CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage II - ontwerp bestemmingsplan Ferwoude - Buren 31 A

Raadsvergadering 3 februari 2022, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: Bestimmingsplan Ferwâlde – Buren 31 A20.285 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

30

bestemmingsplan Buren 31A te Ferwoude

Door middel van het aangeduide bouwvlak op de verbeelding (van 10 m breedte bij 15 m diepte) is de locatie van het te realiseren hoofdgebouw zijnde het woonhuis bepaald. De oppervlakte van het woonhuis mag conform de gemeentelijke bestemmingsplansystematiek niet meer dan 150 m² bedragen. Ten aanzien van de naastgelegen woonbebouwing is een afstand van 3 m tot de zijdelingse perceelsgrens gehanteerd. Gelet op de uitgevoerde natuurtoets is een voorwaardelijke verplichting in de bouwregels opgenomen dat bij het bouwen aan de gestelde voorwaarden moet worden voldaan ten aanzien van lichtuitstoot en het voorkomen van versperring van mogelijk in aangrenzende bebouwing gesitueerde vleermuisverblijfplaatsen. De aanduiding "specifieke vorm van groen - beschermenswaardige boom" ziet op een regeling in het plangebied ten aanzien van de bescherming van de direct naast het plangebied gesitueerde wilg. De aanduiding komt overeen met de boomkruin in het plangebied. Naast hoofdgebouwen zijn ook bijbehorende bouwwerken toegestaan. In totaal mogen de bijbehorende bouwwerken maximaal 90% van de oppervlakte van het hoofdgebouw bedragen met een maximum van 100 m². Het bij de woning behorende erf mag daarbij voor maximaal 50% worden bebouwd.

Waarde - Archeologie 2 Op de gemeentelijke Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (gemeentelijke FAMKE) zijn de gebieden aangegeven met een hoge archeologische waarde (advies op de FAMKE: 'streven naar behoud' en 'waarderend onderzoek') en archeologische verwachtingsgebieden (advies op de FAMKE: 'karterend onderzoek' en 'quickscan') aangegeven. Voor de archeologische verwachtingsgebieden gelden verschillende beleidsadviezen die zijn terug te vinden op de FAMKE. De in dit plan opgenomen dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' wordt gehanteerd voor gebieden die op de FAMKE het advies ‘karterend onderzoek’ en ‘quickscan’ hebben gekregen en derhalve gebieden betreffen met een archeologische verwachtingswaarde waarvoor bij een zekere planomvang archeologisch onderzoek wordt aanbevolen. Deze dubbelbestemming geldt onvoorwaardelijk voor iedere onderliggende grond.

5.4

Overige aspecten

Additionele voorzieningen In de regels van dit bestemmingsplan zijn de al dan niet in directe relatie met een bestemming staande voorzieningen bij de bestemming inbegrepen zonder dat dit uitdrukkelijk is vermeld. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om ondergrondse leidingen, verhardingen, bermen, geluidwerende voorzieningen, centrale installaties ten behoeve van de energievoorziening, voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing in de vorm van watergangen, duikers, waterkeringen en dergelijke. Handhaving Het bestemmingsplan geeft de gewenste planologische situatie voor het plangebied aan. Bestemmingsplannen zijn bindend voor de overheid en de burger. Enerzijds kan de overheid naleving van bestemmingsplannen afdwingen, anderzijds vormt het bestemmingsplan een juridisch kader voor burgers waaruit deze kan afleiden wat de bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn, op de in eigendom zijnde dan wel de naastgelegen buurpercelen, in de directe woon- en leefomgeving.

5.5

Bestemmingsplanprocedure

De bestemmingsplanprocedure is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de procedure zijn de volgende fasen te onderscheiden:

31

bestemmingsplan Buren 31A te Ferwoude

Ontwerpbestemmingsplan en vaststellingsprocedure Na aankondiging in de Staatscourant en in het Gemeenteblad en op de website www.ruimtelijkeplannen.nl, wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp naar voren brengen. Na afloop van de termijn van de terinzagelegging stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd uiterlijk 12 weken na de termijn van terinzagelegging vast. Vastgesteld bestemmingsplan en beroepsprocedure Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Iedereen die een zienswijze heeft ingediend, heeft ook de mogelijkheid om beroep in te stellen. Op deze hoofdregel is een aantal uitzonderingen: tegen gewijzigde vaststelling kan beroep worden ingediend zonder dat een zienswijze is ingediend, als de gewijzigde vaststelling leidt tot een belang van diegene die eerder geen aanleiding zag om een zienswijze in te dienen; als kan worden aangetoond dat er een dringende reden bestond waarom geen zienswijze is ingediend. Deze optie is gebonden aan een strikte uitleg en zal niet snel aan de orde zijn.

Indien Gedeputeerde Staten (GS) of de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging uiterlijk 6 weken na vaststelling. Binnen 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan zienswijzen van GS en/of de ILT wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.

32

bestemmingsplan Buren 31A te Ferwoude

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Onderdeel hiervan is de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Ook wordt in dit hoofdstuk aandacht besteed aan het aspect grondexploitatie.

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Grondexploitatie Op grond van artikel 6.12 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een aangewezen bouwplan is voorgenomen. Wat onder een bouwplan moet worden verstaan, is in artikel 6.2.1. Bro aangegeven. Op basis van het hierin in lid a gestelde ("de bouw van één of meer woningen") wordt het planvoornemen van dit bestemmingsplan als bouwplan aangemerkt. De Grondexploitatiewet, als onderdeel van de Wro, stelt een gegarandeerd kostenverhaal als eis aan bestemmingsplannen. Deze verplichting vervalt wanneer de kosten anderszins zijn verzekerd. De gemeenteraad moet dan wel expliciet besluiten dat er geen exploitatieplan wordt vastgesteld. Het planvoornemen van dit bestemmingsplan wordt op particulier initiatief ontwikkeld waarbij de exploitatie van het gebied geheel in handen van en voor risico van de ontwikkelende partij ligt. De gemeente voert de ruimtelijke procedure maar hoeft daarvoor geen risicodragende investeringen te doen. De met de voorgenomen ontwikkeling gepaard gaande ambtelijke kosten worden met een anterieure overeenkomst afgestemd met de planontwikkelaar en is hiermee anderszins verzekerd. Er bestaat geen aanleiding om een exploitatieplan op te stellen. Realisatiekosten Realisatie van plannen in het plangebied en herinrichting van het terrein vindt door private partijen plaats.

De gemeente hoeft hiervoor geen risicodragende investeringen voor haar rekening te nemen. Planschade Door het opstellen van dit nieuwe bestemmingsplan voor de betreffende gronden is er de kans dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in de planschade wordt ingediend. Diegenen die schade lijden door de bestemmingsplanherziening omdat hun onroerend goed in waarde vermindert, kunnen de schade verhalen (voor zover deze redelijkerwijs niet voor de aanvrager behoort te blijven) wanneer dit boven de 2% van de waarde van het onroerend goed uitkomt. De mogelijke kosten die samenhangen met een tegemoetkoming in de planschade worden door de initiatiefnemers van dit bestemmingsplan gedragen. Hiervoor is tussen gemeente en initiatiefnemers een planschadeverhaalovereenkomst gesloten.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Overleg ex art. 3.1.1 Bro

In het kader van het bestuurlijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is dit bestemmingsplan aan verschillende maatschappelijke instanties aangeboden die daarmee in de gelegenheid zijn gesteld om een overlegreactie op het plan in te dienen. In dat kader is van Provinsje Fryslân reactie op voorliggend bestemmingsplan ontvangen die als Bijlage 6 bij deze toelichting is opgenomen. Een tweetal opmerkingen is gemaakt waarover het volgende: Weidevogelkansgebied (cat. 2: interpretatie verordening/motivering): Opmerking Gelet op de ligging in weidevogelkansgebied wordt van provinciewege in het ecologisch onderzoek een

33

bestemmingsplan Buren 31A te Ferwoude

uitgebreidere motivering verwacht op grond van artikel 7.2.2 en/of artikel 7.2.4 van de Verordening Romte wil het project doorgang vinden. Daarentegen verwacht de provincie niet dat het project tot extra verstoring leidt. Reactie Door ecologisch adviesbureau FaunaX is deze opmerking verwerkt in een herziene versie van de beknopte natuurtoets, als opgenomen in Bijlage 1. Wonen (cat. 2: interpretatie verordening/motivering) Opmerking Aangegeven wordt dat gemotiveerd moet worden op grond van artikel 3.1 van de Verordening Romte op welke wijze overschrijding van het woningbouwprogramma door het planvoornemen kan worden voorkomen door uitwisseling of fasering van projecten. Reactie Conform de woningbouwafspraken 2020-2030 is er voldoende ruimte om nieuwe plannen aan het woningbouwprogramma toe te voegen. Er vindt geen toets plaats op volkshuisvestelijke meerwaarde van plannen met maximaal twee woningen. Zolang er ruimte is werkt de gemeente mee aan deze kleine plannen. 6.2.2

Inspraak

Naast het overleg ex. art. 3.1.1 Bro kan het bestemmingsplan conform de gemeentelijke inspraakverordening ook voor iedereen ter inzage worden gelegd voor het indienen van inspraakreacties. 6.2.3

Tervisielegging ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan wordt na behandeling van eventueel ingekomen overleg- en inspraakreacties ter visie gelegd. Binnen de termijn van tervisielegging kunnen belanghebbenden zienswijzen op het plan naar voren brengen.

34

bestemmingsplan Buren 31A te Ferwoude ontwerp

bestemmingsplan Bijlagen bij toelichting

Buren 31A te Ferwoude ontwerp

bestemmingsplan Buren 31A te Ferwoude

Inhoudsopgave

Bijlagen bij toelichting

5

Bijlage 1

Beknopte natuurtoets

7

Bijlage 2

Stikstofdepositieberekening

41

Bijlage 3

Watertoets

49

Bijlage 4

Akoestisch onderzoek

57

Bijlage 5

Verkennend bodemonderzoek

107

Bijlage 6

Overlegreactie Provinsje Fryslân

179

3

bestemmingsplan Buren 31A te Ferwoude

4

bestemmingsplan Buren 31A te Ferwoude

Bijlagen bij toelichting

5

bestemmingsplan Buren 31A te Ferwoude

6

bestemmingsplan Buren 31A te Ferwoude

Bijlage 1 Beknopte natuurtoets

7

2020 1

Quickscan Wet natuurbescherming Plinc Advies Ruimtelijke Ontwikkeling Realisatie Nieuwbouwwoning te Ferwoude

++

COLOFON BUREAU FAUNAX Badweg 40 B 8401 BL Gorredijk 0513-435024 info@faunax.nl www.faunax.nl Lid van Netwerk Groene Bureaus

Quickscan Wet natuurbescherming Plinc Advies Ruimtelijke Ontwikkeling Realisatie Nieuwbouwwoning te Ferwoude Gorredijk, september 2020 In opdracht van: Plinc Advies Ruimtelijke Ontwikkeling Uitvoering: Bureau FaunaX Veldwerk en rapportage: Dhr. R. Fokker Autorisatie: Dhr. E.P. de Boer Foto’s voorpagina: Impressie van het plangebied

© Bureau FaunaX. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX (2020). Quickscan Wet natuurbescherming/Plinc Advies Ruimtelijke Ontwikkeling/Realisatie Nieuwbouwwoning te Ferwoude. Rapport 20161. Bureau FaunaX, Gorredijk.

Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Wanneer deze rapportage, op wat voor manier dan ook, wordt aangepast en/of aangevuld door een partij anders dan Bureau FaunaX, verliest deze rapportage zijn validiteit en geldigheid. Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.

INHOUDSOPGAVE 1.

2

INLEIDING ..................................................................................................................... 1 1.1

Aanleiding ..................................................................................................................... 1

1.2

Doel ...............................................................................................................................2

1.3

Onderzoeksopzet ..........................................................................................................2

1.4

Karakteristiek plangebied en planvoornemen ............................................................. 3

RESULTATEN QUICKSCAN ...........................................................................................4 2.1

Flora .............................................................................................................................. 4

2.2

Vogels ........................................................................................................................... 4 2.2.1

2.3

Zoogdieren ................................................................................................................... 6 2.3.1

Vleermuizen .................................................................................................. 6

2.3.2

Overige zoogdieren ....................................................................................... 9

2.4

Reptielen...................................................................................................................... 12

2.5

Amfibieën .................................................................................................................... 12

2.6

Vissen .......................................................................................................................... 13

2.7

Ongewervelden ........................................................................................................... 13

2.8

Gebiedsbescherming ................................................................................................... 15 2.8.1

2.9 3

Stikstofgevoeligheid ..................................................................................... 16

Houtopstanden ........................................................................................................... 17

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................. 18 3.1

Overzicht beschermde soorten .................................................................................. 18

3.2

Effectbespreking en aanbevelingen ............................................................................ 18

3.3 4

Jaarrond beschermde vogelnesten ............................................................... 4

3.2.1

Algemene broedvogels ................................................................................. 18

3.2.2

Vleermuizen ................................................................................................. 18

3.2.3

Zorgplicht ..................................................................................................... 19

Overzicht vervolgstappen ........................................................................................... 19

LITERATUUR EN BRONNEN ....................................................................................... 20

BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING ................................................................................. - 1 Wnb Soortbescherming ......................................................................................................- 1 Vogels en verstoring .................................................................................................- 1 Vrijgestelde soorten provincie Fryslân .....................................................................- 1 Voorwaarden vrijstellingen ..................................................................................... - 2 Zorgplicht art 1.11 Wnb............................................................................................. - 3 Wnb Gebiedsbescherming ................................................................................................ - 3 Natura 2000-gebieden ............................................................................................. - 3 Wnb Houtopstanden ......................................................................................................... - 3 -

NatuurNetwerk Nederland / Ecologische HoofdStructuur ............................................. - 4 -

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Plinc Advies Ruimtelijke Ontwikkeling is voornemens een nieuwbouwwoning te realiseren op een gazon tussen de percelen Buren 31 en 29A te Ferwoude. Binnen het planvoornemen worden geen bomen gekapt, noch waterlichamen aangetast. Hiernaast vinden binnen het planvoornemen geen sloopwerkzaamheden plaats. Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op uitvoerbaarheid, onder meer in relatie tot de natuurwetgeving. Voor meer informatie over de Wet natuurbescherming en de handelswijze wordt verwezen naar Bijlage I. Zo dient te worden onderzocht of als gevolg van de uitvoering van het plan sprake is van effecten op wettelijk beschermde soorten flora en fauna en/of natuurgebieden (Natura 2000), alsook in het kader van houtopstanden. Om hierin inzicht te krijgen wordt in eerste instantie een ecologische quickscan uitgevoerd. Bij dit onderzoek wordt een inschatting gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer van het project aanwezige beschermde natuurwaarden en de effecten van de voorgenomen plannen op deze waarden.

Figuur 1.1. Het plangebied (rood omlijnd) te Ferwoude (Bron: Google maps).

1

1.2 Doel Deze ecologische beoordeling geeft, voor zover mogelijk, antwoord op de volgende vragen: 1. 2. 3. 4. 5.

Komen binnen het plangebied (biotopen van) onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten voor? Komen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden beschermde natuurgebieden voor? Wat zijn de mogelijke effecten van de werkzaamheden op deze beschermde natuurwaarden en -gebieden, zowel tijdens de realisatie als na afloop hiervan? Voor welke soorten en hun leefgebied wordt de wet mogelijk overtreden en in hoeverre kunnen overtredingen vermeden, dan wel verzacht worden? Wat zijn de te ondernemen vervolgstappen met betrekking tot het voorkomen van schade aan beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden?

Voor het beantwoorden van deze vragen zijn, naast de verzamelde gegevens tijdens het veldonderzoek, ook andere bronnen geraadpleegd. Zie hiervoor de bronnenlijst in hoofdstuk 4.

1.3 Onderzoeksopzet Soorten In opdracht van Plinc Advies Ruimtelijke Ontwikkeling heeft Bureau FaunaX het planvoornemen door middel van een ecologische quickscan getoetst aan de natuurwetgeving. Deze quickscan heeft bestaan uit een bureaustudie en een veldbezoek gebaseerd op ecologisch inzicht (expert judgement). Een ecologische quickscan of beoordeling is meestal de eerste stap van ecologisch onderzoek en is bedoeld om een inschatting te maken van de mogelijke effecten op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna en/of natuurgebieden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het veldonderzoek voor deze quickscan is uitgevoerd op donderdag 24 september 2020 en vond plaats onder zachte weersomstandigheden (14°C, windkracht 4, half bewolkt). Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie van het plangebied, waarbij is gelet op de aanwezigheid van (of sporen van) beschermde soorten en op de eventuele aanwezigheid van geschikt leefgebied van deze soorten. Gebieden - Natura 2000 Behalve dat onderzocht wordt welke soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen voorkomen, wordt ook gecontroleerd of er sprake kan zijn van negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt middels een grove analyse op basis van de geplande werkzaamheden en de relevante afstand tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden.

Houtopstanden Onder de Wet natuurbescherming worden ook houtopstanden beschermd. Er wordt gecontroleerd in welke mate er sprake is van kap en of hier een meld- en/of herplantingsplicht aan de orde kan zijn. Overige gebiedsbescherming Naast de Wet natuurbescherming zijn er nog meer regelgevingen die ingaan op het beschermen van de natuur in Nederland. Dit zijn veelal provinciale stukken, al dan niet als uitvoeringsorgaan vanuit rijksbeleid. Het gaat hierbij om regelgeving omtrent de Ecologische Hoofdstructuur, ganzengedooggebieden en weidevogelgebieden. Deze toetsing stipt kort aan of er sprake kan zijn van een conflict tussen de provinciale regelgevingen en het geplande initiatief.

2

1.4 Karakteristiek plangebied en planvoornemen Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom van Ferwoude en bestaat uit een gazon tussen de percelen Buren 31 en 29A. Noordwestelijk op het gazon bevindt zich een kleine parkeerplaats en aan de zuidzijde grenst het plangebied aan een sloot. Zuidwestelijk vlak buiten het plangebied staan een netwerkgebouwtje en een solitaire wilg. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door de bebouwde kom van Ferwoude, evenals agrarisch gebied doorkruist door sloten. Het planvoornemen bestaat uit het realiseren van een nieuwbouwwoning op dit perceel. Binnen het planvoornemen wordt de solitaire boom niet gekapt en wordt de sloot ten zuiden van het plangebied niet aangetast. Daarnaast vinden er binnen het planvoornemen geen sloopwerkzaamheden plaats.

Figuur 1.2. Impressie van het plangebied.

3

2 RESULTATEN QUICKSCAN 2.1 Flora In het plangebied zijn soorten aangetroffen als Engels raaigras, straatgras, paardenbloem, hondsdraf, smalle weegbree, brede weegbree, grote brandnetel en zilverschoon. Vlak buiten het plangebied staat een enkele solitaire wilg. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen, noch is het geschikte biotoop hiervoor aanwezig. De onder de Wnb beschermde plantensoorten stellen veelal kritische eisen aan hun standplaatsen. Aan deze eisen wordt binnen het plangebied niet voldaan.

Figuur 2.1. Impressie van de flora in het plangebied met v.l.b.n.r.o.: smalle weegbree, paardenbloem, hondsdraf en madeliefje.

De aanwezigheid van beschermde plantensoorten kan uitgesloten worden op basis van habitateigenschappen.

2.2 Vogels 2.2.1

Jaarrond beschermde vogelnesten

Roofvogels en uilen Nesten van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn bevinden zich over het algemeen in volgroeide bomen en/of bossen, zoals ooievaarsnesten of horsten van roofvogels. Vaak worden oude kraaien- of eksternesten gebruikt door roofvogels en uilen. De solitaire wilg vlak buiten het plangebied is gecontroleerd op de aanwezigheid van boomnesten.

4

Deze zijn echter niet aangetroffen. De aanwezigheid van jaarrond beschermde boomnesten binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Het plangebied is hiernaast gecontroleerd op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van vogels welke over het algemeen in bebouwing tot broeden komen, zoals kerkuilen, huismussen en gierzwaluwen. Binnen het plangebied zijn geen kunstmatige bouwwerken aanwezig. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van de voorgenoemde soorten binnen het plangebied kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. De woningen rond het plangebied bieden door de aanwezigheid van pannendaken met gegolfde dakpannen (figuur 2.2) mogelijk wel geschikte nestgelegenheid voor soorten als huismus en gierzwaluw. Echter, doordat de te realiseren nieuwbouwwoning een losstaande woning betreft, kunnen negatieve effecten op eventuele jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het plangebied (zoals het versperren van invliegopeningen) op voorhand worden uitgesloten.

Figuur 2.2 Het gegolfde pannendak van de naastliggende woning op het perceel Buren 29A biedt nestgelegenheid voor huismussen en gierzwaluwen.

 

De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in zowel bomen als kunstmatige bouwwerken binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op jaarrond beschermde nesten vlak buiten het plangebied kunnen op voorhand worden uitgesloten.

5

Overige (broed)vogelsoorten Naast de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. De nesten van deze soorten zijn uitsluitend beschermd tijdens het broedproces. Het plangebied biedt mogelijkheden voor diverse soorten broedvogels. Soorten zoals houtduif kunnen tot broeden komen in de solitaire wilg vlak buiten het plangebied. Hiernaast kunnen soorten als roodborst en merel tot broeden komen in de hagen tussen het plangebied en de percelen ten westen en oosten hiervan (figuur 2.3).

Figuur 2.3. De haag tussen het plangebied en het perceel Buren 29A biedt nestgelegenheid voor soorten als roodborst en merel.

Binnen en vlak buiten het plangebied, maar binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden kunnen altijd (algemene) vogels tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedproces (15 maart - 15 juli). Voer werkzaamheden, zoveel als kan, uit buiten deze periode.

2.3 Zoogdieren 2.3.1

Vleermuizen

Vleermuizen verblijven in Nederland over het algemeen in bomen, gebouwen of in andere kunstmatige bouwwerken. In bomen verblijven vleermuizen vaak in oude spechtengaten of gaten die binnenin een boom zijn doorgerot als het gevolg van bijvoorbeeld het afbreken van takken.

6

De solitaire wilg vlak buiten het plangebied is gecontroleerd op de aanwezigheid van geschikte boomholten. Hoewel er enkele boomholten zijn aangetroffen, zijn geen van deze holten geschikt bevonden voor vleermuizen, doordat deze niet binnen de wilg zijn doorgerot en dus niet diep genoeg zijn om vleermuizen te kunnen huisvesten. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in boomholten binnen en vlak buiten het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten, doordat er binnen het plangebied geen gebouwen of andere kunstmatige bouwwerken aanwezig zijn. Echter, vlak buiten het plangebied zijn verschillende geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aangetroffen. Ten westen van het plangebied op het perceel Buren 30 bevindt zich een dorpshuis. Aan de oostzijde van dit dorpshuis (richting het plangebied) zijn enkele stootvoegen aangetroffen. De spouw van dit gebouw is hierdoor mogelijk toegankelijk is voor vleermuizen (figuur 2.4). Oostelijk naast het plangebied staat een bestaande woning op het perceel Buren 29A. Deze woning beschikt over een pannendak met gegolfde dakpannen.

Onder de gegolfde dak- en nokpannen van deze woning zijn diverse ruimten aangetroffen welke kunnen functioneren als doorgangen tot verblijfplaatsen van vleermuizen, zoals onder de onderste rij dakpannen de nokpannen (figuur 2.4). Hoewel deze gebouwen geen onderdeel zijn van het plangebied en binnen het planvoornemen niet zullen worden aangetast, kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen verstoord worden door bijvoorbeeld het versperren van in- en uitvliegopeningen door het realiseren van de nieuwbouwwoning en/of door felle lichtuitstraling op verblijfplaatsen tussen zonsondergang en zonsopkomst. Met deze mogelijke verblijfplaatsen kan rekening gehouden worden door felle lichtuitstraling (door bijvoorbeeld bouwlampen) tussen zonsondergang en zonsopkomst te vermijden, en door ervoor te zorgen dat een mogelijke in- en uitvliegopening vrij worden gehouden door de te realiseren nieuwbouwwoning op ten minste enkele meters afstand van de eventuele verblijfplaatsen te realiseren.

7

Figuur 2.4. De bebouwing ten oosten en westen van het plangebied biedt geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen in de vorm van stootvoegen (boven) en ruimten tussen en onder gegolfde dak- en nokpannen (onder).

Naast verblijfplaatsen van vleermuizen, kunnen ook vliegroutes en/of foerageergebieden van vleermuizen een beschermde status hebben als deze van essentieel belang zijn voor het in stand houden van een verblijfplaats. Als vliegroute worden, afhankelijk van de soort, waterlichamen, bosranden, bomenlanen of gebouwen gebruikt. Vliegroutes De woningen rond de straat Buren worden waarschijnlijk door enkele soorten vleermuizen gebruikt als vliegroute naar enkele kleine boomrijke foerageergebieden in de directe omgeving van het plangebied.

8

Echter, het waterlichaam de Djippert dat ten noorden van het plangebied loopt vormt naar alle waarschijnlijkheid de belangrijkste vliegroute in de omgeving, doordat deze in verbinding staat met de IJsselmeerkust (ongeveer 1,8 km ten westen van het plangebied, figuur 2.5). De Djippert wordt echter van het plangebied gescheiden door meerdere gebouwen en bomen. Lichtuitstraling vanuit het plangebied zal derhalve geen effect hebben op deze eventuele (essentiële) vliegroute. Negatieve effecten op essentiële vliegroutes kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. Foerageergebieden Het plangebied vormt als gazon met een enkele solitaire wilg mogelijk een klein foerageergebied voor enkele (soorten) vleermuizen. De omgeving biedt echter alternatieven. Zo zijn er veel vergelijkbare grasveldjes te vinden. Het belangrijkste foerageergebied in de omgeving van het plangebied zal naar alle waarschijnlijkheid de IJsselmeerkust betreffen, welke zich op ongeveer 1,8 km ten westen van het plangebied bevindt. De voorgenomen werkzaamheden hebben geen invloed op dit gebied. Negatieve effecten op essentiële foerageergebieden kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten.

Figuur 2.5. De Djippert is waarschijnlijk de belangrijkste vliegroute voor vleermuizen in de omgeving van het plangebied.

   

De aanwezigheid van beschermde verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van beschermde verblijfplaatsen van vleermuizen vlak buiten het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op essentiële vliegroutes voor vleermuizen binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op essentiële foerageergebieden van vleermuizen binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten.

2.3.2 Overige zoogdieren Het plangebied is tevens gecontroleerd op de aanwezigheid van (geschikt habitat van) overige beschermde soorten zoogdieren.

9

Otter In de omgeving van het plangebied zijn diverse waarnemingen bekend van otters (figuur 2.6). Binnen en vlak buiten het plangebied zijn echter geen landschapselementen aanwezig welke kunnen functioneren als vaste rust- en verblijfplaatsen voor deze soort, zoals geschikte bosschages langs watergangen. De solitaire wilg vlak buiten het plangebied biedt niet genoeg dekking om hieraan te voldoen. De aanwezigheid van een vaste rust- en verblijfplaats van otters binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.

Figuur 2.6. Waarnemingen van otters (groene stippen) in de omgeving van het plangebied (rood) (bron: NDFF).

Waterspitsmuis In de omgeving van het plangebied zijn enkele, zeer sporadische waarnemingen van waterspitsmuizen bekend (figuur 2.7). Waterspitsmuis staat bekend als zeer schuwe soort welke voorkomt in waterlichamen met goed ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers (bron: Zoogdiervereniging). De sloot ten zuiden van het plangebied is door de aanwezigheid van goed ontwikkelde oevervegetatie (suboptimaal) geschikt voor waterspitsmuizen. De sloot bevindt zich echter binnen de bebouwde kom en loopt langs verschillende achtertuinen van woningen. Er is hierdoor sprake van veel menselijke activiteit rond de sloot. Naar ons inzicht is het hierdoor aan zekerheid grenzend onwaarschijnlijk dat er waterspitsmuizen in deze sloot aanwezig zijn. De aanwezigheid van waterspitsmuizen binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden kan derhalve op voorhand worden uitgesloten.

10

Figuur 2.7. Waarnemingen van waterspitsmuizen (groene stippen) in de omgeving van het plangebied (rood) (bron: NDFF).

Noordse woelmuis In de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van noordse woelmuizen bekend (bron: NDFF). Deze soort maakt gebruik van natte terreinen zoals moerassen, rietland en drassige hooilanden (bron: Zoogdiervereniging). Binnen en vlak buiten het plangebied zijn deze omstandigheden niet aanwezig. De aanwezigheid van deze soort binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden kan derhalve op voorhand worden uitgesloten.

Figuur 2.8. Waarnemingen van noordse woelmuizen (groene stippen) in de omgeving van het plangebied (rood) (bron: NDFF).

De aanwezigheid van andere beschermde zoogdiersoorten, zoals boommarter en grote bosmuis binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens (bron: NDFF) en de afwezigheid van habitateigenschappen zoals geschikte boomholten, bosgebieden en andere landschapselementen.

11

Binnen het plangebied kunnen wel andere, lichter beschermde zoogdieren voorkomen, zoals veldmuis. Hoewel deze soorten zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen, dient men zich wel te houden aan de zorgplicht (zie bijlage I).  

De aanwezigheid van otters, waterspitsmuizen en Noordse woelmuizen binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. In het plangebied kunnen wel andere licht beschermde soorten voorkomen, zoals veldmuis. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen, maar geldt wel de zorgplicht (zie Bijlage I).

2.4 Reptielen Het plangebied is tevens gecontroleerd op waarden voor beschermde reptielen en amfibieën. Op basis van verspreidingsgegevens (bron: NDFF) en habitateigenschappen kan op voorhand worden uitgesloten dat binnen het plangebied beschermde reptielen voorkomen. 

De aanwezigheid van leefgebied van beschermde reptielen binnen en vlak buiten het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.

2.5 Amfibieën Het plangebied is gecontroleerd op de aanwezigheid van beschermde amfibieën. Heikikker In de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van heikikkers bekend, maar een gedeelte van de IJsselmeerkust nabij het plangebied behoort wel tot een zogenaamd waarnemingsgebied van deze soort (bron: NDFF). Voortplantingshabitat voor deze soort wordt gekenmerkt door ondiep, zonbeschenen en voedselarm water (bron: kennisdocument heikikker). De sloot vlak buiten het plangebied voldoet niet aan deze eisen. Hoewel de sloot mogelijk ondiep genoeg is voor deze soort, is deze vrijwel geheel beschaduwd door ontwikkelde watervegetatie en de solitaire wilg. Hiernaast is deze sloot naar alle waarschijnlijkheid te voedselrijk voor heikikkers. Door de afwezigheid van geschikte afgetrapte oevers en vegetatie biedt het plangebied ook geen geschikt landhabitat voor deze soort. De aanwezigheid van heikikkers binnen het plangebied kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Rugstreeppad In de omgeving van het plangebied zijn enkele sporadische zogenaamde waarnemingsgebieden van rugstreeppad bekend, maar ontbreken recente waarnemingen (bron: NDFF). De IJsselmeerkust staat over het algemeen echter bekend om de aanwezigheid van veel geschikt habitat voor deze soort.

Het is dus aannemelijk dat er op enkele kilometers afstand van het plangebied wel (sporadisch) rugstreeppadden aanwezig zijn. Door de lange dispersieafstand van rugstreeppadden (meerdere kilometers op een goede avond), kan deze soort ook rond Ferwoude voorkomen. Rugstreeppadden maken echter gebruik van ondiepe, snel opwarmende wateren als voortplantingshabitat. Hoewel de sloot ten zuiden van het plangebied op enkele plekken mogelijk ondiep genoeg is voor deze soort, is deze vrijwel geheel beschaduwd door vegetatie en zal het water hierin niet snel opwarmen. De aanwezigheid van voortplantingswater van rugstreeppadden binnen en vlak buiten het plangebied kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Hiernaast is er binnen en vlak buiten het plangebied geen losse zanderige grond aangetroffen waar rugstreeppadden zich kunnen ingraven om hier te overwinteren. Ook de aanwezigheid van landhabitat van rugstreeppadden kan derhalve op voorhand worden uitgesloten.

12

Op basis van verspreidingsgegevens (Bron: NDFF) kan worden uitgesloten dat er overige beschermde amfibieënsoorten, zoals poelkikker in het plangebied aanwezig zijn. Binnen het plangebied kunnen wel andere, lichter beschermde amfibieën voorkomen, zoals bruine kikker. Hoewel deze soorten zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen, dient men zich wel te houden aan de zorgplicht (zie bijlage I).   

De aanwezigheid van leefgebied van heikikkers binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van leefgebied van rugstreeppadden binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. Voor andere, licht beschermde, vrijgestelde soorten, zoals bruine kikker geldt de zorgplicht (zie Bijlage I).

2.6 Vissen Het plangebied is gecontroleerd op waarden voor de in Nederland voorkomende groep beschermde zoetwatervissen. De enige soort welke redelijkwijs in de omgeving van het plangebied kan voorkomen is de grote modderkruiper. Grote modderkruiper staat in Nederland bekend als een poldervis. Deze soort wordt voornamelijk aangetroffen in water met goed ontwikkelde watervegetatie en een dikke sliblaag. De sloot vlak buiten het plangebied voldoet aan deze habitateigenschappen. Deze sloot wordt binnen het planvoornemen echter niet aangetast. Negatieve effecten op leefgebied van grote modderkruipers kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. 

Negatieve effecten op leefgebied van grote modderkruipers kunnen op voorhand worden uitgesloten.

2.7 Ongewervelden Het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde ongewervelden kan op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens (NDFF) en habitateigenschappen. In de omgeving van het plangebied is een enkele waarneming van gevlekte witsnuitlibel bekend (figuur 2.9). Deze waarneming is echter gedaan in de bebouwde kom van Workum en betreft naar alle waarschijnlijkheid slechts een zwervend exemplaar. Op basis van habitateigenschappen kan de aanwezigheid van gevlekte witsnuitlibel binnen en vlak buiten het plangebied op voorhand worden uitgesloten. Door het ontbreken van geschikt voortplantingswater binnen het plangebied kunnen negatieve effecten op overige beschermde libellen(larven) eveneens op voorhand worden uitgesloten. Het voorkomen van andere beschermde ongewervelden kan worden uitgesloten, bijvoorbeeld op basis van de afwezigheid van waardplanten van beschermde vlindersoorten.

13

Figuur 2.9. Waarneming van gevlekte witsnuitlibel (groene stip) in de omgeving van het plangebied (rood) (bron: NDFF).

14

De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde ongewervelden kan op voorhand worden uitgesloten.

2.8 Gebiedsbescherming Tijdens de bureaustudie zijn enkele vormen van gebiedsbescherming naar voren gekomen die betrekking hebben op het plangebied. Het plangebied valt niet onder het NatuurNetwerk Nederland (NNN, voormalig EHS) of Natura2000 (bron: Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân). Echter, het plangebied bevindt zich wel binnen de begrenzingen van een door de provincie Fryslân aangewezen weidevogelkansgebied (figuur 2.10). Door het realiseren van een nieuwbouwwoning gaat er een gedeelte van dit weidevogelkansgebied verloren. Doordat het plangebied bestaat uit een relatief intensief beheerd (gemaaid) gazon welke zich binnen de bebouwde kom van Ferwoude bevindt, draagt deze naar ons inzicht geen waarden voor weidevogels. Wij verwachten dat het planvoornemen niet tot extra verstoring leidt, waardoor het voldoet aan artikel 7.2.2. van de Verordening Romte (bron: Verordening Romte Fryslân 2014, Geconsolideerde Versie 2018). Negatieve effecten op dit weidevogelkansgebied, anders dan het verloren gaan van een klein gedeelte hiervan, kan naar ons inzien op voorhand worden uitgesloten. De provincie Fryslân is echter bevoegd gezag in dezen.

Figuur 2.10. Het plangebied (rood omlijnd) valt binnen de begrenzingen van een door de Provincie Fryslân aangewezen weidevogelkansgebied (diagonale lijnen) (bron: Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân).

Hiernaast ligt het plangebied vlak buiten de begrenzingen van een door de provincie Fryslân aangewezen ganzenfoerageergebied (figuur 2.11). Tijdens het realiseren van een nieuwbouwwoning kan er sprake zijn van een lichte verhoging van de reeds aanwezige verstoring vanuit de bebouwde kom van Ferwoude richting dit ganzenfoerageergebied. Wanneer de voorgenomen werkzaamheden zijn afgerond zal er echter vrijwel geen sprake zijn van een verhoging van verstorende effecten in de omgeving in vergelijking met de huidige situatie. Doordat dit ganzenfoerageergebied een ruim gebied betreft, zijn er naar ons inzien voldoende uitwijkmogelijkheden voor ganzen in de directe omgeving van de voorgenomen werkzaamheden. Significant negatieve effecten op dit ganzenfoerageergebied kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. De provincie Fryslân is echter bevoegd gezag in dezen.

15

Figuur 2.11. Het plangebied (rood omlijnd) valt vlak buiten de begrenzingen van een door de Provincie Fryslân aangewezen ganzenfoerageergebied (paars) (bron: Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân).

2.8.1 Stikstofgevoeligheid Het plangebied ligt hemelsbreed op circa 1,8 km, 4,7 km en 9,8 km van de Natura2000gebieden IJsselmeer, Oudegaasterbrekken, Fluessen en Omgeving en Waddenzee (respectievelijk, figuur 2.12). Tijdens de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden (realiseren nieuwbouwwoning) komt er naar alle waarschijnlijkheid extra stikstof vrij door bijvoorbeeld het inzetten van mobiele werktuigen. Vanwege de kleine aard van de werkzaamheden en de relatief grote afstand tot de dichtstbijzijnde Natura2000-gebieden kunnen negatieve effecten als gevolg van stikstofuitstoot op deze gebieden naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten. De provincie Fryslân is echter bevoegd gezag in dezen en bepaalt of het uitvoeren van een Aeriusberekening benodigd is.

16

Figuur 2.12. Natura2000 (paars) gebieden in de omgeving van het plangebied (rood) (bron: Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân).

Het plangebied valt binnen de begrenzingen van een weidevogelkansgebied en vlak buiten een ganzenfoerageergebied. Negatieve effecten op deze gebieden kunnen naar ons inzien echter op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op Natura2000 gebieden als gevolg van extra stikstofuitstoot kunnen naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten.

2.9 Houtopstanden Als er een (deel van een) houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m2) of een (deel van een) bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom kan er sprake zijn van een meld- en/of herplantingsplicht. Binnen het planvoornemen worden geen bomen gekapt. Er is derhalve geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht. 

Er is geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht.

17

3 SAMENVATTING EN CONCLUSIES 3.1 Overzicht beschermde soorten In onderstaand overzicht worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In dit overzicht zijn alleen die soorten opgenomen, waarvoor het plangebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus, en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn. Tabel 4.1 Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in en rond het plangebied. Soortgroep

Soort

Aanwezigheid

Vogels

Algemene broedvogels

Mogelijk

Zoogdieren

Vleermuizen

Mogelijk

Divers

Divers

Ja

Art. 3.1

Art. 3.5

Art. 3.10

Vrijgesteld

X

Advies Werken buiten broedseizoen. Vermijden lichtuitstraling richting- en versperring van geschikte verblijfplaatsen oostelijk en westelijk naast plangebied. Anders  Nader onderzoek

X

X

Zorgplicht

3.2 Effectbespreking en aanbevelingen Het project kan naar ons inzien doorgang vinden binnen de kaders van de Wet natuurbescherming, mits men zich houdt aan de hieronder volgende aanbevelingen.

3.2.1

Algemene broedvogels

Binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden komen waarschijnlijk vogels tot broeden waarvan de nesten alleen tijdens de broedtijd beschermd zijn. We adviseren om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt over het algemeen de periode van 15 maart-15 juli aangehouden. Afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden kunnen soorten echter eerder of later in het jaar tot broeden komen. Wat voor deze soorten van belang is, is of er sprake is van een broedgeval. Zo ja, dan is deze altijd beschermd.

3.2.2 Vleermuizen De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen vlak buiten het plangebied (stootvoegen en ruimtes onder dak- en nokpannen in omliggende gebouwen) kan niet op voorhand worden uitgesloten. De voorgenomen werkzaamheden kunnen doorgang vinden, mits men aan de volgende voorwaarden kan worden voldaan:  We adviseren lichtuitstraling tijdens en na de voorgenomen werkzaamheden richting geschikte verblijfplaatsen (stootvoegen en gegolfde dak- en nokpannen) tussen zonsondergang en zonsopkomst te vermijden. Hieraan kan worden voldaan door bijvoorbeeld de werkzaamheden alleen overdag uit te voeren, en eventuele bouwlampen tussen zonsondergang en zonsopkomst uit te zetten.  We adviseren om versperring van in- en uitvliegopeningen van geschikte verblijfplaatsen in de nieuwe situatie te voorkomen. Hieraan kan worden voldaan door enkele meters tussen de reeds bestaande constructies en de nieuwbouwwoning te houden.

18

Indien aan één of meer van deze voorwaarden niet kan worden voldaan, wordt nader onderzoek geadvisereerd om de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Dit dient uitgevoerd te worden aan de hand van vier veldbezoeken, verdeeld over de kraamperiode (15 mei - 15 juli) en de paarperiode (15 augustus 1 oktober). De onderzoeksmethodiek is vastgelegd in het Vleermuisprotocol, opgesteld door het ministerie van EZ, Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging. Indien er verblijfplaatsen van vleermuizen wordt vastgesteld binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, dient er voor de desbetreffende soort(en) een ontheffing te worden aangevraagd, welke in de regel wordt afgegeven onder de voorwaarde dat er compenserende en mitigerende maatregelen worden uitgevoerd.

3.2.3 Zorgplicht Er kunnen soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt in geval van schade aan deze soorten. Op deze soorten is wel de zorgplicht van toepassing. Deze kan tot uiting worden gebracht door zo te werken dat dieren de kans krijgen om te vluchten naar habitat buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden of dieren (zoals vrijgestelde amfibieën) naar een dergelijke habitat te verplaatsen. Voor de voorwaarden waaraan vrijstellingen moeten voldoen wordt verwezen naar Bijlage I.

3.3 Overzicht vervolgstappen Het planvoornemen kan zonder bezwaren doorgang vinden binnen de kaders van de vigerende natuurwetgeving, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:  

Broedvogels: Werken buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart-15 juli). Is dit niet mogelijk?  dan voor aanvang werkzaamheden broedvogelcheck uit laten voeren. Vleermuizen: Voorkom lichtuitstraling richting geschikte verblijfplaatsen in naastgelegen bebouwing (vlak buiten het plangebied) tussen zonsondergang en zonsopkomst en versperring van deze geschikte verblijfplaatsen. Is dit niet mogelijk?  Dan nader onderzoek. Licht beschermde en vrijgestelde soorten: Naleven van de zorgplicht.

19

4 LITERATUUR EN BRONNEN Literatuur Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (red), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Natuur van Nederland 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Bronnen internet Verordening Romte Fryslân 2014, Geconsolideerde Versie 2018 https://www.fryslan.frl/document.php?m=7&fileid=55066&f=bca1efb76002762f9abcea5b3700f9 ea&attachment=0 Kennisdocument heikikker https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-008-Kennisdocument-Heikikker-1.0.pdf Kennisdocument grote modderkruiper https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-007-Kennisdocument-Grote-modderkruiper-1.0.pdf Google maps www.google.com/maps Synbiosis https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=n2k&groep=1&id=n 2k19&topic=gevoeligheid Kaarten provinciale natuurbeheerplannen Bij12 https://flamingo.bij12.nl/pnl-viewer/app/PNLNatuurbeheerplan NationaleDatabank Flora en Fauna (NDFF) https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân https://www.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=14fdb7eae5844c479140f89c88abdd d3 Ravon

http://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Sovon https://www.sovon.nl/nl Verspreidingsatlas planten FLORON http://www.verspreidingsatlas.nl/planten Zoogdiervereniging www.zoogdiervereniging.nl

20

21

BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING De wettelijke bescherming van natuurwaarden valt in grote lijnen uiteen in drie delen: soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden.

Wnb Soortbescherming De Wet natuurbescherming draagt onder andere zorg voor de bescherming van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. De wet bevat een aantal verbodsbepalingen die ervoor moeten zorgen dat de gunstige staat van instandhouding van alle in het wild levende dier- en plantensoorten zal blijven gewaarborgd. De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen, de Europees beschermde soorten en de nationaal beschermde soorten. De eerste groep bestaat uit strikt beschermde soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (art. 3.1 en 3.5). De Vogel- en Habitatrichtlijn zijn richtlijnen van de Europese Unie waarin wordt aangegeven welke diersoorten en welke typen natuurgebieden door de lidstaten dienen te worden beschermd. In de tweede categorie staan de overige (nationaal) beschermde soorten (art. 3.10). Binnen de Wet natuurbescherming vullen Europese en nationale wetgeving elkaar aan. De Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) genieten een iets zwaardere bescherming dan de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). Zo geldt voor de nationale soorten geen verbod op het verstoren, iets wat wel het geval is bij de Habitatrichtlijnsoorten. Ook zijn de belangen waaronder ontheffing aangevraagd mag worden, voor de nationaal beschermde soorten uitgebreider dan voor de habitatrichtlijnsoorten.

Vogels en verstoring Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat het verboden is om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden om vogels opzettelijk te storen. Dit is echter niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Dit kan dus ook tijdens het broedseizoen het geval zijn, als kan worden aangetoond of beargumenteerd dat de verstoring geen negatieve effecten heeft op (de kansen van) het broedsucces. Of dit van toepassing is hangt af van meerdere factoren, zoals de biologie van een soort, de fase van de broedtijd waarin het broedpaar zich op dat moment bevindt (zoals balts, nestbouw, eieren of jongen) en de mate van verstoring. Een ter zake kundige ecoloog kan in voorkomende gevallen bepalen wat wel of niet geldt als wezenlijke verstoring. In aanvulling op bovenstaande wordt er door de provincies een lijst met vogelsoorten gehanteerd, waarvan de nesten jaarrond bescherming genieten. Binnen deze categorie wordt onderscheid gemaakt in soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5).

Vrijgestelde soorten provincie Fryslân Hoewel de Wet natuurbescherming een nationale wet is, kunnen de provincies (als de bevoegde gezagen) soorten aanwijzen die vrijgesteld kunnen worden van de beschermde status, als het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de via de Verordening Wet natuurbescherming door de provincie Fryslân vrijgestelde soorten (zoogdieren en amfibieën). De verordening van de Provinciale Staten van Fryslân is te vinden op https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2016-6515.html.

-1-

Tabel 1. Vrijgestelde soorten Verordening Wet natuurbescherming provincie Fryslân.

Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat

Amfibieën Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker

Voorwaarden vrijstellingen Zoals gezegd zijn de vrijstellingen onder het bevoegd gezag van de provincie Fryslân, en zijn hiermee geen onderdeel van de Wet natuurbescherming zelf. De provincie heeft de soorten zoals die genoemd zijn in bovenstaande tabel niet zonder meer vrijgesteld, hier zijn voorwaarden aan verbonden. Ten eerste is het van belang dat er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is. Ten tweede gelden de vrijstellingen niet in alle situaties. Deze zijn alleen van toepassing als de geplande werkzaamheden onder één van de volgende noemers vallen: a. in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; c. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; d. in het kader van bestendig beheer en onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. Ten derde is een aantal specifieke voorwaarden opgesteld (Bijlage I van de Verordening). Hierbij geldt dat indien sprake is van vangen of doden, alleen gebruik mag worden gemaakt van de in de verordening genoemde middelen en methoden.

Dit is vooral van toepassing bij de vrijgestelde zoogdieren. Indien deze in winterslaap zijn en ze worden gevangen, dan moet alles er aan gedaan worden om ervoor te zorgen dat de overlevingskansen niet worden verminderd als gevolg van het vangen en verplaatsen. Voor amfibieën is het belangrijk te vernemen dat indien deze in winterslaap zijn, het niet is toegestaan ze te vangen (en verplaatsen). Indien bovengenoemde soorten voorkomen binnen een plangebied, is een ontheffing voor deze soort dus niet nodig.

-2-

Zorgplicht art 1.11 Wnb Echter, dit is niet nodig omdat nog steeds een inspanning wordt geleverd om deze soorten zo min mogelijk schade te doen, zoals is omschreven in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, meer algemeen bekend als de zorgplicht. Hoewel overtredingen niet strafbaar zijn gesteld, kan het uitvoeren van de zorgplicht wel worden gehandhaafd door toepassing van een bestuursdwang. Dat betekent dat de uitvoerende gedwongen kan worden herstelacties uit te voeren.

Wnb Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming houdt in dat gebieden met belangrijke natuurwaarden wettelijk zijn beschermd. Het gaat hierbij om het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en Natura 2000-gebieden.

Natura 2000-gebieden Projecten of activiteiten die niet noodzakelijk zijn voor, of verband houden met, het beheer van de natuurwaarden van Natura 2000-gebieden (Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden) en mogelijk negatieve effecten hebben op deze waarden, dienen vanuit de Wet natuurbescherming getoetst te worden. Deze toetsing vindt enkel plaats in het geval de uitvoering van een project plaatsvindt binnen de invloedssfeer van een N2000-gebied en verwacht wordt dat deze uitvoering (mogelijk) negatieve effecten heeft op soorten of habitattypen waarvoor het N2000-gebied is aangewezen.

Wnb Houtopstanden De Boswet is in 2015 gewijzigd en per 1 januari 2017 opgenomen in de nieuwe Wet Natuurbescherming. Die wet zal op den duur weer (beleidsneutraal) in de Omgevingswet opgenomen worden. De, voor gemeenten, belangrijkste wijziging van de wet is de beperking in het stellen van regels ten aanzien van houtopstanden buiten de begrenzing zoals aangegeven op de kaart Begrenzing Bebouwde kom Boswet. Dit heeft effect op o.a. gemeentelijk kapbeleid. De provincie heeft, als bevoegd gezag, een provinciale verordening opgesteld voor de uitvoering van de Wet Natuurbescherming. Dat is in overleg met de Friese gemeenten gedaan. De APV, afd. 3 Het bewaren van houtopstanden, oftewel de kapverordening, vormt de basis voor het nader uitgewerkte kapbeleid. Tevens zijn in de APV regels opgenomen ten aanzien van de Bomenlijst. De bescherming van arealen bos en houtopstanden valt dus onder de Wnb, mochten deze groter zijn dan 10 are (1000 m2) of bestaan uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom. De gemeente hanteert soms voor ‘buiten de bebouwde kom’ een andere begrenzing dan voor de Weg- en verkeerswet. Bij twijfel kan hierover bij de gemeente informatie worden aangevraagd.

Als de houtopstand groter dan 10 are is of bestaat uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom, dan is er een meld- en herplantingsplicht van hetzelfde areaal bos binnen drie jaar na het kappen hiervan. Niet alle boomsoorten vallen onder deze wetgeving. Populieren, wilgen, essen of elzen die zijn bedoeld voor de productie als biomassa zijn uitgezonderd, indien tenminste een keer per tien jaar wordt geoogst, de beplanting na 1 januari 2013 is aangelegd en aan een aantal beplantingseisen is voldaan. Ook kerstbomen die niet ouder zijn dan twintig jaar, kweekgoed, fruitbomen en windschermen om boomgaarden zijn uitgezonderd.

-3-

NatuurNetwerk Nederland / Ecologische HoofdStructuur Strikt genomen valt de EHS/NNN niet onder de Wet natuurbescherming aangezien dit bepaald wordt door de provincies en niet door het Rijk. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) maakt onderdeel uit van het rijksbeleid voor het creëren en vormgeven van een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen natuurgebieden in Nederland. De provincies krijgen echter zelf de gelegenheid om dit naar eigen inzicht zo goed mogelijk aan te wijzen, inrichten en beheren. Indien een ruimtelijke ingreep binnen de begrenzing van het NNN plaatsvindt moet een 'nee, tenzij' procedure worden doorlopen en zal bij doorgang van de ingreep in de regel compensatie en mitigatie noodzakelijk zijn.

-4-

bestemmingsplan Buren 31A te Ferwoude

Bijlage 2 Stikstofdepositieberekening

41

Bouwadvies Mark de witte Bleekstraat 5 8754 CK Makkum T 0515 233 406 E info@markdewitte.nl IBAN NL68 RABO 0340 6172 41 BIC RABONL2U KvK 01 08 45 25 BTW 1090.76.345.B01

BOUWADVIES EN ONTWERP

Project

: Nieuwbouw woning a/d Buren te Ferwoude

Referentie

: 20.176/RP

Datum

: 21 oktober 2020

Opdrachtgever

: Plinc - Van Aylvaweg 40 – 8748 CE Witmarsum

Onderdeel

: berekening stikstofdepositie

Inleiding In opdracht van Plinc is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase van een nieuw te bouwen woning aan de Buren te Ferwoude. Hierbij is rekening gehouden met verkeersbewegingen en de inzet van diesel aangedreven materieel.

Uitgangspunten Met behulp van de Aerius Calculator (versie 2020) is de stikstofdepositie op de meest nabij gelegen Natura 2000 gebieden berekend. Vanuit de Aerius Calculator is een PDF bestand gegenereerd, zie bijlage. Uitganspunt is een gasloze woning, derhalve is er geen emissie van het stoken op aardgas. Het aantal verkeersbeweging tijdens de gebruiksfase hebben we ingeschat op 8 per etmaal. Voor de lengte van de rijroute zijn we uitgegaan van de route vanaf de woning tot de rand van het plangebied. In de aanlegfase wordt materiaal aangevoerd met vrachtwagens en personeel in licht verkeer/busjes. Het aantal verkeersbewegingen zal echter nooit meer bedragen dan tijdens de gebruiksfase en is daarom niet afzonderlijk opgenomen in de Aerius berekening. Tijdens de aanlegfase zal diesel aangedreven materieel worden ingezet, hiervoor zijn wij uitgegaan van de volgende materieelinzet: Grondwerk / terreininrichting: stage IV, 130-560kW, verbruik 30ltr/uur, 10 dagen = 2400ltr/jaar Materieel tijdens bouwproces: stage IV, 75-130kW, verbruik 15ltr/uur, 10 dagen = 1200ltr/jaar (het verbruik is ingeschat op basis van ervaringscijfers)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10974115/1