CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 9 - Toelichting Buitengebied Súdwest - Fryslan I

Raadsvergadering 28 september 2023, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: Bestimmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân I’34.683 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Het vooronderzoek wordt afgesloten als uit de beoordeling van de rapportage blijkt dat de waarde van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld. Vervolgens wordt namelijk besloten of voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden verbonden (opgraven, begeleiden en/of planaanpassing) of dat het plangebied archeologisch wordt vrijgegeven ten behoeve van de werkzaamheden.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

72

Figuur 7: Uitsnede van de FAMKE: archeologische (verwachtings)waarden steentijd – bronstijd (bron: Provinsje Fryslân)

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

73

Figuur 8: Uitsnede van de FAMKE: archeologische (verwachtings)waarden ijzertijd – middeleeuwen (bron: Provinsje Fryslân)

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

74

Voor de gebieden in een archeologische verwachtingszone (Waarde - Archeologie 2) zijn de vrijstellingsgrenzen ruimer en speelt mogelijk archeologisch onderzoek bij ingrepen vanaf 500 m2. Wanneer sprake is van bodemverstorende ingrepen dieper dan 40 cm, afhankelijk van de omvang van de ingreep, dan is archeologisch onderzoek nodig: Voor zover het plangebied op de hiernavolgende figuren is aangegeven als ‘karterend onderzoek 1’ dan moet een karterend onderzoek worden uitgevoerd indien er ingrepen zijn voorzien van een oppervlak van meer dan 500 m². Voor zover het plangebied op de hiernavolgende figuren is aangegeven als ‘karterend onderzoek 2’ dan moet een karterend onderzoek worden uitgevoerd indien er ingrepen zijn voorzien van een oppervlak van meer dan 2.500 m². Voor zover het plangebied op de hiernavolgende figuren is aangegeven als ‘karterend onderzoek 3’ dan moet een karterend onderzoek worden uitgevoerd indien er ingrepen zijn voorzien van een oppervlak van meer dan 5.000 m². FAMKE en de archeologische verdiepingsslag De gemeentelijke FAMKE is geen statische kaart. Uitgevoerde archeologische onderzoeken kunnen namelijk nieuwe informatie opleveren voor de kaart. Daarom dienen op grond van de Erfgoedverordening (2021) de archeologische onderzoeken die nog niet zijn verwerkt op de FAMKE ook meegewogen te worden bij de uitwerking en toepassing van het archeologiebeleid.

Voorwaarde hiervoor is wel dat de archeologische onderzoeken uitgevoerd moeten zijn door gecertificeerde bedrijven. Concreet betekent dat dat bij de toetsing aan het beleid altijd wordt gekeken of er nog meer gegevens beschikbaar zijn naast de FAMKE om tot een weloverwegen specifiek advies te komen bij ruimtelijke plannen. Er loopt momenteel een archeologische verdiepingsslag voor de gemeente SúdwestFryslân. Er zijn nog een aantal aanvullende keuzes te maken, waardoor op basis van de geactualiseerde kaart er duidelijker keuzes kunnen worden gemaakt. Hierdoor kunnen er op gemeentelijk niveau specifiekere beleidsadviezen aan de kaart worden gekoppeld dan nu het geval is. Op basis hiervan worden procedures rond ruimtelijke ordening bespoedigd en wordt onnodig onderzoek voorkomen. Aangezien deze verdiepingsslag nog niet is afgerond, is de kaart nog niet geïntegreerd in de FAMKE. Waterbodems De FAMKE houdt nog geen rekening met de archeologische waarden in waterbodems. Dit is echter wel wettelijk verplicht op basis van de Erfgoedwet (2016). Daarom wordt voor het IJsselmeer en de Waddenzee een archeologische waarde (Waarde - Archeologie 1) gehanteerd voor waterbodems. Hierbij wordt een vergunningsplicht gehanteerd voor ingrepen vanaf 50 m2. Wel geldt er altijd een meldingsplicht voor werkzaamheden in en op de bodem ongeacht de grootte van de ingreep.

In en op de bodem van het IJsselmeer bevinden zich namelijk nog diverse wrakken van schepen en vliegtuigen of andersoortige vindplaatsen als oerbossen en verdronken nederzettingen.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

75

Voor de binnenwateren geldt een lagere trefkans en hier wordt gewerkt met een Waarde-archeologie 2 regime (verwachtingswaarde). Want ook in de bodem kunnen nog waardevolle resten aanwezig zijn, denk hierbij aan wrakken, oude dijken en verdronken nederzettingen. Deze zijn overigens nog niet aangegeven op de plankaart, ook omdat men nog bezig is met de inventarisatie ervan. Tevens is een weergave van de puntlocaties niet wenselijk in verband met schatduiken. Overigens worden grachten, sloten en kanalen onder landbodems gerekend. Zij worden niet tot waterbodems gerekend vanwege de aanname dat activiteiten als baggeren en stroming eventuele archeologische onderwaterresten in de bovenste bodemlaag al hebben opgeruimd. Op een dieper niveau zouden eventuele archeologische resten nog wel aanwezig kunnen zijn. Archeologie en agrarisch gebruik In principe is normaal agrarisch gebruik altijd mogelijk, op voorwaarde dat men in principe de bodem niet meer dan 40 cm verstoord. De aanleg van drainage in agrarische percelen bij de archeologische verwachtingsgebieden (Waardearcheologie 2) is niet vergunningsplichtig. De gemeente is van mening dat zo een normaal landbouwkundig gebruik zich verhoudt tot het voldoende beschermen van verwachte archeologische waarden. Bij gebieden met archeologische waarde blijft dit natuurlijk wel vergunningsplichtig.

Sleufloze drainage wel is altijd mogelijk zonder vergunning. In de gebieden met archeologische waarde zijn ingrepen tot 50 m2 ongeacht de diepte zonder vergunning mogelijk (indien dit verder bestemmingsplantechnisch niet op bezwaren stuit). In het bestemmingsplan in reeds in de planregels opgenomen dat als kan worden aangetoond zonder archeologisch rapport, dat de grond dusdanig verstoord is dat er geen sprake meer (is) van archeologische verwachtingswaarden. Zo wordt bijvoorbeeld voorgeschreven dat indien er naar oordeel van het bevoegd gezag voldoende is aangetoond zonder archeologisch rapport dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden aangetast en/of dat er geen sprake (meer) is van archeologische waarden (bijvoorbeeld een saneringsrapport), er geen belemmering van de bedrijfsvoering aan de orde is. Oftewel vanuit agrarisch oogpunt is er nog steeds veel mogelijk, ondanks de archeologische dubbelbestemming. Terpen Vanaf de midden ijzertijd, tussen 500 – 250 v. Chr. – ontstonden er in het kleigebied terpen. Dit zijn verhoogde woonpodia, een door de mens opgeworpen heuveltje waarop het huis werd gebouwd. Deze terpen moesten beschutting bieden tegen (periodieke) overstromingen. De relatief lange periode van economische voorspoed in het terpenlandschap van het kleigebied heeft ook gevolgen gehad voor de aangrenzende veenrandzone.

Daarmee wordt het gebied bedoeld ten zuiden van de zeearmen de Marne en de Middelzee en de daarvan zuidelijk gelegen lijn tussen Abbega – Sneek – Raerd. Lang zal het veengebied extensief zijn benut. Daarbij kunnen we denken aan het winnen van turf, begrazing of de kap van broekbossen. Vanaf de late-ijzertijd wordt dit gebied steeds intensiever gebruikt en legde men ook

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

76

in dit gebied terpen aan. Om dit mogelijk te maken werd er een boerderij gebouwd op een verhoogd podium dat was aangelegd van veenplaggen. Door zakken van het veen werden dergelijke huispodia soms na verloop van tijd opgehoogd met kleiplaggen, terwijl zich op het podium ook mestlagen vormden. Het gehele pakket aan lagen wordt aangeduid als een veenterp, oftewel een opgehoogde huisplaats in een veenlandschap. Vanaf 1840 werd op grote schaal terpen afgegraven. De terpaarde kon via het vaarwegennetwerk naar andere gebieden worden getransporteerd. Doordat de terpaarde heel vruchtbaar was, kon het in andere gebieden gebruikt worden ter verrijking van de grond. Het hoogtepunt van de terpafgravingen lag in het begin van de 20ste eeuw. De kruiwagens waren toen vervangen door kiepkarren op rails waardoor het proces versneld werd. Door de terpafgravingen zijn veel terpen blijvend vernield. Naar schatting is zo’n 60 procent van de terpgronden in de 19e en de 20ste eeuw verdwenen door afgraving. De terpen binnen dit plangebied zijn beschermd doordat er een dubbelbestemming Waarde Archeologie-1 is opgenomen. Boerderijplaatsen Boerderijplaatsen verschaffen ons, omdat zij de kern vormden van de toenmalige agrarische samenleving, kennis over de bewoningsgeschiedenis en over de ontwikkeling van het cultuurlandschap op lokaal, regionaal en provinciaal niveau.

Boerderijplaatsen zijn zeer kenmerkend voor het landschapsbeeld van de provincie. Een deel hiervan met nog bestaande bebouwing is beschermd middels een aanduiding ‘monument’ of ‘karakteristiek’. Boerderijplaatsen vormen, zeker in de gemeente Súdwest-Fryslân, een veelzijdige en problematische categorie terreinen archeologisch gezien, ze zijn dan ook nog niet opgenomen op de FAMKE. Er zijn nog geen éénduidige beleidsadviezen te formuleren. Hiervoor dient eerst in het kader van de verdiepingsslag aanvullend onderzoek te worden verricht. Wel zijn ze opgenomen op de CHK. Voor een deel zijn ze al archeologisch beschermd, omdat het deels verhoogde huisplaatsen oftewel terpen betreffen, die wel in de FAMKE zijn opgenomen. Kloosters De oudste kloosters komen uit het begin van de twaalfde eeuw. De kloosters hadden uithoven (kloosterboerderijen) en dependances in steden. Daarnaast waren er ruim 200 parochiekerken. De Friezen konden nog geen vijf kilometer lopen zonder abdij, priorij, uithof of pastorie te passeren. Om een klooster te stichten of als monnik in een klooster te leven moest je rijk zijn. De grootste en beroemdste abdijen en kloosters zijn dan ook vooral in het welvarende kleigebied gesticht, vlakbij de zee of zeearmen.

Met klooster bedoelen we het hele kloosterterrein: het ommuurde en vaak omgrachte kloosterterrein en de kloostergebouwen, zoals een kerk, ziekenafdeling, gastenzalen, onderwijszalen, boerderij en andere bedrijfsgebouwen.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

77

Kloosters waren vooral religieuze instellingen, maar daarnaast waren ze ook economisch en politiek actief. Hierdoor hadden ze invloed op bijna het gehele dagelijks leven. Vanuit de kloosters werden vaak de ontginningen en mogelijk ook de bedijkingen georganiseerd. Zij konden namelijk eenvoudig en goedkoop de zilte en minderwaardige gronden in bezit krijgen. Deze konden ze door goede ontwateringtechnieken vrij snel omzetten in productiegronden. Tijdens de Reformatie in 1580 nam de provincie de kloosterbezittingen in beslag. Dit was naar schatting 20 procent van het cultuurgrond in Friesland. De grote kloostergebouwen werden gesloopt, en het puin werd gebruikt bijvoorbeeld om de zeedijken mee te versterken, Het voormalige grondbezit van de kloosters werd gebruikt voor het onderhouden van de kerken en weeshuizen. Hierdoor is er in de gemeente Súdwest-Fryslân, op de ruïne van de Broerekerk in Bolsward na, geen kloostergebouw bewaard gebleven. De kloosterterreinen zijn soms nog herkenbaar aan het aanwezige reliëf en/of de terreinbegrenzing in de vorm van sloten(patronen), maar vooral de bodem bevat nog archeologische informatie over de verdwenen kloosterglorie. De categorie kloosters is verwerkt op de CHK en in de Landschapsbiografie. Ze zijn beschermd in dit bestemmingsplan middels een dubbelbestemming Waarde – Cultuurhistorie: Stinzen, States, Buitenplaatsen en Kloosters.

Stinzen, states en buitenplaatsen Het Friese woord stins betekent steenhuis. Stinzen zijn verstevigde huizen. In Fryslân ontbrak tot 1500 een centraal bestuur en een landsheer. Belangentegenstellingen en conflicten konden dan ook vaak slechts door eigenrichting en geweld worden opgelost. In de 12de en 13de eeuw braken tussen de grootgrondbezittende aanzienlijken in hun zoeken naar machtsposities onderlinge vetes uit. De hoofdelingen bouwden om lijf en goed te beschermen grofweg vanaf halverwege de 12de eeuw stinzen, torenvormige gebouwen die verdedigd konden worden. De stinsterreinen bestonden vaak uit twee, door een brug met elkaar verbonden, omgrachte percelen, één met de stinstoren op de kunstmatige verhoging en één met een woning, doorgaans een boerderij. Al in de 13de eeuw, maar op grotere schaal in de 14de en 15de eeuw werden de stinzen, behalve voor verdediging, ook voor permanente bewoning gebruikt. Om ze voor bewoning geschikt te maken werden de oude torens uitgebreid of nieuwe ruimer opgetrokken. Rond 1500 kwam met de komst van een centraal gezag onder Albrecht van Saksen een einde aan de strijd en de onderlinge oorlogen van de hoofdelingen en een einde aan de functie van de stins. Ze verloren hun verdedigende betekenis. Een aantal werd als boerderij aan de kloosters geschonken en deze werden uithoven van de monastieke gemeenschap.

De meeste werden (onderdeel van) een comfortabele adelswoning, een state. Voor de state, een comfortabele adelswoning, werden de terreinen van de stinzen gebruikt en de bestaande gebouwen uitgebreid met nieuwe vleugels, torentjes en representatieve toegangspoorten boven de gracht. Behalve een ‘modernisering’ van de bestaande huizen werden er in de 16de eeuw ook geheel

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

78

nieuwe adellijke panden en landhuizen opgetrokken, die dus geen verleden als stins hadden. De states hebben, behalve de uitstraling van het gebouw zelf, ook dikwijls een duidelijk zichtbaar voornaam terrein omgeven door een gracht. Er bevinden zich doorgaans meerdere bijgebouwen, zoals een koetshuis of een oranjerie op het terrein en een aangelegde formele tuin en entree. Het complex geeft vaak de indruk van een landschapspark waarin huis en tuin een ondeelbaar geheel vormen. Er kwamen in de tweede helft van de 16de en het begin van de 17de eeuw in het plangebied vele states tot stand, van states met het karakter van een kasteel tot states die op deftige boerderijen leken, want vaak was een state gecombineerd met een boerenbedrijf. De latere opvolgers worden buitenplaatsen, landgoederen, genoemd. In de 18de en 19de eeuw zijn de meeste states ‘op afbraak verkocht’. Een nieuw stelsel van vererving belette de eigenaars om de kostbare gebouwen blijvend te kunnen onderhouden. Op de meeste, meestal omgrachte, terreinen werden boerderijen gesticht die meestal de naam van de state behielden. In het plangebied bevinden zich vele states en stinzen, waarvan de locaties vastgesteld zijn aan de hand van de CHK. Ook waar later geen boerderij tot stand is gekomen, zijn de stateterreinen soms nog in het landschap zichtbaar en herkenbaar.

Ook de categorie stinzen, states en buitenplaatsen is nog niet goed verwerkt op de FAMKE, maar wel op de CHK en de Landschapsbiografie. Ze zijn beschermd middels een dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie Stinzen, Staten, Buitenplaatsen en Kloosters’. Tweede wereldoorlog relicten Op veel plaatsen in de Nederlandse ondergrond en waterbodem bevinden zich nog structuren en objecten uit de Tweede Wereldoorlog (WO II). In deze gemeente betreft het verdedigingswerken zoals kazematten, bunkers, vliegtuigwrakken en niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers), raketten, mijnen, granaten en munitie. De hoofdverdediging werd in Fryslân gevormd door de Stelling van Kornwerderzand aan te leggen met aan de oostzijde – op het vaste land – de Wonsstelling. De in 1932-1936 gebouwde Stelling van Kornwerderzand ligt buiten het plangebied en was een voor die tijd modern en gedegen uitgevoerd verdedigingswerk met in totaal 17 kazematten in twee linies. De eerste linie lag ten westen van de schutsluizen en de tweede linie ten westen van de spuisluizen. In de meidagen van 1940 werd de Wonsstelling door de Duitsers veroverd. De Wonsstelling bestond uit een 8 km lange verdedigingslijn en liep van Zurich in het noorden, via Gooium, Haaijum en Wons naar Makkum. De linie was verdeeld in drie vakken, namelijk vak Zurich, vak Wons en vak Makkum. Voor de stelling waren stukken land onder water gezet.

De stelling zelf bestond uit eenvoudige veldversterkingen, gebouwd van hout en aarde. Van de Wonsstelling is niets meer zichtbaar. Gedurende WOII zijn meer dan 5000 vliegtuigen neergeschoten/neergestort. Veel van deze vliegtuigwrakken zijn al tijdens de WO II door de Duitsers geruimd. Andere wrakken werden tijdens en na de oorlog door boeren en schroothandelaren opgegraven. Tot 1996 was het toegestaan om zelf opgravingen te doen, als de eigenaar van de grond dat goed vond. Er liggen meerdere vliegtuigwrakken op de bodem van het IJsselmeer binnen onze gemeentegrenzen, van de meeste is de

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

79

exacte locatie en identificatie nog niet bekend. Op geïdentificeerde vliegtuigwrakken is het verboden te duiken in de zin van zijnde een oorlogsgraf. Voor waterbodembodemingrepen geldt standaard een meldingsplicht bij de gemeente. Hetzelfde gaat voor de (toevals)vondsten van sporen en objecten in de bodem. Het gebied van de Wonssteling kent archeologische verwachtingswaarden en is beschermd middels een dubbelbestemming Waarde-archeologie 2.

5.4.3

Cultuurhistorie

Algemeen In 2019 heeft de gemeente Súdwest-Fryslân (samen met de gemeente De Fryske Marren, provincie Fryslân en de stichting Mar en Klif) in 2019 een Landschapsbiografie van de Friese Súdwesthoeke laten opstellen. Vrijwel heel Súdwest-Fryslân maakt deel uit van het Nationaal Landschap Zuidwest-Friesland. Dit gebied wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid aan landschapstypen, waaronder het stuwwallenlandschap in Gaasterland, de IJsselmeerkust van Makkum tot Lemmer, de kleizone met de wel bekende terpen en het veengebied van de Friese Meren. Ieder landschapstype kent een eigen ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische elementen die van grote waarde zijn voor de beleving van het landschap in de Súdwesthoeke. De waardevolle cultuurhistorische elementen in het buitengebied en het Nationale Landschap zijn op regionaal niveau geïnventariseerd en in kaart gebracht in de landschapsbiografie. Deze vormt een aanvulling op de reeds bestaande Cultuurhistorische kaart van Fryslân en sluit aan bij de door de provincie Fryslân uitgegeven “Wordingsgeschiedenis van Fryslân” en Grutsk op ‘e Romte. Hiermee is de feitelijke basis gelegd voor het ruimtelijk beleid en het “beter vertellen” van de historie van de Súdwesthoeke.

Voor wat betreft met name het gebouwde erfgoed: in het hoofdlijnenakkoord 20182022 is aangegeven dat er gekozen is om een inventarisatie van het cultureel erfgoed in de kernen en het buitengebied per deelgebied uit te laten voeren. Op basis van deze inventarisatie kunnen in het bestemmingsplan karakteristieke panden en andersoortige objecten worden aangewezen. Analyse In het kader van de nieuwe wetgeving is met het opstellen van dit bestemmingsplan veel aandacht geschonken aan het goed borgen van de cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan. De ontstaansgeschiedenis is beschreven in hoofdstuk 2. Er zijn meerdere onderzoeken verricht waarbij de cultuurhistorische waarden in het gebied zo goed mogelijk in kaart gebracht. De bestaande cultuurhistorische inventarisaties op landelijk en provinciaal niveau bieden hier een goede basis voor. Daarnaast is een verdiepingsslag op lokaal niveau gepleegd. Hieronder worden de vijf onderzoeken toegelicht. Onderzoeken

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

80

4. Historisch- geografisch onderzoek Ten eerste heeft een historisch-geografisch onderzoek plaatsgevonden. Bij het historische geografisch onderzoek zijn de (breed geaccepteerde) wetenschappelijke waarderingscriteria – zeldzaamheid, kenmerkendheid, gaafheid, ensemblewaarde – toegepast. De beoordeling is uiteengezet in drie niveaus, namelijk gemiddeld, hoog en zeer hoog. Wanneer alle drie de criteria zijn gewaardeerd, zijn deze scores cumulatief en zonder wegingsfactor opgeteld tot een totaalscore. Daarna is teruggerekend naar een eindwaardering. Verdwenen elementen zijn niet meegenomen in deze wetenschappelijke waardering. (Bijlage 3) Hieronder volgen de waarderingen van de in dit bestemmingsplan verwerkte categorieën. Stuwwallen Bij Koudum, Hemelum, Scharl en Roode Klif zijn de overblijfselen van de ijstijd nog in het landschap te zien in de vorm van opgestuwde keileemlagen. De overgebleven stuwwallen zijn gaaf bewaard gebleven. De kenmerkendheid van de stuwwallen in het landschap is zeer hoog en doordat ze in Nederland in hoge mate zeldzaam zijn, krijgen de stuwwallen een aardkundige waarde van ‘zeer hoog’. Getijdegeulen en oeverwallen Van het kwelderlandschap zijn als eerste de voormalige getijdengeulen van de Marneslenk en Middelzee aardkundig waardevol met een waarde van ‘zeer hoog’.

Ondanks dat er nog enkele van deze (voormalige) zeeboezems in het noorden van Nederland zijn, bijvoorbeeld het Lauwersmar in Fryslân en de Dollard in Groningen, hebben ze een zeer hoge zeldzaamheid. Daarnaast liggen beide voormalige zeeboezems nog gaaf in het landschap en hebben ze een zeer hoge ensemblewaarde met de omliggende kwelder- en oeverwallen en de voormalige Zuiderzee- en Waddenkust. De kenmerkendheid van beide zeeboezems is binnen de opdrachtbegrenzing echter gemiddeld, omdat beiden door hun landgebruik en door hun onregelmatige verkaveling niet op voorhand van het omliggende zeekleigebied kunnen worden onderscheiden. Meeroevers Bij de ingepolderde meren in het veengebied krijgen de voormalige meeroevers, die bij enkele van de voormalige meren nog aanwezig zijn, een aardkundige waardering van ‘zeer hoog’. Terpen Binnen de begrenzing van het plangebied zijn nog tientallen zichtbare terpen terug te vinden. Al deze terpen krijgen een historisch-geografische waardering van ‘zeer hoog’ vanwege hun zeer hoge kenmerkende hoogteverschil met het natuurlijke landschap, ensemblewaarde met de kwelderwallen en landelijke zeldzaamheid. Binnen de terpen zijn echter grote verschillen in gaafheid, doordat ze vanaf de 19de eeuw weer zijn afgegraven.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

81

Kruinige percelen Binnen het plangebied komen in het noorden op lichte zavelgronden zogenaamde ‘kruinige percelen’ of ‘bolle akkers’ voor. Dit zijn percelen waarbij door middel van een bepaalde ploegtechniek doelbewust grond van de rand van de percelen naar het midden werd verplaatst, waardoor de percelen bol kwamen te liggen en minder last hadden van opbollend grondwater. Op Friese schaal zijn de kruinige percelen zeldzaam. Op landelijke schaal is dit helemaal het geval. De kenmerkendheid heeft daarnaast ook een zeer hoge waarde, want bij de kruinige percelen is de bolling van het perceel vaak nog goed te zien. Door latere egalisatie in het kader van ruilverkavelingen schijnen wel veel kruinige percelen te zijn verdwenen, maar door het ontbreken van een ‘nulmeting’ is dit niet in perspectief te plaatsen. De gaafheid wordt daarom bij de historisch-geografische waardering achterwege gelaten. Als laatste is de ensemblewaarde met de natuurlijke ondergrond van het kwelderlandschap tevens zeer hoog. Ondanks het uitblijven van een waarde voor gaafheid krijgen de kruinige percelen over het geheel een ‘zeer hoge’ historischgeografische waardering. Afgetichelde kleiwinningspercelen Op veel plaatsen in Westergo werd klei gewonnen voor de fabricage van bakstenen en dakpannen. De afgetichelde percelen zijn op sommige nog herkenbaar in het landschap.

De afgravingen hebben een zeer hoge kenmerkendheid, doordat de percelen werden afgegraven tot een diepte van 50-100 cm, terwijl de verkaveling veelal in tact bleef. Wanneer ze niet zijn volgestort, hebben ze tevens een hoge gaafheid, maar dat is niet altijd meer het geval. De ensemblewaarde met het onderliggende kleilandschap is tevens nog aanwezig. Ze hebben daardoor een ‘hoge’ historisch-geografische waarde. Polders en dijken Moederpolders De moederpolder Hartwerd-Witmarsum was één van de vier moederpolders in Fryslân en lag precies op de scheiding van de Marneslenkboezem en de Middelzeeboezem en werd bijna volledig door water omgeven. Van de oorspronkelijke 23,6 km bedijking is in het plangebied nog steeds 16,5 km in het wegenpatroon herkenbaar. Hiervan heeft 7,5 km daadwerkelijk nog een verhoogd dijktraject. Ongeveer 2 km is geheel verdwenen. Deze bedijking behoort tot de oudste doorgaande bedijkingen in Nederland en is daarmee behoorlijk zeldzaam. Er kan gesproken worden van een hoge gaafheid, zeker wat betreft de ouderdom van de dijk. De kenmerkendheid is echter gemiddeld, omdat het dijkpatroon nooit bovenmaats hoog is opgeworpen en tegenwoordig nog maar 7,5 km telt. De ensemblewaarde met de voormalige Marneslenk en de Middelzee is – ondanks de inpoldering van beide zeeboezems – nog steeds aanwezig.

De bedijking van de moederpolder krijgt daarmee een historisch-geografische waardering van ‘hoog’. Van de verkaveling ligt meer dan 70% op de oorspronkelijke plek. Daarom krijgt ook de verkaveling van de moederpolder een historisch-geografische waarde van ‘hoog’.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

82

Hempolders Beschermd door de Middelzeedijken in het noorden en de nieuwe dijken in het zuiden ontstonden – langs de voormalige begrenzing van de Marneslenk en de Middelzee – een reeks afzonderlijke binnenpolders, die ook wel de Hempolders worden genoemd. De gemeente Súdwest-Fryslân heeft negen van de tien Hempolders binnen haar grondgebied liggen. Alleen Rauwerderhem valt er gedeeltelijk buiten. Binnen het plangebied vallen geheel of gedeeltelijk Schraarderhem, Exmorrahem, Eemswouderhem, Arkumerhem, Riperahem, Scherwolderhem, Scherhem en Rauwerderhem. De meeste hemdijken zijn nog terug te vinden in het landschap en zijn voornamelijk in gebruik als weg. Maar liefst 86% van de 92 km aan hemdijken ligt binnen de gemeentegrens. De zeldzaamheid is dan ook zeer hoog, net als de kenmerkendheid van deze kronkelende dijken. Daarvan ligt weer 41 km binnen de opdrachtbegrenzing. Van de 41 km is 11 km verdwenen, waardoor de gaafheid niet de maximale score krijgt. De ensemblewaarde met het Lage Midden is nog steeds aanwezig, ondanks dat de binnendijken geen waterkerende functie meer hebben. De historisch-geografische waarde komt voor de hemdijken – met name door de zeldzaamheid en kenmerkendheid – uit op ‘zeer hoog’. De onregelmatige blokverkaveling heeft daarnaast dezelfde zeldzaamheid en kenmerkendheid en is vaak nog goed aanwezig.

Alleen bij de Schraarderhem is bijna de helft van de oorspronkelijke verkaveling verdwenen. Deze krijgt daardoor de historisch-geografische waarde van ‘hoog’. De overige hempolderverkavelingen, die binnen het plangebied vallen, hebben meer dan 75% van hun oorspronkelijke verkaveling behouden en krijgen een historisch-geografische waardering van ‘zeer hoog’. Pingjumer Gulden Halsband en Middelzeedijk Voor de beveiliging van de gebieden ten zuiden van de Marneslenk waren de bewoners al in de 11de eeuw overgegaan tot de aanleg van een onregelmatig gevormde ringdijk, de zogeheten Pingjumer Gulden Halsband, die in vier fasen werd aangelegd. Van de Pingjumer Gulden Halsband is van de oorspronkelijke 13,5 km dijk nog 11 km herkenbaar aanwezig, waarvan een groot gedeelte tevens nog steeds dijktracé is. Dat maakt dat de dijk een hoge gaafheid kent en voor grote delen nog kenmerkend in het landschap aanwezig is. Tevens is de ensemblewaarde met de voormalige Marneslenk en Zuiderzee nog aanwezig, al dan niet in de ondergrond. De zeldzaamheid van een dergelijke oude ringdijk complementeert de historisch-geografische waarde van ‘zeer hoog’. De Middelzeedijk is de enige dijk binnen het plangebied die bij de inpoldering van de Middelzee betrokken is geweest. Ondanks dat het tracé nog goed te herkennen is in de geasfalteerde weg, is het dijklichaam behoorlijk afgevlakt en niet meer kenmerkend.

De ensemblewaarde met de Middelzee is alleen nog in de ondergrond aanwezig. Daarom krijgt de Middelzeedijk – ondanks een zeer hoge zeldzaamheid – een historisch-geografische waardering van ‘zeer hoog’. In de verkaveling is het verschil tussen het oude en het nieuwe land tevens nog goed te zien; het is qua verkavelingsvorm grilliger van patroon. Het nieuwe land is in ruime blokken ingedeeld en is voor een groot deel onbebouwd. Dit geldt echter

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

83

voornamelijk voor de gronden van de voormalige Middelzee en in mindere mate voor de gronden in de voormalige Marneslenk. Daar kwam een kenmerkende, onregelmatige blokverkaveling voor. Van deze verkaveling is 40% echter verdwenen sinds 1900, waardoor de gaafheid gemiddeld is. Daarom krijgt deze kenmerkende verkaveling een historisch-geografische waarde van ‘hoog’ De zeer kenmerkende blokverkaveling van de Middelzee valt grotendeels buiten de gemeentegrens. Uitzondering hierop is de blokverkaveling ten noorden van Sneek en IJsbrechtum. Daar is nog 15 km van de oorspronkelijke 17 km aanwezig. De ensemblewaarde met de ingepolderde Middelzee is hoog, maar dan alleen in de ondergrond. Mede door de hoge zeldzaamheid krijgt de blokverkaveling dan ook een ‘zeer hoge’ historisch-geografische waardering. Zee- en slaperdijken Vanaf de 12de eeuw – wanneer de Zuiderzee ontstond – is de kustlijn verschillende malen naar het oosten verplaatst. Alhoewel de zeedijken op zichzelf versterkt werden, werd ook besloten om twee slaperdijken aan te leggen, namelijk de Koudumer Slaperdijk en de Zuriger Slaperdijk. De Nieuwe Zeedijk werd 44 km lang, waarvan slechts 1 km is verdwenen. Daarmee heeft het een uitzonderlijke hoge gaafheid. Door buitendijkse inpolderingen is de ensemblewaarde met het buitendijkse water echter lager geworden.

Kenmerkendheid en zeldzaamheid blijven echter zeer hoog, waardoor de dijk een ‘zeer hoge’ historisch-geografische waarde heeft. Dat geldt tevens voor de beide slaperdijken, die weliswaar een hogere ensemblewaarde krijgen, maar dan weer iets minder zeldzaam zijn. Waterwegen In het plangebied liggen verschillende typen vaarwegen, zoals dorpsvaarten, opvaarten naar boerderijen, trekvaarten en dergelijke. Tot ver in de 19de eeuw vormden waterwegen de belangrijkste transportroutes op het grondgebied van de gemeente Súdwest-Fryslân. Het land beschikte van nature al over een dicht netwerk van geulen, prielen en kreken. Naast een strijd tegen het zeewater heeft men in Westergo voortdurend geworsteld met de binnenwaterhuishouding. In de periode van vóór de bedijkingen was er sprake van een goede natuurlijke afwatering. Om de afwatering te verbeteren werden talloze vaarten gegraven en natuurlijke waterlopen aangepast. Deze oudste vaarten waren gebaseerd op de bochtige kreken en geulen, heel anders dan de rechte vaarten die in ene latere periode werden aangelegd. Binnen het plangebied is in deze periode voor ongeveer 200 km aan vaarten gegraven. Hiervan zijn bijna alle vaarten nog steeds aanwezig, al dan niet inhoudelijk aangepast door de eeuwen heen, waardoor een zeer hoge gaafheid naar voren komt. Ze krijgen een historisch-geografische waarde van ‘zeer hoog’.

Veenontginningen Binnen het plangebied zijn de randen van drie grote veenontginningsgebieden te herkennen, namelijk één ten zuidoosten van Workum, één ten noordoosten van Workum en één ten zuiden van Sneek. Binnen het plangebied zal in de drie ontginningsblokken ongeveer tussen de 750 km en 1000 km aan veenontginningsloten zijn geweest. Hiervan is tegenwoordig van 103 km nog met

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

84

zekerheid te zeggen dat deze tot de oorspronkelijke veenontginningsloten hebben behoord. De gaafheid is daarmee niet bijzonder hoog, maar de zeldzaamheid – vooral binnen het klei-op-veengebied – wel. De lange strokenverkaveling is daarnaast zeer kenmerkend en de ensemblewaarde met het veen in de ondergrond hoog. De oorspronkelijke veenontginningsloten krijgen dan ook een historischgeografische waarde van ‘zeer hoog’. Datzelfde geldt voor de hoofdafwateringsloten, maar dan met het verschil dat deze een lagere zeldzaamheid hebben, waardoor deze een historisch-geografische waardering van ‘hoog’ krijgen. Inpolderingen en droogmakerijen Behalve dat er op bepaalde plekken hele gedeelten van de kust werden weggeslagen, kon er ook aanslibbing voorkomen. De aanslibbing van de zee-inham tussen Hindeloopen en Workum was in het midden van de 16de eeuw zover gevorderd dat plannen voor de indijking van de ‘ynbochte’ werden gemaakt. De inpoldering van het Workumer Nieuwland kwam in 1621 tot stand. De ensemblewaarde met de polderwegen, de bedijking en het buitendijkse water is nog grotendeels aanwezig. De verkaveling in het Workumer Nieuwland heeft daardoor een ‘zeer hoge’ historisch-geografische waarde. In 1620 werden de eerste Friese meren drooggemalen; de Staverense meren. De ontginningstructuur binnen de droogmakerijen wordt vaak gekenmerkt door de grootschalige en rationele verkaveling.

Binnen de Noorder- en Zuidermeerpolder en Fallingabuurtster en Aaltjemeerpolder komt deze gedeeltelijk voor. De ontginningswegen zijn namelijk wel rationeel aangelegd, maar de verkaveling daarbinnen slechts gedeeltelijk. Bij de Noordermeerpolder is daarnaast een groot gedeelte van de verkaveling verdwenen, waardoor de historisch-geografische waardering ‘gemiddeld’ uitvalt. De polderwegen zijn echter nog wel grotendeels aanwezig. Bij de Zuidermeerpolder valt dit precies andersom uit: de verkaveling is relatief gaaf aanwezig, maar de wegen zijn grotendeels verdwenen. De verkaveling van de Zuidermeerpolder krijgt dan ook een ‘hoge’ historisch-geografische waardering. Datzelfde geldt voor de Fallingabuurster- en Aaltjemeerpolder. Deze krijgt – op de polderwegen na – ook een ‘hoge’ historisch-geografische waardering. De Makkumer-, Parregaaster- en Workumermeerpolders (19de eeuw) liggen door hun geringe omvang liggen ze relatief onopvallend in het landschap verborgen. Daarnaast hebben de kleinere droogmakerijen een geringe diepte. Doordat in de meeste gevallen ook nog eens een ringdijk en ringsloot ontbrak, zijn de kleine polders alleen nog te herkennen aan een lichte daling in het landschap. Hierdoor lijkt het erop dat het merenlandschap van het Lage Midden haast op een organische manier werd omgezet in een polderlandschap.

De meeste polders hebben dan ook een lage tot gemiddelde waarde voor kenmerkendheid. Daarnaast zijn ze door de veelheid aan ingepolderde Friese meren tevens beperkt zeldzaam. De ensemblewaarde met het veen- en klei-op-veenlandschap van het Lage Midden is daarentegen nog zeer goed bewaard gebleven. Over het algemeen hebben de polders uit de tweede inpolderingsfase daarom een ‘hoge’ waardering.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

85

Uitzonderingen daarop zijn de Makkumermeerpolder, waarbij de oorspronkelijke verkaveling nog zeer goed intact is gebleven en daardoor een ‘zeer hoge’ historischgeografische waardering krijgt, de polderwegen van de Workumermeer- en Parregaastermeerpolder, die ook allebei een ‘zeer hoge’ waardering krijgen. De verkaveling in de kleinere meerpolders hebben daarentegen een zodanig lage kenmerkendheid dat deze een ‘gemiddelde’ historisch-geografische waarde hebben. Met de aanleg van de Afsluitdijk in 1932 was er tevens opnieuw sprake van landaanwas langs de westkust. Stukken land voor de kust kwamen door de peilverlaging droog te liggen en werden omkaad, zoals de huidige Polder Geele Strand (het zuidelijke deel in 1941/1942 en het noordelijke deel in 1948) en de Makkumer Waard. De verkaveling van de Polder Geele Strand is zeer kenmerkend door de rationele kavels en heeft nog een bijzonder gaafheid, doordat het nog relatief jong is. De verkaveling heeft dan ook een ‘zeer hoge’ historisch-geografische waarde. De verkaveling van de Makkumer Waard is het tegenovergestelde, doordat een kenmerkende verkaveling ontbreekt en krijgt daardoor een ‘gemiddelde’ historisch-geografische waarde.

Eendenkooien Het waterrijke, dunbevolkte gebied van het Lage Midden leende zich bij uitstek voor het aanleggen van eendenkooien, waarmee met een waterplas en in grote vangpijpen eenden werden gelokt en gevangen. Binnen het plangebied hebben maar liefst 14 eendenkooien gelegen. Tegenwoordig zijn er daar nog drie van over. In geheel Fryslân zijn er nog ongeveer 20, wat ze dus een hoge zeldzaamheid geeft. Ze zijn te herkennen aan de hoog opgaande kooibossen rondom de kooiplassen en vormen een markant element in het open landschap. Alle drie de eendenkooien hebben deze kenmerkendheid nog en liggen er daardoor ook nog gaaf bij. Tevens is bij alle drie nog de – relatieve – rust van het uitgestrekte landschap aanwezig om de ensemblewaarde compleet te maken. Alle drie de eendenkooien krijgen daarom een historisch-geografische waarde van ‘zeer hoog’. Regeling in dit bestemmingsplan De categorieën stuwwallen, meeroevers, terpen, kruinige en afgetichelde percelen zijn beschermd in dit bestemmingsplan middels een dubbelbestemming ‘Waarde – Reliëf. Terpen worden beschermd middels een dubbelbestemming ‘WaardeArcheologie 1’. De moeder- en hempolders, veenontginningen, droogmakerijen en inpolderingen zijn (indirect) beschermd door bescherming van de verkavelingsstructuren middels een dubbelbestemming Waarde-Landschap verkaveling.

Indien van toepassing zijn de dijken binnen deze ensembles beschermd middel een dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorisch waardevolle lijnen. Dit geldt ook voor de oeverwallen, waar tevens nog voor een deel (indirect) bescherming plaats vindt middels de dubbelbestemming Waarde-Relief, vanwege de kruinige percelen. De eendenkooien zijn voorzien van een aanduiding in de bestemming natuur. 2. Onderzoek naar karakteristieke bebouwing

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

86

Tevens heeft onderzoek naar karakteristieke bebouwing in het plangebied plaatsgevonden. Dit zijn in dit plangebied veelal karakteristieke boerderijen, arbeiderswoningen en waterstaatkundige werken zoals bruggen. Alle waardevolle bouwwerken zoals deze gelegen zijn in het plangebied zijn geïnventariseerd en gewaardeerd. In totaal zijn circa 250 bouwwerken beoordeeld op de stedenbouwkundige, architectonische, cultuurhistorische en streekhistorische waarde en van een puntenaantal voorzien. De in totaal 25 karakteristieke bouwwerken die tijdens het onderzoek 19 punten of meer hebben gekregen en daardoor binnen de categorie K1 vallen, zijn beoordeeld als het meest waardevol. Deze bouwwerken vertegenwoordigen een zodanige monumentale waarde dat het exterieur van deze bouwwerken in stand gehouden moet worden. Om sloop tegen te gaan is hier een sloopvergunningstelsel aangekoppeld. De 121 karakteristieke bouwwerken die tijdens het onderzoek 15 tot 19 punten gekregen vallen binnen de categorie K2. Deze panden vertegenwoordigen een zodanige waarde, dat het van belang is om met name de hoofdvorm van het bouwwerk in stand te houden. Deze karakteristieke bebouwing is op de verbeelding aangeduid als “karakteristiek” en in de planregels van een specifieke regeling voorzien. 3.

Onderzoek Historische verkaveling De gemeente Súdwest-Fryslân is rijk aan waardevolle historische verkavelingsstructuren. Om tot een waardering op hoofdlijnen te komen van de belangrijkste historische verkavelingsstructuren binnen het grondgebied van de gemeente is de wetenschappelijke waarderingsmethodiek op basis van de criteria kenmerkendheid, gaafheid, ensemblewaarde, zeldzaamheid en ouderdom toegepast. De beoordeling is uiteengezet in vier niveaus, namelijk laag, gemiddeld, hoog en zeer hoog. Wanneer alle vier criteria gewaardeerd zijn, worden deze scores opgeteld tot een totaalscore. Daarna zijn ze teruggerekend naar een eindwaardering.(Bijlage 3) Op basis van de waardering wordt geconcludeerd dat in vergelijking met andere gebieden in Fryslân en Nederland de gemeente een zeer groot aantal goed bewaarde historische verkavelingsstructuren kent. Omdat vrijwel alle perceelsgrenzen in dit gebied uit sloten bestaan, is de historische verkaveling sterk in het landschap verankerd en overal nog goed af te lezen. Dat maakt vrijwel het gehele grondgebied van de gemeente tot een cultuurhistorisch waardevol gebied.

De schade die de naoorlogse ruilverkavelingen aan deze structuren hebben opgeleverd lijken in Súdwest-Fryslân relatief beperkt te zijn, de leesbaarheid van het historische cultuurlandschap is nog altijd zeer goed, hoewel er ook hier zeer veel sloten verdwenen zijn in de afgelopen eeuw. Ook in vergelijking met andere Friese gemeenten kan de historische verkaveling er bijzonder worden genoemd, zeker wanneer het gaat om structuren zoals de moederpolders, de Marneslenk en de Middelzee. Vooral de grote diversiteit aan landschaps- en verkavelingstypen maakt het cultuurlandschap van Súdwest-Fryslân uniek en van hoge waarde. Nergens anders in Fryslân vind je op zo’n korte afstand van elkaar zo veel verschillende landschapstypen. De historische verkaveling is in vrijwel de gehele gemeente van hoge waarde. Er is een aantal structuren dat eruit springt en een zeer hoge

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

87

waardering kent. Dat zijn de moederpolders, de oude zeepolders van de Marneslenk en Middelzee, verschillende droogmakerijen en een tweetal veenontginningsblokken. Alle hoog en zeer hoog gewaardeerde verkavelingsblokken zijn beschermd middels een dubbelbestemming Waarde-landschap verkaveling. Dit wel met de mogelijkheid in de regels om per omgevingsvergunningsaanvraag maatwerk te gaan leveren. Dus de afweging te maken in hoeverre de verkavelingsstructuur door de ingreep daadwerkelijk zal worden aangetast op basis van de waardering van zowel de verkavelingssystemen als de afzonderlijke waarderingen van de sloten zelf in de Landschapsbiografie. Als in die zin de ingreep niet voor significante cultuurhistorische teloorgang gaat zorgen, dan is dus ook geen omgevingsvergunning dit voor specifieke werk benodigd.

Figuur 9: Verkavelingstypen (bron: cultuurland)

4. Onderzoek Historische paden en wegen Het Friese buitengebied kent vele oude paden, die vaak dwars door de landerijen lopen. Ze werden gebruikt voor allerlei doeleinden, bijvoorbeeld om naar de (klooster)kerk te gaan of om hooi te halen. Verkeer over land heeft zich tot halverwege de 19de eeuw beperkt tot wegen over dijken, jaagpaden en de hoger gelegen kwelderwallen. De wegen gelegen op het oorspronkelijke maaiveld waren grote delen van het jaar onbegaanbaar omdat het te drassig was. Halverwege de 19de eeuw werd echter de kwaliteit van de bestaande landwegen sterk verbeterd en nieuwe verharde wegen aangelegd. Naast de landwegen kwam er eind 19de eeuw

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

88

een nieuwe manier van vervoer over land toen de spoor- en tramwegen werden aangelegd. De tramwegen zijn inmiddels allemaal verdwenen. In de afgelopen eeuw zijn veel historische wegen verloren gegaan. Veel paden die nog wel (gedeeltelijk) aanwezig zijn lopen nu dood, zijn ontoegankelijk of worden slecht onderhouden, waardoor ze dreigen te verdwijnen. Daarmee gaan niet alleen eeuwenoude verhalen verloren, maar wordt ook het platteland steeds minder toegankelijk voor voetgangers. Ze worden in het plangebied niet automatisch als perceelsgrens behouden zoals in de zandgebieden, omdat in Súdwest-Fryslân vrijwel alle perceelscheidingen door sloten worden gevormd. Bovendien dreigt ook de streekgebonden identiteit die veel mensen voelen verloren te gaan. Oude paden en wegen vertellen veel over het landschap waarin ze gelegen zijn en vormen een waardevolle bron aan informatie voor historisch-geografen. Ze maken bovendien onderdeel uit van het collectieve geheugen van de inwoners van een gebied. Om cultuurhistorisch waardevolle paden en wegen beter te kunnen beschermen is er een onderzoek uitgevoerd naar de historische paden en wegen (opgesplitst in hooiwegen, algemene voetpaden, specifieke jaag-, klooster- en kerkenpaden, opritten, wegen op/langs historische dijken, ontginningsassen en algemene wegen) binnen onze gemeente.

Om tot een waardering op hoofdlijnen te komen van de historische wegen binnen het grondgebied van de gemeente is de wetenschappelijke waarderingsmethodiek op basis van de criteria kenmerkendheid, gaafheid, ensemblewaarde, zeldzaamheid en ouderdom toegepast. De beoordeling is uiteengezet in vier niveaus, namelijk laag, gemiddeld, hoog en zeer hoog. Wanneer alle vier criteria gewaardeerd zijn, worden deze scores opgeteld tot een totaalscore. Daarna zijn ze teruggerekend naar een eindwaardering.(Bijlage 4) Alle hoog en zeer hoog gewaardeerde historische paden en wegen zijn beschermd middels een dubbelbestemming Waarde-cultuurhistorisch waardevolle lijnen. 5. Overig aanvullend onderzoek Tot slot is een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar overige categorieën die niet binnen beide vorengenoemde onderzoeken vielen. Hierbij gaat het onder andere om molenbiotopen. Ook zijn de rijks- en gemeentelijke monumenten in kaart gebracht. In het plangebied liggen 28 rijksmonumenten, waaronder 19 molens, en 14 gemeentelijke monumenten. Conclusie Het betreft hier een herziening van de bestaande conserverende bestemmingsplannen. Aanwezige en verwachte cultuurhistorische en archeologische waarden worden wanneer nodig beschermd door middel van een dubbelbestemming en/of een aanduiding. Het bestemmingsplan is vanuit cultuurhistorisch oogpunt dan ook uitvoerbaar. Nadere onderzoeken zijn niet nodig.

Element

Bestemming

Bescherming

Archeologisch waardevolle gebieden (inclusief terpen)

dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’.

vergunningenstelsel en onderzoeksplicht voor bodemingrepen vanaf

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

89

50m² en dieper dan 40cm. Archeologisch gebieden met verwachtingswaarden

dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’.

vergunningenstelsel en onderzoeksplicht voor bodemingrepen vanaf de advieszone van de gemeentelijke FAMKE en dieper dan 40cm.

Stuwwallen, meeroevers, kruinige en afgetichelde percelen

dubbelbestemming ‘Waarde – Reliëf’

vergunningenstelsel voor het diepploegen, egaliseren, afgraven, afschuiven en/of ophogen van gronden, het dempen en/of graven van sloten en het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transportleidingen e.d..

Stinzen, states, buitenplaatsen en kloosters

Dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie stinzen, states, buitenplaatsen en kloosters’

Vergunningstelsel en onderzoeksplicht voor bodemingrepen vanaf 50m² en dieper dan 40cm

Dijken

Dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie waardevolle lijnen’

Vergunningstelsel voor het diepploegen, egaliseren, afgraven, afschuiven en/of ophogen van gronden, het dempen en/of graven van sloten en het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transportleidingen e.d.

Historische paden en (vaar)wegen

Dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie waardevolle lijnen’

Vergunningstelsel voor het diepploegen, egaliseren, afgraven, afschuiven en/of ophogen van gronden, het dempen en/of graven van sloten en het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transportleidingen e.d.

Strekdammen en kapglooiingen

Dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie waardevolle lijnen’

Vergunningstelsel voor het diepploegen, egaliseren, afgraven, afschuiven en/of ophogen van gronden, het dempen

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

90

en/of graven van sloten en het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transportleidingen e.d. Verkaveling

Dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap verkaveling’

Vergunningstelsel voor het diepploegen, egaliseren, afgraven, afschuiven en/of ophogen van gronden, het dempen en/of graven van sloten en het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transportleidingen e.d.

Eendenkooien

Mee bestemd in de bestemming ‘Natuur’ met nadere aanduiding ‘eendenkooi

Vergunningstelsel gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de natuurwaarden.

Molens

Bestemming ‘Bedrijf Nutsvoorziening’

In de bestemmingsomschrijving is opgenomen dat op de percelen waar een molen staat alleen een molen is toegestaan.

Karakteristieke bebouwing

Aanduiding ‘karakteristiek’

Vergunningenstelsel gekoppeld aan bouw- en sloopregels.

In alle gevallen, ongeacht de grootte van de bodemingreep, blijft de archeologische meldingsplicht van toevalsvondsten van kracht (art. 5.10, lid 1 Erfgoedwet). Concreet houdt dit in dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten worden aangetroffen waarvan de vinder redelijkerwijs moet kunnen weten dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag. Dit is de gemeente Súdwest-Fryslân. 5.5 Duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied mogelijk is, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

91

Met dit bestemmingsplan wordt niet voorzien in nieuwe ontwikkelingen. De ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing op dit plangebied. Wanneer nieuwe ontwikkelingen binnen het plangebied later plaatsvinden, vindt daarvoor specifiek een toetsing aan de ladder plaats.

5.6

Ecologie

5.6.1 Wet- en regelgeving Bij elk ruimtelijk plan moet er rekening worden gehouden met beschermingswaardige natuurwaarden. Hiertoe is er regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. De wet bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden met de Europese Vogel- en habitatrichtlijn. Er zijn een tweetal type natuurgebieden die door de Wet natuurbescherming worden beschermd. Dit zijn de Wetlands en de Natura 2000-gebieden. Verder vormt de Wet natuurbescherming de basis voor het nationale Natuurbeleidsplan waarin het Natuurnetwerk Nederland in is verwerkt. Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Voorheen stond het Natuurnetwerk Nederland bekend als de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en is uitgewerkt in het Streekplan Fryslân. Soortenbescherming De bescherming van soorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. De wet is gericht op de bescherming, instandhouding en het behoud van plant- en diersoorten in het wild en hun directe leefomgeving.

Het uitgangspunt is dat schadelijke activiteiten in beginsel niet zijn toegestaan, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Dat is het zogenaamde “Nee, tenzij-principe” en is in de wet opgenomen als een algemeen verbod op schadelijke effecten voor plant- en diersoorten, de zorgplicht. De zorgplicht geldt voor iedere beschermde soort die is opgenomen in de Vogel- en Habitatrichtlijn of opgenomen in de lijst van Nationale Soorten (onderdeel A en B, bijlage Wet natuurbescherming). Om een ontheffing te krijgen van de zorgplicht, moet er worden aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de goede staat van instandhouding van de soort. De voorwaarden voor het verkrijgen van een ontheffing zijn daarnaast afhankelijk van het beschermingsregime van de soort. In de Wet natuurbescherming is er een driedeling gemaakt in het beschermingsregime voor soorten. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 Wet natuurbescherming). Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels, zoals opgenomen in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

92

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 Wet natuurbescherming). Het gaat om de soorten genoemd in Bijlage IV, onderdeel a van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de verdragen van Bern en Bonn worden ook vogelsoorten genoemd. Beschermingsregime Andere Soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming). Alle soorten genoemd in onderdelen A en B van de bijlage van de Wet natuurbescherming. De soorten genoemd onder punt 3 vallen onder een lager beschermingsregime dan een soorten genoemd onder punt 1 en 2. In principe geldt voor alle beschermde soorten een ontheffingsplicht, ook voor de algemenere Andere Soorten. De Wet natuurbescherming biedt provincies de mogelijkheid om een vrijstellingsbesluit op te stellen. In dit besluit staat onder andere voor welke soorten een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Voor vogels geldt een aanvullend beschermingsregime, waarbij extra regels kunnen worden gesteld voor bijvoorbeeld jaarrond beschermde nesten. Naar verwachting blijft de bescherming van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten gelijk onder de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten geldt dat er meestal geen ontheffing wordt verleend.

5.6.2 Gebiedsbescherming In de nabijheid van Offingawier bevindt zich het Sneekermeer. Dit gebied is onderdeel van de Natuurnetwerk Nederland en zijn Natura 2000-gebieden. Overige Natura 2000 gebieden bevinden zich op een dusdanige afstand van het plangebied (>3 km) dat effecten op deze gebieden zijn uit te sluiten. Rondom en in het plangebied zijn ook meerdere natuurgebieden (EHS, overige natuur en natuur buiten de EHS) aanwezig. In paragraaf 3.2.3 (Verordening Romte) staat het beleid ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland, de ganzenfoerageergebieden en de weidevogelleefgebieden opgenomen. In de volgende figuren staan de contouren van de Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) en de ganzenfoerageer en weidevogelleefgebieden weergeven.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

93

Figuur 10 Contouren Natura 2000-gebieden rondom het plangebied

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

94

Figuur 11 Natuur Netwerk Nederland (bron: Provincie Fryslân)

Figuur 12 Ganzenfoerageer- en weidevogelleefgebied (bron: Provincie Fryslân)

Effecten Het bestemmingsplan betreft een plan dat vooral een nieuwe actuele regeling biedt voor bestaande gebieden waarin geen ontwikkelingen plaatsvinden. Effecten op de Natura 2000-gebieden rondom het plangebied zijn dan ook uit te sluiten. Conclusie Vanwege het bovenstaande en het feit dat er geen nieuwe of ingrijpende ontwikkelingen worden uitgevoerd binnen of rondom een natuurgebied, wordt verwacht dat vanuit de regeling van het bestemmingsplan geen negatieve effecten plaatsvinden op de aangeduide gebieden. Nieuwe projecten of activiteiten, waarbij een mogelijk negatief effect op de natuurgebieden is, moeten worden getoetst aan de Wet natuurbescherming. 5.6.3

Soortenbescherming

In het plangebied kunnen op verschillende plaatsen beschermde soorten (waaronder vleermuizen en vogels) voorkomen. Wanneer hier sprake van is, dan vindt bescherming plaats via de Wet natuurbescherming. Ontwikkelingen leiden mogelijk tot schade aan bijvoorbeeld de verblijfplaatsen of foerageergebieden van beschermde soorten, wat leidt tot overtreding van de verbodsbepalingen van de genoemde wet. Bij toekomstige initiatieven is een onderzoek dan ook vaak noodzakelijk, afhankelijk van de werkzaamheden die hiervoor verricht worden. Effecten

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

95

In het bestemmingsplan worden geen nieuwe of ingrijpende planologische ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Het betreft immers een conserverend bestemmingsplan. Voor de mogelijk aanwezige beschermde soorten in en in nabijheid van het plangebied bestaan bovendien voldoende mogelijkheden om effecten op beschermde soorten te voorkomen of te mitigeren. Hierbij moet men denken aan het werken buiten kwetsbare perioden en het waarborgen van het functionele leefgebied van de soort. Vanwege de ruime mogelijkheden om effecten op mogelijk aanwezige beschermde soorten te voorkomen of mitigeren en het slechts lokale karakter van mogelijk toekomstige ontwikkelingen, worden negatieve effecten worden. Conclusie De herziening van het bestemmingsplan wordt niet belemmerd op basis van ecologie. Mocht sprake zijn van ontwikkelingen, dan moet per ontwikkeling en de daaraan gekoppelde werkzaamheden bepaald worden in hoeverre een ecologisch onderzoek nodig is. Dat heeft geen gevolgen voor dit bestemmingsplan. 5.7

Externe veiligheid

5.7.1

Algemeen toetsingskader

Het beleid voor externe veiligheid gaat om het verminderen en beheersen van risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en bij het transport er van. Op grond van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee brengen, het gaat hierbij bijvoorbeeld om LPG-tankstations en opslagplaatsen van gevaarlijke stoffen. Hiernaast zijn de (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen aangemerkt als risicobron. Voor hogedruk aardgastransportleidingen is er het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en voor het transport over wegen en vaarwegen zijn er de Wet basisnet (voor de Rijksinfrastructuur) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), waarin de regels voor ruimtelijke ordening rondom het Basisnet zijn vastgelegd. Het beleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Bij het aspect externe veiligheid worden hiertoe het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt, de zogenaamde PR 10-6. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geldt hierbij als indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt

Buitengebied Súdwest-Fryslân-I

96

afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico voor het toelaten van gevoelige functies. Die verantwoordingsplicht is opgenomen in het Bevi, Bevb en Bevt. De verantwoording houdt in dat in bepaalde gevallen planologische keuzes moeten worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. Onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico is het advies van de Brandweer inzake de bestrijding van brand en rampen bij calamiteiten, over vluchtroutes en de beschikbaarheid van bluswater. Bij de beoordeling van het groepsrisico (GR) moet nagegaan worden of (een deel van) het plangebied binnen de 1%-letaliteitszone van een buisleiding ligt. Wanneer hiervan sprake is, kan berekend worden of het groepsrisico lager is dan 10% van de oriëntatiewaarde en of de toename van het groepsrisico ten gevolge van het besluit minder is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Dan volstaat een beperkte verantwoording. Hierin wordt alleen gekeken naar de hoogte van het groepsrisico, de personendichtheid, de bestrijding van een ramp en zelfredzaamheid van mensen. Ligt een (deel van het) plangebied binnen een 100% letaliteitszone en/of is er een hoger groepsrisico zoals hiervoor genoemd, dan is een volledige verantwoording noodzakelijk.

Hierbij moet ook worden gekeken naar maatregelen om het groepsrisico te verminderen, andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR (een alternatieve planologische keuze) en de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het GR in de nabije toekomst. Verder is er nog het Activiteitenbesluit milieubeheer en de daarbij behorende regeling, waarin algemene regels staan voor verschillende milieubelastende activiteiten en de veiligheidsafstanden waaraan voldaan moet worden. Voorbeelden hiervan zijn gasdruk meet- en regelstations en propaantanks. 5.7.2 Toetsing Risicovolle inrichtingen In en in de omgeving van het plangebied zijn (nog in te vullen) risicovolle inrichtingen die mogelijke risico’s kunnen opleveren voor het plangebied. Transportroutes gevaarlijke stoffen In en in de directe omgeving van het plangebied zijn (nog in te vullen) transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Buisleidingen In en in de directe omgeving van het plangebied liggen meerdere (ondergrondse) hogedruk aardgastransportleidingen. De volgende leidingen liggen in of direct bij het plangebied:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13085745/2