Bijlage - Ontwerpbestemmingsplan - Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Bolsward onderstation 110/20kV, Ontwerp
26/36
Omgevingsaspecten
4.8.3 Conclusie Binnen de richtafstanden van 200 m (geluid) zijn woningen gelegen. Om de afweging te maken of in dat geval sprake is van een goede ruimtelijke ordening, is onderzoek gedaan naar de geluidbelasting. Vastgesteld wordt dat wordt voldaan aan de geldende grenswaarden. Ook ontstaat er vanwege het onderstation geen gevaar voor de omgeving. Vanuit milieuzonering is er geen belemmering ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
4.9
Geluid
4.9.1 Inleiding De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid en bevat een stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door onder meer wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. Een nutsvoorziening is geen geluidgevoelige functie. Vanuit de Wet geluidhinder is geen onderzoek naar wegverkeerslawaai of industrielawaai nodig voor het plan en volstaat de milieuzonering die in paragraaf 4.8 is beschreven (er wordt voldaan aan de geldende grenswaarden). 4.9.2 Conclusie Vanuit het aspect geluidhinder is er geen belemmering ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
4.10
EM velden
4.10.1 Beleidskader Voor de blootstelling - kortdurend of langdurend - aan magnetische velden zijn in Nederland geen wettelijke grenswaarden vastgesteld. Voor onder andere transformatorstations, heeft de Europese Unie (EU) een richtwaarde voor maximale blootstelling van 100 T (micro tesla) geadviseerd. Nederland heeft deze richtwaarde overgenomen. De richtwaarde houdt in dat burgers in de openbare ruimte niet blootgesteld mogen worden aan magneetvelden ten gevolge van de elektriciteitsvoorziening van meer dan 100 T. Vanwege onder andere de ongerustheid over een relatie tussen blootstelling aan magnetische velden van bovengrondse hoogspanningslijnen en kinderleukemie, heeft de Nederlandse overheid in 2005 beleid opgesteld voor magnetische velden van hoogspanningslijnen. Op basis van het voorzorgsprincipe wordt aangeraden om zo veel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig worden blootgesteld aan magnetische velden van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit geldt voor ‘gevoelige locaties’[1], zoals woningen, scholen en crèches waarbij als voorzorg een maximaal jaargemiddelde magnetische veldsterkte van 0,4 T wordt gebruikt. Het voorzorgsbeleid geldt voor magnetische velden van bovengrondse hoogspanningslijnen.
Dit voorzorgsbeleid geldt dus niet voor andere infrastructuur zoals, elektriciteitskabels, transformatorstations en middenspanningsruimten. In april 2018 heeft de Gezondheidsraad advies uitgebracht. In dit advies wordt de beleidsverantwoordelijke staatssecretaris van I&W ter overweging mee gegeven, het voorzorgsbeleid ten aanzien van magnetische velden voor bovengrondse hoogspanningslijnen, ook toe te passen op ondergrondse elektriciteitskabels en andere bronnen van langdurige blootstelling aan magnetische velden uit het elektriciteitsnetwerk. Naar aanleiding van dit advies heeft de minister van Economische zaken de heer Verdaas verzocht om te onderzoeken welk voorzorgsbeleid nodig is inzake de (niet uitgesloten) gezondheidsrisico’s van magneetvelden die samenhangen met de elektriciteitsinfrastructuur. Op 12 juni 2019 heeft de heer Verdaas advies uitgebracht, waarin is geconcludeerd dat voorzorgbeleid ten aanzien van de mogelijke gezondheidsrisico’s van magneetvelden niet noodzakelijk is, omdat er Voor definitie gevoelige bestemmingen zie brief VROM ‘Verduidelijking van het advies met betrekking tot hoogspanningslijnen’ van 4 november 2008. [1]
Bestemmingsplan Bolsward onderstation 110/20kV, Ontwerp
27/36
Omgevingsaspecten
nooit een oorzakelijk verband tussen magneetvelden en gezondheidsklachten is aangetoond. In het advies is aangegeven dat voorzorgbeleid wel nuttig is, met name om maatschappelijke onrust en disproportionele maatregelen te voorkomen. De heer Verdaas adviseert om terug te keren naar het oorspronkelijke doel van het voorzorgbeleid. Dat wil zeggen: zoveel als redelijkerwijs mogelijk voorkomen dat kinderen (tot 16 jaar) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden. De Minister van EZK heeft opdracht gegeven om in een dialoog met alle betrokken stakeholders eind 2020/begin 2021 te komen tot een pakket van redelijkerwijs te nemen maatregelen. Daarna zal naar alle waarschijnlijkheid nieuw beleid worden vastgesteld. Tot het moment dat er nieuw voorzorgbeleid ontwikkeld is, blijft het huidige voorzorgbeleid van kracht. De externe adviseur krijgt de opdracht om in 2020 met een overzicht van ALARA-maatregelen en afstanden te komen, die redelijk, proportioneel en praktisch realiseerbaar zijn. Vooralsnog is niet bekend wat het advies zal zijn en wanneer dit wordt uitgebracht. Er is voor het bestemmingsplan dan ook van het huidige beleid uitgegaan. 4.10.2 Beoordeling en conclusie Liander zorgt dat alle installaties die ze in beheer heeft voldoen aan de richtwaarden en dat burgers niet worden blootgesteld aan magnetische velden van meer dan 100 microtesla.
De 100 microtesla contour ligt direct rond de transformatoren. Het terrein is afgesloten en er is geen openbare ruimte in de directe nabijheid. Er wordt op het onderstation dan ook voldaan aan de richtwaarde ten aanzien van de 100 microteslacontour.
4.11
Luchtkwaliteit
4.11.1 Wettelijk kader In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Voor de andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is “niet in betekenende mate” als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. Ter illustratie, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg ofwel niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen vallen onder deze categorieën. 4.11.2 Conclusie voor het plan Het bestemmingsplan leidt niet tot een toename aan verkeersbewegingen. Het project draagt zodoende niet-in-betekenende-mate bij en er is geen luchtkwaliteitonderzoek nodig.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.12
Externe veiligheid
4.12.1 Inleiding Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit
Bestemmingsplan Bolsward onderstation 110/20kV, Ontwerp
28/36
Omgevingsaspecten
doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij de besluitvorming rondom ruimtelijke plannen de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze plaatsgebonden risicocontour mogen geen kwetsbare objecten mogelijk worden gemaakt. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico, mede bepaald door het aantal personen (dichtheid) binnen het te beschouwen gebied. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. 4.12.2 Betekenis voor het plan Voor het bestemmingsplan is de risicokaart geraadpleegd (www.risicokaart.nl). De A7 maakt onderdeel uit van het Basisnet.
Verder zijn in de directe omgeving geen risicobronnen (transportroutes of inrichtingen) aanwezig, zie ook afbeelding 17. Het bestemmingsplan maakt een nieuw onderstation mogelijk. Een onderstation is geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object. Er verblijven geen mensen voor langere duur. Er is geen sprake van een wijziging in het groepsrisico door het bestemmingsplan. In principe is de regelgeving voor externe veiligheid niet van toepassing. Wel kan het functioneren van het onderstation invloed ondervinden van een falende risicobron in de omgeving. Bij het bezwijken van de netinfrastructuur kan dit gevolgen hebben voor de elektriciteitsvoorziening. Het onderstation is echter op voldoende afstand gelegen van risicobronnen. Ook heeft een onderstation geen veiligheidscontour voor omliggende functies. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan Bolsward onderstation 110/20kV, Ontwerp
29/36
Omgevingsaspecten
afbeelding 17: plangebied met blauw aangeduid op de risicokaart (bron: nederland.risicokaart.nl
4.13
Niet gesprongen explosieven
4.13.1 Kader Als gevolg van gevechtshandelingen in het verleden kunnen conventionele explosieven in het de ondergrond zijn achtergebleven. Wanneer conventionele explosieven (niet gesprongen explosieven (NGE) uit de Tweede Wereldoorlog bij aanlegwerkzaamheden worden aangetroffen, dan ontstaat mogelijk een verhoogd veiligheidsrisico. Onbedoelde detonaties (zware explosies) bij de uitvoering van werkzaamheden kunnen in het ergste geval leiden tot dodelijk letsel en zware schade aan materieel en omgeving. Spontane vondsten van conventionele explosieven kunnen daarnaast tot extra uitvoeringskosten leiden, hetgeen gevolgen kan hebben voor de financiële uitvoerbaarheid van het plan. 4.13.2 Betekenis voor het plan Voor het plan is een vooronderzoek conventionele explosieven uitgevoerd (‘Vooronderzoek Conventionele Explosieven Hoogspanningskabel en -station bij de Klaverweg te Bolsward’, T&A Survey, 30 april 2020, zie bijlage 8 van de toelichting . Op basis van de beoordeelde feiten van het vooronderzoek is geconcludeerd dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat er conventionele explosieven in het plangebied zijn of kunnen worden aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen dat in dit gebied oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden. Het plangebied is onverdacht. Voor het bestemmingsplan is geen nader onderzoek noodzakelijk.
Grondroerende werkzaamheden binnen het onderzoeksgebied kunnen op reguliere wijze worden uitgevoerd.
4.14
Besluit milieueffectrapportage
Sinds de wijziging van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 zijn er twee vormen van m.e.r.-beoordelingen: 1.) projecten die vallen onder bijlage D van het Besluit m.e.r. en 2.) de vormvrije m.e.r.-beoordeling ook wel vergewisplicht genoemd. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten.
Bestemmingsplan Bolsward onderstation 110/20kV, Ontwerp
30/36
Omgevingsaspecten
Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: • het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. • de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Aanpassen of realiseren van een onderstation is geen activiteit die is genoemd in de C of D-lijsten van het Besluit m.e.r.. Er is geen (vormvrije) m.e.r. beoordeling voor het plan nodig.
Bestemmingsplan Bolsward onderstation 110/20kV, Ontwerp
31/36
Toelichting op de regels
5
Toelichting op de regels
5.1
Algemeen
De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels.
5.2
Nadere toelichting op de regels
De bij dit plan behorende planregels zijn, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012 , onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels 2. Bestemmingsregels 3. Algemene regels 4. Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 1 worden in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. In hoofdstuk 2 is de op de verbeelding aangegeven bestemming omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Daarbij worden de bebouwingsmogelijkheden vermeld. In hoofdstuk 3 is een aantal algemene regels opgenomen. In hoofdstuk 4 is omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht en bevat tot slot de citeertitel van het plan. 5.2.1 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik.
Bestemmingsplan Bolsward onderstation 110/20kV, Ontwerp
32/36
Toelichting op de regels
Wijze van meten (artikel 2) Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden en gemeten moeten worden. 5.2.2 Bestemmingsregels Bedrijf-Nutsvoorzieningen (artikel 3) Het bestemmingsplan is op maat gemaakt voor het regelstation en bevat hoofdzakelijk de enkelbestemming ‘Bedrijf-Nutsvoorzieningen’. In de bestemming is geregeld dat een elektriciteitsdistributiebedrijf mogelijk is van maximaal milieucategorie 4.2. Het bestemmingsplan heeft een flexibele opzet qua bouwmogelijkheden. Gebouwen mogen binnen het bestemmingsvlak worden gebouwd en mogen maximaal 8 m hoog zijn. Er geldt een maximum bebouwingspercentage van 50%. De transformatorruimten zijn van boven open en zijn daarom geen gebouw maar een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Zodoende is ook voor bouwwerken geen gebouw zijnde een maximum van 8 m aangehouden. Hierop uitgezonderd zijn erfafscheidingen, welke maximaal 2 m hoog mogen zijn. Op de transformatorruimten worden bliksemspitsen aangebracht. Deze krijgen een hoogte van max. 12 m, gemeten vanaf het maaiveld. Verkeer (artikel 4) Voor de aansluiting van het nieuwe onderstation op de toegangsweg is een verkeersbestemming opgenomen.
Water (artikel 5) Voor de realisatie van waterberging ter compensatie van de toename aan verharding, is de bestemming ‘Water’ opgenomen op de watergang langs de Witmarsumerweg inclusief de benodigde verbreding. Waarde – Archeologie 1 (artikel 6) Een deel van het nieuw aan te leggen water langs de bestaande watergang, ligt in het gebied waar in het archeologisch onderzoek is geadviseerd dat archeologische begeleiding nodig is. Voor deze gronden is een dubbelbestemming opgenomen, zodat bij aanleg van het water de archeologische waarden beschermd zijn. In het kader van de uitvoering zal aanvullend archeologisch onderzoek nodig zijn danwel dient de aanleg onder archeologische begeleiding plaats te vinden. 5.2.3 Algemene regels In dit onderdeel van de regels komen de algemene bepalingen aan de orde. Het gaat om: Anti-dubbeltelregel (artikel 7) In dit artikel is opgenomen dat grond, welke eenmaal in aanmerking is of moest worden genomen bij het verlenen van een bouwvergunning, waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van een andere aanvraag buiten beschouwing dient te blijven. Algemene gebruiksregels (artikel 8) In dit artikel is bepaald welke vormen van gebruik in elk geval strijdig zijn. Ook is bepaald in welke mate moet worden voorzien in parkeergelegenheid.
Algemene aanduidingsregels (artikel 9) Vanwege de ligging in de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein is de geluidzone overgenomen in dit bestemmingsplan. Algemene afwijkingsregels (artikel 10) De algemene afwijkingsregels zijn hierin opgenomen. Het gaat om minimale afwijkingen van maatvoering, bouwvlakken, e.d. wanneer dit in de uitvoering nodig blijkt vanwege bijvoorbeeld een meetverschil.
Bestemmingsplan Bolsward onderstation 110/20kV, Ontwerp
33/36
Toelichting op de regels
5.2.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 11) Met betrekking tot bouwwerken en het gebruik van grond en bouwwerken wordt in dit artikel ingegaan op het daarop toepasselijke overgangsrecht. Slotregel (artikel 12) Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan Bolsward onderstation 110/20kV, Ontwerp
34/36
Economische uitvoerbaarheid
6
Economische uitvoerbaarheid
Bij een bestemmingsplan dient op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (verder: Wro) in de plantoelichting inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wro de verplichting ontstaan dat bepaalde plankosten op de initiatiefnemer kunnen worden verhaald. Het gaat hierbij om de plankosten en de kosten van ontwikkelingen die gemeente redelijkerwijs moet maken, zoals de aanleg van voorzieningen van openbaar nut. De Wet ruimtelijke ordening stelt verplicht dat de gemeenteraad tegelijk met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan vaststelt voor kostenverhaal in het geval het bestemmingsplan nieuwe, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplannen mogelijk maakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de bouw van één of meer woningen, de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen of de uitbreiding of verbouwing van gebouwen. In de wet is aangegeven welke kosten verhaald kunnen worden. Het vaststellen van een exploitatieplan is niet nodig indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is, bijvoorbeeld door gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. Dit bestemmingsplan maakt geen bij algemene maatregel van bestuur (artikel 6.2.1. Bro) aangewezen bouwplannen mogelijk. Het opstellen van een exploitatieplan is dan ook niet noodzakelijk.
De uitvoering van het plan komt voor rekening en risico van Liander. Het garanderen van leveringszekerheid is een wettelijke taak van Liander op grond van de Elektriciteitswet. Nut en noodzaak van het plan is aangetoond met dit bestemmingsplan. Hierdoor kan Liander de investeringskosten doorberekenen in de tarieven voor transport van elektriciteit.
6.1
Planschade
Planschade wordt in beginsel toegekend door het besluitvormend orgaan aan degenen die waardevermindering van onroerend goed ondervinden ten gevolge van het besluit tot afwijken van het bestemmingsplan. De grondslag voor deze planschaderegeling wordt gegeven in artikel 6.1 Wro. In artikel 6.4 onder a Wro is bepaald dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met de initiatiefnemer een overeenkomst te sluiten ten aanzien van planschade. In de tussen de gemeente en Liander te sluiten overeenkomst wordt opgenomen dat het planschaderisico voor rekening van de initiatiefnemer komt. Daarmee is het risico op planschade afgedekt voor de gemeente.
Bestemmingsplan Bolsward onderstation 110/20kV, Ontwerp
35/36
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1
Vooroverleg artikel 3.1.1. Bro
Ten behoeve van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan het Rijk, de provincie Fryslân, het Wetterskip en omliggende gemeenten. Er zijn geen inhoudelijke reacties ingediend op het plan.
7.2
Zienswijzen
Het ontwerp bestemmingsplan wordt voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen voor een ieder om te reageren. Te zijner tijd worden hier de reacties behandeld.
Bestemmingsplan Bolsward onderstation 110/20kV, Ontwerp
36/36
DNS Planvorming BV | Klaprozenweg 75 C | 1033 NN Amsterdam | info@dnsplanvorming.nl