2021-09-23 a. Verordening bekostiging leerlingenvervoer - Ontwerpbesluit
Tekst van het document
Nota bene: Het gaat hierbij uitsluitend om vervoer voor schoolbezoek ten behoeve van onderwijs, niet voor schoolbezoek ten behoeve van een medische behandeling bijvoorbeeld. De Afdeling heeft in de casuïstiek nadere richtlijnen gegeven voor de toepassing van de hardheidsclausule: Hardheidsclausules hebben tot doel onbillijkheden van overwegende aard, die zich ten aanzien van personen bij een strikte toepassing van de bepalingen van de verordening zouden voordoen, weg te nemen. De toepassing ervan is niet aan enige beperking gebonden. Met alle feiten en omstandigheden kan rekening worden gehouden, zoals bijvoorbeeld medische, pedagogische en sociale factoren (ABRvS 12 mei 1989, nr. R03.88.7057/Sp347/26-41). Door middel van toepassing van de hardheidsclausule kan van alle bepalingen van de verordening worden afgeweken, inclusief het heffen van het drempelbedrag (ABRvS 2 april 1990 R03.87.7147/58-43).
Advies van deskundigen In artikel 26 wordt bepaald dat het college zo nodig advies vraagt van deskundigen ter zake (zie artikel 5). Precedentwerking Ter voorkoming van – ongewenste – precedentwerking moet de toepassing van de hardheidsclausule
26 58/86
worden onderbouwd met argumenten die op de specifieke, concrete situatie van de ouders en/of de leerling betrekking hebben. Artikel 27. Overgangsbepaling Ouders die in het schooljaar 2020-2021 een vervoersvergoeding hebben ontvangen voor het vervoer van hun kind naar een school in België behouden deze vergoeding. Alle bepalingen met uitzondering van die in artikel 8 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 28. Intrekking oude regeling In artikel 27 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt.
27 59/86
Modelverordening leerlingenvervoer Schema voorwaarden toekenning leerlingenvervoer
Gaat het om een leerling die een school in de zin van de WPO, WEC of WVO bezoekt?
Geen recht op leerlingenvervoer.
Nee
Ja
Is de leerling gehandicapt in de zin van de verordening leerlingenvervoer *)?
Recht op een vervoersvoorziening. Ja
Geen eigen bijdrage.
Nee
Bezoekt de leerling een school aangesloten bij een samenwerkingsverband primair onderwijs of volgt de leerling primair onderwijs op een instelling voor cluster 1 of cluster 2?
Ja, afstand < 6 km
Geen recht op leerlingenvervoer.
Ja, afstand > 6 km
Recht op een vervoersvoorziening. . Eigen bijdrage voor leerlingen van regulier en speciaal basisonderwijs.
Nee
. Wanneer afstand > 20 km: voor leerlingen van regulier basisonderwijs een bijdrage afhankelijk van draagkracht.
Geen recht op leerlingenvervoer.
*) De leerling kan wegens zijn handicap in het geheel niet, of alleen met begeleiding van het openbaar vervoer gebruik maken.
60/86
Brief aan de leden T.a.v. het college en de raad
Datum
2 december 2020 Kenmerk
TRE/U202000963 Lbr. 20/085 Telefoon
070-373 8393 Bijlage(n)
2
Onderwerp
VNG Model Verordening bekostiging leerlingenvervoer (nieuw)
Samenvatting De gemeenteraad heeft de wettelijke plicht een regeling vast te stellen voor de bekostiging van het leerlingenvervoer. In 2015 heeft de VNG de huidige Model Verordening leerlingenvervoer gepubliceerd. Vanuit de wetgeving was er geen aanleiding om de Model Verordening leerlingenvervoer aan te passen. Er zijn echter sinds 2015 wel veel ontwikkelingen in het sociaal domein en specifiek in het passend onderwijs geweest, waardoor er behoefte bleek aan een herziening van de Model Verordening leerlingenvervoer. Vandaar dat de VNG nu een nieuwe Model Verordening bekostiging leerlingenvervoer heeft opgesteld. De huidige modelverordening uit 2015 wordt gearchiveerd. Om te komen tot een nieuwe modelverordening is niet alleen overleg geweest met de klankbordgroep, maar is er ook een raadpleging gehouden onder alle gemeenten en samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs in Nederland.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl
U202000849
PROD
61/86
Aan de leden
Datum
2 december 2020 Kenmerk
TRE/U202000963 Lbr. 20/085 Telefoonnummer
070-373 8393 Bijlage(n)
2
Onderwerp
VNG Model Verordening bekostiging leerlingenvervoer (nieuw)
Geacht college en gemeenteraad, 1. Aanleiding De gemeenteraad heeft de wettelijke plicht een regeling vast te stellen voor de bekostiging van het leerlingenvervoer. In 2015 heeft de VNG de huidige Model Verordening leerlingenvervoer gepubliceerd. Vanuit de wetgeving was er geen aanleiding om de Model Verordening leerlingenvervoer aan te passen. Er zijn echter sinds 2015 wel veel ontwikkelingen in het sociaal domein en specifiek in het passend onderwijs geweest, waardoor er behoefte bleek aan een herziening van de Model Verordening leerlingenvervoer. Vandaar dat de VNG nu nieuwe Model Verordening bekostiging leerlingenvervoer heeft opgesteld. De huidige modelverordening uit 2015 wordt gearchiveerd. Om te komen tot een nieuwe modelverordening is niet alleen overleg geweest met de klankbordgroep, maar is er ook een raadpleging gehouden onder alle gemeenten en samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs in Nederland. 2. Wettelijke plicht In artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO), artikel 4, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: WVO) en artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC) is de wettelijke plicht van de gemeente met betrekking tot de bekostiging van het vervoerskosten geregeld.
Het gaat hierbij zowel om scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en regulier voortgezet
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl
U202000963
PROD
62/86
onderwijs die zijn aangesloten bij samenwerkingsverbanden primair of voortgezet onderwijs, als om instellingen voor cluster 1 en cluster 21. 3. Ontwikkelingen met consequenties voor het leerlingenvervoer Passend onderwijs Op 1 augustus 2014 werd de Wet passend onderwijs van kracht. Doel van deze wet is dat alle leerlingen, dus ook leerlingen die extra ondersteuning in de klas nodig hebben, een passende onderwijsplek zo dicht mogelijk bij huis krijgen. Sindsdien hebben schoolbesturen een zorgplicht. Dit betekent dat zij vanaf 1 augustus 2014 iedere leerling, die extra ondersteuning nodig heeft, een passende onderwijsplek moeten bieden. Samenwerkende besturen en scholen (samenwerkingsverband) organiseren deze ondersteuning binnen het regulier of speciaal onderwijs. Bij het opstellen van de nieuwe Model Verordening bekostiging leerlingenvervoer zijn de aanbevelingen voor het leerlingenvervoer uit een tweetal rapporten over de werking van het passend onderwijs meegenomen: het rapport ‘Met andere ogen’ van Rene Peeters (2018) en het rapport ‘Als de weg naar passend onderwijs niet passend is’ van de Kinderombudsman (2019). Samenwerkingsverband en het Op Overeenstemming Gericht Overleg De verwijzing van een leerling door het samenwerkingsverband naar de best passende school sluit niet altijd aan bij de vergoeding voor de vervoerskosten, die door gemeenten wordt verstrekt.
In het leerlingenvervoer wordt uitgegaan van een vervoerskostenvergoeding naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Om te voorkomen dat ouders en leerlingen de dupe worden van een mogelijke tegenstrijdigheid tussen de verwijzing van het samenwerkingsverband en de gemeentelijke Verordening bekostiging leerlingenvervoer, is er overleg nodig tussen het samenwerkingsverband en de gemeente. Dit overleg vindt plaats in het kader van het Op Overeenstemming Gericht Overleg (hierna: OOGO). Het OOGO heeft een wettelijke basis in de bepalingen in de WPO, WVO en WEC. Het is de bedoeling dat het leerlingenvervoer een vast agendapunt is in het OOGO met het samenwerkingsverband. Het hogere doel van de Wet passend onderwijs is, dat iedere leerling het voor hem benodigde onderwijs zo dicht mogelijk bij huis kan vinden. In het OOGO worden daartoe afspraken gemaakt over onder andere hoe het onderwijsaanbod zo kan worden georganiseerd dat een leerling een minimale reisafstand hoeft te overbruggen, hoe symbiose-onderwijs in de eigen gemeente kan worden ontwikkeld en hoe de kosten van het leerlingenvervoer kunnen worden beperkt. In het voorjaar van 2020 is er een evaluatie uitgevoerd naar het functioneren van de OOGO’s. De aanbevelingen die uit de evaluatie zijn gekomen zijn eveneens mee genomen bij het opstellen van de nieuwe Model Verordening bekostiging leerlingenvervoer.
Jeugdwet en zorg voor jeugd In de tekst van de Jeugdwet is, spiegelbeeldig aan de betreffende tekst in de onderwijswetten, opgenomen dat gemeenten op thema jeugdhulp en aansluiting en samenwerking met het onderwijs verplicht zijn om het OOGO te voeren met het samenwerkingsverband. Ook bij dit overleg is het vervoer van leerlingen een thema dat ter sprake kan komen.
1 Cluster 1 is voor leerlingen met een visuele beperking. Cluster 2 is voor dove, slechthorende leerlingen en leerlingen met
een taalontwikkelingsstoornis. Cluster 1 en cluster 2 is er in basisonderwijs en voortgezet onderwijs.
3/7
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
63/86
De twee OOGO’s kunnen worden gecombineerd. Dit bevordert de onderlinge afstemming en samenwerking in de driehoek zorg - onderwijs - vervoer. Gemeenten staan voor een grote uitdaging om de kosten voor jeugdhulp beheersbaar te houden. Het is voor gemeenten financieel niet haalbaar en daardoor onuitvoerbaar om bij het vergoeden van de vervoerskosten, zonder afspraken met het samenwerkingsverband, mee te gaan met de verwijzing van de leerling naar de best passende school. Er ligt een gemeenschappelijke verantwoording bij alle deelnemers van het OOGO om bij de verwijzing van leerlingen oog te hebben voor de daarmee samenhangende vervoerskosten en de beheersing daarvan. 4. Aanpassingen in hoofdlijnen De Verordening bekostiging leerlingenvervoer geeft uitvoering aan de taakstelling van de gemeentebesturen. Naast voorschriften voor de wijze waarop ouders de aanvraag om een vervoerskostenvergoeding kunnen indienen, bevat deze verordening criteria aan de hand waarvan ouders aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij de ouders blijft.
Ondanks het feit dat er veel veranderingen zijn ten opzichte van de Model Verordening leerlingenvervoer uit 2015, is de basisgedachte gebleven dat de Model Verordening bekostiging leerlingenvervoer een modelregeling is, die de bedoeling heeft ouders en verzorgers financieel te ondersteunen in de kosten die zij moeten maken wanneer hun kind gebruik moet maken van een vorm van leerlingenvervoer. De nieuwe citeertitel van de modelverordening is ‘Model Verordening bekostiging leerlingenvervoer’. Dit past bij de basisgedachte, dat het bij het leerlingenvervoer in beginsel om een bekostiging gaat. De huidige citeertitel ‘Model Verordening leerlingenvervoer’ zou ten onrechte kunnen doen vermoeden, dat de modelverordening het vervoer van leerlingen regelt. De Model Verordening bekostiging leerlingenvervoer heeft een nieuwe opzet. Daarmee wordt duidelijker dat eerst het recht op een vergoeding moet worden vastgesteld (beoordelingsfase), waarna onderzocht wordt welke vergoeding wordt verstrekt (onderzoeksfase). Verder zijn de volgende bepalingen nieuw in de Model Verordening bekostiging leerlingenvervoer: • Artikel 2.
Doelstelling: Het doel van het leerlingenvervoer is om een financiële ondersteuning te verstrekken ten behoeve van passend vervoer van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school aan de ouders van kinderen wie of van wie de school verder dan de, door de gemeente bepaalde, afstandsgrens gelegen is, of voor wie het medisch niet mogelijk is om de school zelfstandig te bereiken. • Artikel 4. Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de aanvraag: Gemeenten stimuleren op alle mogelijke wijzen de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling. Een vervoersontwikkelingsplan helpt om samen met de ouders en de leerling naar de toekomst te kijken (zie hieronder). • Artikel 5. OOGO met het samenwerkingsverband: Door aan het OOGO expliciet aandacht te besteden in de verordening wordt bevorderd dat het samenwerkingsverband en de gemeente elkaar meer spreken en afspraken maken over het leerlingenvervoer. • Artikel 7. Herziening, opschorting, intrekking of terugvordering van de vervoersvoorziening: Als gevolg van bijvoorbeeld wijzigingen of ernstig wangedrag door de leerling kan een besluit als bedoeld in de verordening worden herzien, opgeschort of ingetrokken.
4/7
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
64/86
•
• •
• •
• •
Artikel 8. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school: De uitspraak van 21 oktober 2020 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ((hierna: Afdeling) ECLI:NL:RVS:2020:2467) over de eerbiediging van de op godsdienst of levensbeschouwing berustende schoolkeuze (de schriftelijke verklaring van overwegende bezwaren) heeft geleid tot een nieuw tweede lid (zie hieronder). Artikel 9. Afstandsgrens: De verschillende afstandsgrenzen zijn samengebracht in één artikel. Gemeenten mogen per schoolsoort een andere afstandsgrens hanteren. Artikel 10. Aanwijzing opstapplaats: Het college kan een opstapplaats aanwijzen. In dit artikel wordt beschreven hoe wordt omgegaan met een opstapplaats en wanneer deze wordt gebruikt. Artikel 13. Schooltijden en wachttijden: De gemeente kan leerlingen die op dezelfde school verschillende tijden hebben tegemoet komen. Artikel 14. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente: Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits is voldaan aan een aantal voorwaarden. Artikel 15. Vervoersvoorziening naar stageadres: In dit artikel wordt beschreven hoe wordt omgegaan met een aanvraag om een vervoersvoorziening naar het stageadres. Artikel 21.
Bekostiging andere passende vervoersvoorziening: De gemeente wordt meer mogelijkheid geboden om bij de verstrekking van vervoersvergoeding individueel maatwerk te leveren.
5. Te maken keuzes De Model Verordening bekostiging leerlingenvervoer kent diverse artikelen die facultatieve of nader door de gemeente in te vullen onderdelen of keuzemogelijkheden bevatten. De te maken keuzes worden hieronder toegelicht. Daarnaast is de toelichting bij de Model Verordening bekostiging leerlingenvervoer grotendeels zo opgesteld dat gemeenten deze kunnen overnemen als ze ook de bepaling waar de toelichting bij hoort (ongewijzigd) overnemen. Hieronder wordt in aanvulling daarop ingegaan op de keuzemogelijkheden die gemeenten hebben. Afhankelijk van de gemaakte keuzes zullen dus bepaalde onderdelen van de toelichting wel of juist niet geschikt zijn voor overname. Uiteraard kan onafhankelijk van de keuzes die specifiek worden aangegeven in de modelverordening ook op andere punten worden gekozen voor lokaal maatwerk en kunnen bepalingen worden aangepast of toegevoegd. Artikel 4. Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de aanvraag Dit naar keuze op te nemen artikel gaat over het bevorderen van de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling. Het zelf laten reizen van de leerling al dan niet met ondersteuning van de ouder(s) is altijd al het uitgangspunt geweest van de Model Verordening leerlingenvervoer. De laatste jaren echter krijgt dit meer aandacht dan ooit. Om die reden is daar nu ook een facultatieve bepaling over opgenomen.
Een belangrijk element daarin is het gesprek met ouders over wat de leerling in het vervoer kan of kan leren en welke hulp de gemeente hierin kan bieden. Artikel 5. OOGO met het samenwerkingsverband Tweede lid, onder b, en derde lid, onder c: De facultatieve onderdelen worden opgenomen, indien de bepaling omtrent de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling (artikel 4) is geregeld in de verordening.
5/7
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
65/86
Tweede lid, onder g: Het college spant zich in om in het OOGO met het samenwerkingsverband afspraken te maken over de in de verordening geregelde onderwerpen. Het tweede lid kan nader worden ingevuld. Derde lid, onder d: Het college organiseert periodiek een uitvoerend overleg met het samenwerkingsverband. In dit overleg worden de in de verordening geregelde onderwerpen besproken. Het derde lid kan nader worden ingevuld. Artikel 8. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school Tweede lid: Voordat de Afdeling op 21 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2467) de bewuste uitspraak deed, luidde artikel 3, tweede lid, van de Model Verordening leerlingenvervoer: “2. Indien ouders een vervoersvoorziening aanvragen voor het bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is gelegen dan een andere school van dezelfde onderwijssoort, ontstaat slechts aanspraak op een vervoersvoorziening naar eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen.”.
Gemeenten gebruikten dit lid om ouders en meerderjarige en handelingsbekwame leerlingen hun keuze voor een toegankelijke school, dat wil zeggen de school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school expliciet te laten motiveren. De bedoeling daarvan was om daarmee een oneigenlijk beroep op leerlingenvervoer tegen te gaan. Met een oneigenlijk beroep wordt hier bedoeld dat de ouders om andere redenen dan godsdienstige of levensbeschouwelijke redenen voor een bepaalde school kiezen. In dat laatste geval ontstaat geen recht op bekostiging van leerlingenvervoer. In haar uitspraak van 21 oktober 2020 heeft de Afdeling geoordeeld dat het college de op godsdienst of levensbeschouwing berustende keuze van ouders voor een school moet eerbiedigen en niet mag afdwingen, dat ouders zich tegen dichterbij gelegen richtingen uitspreken. De tekst van artikel 3, tweede lid, van de Model Verordening leerlingenvervoer is in strijd met de eerbiediging van die keuze en dus in strijd met artikel 4, derde lid, van de WVO. In de Model Verordening bekostiging leerlingenvervoer is artikel 3 vernummerd tot artikel 8. Als gevolg van de uitspraak is een nieuw artikel 8, tweede lid, (facultatief) geformuleerd. Artikel 8, eerste lid, omschrijft voldoende op welke grond recht op (een bepaalde omvang van de) bekostiging van leerlingenvervoer ontstaat.
Gemeenten geven echter aan dat zij in de uitvoeringspraktijk behoefte hebben aan een bepaling in de verordening op basis waarvan zij een oneigenlijk beroep op leerlingenvervoer kunnen herkennen. Om deze reden is het nieuwe tweede lid (facultatief) opgenomen dat komt te luiden: “[2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, ontstaat niet eerder een aanspraak op een vervoersvoorziening dan dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling de keuze voor de toegankelijke school schriftelijk hebben gemeld.]”. Er is gekozen voor het woord “gemeld” en niet voor “gemotiveerd” om zoveel mogelijk in lijn te blijven met de uitspraak van de Afdeling. Het begrip “melding” ziet meer op administratieve verwerking van bepaalde voor het nemen van een besluit noodzakelijke gegevens. Het facultatieve tweede lid is nieuw en zal dus in de (rechts)praktijk moeten worden beproefd. Bij de toepassing
6/7
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
66/86
ervan is in ieder geval het uitgangspunt dat de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders berustende keuze van de school wordt geëerbiedigd. Artikel 10. Aanwijzing opstapplaats Vierde lid: Er kan worden geregeld dat het college tijdelijk geen opstapplaats aanwijst indien het gebruik van een opstapplaats leidt tot hogere kosten dan aangepast vervoer vanaf de woning van de leerling. Artikel 17. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets Derde lid: Hier dient een keuze gemaakt te worden. De kilometervergoeding voor de fiets is gelijk aan de laatst bekende fietskilometervergoeding genoemd in de Reisregeling Binnenland gemeten langs de kortste afstand of wordt door de gemeente bepaald. Dit geldt ook voor de artikelen 18, tweede lid (Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider), en 20, tweede lid, onder a (Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer). 6. Bijlagen Deze ledenbrief bevat 2 bijlagen: Bijlage 1 - Model Verordening bekostiging leerlingenvervoer (nieuw model, december 2020) met artikelsgewijze toelichting: Deze kan desgewenst gebruikt worden voor de raadsvoordracht voor de wijziging van de verordening. Bijlage 2 - Tekst van de Model Verordening bekostiging leerlingenvervoer (nieuw model, december 2020): Opgemaakt in Word 2.0 format (DROP) voor publicatie, zonder toelichting. 7.
Informatie De geconsolideerde teksten van de VNG modellen (met de bijbehorende toelichtingen) zijn te raadplegen via Kennisbank Decentrale Regelgeving. De VNG modelverordeningen (zonder de toelichtingen) en model raadsbesluiten staan ook in Modellen Decentrale Regelgeving. Voor vragen over deze ledenbrief kunt u terecht bij het Informatiecentrum van de VNG (070-373 8393 of e-mail: info@vng.nl). Met vriendelijke groet, Vereniging van Nederlandse Gemeenten
mr L.K. Geluk Algemeen directeur
Deze ledenbrief staat ook op www.vng.nl onder ‘Producten’ - ‘Brieven’.
7/7
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
67/86
_____________________________________________________________________________________ Secretariaat: XXXXXX XXXXXX XXXXXX Terneuzen 7 juli 2021
Advies aangaande: - Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Terneuzen 2022 - Beleidsregels Bekostiging leerlingenvervoer gemeente Terneuzen 2022 - Beleidsregels jeugdhulpvervoer gemeente Terneuzen 2021 Inleiding; Sinds 2015 zijn er veel ontwikkelingen in het sociaal domein en specifiek in het passend onderwijs. Met de Verordening leerlingenvervoer 2022 wordt voorzien in de behoefte aan een herziening die past bij de actuele stand van zaken. De verordening voldoet aan de ontwikkeling van de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de kinderen/jongeren, woonachtig in de gemeente Terneuzen, die recht doen gelden op deze voorziening. Het beleid is voldoende onderbouwd volgens de huidige wetgeving en jurisprudentie. De Adviesraad heeft de verordening bekostiging leerlingenvervoer en de beleidsregels leerlingen- en jeugdhulpvervoer in zijn vergadering van 6 juli jl. besproken en komt tot adviezen, waarbij rekening wordt gehouden met efficiency, maar bovenal met de zorg van de meest kwetsbaren in onze samenleving. Advies: Artikel 1. Definities Afstand De kortste route die vastgesteld wordt hoeft niet volledig toegankelijk te zijn voor gemotoriseerd verkeer. De Adviesraad adviseert om bij de vaststelling van de kortste route alleen rekening te houden met volledige toegankelijkheid voor gemotoriseerd verkeer.
In de wintermaanden kunnen we van kinderen/jongeren en eventuele begeleiders niet eisen dat de route naar school wordt afgelegd per fiets.
Pagina 1 van 5 68/86
_____________________________________________________________________________________ Begeleider Werk van ouders of anderszins ontslaat ouders niet van de verantwoordelijkheid voor de begeleiding van hun kind naar school. Ouders kunnen door deze eis hun baan verliezen wat tot ernstige inkomensderving leidt. Voor eenoudergezinnen kan dit het vervallen in een bijstandsuitkering betekenen. Niet iedereen beschikt over een afdoende sociaal netwerk om mensen te vinden die deze taak dagelijks op zich willen en kunnen nemen. De Adviesraad adviseert hiermee ernstig rekening te houden bij de beoordeling van de mogelijkheden van ouders om hun kind te begeleiden in het openbaar vervoer of per fiets. Daarnaast is een grens van zes uur voor de beoordeling van de tijdsinvestering, nodig om kinderen te begeleiden naar het basisonderwijs onaanvaardbaar. Dit is bijna een dagtaak. Het is reëler om hierbij de grens te hanteren van drie uur zoals dat ook wordt gedaan bij de beoordeling van de tijdsinvestering voor de begeleiding bij het vervoer naar het speciaal (basis)onderwijs. Leerling In het derde lid van artikel 39 van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken.
Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De kinderen hebben wel recht op deze vijf gewenningsdagen en de Adviesraad adviseert dat ouders wanneer ze gebruik willen maken van deze gewenningsperiode aanspraak moeten kunnen maken op een vervoersvoorziening. Artikel 3.
Aanvraagprocedure Lid 4 en lid 5 Een besluit van het College van B&W binnen 8 weken en een mogelijke verdaging van 4 weken vindt de Adviesraad te lang. Dit leidt tot onnodig thuiszitten van de leerling. De Adviesraad adviseert dat er voorafgaand aan het definitieve besluit een tijdelijke vervoersvoorziening beschikbaar wordt gesteld. Artikel 6. Algemene voorwaarden voor toekenning van de vervoersvoorziening Lid 2 Nalatigheid van de ouders in de begeleiding en de betaling van het drempelbedrag eigen bijdrage mag nooit ten koste gaan van het kind/de jongere en zijn/haar kansen op een toekomstige onafhankelijke plek in de samenleving. De Adviesraad adviseert ook om de bekostiging van het vervoer direct te voldoen aan degenen die het vervoer verzorgen of de bekostiging in natura beschikbaar te stellen. Hiermee kan worden voorkomen dat de middelen voor andere zaken worden aangewend.
Pagina 2 van 5 69/86
_____________________________________________________________________________________
Artikel 7. Herziening, opschorting, intrekking of terugvordering van de vervoersvoorziening Lid 4d en 5 Gedrag van kinderen/jongeren die aangewezen zijn op speciaal onderwijs is vaak gerelateerd aan een beperking. De Adviesraad adviseert te onderzoeken of het vervoer van deze leerlingen gebaat is bij professionele begeleiding die verzorgd wordt vanuit de speciale school. Artikel 8. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school Lid 1 en 4 Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat de school vol is, wordt een vervoersvoorziening toegekend naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De Adviesraad adviseert dat de leerling eenmaal gestart op deze speciale school zijn/haar schoolloopbaan daar afmaakt en dat ook de vervoersvoorziening blijft bestaan. Wijzigingen zijn eventueel mogelijk bij de overgang van primair naar secundair onderwijs De provincie Zeeland heeft voldoende ondersteuningsvoorzieningen binnen haar grenzen om alle kinderen/jongeren een passende plaats te bieden in het onderwijs. Er is speciaal onderwijs cluster 2, 3 en 4 en bovendien is Mytyl/Tyltyl school De Sprienke bij uitstek geschikt voor de opvang van kinderen/jongeren met meervoudige ernstige beperkingen, die sinds de ratificatie van het VN-verdrag (2016) samen met hun ouders opkomen voor hun recht op onderwijs.
De expertise van het speciaal onderwijs cluster 1 en het onderwijs gespecialiseerd in epilepsie wordt veelal ingezet via ambulante begeleiding in het reguliere onderwijs. Daarnaast zijn er voldoende scholen voor speciaal basisonderwijs thuisnabij. De verantwoording voor onze kwetsbare kinderen/jongeren hoort niet verplaatst te worden naar het Vlaamse speciaal onderwijs, dat sinds de invoering van het M-decreet (2015) de regels voor toelating aanzienlijk heeft verscherpt. Bovendien mag het Vlaamse speciaal onderwijs haar bestaansrecht niet ontlenen aan kinderen/jongeren die woonachtig zijn in Nederland. De Adviesraad adviseert voorzieningen beschikbaar te stellen voor het vervoer naar Nederlands speciaal onderwijs. Artikel 10. Aanwijzing opstapplaats
Voor de aanwijzing van een opstapplaats is er sprake van een loopafstand van 30 minuten vanaf de verblijfplaats. Vervoer van de leerling per auto/fiets naar de opstapplaats wordt dan mogelijk ingewikkeld. De Adviesraad adviseert om hierbij allen het gestelde in Artikel 6 (Stimuleren van zelfstandig reizen) van de beleidsregels leerlingenvervoer Terneuzen aan te houden: ‘als de leerling niet met het openbaar vervoer reist, wordt voor het aangepast vervoer gebruik gemaakt van een opstapplaats gesitueerd op maximaal 1.200 meter van de woning’.
Pagina 3 van 5 70/86
_____________________________________________________________________________________
Artikel 15. Vervoersvoorziening naar stageadres Lid 3b Een stage die overeenkomt met de reguliere schooltijden lijkt niet altijd waarschijnlijk. De Adviesraad adviseert om hier de leerling de ruimte te geven om ook de gehanteerde werktijden op het bedrijf te kunnen ervaren. Artikel 20. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer Lid 2c, lid 3 en lid 4 Vervoer van het kind/de jongere door de ouders zelf heeft in het kader van kostenbeheersing de voorkeur. Daarbij zou het vervoer van meerdere kinderen/jongeren gestimuleerd moeten worden. De vergoeding van twee keer het belastingvrije kilometerbedrag is niet echt uitnodigend voor ouders om de verantwoording te nemen voor het vervoer van meerdere kinderen/jongeren. De Adviesraad adviseert hier ook een vergoeding voor de tijdsinvestering aan te koppelen. Artikel 22. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie De Adviesraad adviseert dat wanneer een kind/jongere om medische of sociale redenen tijdelijk in een internaat of pleeggezin verblijft de toekenning van een vervoersvoorziening voor weekenden en schoolvakanties niet mag afhangen van het type onderwijs dat wordt gevolgd.
Artikel 23. Eigen bijdrage in de vorm van een drempelbedrag Lid 1, 2 en 3 De Adviesraad vindt het in rekening brengen van een eigen bijdrage van de ouders in de vorm van een drempelbedrag gerechtvaardigd. Echter de vaststelling van de ondergrens van het gezamenlijk gezinsinkomen van € 27.450 is te laag. De Adviesraad adviseert deze ondergrens gelijk te stellen aan de ondergrens van € 36.000 die gehanteerd wordt voor de draagkracht afhankelijke bijdrage. De Adviesraad adviseert om het drempelbedrag niet in rekening te brengen bij pleegouders, eerder zou de overkoepelende organisatie voor de pleegzorg aansprakelijk moeten zijn voor de betaling van deze bijdrage.
Pagina 4 van 5 71/86
_____________________________________________________________________________________
Overig In de verordening wordt het speciaal basisonderwijs qua regelgeving vaak gelijk gesteld aan het regulier basisonderwijs. De Adviesraad wil in deze het College van B&W erop wijzen dat het speciaal basisonderwijs in een dunbevolkte regio als Zeeuws-Vlaanderen een sterk verhoogd ondersteuningsprofiel heeft. Dit geldt zeker voor SBO De Springplank in Terneuzen. De school ressorteert onder een SO bestuur Respont met alle expertise voor SO Cluster 4. De Adviesraad adviseert dan ook om de regels in de verordening voor het vervoer naar Speciaal Basisonderwijs gelijk te stellen aan de regels voor het Speciaal onderwijs. Deze adviezen zijn overeenkomstig van toepassing op de Beleidsregels jeugdhulpvervoer van de gemeente Terneuzen 2021.
Namens de Adviesraad Wmo Terneuzen Dr. Annemie van Roij, voorzitter Juanita Boekhout, secretaris
Pagina 5 van 5 72/86
Postadres: Postbus 35, 4530 AA Terneuzen Bezoekadres: Stadhuisplein 1, 4531 GZ Terneuzen Telefoon: 14 0115 Vanuit buitenland: +31 115 455 000 E-mail : gemeente@terneuzen.nl Internet: www.terneuzen.nl Bij beantwoording a.u.b. onderwerp, datum en zaaknummer van deze brief vermelden.
: 10 juli 2021 uw brief van : uw kenmerk zaaknummer : 346382 contactpersoon : S.J.M. Goossen telefoon : 14 0115 e-mail : s.goossen@terneuzen.nl verzonden : 2 September 2021
Adviesraad WMO gemeente Terneuzen t.a.v. de voorzitter mevrouw A. van Roij
Terneuzen, 31 augustus 2021 Onderwerp: Advies inzake leerlingenvervoer en jeugdhulpvervoer.
Beste mevrouw van Roij, Wij willen uw adviesraad hartelijk danken voor de uitgebreide reactie op de concepten van de Verordening Bekostiging Leerlingenvervoer Terneuzen 2022, de beleidsregels bekostiging Leerlingenvervoer 2022 en de beleidsregels bekostiging jeugdhulpvervoer 2021. Met deze deze brief laten wij u weten, hoe wij met uw reactie zijn omgegaan. In algemene zin willen wij opmerken, dat wij ervoor waken om van specifieke situaties een algemene regel te maken. De verordening geeft voldoende mogelijkheden om rekening te houden met bijzondere omstandigheden. Definities U adviseert om de kortste route te berekenen op basis van de auto. Dit doen wij voor het vaststellen van het recht op leerlingenvervoer. Voor het vaststellen van de hoogte van de vergoeding kijken wij naar de kortste veilige route van het gebruikte vervoersmiddel. U geeft aan, dat het niet mogelijk is om in de winter van ouders en kinderen te eisen dat zij de route afleggen per fiets. Wij vinden dit geen algemeen geldende uitspraak. Ouders zijn in de basis verantwoordelijk voor het schoolbezoek van hun kinderen. In de toelichting op de definities staat, dat werk ouders niet ontslaat van de verantwoordelijkheid om kinderen te begeleiden in het vervoer. U adviseert om rekening te houden met werk en met de maximale reistijd voor begeleiders terug te brengen.
Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, houden wij rekening met de schoolsoort (regulier of speciaal onderwijs), zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin. De redelijkerwijs te verwachten inzet van de ouder/begeleider, met een menselijke maat, maakt onderdeel uit van dit onderzoek. U adviseert om wendagen op school voorafgaand aan het starten met het schoolbezoek ook te bekostigen. Wij nemen dit advies niet over om organisatorische redenen. De schoolinschrijving is leidend voor het vaststellen van het recht op leerlingenvervoer. Wij krijgen deze vraag ook niet in de praktijk.
1 73/86
Aanvraagprocedure Wij hanteren in de verordening de wettelijke termijnen voor het behandelen van aanvragen. Deze staan in de Algemene Wet Bestuursrecht. Wij begrijpen uw wens om urgente situaties snel te beoordelen. Wij zorgen in situaties waarin thuiszitten dreigt voor een snelle beoordeling van het verzoek om leerlingenvervoer, meestal al binnen enkele dagen. Van de 219 aanvragen die in 2020 voor leerlingen binnen onze gemeente werden ingediend, handelden wij 54% binnen 3 weken af, 26% binnen 6 weken en alle aanvragen binnen 8 weken. Bij aanvragen die niet binnen 3 weken werden afgehandeld, ging het in géén van de gevallen om een urgente situatie (zoals een tussentijdse en plotselinge herplaatsing van de ene naar de andere school). Het gaat dan vooral om de reguliere aanvragen die ouders jaarlijks voorafgaand aan de schoolvakantie veelal tegelijkertijd indienen voor het volgende schooljaar. Zij ontvangen tijdig een beslissing. Algemene voorwaarden U adviseert om de bekostiging van het vervoer direct te voldoen aan degenen die het vervoer verzorgen of de bekostiging in natura beschikbaar te stellen, om te voorkomen dat het geld ergens anders aan wordt besteed. Wij gaan in de basis uit van de eigen verantwoordelijkheid en kracht van ouders en nemen dit niet zonder meer over.
De kosten van aangepast vervoer (taxivervoer) betalen wij aan het samenwerkingsverband Collectief Vervoer, die het vervoer daarmee organiseert. Professionele begeleiding vanuit het onderwijs U doet de suggestie om de school voor speciaal onderwijs begeleiding in het vervoer te laten bieden. Dit gebeurt soms al op projectmatige basis. Wij oriënteren ons in het schooljaar 2021 – 2022 op basis van een analyse van ons bestand op de mogelijkheden om zelfredzaamheid en zelfstandigheid verder te bevorderen. Ook het leren reizen met begeleiding is één van de gesprekspunten. Dit traject doen wij in samenwerking met het onderwijs. Wij nemen uw suggestie mee. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school Het uitgangspunt voor de bekostiging van het leerlingenvervoer is de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Wij nemen uw advies, om ‘eens gestart op een bepaalde school, altijd een vervoersvoorziening naar de betreffende school’ als algemeen geldende regel niet over. Wij maken wel altijd een zorgvuldige afweging. Dit deden wij bijvoorbeeld ook, toen in onze regio in 2019 werd gestart met een SBO+ voorziening op de Springplank. Hierdoor kon een aantal kinderen in de eigen regio onderwijs gaan volgen.
Voor sommige kinderen die al naar Goes of Middelburg gingen, bleek het naar oordeel van de school en het samenwerkingsverband niet mogelijk om deze overstap (nog) terug te maken. Voor hen bleef dan ook de oorspronkelijke onderwijsvoorziening als de dichtstbijzijnde toegankelijke school gelden. Uw stelling, dat de gemeente nooit een Vlaamse school mag aanwijzen als dichtstbijzijnde toegankelijke school als voorliggende voorziening in het leerlingenvervoer ten opzichte van het Nederlandse onderwijs is volledig terecht. Ouders en leerlingen kunnen er echter zelf voor kiezen om gebruik te maken van het Vlaamse onderwijs en in de verordening willen we vastleggen, hoe we in die gevallen met een vraag om bekostiging omgaan. Wij hebben de formulering van artikel 8 lid 4 in de verordening op basis van uw advies als volgt aangescherpt: In afwijking van… …. in Vlaanderen, en de leerling/ouders zelf de keuze maken om gebruik te maken van het Belgische onderwijs.
2 74/86
Aanwijzing opstapplaats Wij werken momenteel niet met opstapplaatsen voor aangepast vervoer, maar volgen uw redenatie dat ‘een loopafstand van 30 minuten’ moeilijk meetbaar is en daardoor ingewikkeld. Wij nemen in de toelichting bij de verordening op, dat wij uitgaan van een maximale loopafstand van 1200 meter naar de opstapplaats (artikel 10). Vervoersvoorziening naar stageadres Het uitgangspunt voor vervoer is, dat de stagetijd overeenkomt met de schooltijden. De verordening biedt in artikel 15 lid 3 sub e de mogelijkheid om hiervan af te wijken. Dit gebeurt op individuele basis, in afstemming met de school en afhankelijk van de noodzaak. Wij nemen uw advies om de uitgangspunten voor stagevervoer op voorhand te versoepelen niet over. Stageritten buiten de reguliere schooltijden en buiten de reguliere routes zijn voor de gemeente heel kostbaar en we onderzoeken dan ook zeker eerst de noodzaak en mogelijke alternatieve oplossingen. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer Wij nemen uw advies om ouders een vergoeding te verstrekken voor de tijdsinvestering die het vervoeren van eigen hun kind hen kost niet over. We vinden dit niet passen in de geest van de verordening. We beoordelen de redelijkerwijs te verwachten inzet van ouders. Wij verstrekken ouders ook geen vergoeding voor de tijdsinvestering voor begeleiding per fiets of in het openbaar vervoer.
Vervoersvoorziening in het weekeinde Wij verstrekken alleen een vervoersvoorziening in het kader van het leerlingenvervoer in het weekeinde en de vakantie als het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Dat is vastgelegd in de Wet op de Expertisecentra. Deze relatie zal er nooit zijn bij het volgen van onderwijs op een ‘reguliere’ school voor basisonderwijs. Wij breiden dit artikel dan ook niet uit. U refereert naar de situatie waarin een kind tijdelijk in een internaat of bij pleegouders verblijft om medische of sociale redenen. In deze gevallen bekijken we de noodzaak van een vergoeding voor het weekend- of vakantievervoer vanuit de jeugdwet (jeugdhulpvervoer). Niet vanuit het leerlingenvervoer. Eigen bijdrage en drempelbedrag Bij het vaststellen van het drempelbedrag en de berekening van de eigen bijdrage volgen we de landelijke richtlijnen. Alle gemeenten in Nederland volgen de VNG. Wij zien geen aanleiding om hiervan af te wijken. U adviseert om geen eigen bijdrage in rekening te brengen bij pleegouders. Wij sluiten aan bij de landelijke richtlijnen en jurisprudentie. Wij stellen pleegouders in principe gelijk aan ouders. In specifieke situaties, waarin een onredelijke situatie ontstaat, kunnen we gebruik maken van de hardheidsclausule om af te wijken.
SBO De Springplank U geeft terecht aan, dat op de regionale onderwijsvoorziening SBO De Springplank niet alleen kinderen zitten die speciaal basisonderwijs krijgen, maar ook een aantal kinderen die feitelijk een speciaal onderwijs arrangement krijgen (SBO+). U adviseert daarom, om álle leerlingen van de school voor het leerlingenvervoer te behandelen, alsof zij gebruik maken van het speciaal onderwijs. Wij volgen deze redenatie niet. Wij kunnen u hopelijk wel gerust stellen. De vervoersaanvragen van kinderen die speciaal onderwijs (SBO+) volgen binnen SBO De Springplank beoordelen wij met inachtneming van de bepalingen in de verordening die gelden voor speciaal onderwijs. Wij baseren ons hierbij op de toelaatbaarheidsverklaring van het samenwerkingsverband passend onderwijs. 3 75/86
Wij hopen, dat wij u met deze brief goed hebben kunnen informeren over onze overwegingen en danken u nogmaals voor uw tijd, uw inhoudelijke bijdrage en betrokkenheid. Wij bieden de verordening, samen met uw advies en onze reactie daarop, gelijktijdig aan aan onze gemeenteraad. Nadat de gemeenteraad op 7 oktober een besluit heeft genomen over de verordening, stellen wij beleidsregels vast voor de uitvoering van de verordening. Dit besluit is genomen door Burgemeester en Wethouders van Terneuzen, Met vriendelijke groet, hoofd afdeling Samenleving
drs. E. Valk-deVoogd
4 76/86
Notulen overleg leerlingenvervoer Zeeuws-Vlaanderen d.d. 18 juni 2021 Raadpleging van samenwerkingsverbanden Primair en Voortgezet Onderwijs Zeeuws-Vlaanderen op de concept-verordening en beleidsregels leerlingenvervoer. Aanleiding overleg Wij raadplegen de samenwerkingsverbanden op de concept-Verordening leerlingenvervoer en de concept-beleidsregels leerlingenvervoer, waarop we het samenwerkingsverband PO en VO graag willen raadplegen, voordat we de Verordening voorleggen aan de raad en aansluitend de beleidsregels vaststellen. Onze intentie is om Verordening en beleidsregels per 1 januari 2022 in te laten gaan. Bij het opstellen van de Verordening volgen we grotendeels de modelverordening die de VNG opstelde. Daarom hierbij ook de brief die de VNG opstelde als toelichting op de nieuwe concept-Verordening Leerlingenvervoer. De Verordening en beleidsregels kennen twee aanleidingen: -
Enerzijds de vraag vanuit de 3 gemeenteraden of er mogelijkheden bestaan om de kosten terug te brengen. Anderzijds een inhoudelijke: zie hiervoor de brief van de VNG en ook de door ons uitgesproken wens om de afstemming tussen gemeentelijk beleid en passend onderwijs verder te ontwikkelen.
Voorafgaand aan het overleg stuurde de werkgroep leerlingenvervoer een memo, waarin het overzicht staat van de bevindingen van de werkgroep en de voorgestelde wijzigingen t.o.v. het huidige beleid. Het overleg heeft twee doelen: 1. We willen het samenwerkingsverband graag raadplegen op het voorgestelde beleid. 2. We willen graag met elkaar afspreken op welke wijze we de komende periode samen invulling kunnen gaan geven aan wat is opgenomen in de verordening (het gaat dan vooral om artikel 5). 1. Opening, kennismaking We stellen de agenda ongewijzigd vast. 2. Aanleiding nieuw beleid + opbrengst onderzoek gemeenten De vertegenwoordiging vanuit het samenwerkingsverband vraagt de gemeenten om aan het samenwerkingsverband achterliggende informatie te verschaffen met betrekking tot - ontwikkeling van het aantallen leerlingen dat gebruik maakt van het leerlingenvervoer - ontwikkeling van de kosten in de regio De gemeenten zeggen toe dit aan te zullen leveren namens de werkgroep. De vertegenwoordiging vanuit het samenwerkingsverband vraagt of er een taakstelling geldt met een besparingsdoelstelling. De gemeenten geven aan dat de werkgroep deze opdracht niet heeft. Gemeenten hebben een wettelijke opdracht en moeten die uitvoeren. Het samenwerkingsverband Collectief Vervoer stelt een begroting op voor de kosten van het taxivervoer op basis van de kosten van het voorafgaande jaar.
Het taxivervoer is verreweg de grootste kostenpost. We betalen de vervoerder per beladen kilometer. Dit betekent dat wanneer één kind zelfstandig gaat reizen, dit soms niets oplevert, maar dat dit ook kan 1 77/86
betekenen dat hierdoor net één taxi minder nodig is. Het kan ook betekenen, dat wanneer één kind dat naar Rotterdam naar school moet gaan en daarvoor een vervoersvoorziening toegekend krijgt, de financiële ‘opbrengst’ van 10 kinderen die zelfstandig hebben leren reizen in één keer te niet kan doen. We monitoren echter wel de ontwikkelingen. De aanleiding voor dit traject is een wens van de raden om te kijken of er besparingen mogelijk zijn. Parallel daaraan kwam de nieuwe modelverordening vanuit de VNG beschikbaar. De oorsprong van deze vraag ligt bij de stijging van kosten als gevolg van een nieuwe aanbesteding van het taxivervoer. Het contract ligt voor een aantal jaar vast. Uit het onderzoek dat de gemeenten deden blijkt, dat de toets die gemeenten doen op de aanvragen kwalitatief goed is. De enige echte beïnvloedingsmogelijkheid ligt mogelijk in het terugbrengen van de bovenwettelijke vervoersbewegingen naar Vlaanderen en daarnaast is het vooral van belang om te focussen op de inhoud. De nieuwe verordening biedt hiervoor een goed kader.
De vertegenwoordiging vanuit het samenwerkingsverband geeft aan, het eens te zijn met de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid, dat: ieder kind naar school gaat; zelfredzaamheid en eigen kracht belangrijke grondbeginselen zijn: ◦ Wie zelfstandig kan reizen, reist zelfstandig of krijgt (tijdelijke) begeleiding of training gericht op zelfstandig reizen (per openbaar vervoer of fiets). ◦ Waar mogelijk stelt de gemeente ouder(s) in staat het vervoer zelf te regelen (meer faciliterend dan organiserend). ◦ Aangepast vervoer blijft bestaan voor wie dat echt nodig heeft. de verantwoordelijkheid voor de schoolgang van leerlingen en het (al dan niet onder begeleiding) vervoeren van hun kinderen van en naar school primair de verantwoordelijkheid van de ouder(s) is; het een taak van de gemeente is om voor iedere leerling die in aanmerking komt voor leerlingenvervoer een vergoeding voor passend vervoer aan te bieden; de vorm van de bekostiging van het leerlingenvervoer zoveel mogelijk aansluit op: ◦ de indivduele mogelijkheden van de ouder(s) en de jongere, en ◦ de beperking van de jongere. Dat moet naar oordeel van de vertegenwoordiging vanuit het samenwerkingsverband centraal staan, echter niet vanuit de focus van kostenbeheersing, maar vanuit de focus op inclusie en kansengelijkheid. Het eerste volgt mogelijk uit het tweede, niet andersom. 3.
Concept-verordening + concept-beleidsregels Specifieke voorgestelde wijzigingen ZVL Wat specifiek van belang voor samenwerkingsverband: * Artikel 5 * Artikel 4 (vervoersontwikkelingsplan)
De vertegenwoordiging vanuit het samenwerkingsverband spreekt uit, dat verwijzende scholen en overheden moeten uitdragen dat de onderwijsvoorzieningen in Nederland goed zijn. Zij zijn het eens met de slechts beperkte mogelijkheid die de gemeenten bieden om het schoolbezoek in Vlaanderen te facililiteren. Het samenwerkingsverband is beschikbaar voor vragen van ouders over het aanbod in Nederland. De vertegenwoordiging vanuit het samenwerkingsverband vraagt hoe we omgaan met de situatie waarin de dichtstbijzijnde toegankelijke school vol is en het alternatief verder weg gelegen is? Immers: dan zou een recht op leerlingenvervoer kunnen ontstaan. 2 78/86
Antwoord: Dat is correct en dat vraagt goede informatie uitwisseling tussen RBL/gemeenten en samenwerkingsverband. De vertegenwoordiging vanuit het samenwerkingsverband onderschrijft de intentie om zelredzaamheid en zelfstandigheid en de ontwikkeling om thuisnabij onderwijs waar mogelijk te stimuleren en afspraken te maken met het samenwerkingsverband over passend onderwijs in relatie tot leerlingenvervoer. In samenwerking tussen gemeenten, samenwerkingsverband en het onderwijs. Naar oordeel van de vertegenwoordiging vanuit het samenwerkingsverband kunnen de meeste kinderen met begeleiding per bus reizen. Kinderen zitten immers ook samen in een klas. Dit vraagt echter wat qua organisatie, verbindingen en begeleiders. De vertegenwoordiging vanuit het samenwerkingsverband ziet kansen voor overheden om het reguliere schoolvervoer en het leerlingenvervoer te combineren, waarbij minder leerlingen met de taxi reizen, wanneer we inclusie en kansengelijkheid als uitgangspunt nemen. De vertegenwoordiging vanuit het samenwerkingsverband ziet geen zaken staan in de verordening, waar het samenwerkingsverband inhoudelijk niet achter kan staan.
Afspraak: De gemeenten stellen een memo op over de inhoud van het beleid op het gebied van leerlingenvervoer (hiervoor kan de reeds aangeboden notitie voor dit overleg als basis dienen), waarbij de focus ligt op inclusie, het stimuleren van zelfredzaamheid en zelfstandigheid. Waarbij samenwerking tussen onderwijs, ouders, samenwerkingsverband en gemeenten belangrijk is om dit te realiseren. Deze kan het samenwerkingverband gebruiken om scholen te informeren en de ondersteuningsplanraad te betrekken. 4.
Samenwerking
De vertegenwoordiging vanuit het samenwerkingsverband onderschrijft de wens van de gemeenten om de komende periode de afspraken met het samenwerkingsverband, zoals genoemd in de verordening, verder uit te werken. Het gaat enerzijds om procesmatige afspraken voor de bestuurlijke afstemming tussen gemeenten en samenwerkingsverband op het gebied van leerlingenvervoer en anderzijds om het maken van uitvoeringsafspraken. De vertegenwoordiging vanuit het samenwerkingsverband geeft aan, dat er wellicht mogelijkheden zijn om de argumentatie voor het vervoersadvies dat scholen uitbrengen te integreren binnen het persoonlijk ontwikkelplan van een leerling. Wij oriënteren ons in het schooljaar 2021 – 2022 op basis van een analyse van ons bestand op de mogelijkheden om zelfredzaamheid en zelfstandigheid te bevorderen. Dit traject doen wij in samenwerking met het onderwijs en het samenwerkingsverband. De gemeenten nemen het initiatief om samen met de vertegenwoordiging vanuit het samenwerkingsverband een werkgroep in te richten. De vertegenwoordiging vanuit het samenwerkingsverband kijkt wie vanuit het onderwijs deelnemen aan de werkgroep. De gemeenten doen hetzelfde. De gemeenten stellen een eerste aanzet op voor een werkplan/agenda. We starten na de zomer met de voorbereiding en stemmen de uitvoering af op de besluitvorming van de gemeenteraden. Zij beslissen immers over de verordening.
3 79/86
De vertegenwoordiging vanuit het samenwerkingsverband neemt de opbrengst van dit gesprek mee in de voorbereiding van het nieuwe ondersteuningsplan en neemt de ondersteuningsplanraad mee bij deze ontwikkeling. 5.
Rondvraag
We spreken af, dat de vastgestelde notulen van dit overleg dienen als de opbrengst van de raadpleging van de samenwerkingsverbanden. 6.
Sluiting
4 80/86
Beleidsregels jeugdhulpvervoer gemeente Terneuzen 2021 Het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen gelet op: de Jeugdwet artikel 2.3, tweede lid: het college is verantwoordelijk voor alle vormen van jeugdhulp. Het vervoer naar en van een jeugdhulplocatie valt ook onder deze verantwoordelijkheid; de Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Terneuzen 2022; en de Beleidsregels bekostiging leerlingenvervoer gemeente Terneuzen. overwegende dat: het bezoeken van de jeugdhulplocatie primair de verantwoordelijkheid is van de ouder(s); het college verantwoordelijk is om voor iedere jongere die in aanmerking komt voor jeugdhulpvervoer een vergoeding of passend vervoer aan te bieden; zelfredzaamheid en eigen kracht belangrijke grondbeginselen zijn; o Wie zelfstandig kan reizen, reist zelfstandig of krijgt (tijdelijke) begeleiding of training gericht op zelfstandig reizen (per openbaar vervoer of fiets). o Waar mogelijk stelt het college ouder(s) in staat het vervoer zelf te regelen (meer faciliterend dan organiserend). o Aangepast vervoer blijft bestaan voor wie dat echt nodig heeft.
het wenselijk is regels te stellen over de voorwaarden waaronder we jeugdhulpvervoer toekennen; de vorm van jeugdhulpvervoer zoveel mogelijk aansluit op: o de individuele mogelijkheden van de ouder(s) en de jongere, en o de beperking(en) van de jongere; besluit de Beleidsregels jeugdhulpvervoer gemeente Terneuzen 2021 vast te stellen. Artikel 1 Vervoer jeugdhulp 1. Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor (de kosten van) het vervoer van hun kind naar de locatie van de jeugdhulp. 2. In bepaalde gevallen kan het college voor het bezoek aan een locatie voor jeugdhulp een vervoersvoorziening toekennen. Artikel 2 Voorwaarden voor het toekennen van jeugdhulpvervoer Jeugdhulpvervoer kent het college alleen toe onder de volgende voorwaarden: 1. Het vervoer heeft te maken met een individuele voorziening voor jeugdhulp die het college heeft toegekend; en a. het hulptraject duurt langer dan drie maanden, of b. de jongere gaat twee of meer keer per week naar de locatie voor jeugdhulp; 2. Er is sprake van een medische noodzaak. a. Het college kan jongeren en ouders (aanvrager) om een medische verklaring vragen van een behandelend arts. Dit mag niet de eigen huisarts zijn. Deze verklaring moet een 1
81/86
3.
4. 5. 6.
goede onderbouwing zijn van de medische noodzaak. De verklaring mag niet ouder zijn dan drie maanden. b. Het college kan over de medische verklaring een onafhankelijke externe deskundige om advies vragen. Jongeren en ouders moeten hieraan meewerken. Er is sprake van beperkingen in de zelfredzaamheid. Hiermee bedoelen we dat: a. de jongere jonger is dan 9 jaar; en/of b. ouders aannemelijk hebben gemaakt dat de jongere niet zelfstandig met de fiets of met het openbaar vervoer kan reizen. Ouders hebben onvoldoende eigen (financiële) mogelijkheden en probleemoplossend vermogen om de jongere te vervoeren. Ook niet met hulp van het sociale netwerk. Er is geen andere regeling of voorliggende voorziening waarvan de jongere gebruik kan maken voor het vervoer naar de jeugdhulplocatie. De minimale afstand van de woning tot de jeugdhulplocatie is meer dan zes kilometer, en er is geen passende jeugdhulplocatie op kortere afstand van de woning beschikbaar.
Artikel 3 Aanvraag en beslistermijn 1. Jongeren en ouders (aanvrager) kunnen een schriftelijke aanvraag indienen voor jeugdhulpvervoer of een vergoeding. 2. De aanvraag voor jeugdhulpvervoer of een vergoeding doet de aanvrager zo mogelijk samen met de aanvraag voor een individuele voorziening voor jeugdhulp. Het vervoer naar en van de jeugdhulplocatie maakt onderdeel uit van het zogenaamde keukentafelgesprek. De uitkomsten van dit gesprek staan in het ondersteuningsplan. Ook de periode waarbinnen het jeugdhulpvervoer wordt geëvalueerd staat in het ondersteuningsplan. 3. Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor jeugdhulpvervoer. 4. Het college kan de beslistermijn opschorten als de aanvrager niet voldoende gegevens heeft verstrekt. 5. Het college kan het besluit voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt voor afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de aanvrager. Artikel 4. In redelijkheid te verwachten inzet van ouders 1. De verantwoordelijkheid voor het vervoer (al dan niet onder begeleiding) naar en van de jeugdhulplocatie is primair de verantwoordelijkheid van de ouders. 2. Zelfredzaamheid en eigen kracht zijn belangrijke grondbeginselen: a. wie zelfstandig kan reizen, reist zelfstandig, met de fiets of openbaar vervoer; b. eventueel met (tijdelijke) begeleiding of training. 3.
Voor het bieden van begeleiding zijn ouders in beginsel zelf verantwoordelijk. Ouders kunnen zelf kiezen wie ze inzetten om hun kind te begeleiden. 4. Lid 3 geldt ook als beide ouders werken. Als de jongere in een instelling woont, blijven ouders/verzorger(s) of de instelling verantwoordelijk voor de zorg. En zij blijven dus ook verantwoordelijk voor de daarmee samenhangende begeleiding van de jongere naar en van de jeugdhulplocatie. Als zij er zelf niet in slagen de begeleiding te leveren, kunnen zij daarvoor bijvoorbeeld een oppas, buren, familie of vrijwilligers inschakelen. 5. Bij de beoordeling van de mogelijkheden van de ouders om het vervoer zelf uit te (laten) voeren of de jongere te begeleiden in het openbaar vervoer hanteren we de volgende richtlijnen (de aanvrager voldoet óf aan a óf aan b óf aan c): a. Er is sprake van een eenoudergezin, en 2
82/86
andere kinderen jonger dan negen jaar zijn thuis. Deze kinderen hebben aantoonbaar thuis begeleiding nodig. En dit is aantoonbaar niet verenigbaar met de begeleiding in het openbaar vervoer of bij het fietsen van de jongere die in aanmerking komt voor jeugdhulpvervoer; en/of een ander kind door een medische aandoening extra zorg van de ouder nodig heeft. Het college kan aan de ouder vragen hiervoor een medische verklaring van de behandelend arts te leveren; en/of de ouder heeft een aantoonbare structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking , waardoor begeleiding tijdens het vervoersmoment onmogelijk is; en/of de ouder kan aantoonbaar onmogelijk de begeleiding in het openbaar vervoer of bij het fietsen vormgeven gedurende het vervoersmoment vanwege een scholings- of arbeidsverplichting vanuit de Participatiewet; of b. Er is sprake van een gezamenlijke huishouding en beide ouders kunnen aantoonbaar onmogelijk de begeleiding in het openbaar vervoer of bij het fietsen vormgeven gedurende het vervoersmoment, omdat bij hen beiden sprake is van: een aantoonbare structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking; en/of een scholings- of arbeidsverplichting vanuit de Participatiewet; of c.
Ouders beschikken aantoonbaar niet over inzetbaar eigen vervoer én het reizen per openbaar vervoer kost de begeleider meer dan de acceptabel te achten begeleidingstijd van drie uur per dag. Artikel 5. Stimuleren van zelfstandig reizen 1. Zelfredzaamheid en eigen kracht zijn belangrijke grondbeginselen. Zelfstandigheid van de jongere en het streven naar de meest optimale vorm van zelfstandigheid zijn uitgangspunt. Eén van de uitgangspunten binnen het jeugdhulpvervoer is: “Wie zelfstandig kan reizen, reist zelfstandig.” 2. Het college wil zelfstandig(er) reizen stimuleren en faciliteren. Op ieder moment kunnen ouders en jongeren met het college in gesprek gaan over de mogelijkheden om (meer) zelfstandig te gaan (leren) reizen. Ook kan het college zelf contact zoeken met ouders en jongeren om hierover in gesprek te gaan. 3. Bij een aanvraag voor een individuele voorziening voor jeugdhulp is vervoer één van de te bespreken onderwerpen. Als de jongere negen jaar of ouder is, voert het college een gesprek met de ouders over de mate waarin hun kind zelfstandig of onder begeleiding kan reizen. Maar ook over wat er nodig is om dit te bereiken. De afspraken worden opgenomen in het ondersteuningsplan. 4. Bij een eventuele vervolgaanvraag of nieuwe aanvraag voor een individuele voorziening voor jeugdhulp evalueren we de vervoersafspraken. 5.
Voor het bepalen of de jongere zelfstandig of onder begeleiding kan reizen gebruiken we de volgende leidraad: a. wij gaan ervan uit dat jongeren vanaf 11 jaar in principe zelfstandig gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer; b. als de jongere de jeugdhulplocatie zonder overstap en binnen één uur kan bereiken, reist de jongere zelfstandig of met begeleiding met het openbaar vervoer. Tenzij een aantoonbare structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking de jongere hierin beperkt; 6. Als er twijfel bestaat over de mogelijkheden van de jongere om met het openbaar vervoer te reizen (zelfstandig of met begeleiding) vragen we een onafhankelijk extern advies over de 3