CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Ontwerpbestemmingsplan - Bijlagen bij de toelichting

Raadsvergadering 7 juli 2021, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Bestimmingsplan Bolsward Onderstation 110/20kV32.249 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

2. 3. 4.

5.

6. 7.

8.

2.7

Datering: Het is enigszins onzeker wanneer de Marnedijk is aangelegd. De dijk wordt voor het eerst in 1276 genoemd, maar is waarschijnlijk al in de 12e eeuw aangelegd (StiBoKa 1974). De cultuurhistorische kaart Fryslân geeft een globale datering in de 10e – 11e eeuw. Complextype: Infrastructuur (dijk/weg) Omvang: een ca. 15 m breed weg/dijktracé over divers kilometers. Diepteligging: De maaiveldhoogte binnen het dijklichaam ligt veelal tussen 0,0 en 0,8 m+NAP in het westen tussen 0,0 en 0,5 m+NAP. De top van de oever ten noorden van het plangebied ligt tussen 0,1 m-NAP en 0,3 m+NAP, de top van het erosiedal ten zuiden van de dijk ligt tussen 0,1 m-NAP en 0,4 m-NAP. Als de dijklichaam op de oever is aangelegd betreft de dikte van het dijklichaam minimaal ca, 0,5 tot 0,8 m. Gaafheid en conservering: Op de dijk is een weg aanwezig die geasfalteerd is. De kans is groot dat hiervoor een wegcunet van modern zand is ingebracht. Binnen 2 m van de rand van de weg liggen aan weerzijden kabels van diverse nutsaansluitingen, de kans is groot dat de gaafheid van de historische dijk daardoor is aangetast. Het dijktracé volgt grotendeels de huidige Witmarsumerweg, maar is voor een klein deel gewijzigd. Oorspronkelijk liep de dijk/weg aan de noordzijde van perceel Bolsward C70.

Aan de westzijde van dit perceel ligt een knooppunt van veel kabels en leidingen, waardoor hier de gaafheid zeer beperkt zal zijn. Aan de oostzijde van perceel Bolsward C70 ligt een verhoging in het landschap, mogelijk is hierin nog een oud dijklichaam aanwezig. De dijk lijkt verderop in de historische bocht aan de noordzijde van Marnedijk 13 te Schettens zijn te vergraven o.b.v het AHN. Locatie: Witmarsumerweg, historisch Marn(e)dyk. Uiterlijke kenmerken: Een dijklichaam bestaat uit een grondlichaam waarin een fasering van dijkversterkingen herkenbaar kan zijn. De hoeveelheid vondstmateriaal in een dijklichaam is vaak beperkt. Mogelijke verstoringen: Het dijklichaam zal in de afgelopen 100 jaar zijn aangetast door graafwerkzaamheden voor de aanleg van elektriciteit-, waterleidingen en asfaltering. Zie verder punt 5 gaafheid en conservering. Conclusie en advies bureauonderzoek

Op basis van de landschappelijke ligging heeft het gehele onderzoeksgebied, op het Middeleeuwse dal van de Marne na, een middelhoge verwachting voor resten uit de IJzertijd en Romeinse tijd op enige diepte (vanaf ca. 80 cm -mv). In de Middeleeuwen ligt het plangebied deels op de hoge oevers (hoge verwachting), middelhoge oevers (middelhoge verwachting) en deels in de geul- en komzone van de Marne (lage verwachting). Voor de Nieuwe tijd geldt veelal een lage verwachting, behalve op perceel Bolsward Sectie C69 en C70. Op perceel Bolsward C69 geldt een hoge archeologische verwachting voor een huisplaats uit de periode 1718-1909 of ouder. Op de oostelijke helft van perceel C70 kunnen nog resten aanwezig zijn van de historische Marnedijk (zie Figuur 11). Op basis van dit bureauonderzoek zal TenneT het definitieve tracé vaststellen en de locatie bepalen voor het onderstation en het opstijgpunt. KSP Archeologie stelt voor de gehele nog vast te stellen zone met bodemingrepen (m.u.v. het deel dat als gestuurde boring wordt aangelegd en de aanleg van de inrit van de toegangsweg) een karterend booronderzoek voor, zoals voorgeschreven in de FAMKE.

KSP Archeologie

25

Advies onderstation De locatie van het station moet nog vastgesteld worden, daarbij is het advies van KSP Archeologie om perceel Bolsward Sectie C Perceel 69 te ontzien en daarmee het risico op een gravend onderzoek naar een Nieuwetijdse vindplaats n.a.v. het booronderzoek te beperken. De zone met de hoogste archeologische verwachting voor resten uit de Middeleeuwen ligt op basis van de geomorfologische kaart en het AHN op perceel Bolsward Sectie C Perceel 274. Op basis van de bodemkaart kunnen oeversedimenten ook voorkomen op de percelen 69, 272 en 273. Binnen de zoekzone voor het onderstation ligt het grootste risico op een gravend onderzoek voor de Middeleeuwen n.a.v. het booronderzoek daardoor op perceel 274. Voor het daadwerkelijke terrein van 2,2 ha zal conform FAMKE een karterend onderzoek nodig zijn met een boordichtheid van 6 boringen per ha. Het totaal aantal boringen voor het onderstation voor de karterende fase zal tussen de 12 en 24 boringen liggen. De gemeentelijk archeoloog gaf in telefonisch contact aan dat ter hoogte van een vermoedelijke huisplaats direct de waarderende fase uitgevoerd dient te worden. Bij een waarderende fase wordt de huisplaats onderzocht met een kruisraai met om de 15 m een boring. De huisplaats heeft een vermoede omvang van 40 x 40 m.

Indien de voormalige huisplaats op perceel C69 onderdeel is van het onderzoeksgebied voor het booronderzoek zullen ca. 8 boringen extra nodig zijn om de huisplaats direct te waarderen. Tijdens het aanvullende bureauonderzoek voor eventuele werkzaamheden blijkt dat tussen de Witmarsumerweg (deel perceel Bolsward C70) en perceel Bolsward C274 nog resten van een historisch dijklichaam aanwezig kunnen zijn. Het is nog niet zeker dat op perceel Bolsward C70 ingrepen zullen plaatsvinden. Door middel van een booronderzoek is het lastig om een beeld te krijgen van de opbouw en de intactheid van het dijktracé. Daarvoor zijn diverse boringen op zeer korte afstand nodig. Indien er ingrepen plaatsvinden, is het effectiever om het profiel van het cunet van de ontgraving in het oostelijk deel van perceel C70 te laten documenteren in de vorm van een opgravingvariant archeologische begeleiding. Advies kabeltracé + opstijgpunt Ter hoogte van het traject voor de gestuurde boring is de invloed van de werkzaamheden op het archeologisch bodemarchief dermate klein dat hiervoor geen vervolgonderzoek wordt aanbevolen. De gemeentelijk archeoloog heeft aangegeven dat zij het eens is met dit advies. In het resterende traject van 1,8 km en de zone rondom het opstijgpunt van ca. 30 x 30 m zal een karterend booronderzoek nodig zijn conform FAMKE.

Er is geen verschil in archeologische verwachting tussen het voorkeursalternatief of het concept-tracé. Archeologisch booronderzoek is nodig voor de zones waar de ingrepen dieper dan 40 cm t.o.v. het maaiveld reiken. Er is onderzoek nodig in een boorgrid van 40 x 50 m (6 boringen per hectare) of een boorraai met boringen om de 50 m voor tracés. Op basis van de concept sleufprofielen zal de bovengrond worden afgegraven over een breedte van ca. 30 à 37 m. Het opstijgpunt krijgt een omvang van ca. 30 x 30 m. Voor het tracé (incl. het opstijgpunt) is één boorraai dus voldoende. Voor de 1,8 km aan tracédelen met een open ontgraving met aan het uiteinde een opstijgpunt zullen ca. 37 boringen nodig zijn als er om de 50 m geboord wordt. Advies inrit voor de toegangsweg vanaf de Witmarsumerweg. De historische Marnedyk, nu Witmarsumerweg, zal zijn aangetast door graafwerkzaamheden voor de aanleg van elektriciteit-, water- en gasleidingen en asfaltering, zeker in de nabijheid van de geplande inrit vanaf de Witmarsumerweg (perceel Bolsward C228). De archeoloog van gemeente Súdwest-Fryslân komt tot dezelfde conclusie. Er wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen bij de inrit vanaf de Witmarsumerweg (perceel Bolsward C228) naar perceel Bolsward C274.

KSP Archeologie

26

3

3.1

Inventariserend Veldonderzoek, verkennende/karterende en deels waarderende fase Methode

Voorafgaand aan de uitvoering van het inventariserend veldonderzoek is een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld dat is goedgekeurd door de gemeente (Van der Klooster 2020). Het onderzoek is uitgevoerd conform het PvA. De omvang van het plangebied en daarmee het boorplan is tijdens de uitvoering enkele keren gewijzigd, hierover heeft afstemming plaatsgevonden met de gemeentelijk archeoloog. Het onderzoek is gefaseerd uitgevoerd in vier veldcampagnes. Het tracé ten westen van het onderstation (fase 1, verkennend/karterend), het onderstation (verkennend/karterend) en de waarderende boringen op perceel C69 (fase 2) en het tracé ten oosten van het onderstation tot aan de bestaande hoogspanningsmasten (fase 3, verkennend/karterend). Na het ontdekken van laatmiddeleeuws aardewerk in boring O57A is een waarderend onderzoek rondom deze boring uitgevoerd (fase 4). Op basis van de hoge archeologische verwachting en de richtlijnen van de gemeente is een (verkennend en) karterend en deels waarderend booronderzoek uitgevoerd. Het verkennende booronderzoek heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de karterende fase.

Tijdens het karterende booronderzoek wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen. In dit geval is conform FAMKE uitgegaan van ‘karterend onderzoek 1 (middeleeuwen)‘. Voor oppervlaktes komt deze methode uit op minimaal zes boringen per hectare waarbij duidelijk wordt of er vindplaatsen in het onderzoeksgebied aanwezig zijn. Voor de tracés is deze methode conform FAMKE vertaald naar een boorraai met boringen om de 50 m. In overleg met de gemeente is besloten om enkel de delen van het tracé te onderzoeken die middels een open ontgraving worden uitgevoerd. Er is ook één boring gezet ter hoogte van het einde van de gestuurde boring ten zuiden van de A7. Tijdens de waarderende fase is het waarnemingsnet verdicht om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit vast te stellen van de voormalige bebouwing ‘Kleine Klaver’ op perceel Bolsward Sectie C Perceel 69. Voor de waarderende fase is binnen FAMKE enkel een methode voor terpen/verhoogde huisplaatsen beschikbaar. Deze methode werd door KSP Archeologie ook geschikt geacht voor een niet opgehoogde huisplaats en de gemeentelijk archeoloog heeft hiermee ingestemd. Met deze methode zijn de boringen in twee kruisraaien gezet ter hoogte van de verwachte vindplaats met boringen om de 15 m.

Tijdens de karterende fase was op perceel C274 in boring O57A een aanwijzing gevonden voor een laatmiddeleeuwse vindplaats. Rondom de boring met het laatmiddeleeuwse aardewerk is ook een kruisraai gezet. In de noord-zuidraai werden in meerdere boringen aanwijzingen gevonden voor een vindplaats ouder dan de 18e eeuw. Op de centrale boring (WA5) is vervolgens een kruisraai gezet. De opdrachtgever heeft aangegeven dat de exacte verstoringsdiepte nog onduidelijk is. De verstoringsdiepte voor de graafwerkzaamheden ter hoogte van de kabelgoot zal ca. 2,1 m beneden maaiveld zijn. Ook ter hoogte van het onderstation zullen de graafwerkzaamheden bij de veldportalen tot minimaal die diepte gaan om de kabel aan te sluiten op het onderstation. De (toegangs)wegen zullen een wegcunet krijgen van minimaal 0,6 m diep. Mogelijk vindt er ook nog ophoging van het terrein plaats. Daarnaast worden heipalen geplaatst, maar deze behoeven conform het gemeentelijk beleid geen onderzoek. Als onderzoeksdiepte is gekozen voor een buffer van 30 cm onder de maximale ingreepdiepte dus tot 2,4 m -mv.

KSP Archeologie

27

3.2

Beschrijving van de werkzaamheden

De exacte boorlocaties voor de verkennende en karterende fase zijn uitgezet met een handheld GPS toestel. De kruisraai voor de waarderende fase is uitgezet met een meetlint rondom het centrumpunt. De hoogteligging van de boringen ten opzichte van NAP is geschat op basis van het AHN3.

Kabeltracé Voor zover de terreinomstandigheden (sloten, drains, kabel en leidingen) het toelieten, is een boorraai gezet met om de 50 m een boring. In 2020 is een aanpassing gemaakt in het tracé direct ten westen van het onderstation. De boringen H08, H48A, H49A, H11 en H12 zijn geplaatst ter hoogte van de hartlijn van het concept-tracé uit 2019. In het ontwerp uit 2020 is de hartlijn van het tracé aan de noordzijde van perceel 533 gepland. Tussen de boringen en de noordelijke zijde van het onderzoeksgebied voor de kabel zit minder dan 40 m, waardoor de genoemde boringen nog steeds bruikbaar zijn om de archeologische verwachting te toetsen bij het aangepaste tracé. Voor deze wijziging in het ontwerp zijn dus geen extra boringen noodzakelijk.

Onderstation Voor zover de terreinomstandigheden (sloten, kabel en leidingen) het toelieten, is een boorgrid van 40 x 50 m gebruikt, waarbij de afstand tussen de raaien 40 m en de afstand tussen de boringen 50 m bedraagt. Voor een optimale verdeling van de boringen verspringt het beginpunt van een raai 25 m ten opzichte van de naastgelegen raai.

Perceel Bolsward C69 en Perceel C274 Ter hoogte van de voormalige huisplaats op perceel C69 en de boring met het laatmiddeleeuwse aardwerk (O57A) op perceel C274 zijn twee kruisraaien geplaatst. De onderlinge afstand tussen de boringen is 15 m. De verkennende en karterende boringen zijn geplaatst met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Onder de grondwaterspiegel (beneden 1,0 à 1,2 m) zijn de boringen geplaatst met een guts met een diameter van 3 cm. De boringen van de verkennende/karterende fase zijn uitgevoerd tot minimaal 30 cm onder de verstoringsdiepte (tot 2,4 m-mv). Door het zetten van boringen met de guts per meter is in de praktijk vaak tot 3 m -mv geboord. Lokaal is ondieper geboord, omdat door de stugge kleilaag het traject tussen 1 en 2 m -mv niet in één gutssteek te bemonsteren was. De waarderende boringen zijn geplaatst met een Edelmanboor met een diameter van 12 cm ter hoogte van de oeverafzettingen. In de zware klei waren boringen met een diameter van 12 cm niet haalbaar en is met de 7 cm Edelmanboor geboord. De waarderende boringen zijn in overleg met de gemeentelijk archeoloog doorgezet tot 30 cm onder het potentiële archeologische niveau. De centrale boring (O40A) bij vindplaats “Kleine Klaver” is dieper doorgezet als een verkennende/karterende boring.

Het opgeboorde sediment is verbrokkeld en versneden en met het blote oog geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals houtskool, vuursteen en aardewerk. De boringen zijn beschreven conform de NEN 5104 en de bodemclassificatie volgens De Bakker & Schelling (1989) (Bijlage 5). 3.3

Milieukundig veldonderzoek en boorpuntnummering

In het onderzoeksgebied is parallel aan het archeologisch onderzoek ook een milieukundig onderzoek uitgevoerd. Aangezien voor het milieukundig onderzoek ook boringen gezet werden tot veelal 2,5 m mv was in eerste instantie de wens om milieukundig- en archeologisch veldonderzoek te combineren. Bij het milieukundig booronderzoek zijn bij een groot aantal boringen ook asbestgaten (30 x 30 cm tot 50 cm -mv) gegraven, waarbij het sediment gezeefd is over een grove zeef. De afstand tussen boringen

KSP Archeologie

28

is door de geplande samenwerking niet exact 50 m. Het boorgrid of de boringen in de boorraai mochten in overleg met de gemeente tot 10 m verschoven worden om zo synchronisatie mogelijk te maken tussen het milieukundig en archeologische booronderzoek. Op basis hiervan is een boorplan gemaakt. In de praktijk was het combineren om logistieke redenen (o.a. aantal boringen per dag en aantal boringen per locatie en de maatregelen vanwege de Corona uitbraak) niet tot beperkt mogelijk. Voor het milieukundig onderzoek is het onderzoeksgebied opgedeeld in deellocaties (A t/m W), deze letters vormen het eerste deel van de boornummers. Bij elke locatie begint het volgnummer weer bij 1. De boringen hebben daarom codes als (H01, H02, B01 etc.). Voor de aanvullende waarderende fase op perceel C274 zijn de boringen gelabeld met de letters WA1 t/m WA16. Daar waar een extra boring tussen de milieukundige boringen nodig was voor het archeologisch onderzoek is deze uitgedeeld in het boorplan en heeft deze het eerstvolgende volgnummer binnen de locatie gekregen. Om duidelijk te maken dat dit enkel om een archeologische boring ging, hebben deze een A gekregen achter het boornummer (bijv. H48A). Niet alle milieukundige boorlocaties vielen ook samen met het archeologisch onderzoek, mede door extra onderzoek nabij sloten.

Voor het onderstation bleek synchronisatie van de boorgrid zeer lastig en is veelal voor het booronderzoek voor eigen boorlocaties gekozen. Uiteindelijk zijn de boringen in meerdere fases uitgevoerd en was er sprake van wijzigingen in de omvang van het onderzoeksgebieden en zijn de boorplannen van zowel het milieukundig als het archeologisch booronderzoek aangepast, waardoor er meer milieukundige boringen in bepaalde onderzoekslocaties nodig waren. Deze extra boringen zijn uitgedeeld in de reeds bestaande volgnummers voor het milieukundig booronderzoek. Hierdoor kan een vergelijkbare boorlocatie in het archeologisch en milieukundig booronderzoek een ander boornummer gekregen hebben. 3.4

Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens

3.4.1

Sediment

Het sediment in de bovenste 50 tot 80 (lokaal tot 120 cm) cm bestond uit sterk siltige klei (lichte klei) of zwak tot sterk zandige klei (zavel). Deze laag is geïnterpreteerd als de oeverafzetting van de Marne (horizonten met een 1 ervoor in Bijlage 5). Deze zijn op basis van de landschappelijke ontwikkeling in het bureauonderzoek in de Middeleeuwen afgezet (Duinkerke I en II). Onder deze afzetting kwam veelal zwak tot matig siltige klei (zware klei), lokaal sterk siltige klei (lichte klei) voor. De overgang was abrupt. Zware klei wordt afgezet op grotere afstand van de bron. De zware klei is daarom geïnterpreteerd als kwelderbekken-afzetting die verder van de kust of een erosiegeul is afgezet (horizonten met een 2 ervoor). Deze zal in het plangebied zijn afgezet voorafgaand aan het doorbreken van de Marne. Op basis van het bureauonderzoek zijn deze afgezet in de Late IJzertijd (Duinkerke I). Tussen 1,5 en 2,0 m -mv werd de laag geleidelijk zandiger en/of siltiger of kwamen zandlaagjes voor tussen de klei. Lokaal was er ook sprake van plantenresten.

Deze afzetting is slecht te onderscheiden van de overige afzettingen en heeft daarom een wisselende interpretatie in de boorstaten gekregen van kwelderbekkenafzettingen (horizonten met een 2 ervoor), wadafzettingen (horizonten met een 3 ervoor) of als overgangslaag (horizonten met een 2/3 ervoor of een 3 ervoor als er horizonten met en 4 ervoor voorkomen in de boorstaten). Volgens het bureauonderzoek zou de eerste fase van deze afzettingen in de Late Bronstijd geplaatst moeten worden (Duinkerke 0), maar waren de afzettingen pas in de Vroege IJzertijd in de regio voor het eerst bewoond. Vanaf 2,0 m -m was het sediment wisselend van textuur, maar over het algemeen bestond het uit humeuze, zwak zandige vaak plantenrestenhoudend sediment (horizonten met een 3 ervoor of horizonten met een 4 ervoor als de Duinkerke 0 afzettingen te onderscheiden waren). Dit lijken afzettingen die in een waddenmilieu zijn afgezet. In de diepere boringen van het milieukundig onderzoek komen tot de einddiepte (6 m-mv) vaak enkel kleiige afzettingen voor. Lokaal is veen op (dek)zand waargenomen tussen 5 à 6 m-mv (De Rijck 2020)

KSP Archeologie

29

Alle afzettingen waren veelal kalkrijk, in de waddenmilieu-afzettingen komen grotere schelpenresten voor. De kwelderbekkenafzettingen waren lokaal kalkarm. Ten tijde van het onderzoek voor het onderstation waren de percelen recent bekalkt/begipst. De afzettingen van Duinkerke I en III bij het tracé ten oosten van het geplande onderstation waren kalkarm. De afzettingen van Duinkerke 0 waren hier vrijwel altijd goed te onderscheiden op basis van de textuur en waren kalkarm.

3.4.2

Bodem

In de top van de oeverafzettingen kwam een bouwvoor (1A-horizont) voor van 30 tot 60 cm die veelal iets zwaarder was qua textuur dan de rest van de oeverafzettingen. Er was een scherpe overgang tussen de 1A en 1C horizont. Lokaal kwam (veel) roest voor in de bouwvoor. Dit kan het gevolg zijn van regenwater dat periodiek tot aan het maaiveld blijf staan, mogelijk als gevolg van de stugge afzettingen die binnen 1 m -mv liggen. In januari werd het veldwerk uitgevoerd in een periode met veel regen en toen waren de terreinen ook plasdras. In de oeverafzettingen kwamen lokaal ook enige roest- en mangaanvlekken voor (1Cg-horizont). In de kwelderbekkenafzettingen komt een begraven humeus niveau (laklaag) voor van enkele centimeters tot 15 cm (2A-horizont). Dit niveau komt veelal voor op enige decimeters diep in de kwelderbekkenafzetting, lokaal ook in de top. Er zijn ook boringen waar geen laklaag in de kwelderbekkenafzettingen is waargenomen. In de waarderende fase naar vindplaatsen in de top van de oeverafzettingen is niet altijd bepaald of er (op een dieper niveau) een laklaag aanwezig was.

Globaal gezien komt de laklaag vooral voor op de hoger gelegen oeverwallen (Figuur 12), zoals begrensd op de geomorfologische kaart (Bijlage 1) en het AHN / de zones met een hoge specifieke verwachting voor de Vroege Middeleeuwen gecombineerd met een middelhoge verwachting voor de IJzertijd-Romeinse tijd (Figuur 11)

Figuur 12: Verspreiding van laklagen in de afzettingen van zware klei geprojecteerd over het AHN (www.ahn.nl)

KSP Archeologie

30

Dat boven de waargenomen laklaag ook zware klei voorkomt duidt mogelijk op erosie van een deel van de zware kleilaag en twee afzettingsfases binnen de zware klei. Mogelijk was er een tweede laklaag aanwezig. Deze hypothese komt voort uit de waarneming van handgevormd aardewerk in de zware klei boven de laklaag in de waarderende fase op perceel C274. Een laklaag geeft een stilstandsfase van de mariene invloed aan. Een laklaag in de top va de kwelderbekkenafzettingen zal gevormd zijn voorafgaand aan het doorbreken van de Marne in de Middeleeuwen en een dergelijke laklaag wordt daarom in de Romeinse tijd geplaatst. Een dieper gelegen laklagen zou kunnen duiden op een oudere stilstandsfase uit de Vroege IJzertijd in de top van de Duinkerke 0 afzettingen die afgezet zijn in de Late Bronstijd. Er zijn echter geen boringen in het plangebied waar twee laklagen voorkomen, een in de top en één dieper in de komklei. Het is ook mogelijk dat in de boringen waar de laklaag in de top van de zware klei is waargenomen de bovenliggende klei is geërodeerd. De bovenkant van de kwelderbekkenafzettingen hebben altijd ijzer (en mangaan) vlekken (2Cg-horizont) en worden tussen 1,2 en 1,5 m-mv gereduceerd (2Cr-horizont) In de Duinkerke 0 afzettingen (onderdeel van de 2C-horizonten, 2/3C of, indien 4C-afzettingen zijn aangegeven de daarboven gelegen 3C afzettingen) is geen bodemvorming waargenomen.

De afzettingen waren gereduceerd. De wadafzettingen (3C of 4C-horizonten indien 3C is gedefinieerd) zijn vaak geheel humeus en waren slap (ongerijpt) indien ze bestonden uit siltige klei. Dit bevestigt het beeld van de afzetting op/onder de waterspiegel. 3.5

Archeologische indicatoren en waardering van de vindplaatsen

Bij de controle van het opgeboorde bodemmateriaal zijn in diverse boringen rood- en geelbakkend baksteenpuin, witte en gele mortel, (geglazuurd) roodbakkend aardewerk en in enkele boring bot, een pijpensteeltje, faience aardewerk en steengoed aangetroffen. Alle vondsten komen uit de bouwvoor of uit dempingslagen en vullingen van voormalige sloten. Verspreid over het terrein komen boringen voor met enkele baksteenspikkels. Dergelijke kruimels zijn niet determineerbaar en worden als ‘mestaardewerk’ beschouwd. Het geborgen vondstmateriaal (Bijlage 6) is gedetermineerd door Arthur Griffioen (ABGriffioen), aardewerkspecialist Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De vondsten zijn verzameld op twee deellocaties/vindplaatsen.

Waardering

De vindplaatsen zijn gewaardeerd conform protocol 4003, VS06 op de beleving (schoonheid en herinneringswaarde), fysieke kwaliteit (gaafheid en conservering) en op de inhoudelijke kwaliteit (zeldzaamheid, informatiewaarde, ensemblewaarde en representativiteit). Voor elk onderdeel (m.u.v. representativiteit en beleving) kunnen 1 tot 3 punten gescoord worden. Ten eerste wordt nagegaan of vindplaatsen vanwege hun belevingswaarde, op basis van hun schoonheid of herinneringswaarde, als behoudenswaardig getypeerd kunnen worden. Indien dit niet het geval is worden de vindplaatsen vervolgens op hun fysieke kwaliteit beoordeeld. Een monument wordt op basis van fysieke kwaliteit als in principe behoudenswaardig aangemerkt, indien de criteria gaafheid en conservering samen bovengemiddeld (vijf of zes punten) scoren. Bij een middelmatige tot lage score (vier punten of minder), wordt naar de inhoudelijke kwaliteitscriteria gekeken om te bepalen of een vindplaats toch behoudenswaardig is. Indien ook die middelmatig tot laag is wordt gekeken of de vindplaats op basis van de representativiteit behoudenswaardig is. Vindplaats Kleine Klaver Bolsward Sectie C Perceel 69 Indicatoren zijn waargenomen bij de voormalige huisplaats Kleine Klaver (perceel 69) en de sloten die daaromheen liggen. Bij de sloten was rond 1,2 m -mv een sliblaag aanwezig, die de onderzijde van de voormalige sloot vormt.

Daarboven een verstoring door het ingraven en later weer dempen van de

KSP Archeologie

31

sloten. Ook in de milieukundige boringen/asbestgaten is in de gedempte sloten rondom het perceel Bolsward C69 en de sloot ten noorden van het zuidelijke perceel vondstmateriaal waargenomen. In de archeologische boringen is rood- en geelbakkend (IJsselstenen) baksteenpuin en fragmenten roodbakkend geglazuurd aardewerk aangetroffen. Ook is een dun pijpensteeltje aangetroffen. Het vondstmateriaal geeft aan dat de huisplaats in de Nieuwe tijd (1700-1900) aanwezig was. Er is geen vondstmateriaal uit de (Late) Middeleeuwen aangetroffen, waardoor de huisplaats geen middeleeuwse voorgangers lijkt te hebben. Op historisch kaartmateriaal is de huisplaats aanwezig vanaf de oudst beschikbare kaart uit 1718 en dat de huisplaats tussen 1909 en 1931 gesloopt is. Dit lijkt de enige bewoningsfase op perceel Bolsward Sectie C Perceel 69. De bewoner van Witmarsumerweg 10 (gebouwd in 1920 volgens de BAG) gaf aan dat zijn boerderij ook wel eens Kleine Klaver wordt genoemd. De sloop van Kleine Klaver op perceel C69 tussen 1909 en 1931 en bouw op Witmarsumerweg 10 rond 1920 ondersteunen deze theorie. Beleving De vindplaats Kleine Klaver is niet meer in het huidige landschap te herkennen, omdat de boerderij is gesloopt en omringende sloten gedempt zijn. Het is een lager gelegen deel dat ook niet een terplocatie is of geweest lijkt te zijn.

Er zijn in de boringen ook geen cultuurlagen waargenomen die toch op een terp wijzen. Hierdoor heeft de vindplaats geen belevingswaarde meer. Dergelijke vindplaatsen worden vervolgens beoordeeld op de fysieke kwaliteit om te bepalen of een vindplaats toch behoudenswaardig is. Fysieke kwaliteit De conservering van organisch materiaal en metalen zal beperkt zijn, aangezien de vindplaats periodiek boven het grondwater staat. Tijdens het onderzoek zijn wel goed geconserveerde fragmenten aardewerk gevonden. Er is sprake van een gemiddelde conservering (2 punten). Tijdens het booronderzoek zijn geen diepe verstoringen waargenomen, maar het vondstenniveau lijkt opgenomen te zijn in de bouwvoor. Diepere grondsporen/bouwresten zullen naar verwachting intact in de bodem aanwezig zijn, met uitzondering van het deel van de vindplaats dat zal zijn vergraven bij de aanleg van de persleiding ten oosten van de Klaverweg. Lokaal lijken nog fundamenten aanwezig te kunnen zijn, aangezien boring O44 stuitte op hard materiaal. Op basis van deze gegevens is de gaafheid als gemiddeld beoordeeld (2 punten). De fysieke kwaliteit van de vindplaats komt hiermee uit op middelmatig (4 punten). Vindplaatsen met een fysieke kwaliteit van 5 of meer punten zijn in principe behoudenswaardig.

Een vindplaats met een middelmatige tot lage score op de fysieke kwaliteit (vier punten of minder) wordt nader beoordeeld op de inhoudelijke kwaliteit om te bepalen of deze behoudenswaardig is. Inhoudelijke kwaliteit Boerderijen uit de Nieuwe tijd zijn niet zeldzaam binnen de regio (lage score, 1 punt). De informatiewaarde van de vindplaats is dan ook beperkt (1 punt), want er is geen sprake van een geografische, chronologische of inhoudelijke/thematische kennislacune. Vindplaatsen uit de Nieuwe tijd komen ook voor op terplocaties en dergelijke locaties zijn nog steeds aanwezig in het Friese archeolandschap. Dergelijke locaties kunnen beter onderzocht worden in combinatie met de terpen. Er zal qua ensemblewaarde een relatie zijn met de meer naar het zuidoosten gelegen huisplaats Groot Schettens en mogelijk met de nog nader te begrenzen en te waarderen vindplaats in het zuidoosten van perceel Bolsward C274. Daarom is een gemiddelde ensemblewaarde toegekend (2 punten). De inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats komt hiermee uit op 4 punten. Vindplaatsen met een inhoudelijke kwaliteit van 7 of meer punten zijn in principe behoudenswaardig. Representativiteit Vindplaatsen met een lagere inhoudelijke kwaliteit, zoals Kleine Klaver, worden vervolgens beoordeeld op hun representativiteit om te bepalen of de vindplaats toch behoudenswaardig is.

Representativiteit is een tegenhanger van zeldzaamheid. De exacte aard van de vindplaats is nog niet vastgesteld, maar er

KSP Archeologie

32

is geen sprake van een terp, wat de meest representatieve type vindplaats in de regio is. Er is daardoor ook geen sprake van een bovengemiddelde hoge representativiteit, waardoor de huisplaats Kleine Klaver op perceel Bolsward Sectie C Perceel 69 als niet-behoudenswaardig wordt gewaardeerd. Vindplaats in het centrale deel van perceel Bolsward C274 In archeologische boring O57A en de daaromheen gelegen milieukundige asbestgaten O32, 33, 34 en 36 is een concentratie baksteenpuin, aardewerk, mortel en bot aangetroffen. De vindplaats heeft in hoofdzaak vergelijkbaar vondstmateriaal als de vindplaats Kleine Klaver. Maar de vindplaats omvat ook botmateriaal in asbestgat O36 en in boring O57A een fragment steengoed met een oppervlaktebehandeling van zoutglazuur/ijzerengobe van vermoedelijk een kan gemaakt in de omgeving van Langewehe in de periode 1300-1500 (Late Middeleeuwen). Deze vindplaats is in de karterende fase vastgesteld en zou gezien de mogelijk laatmiddeleeuwse ouderdom wel behoudenswaardig kunnen zijn. In augustus 2020 is deze vindplaats nader gewaardeerd. Tijdens de waarderende fase zijn in de twee boringen ten zuiden van boring O57A, boringen WA5 en WA6 in de oeverafzettingen geglazuurde aardewerkfragmenten aangetroffen die respectievelijk dateren uit de periode 1500-1700 en 1600-1800.

De vindplaats lijkt op basis van het ontbreken van vondstmateriaal aan de noordzijde begrensd bij boring WA4. De begrenzing aan de zuidzijde is niet vastgesteld, maar kan tot aan de Witmarsumerweg doorlopen. Op de meest centrale boring met aardewerk (boring WA5) is een dwarsraai gezet om de vindplaats in oost-west richting te begrenzen. In deze boringen zijn geen indicatoren aangetroffen die specifiek in de Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd Vroeg – Midden konden worden gedateerd. Naar het westen toe zijn in boringen WA9 en WA10 onder de bouwvoor (respectievelijk 30 à 50 cm en 30 à 55 cm) puinlagen waargenomen met baksteen en mortelgruis. Dit kan samenhangen met de vindplaats en/of met een verontreinigde locatie die tijdens het milieuonderzoek is vastgesteld. Het is niet uitgesloten dat de verontreiniging samenhang met de vindplaats. In boring WA16 zijn geen antropogene indicatoren waargenomen, de vindplaats lijkt begrensd aan de westzijde. Ten oosten van de geplande toegangsweg kwam in boring WA11 en WA12 direct onder de bouwvoor, in deze zone 30 à 70 cm, al zware klei voor met baksteenpuin. Onder deze laag kwam een zone voor met fosfaatvlekken tot 100 cm, met daaronder de laklaag. In boring WA12 zijn in de fosfaatrijke laag aardewerkfragmenten uit de late-prehistorie of Romeinse tijd waargenomen.

Boring WA13 en WA15 sluiten qua bodemopbouw aan bij de eerdere karterende boringen in deze zone, zonder archeologische indicatoren en met een dik pakket aan oeverafzettingen. In de tussengelegen boring WA14 komt een matig dik oeverpakket voor, maar is onder de oeverafzetting, rond 60 à 70 cm weer een fragment handgevormd aardewerk aangetroffen. Gezien de ouderdom van de fragmenten is tussen boringen WA11 en WA14 de kern van een derde vindplaats aanwezig, die afzonderlijk behandeld wordt verderop in deze paragraaf. Beleving De vindplaats “Boerderij C274” is niet meer in het huidige landschap te herkennen, omdat de boerderij is gesloopt. De vindplaats ligt op een hogere rug langs de Marne, waardoor mogelijk geen terp opgericht hoefde te worden. Hierdoor heeft de vindplaats geen belevingswaarde meer. Dergelijke vindplaatsen worden vervolgens beoordeeld op de fysieke kwaliteit om te bepalen of een vindplaats toch behoudenswaardig is. Fysieke kwaliteit De conservering van organisch materiaal en metalen zal beperkt zijn, aangezien de vindplaats periodiek boven het grondwater staat. Tijdens het onderzoek zijn wel goed geconserveerde fragmenten aardewerk gevonden. Er is sprake van een gemiddelde conservering (2 punten). Tijdens het milieukundig booronderzoek zijn verontreinigingen waargenomen op perceel C274.

Een deel van de lagen in de boringen met bouwpuin, baksteen- en mortelspikkels (boringen WA9 en WA10) kan eventueel ook duiden op diepe verstoringen, maar dergelijke verstoringen kunnen ook archeologische sporen zijn die

KSP Archeologie

33

samenhangen met de vindplaats. Op basis van deze gegevens is de gaafheid als gemiddeld beoordeeld (2 punten). De fysieke kwaliteit van de vindplaats komt hiermee uit op middelmatig (4 punten). Vindplaatsen met een fysieke kwaliteit van 5 of meer punten zijn in principe behoudenswaardig. Een vindplaats met een middelmatige tot lage score op de fysieke kwaliteit (vier punten of minder) wordt nader beoordeeld op de inhoudelijke kwaliteit om te bepalen of deze behoudenswaardig is. Inhoudelijke kwaliteit Boerderijen uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd vroeg, die in de latere periode zijn verlaten, zijn zeldzaam binnen de regio (3 punten). De informatiewaarde van de vindplaats is dan ook bovengemiddeld (3 punten). Er zal qua ensemblewaarde een relatie zijn met de meer naar het oosten gelegen huisplaats Groot Schettens en de voormalige boerderijlocatie Klein Schettens. Daarom is een gemiddelde ensemblewaarde toegekend (2 punten). De inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats komt hiermee uit op 8 punten. Vindplaatsen met een inhoudelijke kwaliteit van 7 of meer punten zijn behoudenswaardig. De vindplaats “Boerderij perceel C274” is daarmee behoudenswaardig. Vindplaats in het zuidoostelijke deel van perceel C274 In boringen WA12 en WA14 is handgevormd aardewerk uit de late prehistorie of Romeinse tijd aangetroffen in de top van de komafzettingen boven een laklaag.

Gezien de ligging daarboven is een vindplaats uit de Late IJzertijd tot en met Romeinse tijd het meest aannemelijk. Dit is de derde vindplaats in het plangebied. Deze is aangetroffen, maar nog niet begrensd. Naar verwachting zal de vindplaats naar het noorden en zuiden doorlopen haaks op de Marne. De begrenzing naar het oosten toe is nog onduidelijk, omdat er maar één boring zonder archeologische indicatoren in die richting ligt. Daarmee kan de vindplaats ook ten oosten van het plangebied doorlopen. De vindplaats lijkt niet naar het westen door te lopen, daar zijn in de boringen geen aanwijzingen gevonden voor een vindplaats in de onderliggende zware klei. Een volledige waardering van deze vindplaats is nog niet te geven. Aangezien de vindplaats enkel is waargenomen waar de zware klei ondiep voorkomt, is het mogelijk dat grote delen van de vindplaats verspoeld zijn bij de vorming van de oevers van de Marne. Het sediment van de oevers is vrij licht van aard (lichte zavel, soms zandig) waardoor dit zand nog bij een vrij hoge stroomsnelheid zal zijn afgezet. Mogelijk waren er twee fases in de afzetting van de zware klei en is enkel de bovenste fase geërodeerd. Een laatprehistorische of Romeinse vindplaats is zeldzaam voor het gebied. De vindplaats kan op basis van de boorgegevens nog niet inhoudelijk gewaardeerd worden.

Vanwege de verwachte intactheid van het vondst- en spoorniveau op minimaal een deel van de vindplaats, zal de vindplaats behoudenswaardig zijn na een waardering op basis van de inhoudelijke kwaliteit. De belevingswaarde en fysieke kwaliteit (deels verspoeld) van deze vindplaats zijn niet bovengemiddeld. 3.6

Toetsing van de archeologische verwachting

In het bureauonderzoek was voor het onderstation en het tracé ten westen ervan, m.u.v. van het deel tussen de A7 en de Witmarsumerweg, een middelhoge verwachting opgesteld voor vindplaatsen uit de periode IJzertijd – Romeinse tijd en een middelhoge tot hoge verwachting voor de Middeleeuwen. Aan het tracé ten oosten van het geplande onderstation tot aan de bestaande hoogspanningsverbinding is in het bureauonderzoek een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de IJzertijd tot en met Romeinse tijd gegeven, omdat hier naar verwachting goed bewerkbare en hoger gelegen kleigronden in de IJzertijd en Romeinse tijd aanwezig kunnen zijn. Op perceel Bolsward C69 was tevens sprake van een hoge verwachting voor een huisplaats uit de Nieuwe tijd. Ter hoogte van perceel Bolsward Sectie C Perceel 69 is de verwachte vindplaats Kleine Klaver aangetroffen. Aan de hand van historische kaartmateriaal is bekend dat deze vindplaats in de 18 e tot 20e eeuw aanwezig is geweest. De aangetroffen sloten bevestigen de begrenzing van de vindplaats en het vondstmateriaal komt ook overeen met de periode 1700-1900. De vindplaats komt voor in de top van

KSP Archeologie

34

de oeverafzettingen van de Marne vanaf het maaiveld. Vindplaats Kleine Klaver (vindplaats 1) heeft geen bovengemiddelde belevingswaarde, fysieke kwaliteit, inhoudelijke kwaliteit of representativiteit en is daardoor als niet-behoudenswaardig gewaardeerd. Tijdens het veldonderzoek is een intact humeus niveau waargenomen in de top van de oeverafzettingen van de middeleeuwse Marne (de huidige bouwvoor). Deze afzettingen behouden op basis van de verkennende fase (de landschappelijke ligging) een (middel)hoge verwachting voor de Middeleeuwen. In het oostelijke tracé was vaak de bouwvoor ook zwak tot sterk zandig, maar kwam daaronder vaak direct de kwelderbekkenafzettingen voor. De lage verwachting voor de Middeleeuwen kan hier verhoogd worden naar middelhoog, omdat de oeverafzettingen lichter zijn dan verwacht. Veelal ontbreken echter archeologische indicatoren in de karterende fase, waardoor bij het onderstation en grote delen van het tracé ten westen en oosten van het onderstation de archeologische verwachting naar een laag kan worden bijgesteld, met uitzondering van het centrale deel van perceel Bolsward C274. In het centrale deel van perceel Bolsward C274 is een tweede vindplaats aangetroffen en gewaardeerd. Op basis van het vondstmateriaal gaat het om een vindplaats die uit de Late Middeleeuwen dateert en door kan lopen tot het begin van de 18e eeuw.

De huisplaats staat niet aangegeven op de Schotanuskaart van 1718. Mogelijk is dit de voorloper van de Kleine- en mogelijk de Grote Klaver huisplaats. Deze vindplaats is op basis van de verwachte ouderdom zeldzaam en daardoor op inhoudelijke gronden behoudenswaardig. De vindplaats lijkt enkel voor te komen in het centrale en zuidelijke deel van de werkweg en een omvang te hebben van 30 à 45 m in noord-zuid richting. De vindplaats lijkt naar het oosten toe begrensd. De westelijke begrenzing is onduidelijk. Dit kan op basis van lagen met baksteenpuin een vrij ruime zone zijn geweest, maar hier kan op basis van milieukundige verontreinigingen ook sprake zijn van een verstoring of een verstoord deel van de vindplaats. In de kwelderbekkenafzettingen komt vaak een humeus niveau voor, lokaal bij het onderstation en bij het tracé ten westen van het onderstation en in de gehele oostelijke helft van het tracé ten oosten van het onderstation ontbreekt het humeuze niveau. Ook waar wel een humeus niveau aanwezig is, is hierin echter in de meeste zones geen vondstmateriaal of archeologische indicator als houtskool of fosfaat aangetroffen in de karterende fase, wat de lage verwachting bevestigt. Boven het humeuze niveau is tijdens de waarderende fase voor vindplaats 2 handgevormd aardewerk en/of fosfaat waargenomen tussen boringen WA11 en WA14.

Rondom deze boringen kan de archeologische verwachting voor de late prehistorie - Romeinse tijd aangepast worden naar een zeer hoge verwachting. De dieper gelegen afzettingen uit de Late Bronstijd bevatten geen humeuze niveaus en zijn veelal zwaar van textuur net als de bovenliggende kwelderbekkenafzettingen uit de Late IJzertijd. Op basis van de verkennende fase (bodemopbouw) kan daarom veelal de middelhoge verwachting voor de periode late prehistorie – Romeinse tijd naar laag worden bijgesteld.

KSP Archeologie

35

4

Conclusie en advies

4.1

Conclusie

Op basis van de landschappelijke ligging heeft het gehele onderzoeksgebied, op het Middeleeuwse dal van de Marne na, een middelhoge verwachting voor resten uit de IJzertijd en Romeinse tijd op enige diepte (vanaf ca. 80 cm -mv). In de Middeleeuwen ligt het plangebied deels op de hoge oevers (hoge verwachting), middelhoge oevers (middelhoge verwachting) en deels in de geul- en komzone van de Marne (lage verwachting). Voor de Nieuwe tijd geldt veelal een lage verwachting, behalve op perceel Bolsward Sectie C69 en C70. Op perceel Bolsward C69 geldt een hoge archeologische verwachting voor een huisplaats uit de periode 1718-1909 of ouder. Op de oostelijke helft van perceel C70 kunnen nog resten aanwezig zijn van de historische Marnedijk (zie Figuur 11). Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende/karterende fase. Voor de percelen Bolsward C69 en C274 is ook een waarderend booronderzoek uitgevoerd. Ter hoogte van het middels een open ontgraving aan te leggen tracé ten westen en oosten van het onderstation en bij het geplande onderstation komt een opeenvolging voor van middeleeuwse oeverafzettingen van de Marne op kwelderbekkenafzettingen en wadafzettingen.

In de top van de oeverafzettingen is de huidige bouwvoor ontwikkeld en in de top of nabij de top van de kwelderbekkenafzettingen komt veelal een laklaag voor die tot de waarderende fase op perceel C274 in de Romeinse tijd werd geplaatst. Door het voorkomen van archeologische indicatoren in de kleilaag erboven is een hypothese dat de top van de zware klei afzettingen (de oorspronkelijke laklaag) geërodeerd is en dat de aangetroffen laklagen mogelijk ouder zijn. Er komen met uitzondering van de gedempte sloten geen diepe verstoringen voor. In de bouwvoor en de rondom de dieper gelegen laklaag zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen in de karterende fase, met uitzondering van de volgende twee zones: • Ter hoogte van perceel Bolsward C69 is de verwachte vindplaats Kleine Klaver aangetroffen. Aan de hand van historische kaartmateriaal is bekend dat deze vindplaats in de 18 e tot 20e eeuw aanwezig is geweest. De aangetroffen sloten bevestigen de begrenzing van de vindplaats en het vondstmateriaal komt ook overeen met de periode 1700-1900. De vindplaats komt voor in de top van de oeverafzettingen van de Marne vanaf het maaiveld. Vindplaats Kleine Klaver heeft geen bovengemiddelde belevingswaarde, fysieke kwaliteit, inhoudelijke kwaliteit of representativiteit en is daardoor als niet-behoudenswaardig gewaardeerd.

• In het centrale deel van perceel Bolward C274 is een tweede vindplaats aangetroffen. Op basis van het vondstmateriaal gaat het om een vindplaats die uit de Late Middeleeuwen kan dateren, maar niet meer aanwezig is op de Schotanuskaart van 1718. Mogelijk is dit de voorloper van de Kleine- en de Grote Klaver huisplaats. Ook deze vindplaats komt voor in de top van de oeverafzettingen van de Marne. Deze vindplaats is op basis van zijn inhoudelijke kwaliteit behoudenswaardig. Bij de waardering van de tweede vindplaats is een derde vindplaats waargenomen die in het oostelijke deel van perceel C274 is gelegen. Deze vindplaats komt op een dieper niveau voor, net boven de laklaag die vermoedelijk uit de Romeinse tijd stamt. In deze bovenliggende laag is handgevormd aardewerk aangetroffen uit de late prehistorie en/of Romeinse tijd. Een mogelijk vierde vindplaats betreft het dijklichaam van de Witmarsumerweg, die al in het bureauonderzoek is aangetroffen. 4.2

Beantwoording van de onderzoeksvragen •

Verkennende fase: Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact?

Ter hoogte van het middels een open ontgraving aan te leggen tracé ten westen en oosten van het onderstation en het geplande onderstation komt een opeenvolging voor van middeleeuwse

KSP Archeologie

36

oeverafzettingen van de Marne op kwelderbekkenafzettingen en wadafzettingen. In de top van de oeverafzettingen is de huidige bouwvoor ontwikkeld en in de top of nabij de top van de kwelderbekkenafzettingen komt veelal een laklaag voor. Er komen met uitzondering van de gedempte sloten geen diepe verstoringen voor. •

Karterende fase: Zijn in het plangebied aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats, zo ja, wat is te zeggen over de vermoedelijke aard, datering en omvang (horizontaal en verticaal)?

In de bouwvoor en de laklaag zijn met uitzondering van twee vindplaatsen geen archeologische indicatoren aangetroffen in de karterende fase. Ter hoogte van perceel Bolsward C69 is de verwachte vindplaats Kleine Klaver aangetroffen. Aan de hand van historische kaartmateriaal is bekend dat deze vindplaats in de 18e tot 20e eeuw aanwezig is geweest. De aangetroffen sloten bevestigen de begrenzing van de vindplaats en het vondstmateriaal komt ook overeen met de periode 1700-1900. De vindplaats komt voor in de top van de oeverafzettingen van de Marne vanaf het maaiveld. In het centrale deel van perceel Bolsward C274 is een tweede vindplaats aangetroffen. Op basis van het vondstmateriaal gaat het om een vindplaats die uit de Late Middeleeuwen kan dateren, maar niet meer aanwezig is op de Schotanuskaart van 1718. Mogelijk is dit de voorloper van de Kleine- en mogelijk de Grote Klaver huisplaats. Ook deze vindplaats komt voor in de top van de oeverafzettingen van de Marne. •

Waarderende fase: Welke waardering kan gegeven worden aan vindplaats Kleine Klaver en is de vindplaats behoudenswaardig?

Vindplaats Kleine Klaver heeft geen bovengemiddelde belevingswaarde, fysieke kwaliteit, inhoudelijke kwaliteit of representativiteit en is daardoor niet behoudenswaardig. •

Waarderende fase: Welke waardering kan gegeven worden aan de vindplaats op perceel C274 en is de vindplaats behoudenswaardig?

De vindplaats “Boerderij perceel C274” heeft geen bovengemiddelde belevingswaarde of fysieke kwaliteit, maar is op basis van de bovengemiddelde inhoudelijke kwaliteit (zeldzaam en hoog informatiegehalte) behoudenswaardig.

Tijdens de waarderende fase is een derde vindplaats aangetroffen. Deze derde vindplaats dateert uit de late prehistorie of Romeinse tijd en komt voor vanaf ca. 70 cm-mv. De exacte begrenzing van de vindplaats moet nog bepaald worden indien in deze zone ingrepen gepland staan. •

Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd?

In het bureauonderzoek was voor het onderstation en het tracé ten westen ervan, m.u.v. van het deel tussen de A7 en de Witmarsumerweg een middelhoge verwachting opgesteld voor vindplaatsen uit de periode IJzertijd – Romeinse tijd en een middelhoge tot hoge verwachting voor de Middeleeuwen. Aan het tracé ten oosten van het geplande onderstation tot aan de bestaande hoogspanningsverbinding is in het bureauonderzoek een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de IJzertijd tot en met Romeinse tijd gegeven, omdat hier naar verwachting goed bewerkbare en hoger gelegen kleigronden in de late prehistorie en Romeinse tijd aanwezig kunnen zijn. Op perceel Bolsward C69 was tevens sprake van een hoge verwachting voor een huisplaats uit de Nieuwe tijd.

KSP Archeologie

37

Op perceel Bolsward C69 is sprake van een nieuwetijdse huisplaats, de hoge verwachting voor de Nieuwe tijd blijft gehandhaafd, maar de vindplaats is als niet-behoudenswaardig gewaardeerd na de waarderende fase. Op basis van het veldonderzoek is een intact humeus niveau waargenomen in de top van de oeverafzettingen van de middeleeuwse Marne (de huidige bouwvoor). Deze afzettingen behouden op basis van de verkennende fase (de landschappelijke ligging) een (middel)hoge verwachting voor de Middeleeuwen. In het oostelijke tracé was vaak de bouwvoor ook zwak tot sterk zandig, maar kwam daaronder vaak direct de kwelderbekkenafzettingen voor. De lage verwachting voor de Middeleeuwen kan hier worden aangepast naar middelhoog, omdat de oeverafzettingen lichter zijn dan verwacht. Veelal ontbreken echter archeologische indicatoren in de karterende fase, waardoor bij het onderstation en het tracé ten westen en oosten van het onderstation de archeologische verwachting naar een lage verwachting kan worden bijgesteld, met uitzondering van het centrale deel van perceel Bolsward C274. In het centrale deel van perceel Bolsward C274 is een tweede vindplaats aangetroffen en gewaardeerd. Op basis van het vondstmateriaal gaat het om een vindplaats die uit de Late Middeleeuwen dateert en door kan lopen tot het begin van de 18 e eeuw. De huisplaats komt niet voor op de Schotanuskaart van 1718.

Mogelijk is dit de voorloper van de Kleine- en de Grote Klaver huisplaats. Deze vindplaats is op basis van de ouderdom zeldzaam en daardoor op inhoudelijke gronden behoudenswaardig. De vindplaats lijkt enkel voor te komen in het centrale en zuidelijke deel van de werkweg en een omvang te hebben van 30 à 45 m in noord-zuid richting. De vindplaats lijkt naar het oosten toe begrensd. De westelijke begrenzing is onduidelijk. Dit kan op basis van lagen met baksteenpuin een vrij ruime zone zijn geweest, maar hier kan op basis van milieukundige verontreinigingen ook sprake zijn van een verstoring of een vestoord deel van de vindplaats. In de kwelderbekkenafzettingen komt vaak een humeus niveau voor, lokaal bij het onderstation en bij het tracé ten westen van het onderstation en in de gehele oostelijke helft van het tracé ten oosten van het onderstation ontbreekt het humeuze niveau. Ook waar wel een humeus niveau aanwezig is, is hierin echter in de meeste zones ook geen vondstmateriaal of archeologische indicator als houtskool of fosfaat aangetroffen in de karterende fase, wat de lage verwachting verder bevestigt. Boven het humeuze niveau is tijdens de waarderende fase voor vindplaats 2 handgevormd aardewerk en/of fosfaat waargenomen tussen boringen WA11 en WA14.

Rondom deze boringen kan de archeologische verwachting voor de IJzertijd Romeinse tijd verhoogd worden naar een zeer hoge verwachting. In de kwelderbekkenafzettingen komt vaak een humeus niveau voor, maar hierin is veelal ook geen vondstmateriaal aangetroffen in de karterende fase, wat de lage verwachting verder bevestigt. De afzettingen uit de Late Bronstijd bevatten geen humeuze niveaus en zijn veelal zwaar van textuur net als de bovenliggende kwelderbekkenafzettinen uit de Late IJzertijd. Op basis van de verkennende fase kan daarom de middelhoge verwachting voor de periode IJzertijd – Romeinse tijd naar laag worden bijgesteld. •

In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied?

Bij het westelijke en oostelijke tracé en ter hoogte van grote delen van het onderstation is in de karterende fase geen aanwijzing gevonden voor een vindplaats. Uitzonderingen zijn perceel Bolsward C69 en het centrale deel van perceel Bolsward C274 (de locatie voor de toegangsweg). De vindplaats op perceel Bolsward C69 is op basis van het waarderend booronderzoek als niet behoudenswaardig gewaardeerd. Daar kunnen ingrepen worden uitgevoerd.

KSP Archeologie

38

In het centrale deel van perceel Bolsward C274, ter hoogte van de geplande toegangsweg, zijn aanwijzingen gevonden voor een vindplaats uit de Late – Middeleeuwen tot Nieuwe tijd Midden (1300 – 1700). Deze vindplaats is als behoudenswaardig gewaardeerd en wordt bedreigd door de ingrepen van de aanleg van de werkweg en de bijbehorende sanering van de grond. Tijdens de waarderende fase van de vindplaats op perceel Bolsward C274 is een derde vindplaats aangetroffen uit de late prehistorie en/of Romeinse tijd. Deze vindplaats wordt door de huidige plannen van TenneT TSO B.V. niet bedreigd, maar zal gezien de vermoedelijke behoudenswaardigheid wel beter beschermd moeten worden dan in het huidige archeologiebeleid. 4.3

Selectieadvies

Binnen het plangebied wordt voor een klein deel van het plangebied archeologisch vervolgonderzoek nodig geacht door KSP Archeologie voor de ingrepen die samenhangen met Bolsward 110 (voor begrenzingen zie Figuur 13). Dit wordt verderop in deze paragraaf toegelicht. Er zijn vier locaties waar aanwijzingen zijn voor een archeologische vindplaats. De tracédelen die worden aangelegd middels een gestuurde boring behoeven geen archeologisch onderzoek. Vindplaats 1: Huisplaats Kleine Klaver Op perceel Bolsward C69 is een vindplaats “Kleine Klaver” aanwezig (vindplaats 1), maar deze is als nietbehoudenswaardig gewaardeerde vindplaats “Kleine Klaver” er wordt binnen dat deel van het geplande onderstation ook geen vervolgonderzoek aanbevolen. Ook voor andere delen van het geplande onderstation en het westen daarvan geplande tracé (deel open ontgraving) tot en met de moflocatie ten zuiden van de A7 en het ten oosten van het geplande onderstation gelegen tracé tot aan de bestaande hoogspanningsmasten wordt geen archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd, vanwege het ontbreken van archeologische indicatoren en daarmee lage verwachting. Vindplaats 2: Huisplaats mogelijke voorloper Kleine Klaver Op basis van de aangetroffen indicatoren tijdens het booronderzoek is ter hoogte van het zuidelijke en centrale deel van de toegangsweg een tweede vindplaats aanwezig.

Deze vindplaats uit de LateMiddeleeuwen tot aan de Nieuwe tijd-Midden is als behoudenswaardig gewaardeerd. Aan de zuidzijde van dit perceel zijn diverse zones aanwezig waar een verontreiniging aanwezig is die nader onderzocht moet worden (en mogelijk gesaneerd) of een BUS-melding (sanering) voor nodig is als hier bodemingrepen (inclusief gravend archeologisch onderzoek) gepland staan. Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld kunnen eventueel aanwezig archeologische resten verloren gaan en is vervolgonderzoek noodzakelijk. Vanwege de aard van de werkzaamheden en de beperkte omvang van de vindplaats binnen het plangebied (een kabeltracé) adviseert KSP Archeologie om het vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding uit te voeren. De voorgestelde methode is een opgraving, variant archeologische begeleiding om vast te stellen of in het plangebied behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, deze direct ex-situ veilig te stellen. Voor deze archeologische begeleiding is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid. In dit PvE wordt de werkwijze en de randvoorwaarden van de archeologische begeleiding in combinatie met een sanering vastgelegd. Vindplaats 3: Vindplaats late prehistorie/Romeinse tijd

KSP Archeologie

39

De exacte omvang van de laatmiddeleeuwse tot midden nieuwetijdse vindplaats ten westen van de toegangsweg is nog onduidelijk. Ten oosten van de toegangsweg zijn tevens aanwijzingen voor een oudere vindplaats uit de late prehistorie en/of Romeinse tijd. In deze zones staan geen ingrepen (en daardoor geen sanering) gepland. Geadviseerd wordt om vindplaatsen in deze zones te beschermen middels een dubbelbestemming in het bestemmingsplan. Voorgesteld wordt om het beleidsadvies te laten aansluiten bij de categorie (vermoedelijke) vindplaatsen in de FAMKE. Er is dan onderzoek nodig bij ingrepen dieper dan 30 cm over een oppervlak groter dan 50 m². Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld over een oppervlak meer dan 50 m² kan de vindplaats dermate worden aangetast, dat onderzoek noodzakelijk is. Aangezien hier ook een overlap is met een verontreiniging wordt voor de uitvoering wederom een archeologische begeleiding geadviseerd.

Figuur 13: Adviezen voor vervolgonderzoek na uitvoering bureauonderzoek en booronderzoek

Vindplaats 4: Mogelijke restanten dijklichaam Witmarsumerweg Ter hoogte van perceel Bolsward C70 wordt bij eventuele toekomstige ingrepen voor een gronddam en/of een sanering dieper dan 30 cm en groter dan 50 m² een opgraving variant archeologische begeleiding geadviseerd om het profiel van de dijk te documenteren om te bepalen of dit een vierde vindplaats in het plangebied is. Het doel van deze begeleiding is om vast te stellen of hier restanten van de oorspronkelijke Marnedijk aanwezig zijn en zo ja, deze te documenteren. Voor deze begeleiding is een Programma van Eisen nodig dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag.

KSP Archeologie

40

Ter hoogte van de geplande inrit vanaf de toegangsweg naar de Witmarsumerweg (perceel Bolsward C228) is geen onderzoek nodig, zoals opgenomen in het bureauonderzoek. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. KSP Archeologie wijst erop dat dit selectieadvies nog niet betekent dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Súdwest-Fryslân), die vervolgens een selectiebesluit neemt. De gemeentelijk archeoloog heeft het rapport tussentijds beoordeeld en aangegeven in te stemmen met het selectieadvies voor percelen C70, C228, het onderstation en het westelijke tracé. Ook heeft ze ingestemd met het waarderend onderzoek op perceel C274. De resultaten van het booronderzoek voor het oostelijke tracé en het waarderende onderzoek op perceel C274 zal zij nog beoordelen, voordat de gemeente een selectiebesluit kan nemen. Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen.

Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet met zekerheid gegarandeerd worden. Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de minister gemeld te worden. In de praktijk kan de vinder terecht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (T 033 – 4217 456 of info@cultureelerfgoed.nl) zodat de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologisch informatiesysteem. Daarnaast wordt het advies gegeven om de vondst ook bij de gemeente te melden.

KSP Archeologie

41

Literatuur Boeken, rapporten en artikelen Bakker, H. de & Schelling, J. (1989). Systeem van de bodemclassificatie voor Nederland: de hogere niveaus. (Tweede druk bewerkt door Brus, D.J. & Wallenburg C. van) Centrum voor Landbouwpublikaties en Landbouwdocumentatie, Wageningen. Berendsen, H.J.A. (2005). Landschappelijk Nederland. Perspectief Uitgevers, Utrecht. Centraal College van Deskundigen Archeologie (2018). Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1. Stichting voor Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Haartsen, A. (2009). Ontgonnen Verleden. Regiobeschrijvingen provincie Fryslân. Bureau Lantschap. Klooster, E. van der (2020), Plan van Aanpak Inventariserend Archeologie Veldonderzoek

(booronderzoek) Bolsward 110 Nabij de Klaverweg te Schettens en Bolsward Gemeente SúdwestFryslân, KSP-Archeologie

Lil, R. van & Muis L.A. (2015): Archeologisch Bureauonderzoek Kabeltracé Afsluitdijk – Oudehaske, Periplus Archeomare rapport nr 15A022-01, Amsterdam Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C., Ritsma, I.L., Westerhof, W.E. & Wong, T.E. (2003). De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten. Normalisatie Instituut (1990). NEN-5104:1989 grondmonsters. Nederlands Normalisatie Instituut, Delft.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10253268/1