Bijlage - Erfgoednota inclusief bijbehorende beleidsnota's en bijlagen
Tekst van het document
Kerk van Hieslum
76
Bijlage 1
Overzicht inventarisaties
Verdiepingslag FAMKE De verdiepingslag Friese archeologische monumentenkaart extra (FAMKE) loopt in nauwe samenwerking met de provincie. Zij bestaat uit verschillende deelonderzoeken, zoals twee promotieonderzoeken naar terpen (terpzolen en veenterpen) door de Rijksuniversiteit Groningen, die nog niet zijn opgeleverd. Ook een deel van het onderzoek naar het stadhuis Bolsward valt onder de verdiepingsslag. In het historisch centrum was een groot onderzoeksoppervlak beschikbaar, een unieke situatie. De verstoring door de aanleg was minder diep dan de onderkant van de terp, dus we zijn op kosten van de verdiepingsslag op een stuk circa een halve meter dieper gegaan om inzicht te krijgen in het ontstaan en ouderdom van 1 van de drie stadsterpen van Bolsward. We hebben thans overigens een gemeentelijke beleidskaart, oftewel de gemeentelijke uitsnede van de provinciale FAMKE, voor de archeologie, die als een goed beleidsinstrument functioneert. De verdiepingsslag zal deze uitsnede verder verfijnen door scherpere onderzoeksadviezen te leveren en dus meer maatwerk mogelijk maken. Hierdoor zal er minder onderzoek noodzakelijk zijn, wat goed is voor draagvlak. Immers geldt voor archeologisch onderzoek het principe de verstoorder betaalt. Naar verwachting wordt de verdiepingsslag in deze beleidsperiode opgeleverd.
Inventarisatie Tweede Wereldoorlog relicten inclusief beleid vliegtuigwrakken Op veel plaatsen in de Nederlandse ondergrond en waterbodem bevinden zich nog explosieven uit de Tweede Wereldoorlog, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers), raketten, mijnen, granaten en munitie. Aangezien eventueel aanwezige ontplofbare oorlogsresten een risico vormen voor uit te voeren werkzaamheden, is het van belang dat gemeentebreed het onderzoeksgebied op de aanwezigheid daarvan en andere risicovolle oorlogsrelicten onderzocht wordt. Op basis hiervan kan de voortgang en veiligheid van werkzaamheden worden gewaarborgd. Een gedetailleerd uitgevoerd Vooronderzoek uitgevoerd in 2020/2021 voorkomt het maken van onnodige kosten voor detectie of benaderwerkzaamheden door het nauwkeurig driedimensionaal afbakenen van het verdachte gebied. Gezien de oorlogsgeschiedenis van de gemeente is er besloten om alleen voor ‘hotspots’ een volledig Vooronderzoek OO uit te laten voeren en de rest van het grondgebied van de gemeente te onderzoeken door middel van een kostenbesparende quickscan. Gekoppeld hieraan wordt een archeologische bureau inventarisatie uitgevoerd naar de nog aanwezig objecten en structuren uit WO2.
Waar de 20ste eeuw tot voor kort veelal geen deel uitmaakte van de onderzoeksagenda van gemeenten, is de interesse voor de archeologie van de Tweede Wereldoorlog (WOII) de laatste jaren sterk toegenomen. Een bijzondere categorie zijn de vliegtuigwrakken. Gedurende WOII zijn meer dan 5000 vliegtuigen neergeschoten/neergestort. Veel van deze vliegtuigwrakken zijn al tijdens de WO II door de Duitsers geruimd. Andere wrakken werden tijdens en na de oorlog door boeren en schroothandelaren opgegraven. Tot 1996 was het toegestaan om zelf opgravingen te doen, als de eigenaar van de grond dat goed vond. Er liggen meerdere wrakken op de bodem van het IJsselmeer binnen onze gemeentegrenzen, van de meeste is de exacte locatie en identificatie nog niet bekend. Dit vraagt om een gemeentelijk beleid ten aanzien van de vraag hoe om te gaan met verzoeken tot berging. Het is de verwachting, ook gezien de landelijke aandacht voor dit onderwerp, dat er in de toekomst meer verzoeken zullen komen voor het bergen van vliegtuigwrakken. Ook gezien de instelling in 2018 van het Nationaal Berging Programma vanuit het rijk, waaraan gemeenten geacht worden mee te werken.
Facet bestemmingsplan karakteristieke panden en archeologie In het kader van de harmonisatie met het archeologisch beleid van Littenseradiel en Boarnsterhim en vanwege het feit dat de planning van de inventarisatie van de karakteristieke panden niet synchroon loopt (door de beperkte capaciteit van het onderzoeksbureau) met de planning van de bestemmingsplannen, is gekozen voor een facet bestemmingsplan karakteristieke panden en archeologie. Hierdoor kunnen de lopende bestemmingsplannen nog wel hun gestelde deadline halen. Omdat er diverse bestemmingsplannen zijn waarin archeologie nog niet juist is meegenomen is dit facetplan noodzakelijk. Zo is buitengebied Boarnsterhim vele malen strenger dan de SWF beleidslijn qua archeologie en zeker niet in lijn met werken vanuit de bedoeling. Hier worden ook de boerderijplaatsen meteen in mee genomen. Via de Fryske Academie is deze laatste kaart in februari 2019 opgeleverd. We zijn nu bezig met de waardering van de boerderijplaatsen en het intekenen van de archeologische gebieden voor het facetplan. De oplevering is naar verwachting in 2021.
Inventarisatie karakteristieke bouwwerken Naast gemeentelijke beschermde panden kennen we ook nog de categorie karakteristieke panden. Een deel van de karakteristieke bouwwerken in onze gemeente is recentelijk geïnventariseerd in het kader van bestemmingsplannen die geactualiseerd zijn. Voor een groot deel van ons gebied ontbreken echter dergelijke inventarisaties nog of zijn ze verouderd. Om uitvoering te geven aan de unaniem aangenomen motie van de raad gaan wij de karakteristieke bouwwerken in onze gemeente gebiedsdekkend inventariseren. Hiermee is vanaf 2019 een start gemaakt en deze inventarisatie wordt in deze beleidsperiode afgerond.
78
Selectiecriteria karakteristieke bouwwerken Bouwwerken worden allemaal geïnventariseerd volgens eenzelfde stramien en beoordelingskader. De bouwwerken worden beoordeeld op de stedenbouwkundige, architectonische, cultuurhistorische en streekhistorische waarde en worden van een puntenaantal voorzien. Er wordt enkel naar het exterieur van de bouwwerken gekeken. De bouwwerken die tijdens het onderzoek 19 punten of meer hebben gekregen krijgen de status van ‘Karakteristiek 1’ in het bestemmingsplan, en worden beoordeeld als meest waardevol. Deze bouwwerken vertegenwoordigen een zodanige monumentale waarde dat het exterieur van deze bouwwerken in stand moet worden gehouden. Om sloop tegen te gaan is in het bestemmingsplan hier een sloopvergunningstelsel aan gekoppeld. De karakteristieke bouwwerken die tijdens het onderzoek 15 tot 19 punten krijgen vallen binnen de categorie ‘Karakteristiek 2’. Deze panden vertegenwoordigen een zodanige waarde dat het van belang is om met name de hoofdvorm van het bouwwerk in stand te houden Bij panden waarbij ook de identiteit van het pand een waarde heeft – bijvoorbeeld vanwege de typologie – kan sloop een verlies van herkenbaarheid van de plek of het gebied betekenen. In dat geval kan er een sloopverbod aan worden gekoppeld, waarbij de cultuurhistorische waarde een weigeringsgrond voor een sloopaanvraag kan zijn.
Dit lijkt heel streng, maar is tot op heden de enige mogelijkheid om bij een vergunningaanvraag een afwegingsmoment te organiseren om de cultuurhistorische waarden van het pand te wegen en opzichte van andere belangen. Het is dan aan de gemeente om te bepalen of sloop aanvaardbaar is, door het publieke belang af te wegen tegen de individuele belangen van de aanvrager. Op basis van deze inventarisatie is het overigens ook mogelijk om die objecten die van zeer monumentale waarde blijken, uiteindelijk aan te wijzen als gemeentelijk monument.
Inventarisatie agrarisch vastgoed en hun bijgebouwen Er is het beleidsvoornemen om een inventarisatie uit te voeren naar de agrarische percelen, inclusief hun karakteristieke bouwwerken. De basis hiervoor ligt in de te verwachten leegstand van het agrarisch vastgoed en daarmee de vroegtijdige signalering c.q. kansen voor mogelijke herbestemming. Daarnaast ontbreekt het aan een overzicht van de karakteristieke bijgebouwen en hun betekenis op deze agrarische percelen. Doorontwikkeling Landschapsbiografie Súdwesthoeke (programma Omgevingskwaliteit) Samen met de gemeente De Fryske Marren, provincie Fryslân en de stichting Mar en Klif bezoekerscentrum Nationaal Landschap Zuidwest-Fryslân heeft de gemeente Súdwest-Fryslân in 2019 een Landschapsbiografie van de Friese Súdwesthoeke laten opstellen. Vrijwel heel Súdwest-Fryslân maakt deel uit van het Nationaal Landschap Zuidwest-Friesland. Dit gebied wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid aan landschapstypen, waaronder het stuwwallenlandschap in Gaasterland, de IJsselmeerkust van Makkum tot Lemmer, de kleizone met de wel bekende terpen en het veengebied van de Friese Meren. Ieder landschapstype kent een eigen ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische elementen die van grote waarde zijn voor de beleving van het landschap in de Súdwesthoeke.
De waardevolle cultuurhistorische elementen in het buitengebied van beide gemeentes en het Nationale Landschap zijn op regionaal niveau geïnventariseerd en in kaart gebracht in de landschapsbiografie. Deze vormt een aanvulling op de reeds bestaande Cultuurhistorische kaart van Fryslân en sluit aan bij de door de provincie Fryslân uitgegeven “Wordingsgeschiedenis van Fryslân”. Hiermee is de feitelijke basis gelegd voor het ruimtelijk beleid en het “beter vertellen” van de historie van de Súdwesthoeke. De landschapsbiografie van de Súdwesthoeke zal de cultuurlandschappelijke basis vormen voor nieuwe omgevingsplannen. Water en land zijn hier belangrijke kernwaarden. Het programma Omgevingskwaliteit Súdwest-Fryslân als uitvloeisel van de Omgevingsvisie 1.0 werkt deze en andere kernwaarden verder uit tot een waardering. Om zodoende de gewenste ontwikkelingsrichting van het landschap en de kernen in beeld te kunnen brengen. Waar mogelijk en efficiënt kan dit in samenwerking en afstemming met bovengenoemde streekagendapartners. Het programma sluit daarbij aan op de provinciale Structuurvisie Grutsk op ‘e Romte. Uiteindelijk zou dit kunnen leiden tot een eigen Súdwest Friese Grutsk op ‘e Romte op gemeentelijk niveau met eigen gemeentelijke kernwaarden en belangen, verpakt in het programma Omgevingskwaliteit.
Steden en dorpenbiografie en ontwikkelingsrichtingen (programma Omgevingskwaliteit) De gemeente Súdwest-Fryslân is de gemeente in Nederland met het hoogst aantal beschermde gezichten en heeft vele historische kernen binnen haar gemeentegrenzen liggen. De 89 kernen in Súdwest-Fryslân hebben elk een eigen identiteit. Het erfgoed, de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis, het landschap en de mienskip bepalen die identiteit. Het is de authenticiteit en de diversiteit van de kernen, die Súdwest-Fryslân zo geliefd maakt bij haar inwoners en bezoekers. De rust van het kleine dorp, de dynamiek van de stad, of van beide een beetje in het grotere dorp of de kleinere stad. Súdwest-Fryslân onderzoekt wat belangrijk is voor de identiteit van de kernen in een Steden- en dorpenbiografie (Omgevingsvisie 1.0). Door in kaart brengen van cultuurhistorische elementen in de kernen, ontstaat een onderlegger voor het formuleren van kernwaarden en ontwikkelingsrichtingen. Dit vraagt dezelfde systematische aanpak voor de kernen als voor het landschap. De steden- en dorpenbiografie vormt op gemeentelijk niveau een aanvulling op Grutsk op ‘e romte en de bestaande Cultuurhistorische kaart van Fryslân. Net als voor het landschap ligt hier de feitelijke basis voor het ruimtelijk beleid en het “beter vertellen” van de 79
historie. De steden- en dorpenbiografie van de Súdwesthoeke vormt samen met de landschapsbiografie de cultuurlandschappelijke basis voor het nieuwe omgevingsplan. Bij de inventarisatie van cultuurhistorische karakteristieken kan worden gedacht aan de feitelijke ontwikkelingsgeschiedenis, de daarbij horende elementen zoals de historische terp-, water- en dijkbuurten, water-, groen- en wegenstructuren, waterfronten, havens, pleinen en kaatsvelden etc. De waardering is erop gericht in afstemming met de Mienskip de belangrijkste kernwaarden van kernen te benoemen, denk bijvoorbeeld aan de verschillende dorps typologieën (terpdorpen, waterdorpen, dijkdorpen etc.) en bijbehorende terp, water- en dijkbuurten. De kernwaarden vormen het fundament voor ontwikkelingsrichtingen, zoals het behoud, het versterken of het ontwikkelen van nieuwe kernwaarden. Een mogelijke uitwerking zou in het terpenlandschap kunnen bestaan uit het instellen van terpcontouren, waarbij binnen een eerste zone (de terp) niet of slechts zeer selectief nieuwe bebouwing komt, en er meer ruimte is voor groen en biodiversiteit, terwijl in daaraan grenzende zones (op afstand van de terp) ruimere ontwikkelingsmogelijkheden gelden voor diverse activiteiten en opgaven.
Met het opstellen van een Steden- en dorpenbiografie hebben we uiteindelijk een goede onderbouwde basis voor de ontwikkelingsrichting van de kernen om de inhoudelijke kwaliteit van de leefomgeving te kunnen waarborgen. De dorpen en stedenbiografie vormt onderdeel van het programma Omgevingskwaliteit, dat uitgewerkt wordt in het kader van de gemeentelijke Omgevingsvisie 1.0 en doorwerking krijgt in het omgevingsplan. Er liggen kansen voor samenwerking en afstemming met streekagenda partners.
Historische kaart Molkwerum 1718
Aanwijzen gemeentelijke monumenten Het beschermen van monumenten enerzijds en de planologische borging van erfgoed anderzijds zijn op dit moment nog gescheiden werelden. Deze komen echter spoedig samen in de nieuwe Omgevingswet. Alle vormen en de mate van bescherming kunnen dan per locatie in het omgevingsplan worden opgenomen. Als gemeente wijzen wij beperkt gemeentelijke monumenten aan, waarbij er eerder naar kwaliteit dan naar kwantiteit wordt gestreefd. Er dient eerst nog een herijking plaats te vinden van de gemeentelijke monumentenlijst. Tevens wordt er deze beleidsperiode een verkenning gedaan naar het harmoniseren van de gemeentelijke beschermde dorpsgezichten. Ook spelen de beperkte beschikbare middelen voor instandhouding hierbij een rol. Centraal staat hierbij dat de gemeentelijke monumentenlijst een representatieve afspiegeling vormt van het waardevolle erfgoed in deze gemeente, waarin de belangrijkste categorieën en de meest bijzondere panden qua vormgeving zijn opgenomen. Objecten die bijvoorbeeld bescherming nodig hebben zijn de objecten die kwetsbaar zijn omdat deze objecten uniek in hun soort zijn of door functieverandering onder druk komen te staan. Selectiecriteria: Aanwijzing van een gemeentelijk monument kan op verzoek van een belanghebbenden (bijvoorbeeld de eigenaar) of uit eigen beweging van de gemeente.
Een object of complex kan als gemeentelijk monument worden aangewezen als het van algemeen belang is om ze voor de maatschappij te behouden vanwege de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Selectiecriteria zijn: • architectonische of architectuurhistorische waarden • stedenbouwkundige of bouwhistorische waarden • cultuurhistorische waarde of waarden vanuit de gebruikshistorie • zeldzaamheid of algemene historische waarden • gaafheid of herkenbaarheid • Ensemblewaarden In de regel zullen daarbij verschillende criteria tegelijkertijd van toepassing zijn. Alle criteria zijn daarbij gelijk en kunnen in combinatie met andere criteria een aanvullende of compenserende rol vervullen. Zo kunnen bijvoorbeeld minpunten inzake gaafheid gecompenseerd worden door een grote mate van zeldzaamheid. En andersom wordt meer waarde gehecht aan gaafheid als zeldzaamheid minder hoog scoort. Het is niet zo dat alle criteria gelijktijdig van toepassing moeten zijn om een object of complex aan te wijzen als gemeentelijk monument. In uitzonderlijke gevallen kan een object of complex zelfs op basis van 1 criterium aangewezen worden als 80 000
gemeentelijk monument (bijvoorbeeld bij grote architectonische waarde of als het gaat om een ontwerp van een belangrijke architect).
Inventarisatie beschermingswaardige bomen De gemeente Súdwest-Fryslân heeft ruim 50.000 bomen in eigendom en beheer. Bomen bepalen voor een groot deel de kwaliteit van de openbare ruimte. Ze leveren een belangrijke bijdrage aan een gezond leefklimaat voor de bewoners en hebben daarnaast ook een belangrijke financieel-economische waarde. Woningen zijn bijvoorbeeld vaak meer waard als zij door bomen worden omgeven. De kwaliteit van het bomenbestand en een goede staat van onderhoud draagt bij aan de leefbaarheid van dorp en stad. Dit rechtvaardigt een goede zorg voor dit kapitaalgoed, ook met betrekking tot de veiligheid. In het Register Beschermingswaardige Bomen wordt aangegeven welke bomen monumentaal of anderszins bijzonder zijn. Deze mogen niet zomaar worden gekapt. Deze lijst met beschermingswaardige bomen is onderdeel van het Bomenbeleidsplan Súdwest-Fryslân) en wordt jaarlijks herzien.
Monumentale beuk Bolsward
81
Bijlage 2
Richtlijnen voor archeologisch onderzoek en bouwhistorie
Richtlijnen archeologisch onderzoek In aanvulling op de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en de Plannen van Aanpak in de Friese Archeologische monumentenkaart extra (FAMKE) gelden onderstaande eisen aan derden:
Gebruik van kaartmateriaal algemeen: -
-
-
-
Voor alle onderzoeken dienen als standaard kaartmateriaal de paleogeografische kaarten van Deltares geraadpleegd te worden. Deze kunnen worden opgevraagd bij de gemeente. De meest representatieve periode(n) word(t)(en) daarbij ook afgebeeld in het rapport met het plangebied daarop aangegeven. Bij de eindrapportage wordt een digitaal bestand (bijv. dgn of dxw format) overgedragen met daarin de coördinaten van het plangebied. Voor alle onderzoeken dienen als standaard kaartmateriaal de FAMKE kaarten van de provincie geraadpleegd te worden. De gemeente heeft namelijk in haar beleid een gemeentelijke uitsnede van deze FAMKE geadopteerd. Dit is echter geen statische kaart, vandaar dat ook verwezen wordt naar de website, waar de meest actuele versie op staat. Deze kaarten worden ook afgebeeld in het rapport met het plangebied daarop aangegeven. De FAMKE is niet altijd even up to date, het kan zijn dat afgeronde onderzoeken nog niet zijn verwerkt in de kaarten. In dat geval is de beoordeling door het bevoegd gezag van het selectieadvies in het onderzoeksrapport leidend, conform de vigerende Erfgoedverordening. De Cultuurhistorische kaart (CHK) van de provincie, inclusief de kadastrale kaart van 1832 die daarin is opgenomen, en de Landschapsbiografie Súdwesthoeke dienen te worden geraadpleegd.
Naast oude topografische kaarten dienen (een selectie van) historische kaarten indien relevant voor het plangebied te worden geraadpleegd (bijvoorbeeld Geelkercken, Blaeu, Braun en Hogenberg, Schotanus en/of Eekhoff). Voor gebieden met een steentijd verwachting of waarde op de FAMKE en waarbij nog geen gegevens voorhanden zijn uit archeologisch veldonderzoek ter plaatse over diepteligging van de pleistocene laag, dient gebruik te worden gemaakt van bekende databases om hier een specifieke verwachting over uit te kunnen spreken (bijvoorbeeld de top Pleistoceenkaart of DINO-loket).
Eindrapportage algemeen: -
-
Het beeldmateriaal gebruikt in het eindrapport, dient als digitale bestand te worden overgedragen aan de gemeente (bij gebruik voor interne of externe publicaties zal copyright natuurlijk worden toegepast). Het conceptexemplaar zal via de opdrachtgever (of direct met toestemming van de opdrachtgever) gestuurd worden naar de gemeente (erfgoed@sudwestfryslan.nl). Het rapport wordt binnen twee weken (tenzij anders afgesproken) met commentaar geretourneerd. Het definitieve exemplaar wordt gestuurd naar erfgoed@sudwestfryslan.nl.
Bureauonderzoek gecombineerd met Inventariserend VeldonderzoekVeldonderzoek-boringen (IVO(IVO-b): b) :
-
-
-
-
Bij reguliere booronderzoeken wordt in principe geen apart bureauonderzoek noodzakelijk geacht, dit vormt namelijk meer een quickscan ter voorbereiding en inleiding op het booronderzoek en wordt doorgaans ook in één rapport weergegeven. Behalve bij bodemingrepen in een plangebied met een groter oppervlak, die doorgaans ook verschillende advieszones op de FAMKE omvat, is een apart bureauonderzoek doorgaans wel wenselijk. Dit om nut en noodzaak van een IVO-b goed inzichtelijk te krijgen voor elk deel van het plangebied. Het Plan van Aanpak, zoals dat conform wet- en regelgeving vereist is, moet in het geval van IVO-b onderzoeken in streven naar behoud en waarderend onderzoek zones (paars en rood op de FAMKE) ter goedkeuring aan de gemeentelijk archeoloog worden voorgelegd via erfgoed@sudwestfryslan.nl. Indien er niet meer dan het minimum aantal boringen wordt gezet zoals geëist volgens FAMKE in de wat kleinere plangebieden (dus hectare of kleiner), dan dienen dit wel geslaagde boringen te zijn. Bij stuit of wat voor reden ook van niet doorzetten wordt een alternatieve boorlocatie gezocht in het plangebied. Indien blijkt dat van het geëiste aantal boringen er maar een fractie kan worden doorgezet, dan kan er enkel op basis van het IVO-b geen selectieadvies worden gegeven. Een inventarisatie dient plaats te vinden van bekende vervuilingen. Dit is op te vragen bij het Bodemloket.
Rapporten kunnen desgewenst worden opgevraagd bij de gemeente: MilieuBVV SWF (milieubvv@sudwestfryslan.nl).
83
Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek Bouwhistorisch onderzoek Een bouwhistorisch onderzoek heeft twee belangrijke pijlers. 1. De opname in het gebouw, waarbij waarnemingen worden verricht en foto’s, schetsen en tekeningen worden gemaakt. 2. Een literatuur- en archiefonderzoek, waarbij kaarten, (bouw)tekeningen, foto’s en geschreven gegevens worden verzameld. Daarnaast kan het object worden vergelijken met soortgelijke objecten op andere plaatsen: bijvoorbeeld wanneer het bijzondere kenmerken heeft, door een belangrijke architect is ontworpen, of een bijzondere architectuurstroming vertegenwoordigt. De resultaten van het onderzoek wordt vastgelegd in een rapport. Hierin worden in woord en beeld de bevindingen weergegeven, inclusief een cultuurhistorische waardestelling. Deze waardestelling beschrijft de elementen en aspecten die bijdragen aan de historische betekenis, de karakteristiek en de afleesbaarheid van de bouw- en gebruiksgeschiedenis. Op ingekleurde tekeningen is deze waardestelling af te lezen. Een bouwhistorisch onderzoek dient te voldoen aan de Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek 2009 en zijn te vinden op: https://www.cultureelerfgoed.nl/publicaties/publicaties/2009/01/01/richtlijnen-bouwhistorisch-onderzoek
84 000
Bijlage 3
Richtlijnen voor metaaldetectoronderzoek
Opgravingen van archeologische vondsten mogen volgens de Erfgoedwet alleen worden uitgevoerd door instanties die hiervoor zijn gecertificeerd. Wanneer een detectoramateur een vondst uit de grond haalt is dat een opgraving. Voor dit type opgraving is een uitzondering in de Erfgoedwet opgenomen. Omdat detector-amateurs een waardevolle bijdrage leveren aan de ontwikkeling van archeologische kennis is er voor hen een uitzondering op het opgravingsverbod gemaakt. Verstoring van de bovenste dertig centimeter (dus niet dieper) van de bodem, de zogenaamde bouwvoor, is toegestaan. Op deze regel geldt een aantal uitzonderingen: -
-
Zo is het met behulp van metaaldetectie uit de grond halen van archeologische resten niet toegestaan op een archeologisch gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument (er is maar 1 archeologisch rijksmonument en dat is de Camminghastate te Arum en er is 1 archeologisch/cultuurlandschappelijk gemeentelijk monument en dat is de Pingjumer Gulden Halsband). Op een terrein waar een opgraving door een certificaathouder of universiteit plaatsvindt, mag een detector-amateur niet opgraven. De uitzondering is tot slot alleen van toepassing op land en niet onder water.
Vondsten die in bovenstaande geval met metaaldetectie gevonden worden moeten zo spoedig mogelijk bij de Minister gemeld worden (via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en/of via gemeente). Bovendien is de gerechtigde tot de vondst verplicht om deze vondst zeker 6 maanden ter beschikking te houden voor wetenschappelijk onderzoek. Vondsten die worden gedaan met behulp van een metaaldetector worden gezien als archeologische toevalsvondst. Wanneer bovenstaande voorwaarden niet in acht worden genomen, is opgraven met een metaaldetector strafbaar. Uiteraard dient de eigenaar van het terrein toestemming te verlenen om het terrein te betreden en, in voorkomende gevallen, voor het verrichten van graafwerkzaamheden. Weet u niet zeker of u op een bepaald grondgebied met een metaaldetector mag zoeken? Neem dan contact op met de gemeente via erfgoed@sudwestfryslan.nl.
Dobbelsteen opgraving stadhuis Bolsward
86 000
Vikingring Tirns
Bijlage 4
Onderzoek naar instelling archeologisch fonds
Hoewel in de meeste vigerende bestemmingsplannen van de gemeente in het verleden al archeologie opgenomen werd, kan in sommige gevallen, waarbij voor het eerst archeologie wordt opgenomen planschade geclaimd worden. Waar archeologisch onderzoek verplicht wordt gesteld kan via de rechter een beroep worden gedaan op excessieve kosten. Bij opgravingskosten die in verhouding tot de plankosten onevenredig hoog zijn (per geval te bepalen), heeft een ‘initiatiefnemer ofwel verstoorder’ de mogelijkheid een deel van de kosten te verhalen op de overheid. Voor beide onderwerpen dient men voor een toekenning aan een reeks voorwaarden te voldoen. Vooralsnog is er landelijk gezien minimaal aanspraak gemaakt op kosten ontstaan door planschade en/of excessieve kosten. Voor zover bekend is dit in de voormalige gemeenten nog nooit gebeurd. Het is dan ook onmogelijk om van te voren in te schatten in hoeverre er succesvol aanspraak gemaakt gaat worden op deze regelingen door aanvragers en wat dus de financiële risico’s zijn. Vooralsnog wordt het risico van (toekenning) van planschade klein geacht. In het geval van claims kan geput worden uit het gemeentefonds, waarin ook een vergoeding zit voor bestuurslasten voor archeologie.
Vanaf 2008 ontvangen gemeenten namelijk jaarlijks een structurele compensatie voor de bestuurslasten voor de bescherming van het gemeentelijk archeologisch erfgoed, evenals een bijdrage voor excessieve opgravingskosten. Dit bedrag wordt verdeeld via de maatstaf ‘woonruimten’. De besteding van de algemene uitkering is vrij aan de gemeente. De gemeente Súdwest-Fryslân heeft deze specifieke archeologische inkomsten (€ 48.500 in 2020) dan ook niet geoormerkt en is het dus in de begroting verwerkt als inkomst. Overwogen kan worden om dit wel te doen om daarmee het gemeentelijk archeologiebeleid voor een deel te kunnen bekostigen. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld zogenaamde kostbare toevals- en vrijstellingsvondsten en/of planschade gemakkelijker worden gedekt. Hiervoor moet dan wel dekking gevonden worden in de begroting. Aangezien komende beleidsperiode wordt onderzocht in hoeverre de instelling van dit fonds realiseerbaar is, is dit bedrag nog niet opgevoerd bij gewenste situatie zoals beschreven in hoofdstuk 6 Uitvoeringsprogramma en financieel overzicht 2021-2026. Een toevalsvondst is een archeologische vondst die niet tijdens een archeologisch onderzoek of opgraving wordt gedaan. Ook vondsten die met behulp van metaaldetectie worden gevonden worden hiertoe gerekend.
Een vrijstellingsvondst is een archeologische vondst die wordt gedaan in een gebied met archeologische waarde, waarin op basis van de vrijstellingsgrens van 50 m2 of 100 m2 geen archeologische onderzoeksplicht geldt. Hier bestaat echter wel grote kans op archeologische vondsten, die ook ondanks de kleinschaligheid van de ingreep behoudenswaardig kunnen zijn. Bij zowel toevals- als vrijstellingsvondsten geldt niet automatisch meer het verstoorder betaald principe. Een voorbeeld van een toevalsvondst is de oudste boot van Friesland, het bootje dat bij werkzaamheden van de Gasunie bij Tirns werd gevonden. Deze is vervolgens archeologisch opgegraven en staat nu in het Fries Scheepvaart museum. Een mooi voorbeeld van een vrijstellingsvondst is het grafveld voor de Broerekerk te Bolsward. Er werd hierbij minder dan 50 m2 verstoord, oftewel binnen de vrijstellingsgrens, waardoor er geen eisen werden verbonden aan de vergunning. Op voorhand heeft de gemeente hier zelf een archeologisch bedrijf op gezet en zijn de kosten uiteindelijk betaald door gemeente en provincie. Vooralsnog is er al wel een subsidiemodule voor een tegemoetkoming in archeologische opgravingskosten voor particulieren opgesteld, maar deze is nog niet geactiveerd wegens een prioritering in de verdeling van financiële middelen over de subsidiemodules.
Naast de instelling van een archeologisch fonds, zal ook worden gekeken of het archeologisch vrijstellingsbeleid beter kan worden ingestoken door middel van maatwerk.
Muntschat Bolsward
88
Muntschat Bolsward
Bijlage 5
Subsidieregeling cultureel erfgoed
Hoofdstuk 7 Leefomgeving Paragraaf 7.1 Cultureel Erfgoed Artikel 7.1.1 Begripsbepalingen a. Rijksmonumenten: monumenten die in het rijksmonumentenregister van de Erfgoedwet staan. b. Gemeentelijke monumenten (GM): monumenten die in de gemeentelijke monumentenlijst van de Erfgoedverordening staan. c. Bouwwerk: bijvoorbeeld gebouwen, molens, bruggen, sluizen en grenspalen. d. Beschermde stads- en dorpsgezichten (BSD): verschillende bouwwerken bij elkaar die belangrijk zijn. Dit vanwege hun schoonheid, ligging of hun wetenschappelijke / cultuurhistorische waarde. Het kan een rijks- of gemeentelijk BSD zijn. e. Kleine initiatieven: terugbrengen of herstellen van onderdelen in de BSD. De onderdelen moeten de beleving van de geschiedenis groter maken. f. Molens: molens die rijksmonument zijn. g. Bouwhistorisch onderzoek: een rapport waarin de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische waarden van een monument staan. h. Inspecties: een bouwkundige inspectie door de Monumentenwacht Fryslân of een vergelijkbare onafhankelijke organisatie. Er wordt hierbij een rapport gemaakt over de kwaliteit van het onderhoud van het bouwwerk. i. Normaal onderhoud: het gebruikelijke onderhoud van een bouwwerk. j. Groot onderhoud: werkzaamheden die groter zijn dan normaal onderhoud. k. Cascoherstel: repareren van onderdelen van het gebouw die er voor zorgen dat een bouwwerk niet instort.
Verder gaat het om waardevolle en bijzondere onderdelen aan de binnen- en buitenkant van het gebouw. l. Instandhouding: werkzaamheden die er toe leiden dat de molen, of het zelfstandig onderdeel daarvan, in stand wordt gehouden. m. Karakteristieke panden: Het gaat hier om panden die volgens het bestemmingsplan van de gemeente karakteristiek zijn. Er zijn twee categorieën: 1. karakteristiek 1; dit zijn bouwwerken die het meest waardevol zijn. 2. karakteristiek of karakteristiek 2; dit zijn bouwwerken die waardevol zijn. n. Kerken: historische gebouwen die voornamelijk als gebedshuis zijn opgericht, zonder status als gemeentelijk monument of rijksmonument. Het moet hierbij gaan om gebouwen die ouder zijn dan 50 jaar. Rijksmonumenten met de status 'vanwege rijksmonument' komen ook in aanmerking voor dit subsidieonderdeel, behalve voor het zgn. 'vanwege' onderdeel. o. Dijklichaam: een door mensen aangelegde waterkering, die het achterliggende land beschermde tegen overstromingen. p. Unieke objecten: objecten/bouwwerken die weinig voorkomen en/of zeldzaam zijn en die volgens het college van grote culturele erfgoedwaarde zijn.
Artikel 7.1.2 Welke activiteiten Het college verleent eenmalig subsidie aan personen en rechtspersonen voor gemeentelijke monumenten, kleine initiatieven in beschermde stads- en dorpsgezichten, karakteristieke panden, kerken, inspecties en molens en unieke objecten in de gemeente. Artikel 7.1.3 Voorwaarden Voor het ontvangen van een subsidie geldt dat: 1. GM en kleine initiatieven in BSD maximaal 1 keer per 3 jaar subsidie kunnen krijgen; 2. Kerkgebouwen maximaal 1 keer per 6 jaar geld kunnen krijgen. 3. Karakteristieke gebouwen met de aanduiding karakteristiek 1 kunnen maximaal 1 keer per 3 jaar geld krijgen. 4. Karakteristieke panden met de aanduiding karakteristiek 2 of karakteristiek kunnen maximaal 1 keer per 6 jaar geld krijgen. 5. Molens alleen voor dezelfde 6 jaarlijkse periode subsidie kunnen krijgen als waarvoor het rijk subsidie heeft gegeven; 6. Moleneigenaren mogen schuiven met de bedragen die ze hebben ontvangen. Het moet hierbij gaan om molens die de status “Professionele Organisatie” van het rijk hebben. In sommige gevallen kan nog gebruik worden gemaakt van de (oude) status “Aangewezen Organisatie”. Het totaal van het ontvangen bedrag mag niet worden overschreden; 7. De aanvraag ingeleverd moet zijn voordat het werk start. Dit geldt niet voor de inspecties. Artikel 7.1.4 Budget 1. Voor het jaar 2021 is het budget per onderdeel: a.
gemeentelijke monumenten: € 40.000 b. bouwhistorisch onderzoek € 1.000 c. kleine initiatieven in beschermde stads- en dorpsgezichten: € 5.000 90 000
d. e. f. g. h. 2.
inspecties: € 1.500 molens: € 65.000 kerken: € 40.000 karakteristieke panden: € 25.000 unieke objecten: € 15.000
Als na 1 oktober voor één of meer onderdelen nog budget over is, worden deze bedragen samengevoegd tot één budget.
Artikel 7.1.5 Verdeling 1. De aanvragen die de gemeente als eerste krijgt, worden ook als eerste behandeld. 2. Het bedrag is: Onderdeel 1
Gemeentelijke Gemeentelijke monumenten (GM) Percentage van de kosten
Maximum bedrag
Groot onderhoud en/of cascoherstel
50%
€ 10.000 per GM
Instandhouding dijklichaam
50%
€ 5.000 per eigenaar
Percentage van de kosten
Maximum bedrag
Onderdeel 2
Bouwhistorisch onderzoek
Bouwhistorisch onderzoek (alleen wanneer het 100% onderdeel is voor een aanvraag om een omgevingsvergunning) Onderdeel 3
Kleine initiatieven in beschermde stadsstads- en dorpsgezichten (BSD) Percentage van de kosten
Kleine initiatieven
50%
Bouwhistorisch onderzoek (alleen als het onderdeel is 100% van een klein initiatief) Onderdeel 4
€ 500 per bouwwerk
Maximum bedrag
100%
€ 500 per bouwwerk
Percentage van de kosten
Maximum bedrag
Molens € 2.500 per molen per jaar
Kerken zonder monumentale status
Groot onderhoud en/of cascoherstel Onderdeel 7
€ 2.000 per bouwwerk
Percentage van de kosten
Instandhouding (werkzaamheden waar het rijk 25% subsidie voor geeft) Onderdeel 6
Maximum bedrag
Inspecties
Inspecties Onderdeel 5
€ 500
Percentage van de kosten
Maximum bedrag
50%
€ 7.500 per kerk
Percentage van de kosten
Maximum bedrag
Karakteristieke panden
Groot onderhoud en/of cascoherstel van het 50% exterieur voor panden met de aanduiding karakteristiek 1
€ 7.500
Groot onderhoud en/of cascoherstel van het 50% exterieur voor panden met de aanduiding karakteristiek 2 / karakteristiek
€ 2.000
91
Onderdeel On derdeel 8
Unieke objecten Percentage van de kosten
Instandhouding en / of versterken van unieke 50% objecten
Maximum bedrag € 15.000
3.
Voor de volgende kosten geeft de gemeente subsidie: a. GM, Kerken, Karakteristieke panden en kleine initiatieven in BSD: het gaat hier om kosten voor de concrete uitvoering (materiaal en arbeid). b. Gemeentelijk monument, onderdeel dijklichaam. Het gaat hier om kosten voor: • plaatselijk herstel voor het instandhouden van het dijklichaam; • het toepassen van voorzieningen die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van het dijklichaam zoals walbeschoeiingen e.d.; • het toepassen van maatregelen die leiden tot een verbetering van de biodiversiteit en beleving van het dijklichaam; • het herstellen van het profiel van de dijk ter plaatse van de bestaande toegangen tot een perceel; • het toepassen van dammen voor de toegankelijkheid van agrarische percelen, waardoor het aantal toegangen tot het perceel via het dijklichaam vermindert kunnen worden. c. Inspecties: het geldt hier alleen voor een eerste bouwkundige inspectie uitgevoerd door de Monumentenwacht Fryslân of andere onafhankelijke instantie, bij panden of objecten die de status van gemeentelijk monument of rijksmonument hebben of als het een (voormalig) kerkgebouw betreft. 4. Bouwhistorisch onderzoek mits uitgevoerd door een bouwhistoricus, volgens de Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek, lezen en analyseren van cultuurhistorisch erfgoed, door L. Hendriks en J. van der Hoeve, 2009. 5.
Het instandhouden en/of versterken van de erfgoedwaarden van (onderdelen van) unieke objecten. 6. Als de aanvrager de btw kan terug krijgen, wordt over dat deel geen subsidie gegeven. 7. Als de aanvrager een deel van de kosten terug krijgt door een verzekering, wordt over dat deel geen subsidie gegeven. Artikel 7.1.6 Aanvullende Aan vullende weigeringsgronden Het college kan besluiten geheel of deels geen subsidie te verlenen als: 1. Het Rijk geen subsidie heeft gegeven voor molens voor de periode uit het Besluit Rijkssubsidiëring Instandhouding Monumenten 2013 (BRIM). 2. De aanvrager geen eigenaar is van het bouwwerk waarvoor subsidie wordt gevraagd. Dit geldt niet als de aanvraag zich richt op een klein initiatief in een BSD. 3. Het om een bouwwerk gaat die van een overheidsinstantie is. 4. Het om een bouwwerk gaat die al op een andere manier door de gemeente wordt geholpen. 5. Het bedrag voor de GM minder is dan € 250. 6. Het om een kerk gaat die vanwege haar rijksmonumentenstatus van de rijksdienst al subsidie krijgt voor één of meerdere onderdelen.
Paragraaf 7.2 Open Monumentendag Artikel 7.2.1 Begripsbepalingen a. Monument: een gebouw in de gemeente die volgens de Erfgoedverordening of Erfgoedwet een monument is. b. Open Monumentendag: een (landelijke) dag of weekend waarop monumenten voor het publiek gratis open zijn. c. Eigenaar: de eigenaar van een monument. d. Overkoepelende organisatie: een stichting, vereniging en/of dorpsbelangen, die de organisatie van de Open Monumentendag in een dorp of stad uitvoert. Artikel 7.2.2 Welke activiteiten Het college verleent eenmalig subsidie aan een eigenaar of overkoepelende organisatie. Het moet hierbij gaan om activiteiten in de gemeente rondom de lokale Open Monumentendag. Denk aan: 1. Promotie. 2. Een vernieuwend programma of weergave van monument(en). 3. Het aantrekken van bepaalde doelgroepen, zoals jongeren of gezinnen. 4. Samenwerken met andere organisaties of evenementen. Artikel 7.2.3 Voorwaarden Voor het ontvangen van een subsidie geldt dat: 1. bezoekers het monument/de monumenten gratis mogen bekijken; 92
2. 3. 4. 5.
de activiteiten helpen bij het vergroten van de belangstelling, waardering en betrokkenheid bij monumenten; de activiteit volgens het college een aanvulling is op de normale activiteiten van de aanvrager; een aanvrager per jaar maximaal 1 keer subsidie kan krijgen; een dorp of stad per jaar maximaal 5 keer subsidie kan krijgen.
Artikel 7.2.4 Inleverdatum aanvraag De aanvraag moet uiterlijk 15 juli zijn ingeleverd in het jaar waarin de activiteit wordt uitgevoerd. Artikel 7.2.5 Budget Voor het jaar 2021 is het budget € 8.500. Artikel 7.2.6 Verdeling 1. De aanvragen die de gemeente als eerste krijgt, worden ook als eerste behandeld. 2. De subsidie voor overkoepelende organisaties is maximaal 70% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 1.500 per aanvraag. 3. De subsidie voor eigenaren is maximaal € 300 per aanvraag. 4. Voor de volgende kosten wordt geen subsidie gegeven: de aanschaf van apparatuur zoals (vervanging van) machines, computers, beamers, touchscreens, gereedschap etc.). Artikel 7.2.7 Aanvullende weigeringsgronden 1. Het college kan besluiten geen subsidie te verlenen als het bedrag per dorp of stad meer dan € 1.500 is. 2. Het college kan besluiten geen subsidie te verlenen aan eigenaren als een overkoepelende organisatie in diezelfde plaats hiervoor subsidie krijgt.
93
Colofon
Foto voorblad Kerk Hieslum copyright Jeroen de Haan Foto Hieronymus, copyright RAAP advies- en onderzoeksbureau voor archeologische monumentenzorg en cultuurhistorie Pagina 7 Foto IJzertijd boerderij, copyright Jouke Nijman Afbeelding de Hang Laaksum, copyright Jeroen de Haan Afbeelding Klooster Thabor, via beeldbank SWF (http://swfpubliek.hosting.deventit.net/) Pagina 8 Foto wegwijzer, via beeldbank SWF (http://swfpubliek.hosting.deventit.net/) Pagina 9 en 10 Paragraaf 2.2 Cultureel erfgoed in de Omgevingswet: Bron: https://aandeslagmetdeomgevingswet.nl/thema/erfgoed/ verandert/, 23/11/2020 en https://www.omgevingsweb.nl/nieuws/handhaving-onder-de-omgevingswet, 24/11/2020)) Pagina 10 Foto Pijpaarde beeldje, copyright Tonnie Siemonsma Pagina 11 Foto skutsjesilen, copyright Jeroen de Haan Pagina 12 Foto sluis Molkwerum, copyright Auke Bult Pagina 13 Foto Boerderij It Heidenskip, copyright Jeroen de Haan Foto kerkhof Workum, copyright Jeroen de Haan Pagina 14 Afbeelding Grutte Pier, Fries Museum Leeuwarden| Collectie Koninklijk Fries genootschap Bladzijde 16 Foto Historisch centrum de Tiid, copyright Tonnie Siemonsma Bladzijde 17 Foto Scharnier in situ, copyright pdf-grafie Bladzijde 18 Blokhuis Stavoren, copyright Jeroen de Haan Bladzijde 19 Foto Noard 55, via website www.workum.nl Bladzijde 23 Afbeelding groene menukaart via www.degroenemenukaart.nl Afbeelding helm Grutte
Pier, copyright Jeroen Punt Subnota 5 Tekening zeefmodel, Jade Architecten Visual Kerkenhelpdesk, Buro Hak Foto kerk Hieslum, copyright Jeroen de Haan Bijlage 4 Foto muntschat Bolsward, copyright Gilbert Hofstra
94