- en Rioolbeheer (dd. 30-12-2019)
4
2
ALGEMENE ONTWERPVOORWAARDEN
2.1
Algemene randvoorwaarden
De gemeente Terneuzen hanteert een aantal algemene randvoorwaarden en uitgangspunten die een vertaling dienen te krijgen in de planvorming.
2.1.1
Van toepassing zijnde documenten
Vigerende wet- en regelgeving, inclusief Arborichtlijnen en veiligheidseisen; Vigerende beleidsdocumenten van Waterschap Scheldestromen (oa. Keur Waterschap), provincie Zeeland en Rijkswaterstaat; Water- en Rioleringsplan 2019-2023 gemeente Terneuzen, inclusief voorliggend technisch programma van eisen Water- en Rioolbeheer; Overige technische kwaliteitseisen van gemeente Terneuzen; Standaard details van gemeente Terneuzen.
2.1.2
Beheersbaarheid
In de ontwerpfase wordt gebruik gemaakt van een actuele tekening van de bestaande gemeentelijke riolering, alsmede een lijst met te hanteren putnummers en gemaalnummers in het plangebied. De initiatiefnemer dient deze op te vragen bij de gemeente; De te realiseren objecten worden aangelegd in gemeentelijk grondgebied; Bij het ontwerp en materiaalkeuze wordt rekening gehouden met het veilig en doelmatig kunnen onderhouden van alle objecten (oa. reinigen, inspecteren, repareren, baggeren, maaien); Objecten zijn vandalismebestendig en leveren geen overlast op voor omwonenden (oa. geluidsen/of stankoverlast); In maatvoering, eenheden, materialen en uitvoering wordt gewerkt naar standaardisatie.
2.1.3
Toegankelijkheid
Toegankelijkheid van objecten via gemeentelijk grondgebied moet gegarandeerd zijn voor onderhoudsmateriaal voor oa. baggeren watergangen, maaien taluds en reinigen, inspecteren, repareren van riolering, inspectieputten, kolken, bezinkvoorzieningen, gemalen, overstortriolen, duikers en uitstroomvoorzieningen; Onder onderhoudsmaterieel wordt verstaan transportmaterieel voor een maaiboot en afvoer maaisel, vrachtwagen met spoelinstallatie, kolkenzuiger, inspectiebus, etc.; Bij het ontwerpen van duikers zorgdragen dat ook het benedenstrooms gebied toegankelijk is voor onderhoudsmaterieel (> 10 ton); Obstakels, (dode) hoeken, hoogteverschillen etc. waar onderhoudsmateriaal niet bij kan, worden voorkomen; De ondergrond naar èn op de onderhoudslocaties dient voldoende draagkracht te hebben voor onderhoudsmaterieel.
Waar nodig dient een verharde opstelplaats te worden aangelegd; De breedte van het onderhoudspad bij oevers, taluds en kunstmatige beschoeiing moet voldoen aan de eisen van het waterschap (Keur); Ten behoeve van onderhoud vanaf het water dient er een opstelplek en een te-water-laat-plek te zijn voor onderhoudsboten; De te-water-laat-plek is ontworpen om een onderhoudsboot mechanisch te lossen met transportmaterieel van > 3,5 ton; Daar waar onderhoud met een onderhoudsboot noodzakelijk is, moet rondom de waterpartijen een centrale plaats met voldoende ruimte worden voorzien om maaisel tijdelijk op te slaan en af te voeren met transportmaterieel. Technisch programma van eisen Water- en Rioolbeheer (dd. 30-12-2019)
5
2.1.4
Duurzaamheid
Bij de robuustheid van de inrichting, wordt met een levensduur gerekend van minimaal: Vrij-verval riolering (leidingen) : 65 jaar; Mechanische riolering (leidingen) : 45 jaar; Gemalen, mechanisch-elektrisch : 15 jaar; Gemalen, bouwkundig : 40 jaar; Pompen : 15 jaar; Pompkast en -apparatuur : 15 jaar; Drainage : 15 jaar; Randvoorzieningen : 40 jaar; Kunstmatige oeverbescherming : 30 jaar. Duurzame materialen toepassen, tenzij dit het functioneren en de beheersbaarheid van objecten nadelig beïnvloedt (bv. als gevolg van lokale omstandigheden); De verwerking van hemelwater dient duurzaam te gebeuren volgens de trend: 1) eerst infiltreren; 2) dan bergen; 3) en dan pas afvoeren.
figuur 1: Duurzame verwerking van hemelwater
2.2
Specifieke randvoorwaarden
Bij de aanleg van nieuwe rioleringsstelsels en bij het vervangen van bestaande stelsels dient te worden voldaan aan onderstaande randvoorwaarden:
2.2.1
Afvalwater
Afvalwater dient gescheiden van hemelwater te worden ingezameld en getransporteerd; Riolering welke het afvalwater inzamelt en transporteert dient altijd volledig en tijdig leeg te kunnen stromen; Bedrijfsafvalwater dient te voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen conform de lozings- en/of milieuvergunning vanuit het bevoegd gezag, alvorens het via (gemeentelijke) riolering wordt ingezameld en getransporteerd via een DWA-riool of gemengd riool; Bedrijven dienen afscheiders, vetvangers etc. conform de verleende vergunning(en) op eigen terrein te plaatsen en te beheren. Controle wordt uitgevoerd door of namens het bevoegd gezag.
Technisch programma van eisen Water- en Rioolbeheer (dd. 30-12-2019)
6
2.2.2
Hemelwater
Op particulier terrein is conform de Waterwet de eigenaar primair verantwoordelijk voor het verwerken van (schoon) hemelwater. De gemeente is niet verplicht hemelwater afkomstig van particulier terrein af te voeren. In situaties waarin het niet redelijk is om van perceeleigenaren te verlangen het hemelwater zelf te verwerken, wordt afgevoerd naar een gemeentelijke inzamelvoorziening; Hemelwater dient zoveel mogelijk te worden verwerkt en/of benut in het eigen (plan)gebied; Het uitgangspunt in nieuwe situaties is dat hemelwater bovengronds wordt afgevoerd en wordt verwerkt. Indien dit niet haalbaar blijkt en dit bij de planvorming schriftelijk goed wordt onderbouwd door de initiatiefnemer, kunnen de riool- en waterbeheerders van gemeente Terneuzen het toepassen van een hemelwaterstelsel accepteren. Bij het vervangen van bestaande riolering dient een doelmatigheidsanalyse te worden uitgevoerd m.b.t. het afkoppelen van hemelwater; In het ontwerp dient rekening te worden gehouden met voldoende bergingscapaciteit voor hemelwater conform de bergingseisen van waterschap Scheldestromen; In de praktijk is water-op-straat gedurende korte tijd acceptabel, mits dit niet structureel leidt tot overlast en schade.
2.2.3
Grondwater
Op particulier terrein is conform de Waterwet de eigenaar verantwoordelijk voor het inzamelen van overtollig grondwater. De gemeente is niet verplicht grondwater afkomstig van particulier terrein af te voeren. Alleen als het niet redelijk is om van perceeleigenaren te verlangen het grondwater af te voeren, zal de gemeente het grondwater vanaf de perceelgrens in ontvangst nemen en afvoeren; In het ontwerp moeten maatregelen ter voorkoming van grondwateroverlast tegen elkaar worden afgewogen. Het aanleggen van drainage kan bijvoorbeeld worden afgewogen tegen (integraal) ophogen of de aanleg van oppervlaktewater; Bij het vervangen van bestaande riolering dient vooraf te worden bepaald of de aanleg van drainage doelmatig is; Bij rioleringswerkzaamheden in specifieke situaties voorafgaand peilbuizen plaatsen t.b.v. het monitoren van het grondwaterpeil. E.e.a. in overleg met de riool- en waterbeheerders van gemeente Terneuzen. De peilbuizen dienen 6 maanden voorafgaand, tijdens en 6 maanden na het project te worden gemonitord en te worden aangesloten op het grondwatermeetnet van de gemeente.
2.2.4
Oppervlaktewater
Het ontwerp biedt ruim voldoende capaciteit voor waterberging; Bij het ontwerp dient gestreefd te worden naar behoud van schoon, helder water door het creëren van natuurlijke doorstroming en het voorkomen van doodlopende watergangen; Tevens zijn taluds en het onderwaterprofiel zodanig ontworpen dat: De breedte van het onderwaterbanket (ondiepe zone langs de oever) buiten de berekening van het vereiste natte profiel valt; De stabiliteit is gewaarborgd; Rietgroei wordt beperkt door voldoende waterdiepte.
Technisch programma van eisen Water- en Rioolbeheer (dd. 30-12-2019)
7
2.3
Planvorming nieuwe ontwikkelingen
Bij de ontwikkeling en realisatie van nieuwe projecten dienen minimaal de volgende plannen te worden opgesteld welke gezamenlijk het Waterhuishoudkundig Plan vormen: 1) Waterhuishoudingsplan; 2) (basis)Rioleringsplan, inclusief hydraulische berekening; 3) Drainageplan openbare ruimte. Het Waterhuishoudkundig Plan vormt de basis voor de nieuwe ontwikkeling, inclusief te verwachten toekomstige in- en/of uitbreidingen. Belangrijke uitgangspunten bij het plan zijn onder meer de eisen van Waterschap Scheldestromen, het beleidsplan Water- en Rioleringsplan 2019-2023 van gemeente Terneuzen en dit betreffende document (Programma van Eisen Water- en Rioolbeheer van gemeente Terneuzen). Het resultaat van de planvorming is een Waterhuishoudkundig Plan dat past in het inrichtingsplan en wat voldoet aan de beleidsdoelstellingen van het waterschap en gemeente Terneuzen. Het Waterhuishoudkundig Plan vormt de basis voor de realisatiefase. Bij het opstellen van het Waterhuishoudkundig Plan dienen de volgende aspecten te worden opgenomen: 1) Stedenbouwkundige aspecten: Bebouwingsdichtheid en de relatie tot het verhard oppervlak; De structuur van water en groen. 2) Omgevingsaspecten: Hydraulische situatie. De invloed op de bestaande gemeentelijke riolering.
Indien het gemeentelijke riool onvoldoende capaciteit heeft om het afvalwater van de nieuwe ontwikkeling te kunnen verwerken, behoren maatregelen tot het Waterhuishoudkundig Plan. Kosten voor deze maatregelen zijn voor rekening van de initiatiefnemer; (Geo)hydrologische situatie. De invloed op de bestaande (natuurlijke) grondwater- en oppervlaktewaterhuishouding en kwelgebieden. Bij te maken keuzes moeten negatieve invloeden worden voorkomen; Bodemopbouw. Draagkracht en samenstelling van de bodem beïnvloeden het toekomstig zettingsgedrag. De benodigde drooglegging bepaalt mede de keuze voor de inzet drainage en/of het ophogen van het terrein; Bodemgesteldheid. De wijze van afvoer van hemel- en grondwater in relatie tot bodemgesteldheid en doorlatendheid; Tijdens het bouwrijp maken kan de bodemgesteldheid worden beïnvloed. Integraal ophogen of een grondverbetering kan zorgen voor een betere ontwatering. Maaiveldhoogte en peilmaten. De wijze van afvoer van afval-, hemel- en grondwater heeft een directe relatie met de hoogte van het bestaande en het nieuwe maaiveld en de peilhoogten. In het ontwerp moeten afweging, keuzes en de effecten hiervan duidelijk inzichtelijk worden gemaakt. Bijvoorbeeld: voor het bovengronds afvoeren van hemelwater over het maaiveld is een bepaald minimaal verval voor de afvoer van water door goten noodzakelijk.
Dit moet wel worden gerealiseerd binnen het plangebied. De peilmaten van de fundering (vloerpeilhoogte) hebben een relatie met de risico’s op overlast of schade van de bebouwing in gevallen van extreme neerslag. In het ontwerp moet bij de inrichting rekening worden gehouden met dit risico door het afgeven van een vloerpeilhoogte die minimaal 0,30 m hoger is dan de maximale hoogte van het dwarsprofiel van de aangrenzende weg en bijvoorbeeld het creëren van waterberging op maaiveldniveau.
Technisch programma van eisen Water- en Rioolbeheer (dd. 30-12-2019)
8
Realisatieperiode nieuwe ontwikkelingen Indien de realisatie meer dan 2 jaar wordt vertraagd of de totale looptijd meer dan 3 jaar bedraagt, moet na 3 jaar per deelgebied worden getoetst of nog wordt voldaan aan het Waterhuishoudkundig Plan. In samenwerking met het Waterschap en gemeente Terneuzen dient de initiatiefnemer voor elk deelgebied een geactualiseerd Waterhuishoudkundig Plan uit te werken.
Technisch programma van eisen Water- en Rioolbeheer (dd. 30-12-2019)
9
3
ONTWERP OPPERVLAKTEWATER
3.1
Oevers
Oevers dienen aan onderstaande voorwaarden te voldoen: 1) Bij oevers in principe een natuurlijk talud aanhouden; 2) Oevers en taluds dienen veilig te worden uitgevoerd met een talud van minimaal 1:2; 3) Taluds en onderwaterprofiel zodanig ontwerpen dat de stabiliteit is gewaarborgd; 4) De breedte van het onderwaterbanket (ondiepe zone langs de oever) valt buiten de berekening van het vereiste natte profiel; 5) Bij natuurlijke oevers dient de bovenkant van de oeverbescherming maximaal op de hoogte van het zomerpeil te liggen; 6) Rietgroei wordt beperkt door voldoende waterdiepte van 1,00m; 7) Bij toepassen van kunstmatige oeverbescherming Milieuvriendelijke (niet uitlogende) en duurzame materialen (bijvoorbeeld kunststof) toepassen; Corrosiebestendige bevestigingsmaterialen toepassen (bijvoorbeeld RVS 316); Opbouw conform standaard detail.
3.2
Uitstroomvoorzieningen
Uitstroomvoorzieningen dienen te voldoen aan de onderstaande voorwaarden: 1) Hemelwaterafvoeren kleiner dan 200 mm (van kolken e.d.) welke direct afvoeren op oppervlaktewater, worden beschermd tegen maaien door het plaatsen van een uniforme uitstroombak. De uitlaat dient aangebracht te worden boven het geldende zomerpeil (zie standaard detail); 2) Hemelwaterafvoeren ≥ ø400 mm (waaronder overstorten) welke direct afvoeren op oppervlaktewater moeten zijn voorzien van een prefab betonnen uitstroombak met schotbalksponningen. De schotbalksponningen zijn zichtbaar ruim boven het geldende zomerpeil (zie standaard detail); Indien de uitlaat onder water loost, dient de bob-hoogte minimaal 0,10 m boven de bodem van een watergang te worden aangebracht; 3) Uitstroombakken rondom voorzien van minimaal 50 cm straatwerk / betontegels met betonnen opsluitbanden; 4) Voor de opslag van schotbalken dient in de directe nabijheid van de uitstroomconstructie een vandalismebestendige en onderhoudsvriendelijke voorziening te worden gerealiseerd. Het ontwerp dient ter acceptatie te worden voorgelegd aan de riool- en waterbeheerders van gemeente Terneuzen; 5) Indien een uitstroombak niet toereikend is om oever/talud en waterbodem te beschermen, dient een voorziening te worden aangebracht om de stabiliteit te garanderen (bv. een betonmat of gelijkwaardige constructie).
Een talud afwerken met een betonspecie of soortgelijk stijf materiaal is niet toegestaan; 6) Bij een oever/talud waar minder dan eens per jaar water beperkt overstroomt, is het toegestaan om een kunststofmat toe te passen die de grasmat voldoende blijvend verstevigt. Het maaien van gras moet daarbij goed mogelijk blijven; 7) Het toepassen van zinkers in duikers is niet toegestaan.
Technisch programma van eisen Water- en Rioolbeheer (dd. 30-12-2019)
10
3.3
Wadi’s
Een wadi (zie principe detail) dient aan de volgende eisen te voldoen: 1) Helling minimaal 1:3, U-vormig profiel, aan één zijde obstakelvrij; 2) Minimale bodembreedte: 3,00 m; 3) Basisdiepte: 0,50 m (minimaal 0,30 m tot slokopniveau + 0,20 m waakhoogte); 4) Maximale diepte: 0,70 m; 5) Bij toepassing van infiltratie in de bodem dient de bodem van een wadi minimaal aan één van de volgende eisen te voldoen: De wadibodem, -taluds, grasmat en de grond onder de wadi hebben een minimale doorlatendheid (K-waarde) van 0,5 m/dag; De wadibodem en -taluds worden voorzien van graszoden en teelgrond van minimaal 10 cm, met daaronder minimaal 10 cm drainagezand; 6) Als alternatief mag onder de wadi een grindkoffer worden aangebracht voorzien van drainage; 7) Inspectieputten, welputten, slokops en dergelijke dienen zodanig afgewerkt te worden dat wadi’s ongehinderd kunnen worden gemaaid; 8) Er dient een overloopconstructie te worden aangebracht (slokop) die wordt aangesloten op open water of op het infiltratieriool onder de wadi. Indien beide niet aanwezig zijn, moet er een overloopmogelijkheid zijn op een naastgelegen wadi, oppervlaktewater of een hemelwaterriool.
Technisch programma van eisen Water- en Rioolbeheer (dd. 30-12-2019)
11
4
ONTWERP RIOLERING
4.1
Randvoorwaarden ligging rioolsystemen
Onderstaande randvoorwaarden geven aan waar de rioolobjecten binnen de openbare ruimte gesitueerd dienen te worden: 1) De hoogten van de aansluitende riolering en de straat moeten worden gewaterpast voordat het rioolontwerp of bestek wordt vastgesteld; 2) Hoofdriolering ligt bij voorkeur in de as van de wegconstructie; 3) Hoofdriolering wordt aangebracht op ongeroerde grond en gefundeerd op een zandbed (grondverbetering) van minimaal 0,20 m; 4) Inspectieputten, kolken etc. in principe funderen op staal. Indien ondergrond onvoldoende draagkracht heeft, grondverbetering van minimaal 0,20 m toepassen; 5) Bij bijzondere constructies is nader grondonderzoek naar de draagkracht verplicht om een geschikte funderingsconstructie te kunnen onderbouwen; 6) De minimale gronddekking op de rioolleidingen is 1,20 m om een goede aansluiting van huis- of kolkaansluitingen op het hoofdriool te garanderen.
De maximale gronddekking is 3,00 m; 7) De minimale afstand tussen de buitenzijde van parallel gelegen rioolleidingen is 0,50 m; 8) De minimale kruisingsvrijheid tussen twee rioolstrengen 0,30 m; 9) De minimale afstand tussen buitenzijde riolering en kabel, leidingen en hart boom bedraagt 2,5 m; 10) Boven inlaten van het hoofdriool geen kabels, leidingen en bomen binnen een afstand van 2,5 m; 11) Inspectieputten worden aangebracht op alle kruisingen, knikken en bijzondere voorzieningen in het in de hoofdriolering. Ook bij wijzigingen in het verhang en wijziging van diameter; 12) Haakse bochten bij huis- en kolkaansluitleidingen uitvoeren met 2x een 45 graden bocht; 13) Inspectieputten worden geplaatst buiten het rijspoor van de wegconstructie; 14) Inspectieputten zijn altijd toegankelijk. Verdekte putten zijn niet toegestaan; 15) Inspectieputten zijn voorzien van een stroomprofiel; 16) De maximale afstand tussen twee inspectieputten bedraagt 80 m; 17) Overstortputten (externe) dienen te worden ontworpen op een hoogte welke minimaal 0,40 m hoger ligt dan het zomerpeil van het ontvangende oppervlaktewater; 18) Persleidingen moeten bij voorkeur direct lozen op een rioolgemaal, dit om stankoverlast en aantasting in het rioolstelsel te voorkomen. Indien dit niet mogelijk is, dient te worden geloosd op een ontvangstput van kunststof, alvorens te lozen op een vrij-vervalriolering.
4.2
Dimensionering rioolsystemen
4.2.1
Afvalwaterstelsel (DWA-stelsel)
De dimensionering dient te voldoen aan de volgende eisen: 1) Minimaal toe te passen buisdiameter bij hoofdriolering is PVC ø315 mm; 2) Maximale vullingsgraad: 50 %; 3) Minimale berging: 12 uur gemiddelde DWA-productie; 4) Gemiddeld DWA-productie is 12 liter per inwoner per uur en 0,50 m3 per hectare bedrijventerrein; 5) Piek 50 liter per inwoner per uur tussen 07.00 – 08.00 uur; 6) Voorkeur afschot DWA-stelsel: “1 : buisdiameter in mm”; 7) Afschot beginstrengen DWA-stelsel: 1:250 (voor minimaal de eerste 150 m); 8) Minimaal afschot DWA-stelsel: 1:500; 9) De theoretische ledigingstijd van het stelsel bedraagt ca. 8 uur; 10) Bij verstopping van één rioolstreng moet afvalwater kunnen afstromen via een andere gekoppelde streng. Doodlopende rioolstrengen dienen zoveel mogelijk te worden voorkomen. Daar waar van toepassing, ontspanningsdeksels toepassen. Technisch programma van eisen Water- en Rioolbeheer (dd. 30-12-2019)
12
4.2.2
Hemelwaterstelsel (HWA-stelsel)
Bij nieuwe situaties in de openbare ruimte is het uitgangspunt dat hemelwater bovengronds wordt afgevoerd en verwerkt (paragraaf 2.2.2). Indien dit niet haalbaar blijkt en dit bij de planvorming schriftelijk goed wordt onderbouwd door de initiatiefnemer, kunnen de riool- en waterbeheerders van gemeente Terneuzen het toepassen van een hemelwaterstelsel accepteren. De dimensionering dient te voldoen aan de volgende eisen: 1) Normbui 08 in bestaand stedelijk gebied, behalve in lage gebieden; 2) Normbui 09 in de bestaande binnenstad van Terneuzen, behalve in lage gebieden; 3) Gebiedsafhankelijk met Normbui 09 of 10 voor nieuwe hemelwaterstelsels; 4) Minimale toe te passen buisdiameter bij hoofdriolering is PVC ø400 mm; 5) Afschot beginstrengen HWA-stelsel: 1:500; 6) Minimaal afschot HWA-stelsel: 1:1.000; 7) Een verbeterd gescheiden stelsel wordt in principe bij nieuwe gebiedsontwikkeling niet toegepast, tenzij dit noodzakelijk wordt geacht door de riool- en waterbeheerders (bv. bij een bedrijventerrein met specifieke activiteiten). Bij een dergelijk stelsel wordt geen directe koppeling gemaakt tussen de HWA-riolering en de DWA-riolering. Beide stelsels krijgen een eigen gemaal; 8) Bij toepassing van een verbeterd gescheiden stelsel dient het HWA-riool 4 mm onderdrempelberging te hebben en het ledigingsgemaal een pompcapaciteit van maximaal 0,3 mm/uur.
De theoretische ledigingstijd van een verbeterd gescheiden stelsel bedraagt daarmee ca. 13,3 uur; 9) Bij toepassing van een externe overstort dient deze ontworpen te worden op een hoogte welke minimaal 0,40 m hoger ligt dan het zomerpeil van het ontvangende oppervlaktewater.
4.2.3
Gemengd stelsel
Een gemengd stelsel wordt in principe bij nieuwe gebiedsontwikkelingen niet toegepast. Wanneer blijkt dat bij een herontwikkeling of rioolvervanging afkoppelen niet doelmatig blijkt, wordt het bestaande gemengde systeem gehandhaafd. De dimensionering dient te voldoen aan de volgende eisen: 1) Minimaal toe te passen buisdiameter bij hoofdriolering is PVC ø400 mm; Indien dit technisch niet mogelijk is, minimaal toe te passen buisdiameter PVC ø315 mm; 2) Voorkeur afschot: 1 : buisdiameter in mm; 3) Afschot beginstrengen gemengd stelsel: 1:250 (voor minimaal de eerste 150 m); 4) Minimaal afschot gemengd stelsel: 1:500; 5) De afvoerrichting is naar het ledigingsgemaal toe; 6) Middels een hydraulisch model berekende minimale afvoercapaciteit: Normbui 08 in bestaand stedelijk gebied, behalve in lage gebieden; Normbui 09 in de bestaande binnenstad van Terneuzen, behalve in lage gebieden; 7) Het uitgangspunt voor het ontwerp van een gemengd stelsel is 7 mm onderdrempelberging en een pompovercapaciteit van 0,7 mm/uur. De theoretische ledigingstijd bedraagt daarmee 10 uur. Bij toepassing van een randvoorziening (2 mm berging) bedraagt de ledigingstijd ca.