Bijlage I - Vast te stellen bestemmingsplan
Tekst van het document
De herkenbare historisch-ruimtelijke structuur in samenhang met de bebouwing, de inrichting van de openbare ruimte en de relatie met het aangrenzende landschap vertegenwoordigen een zodanige cultuurhistorische waarde dat een aanwijzing van Pingjum als beschermd dorpsgezicht gerechtvaardigd is. Ontstaan en ontwikkeling Langs de zuidoostelijke kust van de Noordzee bevindt zich het verspreidingsgebied van de terpen, door de mens opgeworpen verhoogde woonplaatsen uit de periode waarin het land nog niet wordt beschermd door zeewerende dijken. Het begrip 'terp' is de algemene aanduiding voor deze ophogingen, waarvoor lokaal verschillende benamingen voorkomen (in Friesland terp, in Groningen wierde en in Noord-Holland werf). Door het smelten van ijsmassa's na de laatste ijstijd, circa 10.000 jaar geleden, stijgt het niveau van de zeespiegel en verplaatsen de kustlijn en het door het zeewater meegevoerde materiaal zich voortdurend verder landinwaarts. Ter plaatse van het huidige Noordnederlandse kustgebied
2
24
worden daardoor vanaf circa 2 7 0 0 voor Christus zand en klei afgezet. Geleidelijk aan neemt de zeespiegelstijging in betekenis af. Tot de aanleg van de eerste dijken in de late Middeleeuwen treden echter nog afwisselend perioden op waarin het kustgebied regelmatig wordt overstroomd en sedimentatie van zand en klei plaatsvindt en perioden waarin het gebied langere tijd droog komt te liggen. Gedurende de zo'n drogere periode (regressiefase) wordt de vestiging van nederzettingen mogelijk, die tijdens de daaropvolgende periode van overstromingen (transgressiefase) moeten worden verlaten of verder opgehoogd. Op grond van deze periodiciteit onderscheidt men over het algemeen een viertal terpengeneraties, ontstaan gedurende de periode tussen circa 600 voor Christus, wanneer de eerste bewoning van het kustgebied mogelijk wordt, en circa 1000 na Christus, wanneer de eerste bedijkingen tot stand komen. Op de plaatsen waar door het zeewater het zwaardere, zandhoudende materiaal wordt afgezet ontstaan hoger gelegen gronden, de vaak langgerekte oeverwallen langs kwelderkreken, die de basis vormen voor de eerste vestiging van nederzettingen. Voor een deel liggen deze oudste woonplaatsen aanvankelijk direct op de kweldergrond (vlaknederzetting), voor een deel ook wordt meteen al een kleine verhoging opgeworpen.
Bij het toenemen van de zee-invloed wordt vervolgens de woonplaats verder opgehoogd met mest en kwelderzoden teneinde de bewoning te kunnen voortzetten. De terp zelf wordt, behalve als w o o n plaats, gebruikt voor het stallen van het vee, het verbouwen van akkergewassen en het winnen van drinkwater. Het open veld buiten de terp dient als hooi- en weiland. Aan de vorming van terpen komt een einde wanneer men, in de late Middeleeuwen, het land door de aanleg van dijken tegen het zeewater gaat beschermen. De geringe hoogte en betrouwbaarheid van de oude zeedijken leiden er echter toe dat de terpen als belangrijkste woonplaats in gebruik blijven. Daarnaast komt echter geleidelijk een proces op gang waarbij agrarische bebouwing vanaf de terp wordt verplaatst naar de hogere gedeelten van het omringende gebied. Op archeologische gronden neemt men aan dat de grotere terpen, waarop dorpen en steden tot ontwikkeling zijn gekomen, zijn ontstaan door het aaneengroeien van dichtbijeengelegen oorspronkelijk eenhuizige terpen. Deze grotere dorpsterpen kunnen op grond van hun verkavelingsstructuur in drie ideaaltypische groepen worden onderscheiden: terpen met een
- pre-romeinse - radiale verkaveling, terpen met een - jongere - blokvormige verkaveling en de later gevormde handelsterpen met een langgerekte vorm en een centrale, dichtbebouwde hoofdstraat. Volgens het vroegste gedetailleerde, 19de-eeuwse kaartmateriaal blijkt Pingjum tot de groep van de blokvormig verkavelde terpen te behoren. Voor de bedijking ervan vormt de Marneslenk de belangrijkste invalspoort voor het zeewater in het noorden van het huidige Wunseradiel. Aan de noord- en oostzijde van deze zee-arm ligt een kwelderrug met daarop ondermeer de dorpsterpen van Kimswerd, A r u m , Witmarsum en Schettens. Aan de zuidzijde van de Marneslenk ligt op een brede kwelderrug de Pingjumer Rige, een reeks eenhuizige terpen. De dorpsterp van Pingjum ligt aan de binnenzijde van deze zuidelijke kwelderwal, die ten zuiden van het dorp is onderbroken en zich meer oostwaarts voortzet bij de terpdorpen Schraard en Longerhouw. Waarschijnlijk dateert de terp van Pingjum van voor het begin van de jaartelling, getuige de vondst van een Romeins Mercuriusbeeldje bij de terpafgraving in de 19de eeuw. Door de toenemende wateroverlast is de terp echter nadien weer verlaten en vermoedelijk na de post-romeinse transgressiefase weer in gebruik genomen. De eerste herbewoning in deze periode betreft oudere, bestaande terpen gelegen rondom komvormige laagten.
De terpen Pingjum, Lutke Pingjum en Meilsma liggen aan zo'n laagte die de beeindiging vormt van een kreek vanuit het zuiden van de Marneslenk naar de binnenzijde van de oeverwal. De oudste bedijking in deze streek betreft waarschijnlijk het gebied ten zuidoosten van W i t m a r s u m , aan de oostzijde van de Marneslenk, in de 10de eeuw na Christus. De bescherming van het gebied rondom Pingjum vindt vermoedelijk in de daaropvolgende eeuw plaats met de aanleg van een dijk aansluitend op de kwelderrug van de Pingjumer Rige en op de oeverwal bij Schraard. Spoedig daarna vindt ook de indijking van de Marneslenk plaats door de opeenvolgende aanleg van een aantal dwarsdijken en van een nieuwe dijk ten noorden van de Pingjumer Rige. Doordat vervolgens, in de 12de eeuw, ten zuiden van Pingjum een binnendijk wordt aangelegd, ontstaat rondom het dorpsgebied een omringende dijk die later met de naam Pingjumer (Gulden) Halsband wordt aangeduid. De kreek, die vanuit Pingjum in zuidelijke richting de oorspronkelijke verbinding met de Marne vormt, slibt reeds in een vroeg stadium dicht. De functie hiervan wordt dan overgenomen door de
Bijlage 1 bij Toelichting verlaten wordt vanwege herhaaldelijke overstromingen, zal het klooster in de 12de-13de eeuw een belangrijke rol hebben gespeeld bij de bouw van een parochiekerk in Pingjum, een uiting van de ontwikkeling tot hoofddorp van het gebied binnen de Halsband. De genoemde ontwikkelingen leiden tot een relatieve toename van niet-agrarische functies op de dorpsterp, waardoor de grondslag wordt gelegd voor een dichtere structuur van de dorpsbebouwing. De verbreding van het functionele draagvlak met ondermeer ambachtelijke en handelsfuncties moet reeds
Pingjumer Vaart, die vanuit het dorp in zuidoostelijke richting is gegraven, met een ruime boog in noordelijke richting afbuigt en bij A r u m aansluit op de Bolswarder Vaart in de oude Marnebedding. De bedijkingen en de verbeterde waterhuishouding maken het mogelijk een deel van de agrarische bebouwing buiten de terpen te plaatsen, zoals de plaatsen Waltinga en A g g e m a in de omgeving van Pingjum. Het klooster 'Vinea Domini' wordt in 1186 aan de kust ten noordwesten van Pingjum gevestigd. Hoewel het reeds in 1287 weer CO C3 C3 CD LO T -
cn C3
VB7
T-
C4 ., ..
/
..•..Mqrne!&>>-....
N
<>-• x
X
\
*: \
N o Pingjum
>
BE
,
\ V
4X % S * £f
^ / \ W
N
it mar s u m
i *
Schraard:?^
*
X*
\
x
Longerhouw
"k
Verklaring
Marne - geul
Dijken
10
Dijken
11
Huidige
Figuur
t.
e
/
1 1
/
12
e
e
eeuv
eeuw
kustlijn.
M i d d e I e eu w s e
bedijkingen
rondom
de
Marne
vroeg tot een voorspoedige ontwikkeling van het dorp hebben geleid, getuige niet alleen het aaneengesloten bebouwingspatroon, maar ook de bouw rond 1500 van een nieuw kerkgebouw. De oudst bekende kaart waaruit iets van de structuur van Pingjum is af te lezen, is de grietenijkaart van Bernardus Schotanus a Sterringa uit 1693, door Francois Halma in 1718 in herziene vorm uitgegeven. Op deze kaart (fotobijlage, afb. 1), die de opbouw van het dorp globaal weergeeft, is te zien dat de dorpsbebouwing vooral ten zuiden en ten westen van de kerk is gelegen. Deze niet-agrarische bebouwing zal in eerste aanzet zijn gebouwd op het gedeelte van de dorpsterp ten zuiden van het kerkhof, en zich vervolgens in de loop der tijd hebben uitgebreid langs bestaande paden. Zo ontstaan de Grote en de Kleine Buren, de laatste vermoedelijk langs een pad dat vanaf de kerk naar Lutke Pingjum liep. Een pad in westelijke richting vanaf de zuidkant van het kerkhof vormt de basis voor het ontstaan van de Grote Buren, die aanvankelijk bestaat uit bebouwing op de terp, maar in een later stadium ook daarbuiten is uitgegroeid in de richting van de Molenlaan. De Schotanuskaart geeft deze situatie reeds aan, waaruit de langgerekte hoofdvorm van Pingjum is af te lezen.
Een voor de dorpsstructuur belangrijke ontwikkeling, waarover de Schotanuskaart overigens geen uitsluitsel geeft, is het ontstaan van bebouwing langs de Pingjumer Vaart ten oosten van de Kleine Buren. Hierdoor komt een buitenwaarts gerichte bebouwing langs de haven tot stand, door middel van enige ondergeschikte stegen met de Kleine Buren verbonden, en krijgt de Burenlaan langs het water een belangrijker functie als kade en w e g . Mogelijk staat ook de afsluiting van de Kleine Buren als verbinding naar Lutke Pingjum hiermee in verband, waarbij bovendien de aanleg van een vaart langs de zuidkant van het dorp naar de molen aan de Molenlaan een rol zal hebben gespeeld. Het oudste kaartbeeld waarop de verkaveling en de ligging van de bebouwing gedetailleerd zijn weergegeven, is het kadastrale minuutplan uit circa 1830 (fotobijlage, afb. 2). Hierop komt de gestrekte structuur van dichte dorpsbebouwing langs de Grote en de Kleine Buren duidelijk tot uiting. Het zwaartepunt van deze structuur bevindt zich aan de zuidzijde van de kerk, waar de beide hoofdassen op elkaar aansluiten. Opvallend is de enigszins perifere ligging van de kerk ten opzichte van het totale bebouwingspatroon, die
3
25
Bijlage 1 bij Toelichting
vooral veroorzaakt wordt door het volledig ontbreken van bebouwing aan de noordkant van het kerkhof, terwijl de straatwanden van Grote en Kleine Buren vrijwel direct op het kerkterrein aansluiten. Door deze o p b o u w v o r m e n de beide Buren een vrijwel aaneengesloten geheel met de kerk op het snijpunt. Aan de buitenzijde van deze hoofdstructuur liggen enige afzonderlijke bebouwingsconcentraties: de voortzetting van de Grote Buren ten westen van de knik die globaal de begrenzing van de dorpsterp markeert, de buitenwaarts gerichte bebouwing langs de Burenlaan c.q. de haven en een losse groepering van panden bij de Molenlaan. Met name de voortzetting van de dorpsstructuur in westelijke richting is reeds op de Schotanuskaart aangeduid, en vergelijking van beide kaarten maakt aannemelijk dat de dorpsopbouw aan het begin van de 19de eeuw in grote lijnen met de oudere situatie overeenstemt. Een nadere beschouwing van de perceelsindeling op de kadastrale minuut geeft sterke aanwijzingen voor het ontstaan door opsplitsing van oorspronkelijk grotere, agrarische kavels ten behoeve van andere functies en dichtere bebouwing. Het contrast met de kavelmaat direct buiten het dorp, waar zich ook de boerderijen bevinden, verwijst in dit opzicht duidelijk naar de ontwikkeling van de dorpsstructuur van het terpdorp.
De afzijdige ligging van de havenbebouwing aan de Burenlaan ten opzichte van de Grote en Kleine Buren wijzigt zich in het midden van de 19de eeuw wanneer de van oorsprong smalle verbinding langs de zuidgrens van het kerkhof door afbraak van het hoekpand wordt verbreed. Hierdoor krijgt de Grote Buren een meer doorgaand karakter, dat nog versterkt wordt door de aanleg in 1855 van een nieuwe grindweg naar Witmarsum, de huidige Mulierlaan. Ook de bebouwingsstructuur van het dorp ondergaat in deze periode een verdere ontwikkeling met de bouw van een diaconiehuis en een zestal woningen langs de noordelijke begrenzing van het kerkhof. Hierdoor is de kerk vanaf dan geheel door bebouwing omsloten en wordt het kerkhof, mede door de doortrekking van de Grote Buren naar de Burenlaan, volledig in de dorpsstructuur opgenomen. In de tweede helft van de 19de eeuw komt ten zuidwesten van de Kleine Buren het gebied van de Kamp tot ontwikkeling met de bouw van kleine, deels aaneengebouwde arbeiderswoningen. Het gebied blijft echter geisoleerd ten opzichte van de rest van het dorp en is slechts via een smalle doorgang met de Kleine Buren verbonden.
4
26
In de loop van de 19de eeuw vindt binnen het dorp regelmatig vervanging van de bestaande bebouwing plaats zonder dat dit nog tot ingrijpende structurele veranderingen leidt. Een verdere verdichting van de bebouwing treedt op langs de Burenlaan en de Molenlaan. Rond de eeuwwisseling worden de onbebouwde delen van de terp afgegraven; een voor die periode in Friesland gebruikelijke activiteit waarbij de vruchtbare terpaarde wordt verhandeld ten behoeve van ontginningen elders. Als gevolg van deze afgraving ontstaat een abrupt hoogteverschil tussen de historische dorpskern en de latere uitbreidingen aan de noordzijde. In de 20ste eeuw komt het tot een verdere vergroting van het bebouwde gebied, aanvankelijk door de bouw van woningen aan de Burenlaan en het Laantje ten noordoosten van de kerk, in een later stadium gevolgd door meer planmatige uitbreiding ten westen hiervan. De ruimtelijke relatie van dit nieuwe woongebied met de oude dorpskom is betrekkelijk ondergeschikt gebleven, doordat de aaneengesloten dorpsstructuur niet voor de aanleg van een nieuwe ontsluiting is doorbroken. Bij de gevechtshandelingen rondom de kop van de Afsluitdijk gedurende de Tweede Wereldoorlog raakt een groot deel van de bebouwing aan de oostelijke rand van het dorp zwaar beschadigd. Door herstel en herbouw ter plaatse heeft dit echter nauwelijks invloed gehad op de dorpsstructuur.
In de jaren na de Tweede Wereldoorlog vindt verdere uitbreiding plaats aan de noordwestzijde van de dorpskom. In het midden van de jaren zeventig is aan de tot dan onbebouwde zuidwestzijde van de Grote Buren een aantal woningblokken gebouwd, als aanzet voor een nieuwe uitbreiding in het gebied tussen de Grote Buren en de vaart aan de zuidzijde van het dorp. Huidig ruimtelijk karakter In de huidige ruimtelijke opbouw van de kom van Pingjum is de historische ontwikkeling van de dorpsstructuur duidelijk herkenbaar aanwezig. De, sinds het midden van de 19de eeuw vrijwel onveranderde, historisch-ruimtelijke structuur wordt in hoofdzaak bepaald door het stratenstelsel van Grote Buren en Kleine Buren in aansluiting op de kerksituatie, waarbij de kerk een centrale positie inneemt op het door bebouwing omsloten kerkhof. Aan de oost- en westzijde zijn de Burenlaan, respectievelijk de Molenlaan/Pibemalaan bepalend voor de scherpe begrenzing van het dorp ten opzichte van het aangrenzende open landschap.
Binnen de totale dorpsopbouw hebben de Grote en de Kleine Buren een nadrukkelijke besloten karakteristiek, in samenhang met de eveneens besloten ruimte bij de kerk. Van grote invloed op deze beslotenheid zijn de sterke versmallingen en plaatselijk verspringende rooilijnen die de straatruimten begrenzen. Hoewel de noordzijde van het kerkhof zijn beslotenheid pas in het midden van de 19de eeuw heeft gekregen, sluit deze goed op de overige ruimten binnen de dorpskom aan. Het ovaalvormige kerkhof, begrensd door een bomenrij, manifesteert zich daardoor als een samenhangend gebied dat geheel binnen de dorpsstructuur is opgenomen. Door zijn groene karakteristiek vormt het kerkhof zelf echter een duidelijk contrast met de steenachtige straatruimten, waar de gevelwanden overwegend direct aan de verharding grenzen. Door dit contrast wordt de bijzondere positie van het kerkterrein extra benadrukt. Het uiterlijk van de oudere dorpsbebouwing is overwegend 19deeeuws van karakter, hetgeen een belangrijke bijdrage levert aan de historische waarde van het dorpsgezicht. De bebouwing vormt kenmerkende gesloten gevelwanden die slechts op een enkele plaats zijn onderbroken door afbraak of sterk teruggerooide panden, en waarin smalle doorgangen een ondergeschikte plaats innemen. De dorpsbebouwing bestaat vrijwel geheel uit individuele panden in een bouwlaag met kap.
Daarbij komen in het middengedeelte van de Grote Buren naar verhouding de grootste goothoogten, maar ook de grootste onderlinge verschillen in verdiepingsmaat voor, bij een wat rijker gedetailleerd gevelbeeld. In de overige straten van de oude dorpskom, zoals de Kleine Buren en de Kamp, overheersen eenvoudiger bouwvormen met een minder afwisselende, lage goothoogte. Als kapvorm overheersen zadel- en schilddaken, waarbij topgevels vooral langs de Burenlaan voorkomen. Kenmerkend is voorts de overwegend verticale gerichtheid van de gevelopeningen. Als bouwmateriaal zijn vrijwel uitsluitend baksteen voor de gevels en gebakken pannen voor de daken toegepast; daarnaast komen ook enkele geverfde gevels voor. De bestrating bestaat overwegend uit een klinkerverharding waarlangs bij de doorgaande verbindingen een smalle stoepenstrook is aangelegd; privestoepen ontbreken nagenoeg in het straatbeeld. Nadere typering van de te beschermen waarden In belangrijke mate bepalend voor het historische dorpsbeeld is de
Bijlage 1 bij Toelichting
ro o co U) T-
0) T~ lO C3
centraal gelegen kerksituatie waarop vrijwel alle straatruimten binnen de oorspronkelijke dorpskom rechtstreeks aansluiten. Hoewel het kerkhof, begrensd door een haag en een bomenrij en met het kerkgebouw centraal op het hoogste punt geplaatst, zich duidelijk manifesteert als een afzonderlijke, samenhangende ruimte, bestaat er een wezenlijk onderscheid tussen het noordelijk en het zuidelijk gedeelte. Hierbij fungeert het oost-west gerichte kerkgebouw dat in de lengterichting van het ovale kerkterrein is geplaatst als een globale ruimtelijke scheiding. Geheel overeenkomstig de ontwikkeling van de historisch-ruimtelijke structuur van Pingjum vertoont het gebied ten zuiden van de kerk een relatief grote mate van afwisseling in functioneel en ruimtelijk opzicht. De bebouwingswand langs de Grote Buren met een zeker voornaam karakter in maat en detaillering, de grote verhardingsbreedte van de Grote Buren, het ijzeren hekwerk dat het afzonderlijke kerkhofpad hiervan scheidt en de detaillering van de zuidelijke gevel van de kerk vormen alle een onderstreping van deze karakteristiek als hoofdstraatruimte. Door de ligging in de buitenbocht van de gebogen straatwand springen daarbij een aantal rijker gedetailleerde laat-19deeeuwse woonhuizen met een balkon of een voorname dakkapel boven de lijstgevel bijzonder in het oog.
Hierbij bevindt zich een van de weinige panden in de dorpskom die twee bouwlagen telt. Het gebied ten noorden van het kerkgebouw vertoont een veel eenvoudiger karakteristiek, die zowel tot uiting komt in de bebouwing als in de inrichting van de openbare ruimte. De buitenbegrenzing wordt gevormd door een gebogen wand van eenvormige (diaconie-)woningen uit het midden van de 19de eeuw, met een vrijwel gelijkblijvende, lage goothoogte en in de langsrichting geplaatste schilddaken. Een opmerkelijk detail vormt de witgeverfde onderrand van de buitengevels, die de onderlinge samenhang binnen deze bebouwingsgroep versterkt. Deze historisch waardevolle gevelwand grenst direct aan de uit gele klinkertjes bestaande verharding van het ringpad rond de kerk, dat van het kerkhof wordt gescheiden door een haag. De enigszins afzijdige ligging ten noorden van het kerkhof, de smalle toegangen van het kerkpad vanaf de Grote Buren en de kleinschaligheid van bebouwing en ontsluiting dragen bij aan de sfeer van rust en eenvoud die dit onderdeel van het dorpsgezicht kenmerkt. Door de afgraving van het noordelijk deel van de maximaal 3 m . + N.A.P. hoge terp is direct achter de oudere
bebouwing een sterk hoogteverschil aanwezig, dat ondermeer zichtbaar is op het aansluitpunt van de Kerkstraat op het pad rond het kerkhof. M e d e hierdoor heeft de noordelijke uitbreiding van de dorpsbebouwing nauwelijks invloed gehad op de oudere structuur, hetgeen tot uiting komt in de geringe breedte van de doorgang naar de Kerkstraat. Ook de ruimte van de Kleine Buren kenmerkt zich door een sterke samenhang met de kerksituatie; in noordelijke richting vormt de hoge zijgevel van het kerkgebouw een dominante afsluiting van de straatruimte. Anders dan in het aansluitende deel van de Grote Buren bestaat de bebouwing hier overwegend uit lage, eenvoudige woningen met een schildkap waarin soms een kleine dakkapel is opgenomen. Door een sterke verspringing in de gesloten straatwanden en wisselingen in de nokrichting vertonen zowel de ruimtevorming als het bebouwingsbeeld een zekere mate van afwisseling. Hierbij is de ruimte geleed in een breder gedeelte in aansluiting op de Grote Buren en een sterke versmalling ten zuiden daarvan. De kenmerkende versmalling wordt aanmerkelijk verzwakt door een tweetal onderbrekingen in de straatwanden.
De afbraak van het pand op de hoek van de aansluiting met de Kamp heeft de beslotenheid van de straatruimte en de ondergeschiktheid van de doorgang teniet gedaan, terwijl aan de oostzijde van het smalle deel van de Kleine Buren de gevelwand onderbroken is door een onbebouwde kavel. Ondanks deze verstoringen is de totale ruimtelijke samenhang binnen de Kleine Buren echter nog duidelijk herkenbaar aanwezig, waaraan het steenachtige karakter ten gevolge van de van gevel tot gevel lopende verharding een belangrijke bijdrage levert. Aan de zuidzijde, voorbij het smalle gedeelte, wordt het bebouwingsbeeld opener en diverser en eindigt de Kleine Buren in een gebied met een aantal open terreinen tussen de bebouwing waar doorzichten naar het aangrenzende landschap mogelijk zijn.
Ook het westelijk van de Kleine Buren gelegen gebied van de Kamp kenmerkt zich door een directe visuele relatie met het landschap buiten het dorp. De ruimte van de Kamp heeft een groen, slechts ten dele openbaar karakter en bestaat uit een samenstel van tuinen, erven en hagen, begrensd door lage deels aaneengebouwde woningen en enkele schuren. De gei'soleerde ligging van dit gebied en de ondergeschikte ontsluiting vanaf de Kleine Buren verwijzen naar het ontstaan in de tweede helft van de 19de eeuw
als toevoeging aan de oudere dorpsstructuur. Aan de oostzijde vormt de Burenlaan de scherpe begrenzing van het dorpsgezicht ten opzichte van het onbebouwde gebied. Het gedeelte ten zuiden van de Mulierlaan maakt, als een havenfront langs de Pingjumer Vaart, deel uit van de oude dorpsstructuur van Grote en Kleine Buren; het noordelijke deel behoort bij de uitbreiding van het dorp rond de laatste eeuwwisseling. Van de woningen langs de haven is het grootste deel na de verwoesting in de Tweede Wereldoorlog ter plekke herbouwd, waarbij de kenmerkende buitenwaartse gerichtheid, die bepalend is voor de historisch-ruimtelijke dorpsstructuur, gehandhaafd is. Naast een tweetal ondergeschikte stegen naar de Kleine Buren vormt een smalle, met hoge bebouwing van het dorpscafe begrensde doorgang tegenover de Mulierlaan de enige verbinding met de kerksituatie. Hierdoor is er een sterk ruimtelijk contrast bewaard gebleven tussen de beslotenheid van de Grote Buren en de openheid aan de Burenlaan. Het terrein aan de overzijde van de haven is in gebruik als sportveld, waarbij de openheid van de dorpsrand in samenhang met de brede verharding van de kade en het water van de vaart zoveel mogelijk intact zijn gelaten.
Het westelijk deel van de Grote Buren onderscheidt zich ten opzichte van het middendeel zowel door zijn vrijwel rechtstandig beloop als door de eenvoudiger karakteristiek van de bebouwing. De ruimtelijke scheiding tussen deze beide gedeelten bestaat uit een sterke bajonetvormige verspringing in de straatruimte ter plaatse van de voormalige school. Hierdoor heeft de ruimte van de Grote Buren vanaf de kerk ook aan deze zijde een besloten karakteristiek, terwijl het deel ten westen van de bajonet zich kenmerkt door een open beeindiging in de richting van het landschap. Dit laatste wordt nog versterkt door het merkbare niveauverschil op de flank van de terp, dat ook tot uiting komt in het verloop van de goothoogten van de bebouwing aan de noordzijde van de straat. Deze gesloten bebouwingswand grenst direct aan de verharding en is opgebouwd uit overwegend lage, individuele panden met een hoofdzakelijk laat-19de-eeuws uiterlijk. A a n de zuidzijde van de straat vormt vooral het forse voormalige schoolgebouw samen met de aangrenzende woning de ruimtebegrenzing bij de verspringing van de Grote Buren. Voor het overige is de opbouw in sterke mate verbrokkeld door de bouw van enige woningblokken die in situering, schaal en orientatie niet aansluiten bij het straatbeeld.
5
27
Bijlage 1 bij Toelichting De Molenlaan vormt aan de westzijde een afzonderlijke ruimtelijke eenheid aan de rand van het dorp, waarin enerzijds een dicht opeengebouwd complex van laat-19de-eeuwse arbeiderswoningen en anderzijds het losse bebouwingsbeeld langs de oostzijde bepalend zijn. De ruimtelijke relatie met het kerngebied van het dorpsgezicht komt vooral tot stand via het doorzicht over de Grote Buren op het landschap ten westen van het dorp, waarbij het genoemde complex arbeiderswoningen de buitenzijde van de dorpsstructuur markeert. Qua schaal en bouwmassa vormen deze panden een kenmerkend voorbeeld van de in die periode gebouwde woningcomplexen. De tegenovergelegen oostzijde van de Molenlaan bestaat uit vrijstaande kleine woningen met ondiepe voortuinen. Door de verspringende rooilijn en de afwisselende nokrichting van de schilddaken wordt het losse bebouwingsbeeld van deze uitloper van de dorpsstructuur onderstreept.
de aanwijzing als beschermd dorpsgezicht kan daarbij wat het beschermingsbelang betreft als uitgangspunt dienen. Doel van de aanwijzing is, de karakteristieke met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied te onderkennen als zwaarwegend belang bij de verdere ontwikkelingen binnen het gebied. De aanwijzing beoogt op die wijze een basis te geven voor een ruimtelijke ontwikkeling, die inspeelt op de aanwezige kwaliteiten, daarvan gebruik maakt en daarop voortbouwt.
Geraadpleegde literatuur: Aa, van der, A.J. Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden. Gorinchem, 18391851. Boersma, J. W. (samenstelling). Terpen; mens en milieu. Haren, 1970. Buro Biigel/van de Dijk. Gemeente Wonseradeel. Voorstel te beschermen dorpsgezicht Pingjum. Groningen, 1979. Halbertsma, H. Terpen tussen Vlie en Eems. Een geografisch-historische benadering. 2 din. Groningen, 1963. Rienks, K.A. en Walther, G.L. Binnendiken en slieperdiken yn Fryslan. 2 din. Boalsert, 1954. Spahr van der Hoek, J.J. (eindred.) Geakunde Wunseradiel. Boalsert, 1969.
Begrenzing van het aangewezen gebied Het gebied waarop de aanwijzing als beschermd dorpsgezicht betrekking heeft, omvat de samenhangende hoofdonderdelen van de ruimtelijke structuur waaruit de kenmerkende historische ontwikkeling van Pingjum af te lezen is. Dit betreft in de eerste plaats de Grote en Kleine Buren, waarbij de centraal gelegen kerksituatie een belangrijke plaats inneemt. Voorts dienen hiertoe gerekend te worden de structurele uitbreidingen uit de 18de en 19de eeuw aan de zuid- en de westzijde van deze dorpskom, alsmede de Vaart voor zover deze in directe relatie staat met de dorpsbebouwing. Door de geslotenheid van de oudere dorpsstructuur ten opzichte van de, voornamelijk in de 20ste eeuw gerealiseerde, woonbebouwing op het afgegraven noordelijk deel van de terp is deze laatste geheel buiten de omgrenzing gelaten. Een zelfde overweging geldt ten aanzien van het gebied aan de zuidwestzijde van de dorpskom, tussen de Kamp en de Molenlaan, dat voor toekomstige uitbreiding van de woningbouw is gereserveerd. De begrenzing van het aangewezen dorpsgezicht is weergegeven op bijgevoegde kaart (Rijksdienst voor de Monumentenzorg, nummer 309). Rechtsgevolg aanwijzing Ter effectuering van de bescherming van het aangewezen dorpsgezicht moet ingevolge artikel 3 7 , lid 8 van de W e t op de Ruimtelijke Ordening een bestemmingsplan worden ontwikkeld. De toelichting op
6
28
Colofon: Uitgave van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist. Historisch-geografisch en stedebouwkundig onderzoek: Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist. Foto's: - Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers, Apeldoorn (afb. 2); - Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist (afb. 1, 3, 4); - Topografische Dienst, Emmen (omslag). Kaart en illustratie in de tekst: Studio Ineke van der Burg, Bilthoven. Verkoopprijs f 1 0 , - . Deze publikatie is schriftelijk of telefonisch te bestellen bij het Distributiecentrum D O P Postbus 2 0 0 1 4 2 5 0 0 EA 's-Gravenhage. Telefoon: 0 7 0 - 7 8 9 8 80. Onder vermelding van bestelnummer of ISBN 90 3 4 6 1 4 8 8 3 . Druk: Staatsdrukkerij, 's-Gravenhage.
Bijlage 1 bij Toelichting
Fotobijlage
A f b . 1. B. Schotanus a Sterringa, Uitbeeldinge der Heerlijkheit Friesland, 1970 (facsimile herdruk van 1718), grietenij Wonseradeel, fragment.
29
Bijlage 1 bij Toelichting
8
30
Bijlage 1 bij Toelichting
A f b . 3. Topographische en Militaire Kaart van het Koningrijk der Nederlanden, 1973 (facsimile herdruk van 1854), blad 10, fragment.
9
31
Bijlage 1 bij Toelichting
miOVINCIK
PKIKSLAM)
UK M K KNT
H; W O N S K K A I I K K 1^.
I itrtavr \iin lliiou Ruritidar I* i, wuwtrden I.J.i'id
flux dm.
II 1(10
Inwnerr.
A f b . 4. J . Kuyper, Gemeente-atlas van Nederland, 1867, provincie Friesland, gemeente Wonseradeel.
10
32