2021-05-20 Bijlage 2 Was-wordt tabel
Tekst van het document
.
Toelichting op vaststelling APV 2021 en Gewijzigde en vervallen artikelen in de APV 2021
Toelichting vaststelling APV 2021 Onze huidige APV is op 1 januari 2015 van kracht geworden. Sindsdien zijn er vijf wijzigingen geweest. Het is nu tijd om de huidige versie te actualiseren. Daarvoor is gebruik gemaakt van de model APV van de VNG. Deze wordt jaarlijks geactualiseerd vanwege ontwikkelingen in de rechtspraak, wetswijzigingen en verzoeken en opmerkingen van gemeenten. In de afgelopen jaren zijn we soms afgeweken van de model-APV. Redenen hiervoor zijn bijvoorbeeld de wens om te dereguleren of concrete handhavingsproblemen. Soms kiezen we bewust voor een regeling die afwijkt van de model APV. Voordat er een overzicht wordt gegeven van de wijzigingen, worden hieronder nog een paar zaken onder uw aandacht gebracht. Omgevingswet De Omgevingswet treedt naar verwachting op 1 januari 2022 in werking. Deze wet wordt fasegewijs ingevoerd. Dit houdt onder andere in dat de raad voor 31 december 2029 een omgevingsplan moet vaststellen voor het gehele grondgebied. Alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving moeten hier uiteindelijk in worden opgenomen. Deze verplichting geldt ook voor bepaalde regels over de fysieke leefomgeving, die nu nog in de Algemene Plaatselijke Verordening dan wel andere gemeentelijke verordeningen zijn gesteld.
Eén van de uitgangspunten in het plan van aanpak met betrekking tot de implementatie van de Omgevingswet in Terneuzen is dat wij de Omgevingswet fasegewijs invoeren. Dit betekent dat wij er op sturen om uiterlijk op 31 december 2029 een omgevingsplan te hebben voor het hele gemeentelijke grondgebied. Door de gemeenteraad zal mettertijd dan ook moeten worden beslist welke regels er wel en niet in het omgevingsplan zullen moeten landen. Wij gaan vooruitlopend aan de vaststelling van het omgevingsplan aan de slag met een verordening fysieke leefomgeving. Hierin zullen alle regels uit de gemeentelijke verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving worden opgenomen. Dit betekent dat deze regels op termijn uit de gemeentelijke verordeningen (waaronder de APV) ‘verhuizen’ naar de verordening fysieke leefomgeving. De regels die hierin worden opgenomen geven u en ons een beter inzicht in de soort regels, waarover u bij de vaststelling van het definitieve omgevingsplan uiteindelijk besluit. Bibob Er wordt momenteel gewerkt aan een nieuw Zeeuws Bibob-beleid. Hiervoor is in 2020 een Zeeuwse werkgroep opgericht. In 2021 komt deze werkgroep met resultaten. De bevindingen van deze werkgroep worden meegenomen in het Integraal Veiligheidsbeleid 2022–2026. Het Zeeuws Bibob-beleid zal leiden tot een aanpassing van ons huidige (Terneuzense) Bibob-beleid.
Voor de wijziging van de APV is gekeken of we een vergunningplicht kunnen invoeren voor risicocategorieën, zodat deze categorieën ook onder het Bibob-beleid komen te vallen. Het opnemen van een artikel in de APV is op zich geen probleem. De daadwerkelijke uitwerking in de praktijk echter wel. We hebben hiervoor meer tijd nodig en zullen dit betrekken bij de aanpassing van het beleid. Bij uitspraak van 3 maart 2021 is de gemeente Tilburg bij de Raad van State onderuit gegaan. De gemeente heeft een mogelijke vergunningplicht opgenomen in de APV (artikel 53a Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat). Dit artikel heeft als doel een onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat tegen te gaan. Daartoe geeft dit artikel de burgemeester de bevoegdheid om gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten
aan te wijzen waarvoor een vergunningplicht gaat gelden omdat in of rondom deze gebouwen of door de bedrijfsmatige activiteiten de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid in de gemeente onder druk staat. Om de vergunningplicht voor een bepaalde branche in te voeren moet vervolgens een aanwijzingsbesluit genomen worden. De gemeente Tilburg heeft dit gedaan voor de branche autoverhuur. De RvS heeft geoordeeld dat het aanwijzingsbesluit niet voldoende gemotiveerd is (ivm Dienstenrichtlijn). Er lag een uitgebreide bestuurlijke rapportage van de politie aan ten grondslag maar dat bleek niet voldoende. De RvS stelt vast dat de burgemeester zijn bevoegdheid van artikel 53a van de APV niet heeft aangewend om de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid rondom een gebouw te beschermen omdat die leefbaarheid of openbare orde en veiligheid in de nabije omgeving van het gebouw ten gevolge van een bepaalde activiteit onder druk staat. De burgemeester heeft zijn bevoegdheid tot het verbieden van bepaalde dienstenactiviteiten behoudens vergunning aangewend om een bijdrage te leveren aan het veiligheidsthema om ondermijnende criminaliteit in Zeeland-West-Brabant aan te pakken. De RvS heeft aangegeven dat de APV bestemd is voor handhaving van de openbare orde en veiligheid en niet voor de aanpak van ondermijning.
Dat is nu net wat we eigenlijk willen bereiken door het invoeren van een vergunningplicht voor bepaalde branches. We willen dit verder bekijken alvorens nu een vergelijkbaar artikel als Tilburg in onze APV op te nemen. Ook is het invoeren van een mogelijke vergunningplicht voor bepaalde branches van invloed op de werkdruk bij bepaalde teams. Lay-out APV De opmaak van de APV zou op een fraaiere, meer overzichtelijke manier kunnen. Er wordt echter gebruik gemaakt van een template die noodzakelijk is om de APV zonder al te veel problemen op www.overheid.nl te kunnen publiceren.
Gewijzigde/vervallen/nieuwe APV-artikelen Algemeen Leeswijzer bepalingen In de ‘bestaande tekst’ zijn de woorden en leestekens waaraan iets verandert, rood gezet. In de ‘nieuwe tekst’ zijn de nieuwe woorden en leestekens rood gedrukt. De schuingedrukte teksten zijn teksten die afwijken van het model van de VNG en specifiek voor Terneuzen zijn òf het zijn teksten die facultatief zijn opgenomen in het model van de VNG (je kunt er voor kiezen om ze op te nemen of niet). In de model APV van de VNG zijn zinnen soms veranderd waardoor de zin beter leesbaar is maar de inhoud niet verandert. Deze wijzigingen zijn niet opgenomen in de was-wordt tabel omdat er in de betekenis van het artikel niets veranderd is. Het gaat dan bijvoorbeeld om woorden als ‘indien’ die gewijzigd zijn in ‘als’. Lex silencio positivo - Artikelleden waarmee de lex silencio positivo (paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht, positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) ten overvloede van toepassing werd verklaard of uitgezonderd, zijn vervallen. Daar waar toepasselijkheid van de lsp reeds uit de wet voortvloeit, wordt dit in de APV niet meer herhaald. Dit geldt voor de artikelen 2:10, 2:11, 4:11 en 5:23.
- Ook in gevallen waarin de lsp niet reeds op grond van de wet van toepassing is en er evenmin redenen zijn om deze van toepassing te verklaren in de APV, is over de toepasselijkheid van de lsp niets bepaald. Dit geldt voor de artikelen 2:1, 2:60, 4:6, 4:18, 5:11, 5:33 en 5:34. Ingevolge artikel 4:20a, eerste lid, van de Awb geldt de lex silencio positivo immers alleen als dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. - De lex silencio positivo wordt in de APV nog wel uitdrukkelijk van toepassing verklaard in gevallen waarin dit niet reeds uit de wet voortvloeit, maar het toch wenselijk is te voorzien in een positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen. Dit geldt voor artikel 2:6, 2:10 en 2:11 (voor zover het gaat om activiteiten die niet onder de Wabo vallen), 2:64, 2:67, 5:6, 5:7, 5:8, 5:13 en 5:36. - In gevallen waarin de lsp op grond van artikel 28, eerste lid van de Dienstenwet van toepassing zou zijn, maar er dwingende redenen van algemeen belang zijn om daar een uitzondering op te maken, wordt de toepasselijkheid van de lsp uitdrukkelijk uitgezonderd. Dit geldt voor de artikelen 2:25, 2:28, 2:29, 5:2, 5:3 en 5:18.
Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen Artikel 5:16 was opgenomen onder ‘hoofdstuk 5, afdeling 3 Venten’ en nu onder Hoofdstuk 2, Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu, afdeling 1 Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden. De verkoop van daklozenkranten bijvoorbeeld is noch venten noch collecteren (opgenomen in hoofdstuk 5, afdeling 3) en past tegenwoordig beter onder hoofdstuk 2. Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting 1Het verbod bedoeld in artikel 5:15, eerste lid is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin
Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek
gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. 2. Het college kan de vrijheid van meningsuiting bedoeld in het eerste lid beperken door het venten te verbieden: a. op door het college aangewezen openbare plaatsen; of b. voor bepaalde dagen en uren. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid. 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2. Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:24 Definities De artikelen 2:24 en 2:25 over evenementen zijn wat aangepast. Bestaande tekst Artikel 2:24 Begripsbepaling 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d. een feest of wedstrijd op of aan de weg.
Nieuwe tekst Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue;
Artikel 2:25 Evenementenvergunning Bestaande tekst Artikel 2:25 Evenementen 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de
Nieuwe tekst Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de
vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd in het belang van het voorkomen of beperken van overlast. 4. De vergunningplicht onder lid 1, geldt niet voor een klein evenement. 5. Onverminderd het bepaalde in lid 4 kan voor een klein evenement artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen van toepassing zijn. Indien dit het geval is, moet een melding op grond van dit artikel worden ingediend. 6. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor de in het tweede lid, onder d, van artikel 2:24 voorziene gevallen, voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994. 7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd in het belang van het voorkomen of beperken van overlast. 4. De burgemeester kan beleidsregels stellen in verband met het organiseren van evenementen en nadere voorschriften verbinden aan de vergunning voor het evenement. 5. Onverminderd het bepaalde in lid 4 kan voor een klein evenement artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen van toepassing zijn. Indien dit het geval is, moet een melding op grond van dit artikel worden ingediend. 6. De vergunningplicht geldt niet voor een klein evenement. 7. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:26 Ordeverstoring en 2:26A Gedrag bij evenementen De model APV kent geen artikel 2:26A. Het staat in ieder geval sinds 2003 wel in onze APV. Het heeft geen toevoegde waarde en is daarom geschrapt. Lid 3 bijvoorbeeld van artikel 2:26A is een standaard voorschrift in de evenementenvergunning. In de model APV zijn nu wel bepalingen opgenomen die ertoe strekken uiterlijk vertoon van verboden organisaties, zoals Outlaw Motorcycle Gangs (OMG), in de openbare ruimte te verbieden. Daarvoor is het artikel 2:26 over ordeverstoring bij evenementen gewijzigd (lid 2 en lid 3 zijn toegevoegd). Tevens wordt ook artikel 2:50B ‘Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties’ als nieuw artikel toegevoegd. Artikel 2:26 (nieuwe tekst) geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt. Op grond van het tweede lid is verboden om zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuursbesluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. Te denken valt hierbij dus aan de zogenoemde Outlaw Motorcycle Gangs (OMG). Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, logo’s, spreuken, kleding en andere aanduiding op motoren.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:26A Gedrag bij evenementen 1. Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken. 2. Het is verboden bij evenementen knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde in gevaar komt of kan komen. 3. Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van politie, toezichthouders en brandweer in het belang van de openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting Vanuit de gemeenteraad is verzocht om een gedoogverklaring voor de coffeeshop te behandelen als een schaarse vergunning en om te voorzien in een wettelijk basis voor screening van coffeeshoppersoneel. Daarom is lid 4 nieuw toegevoegd aan artikel 2:28 van de APV. De burgemeester kan op grond van lid 4 nadere regels opstellen voor bijvoorbeeld coffeeshops. De burgemeester kan hierin uitwerking geven aan AHOJGI-criteria, omgevingsbeheer en op medewerking aan het verlenen van informatie over risico's van middelengebruik. Ook kan hij bijvoorbeeld opnemen dat indien de aanvrager geen Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) met betrekking tot de exploitant, leidinggevenden en personeel overlegt, hij de vergunning zal weigeren. Een VOG wordt aangevraagd bij de gemeente waar men staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Het Centraal Orgaan VOG geeft de verklaring namens de Minister van Justitie af. Bestaande tekst Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning indien a. de vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; b. de exploitant en de leidinggevende
Nieuwe tekst Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als
- onder curatele staat of uit de ouderlijke macht is ontzet; - in enig opzicht van slecht levensgedrag is; - de leeftijd van 21 jaren nog niet heeft bereikt indien het een openbare inrichting betreft waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht; - de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt indien het een openbare inrichting betreft waarin geen alcoholhoudende dranken worden verkocht. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een zorginstelling; c. een museum; d. een bedrijfskantine of –restaurant; e. paracommerciële horecabedrijven f. hotels en bed-en breakfast bedrijven. 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning als bedoeld in het eerste lid.
naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is, de leeftijd van 21 jaren nog niet heeft bereikt als het een openbare inrichting betreft waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht of de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt als het een openbare inrichting betreft waarin geen alcoholhoudende dranken worden verkocht. 4. De burgemeester kan nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in dit artikel en in artikel 1:8 waarbij hij: a. in afwijking van het derde lid onder a kan bepalen dat de weigeringsgronden uit artikel 1:8 ook van toepassing blijven; en b. kan bepalen dat naast de exploitant en leidinggevende ook het personeel moet voldoen aan eisen omtrent slecht levensgedrag en integriteitsbeoordeling. 5. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. bedrijfskantine of –restaurant; of e. paracommerciële horecabedrijven; of f. hotels en bed- en breakfast bedrijven. 6.
Op de aanvraag om een vergunning of vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:34 Definities De definities uit de Drank- en Horecawet werken door in de op de DHW gebaseerde regelgeving. Ter verduidelijking is een uitdrukkelijke verwijzing opgenomen. Bestaande tekst -
Nieuwe tekst Artikel 2:34 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: - alcoholhoudende drank;
- horecabedrijf; - horecalokaliteit; - inrichting; - paracommerciële rechtspersoon; - sterke drank; - slijtersbedrijf; - zwak-alcoholhoudende drank; dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.
Artikel 2:37 Nachtregister Het nachtregister geeft inzicht in wie zich in een inrichting, waar bedrijfsmatig nachtverblijf wordt verschaft, en het bijbehorende terrein bevinden. Dit heeft meerwaarde op meerdere terreinen. In het geval van calamiteiten, weet de beheerder/calamiteitendienst wie er op het terrein aanwezig zijn. Ook kan het nachtregister een afschrikwekkende werking hebben op criminelen. Met een registratie in een nachtregister verliest men namelijk de anonimiteit, wat een barrière opwerpt tegen het verworden van een criminele ontmoetingsplaats. Daarnaast geeft een dergelijk register inzicht ten behoeve van de bestrijding van mensenhandel, prostitutie of het zoeken naar voortvluchtige personen. Het vormt een belangrijk instrument in de bestrijding van de ondermijnende criminaliteit. De eis voor het bijhouden van een nachtregister is opgenomen in het Wetboek van Strafrecht in artikel 438 Sr. Daarmee kan de opsporing en/of aanhouding van door politie en justitie gezochte personen worden vergemakkelijkt. Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister is in 2018 opgenomen in onze APV. Artikel 2:37 wordt nu toegevoegd waarin wordt bepaald dat de houder van een inrichting verplicht is een register bij te houden ‘dat ingericht is volgens een door de burgemeester vastgesteld model’. Er wordt momenteel Zeeuwsbreed gekeken om te komen tot een digitaal register.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 2:37 Nachtregister 1. De houder van een inrichting is verplicht een register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht bij te houden, dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model. 2. De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht het in het eerste lid bedoelde register aan de burgemeester over te leggen op een door de burgemeester te bepalen wijze. 3. Het nachtregister wordt ter beschikking gesteld aan de hulpdiensten.
Artikel 2:50B Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties Zie ook toelichting bij artikel 2:26. Landelijk zijn een aantal OMG’s inmiddels verboden. Dit verbod is in sommige gevallen nog niet onherroepelijk. Omdat er op dit moment behoefte is aan heldere regelgeving is in het Veiligheidscollege Zeeland-West-Brabant de afspraak dat alle 37 gemeenten in het politiedistrict Zeeland-West-Brabant twee artikelen in de APV opnemen met daarin het verbod om met uiterlijke kenmerken van een verboden organisatie aanwezig te zijn op een evenement of in het publieke domein. Het verbod blijkt in de praktijk zeer effectief te zijn. De handhaving van deze artikelen ligt bij de politie en het Openbaar Ministerie.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
-
Artikel 2:50B Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van ene organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:57 Loslopende honden Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag. In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen: - Bescherming van verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht; - Het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden; - Het voorkomen van hinder voor voetgangers; - Het bestrijden van verontreiniging (bijv. speelweiden, zandbakken e.d.); - Het voorkomen van schade en dierenleed, die wordt veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren naar het leven staan. Het eerste lid, onder c, is nieuw. Dit maakt het mogelijk om ook buiten de bebouwde kom plaatsen aan te wijzen waar honden moeten worden aangelijnd. Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; b. binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is aangelijnd; c. op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod in het eerste lid aanhef en onder b niet geldt. 3. De verboden in het eerste lid aanhef en
Artikel 2:57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; b. binnen de bebouwde kom op de weg als de hond niet is aangelijnd; c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd; d. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet
onder a en b zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
aangewezen plaatsen. Artikel 2:58 Verontreiniging door honden Straatverontreiniging kan gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Los daarvan staat het probleem al jaren hoog in de ranglijsten van ergernissen. Handhaving vraagt betrapping op heterdaad, de bedoeling van de bepaling is daardoor deels preventief. De verplichting om ‘opruimmiddelen’ bij zich te hebben is uiteraard wel controleerbaar. Het artikel is iets anders geformuleerd in onze herziene APV.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden 1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht er voor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: a. binnen de bebouwde kom: op de weg en op alle andere voor het publiek toegankelijke plaatsen; b. buiten de bebouwde kom: op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is bestemd voor het verkeer van voetgangers. 2. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van de hond er voor zorgdraagt, dat: a. de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd; b. de hond gebruik maakt van door het college aangewezen plaatsen. 3. Onverminderd het bepaalde in het eerste en het tweede lid is een ieder die een hond bij zich heeft binnen de bebouwde kom verplicht een deugdelijk hulpmiddel ter onmiddellijke verwijdering van hondenuitwerpselen op wegen en/of andere voor het publiek toegankelijke plaatsen bij zich te hebben en dit hulpmiddel op eerste aanvraag van een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar te tonen. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden 1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is een ieder die een hond bij zich heeft binnen de bebouwde kom verplicht een deugdelijk hulpmiddel ter onmiddellijke verwijdering van hondenuitwerpselen op een openbare plaats bij zich te hebben en dit hulpmiddel op eerste aanvraag van een daartoe bevoegd opsporingsambtenaar te tonen. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden Artikel is iets anders geformuleerd (conform model VNG) Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1. Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem die zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:59 gevaarlijke honden 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4.
Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:59A Gevaarlijke honden op eigen terrein Het aanlijn- en/of muilkorfgebod dat de burgemeester kan opleggen voor het laten verblijven of laten lopen van een gevaarlijke hond op een openbare plats of op het terrein van een ander (artikel 2:59) is niet in alle gevallen voldoende om bijtincidenten te voorkomen. Deze
maatregel voorkomt niet dat mensen geconfronteerd worden met bijtincidenten op privéterrein. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan postbezorgers en koeriers. Om hier enigszins aan tegemoet te komen is artikel 2:59a opgenomen. Hierin is bepaald dat het de eigenaar of houder van een gevaarlijke hond verboden is die hond zonder muilkorf op zijn terrein los te laten lopen. Het verbod geldt niet als in de bepaling genoemde voorzieningen zijn getroffen waardoor gevaar voor derden in de openbare en vrije toegankelijke privéruimte niet aanwezig is. Deze bepaling is gericht op de veiligheid in de openbare ruimte. Bestaande tekst -
Nieuwe tekst Artikel 2:59A Gevaarlijke honden op eigen terrein 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk. 2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en c. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Artikel 2:61 Invasieve exoten Op 13 december 2018 heeft de gemeenteraad besloten dat artikel 2:61 Bestrijding overlastgevende uitheemse invasieve planten aan de APV moet worden toegevoegd. De VNG adviseert geen bepalingen op te nemen voor het bestrijden van invasieve exoten op privéterrein. Daar gaat de APV niet over. Ook is het zo dat voor bepaalde invasieve exoten al Europese regelgeving geldt. Een aanvullende of afwijkende regeling in de APV is niet mogelijk. Een exoot is een plant, dier of ander organisme dat van nature niet in Nederland voorkomt. Als een soort schadelijk is voor de natuur noemen we ze invasieve exoten. Sinds 3 augustus 2016 is er een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van schadelijke exotische planten en dieren. Invasieve exoten komen door, bewust of onbewust, menselijk handelen in ons land terecht. Sommige exoten voelen zich prima thuis in hun nieuwe omgeving. Ze vestigen zich in onze natuur en kunnen zich snel vermeerderen. De schade die invasieve exoten veroorzaken, is een Europees probleem. Om dit probleem zo effectief mogelijk aan te pakken is een Europese verordening ontwikkeld. Hierin staan een aantal ge- en verboden om schade in de Europese Unie zoveel mogelijk te voorkomen. Onderdeel van de verordening is de Unielijst.
Hierop staan soorten die al in delen van de Europese Unie voorkomen en schade toebrengen of dit in de toekomst waarschijnlijk gaan doen. Op 15 augustus 2019 is de Unielijst aangepast, er zijn 17 soorten invasieve exoten
bijgekomen. Op de website van de NVWA staat welke planten en dieren dit zijn. De regels en verboden voor invasieve exoten gelden vanaf 15 augustus 2019 ook voor deze nieuwe soorten. Verwacht mag worden dat we in de praktijk weinig zullen kunnen doen met artikel 2:61 APV. Bestaande tekst -
Nieuwe tekst Artikel 2:61 Bestrijding overlast gevende uitheemse invasieve planten Bepaalde planten kunnen overlast geven of een gevaar vormen voor mens en dier. Als er overlast of gevaar kan ontstaan is de rechthebbende van de gronden waarop deze planten staan verplicht deze planten te beheersen zodat ze geen overlast veroorzaken voor of uitgroeien naar aangrenzende percelen.
Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet Staat sinds 2018 in onze APV 2015 (tweede wijziging). In het tweede lid was opgenomen dat als de burgemeester een last onder dwangsom of bestuursdwang oplegt, hij aanwijzingen kan geven aan de overtreder. Deze aanwijzingen zijn echter (onderdeel van) de last, zodat niet uitdrukkelijk bepaald hoeft te worden. Verder was in het tweede lid bepaald dat de burgemeester beleidsregels vaststelt. De tekst van het tweede en derde lid zijn aangepast en gecombineerd tot een nieuw tweede lid. De verplichting om beleidsregels vast te stellen is geschrapt. Op grond van artikel 4:81 Awb blijft de burgemeester bevoegd beleidsregels vast te stellen. Ook wordt bepaald dat de burgemeester bij overtreding in ieder geval een last onder bestuursdwang kan opleggen als zich een van de genoemde situaties voordoet. De burgemeester kan er op grond van artikel 5:32, eerste lid, van de Awb juncto artikel 125 van de Gemeentewet ook voor kiezen een last onder dwangsom op te leggen. Bestaande tekst Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1.
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.
Nieuwe tekst Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;
3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Hoofstuk 3 Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen Ons huidige hoofdstuk 3 is meer overeenkomstig het model van de VNG gemaakt. Bestaande tekst -
Nieuwe tekst Artikel 3:1 Afbakening De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.
Artikel 3:1 Begripsbepaling In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; b prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; c seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotischpornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; d escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;
Artikel 3:2 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een prostitutiebedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt; - beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksinrichting of escortbedrijf; - bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester; - escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee; - exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksinrichting of escortbedrijf wordt uitgeoefend; - klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten; - prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele
e
f
g
h
sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: 1 de exploitant; 2 de beheerder; 3 de prostituee; 4 het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; 5 toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6:2 van deze verordening; 6 andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel 3:3 Nadere regels Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid, kan het college nadere regels stellen met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in dit hoofdstuk.
handelingen met een ander tegen betaling; - prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; - prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie; - raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats; - seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of prostitutiebedrijf waarover tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. - sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotischpornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd.
Toegevoegd aan de definities bij artikel 3:1.
Artikel 3:3 Nadere regels Met het oog op de openbare orde en overige belangen kan het bevoegde bestuursorgaan nadere regels stellen met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in dit hoofdstuk.
Artikel 3:4 Seksinrichtingen en escortbedrijven 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan een seksinrichting te exploiteren of te wijzigen in door het college aangewezen gebieden, plaatsen of delen van de gemeente. 2. Er kan voor maximaal één seksinrichting, niet zijnde raamprostitutiebedrijven, vergunning worden verleend. 3. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan een escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen. 4. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: a de persoonsgegevens van de exploitant; b de persoonsgegevens van de beheerder; en c de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf. (zie nieuwe tekst artikel 3:8) 5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 3:4 Vergunning 1. Het is verboden een seksinrichting uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan. 2. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een escortbedrijf uit te oefenen. 3. In de aanvraag om vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. de persoonsgegevens van de beheerder; en c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf. 4. Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd. 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. 6. De vergunning wordt verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. Artikel 3:5 Concentratie seksinrichtingen Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbuiten voor het vestigen van een seksinrichting geen vergunning wordt verleend.
Nieuwe tekst artikel 3:6 stond in oude tekst artikel 3:4, lid 2
Bestaande tekst Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder 1. De exploitant en de beheerder: a. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet: a. met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van
Artikel 3:6 Beperking aantal vergunningen Er kan voor in totaal ten hoogste één seksinrichting van prostitutiebedrijven, niet zijnde raamprostitutiebedrijven, vergunning worden verleend.
Nieuwe tekst Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1. Een vergunning wordt geweigerd als: a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat; b. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; c. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal
artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçoa en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; c. binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a (oud), 252, 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 jo. artikel 8 of jo.
artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:
zijn; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; f. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; g. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; 2°.
de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; 4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. i. een maximum als bedoeld in artikel 3:6 al is bereikt; j. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage
a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 5. De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor tenminste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste en derde lid is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft.
is gelegd, een beheersverordening of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:5. 2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt gelijkgesteld: a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; b. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt. 3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. 5. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: a. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met d, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; b.
als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; c. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; f. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:14 gestelde verplichtingen zal naleven. Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot de vergunning 1. De vergunning vermeldt in ieder geval: a. de naam van de exploitant; b. voor zover van toepassing, die van de
beheerder; c. voor welke activiteit de vergunning is verleend; d. het adres waar de seksinrichting of het escortbedrijf wordt uitgeoefend; e. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor de seksinrichting of het escortbedrijf zal worden gebruikt; f. de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden; g. voor zover van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning; 2. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt. Artikel 3:9 Intrekkingsgronden 1. De vergunning wordt ingetrokken als: a. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; b. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; c. is gehandeld in strijd met de artikelen 3:12, aanhef en onder a, 3:13 eerste lid, en 3:14, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°; d. zich binnen de seksinrichting/het escortbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid; e.
zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met g; f. de vergunninghouder dat verzoekt; g. de uitoefening van de seksinrichting strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan, een beheersverordening of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4. 2. De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als: a. is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; b. in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het
vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; c. een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden; d. is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c; e. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten; f. de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt; g. er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel; h. gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.
Artikel 3:15 Wijziging beheer 1. Indien de beheerder het beheer van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk beëindigt, geeft de exploitant daarvan binnen een week schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. 2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant besluit de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. 3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.
Artikel 3:10 Wijziging beheer 1. Indien de beheerder het beheer van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk beëindigt, geeft de exploitant daarvan binnen een week schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. 2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant besluit de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:7, eerste lid is van overeenkomstige toepassing. 3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.
Artikel 3:6 Sluitingstijden 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 03:00 uur en 07:00 uur. 2. Het bevoegd orgaan kan door middel van
Artikel 3:11 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang 1. Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 03.00