CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2020-10-01 C3 - Bijlage 1 - Woonzorgcomplex Pierssenspolderstraat Sluiskil, 06-03-20

gemeenteraad 4 februari 2021, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Afwijzen aanvraag Roobeek Ontwikkeling BV om akkoord te gaan met de 6e planwijziging voor het Woonzorgcomplex Pierssenspolderstraat te Sluiskil15.682 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Behoud: Het plangebied is onderdeel van het bestaand stedelijk gebied, zonder cultuurhistorische waarden. Ten zuidenwesten van het plangebied ligt een gemeentelijk monument; Behoud door ontwikkeling: Het plangebied zelf is geen onderdeel van een cultuurhistorische structuur. Ten zuiden van het plangebied staat een historische boom en een SHBO class. A; Vernieuwing mogelijk: De locatie is geen onderdeel van een structuurvisie strategie.

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

31

Figuur 4.1: Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen ‐ kaartblad 'Behoud'

Figuur 4.2: Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen ‐ kaartblad 'Behoud door ontwikkeling'

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

32

Figuur 4.3: Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen ‐ kaartblad 'Vernieuwing mogelijk' Toetsing In het plangebied liggen geen cultuurhistorische waarden. Tevens valt de locatie niet binnen één van de strategieën van de structuurvisie om cultuurhistorische waarden te versterken. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen het gemeentelijk cultuurhistorische beleid. 4.2.2 Archeologie Toetsingskader Rijksbeleid omtrent archeologie

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

33

Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Gemeentelijk beleid omtrent archeologie Op 27 januari 2011 is door de gemeenteraad van Terneuzen het interim beleid archeologie vastgesteld. De insteek van dit beleid is het regelen van archeologie in ruimtelijke plannen.

In een cyclus van 10 jaar zullen alle ruimtelijke plannen aangepast worden waarbij archeologie in de plannen zal worden ingebracht of geactualiseerd aan de hand van het dan geldende beleid. Als vangnet fungeert de Erfgoedverordening Terneuzen 2011. In lijn met de intentie van de wetgever wordt een algemene vrijstelling voor archeologie verleend tot 100 m² voor de zogenaamde kruimelgevallen. De achterliggende gedachte van het archeologiebeleid is het in beeld brengen van de gebieden in de gemeente Terneuzen met een archeologische verwachtingswaarde. Deze verwachtingswaarde kan per gebied en per geologische laag verschillen. De insteek is daarbij: soepel waar het kan en streng waar nodig. Voor een aantal gebieden is de huidige kennis ontoereikend. Deze leemten worden in de toekomst ingevuld. Aan de hand van de archeologische verwachtingswaarde wordt per deelgebied een grens gesteld waarboven archeologisch onderzoek verplicht is en waaronder vrijstelling wordt verleend. Een en ander is uitgewerkt in een stroomschema dat is opgenomen in bijlage 1 van 'De onderste steen boven? Interimbeleid archeologie gemeente Terneuzen' (voor de volledigheid ook ingevoegd in bijlage 4 van deze toelichting.) Wanneer archeologisch onderzoek verplicht is, dient de archeologische monumentenzorg cyclus (AMZ‐cyclus) te worden doorlopen.

Deze cyclus is er op gericht om te beoordelen of verdergaand onderzoek of behoud noodzakelijk is. Voor de uitvoering en de beoordeling van de onderzoeken wordt aangesloten bij de landelijke en provinciale regelgeving. Door deze cyclus op een goede manier te doorlopen kan een gedegen afweging gemaakt worden waar behoud ter plaatse (in situ) of een opgraving (ex situ) noodzakelijk is of achterwege kan blijven. Procedure Procedures bij de advisering in het kader van ruimtelijke plannen en de toetsing van volgens de gemeentelijke Erfgoedverordening vergunningplichtige gevallen, zullen gebaseerd zijn op een door de gemeente uit te voeren toets. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan beheersverordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen, bodemsanering en civiele werken. De verantwoording voor het aanvragen van (archeologie)vergunningen en het naleven daarvan ligt bij de initiatiefnemer; dat kan ook de gemeente zijn. Daarnaast heeft de gemeente een toetsende en handhavende rol. Toetsing

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

34

In het geldende bestemmingsplan is voor de gehele kern Sluiskil geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. In de plantoelichting is gemotiveerd dat de gehele kern Sluiskil volgens de geologische kaart van Rummelen zich voor het grootste deel op kreekafzettingen van Duinkerke IIIb op oudere Afzettingen van Duinkerke (DIIIb op DIIIa) (zie kaart van Rummelen, code Do.3b). Op basis van deze informatie is verondersteld dat het veenpakket en de onderliggende top van het pleistocene dekzand zijn geërodeerd, met uitzondering van het uiterste noordoostelijke deel van de woonkern. Voor het gebied waar de veenlaag en het pleistocene zand nog aanwezig zijn (waarschijnlijk ook het plangebied), geldt een verwachtingswaarde vanaf de steentijd tot en met de Romeinse tijd. Deze lagen liggen op een diepte van ten minste 2 meter onder het huidige maaiveld. Echter, aangezien dit noordoostelijke deel dicht bij een geul heeft gelegen, is de kans aanwezig dat ook hier de oudere lagen zijn geërodeerd. Bovendien is gebleken dat de grond hier bovendien al diverse malen is omgezet voor de aanleg van transportleidingen van DOW / Shell, zodat archeologische restanten –indien al aanwezig– verstoord zullen zijn. Op basis van deze gegevens is ook aan dit deel van de kern Sluiskil een lage archeologische verwachting toegekend.

Op de vrijstellingenkaart van de gemeente Terneuzen (zie figuur 4.4) is het plangebied volledig vrijgesteld. Dit betekent dat er ook in het voorliggende bestemmingsplan geen regeling (dubbelbestemming) voor archeologie behoeft te worden opgenomen.

Figuur

4.4. Fragment vrijstellingenkaart archeologie Terneuzen (niet gekleurd = vrijgesteld)

Conclusie Het aspect archeologie staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Er behoeft ook geen regeling in het bestemmingsplan te worden opgenomen.

4.3

Bodemkwaliteit

Toetsingskader

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

35

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Onderzoek en conclusie In juli 2017 is ter plaatse van het plangebied bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 5). Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er in de bovengrond ter plaatse van de chemische afvalcontainer geen verontreinigingen zijn aangetroffen. Het grondwater bevat een licht verhoogd gehalte aan arseen, molybdeen en naftaleen. De bovengrond ter plaatse van het overig terrein is licht verontreinigd met koper, zink, cadmium, kwik, lood en/of PAK. In de ondergrond is een lichte verontreiniging met cadmium aangetroffen. Het grondwater ter plaatse van peilbuis 15 bevat een sterk verhoogd gehalte aan arseen en een licht verhoogd gehalte aan naftaleen. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese “verdachte locatie” juist is.

Formeel is het aantreffen van een sterk verhoogd gehalte aan arseen in het grondwater aanleiding voor nader onderzoek. Echter, gezien het feit dat verhoogde gehaltes aan arseen van nature in het grondwater voorkomen en dat voor de aanwezigheid van het verhoogde gehalte aan arseen geen antropogene bron/oorzaak gevonden is, kan arseen als verhoogde achtergrondwaarde beschouwd te worden. Daarmee wordt de uitvoering van een nader onderzoek niet zinvol geacht. Voor de overige aangetroffen verontreinigingen geldt dat, gezien de relatief lage gehalten en de huidige c.q. toekomstige bestemming van de locatie, er geen aanleiding is tot het verrichten van vervolgonderzoek met een aangepaste hypothese. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek hoeven er vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien geen beperkingen te worden gesteld aan het huidig c.q. toekomstig gebruik van de locatie. Opgemerkt wordt dat indien er bij de herontwikkeling grondwater onttrokken dient te worden of contact is met het grondwater, er rekening moet worden gehouden met het sterk verontreinigde grondwater.

4.4

Watertoets

Toetsingskader Ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling dient een watertoets met het waterschap overlegd te worden. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het tot stand komen van deze paragraaf wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in de watertoets. Onderzoek en conclusie Bij het Waterschap Scheldestromen wordt gebruik gemaakt van watertoetstabel. In deze tabel zijn de hierboven genoemde aspecten verwerkt. Uit de watertoets komt naar voren dat inzichtelijk dient te worden gemaakt wat de toename van verharding is ten opzichte van de huidige situatie. De huidige verharding bedraagt circa 2.700 m², de toekomstige verharding crica 3.022 m². Door de toename van verharding zijn watercompenserende maatregelen noodzakelijk. Deze compenserende maatregelen worden genomen door de te realiseren parkeerplaatsen uit te voeren in grastegels.

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

36

Het plangebied ligt niet in de vrijwaringszone van de rijksvaarweg (zie paragraaf 3.1). Wel ligt het plangebied deels in de beschermingszone van de regionale waterkering (figuur 4.5). Uit onderzoek van Sweco (bijlage 10) blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de nabijgelegen regionale waterkering. Hierover heeft afstemming plaatsgevonden met Rijkswaterstaat en Waterschap Scheldestromen. Ten behoeve van de waterwetvergunning dient inzichtelijk te worden gemaakt wat de consequenties zijn van de ontwikkelingen in het gebied op de kwelsituatie. Uit onderzoek van Sweco (bijlage 11) wordt geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een kwelstroom die de ontwikkeling van het plangebied belemmerd. Ondanks dat er sprake is van een hoger peil in het kanaal, is de grondwaterstand in het achterland relatief laag. Dit kan verklaard worden door de aanwezigheid van waterremmende bodemlagen waardoor het kanaal een geringe invloed heeft op de grondwaterstand in het plangebied. De resultaten van dit onderzoek en watertoetstabel dienen te worden voorgelegd aan het waterschap en Rijkswaterstaat. De watertoetstabel is opgenomen als bijlage 12

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

37

Figuur 4.5 Uitsnede Legger Rijkswaterstaat Kanaal Gent‐Terneuzen (2014)

4.5

Geluid

4.5.1 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, aannemelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan de wettelijke geluidnormen indien deze zijn gelegen binnen de wettelijke geluidzone van gezoneerde wegen. Wegen zijn gezoneerd indien hier een maximum snelheid geldt van 50 km/u of hoger. Indien gelegen binnen de geluidzone van een weg dient in principe voldaan te worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend, nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde voor wegen is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de bestemmingen (binnen‐ of buitenstedelijk). Onderhavig plan kent een ligging binnen de bebouwde kom. De maximale ontheffingswaarde bedraagt 63 dB. Zoals gesteld zijn wegen met een maximumsnelheid van 30 km/u of lager op basis van de Wgh niet gezoneerd. Akoestisch onderzoek zou achterwege kunnen blijven.

Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Indien dit niet het geval is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidsbelasting aan de gevels noodzakelijk, mogelijk en/of doelmatig zijn. Ter onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting wordt bij gebrek aan wettelijke normen aangesloten bij de benaderingswijze die de Wgh hanteert voor gezoneerde wegen. Vanuit dat oogpunt worden de voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde als referentiekader gehanteerd. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB geldt hierbij als richtwaarde en de maximale ontheffingswaarde van 63 dB volgens de Wgh als maximaal aanvaardbare waarde. Onderzoek

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

38

De ontwikkeling ligt binnen de wettelijke geluidzone van het Minister Lelyplein / Kanaalweg. Op deze weg geldt, tot aan het kruispunt met de Baljuwlaan, een maximum snelheid van 50 km/u. De afstand tussen deze weg en de ontwikkeling bedraagt ruim 100 meter en tussen de weg en de ontwikkeling is bestaande bebouwing aanwezig. Deze bestaande bebouwing zorgt voor afscherming ten aanzien van het geluid dat wordt geproduceerd door het wegverkeer op het Minister Lelyplein / Kanaalweg. Bovendien zijn de verkeersintensiteiten op het Minister Lelyplein / Kanaalweg beperkt. Door de afstand tussen de weg en de bebouwing, de aanwezigheid van tussenliggende bestaande bebouwing en de beperkte intensiteiten op het Minister Lelyplein / Kanaalweg kan logischerwijs geconcludeerd worden dat aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB zal worden voldaan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens beoordeeld of ten aanzien van 30 km/u‐wegen sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. De ontwikkeling ligt aan de Pierssenspolderstraat en de Sint Elisabethlaan. Beide wegen kennen een erftoegangsfunctie en dienen enkel ter ontsluiting van de aan de weg gelegen functies. Doorgaand verkeer maakt geen gebruik van deze wegen. De intensiteiten zullen zodoende zeer beperkt zijn. Hierdoor zal geen sprake zijn van een overschrijding van de richtwaarde van 48 dB.

Er is sprake van een acceptabel woon‐ en leefklimaat. 4.5.2 Spoorweglawaai Toetsingskader De zonebreedte van spoorwegen is afhankelijk van de hoogte van het vastgestelde Geluidproductieplafond (GPP) en wordt gemeten uit de kant van de buitenste spoorstaaf. Meest nabijgelegen spoorlijn is de spoorlijn tussen Terneuzen en Sas van Gent (goederenspoor). Indien nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de geluidszone van een spoorweg worden gerealiseerd, dient onderzoek plaats te vinden naar de geluidsbelasting vanwege deze spoorweg. Voor nieuwe woningen bedraagt de voorkeursgrenswaarde van een spoorlijn 55 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. De maximale ontheffingswaarde mag daarbij niet worden overschreden. De maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen bedraagt 68 dB. Onderzoek Voor het meest nabijgelegen spoortraject tussen Terneuzen en Sas van Gent (goederenspoor), geldt op basis van de vastgestelde GPP's een geluidzone van 100 meter. De ontwikkeling ligt op veel grotere afstand uit het spoor. Verder onderzoek naar spoorweglawaai kan zodoende achterwege blijven. Er zal ten aanzien van het spoor sprake zijn van een acceptabel woon‐ en leefklimaat.

4.5.3 Industrielawaai Toetsingskader Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) dienen alle industrie‐ en bedrijventerreinen, waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken, gezoneerd te zijn (artikel 40 Wgh). De bedoelde inrichtingen ‐ vroeger ook wel 'A‐inrichtingen' genoemd ‐ zijn nader genoemd in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Rondom deze industrieterreinen dient een geluidzone te worden vastgesteld en vastgelegd in bestemmingsplannen. Buiten deze zone mag de geluidbelasting als gevolg van het industrieterrein op de gevels van woningen niet meer dan 50 dB(A) bedragen (artikel 44 Wgh). Met ontheffing (artikel 45 Wgh) is een geluidsbelasting van 55 dB(A) op de gevels van woningen toegestaan. Op grond van artikel 65 Wgh kan de waarde uit artikel 55 Wgh, randvoorwaardelijk, 2 dB(A) hoger worden vastgesteld. Bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige functies dient rekening te worden gehouden met de zonering van industrielawaai. Onderzoek De kern Sluiskil ligt binnen de geluidzone industrielawaai met name veroorzaakt door de grootschalige

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

39

industrie in Sluiskil‐Oost/Stroodorpe‐Oost . De hoogst toelaatbare geluidsbelasting binnen het gebied waarvoor een hogere waarde kan worden verleend, bedraagt 55dB(A). Met toepassing van artikel 65 Wgh is het mogelijk een hogere waarde van 57 dB(A) vast te stellen. Standaard wordt in de kern Sluiskil een voorkeursgrenswaarde van Letmaal=60 dB(A) gehanteerd. Door de Regionale UitvoeringsDienst Zeeland (RUD) is de geluidsbelasting op de nieuw geprojecteerde appartementen berekend. Uit toepassing van dit theoretisch rekenmodel blijkt dat de maximale geluidbelasting op een van de gevels 59,1 dB(A) bedraagt (figuur 4.6).

Figuur 4.6 Maximale geluidsbelasting op de gevel berekend door de RUD

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

40

Maatregelen om deze overschrijding teniet te doen zijn, mede gelet op de in de jaren ’90 uitgevoerde saneringsonderzoeken en afspraken in het kader van Gebiedsgerichte Benadering Kanaalzone (o.a. Plan van Aanpak 1992) niet mogelijk of haalbaar. Nieuwe wetgeving met betrekking tot de gebiedsgerichte benadering van industrielawaai zal ervoor zorgen dat de geluidsruimte per bedrijf wordt beperkt. Met inwerkingtreding van de Omgevingswet gaat ook de Wet geluidhinder (Wgh) op de schop waardoor er er geluidplafonds voor bedrijven komen. Dit leidt tot een aanmerkelijke reductie van geluid vanwege te nemen bronmaatregelen. Dit betekent in de toekomst een geluisvermindering voor het plangebied. Dit rechtvaardigt de toepassing van artikel 65 Wgh. Parallel aan de bestemmingsplanprocedure wordt een procedure hogere waarden gevolgd waarbij een hogere waarde wordt vastgesteld van maximaal 57 dB(A) voor alle gevels die een geluidsbelasting hebben van afgerond 57 dB(A). Deze wordt bij de vaststelling van dit bestemmingsplan als bijlage toegevoegd. Daarnaast brengt initiatiefnemer dove gevels aan bij gevels die een geluidsbelasting hebben van 57,5 dB(A) of meer. In dit kader is onderzoek gedaan naar de gevelwering van de appartementen ('Akoestisch onderzoek ‐ Geluidwering gevels', document nummer P16_52, Akoestisch adviesbureau Van Lienden).

Hiermee is inzichtelijk gemaakt dat door de opbouw van de gevels binnen de appartementen voldaan kan worden aan de voorwaarden uit het Bouwbesluit 2012. Hierin is vastgelegd dat de hoogst toelaatbare geluidbelasting voor industrielawaai binnen de woning niet meer mag bedragen dan 35 dB(A). Hieraan wordt voldaan door het toepassen van:  'steenachtige' spouwmuren;  dubbelglas 4‐16‐6, totale dikte 26 mm of akoestisch gelijkwaardig;  dubbele kier‐ en naaddichtingen in kunststofkozijnen;  MW geïsoleerd pannendak DH3. De uitkomsten van het akoestisch onderzoek uitgevoerd door Van Lienden naar de geluidwering van de gevels is opgenomen in bijlage 6.

4.6

Milieuhinder en bedrijven

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn.

Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

41

Onderzoek Aan de overzijde van Kanaal van Gent is industrieterrein Sluiskil‐Oost gelegen. Tevens zijn woningen en diverse maatschappelijke en centrumgerelateerde functies aanwezig. Er is daarom sprake van een gemengd gebied. Tegenover de beoogde ontwikkeling is op circa 10 m afstand congres‐ en zalencentrum 't Meulengat gelegen. Ter plaatse van 't Meulengat worden allerlei activiteiten georganiseerd waaronder (taal)cursussen, vergaderingen, beurzen, theatervoorstellingen etc. Deze activiteiten vallen maximaal onder milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 m ten opzichte van een gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Ten zuidwesten van het plangebied op circa 60 m is woonzorgcomplex Elisabethof gelegen, bestaande uit appartementen voor ouderen en een zorgkantoor. De appartementen veroorzaken geen milieuhinder. Voor kantoren geldt in een gemengd gebied geen richtafstand. Het woonzorgcomplex vormt dan ook geen belemmering. De overige centrumgerelateerde functies ten zuiden van het plangebied vormen vanwege de aard, afstand (circa 80 m) en omvang geen milieuhinder ter plaatse van het plangebied en worden door de beoogde ontwikkeling niet in de eigen bedrijfsvoering beperkt . Industrieterrein Sluiskil‐Oost is op circa 240 m afstand gelegen. Ter plaatse zijn maximaal bedrijven uit milieucategorie 4.2 toegestaan.

Hiervoor geldt een richtafstand van 200 m ten opzichte van een gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Naast de algemene toelaatbaarheid zijn ook specifieke functieaanduidingen opgenomen waardoor bedrijven uit milieucategorie 5.1 zijn toegestaan. Volgens het geldende bestemmingsplan zijn dit bedrijven met SBI code 2415 (kunstmeststoffenfabrieken) of 2414.2 (vetzuren en alkanolenfabrieken). Voor kunstmeststoffenfabrieken geldt in een gemengd gebied een richtafstand van 200 m voor het aspect stof en 300 m voor de aspecten geur, geluid en gevaar. De afstand van het plangebied tot aan het deel van het bedrijventerrein waar kunstmeststoffenfabrieken zijn toegestaan bedraagt circa 600 m. Aan de richtafstanden wordt dan ook ruimschoots voldaan. Voor de vetzuren en alkanolenfabrieken geldt in een gemengd gebied een richtafstand van 300 m voor het aspect geur, 0 m voor stof, 200 m voor geluid en 100 m voor gevaar. De afstand tot het plangebied bedraagt 250 m. Enkel voor het aspect geur wordt niet voldaan aan de richtafstand. Op gelijke afstand zijn naast het plangebied al woningen gelegen waarmee rekening moet worden gehouden. De realisatie van het woonzorgcomplex levert dan ook geen extra beperkingen op voor de bedrijfsvoering en ter plaatse van het plangebied zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.

Verder zijn in de omgeving geen bedrijven aanwezig die een belemmering vormen voor de milieusituatie ter plaatse van het plangebied, of die door de beoogde ontwikkeling worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.

4.7

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1 Stof

Grenswaarden maatgevende stoffen Wet Milieubeheer Toetsing van Grenswaarde

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

42

Stikstofdioxide (NO2)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

Uurgemiddelde concentratie

Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³ 40 µg/m³ Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³ 25 µg/m³

Fijn stof (PM10)

Jaargemiddelde concentratie 24‐uurgemiddelde concentratie

Fijn stof (PM2,5)

Jaargemiddelde concentratie

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een woonzorgcomplex en leidt tot een toename van verkeer van 140 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). Hierbij wordt uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 1%.

Uit de NIMB‐tool blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,12 µg/m³ en van fijn stof van 0,02 µg/m³ (figuur 4.2). Beide toenames blijven beneden de 1,2 µg/m³. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Tabel 4.2 Uitkomsten NIBM‐tool

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

43

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2019 (http://www.nsl‐monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde weg die is opgenomen in de monitoringstool betreft de N61. Gelet op de belangrijke functie van de N61 voor de verkeersafwikkeling in de gemeente Terneuzen en Zeeuws‐Vlaanderen en de daarmee gepaard gaande verkeersintensiteit kan de luchtkwaliteit ter plaatse als worst case situatie worden beschouwd voor het plangebied. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2018 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen voor de N61 in 2018; 19,1 µg/m³ voor NO2, 17,4 µg/m³ voor PM10 en 10,3 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,1 dagen. Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.

4.8

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

44

transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht.

Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek Overeenkomstig de professionele risicokaart (https://nederlandprof.risicokaart.nl) waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn ten oosten van het plangebied risicovolle inrichtingen gelegen (figuur 4.6) en vindt in de omgeving vervoer plaats van gevaarlijke stoffen. Yara Sluiskil B.V. Het plangebied ligt in het invloedsgebied van Yara. De risicobron is meegenomen in de kwantiatieve risicoanalyse (bijlage 14). De kortste afstand van het plangebied tot de plaatsgebonden risicocontour 10‐6 bedraagt meer dan 500 m. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het plangebied. Met de psu‐file die door Yara ter beschikking is gesteld, is de invloed van het plangebied op het groepsrisico door Yara berekend. Door de realisatie van het woonzorgcomplex neemt het groepsrisico niet toe. De GR‐curven liggen daardoor exact over elkaar heen.

In beide situaties is het groepsrisico meer dan tien keer kleiner dan de oriëntatiewaarde. Spoorlijn Gent‐Terneuzen en Axel– Terneuzen Ten oosten en westen van het plangebied, op circa 800 m afstand, worden gevaarlijke stoffen vervoerd over het spoor. Deze trajecten hebben geen PR‐plafond. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt meer dan 4 km. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van het groepsrisico. Omdat het plangebied op meer dan 200 m afstand is gelegen hoeven volgens Basisnet geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het plangebied. Wel is vanwege de ligging binnen het invloedsgebied een beknopte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Kanaal Gent‐Terneuzen (KGT) Ten oosten van het plangebied worden gevaarlijke stoffen vervoerd over Kanaal Gent Terneuzen.De planlocatie ligt in het invloedsgebied van de vaarroute. De risico's van het transpor van gevaarlijke stoffen over het kanaal worden in de QRA kwalitatief beschouwd zoals beschreven in de HART (zie bijlage 9). Voor het Basisnet Water geldt de afstand (PR‐plafond) die in bijlage 3 bij de Regeling Basisnet is opgenomen. Voor KGT is een PR‐plafond van 0 m vermeld. Dit betekent dat het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen op de begrenzing van de vaarweg niet meer mag bedragen dan 10‐6 per jaar.

Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het plangebied. In

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

45

de studie 'Risicoanalyse Kanaal Gent‐Terneuzen' uit 2006 is het groepsrisico op een groot aantal punten langs de vaarweg berekend. Het berekende groepsrisico voor de verschillende locaties is gering. Het hoogste groepsrisico per km werd berekend ter hoogte van Sas van Gent. De GR‐curve wordt getoond in figuur 6. Het groepsrisico is meer dan een factor 1000 kleiner dan de oriëntatiewaarde. In tegenstelling tot wegen en spoorwegen is er voor gekozen om voor vaarwegen geen aparte plasbrandaandachtsgebieden te definiëren maar aan te sluiten bij zogenaamde vrijwaringszones. Het KGT is een vaarweg van bevaarbaarheidsklasse VI alsmede een zeehaventoegang. Volgens art. 2.1.2 van het Barro geldt in dat geval een vrijwaringszone van 40‐m vanaf de begrenzingslijn van de vaarweg. Rijkswaterstaat Zee & Delta geeft aan dat voor het gehele Kanaal Gent‐Terneuzen de vrijwaringszone van 40 m wordt aangehouden. Het plangebied ligt niet in de vrijwaringszone. Naar verwachting zal het PR‐plafond dan ook niet overschreden worden na realisatie van de nieuwe zeesluis. Ook is op basis van de geprognosticeerde vervoershoeveelheden geen hoger groepsrisico te verwachten dan zoals berekend met de basisnetaantallen (meer dan 1000 keer kleiner dan de oriëntatiewaarde).

Stikstofleiding Shell ZVL‐100 Circa 230 m ten noorden van het plangebied is een stikstofleiding van Shell (ZVL‐100) en een etheen leiding van Dow Benelux Holding gelegen. De stikstofleiding heeft overeenkomstig de professionele risicokaart een risicocontour van 10‐6 per jaar van 0 m en vormt verder geen belemmering. De leiding van Dow Benelux Holding heeft risicocontouren van 10‐5, 10‐6 en 10‐8 per jaar van respectievelijk 25 m, 75 m en 100 m. Het plangebied is niet gelegen binnen deze contouren. De leiding vormt dan ook geen belemmering. Verder vindt in de nabije omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg. In bijlage 13 is een verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van twee spoorlijnen en van de risicovolle inrichting Yara. Het groepsrisico is verantwoord in bijlage13 . PM advies veiligheidsregio

4.9

Ecologie

Beleid en normstelling Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier‐ en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

46

Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied is de Westerschelde & Saeftinghe. Deze ligt op circa 5,8 km ten noorden van het plangebied. Het dichtstbijzijnde natuurgebied van Natuurnetwerk Zeeland gebied ligt op circa 1,1 km ten westen van het plangebied. Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. De te realiseren woningen zullen een verkeersaantrekkende werking hebben in de gebruiksfase. Ze zullen daarentegen niet gasgestookt worden. De aanlegfase leidt daarbij ook tot het nodige gebruik van mobiele werktuigen en verkeersbewegingen. De werkzaamheden en wijziging in verkeersstromen zouden kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000‐gebieden in de omgeving. In dat kader zijn stikstofberekeningen uitgevoerd. De bijbehorende rapportage is opgenomen in bijlage 9. Uit de berekening met Aerius blijkt dat er geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr. Voor zowel de aanleg‐ als gebruiksfase staat de Wet natuurbescherming van het project niet in de weg. Significante negatieve effecten voor natuurgebieden worden uitgesloten.

Soortenbescherming Op 4 mei 2017 is een verkennend veldonderzoek (bijlage 7) uitgevoerd in het plangebied. Hieruit blijkt dat in verband met het de aanwezigheid van algemene broedvogels, het van belang is om rooiwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of te werken op een manier dat vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). De aanwezigheid van vogels met vaste rust‐ en verblijfplaatsen kan worden uitgesloten. Er kunnen daarnaast algemene nationaal beschermde amfibieën en grondgebonden zoogdieren aanwezig zijn. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in provincie Zeeland. Uit het verkennend veldonderzoek blijkt dat effecten op beschermde vleermuizen niet kunnen worden uitgesloten. Op grond hiervan is een gericht veldonderzoek (bijlage ) uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde vleermuizen. Tijdens het veldonderzoek zijn gewone‐ en ruige dwergvleermuizen aangetroffen. Er zijn geen balts‐ of paarplaatsen vastgesteld ter plaatste van of direct rond het plangebied. Gelet op de aantallen en dichtheid van de foeragerende vleermuizen kan worden gesteld dat het plangebied geen belangrijk (primair) foerageergebied vormt. Tijdens en na van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Effecten op vleermuizen kunnen worden uitgesloten.

Conclusie Er is onderzocht of de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie de uitvoering van het plan in de weg staan. Uit onderzoek naar gebiedsbescherming blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen gevolgen zal hebben. Eveneens blijkt uit onderzoek dat effecten op beschermde planten‐ en diersoorten uitgesloten zijn. Ook is aangetoond dat er geen sprake is van stikstofdepositie. De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met de Wet natuurbescherming.

4.10

Leidingen en kabels

Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). Onderzoek en conclusie

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

47

Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.11

Vormvrije‐mer

Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:  de kenmerken van de projecten;  de plaats van de projecten;  de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.‐beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 57 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.‐beoordeling' noodzakelijk is.

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Voor het bestemmingsplan is dan ook geen m.e.r.‐procedure of m.e.r.‐beoordelingsprocedure noodzakelijk.

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

48

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

49

Hoofdstuk 5

Financiële aspecten

De initiatiefnemer heeft een financiële haalbaarheidsstudie overlegd aan de gemeente. Deze haalbaarheidsstudie omvat in ieder geval een sluitende (grond)exploitatieberekening. Een sluitende (grond)exploitatie houdt in dat de totale opbrengsten gelijk of groter zijn dan de totale kosten. De gemeente heeft aan de hand van deze berekening vastgesteld dat het plan economisch uitvoerbaar is. De gemeente maakt zelf ook kosten ten behoeve van de beoogde ontwikkeling. De gemeente is verplicht om de door haar gemaakte kosten te verhalen op de initiatiefnemer. Het gaat bijvoorbeeld om kosten voor (de begeleiding bij) planvorming of voor de aanleg van openbare voorzieningen. Een volledige lijst van kosten die de gemeente kan verhalen op een initiatiefnemer is opgenomen in afdeling 6.2. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer verhaalt de gemeente de door haar gemaakte kosten. Eventuele aanvullende eisen van de gemeente (o.a. op het gebied van de uitvoering, fasering, koppeling van werken of woningbouwcategorieën) zijn ook opgenomen in deze anterieure overeenkomst. Een exploitatieplan hoeft daarom niet te worden opgesteld.

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

50

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

51

Hoofdstuk 6

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid en overleg

Enquête

In 2014 is de dorpsraad door de Sluiskilse bevolking opgedragen om betaalbare gelijkvloerse ouderenwoningen te realiseren in het dorp. Na een uitvoerige afstemming met de Sluiskilse bevolking , onder andere door het uitvoeren van een enquête is de keus gevallen op de Pierssenspolderstraat. Met de resultaten van de enquête als uitgangspunt is in samenwerking tussen Roobeek Ontwikkeling BV , de dorpsraad Sluiskil en De Zorgbalie een bouwplan voor het woonzorgcomplex aan de Pierssenspolderstraat ontwikkeld.

6.2

Informatieavond

De sloop van het voormalige laboratorium en de realisatie van het woonzorgcomplex zijn besproken met de dorpsraad Sluiskil. De dorpsraad Sluiskil is positief over de beoogde ontwikkeling en de bijdrage van deze ontwikkeling aan de leefbaarheid in de kern Sluiskil. Roobeek Ontwikkeling BV, de dorpsraad Sluiskil en De Zorgbalie hebben op 13 juni 2017 een informatieavond georganiseerd voor de inwoners van Sluiskil. Ruim 80 belangstellenden, waaronder veel buurtbewoners zijn geinformeerd over de plannen en zijn in de gelegeneheid gesteld om vragen te stellen. Er is positief gereageerd op de plannen. Daarnaast wordt het bouwplan als voorbeeld gesteld door de huisartsen uit Hoek vanuit het belang om woonvoorzieningen voor ouderen te realiseren.

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

52

Figuur 6.1. Impressie informatieavond 13 juni 2017 Met de buurtbewoners van het aangrenzende perceel is afgesproken voor start van de werkzaamheden een staat van opname van de bestaande woningen en bijbehorende bouwwerken te maken.

6.3

Overleg

Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3.1.1 en artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt bij de voorbereiding van het bestemmingsplan overleg gepleegd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het bestemmingsplan is voorbesproken met Rijkswaterstaat en waterschap Scheldestromen(zie paragraaf 4.4) PM

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

bijlagen bij de Toelichting

Bijlage 1 Toelichting zorg‐ en dienstverleningsconcept

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

Bijlage 2 Analyse woningmarkt

Rho adviseurs voor leefruimte

401447.20162000

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9677278/1