2021-09-23 bijlage 3 - significant-public-onderzoek-sociaal-medische-indicatie
Tekst van het document
Gemeenten geven verder aan dat zij ruimte zien voor ontwikkeling in het monitoren van de gezinssituatie. In veel gemeenten wordt SMI toegekend en vindt er verder geen monitoring van de situatie plaats. Er is pas weer contact met ouders wanneer er bijvoorbeeld controle van de betaling van de facturen van de kinderopvangorganisatie plaatsvindt of er een herindicatie wordt aangevraagd. Gemeenten verwachten dat monitoring kan bijdragen aan het verkorten van de looptijd van SMI.
22
4 Stijging in aantallen en kosten SMI Gemeenten krijgen jaarlijks zo’n € 28 miljoen uit het Gemeentefonds. Dit geld is niet geoormerkt, en gemeenten hoeven niet separaat verantwoording af te leggen over deze gelden. Gemeenten hebben diverse mogelijkheden om deze middelen in te zetten en eventueel te combineren, bijvoorbeeld met de middelen voor jeugdhulp, onderwijsachterstandenbeleid of met het budget voor peuterregelingen12. Het Rijk kan niet te sturend zijn in hoe de middelen worden ingezet vanwege de keuze voor deze niet-geoormerkte uitkering.
In 2005 heeft de wetgever aan de algemene middelen van het Gemeentefonds het benodigde budget toegevoegd voor kinderopvang voor de SMI-doelgroep. In 2009 werd SMI voor het laatst als aparte post opgenomen en is de regeling voor een tegemoetkoming voor kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie vanaf 2010 structureel onderdeel van de algemene uitkering van het Gemeentefonds. Het budget is sinds 2010 jaarlijks geïndexeerd volgens de trap-op, trap-af systematiek13. Het is echter niet mogelijk het accres een-op-een toe te passen op SMI-gelden om aan te geven wat anno 2020 het beschikbare budget is. Gemeenten zijn namelijk vrij om het accres naar eigen inzicht toe te delen, rekening houdend met hun lokale situatie. Daarnaast vindt er om de zoveel tijd onderhoud aan het verdeelmodel van de algemene uitkering van het gemeentefonds plaats waardoor het lastiger is oudere toevoegingen aan het gemeentefonds één op één te volgen. Dit komt door de vele ontwikkelingen die van invloed zijn op het Gemeentefonds. Hoe langer geleden het budget aan de algemene uitkering is toegevoegd, hoe lastiger het is om iets over de actuele stand te zeggen.
Het budget voor SMI is destijds verdeeld aan de hand van drie indicatoren, namelijk 40% op basis van het aantal inwoners, 50% op basis van het aantal bijstandsontvangers14 en 10% op basis van het aantal minderheden. Zo wordt het nog steeds verdeeld. Dit betekent dat als een gemeente groeit in inwoneraantal of er meer minderheden in een gemeente zijn, zij daar vanuit het gemeentefonds voor worden gecompenseerd. Verder zijn de uitgaven aan SMI de afgelopen jaren gegroeid alleen al door de loon- en prijsindexatie. Door het oorspronkelijke toegevoegde bedrag in het gemeentefonds te indexeren aan de hand van de consumentenprijsindex 15 komt het huidige budget uit op circa € 33 miljoen (de koopkrachtequivalent van € 28.184.000 in 2009). Het budget is niet aangepast aan (beleids)ontwikkelingen op andere terreinen die van invloed zijn op SMI (zowel positief als negatief), denk bijvoorbeeld aan een toename in de kosten van de kinderopvang, ontwikkelingen in de doelgroep die gebruik kan maken van kinderopvangtoeslag of de extra middelen die gemeenten in 2016 hebben gekregen voor de peuteropvang.
4.1
Algemene trend is dat er een stijging is in het aantal gezinnen dat gebruikmaakt van SMI, voornamelijk door grotere bekendheid van SMI en beperkte ‘uitstroom’
Over de gehele linie van gemeenten is een toename te zien in het aantal toekenningen voor SMI. Tabel 2 is gebaseerd op het totale aantal (geschatte) toekenningen van SMI per jaar zoals opgegeven door de helft van de gemeenten in de enquête, de andere helft heeft geen waarde ingevuld of slechts voor een of twee jaren. Op totaalniveau is een toename van 32% te zien. Dit percentage bevat ook de aantallen toekenningen van gemeenten waar een daling is geweest of waar het aantal toekenningen gelijk is gebleven. Dit houdt in dat voor de meeste gemeenten er een toename is geweest 12
Handreiking VNG Sociaal Medische Indicatie (link)
13
Deze systematiek, de normeringssystematiek genaamd, houdt in dat de groei (of krimp) van de fondsen gelijk is aan
de groei (of krimp) van de netto Rijksuitgaven. 14
De berekening van het aantal bijstandsontvangers is een keer gewijzigd. Vroeger was het op basis van het aantal
bijstandsontvangers in een jaar en nu wordt gekeken naar het gemiddeld aantal bijstandsontvangers over drie jaar in de gemeente. 15
Gebaseerd op de jaarmutatie CPI-cijfers over de jaren 2010 tot 2019 (link)
23
in het aantal toekenningen. Vooral bij de kleine en middelgrote gemeenten is het totale toenamepercentage aanzienlijk (respectievelijk 49% en 51%). Onder grote gemeenten is een toename te zien van 22% in 2019 ten opzichte van 2017. Het percentage toegekende aanvragen in de afgelopen twee jaar stabiel gebleven (93% van de aanvragen worden toegekend, zie tabel 1), dit betekent dat de stijging in het aantal toekenningen vooral komt door een toename in het aantal aanvragen voor SMI.
Verandering aantal toekenningen
Percentage 2017-2019
Kleine gemeenten (minder dan 50.000 inwoners) (n=76)
+49%
Middelgrote gemeenten (tussen de 50.000 en 100.000 inwoners (n=15)
+51%
Grote gemeenten (meer dan 100.000 inwoners) (n=13)
+22%
Totaal (n=104)
+32%
Tabel 2. Verandering in aantal toekenningen tussen 2017 en 2019
Figuur 16 geeft een soortgelijk beeld weer. Hierin is te zien dat de helft van de gemeenten aangeeft dat het niet van toepassing dan wel onbekend is of er een stijging of daling is geweest in het aantal toekenningen van SMI. Dit duidt allereerst op weinig cijfermatig inzicht vanuit beleid bij gemeenten over de inzet van SMI. Van de andere helft van de gemeenten, die wel zicht hebben op de ontwikkeling van de SMI-aanvragen, geeft 44% aan dat er tussen de jaren 2017 en 2019 sprake is geweest van een stijging in het aantal toekenningen. Daarnaast geeft 6% aan dat het ongeveer gelijk is gebleven en slechts een gemeente ziet een daling. Deze gemeente geeft aan dat de gesubsidieerde peuteropvang vaker als voorliggende voorziening wordt ingezet als alternatief voor SMI. Uit de cijfers met (geschatte) aantallen toekenningen blijkt wel dat er meer gemeenten zijn waar sprake is van een daling in het aantal toekenningen, maar deze zijn wel in de minderheid.
Figuur 16. Ontwikkeling in aantal toekenningen SMI (in de periode van 2017 tot en met 2019)
In Figuur 17 is te zien welke redenen gemeenten zien voor de stijging van het aantal toekenningen. Het merendeel van de gemeenten (66%) schrijft de stijging toe aan een grotere bekendheid van SMI, zowel bij ouders als bij professionals.
Naast bekendheid wordt ook genoemd dat er meer multiproblematiek speelt bij gezinnen (11%) en dat daarom meer gezinnen een beroep (kunnen) doen op SMI. Het vervallen van de inkomensgrens zorgt ook voor een verruiming van het aantal gezinnen dat een beroep kan doen op SMI (10%). Tevens zorgt een toename in de duur van SMI voor een stijging van de kosten. SMI wordt dan meerdere keren geherindiceerd waardoor er minder ‘uitstroom’ plaatsvindt met
24
als gevolg een stapeling in het aantal gezinnen dat gebruikmaakt van SMI. Gemeenten geven aan dat er geen goede ‘exit’ uit SMI is. Bij alle gemeenten die wij hebben gesproken zit er op z’n minst een gezin tussen dat al een aantal jaar gebruikmaakt van SMI.
Figuur 17. Wat is de reden voor een stijging in het aantal toekenningen? Bij de vraag ‘Heeft uw gemeente recent regels veranderd, de bekendheid vergroot of zijn er bepaalde ontwikkelingen geweest die gevolgen kunnen hebben op het aantal aanvragen en toekenningen?’ zien we dat de regels rondom SMI aan verandering onderhevig zijn. Regels worden nog regelmatig aangepast of aangescherpt. De opvallendste aanpassing is dat SMI in meerdere gemeenten overgeheveld wordt naar team Jeugd omdat SMI preventief ingezet kan worden om duurdere jeugdzorg te voorkomen en omdat de indicering regelmatig (al) wordt gedaan door jeugdconsulenten in de wijkteams. Tevens heeft de decentralisatie volgens een aantal gemeenten ook bijgedragen aan de stijging. De hulp is nu dichterbij de inwoner, lijntjes tussen wijkteams, hulpverleners en gemeenten zijn korter geworden en de verwachting is dat daarmee gezinnen eerder in beeld zijn en geholpen kunnen worden. De wijzigingen in beleid zorgen ervoor dat er meer aandacht is voor SMI en daarmee wordt de bekendheid ook vergroot.
4.2
Kosten voor SMI vallen vaak hoger uit dan begroot; als er al SMI-middelen apart zijn begroot
Het merendeel van de gemeenten (87%) weet niet hoeveel geld zij voor SMI ontvangen vanuit het Gemeentefonds. Dit komt doordat SMI in de algemene uitkering in het Gemeentefonds is opgenomen en niet als aparte post wordt genoemd. De 13% die het weet, kent alleen een schatting van het bedrag. Hiermee is het ‘beschikbare budget’ geen uitgangspunt voor het opstellen van de begroting.
Gemeenten baseren hun begroting vooral op de kosten die in voorgaande jaren voor SMI gemaakt zijn, of er is geen aparte post op de gemeentebegroting opgenomen. Zo heeft de helft van de gemeenten in hun begroting een bedrag opgenomen voor de uitvoering van SMI in 2019, de andere helft niet. Dat laatste geldt vooral voor gemeenten die SMI
25
hebben geregeld in de beleidsregels van de bijzondere bijstand; daarvan heeft slechts 26% een begroting opgesteld. Zij hebben weinig zicht op wat de inzet van SMI hen kost en zij maken hier op voorhand ook geen inschatting van. De gemeenten die zelf een verordening hebben opgesteld voor SMI hebben over het algemeen wel een begroting opgesteld (67%) en ook beter zicht op wat de uiteindelijke uitgaven voor SMI waren.
In Figuur 18 is te zien dat van de gemeenten die SMI in de begroting hadden opgenomen, meer dan de helft van de gemeenten op hogere kosten uitkwam (52%), bij een kwart kwam dit min of meer overeen en bij 9% waren de kosten lager dan begroot. Vooral voor gemeenten die SMI regelen via ad-hoc-beschikkingen vielen de kosten hoger uit (67%).
Figuur 18. Kosten in relatie tot begroting
Uit het diepteonderzoek blijkt dat verantwoordelijkheid voor de financiën vaak gescheiden is van de uitvoering. Dit betekent dat de uitvoering minder zicht heeft op de kosten en daarmee minder geneigd is om strenger te zijn in het toekennen van de SMI-aanvragen. Dit is los van het feit dat zij dit vanuit inhoudelijk oogpunt niet wenselijk vinden vanwege de laagdrempelige en normaliserende werking die SMI heeft. Voor de inhoudelijke beoordeling vertrouwt de gemeente veelal op de expertise en professionele beoordeling van de indicatiesteller (inclusief het aantal dagdelen en duur van de indicatie), de gemeentelijke medewerker neemt het advies van de indicatiesteller vaak een-op-een over in de beschikking. Desalniettemin neemt de druk toe bij beleidsmedewerkers om richting hun gemeenteraad de kosten voor SMI te verantwoorden. Dit resulteert in gemeenten die hun beleid herzien en aanscherpen door bijvoorbeeld duidelijkere richtlijnen mee te geven over het maximum aantal dagdelen of de maximum duur.
Figuur 19 laat zien dat circa een derde van de gemeenten (32%) ook andere middelen inzet voor de bekostiging van SMI. Van deze 57 gemeenten zet 25% middelen uit de Jeugdwet in, 23% middelen uit de Participatiewet (bijzondere bijstand) en 17% middelen uit het onderwijsachterstandenbeleid, soms ook in combinatie met peuteropvang.
26
Figuur 19. Inzet van andere middelen voor de bekostiging van SMI
Meerdere gemeenten hebben aangegeven wel goed uit te komen met de beschikbare middelen voor peuteropvang en vve. Sommige gemeenten kiezen er daarom voor om de peuteropvang en de vve al mogelijk te maken vanaf twee jaar; officieel zijn deze regelingen voor kinderen vanaf 2,5 jaar bedoeld. Hiermee is mogelijk een snellere uitstroom uit SMI mogelijk. Deze regelingen zijn alleen minder flexibel dan SMI. Ze worden bijvoorbeeld niet tijdens de schoolvakanties aangeboden en alleen op bepaalde dagdelen. Het moet dan maar net aansluiten bij de behoefte van ouder(s) en kind(eren).
4.3
Eigen bijdrage van ouders veelal in lijn met inkomensafhankelijke bijdrage conform kinderopvangtoeslag
Het is voor gemeenten niet noodzakelijk alle kosten van de kinderopvang te vergoeden. Aan ouders kan worden gevraagd de eigen bijdrage aan een kinderopvangorganisatie zelf te (blijven) betalen. De hoogte van de vergoeding voor kinderopvang is wisselend per gemeente. Figuur 20 laat zien dat gemeenten in de meeste gevallen een inkomensafhankelijke bijdrage vragen zoals bij de kinderopvangtoeslag (46%). Door eenzelfde bijdrage te vragen voor SMI is de gedachte van gemeenten dat een mogelijke overstap naar de kinderopvangtoeslag op een later moment kleiner is doordat de eigen bijdrage gelijk blijft. Een vijfde van de gemeenten (21%) kiest ervoor om een bijdrage te vragen rekening houdend met de draagkracht naar inkomen en vermogen zoals in de bijzondere bijstand; dit zijn voornamelijk de gemeenten die SMI hebben geregeld in de beleidsregels van de bijzondere bijstand. Van de gemeenten die deel hebben genomen aan de enquête geeft 15% aan dat zij geen eigen bijdrage van ouders vragen. In een uitsplitsing naar gemeentegrootte zien we dat het percentage ‘geen eigen bijdrage’ net wat hoger is bij gemeenten met minder dan 50.000 inwoners en bij de G40-gemeenten (respectievelijk 17% en 21%). Bij gemeenten die SMI regelen via ad-hoc-beschikkingen is het percentage ‘geen eigen bijdrage’ het hoogst (namelijk 22%).
Voor mensen in de bijstand betekent het vaak dat ongeacht welke keuze een gemeente maakt dat zij een groot deel dan wel alle kosten van de kinderopvang vergoed krijgen, soms met aanvulling uit de bijzondere bijstand.
27
Figuur 20. Wat voor bijdrage wordt er van ouders gevraagd
In vergelijking met eerdere onderzoeken zien we dat in alle jaren gemeenten vaak kiezen voor de inkomensafhankelijke bijdrage zoals bij de kinderopvangtoeslag (53% in 201416, 35% in 201617, 46% in 2020). Verder blijkt uit onderzoek van Kindermediair dat 17,5% van de gemeenten de kosten van kinderopvang in het geval van SMI volledig compenseert, tegenover 15% in dit onderzoek. Het aspect van de eigen bijdrage is het meest tastbaar voor ouders om verschillen in op te kunnen merken tussen gemeenten.
De meeste ouders die wij hebben gesproken zijn goed op de hoogte van de eigen bijdrage die zij moeten betalen, een enkele uitzondering daargelaten. Zeker voor ouders met lage inkomens is het van belang dat zij vooraf goed op de hoogte zijn van de maandelijkse kosten die de kinderopvang met zich meebrengt.
Ook hanteren gemeenten over het algemeen het maximale uurtarief kinderopvang van de Belastingdienst als maximale uurvergoeding. Komt het tarief van de kinderopvang naar keuze boven dit uurtarief uit, dan betalen ouders deze meerkosten zelf. Dit geldt ook in de gevallen waarbij de gemeente geen eigen bijdrage van ouders vraagt.
Een gemeente kan er ook voor kiezen om een inkomenscriterium toe te passen. In bijna de helft (48%) van de gemeenten geldt helemaal geen inkomenscriterium. Bij de overige gemeenten is het uit de vragenlijst onduidelijk of het inkomenscriterium betekent dat ouders vanaf een bepaald inkomen niet in aanmerking komen voor SMI en de kinderopvang volledig zelf moeten betalen óf dat de eigen bijdrage pas gaat gelden wanneer ouders boven een bepaald inkomen uit komen. Het kan zelfs zijn dat de vraag verkeerd is gelezen en dat men bij een inkomenscriterium dacht aan de eigen bijdrage. In het diepteonderzoek hebben wij een gemeente gesproken die een inkomenscriterium in de nauwe zin van het woord hanteert waardoor ouders met een te hoog inkomen afgewezen worden. Ook hebben we een ouder gesproken waarbij de aanvraag in eerste instantie afgewezen werd vanwege een te hoog inkomen, maar waarbij de aanvraag uiteindelijk toch is toegekend (zie quote hieronder).
16
Regioplan (2014), Kinderopvang en SMI, een scenariostudie.
17
Kindermediair (2016), Rapport onderzoek kinderopvang sociaal medische indicatie.
28
Een andere gemeente gaf juist aan dat ook rijke ouders soms problemen hebben en daarbij ook recht zouden moeten hebben op SMI (net als bij de kinderopvangtoeslag). Wel hebben we ook een ouder gesproken (met een goed inkomen) die zelf de aanvraag heeft ingetrokken omdat het te veel moeite kostte om alle bewijsstukken aan te leveren.
4.4
Verbetering mogelijk door meer zicht te krijgen op financiën
Er is de afgelopen jaren door het Rijk en gemeenten op ingezet om de bekendheid van SMI te vergroten en financieel toegankelijker te maken18. Dit hebben zij gedaan door het delen van best practices tijdens de jaarlijkse gemeentedagen, door een helpdesk in te richten waar gemeenten terecht konden met vragen over SMI, door het organiseren van informatiebijeenkomsten en door een onderzoek te laten uitvoeren naar de bekendheid en financiële toegankelijkheid van SMI. Gezien de trend van toename in aantallen gezinnen die gebruikmaken van SMI lijken deze doelstellingen aardig te zijn behaald. Desalniettemin zorgt de gestage toename van het aantal gezinnen dat (over een langere periode) gebruikmaakt van SMI ook voor een toename in financiële druk onder gemeenten.
Gemeenten waarderen de vrijheid om zelf invulling te geven aan SMI, en inhoudelijk gezien zijn veel gemeenten enthousiast over de mogelijkheid om SMI in te zetten. In de praktijk weten ze altijd wel een potje te vinden dat ze in kunnen zetten voor SMI en kijken ze vooral naar wat nodig is. Toch kregen we uit het diepteonderzoek ook signalen dat door de toename in het aantal gezinnen dat gebruikmaakt van SMI gemeenten zich ook genoodzaakt zien om strenger toe te zien op de indicaties die afgegeven worden, zeker omdat de tekorten in het sociaal domein oplopen.
Gemeenten geven aan dat het hen zou helpen bij het maken van de begroting en de communicatie richting hun gemeenteraad als zij meer zicht zouden hebben op het beschikbare budget voor SMI vanuit het Rijk voor hun gemeente. Het vermoeden bij de meeste gemeenten is dat het beschikbare budget voor SMI ontoereikend is voor de kosten die zij maken voor uitvoering van SMI.
18
Kamerbrief Kinderopvang, vergaderjaar 2016-2017, 31 322, nr. 320.
29
5 SMI effectief voor tijdelijk ontlasten ouders en ondersteunen kind We begonnen het onderzoek met het benoemen van de voornaamste doelen waarvoor gemeenten SMI inzetten. En we eindigen met een reflectie in hoeverre gemeenten, indicatiestellers en ouders SMI effectief achten in het behalen van die doelen.
5.1
Effectief voor het tijdelijk ontlasten van ouders en het ondersteunen bij de ontwikkeling van het kind; minder effectief voor structurele verbetering van de situatie
SMI wordt het meest effectief geacht wanneer het gaat om het ontlasten van ouders (88%) en het ondersteunen van de ontwikkeling van het kind (85%), en het minst wanneer het gaat om het structureel verbeteren van de financiële situatie van het gezin (13%). Het structureel verbeteren van de sociaal medische situatie van het gezin zit hier tussenin (53%) (zie Figuur 21). Deze ‘rangorde’ komt overeen met wat gemeenten zien als belangrijkste doel(en) van SMI.
Figuur 21. Effectiviteit SMI voor het behalen van de gewenste doelen
In een gesprek met ouders noemen ze allemaal dat ze erg blij zijn dat SMI bestaat, zowel voor hun eigen rust als voor de ontwikkeling van hun kind(eren).
In lijn met het beeld uit Figuur 21 blijkt uit de gesprekken met beleidsmedewerkers en indicatiestellers ook dat SMI voornamelijk wordt gezien als effectief voor het tijdelijk ontlasten van ouders en het ondersteunen van de ontwikkeling van het kind en minder effectief als het gaat om een structurele verbetering in de sociaal medische situatie en financiële situatie van het gezin. Die structurele verbetering zien gemeenten ook niet als primair doel van SMI. Voor een duurzame oplossing is meer nodig dan alleen SMI. Wel kan SMI bijdragen aan het herstellen van de balans in het gezin, waarvan een gezin ook op de langere termijn, als SMI al is afgelopen, nog voordelen ondervindt. Dit verschilt per situatie.
30
Waar gemeenten vaak tegenaan lopen is de tijdelijkheid van SMI. Het is de bedoeling dat in de tussentijd gezocht wordt naar een duurzame oplossing en dat de ouder(s) werken aan een verbeterde situatie. Echter, doordat de vervolgstap niet altijd duidelijk is, is het moeilijk om het ‘tijdelijke’ aspect te waarborgen. Ook wordt hier niet altijd strak op gemonitord door gemeenten. Daarnaast is er in een deel van de gezinnen die gebruikmaken van SMI sprake van medische of sociale problemen die chronisch zijn. In de praktijk wordt SMI dan meerdere keren verlengd. Gemeenten zien dit als maatwerk situaties waarbij (indien nodig) de hardheidsclausule kan worden toegepast. Het feit blijft dat er geen passend alternatief voor SMI bestaat. Ook de aanpalende regelingen zoals vve en peuteropvang voldoen niet altijd (volledig) aan wat er op dat moment nodig is in het gezin.
5.2
SMI kan de inzet van ‘zwaardere’ voorzieningen voorkomen
Het merendeel (70%) van de gemeenten denkt dat SMI preventief kan werken ten opzichte van andere voorzieningen en regelingen; 10% deelt deze mening (helemaal) niet (zie Figuur 22).
Figuur 22. Preventieve werking SMI
Gemeenten zijn positief over de preventieve werking van SMI op meerdere manieren. Het kan er namelijk voor zorgen dat de werkende ouder kan blijven werken. Hiermee wordt een vicieuze cirkel voorkomen waarbij de gezonde ouder zijn of haar werk moet opgeven en in de bijstand of WW belandt. Daarnaast kan de inzet van SMI voorkomen dat (zwaardere) jeugdhulp ingezet moet worden in het gezin en draagt het bij aan het zo normaal mogelijk houden van de gezinssituatie.
31
Voor wat betreft de stelling dat SMI een toereikende tegemoetkoming is voor ouders is twee derde van de gemeenten het hier (helemaal) mee eens, slechts 6% is het hier (helemaal) mee oneens, 29% is neutraal (zie Figuur 23).
Figuur 23. SMI als toereikende tegemoetkoming voor ouders
SMI biedt voldoende ruimte voor maatwerk om ouders te kunnen ondersteunen in hun specifieke situatie. Soms is dat maandelijks kijken of SMI nog noodzakelijk is. Vaker is dat meerdere opeenvolgende herindicaties, omdat de gezinssituatie nog niet toestaat dat SMI wordt stopgezet. Ook hier wordt de kanttekening geplaatst door indicatiestellers dat in sommige situaties alleen het inzetten van SMI onvoldoende is om de situatie van een gezin te verbeteren.
5.3
Concluderend
SMI is in de afgelopen jaren meer en meer ingebed binnen het gemeentelijk sociaal domein. De verordening is ruim opgezet en geeft ruimte om dit instrument te gebruiken waar het voor bedoeld is, namelijk het ontlasten van ouders en/of het ondersteunen van de ontwikkeling van het kind. SMI wordt daarbij gezien als een effectieve regeling om in te zetten. Hoewel de beleidsvrijheid een keerzijde kent, namelijk dat er voor gemeenten weinig handvatten zijn om tot goede afwegingen te komen, is het merendeel van de gemeenten tevreden met de beleidsvrijheid die zij hierin krijgen. De groeiende bekendheid van SMI onder beleidsmedewerkers, zorgprofessionals en ouders zorgt voor een toename in de vraag, ook de decentralisatie heeft volgens een aantal gemeenten bijgedragen aan de stijging. De hulp is nu dichterbij de inwoner, lijntjes tussen wijkteams, hulpverleners en gemeenten zijn korter geworden en de verwachting is dat daarmee gezinnen eerder in beeld zijn en geholpen kunnen worden. Tussen 2017 en 2019 is er naar schatting een toename in het aantal toekenningen van SMI geweest van 32%. Daarmee is er een groeiende (gevoelde) behoefde om beleidsregels aan te scherpen of te herzien en meer grip en zicht te krijgen op de financiën.
32
Bij het aanscherpen of herzien van de beleidsregels zien we een verschuiving van de domeinen Sociale Zaken of Werk en Inkomen (bijzondere bijstand) naar andere beleidsafdelingen binnen de gemeente zoals Jeugd, Onderwijs of Wmo. Vooral de verschuiving naar Jeugd komt vaak voor, met als doel om een kind een zo normaal mogelijke opvoedsituatie en ontwikkeling te kunnen bieden (preventieve jeugdhulp). Maar ook bij gemeenten waar SMI onderdeel is van de beleidsregels van de bijzondere bijstand wordt de indicering (en soms ook de toekenning) door zorgprofessionals gedaan uit bijvoorbeeld een wijkteam jeugd of uit een wijkteam 0-100. De beoordeling van een SMI-aanvraag behoeft in veel gevallen zorginhoudelijke kennis. Met de invoering van wijkteams in 2015 is de indicering van SMI bij het merendeel van de gemeenten daar belegd. Zij kennen het gezin en weten wat er nodig is. Daarmee krijgt SMI een steeds ‘socialere’ functie waar het voorheen mogelijk meer een ‘financiële’ functie had, en wordt het in een breder perspectief geplaatst. Het lijkt erop dat SMI beter ingebed raakt in andere beleidsdomeinen.
Wat opvalt is dat er in veel gevallen maatwerk mogelijk is. Ook wanneer gemeenten in hun beleidsregels of verordeningen een richtlijn meegeven in het maximum aantal dagdelen en duur, kan hiervan afgeweken worden indien nodig. In de gevallen dat afgeweken wordt van de richtlijn is dat meestal volgens een vierogenprincipe, waarbij een collega indicatiesteller meekijkt op de casus en in sommige gevallen vindt er ook overleg plaats met de verantwoordelijke beleidsmedewerker. Door deze ruimte voor maatwerk komt het voor dat sommige gezinnen jarenlang gebruikmaken van SMI. Reden hiervoor is dat er voor sommige gezinnen geen passend alternatief is voor SMI. Ook de aanpalende regelingen zoals vve en peuteropvang voldoen niet altijd (volledig) aan wat er op dat moment nodig is in het gezin.
Gemeenten geven aan dat er winst te behalen valt binnen de eigen gemeente in het actiever monitoren of de gezinssituatie is gewijzigd en of de afspraken nagekomen worden die gericht zijn op verbetering van de gezinssituatie. Door actiever te monitoren kunnen ze mogelijk de duur van SMI verkorten. Daarnaast is het van belang om, zeker in multiprobleemgezinnen, aanvullende hulpverlening in te zetten. Wanneer er bij gezinnen waar SMI wordt ingezet, gekeken wordt naar alle leefdomeinen en samengewerkt wordt aan een integraal plan, is de kans op structurele verbetering van de situatie waarschijnlijker. In veel gevallen gebeurt dit al.
Bij de vraag waar gemeenten verbetermogelijkheden zien is een veelgehoord antwoord dat ze hun eigen werkproces willen optimaliseren. Het uitvoeren van SMI van aanvraag tot en met beschikking, inclusief het vinden van een kinderdagverblijf, gaat over veel schakels. Dit proces kan gestroomlijnder. Het borgen van kennis in het werkproces is ook een aandachtspunt. Zo moeten de mensen die de indicering afgeven voldoende kennis hebben van mogelijk aanpalende voorzieningen op SMI en helpt het als er binnen de gemeente een duidelijk aanspreekpunt is. Sommige gemeenten geven aan dat zij (vernieuwde) beleidsregels op willen stellen om het beleid helder en duidelijk vast te leggen. Hierdoor moet er meer duidelijkheid komen voor de burger over de voorwaarden om SMI te kunnen aanvragen. Dit komt overeen met de gehoorde behoefte vanuit ouders in dit onderzoek. Zij geven aan dat zij het belangrijk vinden dat er voldoende informatie beschikbaar is over SMI. Nu is de beschikbare informatie vaak summier en is er alsnog contact met de gemeente nodig om een aanvraag in te dienen. Ouders hebben vooral behoefte aan duidelijkheid over de voorwaarden die de gemeente stelt aan SMI.
Tot slot geven gemeenten aan dat het hen zou helpen bij het maken van de begroting en de communicatie richting hun gemeenteraad als zij meer zicht zouden hebben op het beschikbare budget voor SMI vanuit het Rijk voor hun gemeente. Het vermoeden bij de meeste gemeenten is dat het beschikbare budget voor SMI ontoereikend is voor de kosten die zij maken voor uitvoering van SMI.
33
A. Profielschetsen ouders
34
35