Bijlage - Ontwerpbestemmingsplan - Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Bijlagen bij de toelichting
Bolsward Onderstation 110/20kV Ontwerp
DNS Planvorming BV Amsterdam, 12 maart 2021 NL.IMRO.1900.2020noorBPbols110k-ontw
Bolsward onderstation 110/20kV
"Bolsward onderstation 110/20kV" (ontwerp)
2
Inhoudsopgave
Bijlagen bij de toelichting
3
Bijlage 1
Archeologisch onderzoek
4
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
73
Bijlage 3
Resultaat Watertoets
1255
Bijlage 4
Stikstofdepositieberekening
1262
Bijlage 5
Natuurtoets hoogspanningsstation en onderstation
1270
Bijlage 6
Natuuronderzoek watercompensatie
1302
Bijlage 7
Akoestisch onderzoek
1323
Bijlage 8
Onderzoek Conventionele explosieven
1356
"Bolsward onderstation 110/20kV" (ontwerp)
3
Bijlagen bij de toelichting
"Bolsward onderstation 110/20kV" (ontwerp)
4
Bijlage 1 Archeologisch onderzoek
"Bolsward onderstation 110/20kV" (ontwerp)
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende/karterende en deels waarderende fase Bolsward 110 nabij de Klaverweg te Schettens en Bolsward Gemeente Súdwest-Fryslân
KSP Archeologie
Colofon Versie Status KSP Rapport Auteur ISSN Foto’s en afbeeldingen Beheer en plaats documentatie Autorisatie Datum autorisatie
: : : : : : :
1.7 (31 augustus 2020) Deels beoordeeld door de bevoegde overheid 19546 E. van der Klooster (senior KNA Prospector) 2542-7490 KSP Archeologie KSP Archeologie te Duiven
: :
S.M. Koeman (senior KNA Prospector) 31 augustus 2020
www.ksparcheologie.nl | info@ksparcheologie.nl
Disclaimer Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder bronvermelding. KSP Archeologie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit onderhavig onderzoek of de gegeven adviezen. KSP Archeologie beschikt over het Procescertificaat Archeologie dat is verleend op basis van de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 voor protocol 4002 ‘bureauonderzoek’. Wanneer de certificatie-eisen strijdig zijn met de eisen van de bevoegde overheid, dan gaat KSP Archeologie uit van de eisen van de bevoegde overheid omdat die sanctioneerbaar zijn.
KSP Archeologie
2
Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 De aanleiding 1.3 Het voornemen / de toekomstige situatie 1.4 Afbakening plan- en onderzoeksgebied 1.5 Omvang ingrepen 1.6 Overheidsbeleid 1.7 Onderzoeksdoel en vraagstellingen 2 Bureauonderzoek 2.1 Huidige situatie 2.2 Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens 2.3 Historische situatie en mogelijke verstoringen 2.4 Beschrijving van archeologische gegevens 2.5 Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden 2.6 Gespecificeerde archeologische verwachting 2.7 Conclusie en advies bureauonderzoek 3 Inventariserend Veldonderzoek, verkennende/karterende en deels waarderende fase 3.1 Methode 3.2 Beschrijving van de werkzaamheden 3.3 Milieukundig veldonderzoek en boorpuntnummering 3.4 Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens 3.5 Archeologische indicatoren en waardering van de vindplaatsen 3.6 Toetsing van de archeologische verwachting 4 Conclusie en advies 4.1 Conclusie 4.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 4.3 Selectieadvies Literatuur Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7
6 8 8 8 9 10 11 12 13 15 15 16 17 20 22 22 25 27 27 28 28 29 31 34 36 36 36 39 42
Geomorfologische kaart Bodemkaart Archeologische gegevens Boorpuntenkaarten Boorbeschrijving Vondstenlijst Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Lijst van afbeeldingen Figuur 1: Het oorspronkelijke onderzoeksgebied in 2019 (blauw) en het uiteindelijke onderzoeksgebied in 2020 (rood) op de topografische kaart schaal 1:25.000 (bron: Kadaster). 5 Figuur 2: Projectgebied Bolsward 110 kV (TenneT TSO april 2020). 9 Figuur 3: Scope/onderzoeksgebied bureauonderzoeken Bolsward 110 10 Figuur 4: Scope/Onderzoeksgebied veldonderzoeken Bolsward 110 10 Figuur 5: Concept sleufprofielen open ontgraving voor zes en vier circuits (TenneT TSO 2020) 11 Figuur 6: Fragment KLIC oriëntatiemelding 15 Figuur 7: Het onderzoeksgebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl). 17 Figuur 8: Het onderzoeksgebied op de Atlas Schotanus-Halma uit 1718 (https://www.frieslandopdekaart.nl/ 19 Figuur 9: Het onderzoeksgebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: hisgis.nl) 19 Figuur 10: Het onderzoeksgebied op de Friese Archeologische MonumentenKaart Extra (FAMKE) 21 Figuur 11: De specifieke archeologische verwachting binnen het onderzoeksgebied op basis van dit bureauonderzoek. 23 Figuur 13: Adviezen voor vervolgonderzoek na uitvoering bureauonderzoek en booronderzoek 40
KSP Archeologie
3
Lijst van tabellen Tabel 1: Overzicht van de AMK-terreinen (0), onderzoeks- (2) en vondstmeldingen (0) binnen het onderzoeksgebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl, tenzij anders vermeld). ................................................................. 20 Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het onderzoeksgebied. ................................................ 22
KSP Archeologie
4
Administratieve gegevens KSP Projectnummer Opdrachtgever Uitvoerder/projectleider Determinatie vondsten Bevoegde overheid Deskundige namens de bevoegde overheid Onderzoeksmelding Provincie Gemeente Toponiem
: : : : : :
Begin en eindcoördinaat tracé Kadastrale gegevens
:
Periode uitvoering onderzoek
:
: : : :
:
19546 ACT TWB (Witteveen+Bos en Tauw) KSP Archeologie, E. van der Klooster (senior KNA Prospector) AB grifioen, A.A.J. Grifioen (senior KNA Specialist materialen) Gemeente Súdwest-Fryslân Gemeentelijk archeoloog Y. Boonstra 4746993100 Fryslân Súdwest-Fryslân Klaverweg, Bolsward en Schettens Kleine Klaver (historische boerderijlocatie) Marneweg/dijk (historisch weg/dijktracé) x: 161.748 y: 564.948 y: 163.087 y: 565.187 Kadastrale gemeente Bolsward Onderstation: Sectie C, Percelen 69, 70 (deels), 272, 273 en 274 Concept tracé: Sectie C, percelen 12, 14, 34, 37, 58, 102, 125, 272, 2627, 2628 (deels), Sectie D percelen 198, 199 (deels) Sectie G, 390, 533, 406, 674, 388, 412, Binnen scope ook: Sectie C, percelen 33, 38 (deels), Sectie G, percelen 532. Inrit toegangsweg: Sectie C perceel 228 Bureauonderzoek: oktober 2019 met een update in december 2019 en april 2020. Veldonderzoek westelijk tracé: 5 en 6 februari 2020 Veldonderzoek onderstation: 2, 3 en 10 april 2020 Veldonderzoek, oostelijk tracé: 9 en 15 juli 2020 Veldonderzoek, waarderend onderzoek C274: 26 augustus 2020
Figuur 1: Het oorspronkelijke onderzoeksgebied in 2019 (blauw) en het uiteindelijke onderzoeksgebied in 2020 (rood) op de topografische kaart schaal 1:25.000 (bron: Kadaster).
KSP Archeologie
5
Samenvatting KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende en karterende en deels waarderende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor het nieuwe hoogspanningsonderstation met kabelverbinding ‘Bolsward 110 kV’ nabij de Klaverweg in Schettens en Bolsward (gemeente Súdwest-Fryslân). Het onderzoek is uitgevoerd voor de vaststelling van het Rijksinpassingsplan en de aanvraag van een omgevingsvergunning. Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging heeft het gehele onderzoeksgebied, op het Middeleeuwse dal van de Marne na, een middelhoge verwachting voor resten uit de IJzertijd en Romeinse tijd op enige diepte (vanaf ca. 80 cm -mv). In de Middeleeuwen ligt het plangebied deels op de hoge oevers (hoge verwachting), middelhoge oevers (middelhoge verwachting) en deels in de geul- en komzone van de Marne (lage verwachting). Voor de delen die hier middels een open ontgraving worden gerealiseerd is vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een verkennend/karterend booronderzoek. Voor de Nieuwe tijd geldt veelal een lage verwachting, behalve op perceel Bolsward Sectie C Perceel 69. Hier geldt een hoge archeologische verwachting voor een huisplaats uit de periode 1718-1909 of ouder.
Hier is een waarderend booronderzoek aanbevolen. De Witmarsumerweg is een historisch dijklichaam en wegtracé. Nabij de bestaande inritten / dammen naar perceel Bolsward C274 zijn al diverse kabels en leidingen aangelegd, waardoor het dijklichaam daar is aangetast. KSP Archeologie adviseert hier geen verder vervolgonderzoek. Een deel van de historisch dijk was aanwezig aan de noordgrens van perceel C70. Op basis van de landschappelijke ligging heeft het gehele onderzoeksgebied, op het Middeleeuwse dal van de Marne na, een middelhoge verwachting voor resten uit de IJzertijd en Romeinse tijd op enige diepte (vanaf ca. 80 cm -mv). In de Middeleeuwen ligt het plangebied deels op de hoge oevers (hoge verwachting), middelhoge oevers (middelhoge verwachting) en deels in de geul- en komzone van de Marne (lage verwachting). Voor de Nieuwe tijd geldt veelal een lage verwachting, behalve op perceel Bolsward Sectie C69 en C70. Op perceel Bolsward C69 geldt een hoge archeologische verwachting voor een huisplaats uit de periode 1718-1909 of ouder. Op de oostelijke helft van perceel C70 kunnen nog resten aanwezig zijn van de historische Marnedijk (zie Figuur 11). Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende/karterende fase. Voor de percelen Bolsward C69 en C274 is ook een waarderend booronderzoek uitgevoerd.
Ter hoogte van het middels een open ontgraving aan te leggen tracé ten westen en oosten van het onderstation en bij het geplande onderstation komt een opeenvolging voor van middeleeuwse oeverafzettingen van de Marne op kwelderbekkenafzettingen en wadafzettingen. In de top van de oeverafzettingen is de huidige bouwvoor ontwikkeld en in de top of nabij de top van de kwelderbekkenafzettingen komt veelal een laklaag voor die tot de waarderende fase op perceel C274 in de Romeinse tijd werd geplaatst. Door het voorkomen van archeologische indicatoren in de kleilaag erboven is een hypothese dat de top van de zware klei afzettingen (de oorspronkelijke laklaag) geërodeerd is en dat de aangetroffen laklagen mogelijk ouder zijn. Er komen met uitzondering van de gedempte sloten geen diepe verstoringen voor. In de bouwvoor en de rondom de dieper gelegen laklaag zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen in de karterende fase, met uitzondering van de volgende twee zones: • Ter hoogte van perceel Bolsward C69 is de verwachte vindplaats Kleine Klaver aangetroffen. Aan de hand van historische kaartmateriaal is bekend dat deze vindplaats in de 18 e tot 20e eeuw aanwezig is geweest. De aangetroffen sloten bevestigen de begrenzing van de vindplaats en het vondstmateriaal komt ook overeen met de periode 1700-1900.
De vindplaats komt voor in de top van de oeverafzettingen van de Marne vanaf het maaiveld. Vindplaats Kleine Klaver heeft
KSP Archeologie
6
geen bovengemiddelde belevingswaarde, fysieke kwaliteit, inhoudelijke kwaliteit of representativiteit en is daardoor als niet-behoudenswaardig gewaardeerd. • In het centrale deel van perceel Bolward C274 is een tweede vindplaats aangetroffen. Op basis van het vondstmateriaal gaat het om een vindplaats die uit de Late Middeleeuwen kan dateren, maar niet meer aanwezig is op de Schotanuskaart van 1718. Mogelijk is dit de voorloper van de Kleine- en de Grote Klaver huisplaats. Ook deze vindplaats komt voor in de top van de oeverafzettingen van de Marne. Deze vindplaats is op basis van zijn inhoudelijke kwaliteit behoudenswaardig. Bij de waardering van de tweede vindplaats is een derde vindplaats waargenomen die in het oostelijke deel van perceel C274 is gelegen. Deze vindplaats komt op een dieper niveau voor, net boven de laklaag die vermoedelijk uit de Romeinse tijd stamt. In deze bovenliggende laag is handgevormd aardewerk aangetroffen uit de late prehistorie en/of Romeinse tijd. Een mogelijk vierde vindplaats betreft het dijklichaam van de Witmarsumerweg, die al in het bureauonderzoek is aangetroffen.
Selectieadvies Het selectie-advies is als volgt samen te vatten (zie ook Figuur 13): • Tracédelen die middels gestuurde boringen worden aangelegd: geen vervolg • Vindplaats 1 op Perceel Bolsward C69: Geen vervolgonderzoek, de huisplaats “Kleine Klaver’ is als niet-behoudenswaardig gewaardeerd. • Tracé ten westen van onderstation, ten oosten van het onderstation en rondom het opstijgpunt en de geplande zone voor het TenneT onderstation: Geen vervolgonderzoek. Een intacte bodemopbouw, maar geen archeologische indicatoren. • Vindplaats 2 nabij de toegangsweg op perceel Bolsward C274: In het centrale en zuidelijke deel van de toegangsweg zijn sterke aanwijzingen voor een vindplaats uit de Late-Middeleeuwen tot Nieuwe tijd Midden (1300-1700 na Chr.). Aangezien er ook sprake is van een milieukundige verontreiniging wordt geadviseerd om de aanleg van de werkweg / sanering archeologische te begeleiden. • Vindplaatsen 2 en 3 op het overig deel Perceel Bolsward C274 : Aan de zuidzijde van het perceel is het onduidelijk of ten westen van de toegangsweg vindplaats 2 of een verstoring aanwezig is. Ten oosten van de toegangsweg zijn aanwijzingen gevonden voor een vindplaats uit de late prehistorie en/of Romeinse tijd (vindplaats 3). Hier wordt een archeologische dubbelbestemming geadviseerd en bij ingrepen en/of sanering een archeologische begeleiding.
• Vindplaats 4: Dijklichaam o Eventuele werkzaamheden op perceel Bolsward C70: Bij graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm over een oppervlak groter dan 50 m² een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving, variant archeologische begeleiding om het te ontgraven profiel van de voormalige dijk te waarderen en te documenten. Hiervoor is een PvE noodzakelijk. o Inrit van de Witmarsumerweg naar perceel C274: geen vervolg, dijklichaam is hier verstoord door aanleg kabels en leidingen in beide bermen. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. KSP Archeologie wijst erop dat dit selectieadvies nog niet betekent dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Súdwest-Fryslân), die vervolgens een selectiebesluit neemt. De gemeentelijk archeoloog heeft het rapport al deels beoordeeld en ingestemd met de adviezen, maar moet de rapportage voor de waarderende fase op perceel C274 en de karterende fase voor het tracé ten oosten van het onderstation nog beoordelen.
KSP Archeologie
7
1
Inleiding
1.1
Onderzoekskader
In opdracht van ACT-TWB, namens TenneT TSO, heeft KSP Archeologie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende en karterende en deels waarderende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor het nieuwe hoogspanningsonderstation met kabelverbinding ‘Bolsward 110 kV’ nabij de Klaverweg in Schettens en Bolsward (gemeente Súdwest-Fryslân). Het onderzoek is uitgevoerd voor de vaststelling van het Rijksinpassingsplan en de aanvraag van een omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 (versie 4.1) met bijbehorende protocollen (KNA 4.1) 4002 (bureauonderzoek bij landbodems) en 4003 (inventariserend veldonderzoek, overig) (www.sikb.nl) en de gemeentelijke eisen. Voorafgaand aan de uitvoering van het inventariserend veldonderzoek is een Plan van Aanpak opgesteld dat is goedgekeurd door de gemeente (Van der Klooster 2020). De begrenzing van het plangebied is tijdens de uitvoering enkele keren gewijzigd en tevens is een extra fase aan het waarderend onderzoek toegevoegd. Dit is afgestemd met de gemeentelijk archeoloog. Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage 7. 1.2
De aanleiding
In de provincie Friesland worden in het kader van de energietransitie duurzame energiebronnen zoals windturbines en zonneparken gebouwd. De provincie Fryslân heeft zich tot doel gesteld om in 2020 530,5 MW aan windenergie te realiseren. Het grootste initiatief is Windpark Fryslân met een geïnstalleerd vermogen van 380 MW. De provincie heeft daarnaast ook het doel om in 2020 500 MW decentrale zonne-energie op te wekken. Als netbeheerder heeft TenneT wettelijk de verantwoordelijkheid om grootschalige energie-initiatieven aan te sluiten op het landelijke elektriciteitsnet. Uit onderzoek van TenneT is gebleken dat bij de ontwikkeling van de nieuwe energie-initiatieven in Friesland een netversterking nodig is om de betrouwbaarheid en continuïteit van het hoogspanningsnet te blijven borgen. Als onderdeel van de netversterking is de realisatie van een nieuw 110 kV-hoogspanningsstation noodzakelijk. Het 110 kVhoogspanningsstation moet op het bestaande hoogspanningsnet worden aangesloten. Naast het nieuwe station zijn daarom ook 110 kV-kabelcircuits nodig om de aansluiting op het bestaande net mogelijk te maken. Voorafgaand aan dit onderzoek is een Milieueffectrapportage (MER) 1 en Integrale Effecten Analyse (IEA)2 opgesteld. In de MER zijn vijftien kansrijke locaties onderzocht en teruggebracht naar vijf meest kansrijke locaties.
Na de IEA is de Klaverweg, aan de noordwestzijde van Bolsward, als voorkeurslocatie geselecteerd. De voorkeurslocatie3 is vastgesteld door de minister in samenspraak met de gemeente Súdwest-Fryslân en provincie Fryslân.
Hoofdrapport Milieueffectrapportage Netversterking westelijk Friesland, V.O.F. ACT TWB, referentie 109753/19-13.103, definitief d.d. 12 augustus 2019; 2 Integrale Effecten Analyse 110 kV-station incl. kabeltracés Westelijke Friesland, TenneT TSO, definitief 01 d.d. 17 mei 2019; 3 Afwegingsnotitie voorkeursalternatief Netversterking westelijk Friesland, BRO, rapportnummer P01825, d.d. 24 juni 2019 1
KSP Archeologie
8
1.3
Het voornemen / de toekomstige situatie
TenneT wil het nieuwe 110 kV hoogspanningsstation, Bolsward 110, realiseren in westelijk Friesland om duurzame energie-initiatieven, zoals het Windpark Fryslân (hierna WPF), aan te kunnen sluiten op het Nederlandse energienet. Het projectgebied ligt ten noordwesten van Bolsward en sluit aan op het industrieterrein De Marne (Figuur 2). In Figuur 2 is het concept-ontwerp voor het toekomstig hoogspanningsstation en het tracé van de kabelverbinding weergegeven. Het nieuwe hoogspanningsstation wordt via ondergrondse kabelcircuits aangesloten op het bestaande 110-kV net. Daarnaast is er ruimte gereserveerd voor ondergrondse kabelcircuits van WPF.
Figuur 2: Projectgebied Bolsward 110 kV (TenneT TSO april 2020).
Het doel van het project is het realiseren van: 1.
een 110 kV hoogspanningsstation ‘Bolsward 110’ met een maximale oppervlakte van ca. 2,2 hectare. De definitieve indeling van het station wordt momenteel onderzocht binnen het blauwe vlak van ca. 4 ha in Figuur 2;
2.
een ondergrondse kabelverbinding van de moflocatie van het bestaande kabeltracé voor WPF naar het station bestaande uit vier kabelcircuits. De kabelverbinding zal middels een gestuurde boring over een lengte van ca. 200 m aangelegd worden onder de A7 in het zuiden tot en met Witmarsumerweg in het noorden. Het overige deel wordt gerealiseerd middels een open ontgraving;
3.
een ondergrondse kabelverbinding bestaande uit zes kabelcircuits van het noordoosten van het nieuwe station via een opstijgpunt4 van ca. 30 x 30 m ’ingelust’5 naar de bestaande hoogspanningsverbindingen in het noordoosten van het plangebied. Dit tracé wordt over een lengte van ca. 240 m vanaf het onderstation tot en met de Witmarsumer Feart aangelegd via een gestuurde boring. Het overige deel wordt gerealiseerd middels een open ontgraving;
4.
een toegangsweg naar de stationslocatie vanaf de Witmarsumerweg.
4 Overgang van een ondergrondse kabel naar en bovengronds mast.
Inlussen is het opnemen van een nieuw hoog- of middenspanningsstation in het net door een bestaand circuit als het ware door te knippen en daarna om te leiden in een soort grote U. 5
KSP Archeologie
9
1.4
Afbakening plan- en onderzoeksgebied
Het plan- en onderzoeksgebied ligt aan weerszijden van Klaverweg in de gemeente Súdwest-Fryslân, waarvan het deel ten westen van de Klaverweg in Schettens en ten oosten in Bolsward. Het plan- en onderzoeksgebied is niet gelijk voor het bureauonderzoek en het veldonderzoek. In Figuur 3 is de scope voor de bureauonderzoeken (milieu, archeologie etc.) weergegeven, dit betreft het plangebied dat is vastgesteld als het voorkeursalternatief in het voorbereidingsbesluit en het concept tracé.
Figuur 3: Scope/onderzoeksgebied bureauonderzoeken Bolsward 110
Gelijktijdig met het hoogspanningsstation van TenneT ontwikkelt Liander een 20 kV-transformatorstation. In het concept ontwerp is het transformatorstation van Liander ten zuidoosten van het hoogspanningsstation van TenneT voorzien. Het station van Liander wordt niet meegenomen in het RIP en valt buiten de scope van dit onderzoek. De scope voor de veldonderzoeken (Figuur 4) is derhalve uitgebreid ten opzichte van de bureauonderzoeken. Omdat de ligging van de toegangsweg en de exacte positie van het station niet bekend was voorafgaand aan het veldwerk, is het gehele kadastrale perceel ten zuiden van de stationslocatie toegevoegd (perceel Bolsward C274 en een gedeelte van perceel Bolsward C70). Ook de bestaande inritten/dammen tussen de Witmarsumerweg en perceel C274 zijn toegevoegd. Het bureauonderzoek is derhalve ook uitgebreid om de opzet van het veldonderzoek te kunnen bepalen.
Figuur 4: Scope/Onderzoeksgebied veldonderzoeken Bolsward 110
KSP Archeologie
10
1.5
Omvang ingrepen
In een uitgangspuntendocument zijn de concept ingrepen omschreven (TenneT TSO 2020): Kabeltracé Diepteligging: Aangezien de kabelverbinding in agrarisch gebied wordt aangelegd, dient de gronddekking minimaal 1,80 m zijn, zodat bij normaal agrarisch gebruik (ploegen etc) geen beschadigingen optreden. Er wordt grondverbetering toegepast waardoor de graafdiepte 2,1 m beneden maaiveld wordt, zie Figuur 5.
Figuur 5: Concept sleufprofielen open ontgraving voor zes en vier circuits (TenneT TSO 2020)
Aanlegmethode: Er wordt gestreefd naar het zoveel mogelijk beperken van onderhoudsactiviteiten in de toekomst door aanleg van de kabelsystemen in een platvlak en alleen waar nodig in driehoekligging of met een boring. Daarbij worden de volgende principes gehanteerd: o Open ontgraven (waar dit onwenselijk of niet mogelijk is, kan worden gekozen voor boren, bijvoorbeeld bij het kruisen van infrastructuur of kunstwerken) o Bij een open ontgraving gelden de uitgangspunten met betrekking tot de breedte van het kabelbed zoals weergegeven in Figuur 5. Bij open ontgraving zijn werkwegen nodig voor het uitvoeren van de werkzaamheden en werkterreinen. ▪ Voor 6 circuits is een totale werkstrookbreedte van 82 m nodig. Dit is het geval bij het tracé ten oosten van het onderstation. ▪ Voor 4 circuits is een totale werkstrookbreedte van 62 m nodig. Dit is het geval bij het tracé ten westen van het onderstation. ▪ Aan beide zijden van de uitlegstrook voor de kabels komt een tijdelijke werkweg van 6 m. Hiervoor wordt de teelaarde laag afgegraven, waarna een weglichaam wordt opgebracht. Daarbuiten komen zones voor de tijdelijke opslag van de uitgegraven grond, hiervoor wordt de teelaarde laag niet afgegraven. De effectieve ontgravingsbreedte is daardoor bij 6 circuits ca. 37 m en bij 4 circuits ca. 30 m.
KSP Archeologie
11
o
o
Ook bij gestuurde boringen zijn werkwegen en werkterreinen nodig om deze boringen te kunnen uitvoeren. De omvang van de werkterreinen voor de boorstelling zijn ca. 40 x 40m. Tussen elk circuit komt bij de gestuurde boring een tussenruimte van 5 m. Voor het kruisen van bestaande kabels en leidingen zijn aanvullende voorzieningen nodig bijvoorbeeld persingen, overkluizingen en het tijdelijk dempen van waterwegen.
Onderstation en toegangsweg Minimaal 7.633 m² van het 2,2 ha grote onderstation wordt verhard of bebouwd. Het onderstation zal bestaan uit een centraal dienstengebouw van 11,5 x 32,4 m Aan de randen van het onderstation komt een ringweg voor onderhoud (600 m x 6 m). Ook komt er verharding voor een parkeerterrein (75 m²), kabelgoten en fundaties (500 m²) en inrichting van het station (samen circa 1000 m²). Een groot deel van het onderstation bestaat uit een schakeltuin met een tiental elektriciteitsvelden. Onder de elektriciteitsvelden komen grasbetontegels (8000 m²). De kabels worden ondergronds aangesloten op de velden, ook binnen het stationsgebied zullen daardoor kabelsleuven tot 2,1 m -mv worden gegraven. Van de overige ingrepen op het onderstation zijn de dieptes nog niet bekend. Tussen het onderstation en de Witmarsumerweg wordt een 6 m brede toegangsweg aangelegd. Het tracé heeft een lengte van ca. 115 m (Figuur 2) Benodigde afgravingen/ophogingen voor andere omgevingsaspecten Voor zover bekend in 2019 tijdens het bureauonderzoek was binnen het onderzoeksgebied geen bodem- en/of grondwatersanering nodig in het kader van de milieuhygiëne. ACT-TWB heeft voor fase 1 en 2 een milieukundig veldonderzoek uitgevoerd parallel aan het archeologisch veldonderzoek (de Rijck 2020).
Verspreid over het terrein komen zones voor waar geen of licht verhoogde gehaltes in de waterbodem of grond voorkomen. Hier zal geen ontgraving voor bodemsanering nodig zijn. Het grondwater moet nog geanalyseerd worden. In de bovengrond is bij milieukundige boring O36 (zie Bijlage 4) een sterke verhoogd gehalte aan PAK aangetroffen. Ter hoogte van de toegangsdam tegenover Witmarsumerweg 10 is mogelijk ook een sterk verhoogd gehalte aan PAK aanwezig, maar dit moet nog blijken uit aanvullend laboratorium onderzoek naar de boven- en ondergrond. Op perceel C70 zijn heterogeen verdeeld sterk verhoogde gehalten aan koper, zink en PAK aangetoond in de bovengrond en moeten de monsters van de ondergrond nog geanalyseerd worden. Lokaal zijn in de gedempte sloten (boringen M14 en N03) asbesthoudend materiaal aangetroffen. Er is nog nader onderzoek nodig om te bepalen over sprake is van een ernstige bodemverontreiniging en daarmee bodemsanering in deze zones. Het terrein voor het toekomstige hoogspanningsstation zal (deels) worden opgehoogd, wat voor een verandering van het bodempeil (t.o.v. NAP) en het waterpeil (t.o.v. maaiveld) zal zorgen. Aan de westzijde van het onderstation komt natuurcompensatie. 1.6
Overheidsbeleid
In 1992 heeft Nederland het Europese ‘Verdrag van Malta’ ondertekend. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Belangrijk daarin is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden.
KSP Archeologie
12
Het wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Daarnaast hebben de verschillende overheden (het rijk, de provincie en de gemeentes) archeologiebeleid vastgelegd. Dit archeologisch vooronderzoek is onder andere nodig voor het opstellen van het rijksinpassingsplan (RIP). Het RIP is noodzakelijk gezien de grote omvang van het project. Hierdoor ligt de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het besluitvormingsproces van het ruimtelijke plan bij het Rijk. Het RIP dient als toetsingskader, vergelijkbaar met een bestemmingsplan. Gemeenten houden bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een vergunning altijd rekening met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden (Wet ruimtelijke ordening).6 Globaal ten oosten van de Klaverweg ligt het onderzoeksgebied binnen het bestemmingsplan ‘Bolsward Buitengebied’ (onherroepelijk 07-01-2011). Daarbinnen komen zones met een dubbelbestemming “Waarde – Archeologie” voor, maar niet ter hoogte van het onderstation, de kabel of het opstijgpunt. De Witmarsumerweg ligt wel in een zone met een dubbelbestemming “Waarde – Archeologie”. Binnen deze zone zijn ingrepen dieper dan 30 cm over een oppervlak groter dan 50 m² onderzoeksplichtig voor het thema archeologie. De gemeentelijk archeoloog heeft aangegeven dat dit bestemmingsplan relatief oud is.
Daar waar archeologische dubbelbestemmingen zijn opgenomen gelden die regels. Daarbuiten moet van de Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra (FAMKE) uitgegaan worden. Globaal ten westen van de Klaverweg ligt het onderzoeksgebied binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân’ (vastgesteld 05-10-2017). Hier heeft het onderzoeksgebied een dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 2”. “Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren met een oppervlakte groter dan de oppervlakte die in de desbetreffende advieszone van de gemeentelijke FAMKE7 wordt aangegeven en dieper gaan dan 40 cm”. Aangezien de ondergrenzen zoals genoemd in het bestemmingsplan in combinatie met FAMKE bij de realisatie van de nieuwbouwplannen worden overschreden (zie paragraaf 1.4), is archeologisch noodzakelijk. Conform de FAMKE is in het gehele onderzoeksgebied een karterend booronderzoek nodig (Figuur 10), ook in de delen die geen archeologische dubbelbestemming hebben in het bestemmingplan ‘Bolsward Buitengebied’ (onherroepelijk 07-01-2011). Als eerste stap is een bureauonderzoek uitgevoerd in de herfst van 2019.
In januari en april 2020 is een (verkennend en) karterend booronderzoek uitgevoerd voor het kabeltracé ten westen van het onderstation (fase 1) en het onderstation (fase 2). In juli 2020 is het (verkennend en) karterend booronderzoek uitgevoerd voor het kabeltracé ten oosten van het onderstation (fase 3) en in augustus 2020 is naar aanleiding van het aantreffen van laatmiddeleeuws aardewerk in fase 2 een waarderend onderzoek uitgevoerd op perceel C274 (fase 4). 1.7
Onderzoeksdoel en vraagstellingen
Om het 110 kV hoogspanningsstation en de aanleg van de kabelcircuits (incl. de aansluiting op de kabel van WPF en het bestaande 110 kV-net) planologisch mogelijk te maken, wordt een Rijksinpassingsplan (RIP) opgesteld. Gelijktijdig met het opstellen van het RIP worden de benodigde (hoofd)vergunningen 6 Voor het plan wordt een rijksinpassingplan (RIP) opgesteld. Uiteindelijk zullen de plannen aan dit RIP worden getoetst en niet
meer aan het vigerende bestemmingsplan en de FAMKE. Het huidige archeologische onderzoek dient als input voor het RIP. 7 Zie paragraaf 2.4. Veelal ligt het plangebied in een zone met een oppervlaktegrens van 500 m² , lokaal 2500 m²
KSP Archeologie
13
aangevraagd. Het archeologisch bureauonderzoek is uitgevoerd om input te leveren voor dit Rijksinpassingsplan.
Bureauonderzoek Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het omschreven onderzoeksgebied. Het resultaat is een standaardrapport bureauonderzoek met een gespecificeerde archeologische verwachting en een advies. Op basis hiervan wordt vastgesteld of vervolgonderzoek nodig is en zo ja, welke strategie hierbij het beste gevolgd kan worden.
Inventariserend Veldonderzoek Het doel van het inventariserend veldonderzoek (IVO) (landbodems) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het gaat om gebiedsgericht onderzoek door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en of verwachte archeologische waarden in het onderzoeksgebied. Het resultaat van het IVO is een standaardrapport IVO-O met een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies (buiten normen van tijd en geld). Aan de hand hiervan kan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) worden genomen. Indien er onvoldoende gegevens voor waardering en selectieadvies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. Er kan dan worden geadviseerd tot vervolgonderzoek of om af te zien van verder onderzoek. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Het inventariserend veldonderzoek kent drie fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Dit onderzoek betreft zowel een verkennend, karterend als deels een waarderend onderzoek.
De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor mogelijk vervolgonderzoek. Tijdens de karterende fase wordt het terrein (daarnaast) systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen. Tijdens de waarderende fase wordt het waarnemingsnet verdicht om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit vast te stellen. Om de bovenstaande doelstelling te realiseren, zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: • Verkennende fase: Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? • Karterende fase: Zijn in het plangebied aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats.
Zo ja, wat is te zeggen over de vermoedelijke aard, datering, en omvang (horizontaal en verticaal)? • Waarderende fase: Welke waardering kan gegeven worden aan vindplaats Kleine Klaver en is de vindplaats behoudenswaardig? • Waarderende fase: Welke waardering kan gegeven worden aan de vindplaats op perceel C274 en is de vindplaats behoudenswaardig? • Conclusie: Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? • Conclusie: In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied?
KSP Archeologie
14
2
Bureauonderzoek
2.1
Huidige situatie
Om de huidige situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Huidige topografische kaart (Figuur 1); • Luchtfoto uit 2018 (via PDOK); • Grondwatertrappen op de Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 (via geoplaza.vu.nl); • (Rijks)monumenten (via archis.cultureelerfgoed.nl): geen bebouwing aanwezig; • Informatie van de opdrachtgever over het onderzoeksgebied; • Informatie over ondergrondse tanks (www.bodemloket.nl). • Informatie over ondergrondse kabels en leidingen (KLIC-meldingen) Het onderzoeksgebied is momenteel onbebouwd en hoofdzakelijk in gebruik als landbouwgrond (weides) die doorkruist worden door watergangen en (lokale) wegen (Klaverweg, Witmarsumerweg/ Marnedijk, Oude Rijksweg en de A7). Nabij de A7 stroomt de Marne in wat nu een smalle watergang is. De grotere watergang in het noordoosten van het onderzoeksgebied is de Wytmarsumer Feart. Op basis van de KLIC is parallel ten oosten van de Klaverweg een rioolpersleiding aanwezig (zie Bijlage 4).
Figuur 6: Fragment KLIC oriëntatiemelding
In beide bermen van de Witmarsumerweg zijn in de KLIC-melding kabels en leidingen aanwezig Figuur 6). Ten noorden van de Witmarsumerweg komt nabij de weg een middenspanningkabel (lichtrood) voor en ten noorden daarvan een waterleiding (blauw). Ten zuiden van de Witmarsumerweg komen nabij de weg tevens een middenspanningkabel en een waterleiding voor en daarnaast ook een gasleiding (geel) en een laagspanningskabel (donkerrood). Verder van de weg komen binnen het dijklichaam nog twee datakabels voor (groen).
Op de bodemkaart tot 2006 (via geoplaza.vu.nl) staan de gemiddelde grondwaterstanden aangegeven door middel van zogenaamde grondwatertrappen (I t/m VII). Het onderzoeksgebied wordt hoofdzakelijk gekenmerkt door een sterk wisselende grondwaterstand (grondwatertrap V). Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand binnen 40 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 120 cm beneden maaiveld wordt aangetroffen. Ter hoogte van de Mn15C gronden (Bijlage 2) geldt een grondwatertrap Vb. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 25 - 40 cm wordt verwacht. De strook met Mn85C gronden wordt naar verwachting gekenmerkt door een ondiepe grondwaterstand (grondwatertrap III). Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand binnen 40 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand tussen 80 en 120 cm beneden maaiveld wordt aangetroffen.
KSP Archeologie
15
2.2
Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens
Om het landschap ter plaatse en rondom het onderzoeksgebied in kaart te brengen, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Geologische boringen (www.dinoloket.nl) • Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000 (BRO 2017, Maas e.a. 2017); • Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 (BRO 2017); • Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl, AHN3 grid 0,5 x 0,5 m); Op basis van de nabij het onderzoeksgebied gelegen geologische boringen bestaat (minimaal) de bovenste 6 m uit zeeklei (Formatie van Naaldwijk, www.dinoloket.nl). De afzettingen van de zee zijn afgezet vanaf ca. 1700 voor Chr. (Midden-Bronstijd) en hebben de oudere mariene afzettingen geërodeerd, veelal tot in het pleistocene zand. De eerste fase van deze afzettingen (Duinkerke 0) komt als kalkrijke afzettingen in de regio rondom Sneek voor binnen 1,2 m -mv. In de Late Bronstijd neemt de invloed van de zee af en kwamen de delen buiten de geulen droog te liggen of werd dit moerassig. De eerste bewoning op deze afzettingen dateert uit de Vroege IJzertijd. In de Midden-IJzertijd wordt een dunne laag kalkloze stugge klei (Duinkerke I), veelal zonder veel erosie, afgezet op de Duinkerke-0 afzettingen. Rond het einde van de Romeinse tijd (Duinkerke II) en rond het einde van de Vroege Middeleeuwen (Duinkerke III) neemt de invloed van de zee weer toe met name langs de zeeerosiekreken, zoals de Marne.
Lichtere klei wordt afgezet nabij de kreek en zwaardere klei verder van de kreek af (StiBoKa 1977). Op de geomorfologische kaart (Bijlage 1) ligt het onderzoeksgebied hoofdzakelijk in een vlakte met getijde-afzettingen (code M72). Aan de zuidwestzijde van het geplande tracé komt een zeeerosiegeul/getij-kreekbedding voor van de Marne (code R71) met aan weerszijden getij-oeverwallen (code B72). In het gehele onderzoeksgebied komen kalkarme poldervaaggronden voor op de bodemkaart (Bijlage 2). Dit zijn gronden zonder duidelijke bodemvorming met roestvlekken binnen 50 cm. Dit sluit aan bij de eerder beschreven grondwatertrappen, waarbij de gemiddeld hoogste grondwaterstand veelal binnen 50 cm voorkomt. In de zone waar het grondwater fluctueert vormen roestvlekken. Binnen het onderzoeksgebied komen verschillen voor in zwaarte van de bovengrond die gekoppeld kunnen worden aan de landschappelijke situatie. Ter hoogte van de bedding van de Marne bestaan de gronden uit (siltige) klei (Mn85C). Ter hoogte van de oeverwal bestaat de bovengrond uit lichte klei (sterk siltige klei, Mn15C) of uit knippige zware zavel (zwak tot matig zandige klei, gMn25C). Dieper dan 40 à 80 cm komt kalkrijke zware zavel en lichte klei voor bij de gMn25C gronden (StiBoKa 1977).
Verder van de Marne worden de gronden zwaarder en bestaan uit sterk zwellende en krimpende knip(pige) klei met profielverloop 3: Knippige (siltige) klei (gMn83C), Knipklei zware (zwak tot matig siltige) klei (kMn43C). Profielverloop 3 geeft aan dat een tussenlaag aanwezig is van niet kalkrijke zware klei. In feite betekent dit vaak dat onder de tussenlaag een tussenlaag of ondergrond van lichtere en/of kalkrijke klei ligt. Bij de gMn83C gronden wordt gesproken over gronden met in de ondergrond kalkrijk en lichtere en gelaagde klei-afzettingen die behoren bij Duinkerke 0. Lokaal komt als tussenlaag ook niet knippige, maar stugge Duinkerke I afzettingen voor met een dunne humeuze bovengrond. Bij de kMn43C gronden wordt genoemd dat de bovengrond kan bestaan uit een zgn. ‘brúnlaag’ met opgebrachte ‘aardmest’ en/of ‘terpaarde’. In de ondergrond komen hier ook de oudere getijdeafzettingen voor (StiBoKa 1977). Op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN, Figuur 7) is het lager gelegen dal van de Marne nabij de A7 zichtbaar als een laagte in het maaiveld. Ter hoogte van de oevers komen de wat meer roodoranje kleuren voor. Ook langs de Wytmarsumer Feart komen hoger gelegen percelen voor. Mogelijk als gevolg van de afzettingen uit de Duinkerke 0 en I perioden.
KSP Archeologie
16
In hoeverre de lager gelegen delen (groene kleuren) niet opgehoogde of afgegraven delen omvatten, is niet duidelijk. Er zijn geen aanwijzingen voor afgravingen in de vorm van ontgrondingsvergunningen (Bijlage 2).
Figuur 7: Het onderzoeksgebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl).
2.3
Historische situatie en mogelijke verstoringen
Om de historische situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Atlas Schotanus-Halma uit 1718 (https://www.frieslandopdekaart.nl) • Oude kadasterkaarten: kadastrale minuut en oorspronkelijk aanwijzende tafels 1811 – 1832 voor toenmalige eigenaar/gebruiker (beeldbank.cultureelerfgoed.nl; www.hisgis.nl); • Op de atlas van Eekhoff 1849-1859 (https://www.frieslandopdekaart.nl/) • Historische kaarten uit de afgelopen 200 jaar (www.topotijdreis.nl); • Historisch-landschappelijk informatiesysteem, Histland (Dirkx & Nieuwenhuizen 2013), geraadpleegd via archis.cultureelerfgoed.nl; niet beschikbaar, Knikklei ontginning die matig veranderd zijn door kavelvergroting vanaf 1850. • Cultuurhistorische regiobeschrijving Friesland (Haartsen 2009); • Cultuurhistorische Kaart Fryslân (https://www.fryslan.frl/); • Archeologische en overige cultuurhistorische rapporten van onderzoek binnen het onderzoeksgebied: zie paragraaf 2.4. • Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl); geen specifieke elementen • V.1 & V.2 inslagen in Nederland (vergeltungswaffen.nl); geen inslagen bekend • OCE-onderzoek: laag risico op niet gesprongen conventionele explosieven (T&A Survey 2019) • Topografische kaart van Nederland (Figuur 1); • Bouw-/constructietekeningen van te slopen of te wijzingen historische bouwwerk: is niet van toepassing;
KSP Archeologie
17
• • • • • •
•
Gegevens van milieukundig bodemonderzoek (www.bodemloket.nl): Divers milieukundig onderzoek, maar geen saneringen (verstoringen). Luchtfoto uit 2017 (PDOK); Geomorfologische kaart van Nederland: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het onderzoeksgebied aangegeven; Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het onderzoeksgebied aangegeven; Vergraven gronden project Alterra (Brouwer & Van der Werff 2012): hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het onderzoeksgebied aangegeven; Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl): hierop zijn mogelijk kunstmatige ophogingen en/of afgravingen zichtbaar in het centrale en noordelijke deel van het onderzoeksgebied. In het kader van dit onderzoek zijn geen archieven geraadpleegd omdat een gerichte vraagstelling ontbreekt.
Het plangebied ligt hoofdzakelijk in de regio Westergo, de noordwestelijke helft van Friesland. De zuidzijde van het plangebied ligt in de regio van de zeeboezems, specifiek de Marneboezem. Een voorloper van de Marne voerde in de Romeinse tijd reeds water af van het toenmalige Flevomeer richting de Noordzee. De Marneboezem wordt in de 11e eeuw afgedamd. Het land van de Marneboezem werd in gebruik genomen als landbouwgrond door de omliggende dorpen, maar er werden geen nieuwe dorpen gesticht (Haartsen 2009). De kern van Westergo wordt omringd door de Marne aan de westzijde en de Middelzeeboezem aan de oostzijde. De Marne en de Middelzee stonden nabij Bolsward met elkaar in verbinding. Bewoning concentreerde zich met name op de hogere delen, zoals de oevers van de Marne. De vaarten in Westergo hebben een grillig karakter, omdat er gebruik is gemaakt van de bestaande geulen en laagtes (Haartsen 2009). De Wytmarsumer Feart kan daardoor een voormalige geul zijn, mogelijk al uit de IJzertijd. Voor de historische ontwikkeling is historisch kaartmateriaal geraadpleegd. De oudst beschikbare kaart van het gebied komt uit de atlas van Schotanus-Halma uit 1718 (https://www.frieslandopdekaart.nl, (Figuur 8). Deze kaart heeft veel overeenkomsten met de infrastructuur in de huidige situatie. De terpen lijken veelal aangelegd te zijn langs de Marndyk en langs de Wytmarsumer Feart.
Het grootste verschil met de huidige situatie is ontstaan bij de aanleg van de A7. De terpen rondom het onderzoeksgebied zijn goed herkenbaar op de kaart. De kaart is nabij de Marndijk lastig te projecteren op de huidige situatie, omdat de kaart niet vormgetrouw is. Het erf van een boerderij met toponiem Kl.(eine) Klaver is zichtbaar in het plangebied. De kadastrale minuut (via https://hisgis.nl/projecten/fryslan/) uit het begin van de 19e eeuw is goed te projecteren op de huidige topografie en kadastrale grenzen. Op deze kaart is bebouwing in het onderzoeksgebied aanwezig (Figuur 9) op een vergelijkbare positie als de bebouwing met toponiem Kleine Klaver op de Schotanus-Halma kaart (Figuur 8). Het huidige perceel Bolsward C69 komt qua vorm overeen met het toenmalige perceel Bolsward B213. Het was een huis en erf van Frans Romkes, die toen wethouder was. Op de kaart is het plangebied en de directe omgeving in gebruik als weiland. Akkerland concentreert zich rondom de stinze Osinga ten westen van het plangebied. Op de atlas van Eekhoff 1849-1859 (https://www.frieslandopdekaart.nl/kaarten/googlemaps/94/) heeft deze bebouwing het toponiem “Kl. Klaver”. Op de Bonnebladen van ca. 1909 komt het toponiem “Kl. Klaver” ook nog voor. Het erf is gesloopt, want vanaf het Bonneblad van 1931 en recentere topografische kaarten is dit perceel onbebouwd (www.topotijdreis.nl).
De boerderijplaats is ook aanwezig op de cultuurhistorische kaart van de provincie Fryslân (www.fryslan.frl). Het lijkt niet een typisch Friese verhoogde woonplaats / terp geweest te zijn. Op het AHN ligt de locatie in een lager gelegen zone ten noorden van de hogere oever (Figuur 7). Deze lager gelegen zone lijkt natuurlijk en omvat een grotere zone dan de voormalige huisplaats. De kans dat er een afgegraven huisplaats aanwezig is lijkt klein.
KSP Archeologie
18
Figuur 8: Het onderzoeksgebied op de Atlas Schotanus-Halma uit 1718 (https://www.frieslandopdekaart.nl/
Figuur 9: Het onderzoeksgebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: hisgis.nl)
KSP Archeologie
19
Zowel de Marnedijk/Witmarsumerweg als de Klaverweg zijn op de cultuurhistorische kaart Fryslân aangegeven als cultuurhistorisch element, waarvan het ontstaan is geplaatst in de 10e – 11e eeuw. Zowel op de Schotanus-Halma kaart als op de kadastrale minuut is te zien dat de oorspronkelijke dijk een bocht maakte ten noorden van huidige bebouwing aan de Marnedijk 13 te Schettens. Deze bebouwing volgens de BAG gebouwd rond 1850. De Topografische Militaire Kaart uit 1850 (geraadpleegd via www.topotijdreis.nl) is dan ook de eerste kaart waarop de dijk is rechtgetrokken nabij de Marnedijk 13. Parallel ten oosten van de Klaverweg ligt een persleiding (zie Bijlage 4). Deze zal voor een verstoring gezorgd hebben van ca. 5 m. Gezien de ligging van de bebouwing van de huisplaats zal met name ook de voormalige bebouwingslocatie verstoord zijn bij de aanleg van de persleiding. 2.4
Beschrijving van archeologische gegevens
Om een beeld te krijgen van de archeologische gegevens, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Archeologische Monumenten Kaart (AMK) (via archis.cultureelerfgoed.nl); • Archeologische onderzoeken en vondstlocaties uit het Archeologisch Informatiesysteem (archis.cultureelerfgoed.nl); • Historische kaarten (zie paragraaf 2.2); • FAMKE, de Friese Archeologische MonumentenKaart Extra (www.fryslan.frl/) In overleg met de gemeente is besloten om voor deze paragraaf enkel de beschikbare gegevens binnen het onderzoeksgebied te behandelen. In het onderzoeksgebied komen twee archeologische onderzoeksmeldingen voor van bureauonderzoeken (Tabel 1, Bijlage 3). Beide onderzoeken geven geen aanvullende specifieke informatie over het huidige onderzoeksgebied (Spoelstra 2011 / van Lil & Muis 2015). Buiten het onderzoeksgebied liggen diverse AMK-terreinen. Deze komen overeen met de locatie van terpen op de bodemkaart (Bijlage 2). Onderzoeksmelding
Locatie
Type onderzoek
Aard vondstlocatie/resultaten
2338773100
Rioolpersleiding MakkumBolsward
BO door MUG in 2011
Geen aanvullende informatie
3974341100
Afsluitdijk – Oude Haske
BO door PeriPlus Archeomare in 2015
Geen aanvullende informatie, rapport aangeleverd door ACT-WTB (niet in Archis of DANS)
Tabel 1: Overzicht van de AMK-terreinen (0), onderzoeks- (2) en vondstmeldingen (0) binnen het onderzoeksgebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl, tenzij anders vermeld).
De gemeente Súdwest-Fryslân heeft haar archeologiebeleid gebaseerd op de FAMKE, de Friese Archeologische MonumentenKaart Extra (www.fryslan.frl/). Op de FAMKE staan archeologische adviezen aangeven voor twee tijdvakken. Voor het tijdvak ‘steentijd-bronstijd’ is het advies: geen onderzoek noodzakelijk (Figuur 10 onder). “Dit advies wordt gegeven als op basis van eerder onderzoek is gebleken dat er zich geen archeologische resten in de bodem bevinden, of wanneer de archeologische verwachting op gefundeerde gronden zeer laag is, en waar eventuele resten uit de steentijd zich vermoedelijk zodanig diep onder het maaiveld bevinden dat de kans op aantasting bij de meeste ingrepen zeer klein is.” Gezien de aardwetenschappelijke situatie zal het laatste het geval zijn (zie paragraaf 2.2).
KSP Archeologie
20
Figuur 10: Het onderzoeksgebied op de Friese Archeologische MonumentenKaart Extra (FAMKE)
Voor het tijdvak ‘ijzertijd-middeleeuwen’ heeft vrijwel het gehele onderzoeksgebied de waarde ‘karterend onderzoek 1 (middeleeuwen)’ (Figuur 10 boven). In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 500 m² een karterend archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Dit
KSP Archeologie
21
archeologisch onderzoek moet bestaan uit minimaal zes boringen per hectare (oppervlaktes) of een boorraai met om de 50 m een boring (bij tracés), met een minimum van zes boringen per plan, waarbij duidelijk wordt of er vindplaatsen in het onderzoeksgebied aanwezig zijn. Een uitzondering op de situatie hierboven is de zone tussen de Witmarsumerweg en de A7 in het zuidwestelijke deel van het plangebied. Deze zone heeft in Famke voor het tijdvak ‘ijzertijdmiddeleeuwen’ het advies ‘karterend onderzoek 2 (middeleeuwen)’. Hier is onderzoek met 6 boringen per ha (oppervlakken) of een boorraai met om de 50 m een boring (tracés) nodig bij bodemingrepen meer dan 2500 m² en dieper dan 40 cm. De verwachting op archeologische vindplaatsen is hier lager, omdat dit gedeelte de geul van de Marne betreft. 2.5
Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden
Aangezien het onderzoeksgebied momenteel onbebouwd is, zijn geen (ondergrondse) bouwhistorische resten binnen het onderzoeksgebied bekend (paragraaf 2.1). Op basis van de monumentenlijsten (paragraaf 2.1) zijn binnen het onderzoeksgebied geen (ondergrondse) bouwhistorische resten aanwezig. Op grond van het historisch kaartmateriaal (paragraaf 2.4) kunnen funderingen van een huis van een boerderij nog aanwezig zijn op perceel Bolsward C69. 2.6
Gespecificeerde archeologische verwachting
Op FAMKE is aan het onderzoeksgebied het advies ‘geen onderzoek’ voor de steentijd en bronstijd (Figuur 10) en ‘karterend onderzoek 1 of 2 (middeleeuwen)’ voor de periode ijzertijd-middeleeuwen’ (Figuur 10) Op basis van de gegevens uit het bureauonderzoek (paragraaf 2.1 t/m 2.5) is voor het onderzoeksgebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (Tabel 2, Figuur 11). Deze verwachting zal in de onderstaande tekst worden toegelicht. Het huidige landschap rond het onderzoeksgebied is ontstaan tijdens het Holoceen en is beïnvloed door verschillen in activiteit van de zee. Vooral de hoger gelegen oevers van zee-kreken werden uitgekozen als nederzettingslocatie. Het onderzoeksgebied ligt deels op de oevers van de Marne, een zeeerosiegeul uit de Middeleeuwen. Het pleistocene landschap ligt meer dan 6 m diep, hierdoor kan er geen specifieke verwachting voor de steentijd worden opgesteld. Periode
Landschap
Verwachting
Verwachte kenmerken vindplaats
LaatPaleolithicum – Bronstijd
Pleistoceen dekzandgebied
Onbekend
Bewoningssporen, tijdelijke kampementen, vuursteen artefacten, haardkuilen
IJzertijd – Romeinse tijd
Vroege Middeleeuwen
LateMiddeleeuwen – Nieuwe tijd
Kreek en oeverzone (Duinkerke 0 en I afzettingen) Kreek, Oever en komvlakte van de Marne (Duinkerke II en III afzettingen) Bedijkte Oever en komvlakte van de Marne
Laag Middelhoog
Nederzetting: cultuurlaag, (paal)kuilen, greppels, fragmenten aardewerk, natuursteen, Laag gebruiksvoorwerpen (Middel)hoog Begravingsresten: kringgreppel, Laag fragmenten aardewerk (urn), verbrande botresten
Diepteligging sporen Niet van toepassing ligt buiten de verwachte ingreepdiepte
Vanaf ca. 80 cm – mv.
Direct onder de bouwvoor (vanaf ca. 30 cm -mv)
Hoog (perceel Bolsward C69) Laag (elders)
Huisplaats: cultuurlaag, (paal)kuilen, greppels, bakstenen, fragmenten aardewerk, gebruiksvoorwerpen
Vanaf maaiveld tot diep in de oeverafzettingen
Hoog (C70) Laag (elders)
Dijklichaam: ophogingslagen met weinig indicatoren.
Vanaf maaiveld tot ca. 0,5 – 1,0 m diep.
Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het onderzoeksgebied.
KSP Archeologie
22
Voor het tijdvak IJzertijd en Romeinse tijd is het toenmalige landschap en daarmee de archeologische verwachting enigszins onzeker. Deze afzettingen bevinden zich in de ondiepe ondergrond (vanaf ca. 80 cm). De delen met goed bewerkbare en hoger gelegen klei-afzettingen lijken in die periode omvangrijker zijn geweest dan later vanaf het eind van de Romeinse tijd en in de Middeleeuwen. Vooralsnog hebben deze gronden daarom een middelhoge verwachting. Het dal van de Middeleeuwse Marne ligt lager en heeft een lage verwachting voor de IJzertijd en de Romeinse tijd.
Figuur 11: De specifieke archeologische verwachting binnen het onderzoeksgebied op basis van dit bureauonderzoek.
Voor het tijdvak Middeleeuwen heeft het onderzoeksgebied een hoge verwachting op de oevers van de Middeleeuwse Marne. De exacte omvang van de oevers is nog onduidelijk. De minimale omvang lijkt gevormd te worden door de zone waar ofwel een Mn15C-grond (Bijlage 2) ofwel een getij-oeverwal (Bijlage 1) met een hogere ligging (oranjerode zone Figuur 3) voorkomt. Deze zone heeft een hoge verwachting voor de periode IJzertijd tot en met Middeleeuwen. De omvang kan ook gelijk zijn aan de zone met Mn15C en gMn25C gronden (Bijlage 2). Deze aanvullende zone heeft daarom een middelhoge verwachting voor de periode IJzertijd tot en met de Middeleeuwen gekregen. Het dal van de Marne en het komgebied van de Marne zullen door de zware grondsoorten en/of natte omstandigheden minder geschikt zijn geweest voor bewoning en akkerbouw in de Middeleeuwen. Hier worden de meer extensieve activiteiten verwacht met een lage trefkans. Deze zone krijgt een lage archeologische verwachting in het bureauonderzoek. 1. 2. 3.
4. 5.
Datering: IJzertijd – Middeleeuwen Complextype: Nederzetting en/of grafveld Omvang: Nederzettingsterreinen of grafvelden/begravingen variëren in grootte van enkele honderden tot duizenden vierkante meters en kunnen zich soms over meerdere hectaren uitstrekken. Diepteligging: Resten uit de IJzertijd en Romeinse tijd worden vanaf ca. 80 cm -mv verwacht, resten uit de Middeleeuwen vanaf het maaiveld. Gaafheid en conservering: Resten uit de IJzertijd en Romeinse tijd zullen door een afdekkende laag met middeleeuwse afzettingen goed beschermd zijn tegen moderne grondbewerking.
KSP Archeologie
23
6. 7.
8.
Resten uit de Middeleeuwen komen liggen dicht aan het oppervlak, daarvan kan het vondstenniveau en (een deel van) het sporenniveau zijn opgenomen in de bovengrond. Locatie: In het gehele plangebied vanaf 80 cm (IJzertijd en Romeinse tijd) en nabij de Mn15C/gMn25C gronden (Bijlage 2) in het plangebied vanaf de Middeleeuwen. Uiterlijke kenmerken: de nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die vaak diep in de grond gefundeerd waren. Waterputten werden gegraven voor de watervoorziening terwijl in en nabij de nederzetting afvalkuilen werden gegraven om afval te begraven. Naast nederzettingsresten kunnen ook begravingen voorkomen. Restanten hiervan kunnen bestaan uit kringgreppels, fragmenten aardewerk (urnen), crematieresten, inhumaties e.d. De sporen kunnen diep in de bodem reiken. Daarnaast kan sprake zijn van een archeologische laag met indicatoren zoals fragmenten aardewerk, houtskool en fosfaat. Mogelijke verstoringen: het terrein is tot op heden onbebouwd gebleven en in gebruik als landbouwgrond. Naar verwachting is ca. de bovenste 30 cm van de bodem door landbewerking gemengd. Er zijn geen aanwijzingen voor (diepe) bodemverstoringen.
In de Late Middeleeuwen wordt Friesland volledig bedijkt. Na de bedijking werd het gehele achterland beschermd, maar er vonden nog wel regelmatig dijkdoorbraken plaats waarbij het gebied overstroomde. De (laatmiddeleeuwse) bewoning bleef zich daarom concentreren op de hogere delen in het landschap en er werden (nieuwe) opgehoogde woonplaatsen aangelegd. Op basis van de gegevens uit het bureauonderzoek worden in het onderzoeksgebied veelal geen archeologische resten verwacht uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd . Voor deze periode geldt daarom een lage verwachting. Een uitzondering hierop is perceel Bolsward C69. Op dit perceel is de boerderij “Kleine Klaver” aanwezig op de oudst beschikbare kaart uit 1718 tot ca. 1909-1931. 1. 2. 3. 4. 5.
6. 7.
8.
Datering: Huisplaats dateert vermoedelijk uit de Nieuwe tijd (in ieder geval 18 e – 20e eeuw) Complextype: Nederzetting (huisplaats), vermoedelijk geen opgehoogde huisplaats. Het AHN geeft daar geen aanleiding toe. Omvang: de huisplaats (huis + erf) heeft op basis van historisch kaartmateriaal een oppervlakte van ca. 1600 m2. De bebouwing lijkt een omvang van 20 x 20 m te hebben gehad. Diepteligging: het leesbare sporenniveau wordt onder de bovengrond verwacht (vanaf ca. 30 cm -mv) tot diep in de bodem Gaafheid en conservering: omdat de archeologische resten voor de huisplaats naar verwachting uit bouwmateriaal bestaan (baksteen) en relatief jong zijn, kan de gaafheid en conservering goed zijn mits de funderingen niet zijn verwijderd. Locatie: Kadastrale perceel Bolsward Sectie C Perceel 69 Uiterlijke kenmerken: ter plaatse van de huisplaats kunnen muurresten (baksteen), afvalkuilen, paalkuilen en mogelijk ophogingslagen aanwezig zijn. Daarnaast kan vondstmateriaal aanwezig zijn in de vorm van fragmenten aardewerk, fragmenten metaal, gebruiksvoorwerpen e.d. Mogelijke verstoringen: de huisplaats is bovengronds verwijderd tussen 1909 en 1931. De funderingen kunnen toen ook verwijderd zijn. In de afgelopen jaren is een nieuwe rioolpersleiding aangelegd. Deze zal over een strook van 5 m de ca. 20 m brede bebouwingsresten hebben vergraven.
Naast de bebouwing is de Marnedijk/Witmarsumerweg een specifieke verwachtingszone uit de LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd. Ten oosten van het plangebied is de weg over de Marnedijk verbreed in de afgelopen jaren. Hiervoor is bij navraag bij de gemeente geen archeologisch onderzoek voor uitgevoerd, waardoor geen gegevens beschikbaar zijn over het dijktracé. De Witmarsumerweg is een historisch dijklichaam en wegtracé. Nabij de inrit van de toegangsweg zijn al diverse kabels en leidingen aangelegd, waardoor het dijklichaam daar is aangetast. Na telefonisch overleg met de gemeentelijk archeoloog blijkt de gemeente Súdwest-Fryslân ook tot deze conclusie te komen.
KSP Archeologie
24
Waar geen historisch dijktracé aanwezig is in het westen van de Witmarsumerweg wordt aangenomen dat dit gebied voorafgaand aan de aanleg van de dijk laag heeft gelegen en onderdeel was van het dal van de Marne. Waar wel een historisch dijktracé aanwezig is, kunnen onder het dijklichaam (vanaf ca. 1 m-mv) nog resten aanwezig zijn uit de Vroege Middeleeuwen en IJzertijd tot en met Romeinse tijd. Een deel van het dijktracé kan nog intact zijn in het oosten van perceel Bolsward C70, omdat dit buiten de huidige Witmarsumerweg ligt. Dit is een aanvulling op het bureauonderzoek van december 2019. 1.