Bijlage I - Toelichting
Tekst van het document
Rho adviseurs voor leefruimte
129303
32
In de Wet natuurbescherming is er een driedeling gemaakt in het beschermingsregime voor soorten. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 Wet natuurbescherming). Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels, zoals opgenomen in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 Wet natuurbescherming). Het gaat om de soorten genoemd in Bijlage IV, onderdeel a van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de verdragen van Bern en Bonn worden ook vogelsoorten genoemd. 3. Beschermingsregime Andere Soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming). Alle soorten genoemd in onderdelen A en B van de bijlage van de Wet natuurbescherming. De soorten genoemd onder punt 3 vallen onder een lager beschermingsregime dan een soorten genoemd onder punt 1 en 2. In principe geldt voor alle beschermde soorten een ontheffingsplicht, ook voor de algemenere Andere Soorten. De Wet natuurbescherming biedt provincies de mogelijkheid om een vrijstellingsbesluit op te stellen. In dit besluit staat onder andere voor welke soorten een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming.
Voor vogels geldt een aanvullend beschermingsregime, waarbij er extra regels kunnen worden gesteld voor bijvoorbeeld jaarrond beschermde nesten. Naar verwachting blijft de bescherming van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten gelijk onder de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten geldt dat er meestal geen ontheffing wordt verleend. Bij de verdere uitwerking van het project zullen de werkzaamheden in het broedseizoen uitgevoerd worden onder ecologische begeleiding. Onderzoek Van 2004 tot 2011 zijn binnen het plangebied verschillende ecologische onderzoeken uitgevoerd door Altenburg & Wymenga en Tauw . Deze onderzoeken zijn inmiddels verouderd en daarom geactualiseerd door Eco Reest en Sweco (zie bijlage 5 en bijlage 9). In deze onderzoeken is zowel gebiedsbescherming als soortenbescherming onderzocht. De resultaten zijn in deze paragraaf kort samengevat en indien nodig aangevuld. Gebiedsbescherming Het plangebied is gelegen ten noordwesten van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, de Witte en Zwarte Brekken (zie figuur 4.2). De kortste afstand tussen het plangebied en dit Natura 2000-gebied bedraagt circa 2,95 kilometer.
Rho adviseurs voor leefruimte
129303
33
Figuur 4.2
De kortste afstand tussen het plangebied (rode stip) en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Witte en Zwarte Brekken (bron: Rijksoverheid).
Omdat op voorhand niet kan worden uitgesloten dat er sprake is van extra stikstofemissie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden is een AERIUS calculatie uitgevoerd voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase (bijlage 9). Uit het onderzoek blijkt dat alleen bij vestiging van bedrijven uit milieucategorie 3 (of lager) en bij 2,27 hectare in milieucategorie 4.1, er geen negatieve effecten ontstaan op de omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. De regeling van het bestemmingsplan is hierop afgestemd. Ten aanzien van de waterhuishouding worden in het plangebied een aantal waterwegen gedempt en/of vergraven. Daarnaast wordt binnen het plangebied de vereiste waterberging gerealiseerd. Op basis van het ecologisch onderzoek wordt geen ontheffingsplichtige invloed verwacht , omdat verwacht wordt dat het verlies aan afwatering door de sloten opgevangen wordt door de nieuw te graven grotere waterwegen. Het onderzoeksterrein valt buiten het Natura 2000-gebied maar kan wel deel uitmaken van de functionele leefomgeving van soorten die binnen het Natura 2000-gebied leven. Gelet op de aard van de werkzaamheden, in combinatie met het creëren van een gebied met potentie ten gunste van de soorten, wordt geen significant negatieve aantasting van de functionele leefomgeving verwacht van soorten die afhankelijk zijn van het Natura 2000-gebied.
Op de kaart in figuur 4.3 is te zien dat in de directe omgeving van het plangebied sprake is van een gebied dat onderdeel is van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde beschermde gebied betreft een N05.01 moerasgebied. Dit is aangemerkt als Natuur buiten EHS.
Rho adviseurs voor leefruimte
129303
34
Figuur 4.3
Het aan het onderzoeksgebied grenzende NNN gebied (rood omlijnd). (bron: provincie Fryslân)
Het gebied grenst aan het plangebied. Het betreft de zuidelijke oever van de Oude Rijn, ten zuiden van het onderzoeksterrein. Tussen de onderzoekslocatie en het dichtstbijzijnde NNN gebied ligt alleen de Oude Rijn. Er worden geen immanente negatieve gevolgen voor dit NNN gebied verwacht door de voorgenomen werkzaamheden. Daarnaast is het voornemen om in het zuiden van het plangebied waterberging te creëren. Deze waterberging zal direct grenzen aan het N05.01 NNN beheergebied. Door de aard van een waterberging (drassig land), sluit de situatie van de nieuwe bestemming beter aan bij het NNN beheergebied, dan het huidige en intensieve agrarische gebruik van het gebied. Over de waterberging heeft overleg plaatsgevonden met Wetterskip Fryslân zoals in paragraaf 4.8 is aangegeven. Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming kan niet worden uitgesloten dat de ontheffingsplichtige grote modderkruiper, groene glazenmaker en otter zich in het plangebied begeven. Daarom is nader onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 6, 7 en 8) naar de modderkruiper, de otter en de groene glazenmaker. Uit het onderzoek naar de grote modderkruiper komt naar voren dat deze soort niet aanwezig is in het plangebied. Bij de voorgenomen werkzaamheden worden geen grote modderkruipers verstoord of gedood. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming ten aanzien van grote modderkruipers is daarom niet nodig.
Ook worden geen verblijfplaatsen van otters aangetast. Daarnaast is er geen sprake van het aantasten van essentieel foerageergebied. Daarom is ook voor de otter geen ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Dit geldt ook voor de groene glazenmaker die in het plangebied niet aanwezig is. Opgemerkt wordt dat de locatie in het broedseizoen geschikt is als broedlocatie voor diverse (niet jaarrond beschermde) vogelsoorten. Indien er geen werkzaamheden plaatsvinden binnen het broedseizoen (globaal 1 maart t/m 1 september) wordt er geen overtreding van de Wet natuurbescherming verwacht wat betreft nestlocaties voor vogels. Indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden opgestart en er continue wordt doorgewerkt, kan de uitvoering van de werkzaamheden doorlopen tot in het broedseizoen. Indien binnen het broedseizoen gestart wordt met de ontwikkelingen, moet voorafgaand hieraan de locatie worden vrijgegeven door een ervaren ecoloog. Indien bij de controle nesten van vogels, of in aanbouw zijnde nesten worden aangetroffen moeten de
Rho adviseurs voor leefruimte
129303
35
werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest niet meer in gebruik is. Tot slot geldt de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Deze zorg geldt voor alle individuen van in Nederland voorkomende soorten planten en dieren, ongeacht of deze soort beschermd is en ongeacht of ontheffing of vrijstelling is verleend. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt op basis van de uitgevoerde onderzoeken niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan. In het broedseizoen zullen de werkzaamheden uitgevoerd worden onder ecologische begeleiding.
4.7
Archeologie en cultuurhistorie
Toetsingskader Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Hierbij geldt het verstoorder betaald principe. Als behoud in situ niet mogelijk is, dan moet gekeken worden of behoud ex situ mogelijk is. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld. Conform de gemeentelijke erfgoedvisie en –nota wordt uitgegaan van de Cultuur Historisch kaart van de provincie Fryslân (CHK), waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt. Op deze kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische waarden.
Daarnaast is gebruik gemaakt van de thematische structuurvisie 'Grutsk op 'e Romte' waarin de kernkwaliteiten van het cultuurhistorisch erfgoed en het landschap in Friesland beschreven staan.” Onderzoek Archeologie Ten aanzien van de planlocatie is op basis van de advieskaart 'Steentijd - Bronstijd' gebleken dat er geen onderzoek noodzakelijk is. Op basis van de advieskaart 'IJzertijd - Middeleeuwen' (figuur 4.5) blijkt dat er voor een gedeelte 'geen onderzoek noodzakelijk'. Voor het plangebied is op basis van de advieskaart 'Steentijd - Bronstijd' (figuur 4.5) archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Rho adviseurs voor leefruimte
129303
36
Figuur 4.5
Advieskaart 'IJzertijd - Middeleeuwen'
In het verleden zijn verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd tussen 2003 en 2018. Deze onderzoeken zijn opgenomen in bijlage 10. Uit de onderzoeken die door RAAP en Sweco zijn uitgevoerd tussen 2003 en 2011 blijkt dat sprake is van 3 archeologische vindplaatsen in het gebied:
Figuur 4.6
Archeologische vindplaatsen
Daarnaast is ook het gebied bij de boerderij Carpe-Diem een archeologische vindplaats. De gebieden in figuur 4.6 zijn in het onderzoek Salisbury uit 2017 nader onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat deze vindplaatsen wat betreft archeologie vrijgeven kunnen worden. Dit archeologisch waardevolle gebied wordt voorzien van een beschermende regeling in de vorm van een dubbelbestemming. In paragraaf 5.2.8 is dit nader beschreven. Een structurele waterpeilverhoging (al dan niet met een ophogingslaag) is geen bezwaar voor de conservering van de archeologische vindplaatsen. Een eventuele waterpeil verlaging of een sterk Rho adviseurs voor leefruimte
129303
37
fluctuerende grondwaterspiegel daarentegen kunnen wel een ernstig bezwaar zijn. Dit kan namelijk van invloed zijn op de conservering van de vindplaatsen (uitdroging). Sterke fluctuaties in grondwaterspiegel en/of peilverlaging zijn niet wenselijk vanwege het negatieve effect op de conservering van de vindplaatsen en dienen daarom te worden voorkomen. Cultuurhistorie Het landschap kent gave historische structuren die nog goed herkenbaar zijn. De verkaveling is grillig en onregelmatig. De erven op terpen liggen als groene eilanden in dit open, maar kleinschalig landschap. Op deze terpen is de oude erfbeplanting nog aanwezig. Kenmerkend voor het gebied zijn de waterlopen. De waterlopen vormen de ruimtelijke structuren in het open landschap door hun verhoogde ligging en rietoevers. De oude dijken langs de randen van het gebied zijn beeldbepalend zoals de Hemdijk. De openheid en de lange zichtlijnen vormen de belangrijke kwaliteiten voor het gebied. Bij de begrenzing van het plangebied is rekening gehouden met de boerderijstructuur, zoals die in het landschap waarneembaar is. Bewust wordt er voor gekozen om niet alleen de structuur op te nemen, maar ook om de individuele boerderijplaatsen te beschermen. Voor de voormalige boerderij van Abma en Strûpenkeal is dat betrekkelijk eenvoudig omdat de oude boerderijen al zijn geamoveerd.
In het midden van het plangebied loopt, min of meer parallel aan de rijksweg, een opvaart. In de plannen is deze opgenomen en er is besloten deze niet te dempen. Wel zal een aantal verkavelingssloten worden gedempt. In het zuidelijke plandeel is dat vanuit de cultuurhistorie geen probleem. De waardevolle verkavelingssloten in de noordelijke plandeel zijn dermate ‘grillig dat deze bij handhaving tot moeilijk uitgeefbaar bedrijfsterrein zouden leiden. Onderzocht wordt of het mogelijk is om enkele verkavelingssloten te laten ‘voortbestaan’, hetzij als water hetzij als ontsluitingsweg. De landschappelijk inpassing en de beoogde beeldkwaliteit is nader gemotiveerd in bijlage 2, Conclusie De aanwezige archeologische waarden worden beschermd door middel van een dubbelbestemming. Ten aanzien van cultuurhistorie wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de aanwezige boerderijstructuur. Bij Carpe-Diem zal dit ook plaatsvinden in het nieuwe bestemmingsplan voor het buitengebied.
4.8
Water
Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Over de waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied zijn afspraken gemaakt met Wetterskip Fryslân. Deze zijn in bijlage 11 opgenomen. In de huidige situatie omvat het plangebied agrarische gronden met diverse watergangen (schouwwateren, overige wateren en hoofdwateren). Ten gevolge van de realisatie van het bedrijventerrein zal verharding toenemen. Tevens zullen bestaande watergangen worden gedempt. Langs de hoofdontsluitingsstructuur en aan de noord- en westzijde van het plangebied wordt ter compensatie nieuw oppervlaktewater gerealiseerd, die tevens van belang is voor de inpassing van het plangebied in de omgeving en de beeldkwaliteit van het plangebied zelf. Het water is deels met een dienovereenkomstige bestemming vastgelegd in het plangebied, maar is ook mogelijk in de andere opgenomen bestemmingen. Over de watercompensatie zijn afspraken gemaakt met Wetterskip Fryslân.
Rho adviseurs voor leefruimte
129303
38
In het zuidelijk deel van het plangebied is een regionale waterkering gelegen met bijbehorende beschermingszone (figuur 4.6). Binnen deze zones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast. Bij ingrepen binnen de beschermingszone van deze waterkering is een vergunning op basis van de Keur noodzakelijk. De regionale waterkering is in het bestemmingsplan planologisch mogelijk gemaakt door waterhuishoudkundige voorzieningen te regelen in de bestemmingen. Omdat de regionale waterkering aan de hand van de Keur is geregeld, behoeft deze geen specifieke regeling in het bestemmingsplan.
Figuur 4.6
Ligging regionale waterkering.
Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Hierover heeft overleg plaatsgevonden met Wetterskip Fryslân. De watertoets is hiermee afgerond. Het peilbesluit wordt nog aangevraagd. De in te stellen peilen zijn al in samenspraak met het Wetterskip vastgesteld.
4.9
Externe veiligheid
Toetsingskader Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door: het gebruik, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (buisleidingen, wegen, waterwegen en spoorwegen); het gebruik van luchthavens. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico's voor de burger door bovengenoemde activiteiten. Hiertoe zijn risico's gekwantificeerd, namelijk door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het PR is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Groepsrisico (GR) Rho adviseurs voor leefruimte
129303
39
Dit is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving. De volgende besluiten zijn relevant: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Met het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. 2. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Op basis van het Bevb dienen plannen, vergelijkbaar met het Bevi, te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het PR en de oriëntatiewaarde voor het GR. 3. Basisnet Het basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over de weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Het basisnet is vastgelegd in onder andere de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. 4. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes is het Bevt opgesteld. Hierin zijn de regels voor de ruimtelijke ordening rondom het basisnet wettelijk vastgelegd. 5.
Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) Het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende regeling is de opvolger van een groot aantal AMvB's. In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, zoals veiligheidsafstanden waaraan voldaan moet worden. Verantwoordingsplicht In het Bevi, Bevb en het Bevt is onder andere een verantwoordingsplicht GR opgenomen. Deze verantwoording houdt in dat in bepaalde gevallen planologische keuzes moeten worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. Onderzoek Ten behoeve van dit bestemmingsplan heeft de (FUMO) de risicobronnen in de omgeving onderzocht (bijlage 4). De bevindingen worden in deze paragraaf samengevat. Inrichtingen Volgens de professionele risicokaart zijn in de omgeving van het plangebied geen relevante inrichtingen aanwezig waarvan de risicocontouren of de invloedsgebieden over het plangebied zijn gelegen. Tevens is in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen dat in het plangebied geen risicovolle inrichtingen zijn toegestaan. Buisleidingen Volgens de professionele risicokaart zijn in en nabij het plangebied geen relevante buisleidingen aanwezig. Wel loopt door het plangebied een waterleiding (zie paragraaf 4.10). Transport Het plangebied grenst direct aan de Rijksweg A7. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen getransporteerd.
Deze weg maakt onderdeel uit van het Basisnet. In het Bevt staat dat wanneer een bestemmingsplan binnen een afstand van 200 meter van een transportroute is gelegen, het GR dient te Rho adviseurs voor leefruimte
129303
40
worden verantwoord. Aangezien het plangebied direct grenst aan de weg, is deze relevant in verband met transport van gevaarlijke stoffen. Conform het Bevt en de Rbn gelden voor Basisnet-routes voor het PR een Basisnetafstand. De Basisnetafstand staat gelijk aan de PR 1×10-6 /jaar contour en geeft beperkingen voor de ontwikkeling van objecten binnen deze contour. Voor de A7 ter hoogte van Sneek is de basisnetafstand in bijlage 1 van de Rbn vastgelegd op 0 meter. Het PR vormt dan ook geen knelpunt voor het bestemmingsplan. Ten aanzien van het groepsrisico is door middel van een kwantitatieve riscoanalyse (QRA) de hoogte van het groepsrisico bepaald. De uitgangspunten van deze QRA staan in de het onderzoek van FUMO beschreven. Uit de berekening blijkt dat het groepsrisico van de A7 ter hoogte van het plangebied in de toekomstige situatie de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Het groepsrisico blijft lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Wel neemt het groepsrisico met meer dan 10% toe waardoor op grond van artikel 8 van het Bevt het groepsrisico uitgebreid moet worden verantwoord. Verantwoording groepsrisico Brandweer Fryslân heeft op 31 januari 2018 advies uitgebracht over de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Personendichtheid bestemmingsplan 'Bedrijventerrein De Hemmen III'.
In de huidige situatie bevinden zich in het gebied ten oosten van de N7 de bestemming 'bedrijfsdoeleinden' en ten westen de bestemming 'agrarische doeleinden'. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de wijziging van de groenbestemming naar bedrijventerrein. Ligging GR ten opzichte van oriëntatiewaarde In de huidige situatie ligt het groepsrisico ruimschoots onder de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico neemt ten gevolge van de voorgenomen ontwikkelingen met meer dan 10% toe. Mogelijkheden ter beperking van het groepsrisico en mogelijkheden tot ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico Ruimtelijke maatregelen ter verlaging van het GR beperken zich tot het verlagen van de aanwezigheid van personen in de omgeving van de risicobronnen. Dit kan door bijvoorbeeld: andere functies met een lagere personendichtheid in het plangebied toe te staan; het plangebied op een grotere afstand van de risicobron te situeren; geen vervoer van gevaarlijke stoffen over de A7 (bronmaatregel) toe te staan. Functies met minder hoge personendichtheden zijn in het plangebied niet mogelijk. Voor de bestemming bedrijven is in de berekening van het groepsrisico uitgegaan van een personendichtheid van 80 personen per hectare (conservatief) overeenkomend met arbeidsintensieve industrie. Welke bedrijven zich uiteindelijk hier gaan vestigen is nog niet bekend.
Het is mogelijk dat de personendichtheid uiteindelijk lager uit komt te vallen. Ten aanzien van de ligging van het plangebied is dit een keuze die niet alleen op grond van het aspect externe veiligheid is gedaan. Gelet op bovenstaand zijn verdere maatregelen ter beperking van het GR niet aan de orde. Bestrijdbaarheid Onder bestrijdbaarheid van een (dreigende) calamiteit vallen alle maatregelen die invloed hebben op de bestrijdbaarheid van een calamiteit ten gevolge van een risicovolle activiteit. Primaire bluswatervoorzieningen in de vorm van brandkranen zijn op dit moment nog niet aanwezig. Bij de verdere inrichting van het gebied dient nader overleg te worden gevoerd met de brandweer. Buiten het plangebied is op meerdere locaties open water aanwezig als secundaire bluswatervoorziening. Bereikbaarheid Het bedrijventerrein heeft één ontsluitingsweg die direct aansluit op de N7. Aan de zuidzijde van het Rho adviseurs voor leefruimte
129303
41
plangebied is een speciale calamiteitenroute voorzien. De hulpdiensten moeten in staat worden gesteld om eventuele obstakels in deze routes snel te kunnen verwijderen. Opkomsttijd De opkomsttijd voor bedrijventerreinen van 10 minuten wordt niet gehaald. Binnen de nieuw te bouwen industriefuncties worden adequate rook - en branddetectiesystemen aangebracht. Dit bevordert een snelle ontvluchting. Zelfredzaamheid De zelfredzaamheid geeft aan in welke mate de aanwezigen in het plangebied in staat zijn om te vluchten. Het maatgevende scenario voor de N7 is een BLEVE waarbij de tankwagen met LPG in brand raakt en het gas explodeert. Het plangebied voorziet in de bestemming bedrijven. De hier aanwezige personen zijn goed zelfredzaam om van de bron af te kunnen vluchten. Conclusie Het plangebied is gelegen nabij de A7. Deze weg heeft geen PR10-6 contour. Uit de QRA blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Ondanks maatregelen ter verhoging van de veiligheid kunnen risico’s nooit voor 100% worden weggenomen. Ook na het nemen van veiligheidsverhogende maatregelen zal een restrisico blijven bestaan. Het bevoegd gezag dient, met behulp van onderhavig externe veiligheid advies en het advies van Brandweer Fryslân, zich uit te spreken over de aanvaardbaarheid van het restrisico.
Voor de acceptatie van het restrisico dient ook het belang van de ontwikkeling meegewogen te worden. Geadviseerd wordt: De locaties en aanleg van de bluswatervoorzieningen en de calamiteitenroute met de brandweer af te stemmen zodra de inrichting van het plangebied nader is uitgewerkt. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan dient het groepsrisico verantwoord geacht te worden.
4.10
Kabels en leidingen
Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek en conclusie In figuur 4.7 is de situering van de hooftransportleiding voor water van Vitens aangegeven. In het algemeen geldt dat naast een dergelijke leiding een bebouwingsvrije zone van 4.00 meter moet worden aangehouden. In verband met de diepe ligging van de leiding en de noodzaak voor werkruimte zullen hieromtrent nadere afspraken met Vitens moeten worden gemaakt. In het bestemmingsplan is hiervoor een beschermende regeling opgenomen, die in paragraaf 5.2.7 is beschreven.
Rho adviseurs voor leefruimte
129303
42
Figuur 4.7
Hooftransportleiding voor water van Vitens
Onlangs is een tracé voor een hoogspanningsverbinding gerealiseerd parallel aan de N7. Dit is in de inpassingsplannen geregeld die in paragraaf 1.3 zijn genoemd. Overeenkomstig deze regeling is ook in dit bestemmingsplan een beschermde regeling opgenomen. Zie hiervoor paragraaf 5.2.6. Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn momenteel verder geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig.
Rho adviseurs voor leefruimte
129303
43
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische vormgeving
Het juridische systeem
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, digitaal en analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden. Op 1 januari 2022 treedt de Omgevingswet in werking. Met de Omgevingswet wil de overheid de regels voor ruimtelijke ontwikkeling vereenvoudigen en samenvoegen. Met de Omgevingswet worden een aantal bestaande wetten samengevoegd en vervangen, zoals de Wet ruimtelijke ordening.
Een van de veranderingen die de wet met zich meebrengt, is dat alle bestemmingsplannen (zo ook dit bestemmingsplan) in de gemeente worden vervangen door één omgevingsplan. Alle geldende bestemmingsplannen maken na de inwerkingtreding van de Omgevingswet automatisch deel uit van dit omgevingsplan. Het omgevingsplan omvat ook regels die nu nog in verschillende andere besluiten en regelingen zijn geregeld buiten de bestemmingsplannen om. Een van de veranderingen die de Omgevingswet met zich meebrengt, is het vervallen van wijzigingsbevoegdheden die in de bestemmingsplannen zijn opgenomen. Daarvoor in de plaats komt een regeling waarmee een omgevingsvergunning kan worden verleend als de activiteit in overeenstemming is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid. De wijzigingsbevoegdheden, zoals die in dit bestemmingsplan is opgenomen voor fase 2 van De Hemmen III, geven de beleidsintentie van de ontwikkeling goed weer.
5.2
Toelichting op de bestemmingen en aanduidingen
5.2.1 Agrarisch De bestemming 'Agrarisch' is van toepassing aan de noord-, west- en de zuidzijde van het plangebied. Het huidige agrarische gebruik kan hier worden gecontinueerd. (Een deel van) De gronden kunnen onder voorwaarden worden gewijzigd naar de bestemming 'Bedrijventerrein', 'Groen', 'Verkeer', en/of 'Water', zodat nog eens 12,5 hectare aan netto uitgeefbaar bedrijventerrein als tweede fase gerealiseerd kan worden. Tot die tijd kan het huidige agrarische gebruik worden gecontinueerd. Ook zijn calamiteitenroute van en naar het bedrijventerrein in de bestemming mogelijk.
Rho adviseurs voor leefruimte
129303
44
5.2.2 Bedrijventerrein De 12,5 hectare netto uitgeefbaar bedrijventerrein die bij recht als eerste fase is geregeld, is door middel van de bestemming 'Bedrijventerrein'. Binnen de bestemming is de bedrijfsfunctie de hoofdfunctie. Daarnaast biedt deze bestemming ook de mogelijkheid voor de aanleg van wegen, groenstroken, parkeervoorzieningen en/of sloten. De hoofdontsluitingsweg is geregeld in de bestemming 'Verkeer'. Hier zijn bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 bij recht toegestaan die zijn opgenomen in de bedrijvenlijst in Bijlage 1. Geluidzoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en vuurwerkbedrijven zijn niet toegestaan in verband met de extra hinder die zij met zich meebrengen. Ook zijn (bedrijfs)woningen, horeca, en zelfstandige kantoren en detailhandel (behalve ondergeschikte detailhandel) niet toegestaan. Wel zijn bedrijven uit een hogere categorie of bedrijven die niet op de bedrijvenlijst voorkomen met een afwijkingsmogelijkheid onder voorwaarden toegestaan in het plangebied. Op de bedrijfspercelen geldt een bebouwingspercentage van 70% en een aan te houden afstand tot de perceelsgrens en tot aan de weg dan/wel groenbestemming van ten minste 5 meter en bij de N7 7,5 meter. Dit waarborgt een goede inpassing naar het openbaar gebied en hiermee wordt voorkomen dat het gehele plangebied vol wordt gebouwd en er geen ruimte meer is voor parkeren.
Tevens wordt hiermee deels voorkomen dat branden kunnen overslaan. De bouwhoogte van de gebouwen mag maximaal 10 meter bij recht bedragen en onder voorwaarden is dit met een afwijkingsmogelijkheid te verhogen is naar 15 meter. Dit zorgt voor een goede landschappelijke inpassing onder andere naar Folsgare zodat er een zachte overgang ontstaat vanuit het landelijke gebied richting Sneek. Voor de te vestigen bedrijven geldt dat de oppervlakte van een bouwperceel ten minste 10.000 m² moet bedragen. In de bestemming 'Agrarisch' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de andere 12,5 hectare aan netto uitgeefbaar bedrijventerrein onder voorwaarden mogelijk te maken. Hiervoor gelden na het vaststellen van een wijzigingsplan grotendeels dezelfde regels als in de bestemming 'Bedrijventerrein' Voor de bouwhoogte aan de westzijde van het plangebied (de zijde gericht naar Folsgare) geldt een maximale bouwhoogte 10 meter en is de afwijkingsmogelijkheid om naar 15 meter bouwhoogte te gaan niet mogelijk. Ook geldt aan de richting van Folsgare een lager bebouwingspercentage van 50%. Om deze wijze ontstaat er een goede landschappelijke afronding richting Folsgare. De bestemming biedt ook mogelijkheden voor de duurzaamheidsdoelstellingen zoals beschreven in paragraaf 2.4.
Zo behoort het tot de mogelijkheden om een centrale energievoorziening op het bedrijventerrein te realiseren evenals de realisatie van zonnepanelen bij bedrijven (dit zijn bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde die vallen onder de regeling van artikel 4.2.2). 5.2.3 Groen Aan de randen van het plangebied is de bestemming 'Groen' van toepassing, met grote concentraties aan de noordwestzijde. Deze gronden zijn bedoeld om de landschappelijke inpassing van en naar Folsgare en het tussenliggende landschap te realiseren. Ook is in deze bestemming een fietsverbinding mogelijk van en naar Folsgare en calamiteitenroutes van en naar het bedrijventerrein. De aanleg van (auto)wegen is hierin niet mogelijk. Binnen de groenbestemming is ook water toegestaan, waarmee ook buiten de bestemming 'Water' kan worden voorzien in de benodigde watercompensatie vanwege de toename van verharding.
Rho adviseurs voor leefruimte
129303
45
5.2.4 Verkeer De hoofdinfrastructuur in het plangebied is geregeld in de bestemming 'Verkeer'. Dit betreft alleen de hoofdontsluiting van het gebied alsmede de nieuwe ontsluiting met de State-As en de N7. De overige wegen, straten (de secundaire infrastructuur) zijn ook mogelijk gemaakt binnen de bestemming 'Bedrijventerrein'. Afhankelijk van de uiteindelijke ontwikkeling van het bedrijventerrein kan de wegenstructuur worden gecompleteerd binnen deze bestemming. 5.2.5 Water De opvaart en een waterpartij bij de entree naar De Hemmen III zijn geregeld in de bestemming 'Water'. Hiermee blijft de opvaart behouden en wordt deels voorzien in de watercompensatie in het plangebied. De realisatie van water is ook mogelijk in de andere bestemmingen, waaronder de bestemmingen 'Groen' en 'Bedrijventerrein'. In de bestemming is (permanente) aanleggelegenheid voor (recreatie-)vaartuigen en/of woonschepen uitgesloten. 5.2.6 Leiding - Hoogspanning In het plangebied is een zone gereserveerd voor de aanleg en instandhouding van een 110 KV kabelverbinding vanaf het hoogspanningsstation Oudehaske, langs de N7 naar het hoogspanningsstation Marnezijl te Bolsward. Tevens is een zone gereserveerd voor de (toekomstige) netuitbreiding inclusief voorzieningen ten behoeve van de aanleg en exploitatie van Windpark Fryslân.
Beide verbindingen zijn ondergebracht in de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning'. De hoogspanningsverbindingen, inclusief beschermingszone, moeten worden vrijgehouden van bebouwing zodat onderhoud en beheer niet worden belemmerd. Ook zijn bepaalde werken en werkzaamheden omgevingsvergunningsplichtig (zie hiervoor artikel 8.4 van de regels). De regels van de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning' zijn overgenomen uit de ter plaatse geldende rijksinpassingplannen 'Netversterking Marnezijl - Oudehaske' en 'Windpark Fryslan'. 5.2.7 Leiding - Water In het plangebied bevindt zich een hoofdwaterleiding, zoals aangegeven in paragraaf 4.10. Hiervoor geldt dat deze en een strook van 4 meter aan weerszijden van de leiding beschermd moeten worden, zodat onderhoud en beheer aan de leiding of verbinding niet worden belemmerd. Om deze reden is een beschermende regeling getroffen in de vorm van de dubbelbestemming 'Leiding - Water' die waarborgt dat in die zone niet, of onder voorwaarden, gebouwd kan worden. Ook zijn bepaalde werken en werkzaamheden omgevingsvergunningsplichtig (zie hiervoor artikel 9.3 van de regels). 5.2.8 Waarde - Archeologie In het plangebied is (zoals beschreven in paragraaf 4.7) het gebied bij Carpe-Diem aangemerkt als een archeologisch waardevol gebied, waar het streven is gericht op het behoud van de aanwezige waarden.
Om die reden is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' aan de gronden toegekend, waarmee wordt voorkomen dat er grondbewerkingen plaatsvinden zonder dat daar archeologisch onderzoek aan vooraf is gegaan. In de bestemming is aangegeven onder welke condities archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd en wat er met eventueel aanwezige archeologische resten moet gebeuren. 5.2.9 geluidzone - industrie De Hemmen I en II hebben een geluidzone in het kader van de Wet geluidhinder. Deze geluidzone ligt over een deel van het plangebied, ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie'. Het is wettelijk verplicht om deze geluidzone in het bestemmingsplan te regelen. Binnen de geluidszone wordt gestreefd naar het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting. Geluidsgevoelige bebouwing mag hier alleen worden opgericht als is aangetoond dat de geluidsbelasting niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarden of een verkregen hogere waarde.
Rho adviseurs voor leefruimte
129303
46
Rho adviseurs voor leefruimte
129303
47
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De bestemmingsplanprocedure geeft inzicht in het draagvlak en daarmee de maatschappelijke uitvoerbaarheid van een plan. Voorafgaand aan deze procedure is een ieder op verschillende manieren over het voornemen geïnformeerd, onder andere met het dagelijks bestuur van Dorpsbelangen Folsgare. Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedurestappen: Inspraak en overleg Omdat de gemeente de belanghebbenden wil betrekken bij de planvorming, is op basis van de Inspraakverordening inspraak verleend op het bestemmingsplan. Het voorontwerpbestemmingsplan heeft van 19 november 2018 tot en met 2 januari 2019 ter inzage gelegen. Tevens is het bestemmingsplan in het kader van het vooroverleg toegezonden aan de verschillende overlegpartners. Een samenvatting van de inspraak- en overlegreacties met de gemeentelijke beantwoording daarop is opgenomen in bijlage 12. Hierin is aangegeven op wat voor punten het voorontwerpbestemmingsplan is aangepast. Zienswijzen Vervolgens wordt het ontwerpbestemmingsplan zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode kan eenieder zienswijzen tegen het bestemmingsplan kenbaar maken. Eventuele zienswijzen worden door de gemeente beantwoord en al dan niet gegrond verklaard. De indieners van de zienswijzen worden hiervan op de hoogte gesteld. Vaststelling Na de ter inzagelegging besluit de gemeenteraad over de vaststelling van het bestemmingsplan.
Uiteindelijk is tegen het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid De gronden binnen het plangebied zijn op dit moment nog eigendom van de gemeente. De gemeente maakt de gebieden bouwrijp. De kosten worden gedekt uit de opbrengsten van gronduitgifte. De ruimtelijke uitgangspunten sluiten aan op de financiële uitgangspunten. De kosten worden geraamd op € 8,2 miljoen. Dit bedrag is voor de ontwikkeling gereserveerd. Gezien de onderzoeken uit het verleden en de huidige vraag naar bedrijventerrein mag er verwacht worden dat er voldoende vraag is naar bedrijfsgrond. Op basis hiervan kan gesteld worden dat het plan financieel haalbaar is.
Rho adviseurs voor leefruimte
129303
48
Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, woningbouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. Omdat de gronden in eigendom zijn van de gemeente, is het niet nodig om een exploitatieplan vast te stellen.
Rho adviseurs voor leefruimte
129303