CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8 - Bijlage bij regels BGB-II - Beschermde en gemeentelijke gezichten

Raadsvergadering 28 september 2023, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Bestimmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân II’10.802 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Beschermd gezicht Goënga

Beschermd gezicht Heeg

Bijlage 2: Beschermd dorpsgezicht

Beschermd gezicht Lytsewierrum

BESCHERMDE STADS- EN DORPSGEZICHTEN INGEVOLGE ARTIKEL 35 VAN DE MONUMENTENWET 1988

LUTKEWIERUM, gemeente Littenseradiel

Aanvulling op de toelichting bij het besluit tot aanwijzing van Lutkewierum als beschermd dorpsgezicht o CM IS

^

Ftesuttaat gevoerd overleg

° v CM'

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 35 (voorheen 20) van de Monumentenwet zijn de raad van de gemeente Littenseradiel, Gedeputeerde Staten van Friesland, de Rijksplanologische Commissie en de Raad voor het Cultuurbeheer gehoord over het voorstel Lutkewierum aan te wijzen als beschermd dorpsgezicht. De genoemde instanties hebben alle positief geadviseerd met betrekking tot de voorgenomen aanwijzing. In verband daarmee zijn in de begrenzing van het aangewezen dorpsgezicht en in de toelichtende tekst geen wijzigingen aangebracht ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel.

ERRATUM In verband met de inwerkingtreding van de Monumentenwet 1988 per 1 januari 1989 dient in de plaats van "artikel 20 van de Monumentenwet" gelezen te worden: "artikel 35 van de Monumentenwet 1988". De verwijzing "artikel 37, lid 8 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening" dient vervangen te worden door "artikel 36, eerste lid, van de Monumentenwet 1988".

B E S C H E R M D E S T A D S - EN DORPSGEZICHTEN INGEVOLGE ARTIKEL 2 0 V A N DE M O N U M E N T E N W E T

LUTKEWIERUM

gemeente Littenseradiel Toelichting bij het besluit tot aanwijzing van Lutkewierum als beschermd dorpsgezicht.

Het beschermde dorpsgezicht omvat het op bijgevoegde kaart (Rijksdienst voor de Monumentenzorg, tekeningnummer 234) door een stippellijn omgrensde gebied. Publikatie van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Juli 1988.

Inleiding Het dorp Lutkewierum is gelegen in de gemeente Littenseradiel op een afstand van circa zeven kilometer ten noordwesten van Sneek. De nederzetting is ontstaan als een agrarische vestiging in onbedijkt kweldergebied en ontwikkelt zich onder invloed van periodieke overstromingen in de loop der tijd tot een verhoogde woonplaats of terp. Na de bedijking van het eiland van Oosterend, in de 10de eeuw, blijven terp en terpstructuur intact al is dit door de verbeterde bewoningsomstandigheden in principe niet noodzakelijk meer. De ruimtelijk-historische ontwikkeling van Lutkewierum is nog duidelijk herkenbaar aanwezig in de opbouw van het dorp. De ruimtelijke structuur wordt in hoofdzaak bepaald door de centraal op de terp gelegen kerk met daaromheen een ringvormig pad, een zogenaamde rondgang, waarop in zuidelijke en zuidoostelijke richting een deels radiale verkaveling met een terzijde van de kerk gelegen bebouwing aansluit. Deze structuur heeft vermoedelijk reeds lang bestaan en als basis voor de ruimtelijke ontwikkeling gediend. Typerend voor Lutkewierum zijn daarnaast de ligging aan een insteekweg, de waterverbinding met Rien en de eenheid van bebouwing en begroeiing op de terp in contrast met het omringende open landschap.

De kenmerkende dorpsstructuur is van zodanige cultuurhistorische waarde, dat een aanwijzing van Lutkewierum als beschermd dorpsgezicht gerechtvaardigd is. Ontstaan en ontwikkeling De kust van het zuidoostelijk deel van de Noordzee vormt het verspreidingsgebied van de terpen, de door de mens opgeworpen woonheuvels uit de periode dat het land nog niet door dijken wordt beschermd. Door het zeewater wordt vanaf circa 2 7 0 0 voor Christus zand en klei afgezet op de bestaande pleistocene ondergrond. Vanaf de Bronstijd treedt echter een vertraging in de zeeniveaustijging op waardoor sindsdien perioden van min of meer permanente overstroming worden afgewisseld door perioden waarin het gebied grotendeels droog ligt. Met het droogvallen van het gebied worden de kweldergronden in principe bewoonbaar voor de mens. In de 6de a 5de eeuw voor Christus wordt een deel van de inmiddels bewoonde gronden verlaten vanwege de verslechterde bewoningsomstandigheden als gevolg van toegenomen wateroverlast; andere nederzettingen worden door de bewoners opgehoogd door middel van mest en kwelderzoden. De op deze wijze ontstane woonheu-

2

vels worden terpen genoemd. In samenhang met het afwisselend optreden van perioden met veelvuldige overstromingen en perioden met een relatief geringe zee-invloed zijn tot circa 1100 na Christus een groot aantal terpen ontstaan en gegroeid. De vorming en ophoging van terpen komt ten einde wanneer men zich tegen het water leert beschermen door het opwerpen van dijken (10de eeuw) en in de 13de eeuw een aaneengesloten stelsel van zeedijken realiseert. In de eeuwen voor de bedijking bestaat Westergo, waarin Lutkewierum is gelegen, uit een kwelderlandschap doorsneden met zee-armen en kreken. Rond 8 0 0 na Christus ontstaat uit een van de geulen de Middelzee. Doordat steeds meer land verloren gaat, reikt de Middelzee uiteindelijk tot aan Bolsward en ontstaat nog een geul direct ten oosten van het huidige Lutkewierum. Na enige tijd vindt echter in de Middelzee weer opslibbing plaats en verlandt de zeeboezem. Het wordt nu mogelijk dijken op te werpen en zo komen de oudste bedijkingen in de eerste helft van de 10de eeuw tot stand. Deze vroege bedijkingen betreffen reeds bewoonde gebieden die als op zichzelf staande zeepolders moeten worden beschouwd. Een dergelijk 'bedijkingseiland' is het eiland van Oosterend dat aan drie zijden door brede geulen is omgeven. Het is een van de oudste inpolderingen van West-Europa. Deze polder

bestaat uit een gebied waarin een aantal terpen ligt en waarin later de nederzettingen Oosterend, Itens, Rien, Lutkewierum en Hidaard voorkomen, alsmede een aantal buurtschappen. Het opwerpen van afzonderlijke ringdijken gaat aan de totstandkoming van een geheel Westergo omvattende zeewering vooraf. Op de dijken van het eiland van Oosterend en andere kernpolders als Hartwerd-Hichtum en Tzum sluiten later aangelegde dijken aan. Ze verbinden de verschillende polders onderling, bijvoorbeeld de polder rondom Tzum met die van Oosterend door middel van de Slagtedijk. Om te voorkomen dat tijdens hoogwaterstanden het buitenwater de kernpolder binnendringt, brengt men in de dijk rondom het eiland Oosterend tenminste drie zijlen (sluizen) aan, namelijk bij Sanlean, Hidaard en Rien. Door middel van dergelijke sluisjes kan men in de afvoer van het het overtollig water uit het ingepolderde gebied voorzien. Lutkewierum is waarschijnlijk als agrarische nederzetting ontstaan, met een of meer boerderijen op de terp gesitueerd. Over de oudste ruimtelijke ontwikkeling van het dorp ontbreken gegevens, zoals archeologische, waardoor de ontwikkeling slechts in algemene lijnen kan worden geschetst. Op grond van de structuur op de terp valt iets te zeggen over de ontstaansperiode van

de nederzetting. Verhoogde w o o n plaatsen waarop een gehucht, dorp of stad is ontstaan, kunnen aan de hand van plattegrondkenmerken in drie hoofdtypen worden onderverdeeld. Op grond van archeologisch onderzoek in andere terpen bestaan aanwijzingen dat deze woonheuvels zijn gevormd door het aaneengroeien van dicht bijeen gelegen oorspronkelijk eenhuizige terpen. Mogelijk is de terp van Lutkewierum ontstaan uit enkele van zulke aan een agrarisch bedrijf plaatsbiedende woonheuveltjes.

so CM

10

CD

CM

Het eerste hoofdtype wordt gevormd door terpen met een radiale verkaveling die zich in sommige gevallen uitstrekt tot in het veld rondom de terp. Vermoedelijk had zo'n terp in het centrum op de kruin een open ruimte, waarop later meestal de kerk werd gebouwd. Bij dit ideaaltype liggen de boerderijen straalsgewijs om deze centrale ruimte met het woongedeelte en de stal op de flank van de terp met de achterzijde naar een ringweg gericht. Terpen met een radiale verkaveling kennen in het algemeen een bewoningscontinui'teit sinds de Romeinse Tijd en behoren tot de oudste dorpsterpen. De terpen die door de agrarische blokvormige verkaveling een meer vierkante of rechthoekige indeling van het terrein hebben gekregen, vormen het tweede hoofdtype. Ze zijn voor een deel een tijd onbewoond geweest en nadien opnieuw in bezit genomen. Het laatste type, de zogenaamde handelsterp, bestaat uit een lange smalle terp met een of twee dichtbebouwde in de lengterichting van de terp verlopende hoofdstraten. Dergelijke terpen zijn op zijn vroegst in de 7de of 8ste eeuw ontstaan en hebben hun agrarisch karakter grotendeels verloren ten gevolge van handelsactiviteiten. De terp van Lutkewierum lijkt qua indeling, zoals die van later kaartmateriaal bekend is op een mengvorm van radiaal en blokvormig ingedeelde terpen.

Wat betreft de structuur op de terp vormt Lutkewierum daarom een overgang tussen het eerste en het tweede hoofdtype. De radiale lijnen op de terp wijzen op een langdurige bewoningscontinuTteit, mogelijk sinds de Romeinse Tijd. Dat de terp in elk geval ruim voor de 10de eeuw is ontstaan, blijkt uit de ringdijk rond de kernpolder Oosterend, waarbinnen het dorp is gelegen. De dijk heeft in zijn trajekt bij Lutkewierum een duidelijke uitstulping, waaruit geconcludeerd mag worden dat de nederzetting ten tijde van de bedijking al bestond en het dorpsgebied binnen de bedijking moest worden getrokken (fotobijlage, afb. 4). Voor de bedijking lag het dorp nabij een zijtak van de Middelzee. Het verloop van deze slenk is nog

zichtbaar door een lage strook grond ten oosten en noorden van het dorp. Bij de onderlinge verbindingen tussen de terpnederzettingen speelden de in groten getale aanwezige watergangen de voornaamste rol. Na de bedijkingen veranderde hierin slechts weinig, hoewel de dijken meestal tevens als wegverbinding fungeerden. Op de agrarische terpen wordt gewoond, stalt men vee, vindt akkerbouw plaats en wordt drinkwater gewonnen. Het open veld rondom de terp is als hooi- en weiland in gebruik. Het belang van de terp wordt mede aangegeven door de nederzettingsnaam. Het laatste deel van de naam, wierum, betekent 'woonplaats' (hem) op een verhoogde woonplaats (wier). De toevoeging Lutke of Luttike betekent 'klein'. Of dit nu slaat op de woonheuvel dan wel op de nederzetting als geheel, is onduidelijk, wel is duidelijk dat het aan de naam is toegevoegd ter onderscheiding van het ten zuidwesten van het dorp gelegen Grotewierum. De eerste (vermoedelijke) vermelding van het dorp stamt uit 1370. M e n noemt dan de nederzetting Lettinghe, mogelijk een oude benaming van Lutkewierum. De eerste stenen kerk, gewijd aan de H. Gertrudis, wordt in de 12de eeuw gebouwd. Nadat het dorp in de periode 1 5 1 4 - 1 5 1 5 door een bende is platgebrand, duurt de herbouw van de kerk tot 1557. Het huidige nederlands hervormde kerkgebouw stamt uit dit jaar.

Tot circa 1600 vormen Hennaard, Itens en Lutkewierum een gezamenlijke gemeente. Na dat jaar is Lutkewierum een zelfstandige kerkgemeente; de bewoners van het nabijgelegen Rien - een buurt behorende onder het dorp - maken ook gebruik van de kerk. Over de ruimtelijke ontwikkeling van Lutkewierum tot de 18de eeuw is nauwelijks iets bekend, maar deze zal, gezien de omvang van het dorp ook nooit een ingrijpend karakter gehad hebben. W e l is gebleken dat de boeren van het dorp in de 16de en 17de eeuw over gaan op een kapitaalintensievere landbouw. Een teken hiervan is het opkomend gebruik van de watermolen, waarvan de eerste vermelding in 1560 op Lutkewierum betrekking heeft. Mogelijk heeft zich in deze periode ook een evolutie naar betere en van kostbaarder materiaal gebouwde boerderijen voltrokken. Aannemelijk is, dat deze ontwikkeling zich op basis van de oudere, reeds bestaande structuur heeft afgespeeld. De oudste bron die enig inzicht geeft in structuur, en omvang van het dorp is de grietenijkaart van S c h o t a nus uit 1718, het vroegste enigszins

gedetailleerde kaartmateriaal (fotobijlage, afb. 1). Op de kaart is zichtbaar hoe geisoleerd gelegen Lutkewierum is. Een enkel pad leidt naar het onder het dorp behorende buurtje Kneppelen aan de dijk. Verder kent het dorp waterverbindingen met Rien en Grotewierum via smalle opvaarten. De kerk is centraal gelegen temidden van de geringe bebouwing. Ten oosten van het dorp ligt de Groot M o l m a State, door middel van een opvaart verbonden met de nederzetting. Een in Friesland algemeen voorkomend proces na de bedijking van verplaatsing van boerderijen naar de rand van de terp en later naar het open veld, blijkt zich in Lutkewierum nauwelijks te hebben voorgedaan. Een vrijwel ontbreken van groei van het toch al zeer kleine dorpje heeft hierbij een rol gespeeld. Lutkewierum telt in de 18de eeuw, inclusief de buurten Rien, Kneppelen en Grotewierum, slechts negentien stemmende plaatsen. De ruimtelijke ontwikkeling van Lutkewierum gedurende de verdere 18de en het begin van de 19de eeuw leidt niet tot wijzigingen in de nederzettingsstructuur. Uit de eerste kaart waarop de ruimtelijke structuur gedetailleerd is weergegeven, het kadastrale minuutplan uit 1 8 2 1 / 2 2 , blijkt in vergelijking met de kaart van Schotanus uit 1718 zelfs dat er nauwelijks sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.

Plaats en omvang van de bebouwing zijn, evenals de ontsluiting, voor zover zichtbaar ongewijzigd. Om de kerk, centraal gelegen op het hoogste deel van de terp, bevindt zich een ringvormig pad, een zogenaamde rondgang. Op het zuidoostelijk en zuidelijk deel van de terp sluiten de verkaveling en de bebouwing min of meer radiaal op deze rondgang aan. Het noordelijk en noordwestelijk deel van de terp wordt direct achter de kerk begrensd door een watertje. Aan de overkant van dit vaartje ligt buiten de terp een boerderij die blijkens de kaart van Schotanus tot de de stemhebbende plaatsen behoorde. In aansluiting op de concentratie van bebouwing op de zuidelijke en zuidoostelijke kant van de terp wordt de nederzetting bereikbaar gemaakt door een pad uit zuidoostelijke richting. Ook sinds 1822 is weinig veranderd in de structurele opbouw van de nederzetting. Aan het eind van de toegangsweg over de terp naar de kerk is in de tweede helft van de 19de eeuw, bij de vervanging van een oudere boerderij door een iets noordelijker gesitueerde nieuwe pastorie, een onregelmatig gevormde open ruimte ontstaan, deels als agrarisch erf in gebruik. Ten zuiden hiervan is een grotere boerderij gelegen met in de directe omgeving enige arbeidershuisjes. De overige bebouwing is los gegroepeerd om de kerk en in

3

vergelijking met de situering van de panden op de kadastrale minuut nauwelijks verplaatst. Opmerkelijk is dat de gebouwen niet op de kerk zijn georienteerd. Ze liggen vrijwel alle met de zijkant er naar toe. Een uitzondering hierop vormt de ten noordoosten van de kerk gelegen pastorie, waarvan de voorkant nadrukkelijk op de kerk gericht is. Huidig ruimtelijk karakter en te beschermen waarden In de huidige ruimtelijke opbouw van Lutkewierum is de historische structuur van een klein agrarisch terpdorp duidelijk herkenbaar gebleven. Temidden van het open landschap van het zogenaamde 'eiland van Oosterend', een van de oudste polders van Friesland, manifesteert het dorp zich met de forse kerk, omringd door bebouwing en opgaand geboomte als een hechte structurele eenheid. De bebouwing op de lage terp, bestaande uit enige boerderijen en landarbeiderswoningen, is overwegend agrarisch van karakter en op informele wijze rondom de kerk gegroepeerd. Een hiermee samenhangende kenmerkende eigenschap van de dorpsstructuur is het ontbreken van een feitelijk stratenpatroon; de ontsluitingsweg vanaf de dijk eindigt binnen het dorp in een open ruimte terzijde van het kerkhof. In de ruimtelijke structuur van het dorp is de situatie rondom de kerk nog het duidelijkst gekenmerkt door de radiale opbouw van de terp.

Met name komt dit tot uiting in de wat hogere ligging van de kerk binnen het kerkhof en de ronde vorm van het terrein, begrensd door een haag en een pad. De ronde vorm van het kerkterrein en de hogere ligging worden aan de west- en noordzijde benadrukt doordat daar de smalle vaart als begrenzing fungeert. Vooral aan deze zijde van het dorp bestaat een waardevol evenwicht tussen de beslotenheid, mede als gevolg van de beplanting en de bebouwing aan de buitenzijde van de vaart, en de doorzichten naar het open landschap en het op circa een kilometer afstand gelegen Rien. Aan het door kerk en kerkhof gevormde cirkelvormige centrum van de verkaveling liggen radiaalgewijs enige erven op een duidelijke afstand van het ringvormige kerkpad. Slechts de kosterswoning ten zuiden van de kerk grenst met een zijgevel aan dit pad, maar heeft evenmin een directe relatie met het kerkterrein. Belangrijk in dit verband is ook de op de kerk georienteerde 19de-eeuwse pastorie ten noordoosten van het kerkhof. Een aantal huizen ten westen van de opvaart, vormt met de houten brug in de knik van deze vaart gelegen een wat afzonderlijk, maar karakteristiek

4

onderdeel van het dorpsgezicht, evenals een huizengroep ten zuidwesten van het kerkhof. De Buorren vormt een informele, ongeplaveide ruimte binnen het dorp, welke deels het karakter heeft van een erf waarbij de aanliggende boerderij en de in los verband gegroepeerde kleinschaliger panden het agrarische karakter versterken. De wat grootschaliger boerderij vormt met het tegenovergelegen kostershuis aan de weg tevens een markante overgang op het punt waar de toegangsweg op het dorp aansluit. Met name het zich versmallende gedeelte van de toegangsweg en de alom binnen het dorp aanwezige beplanting geven een grote mate van beslotenheid aan het dorpsgezicht. Het grootste deel van de dorpsbebouwing kenmerkt zich door de beperkte schaal van een bouwlaag, een over het algemeen verticaal gelede gevelindeling en afdekking door middel van een schild- of zadeldak. De woonbebouwing heeft over het algemeen een 19de-eeuws of vroeg 20ste-eeuws karakter. De zadeldaktoren en de romano-gotische kerk, welke door de centrale, hogere ligging op de terp en door de afmetingen het dorpsbeeld zeer sterk bepalen, kenmerken zich door een diversiteit in materiaalgebruik van natuursteen en verschillende formaten baksteen.

De koorsluiting van de kerk is markant gelegen in de zichtlijn van de Buorren tussen de bebouwing aan de dorpsingang en gericht op de in het verlengde van het schip gelegen open dorpsruimte. Ook binnen het oostelijk deel van het dorp komt de kerk aldus tot uiting als centraal en dominerend bijzonder element. Vanaf vrijwel alle zijden is het dorp goed vanuit het omringende open landschap waarneembaar. De relatie met de omgeving wordt nog versterkt door het beloop van de opvaart buiten het dorp, welke een directe verbinding met het nabijgelegen Rien tot stand brengt. Begrenzing van het aangewezen gebied De beschreven kenmerken van de historisch-ruimtelijke structuur van Lutkewierum, het huidige dorpsbeeld en de daarin herkenbare historische ontwikkeling van een overwegend agrarisch terpdorp rechtvaardigen een aanwijzing als beschermd dorpsgezicht ingevolge artikel 2 0 van de Monumentenwet. Deze samenhangende structuur is opgebouwd uit de terp met de kerk, omliggende bebouwing, opvaart en begroeiing. De begrenzing van het aangewezen dorpsgezicht is weergegeven op bijgevoegde kaart (Rijksdienst voor de Monumentenzorg, nummer 234).

Rechtsgevolg aanwijzing Ter effectuering van de bescherming van het aangewezen dorpsgezicht moet ingevolge artikel 3 7 , lid 8 van de W e t op de Ruimtelijke Ordening een bestemmingsplan worden ontwikkeld. De toelichting op de aanwijzing als beschermd dorpsgezicht kan daarbij wat het beschermingsbelang betreft als uitgangspunt dienen. Doel van de aanwijzing is de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied te onderkennen als zwaarwegend belang bij de verdere ontwikkelingen binnen het gebied. De aanwijzing beoogt op die wijze een basis te geven voor een ruimtelijke ontwikkeling, die inspeelt op de aanwezige kwaliteiten, daarvan gebruik maakt en daarop voortbouwt.

Geraadpleegde literatuur: Faber, J.A. Drie eeuwen Friesland: economische en sociale ontwikkelingen van 1 5 0 0 tot 1 8 0 0 . Leeuwarden, 1 9 7 3 . Hacquebord, L. 'Het noordelijk zeekleigebied' in: S . Barends, J . Renes, T. Stol, J . C . van Triest e.a. (red.). Het Nederlandse Landschap. Een historisch-geografische benadering. Utrecht, 1 9 8 6 . Halbertsma, H. Terpen tussen Vlie en Eems. Groningen, 1 9 6 3 . o ^

Rienks, K.A. en Walther, G.L Binnendiken en Slieperdiken yn FrysIan. Boalsert, 1954.

05

^ o ^ ^

Stichting Bodemkartering. Toelichting bij de Bodemkaart van Nederland, schaal 1: 50.000. Blad 10 Oost Sneek. Wageningen, 1974. Tegenwoordige Staat van Friesland. dl. 3. Leeuwarden, 1 7 8 8 . Zwaga, U. De Gertrudiskerk te Lutkewierum. Lutkewierum, 1982.

Colofon: Uitgave van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist. Historisch-geografisch onderzoek: Drs. J . J . de Haas, Breda. Stedebouwkundig onderzoek: Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist. Foto's: Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers, Apeldoorn (afb. 2); Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist (afb. 1 , 3 , 4 ) ; Topografische Dienst, Emmen (omslag). Kaart en illustratie in de tekst: Studio Ineke van der Burg, Bilthoven. Verkoopprijs f 1 0 , - . Deze publikatie is schriftelijk of telefonisch te bestellen bij het Distributiecentrum D O P Postbus 2 0 0 1 4 2 5 0 0 EA 's-Gravenhage. Telefoon: 0 7 0 - 7 8 9 8 8 0 . Onder vermelding van bestelnummer of ISBN 9 0 3 4 6 1476 X . Druk: Staatsdrukkerij, 's-Gravenhage.

5

Fotobijlage

A f b . 1. B. Schotanus a Sterringa, Uitbeeldinge van de heerlijkheit Friesland, 1970 (facsimile herdruk van 1718), grietenij Hennaarderadeel, fragment.

6

7

Afb. 3. Topographische en Militaire Kaart van het Koningrijk der Nederlanden, 1973 (facsimile herdruk van 1862), blad 5, fragment.

8

IM{ 0 V I N C IB

F KIK S L A N U

(F

K M K K NT K

II E N N A A It J) K I! A I) K K I,

t«l<iekend door J.Kinjper

1874

A f b . 4. J . Kuyper, Gemeente-atlas van Nederland, 1874, provincie Friesland, gemeente Hennaarderadeel.

9

Beschermd gezicht Nijland

IMIJLAIMD

gemeente Wymbritseradeel

BESCHERMDE S T A D S - EN DORPSGEZICHTEN

BESCHERMDE STADS- EN DORPSGEZICHTEN INGEVOLGE ARTIKEL 35 VAN DE MONUMENTENWET 1988

NIJLAND, gemeente Wymbritseradiel

g o 0>

Aanvulling op de toelichting bij het besluit tot aanwijzing van Nijland als beschermd dorpsgezicht.

Resuttaat gevoerd overleg

t—

O ** •

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 35 (voorheen 20) van de Monumentenwet zijn de raad van de gemeente Wymbritseradiel, Gedeputeerde Staten van Friesland, de Rijksplanologische Commissie en de Raad voor het Cultuurbeheer gehoord over het voorstel Nijland aan te wijzen als beschermd dorpsgezicht. De genoemde instanties hebben alle positief geadviseerd met betrekking tot de voorgenomen aanwijzing. De gemeenteraad van Wymbritseradiel verzocht daarbij de volledige Kerkgracht op de kaart aan te geven en de grens te verschuiven zodat aan de oostzijde twee woningen aan het aan te wijzen gebied worden toegevoegd. In verband daarmee is de kaart met daarop de begrenzing van het aangewezen dorpsgezicht enigszins gewijzigd ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel. Vooruitlopend op de aanwijzing van het beschermde dorpsgezicht heeft de raad van de gemeente Wymbritseradiel het bestemmingsplan "Beschermd Dorpsgezicht Nijland" vastgesteld. Blijkens het daarover gevoerde overleg biedt dit geldende plan in voldoende mate bescherming aan de historischruimtelijke kwaliteiten waarop de aanwijzing als beschermd dorpsgezicht is gericht, zodat dit plan kan functioneren als een beschermend bestemmingsplan conform artikel 36, eerste lid, van de Monumentenwet 1988.

ERRATUM In verband met de inwerkingtreding van de Monumentenwet 1988 per 1 januari 1989 dient in de plaats van "artikel 20 van de Monumentenwet" gelezen te worden: "artikel 35 van de Monumentenwet 1988". De verwijzing "artikel 37, lid 8 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening" dient vervangen te worden door "artikel 36, eerste lid, van de Monumentenwet 1988".

B E S C H E R M D E S T A D S - EN DORPSGEZICHTEN INGEVOLGE ARTIKEL 20 V A N DE M O N U M E N T E N W E T

NIJLAND

gemeente Wymbritseradeel Toelichting bij het besluit tot aanwijzing van Nijland als beschermd dorpsgezicht.

Het beschermde dorpsgezicht omvat het op bijgevoegde kaart (Rijksdienst voor de Monumentenzorg, tekeningnummer 250) door een stippellijn omgrensde gebied. Publikatie van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. November 1987.

Inleiding Het dorp Nijland is gelegen in de Friese gemeente Wymbritseradeel ongeveer halverwege tussen de steden Sneek en Bolsward. Nijland is het enige dorp dat is ontstaan in de oudste inpolderingen van de Middelzee. Hoewel het dorp pas van na 1200 dateert en het derhalve niet als terpnederzetting is ontstaan, vertoont de structuur van Nijland een aantal kenmerken die zich ook bij terpdorpen voordoen. Centraal in de nederzetting ligt de kerk met een omgracht kerkterrein. Aan de kerkring zijn boerderijen gesitueerd. In de 17de en 18de eeuw ontstaat naast deze concentrische structuur 'de buorren', een lineaire uitbreiding langs de weg BolswardSneek en, daarop aansluitend, aan de westzijde van de Hottingawei. In de huidige ruimtelijke opbouw zijn beide structuurelementen nog duidelijk herkenbaar. Kerk en kerkterrein domineren het ruimtelijk beeld van de nederzetting. De bebouwing van de kerkring wordt gekenmerkt door een afwisseling van forse panden, zoals enkele boerderijen en een voormalig schoolgebouw, en enkele blokken vrij kleine arbeiderswoningen. In contrast hiermee accentueert de aaneengesloten bebouwing van de buorren, bestaande uit kleine woonhuizen met een bouwlaag en een kap, de lineaire structuur van het zuidelijke deel van het dorp.

De historische structuur van Nijland, de aanwezige visuele kwaliteiten en, in samenhang daarmee, de deels historische bebouwing rechtvaardigen de aanwijzing van Nijland als beschermd dorpsgezicht. Ontstaan en ontwikkeling In de Middeleeuwen is met de vorming van de Middelzee een diepe zee-inham ontstaan die een scheiding vormt tussen het westelijk en oostelijk deel van Friesland. In de tiende eeuw vermindert de zee-invloed en vindt in snel tempo dichtslibbing plaats. Omstreeks 1000 na Christus wordt de Middelzee omdijkt, waarna het opgeslibde land vanuit het zuiden in gedeelten wordt ingepolderd. In schriftelijke bronnen wordt voor het eerst in 1230 het 'Terra Nova' ( = nieuwe land) genoemd, waarmee de meest zuidelijke inpoldering van de Middelzee wordt bedoeld. Aangenomen mag worden dat occupatie van dit gebied in het begin van de 13de eeuw heeft plaatsgevonden. De bebouwing heeft waarschijnlijk aanvankelijk bestaan uit verspreid langs de dijken en nieuwe wegen liggende boerderijen; een nederzetting is er aanvankelijk niet. 2

In tegenstelling tot wat in Friesland volgens het oude recht gebruikelijk is, is de Nijlander zeepolder niet toe komen te vallen aan de aangrenzende dorpen op het oude land. A l direct vormt dit gebied een zelfstandig territorium, hetgeen tot uitdrukking komt in de stichting van een kerk op een centrale plaats in het nieuwe land omstreeks 1275. De kerk is gelegen in de kromming van een oude kreek. Restanten van deze kreek zijn te herkennen in de Nijlander opvaart, de zuidelijke helft van de Tsjerkegreft en de Aldfeart die het dorp via de Zijlsterburen met onder meer Bolsward verbindt.

Schoutenrecht voorkomt, kan hier een rol bij gespeeld hebben. Het kerkterrein vertoont een aantal met kerkterpen overeenkomstige structuurkenmerken: de kerk is rondom omgeven door een kerkhof met lijkpad en wordt begrensd door de kerkgracht. Aan de daaromheen lopende kerkring zijn enkele boerderijen en de pastorie gesitueerd. Aan de kerkring takken enkele radiaalwegen aan vanaf de dorpen Folsgare en Hartwerd en vanaf de dijken J o n g e Dijk en Tjaarddijk. Daarnaast is de nederzetting via een opvaart met het omliggende gebied verbonden.

Tot de pastoralia behoren ten westen, noorden en oosten van de kerk gelegen gronden. De opbrengst van deze gronden en van twee nabij de kerk gelegen pastorieboerderijen dient om in het onderhoud van de pastoor te voorzien. Te zamen met de pastorie vormen de kerk en deze boerderijen waarschijnlijk de eerste bebouwingskern van de Nijlander polder en de basis van het dorp Nijland.

Over de ruimtelijke ontwikkeling van Nijland tot in de 17de eeuw zijn weinig gegevens voorhanden. Waarschijnlijk heeft zich een geleidelijke uitbreiding van de bebouwing langs de kerkring voorgedaan met enkele boerderijen en landarbeidershuisjes. Zeker is dat Nijland reeds in de 16de eeuw beschikt over een schoolgebouw annex kosterswoning. Een voorstelling van de mogelijke ruimtelijke structuur van Nijland in de 16de eeuw is gegeven op afb. II.

In tegenstelling tot oudere omliggende dorpen ligt Nijland niet op een terp; wel is het kerkterrein opgehoogd. Het lijkt erop dat bij de aanleg de structuur van uit de omgeving bekende terpdorpen als voorbeeld is genomen. Ook de beschrijving van de inrichting van het terrein rond de kerk, zoals die in het 12de- en 13de-eeuwse Friese

Nijland heeft zich in de 16de eeuw nog nauwelijks als kern ontwikkeld en bestaat hoofdzakelijk uit agrarische bebouwing rondom de kerk. In de loop van de 16de eeuw en vooral in de 17de eeuw ontstaat enige bebouwing ten zuidwesten van de kerkring, waarmee de basis is gelegd

worden de verbindingen over land sterk verbeterd. In 1843 wordt op de plaats van het Middelpad een nieuwe verbinding, de Snitserdyk, aangelegd die is voorzien van een verharding van keislag. Langs deze weg komt in 1883 bovendien een tramspoor te lopen. In het dorp zelf worden de wegen aan het eind van de 19de eeuw bestraat met klinkers. 1. Kerk 2.

Pastorie

3

Kosterswoning

i*

Boerdenjer

5

Arbeiderswoningen

en

School

to

5 CD

co

H y pothetische

ruimtelijke

CD

Nijland

16de

m

de

structuur

van

eeuw

C7> T—

U9 o

voor het ontstaan van de buorren, de dorpsstraat. Een globaal beeld van de dorpsstructuur van Nijland aan het begin van de 18de eeuw verschaft de grietenijkaart van Wymbritseradeel van de hand van Schotanus a Sterringa (fotobijlage, afb. 1). Het bebouwingspatroon van de kerkring blijft in grote lijnen ongewijzigd. Aan het kruispunt van wegen aan de zuidzijde van het dorp heeft zich in de 17de eeuw de buorren gevormd, bestaande uit direct aan de weg gelegen aaneengesloten bebouwing van niet-agrarische oorsprong. Deze uitgroei van de dorpsbebouwing kan in verband worden gebracht met de algemene ontwikkeling van het platteland en, daaruit voortvloeiend, het ontstaan van centrale (verzorgings)functies, in het bijzonder ambachtelijke. Blijkens de kaart wordt het wegenpatroon gevormd door drie radiale, op de kerkring georienteerde wegen en door het Middelpad, een op een oud binnendijkje gelegen pad dat het dorp ten zuiden van de kerkring passeert. Dit pad vormt de verbinding van Nijland met Sneek in zuidoostelijke en met Bolsward in noordwestelijke richting. Het vaartenpatroon takt aan op de Tjaardzijl, een sluisje in de oude Middelzeedijk. Door middel van opvaarten worden (groepen) boerderijen in het vaartenstelsel opgenomen. De opvaarten dienen niet alleen ter afwatering, maar vervullen tevens een vervoersfunctie. Ook Nijland zelf is aan zo'n opvaart, de Aldfeart, gelegen.

In feite is de hoofdstructuur van Nijland, zoals die hierboven is beschreven, tot in de 20ste eeuw niet wezenlijk veranderd. Veranderingen in de 18de en 19de eeuw betreffen voornamelijk aanpassing op onderdelen binnen de bestaande ruimtelijke opbouw. Het kadastrale minuutplan uit circa

1830, dat een gedetailleerd beeld geeft van de plattegrond van Nijland in het begin van de 19de eeuw, komt in grote lijnen overeen met het op de grietenijkaart geschetste beeld (fotobijlage, afb. 2). Het minuutplan weerspiegelt de structurele tweedeling tussen enerzijds de op de kerk georienteerde bebouwing, bestaande uit de pastorie, een viertal boerderijen en enkele blokken (arbeiders)woningen, en anderzijds de bebouwing van de buorren ten zuiden daarvan. De bebouwing van de buorren kan worden onderscheiden in een westelijk deel langs de belangrijkste doorgaande route met aaneengebouwde panden en, daaraan ondergeschikt, een zuidelijke tak met enigszins losser gegroepeerde en kleinere bebouwing. In de panden aan de buorren zijn onder andere ambachtslieden gevestigd, wier verzorgingsgebied voor een belangrijk deel bestaat uit de rondom Nijland gelegen boerderijen. In de loop van de 19de eeuw vindt enige uitbreiding van de bebouwing aan de buorren plaats door de bouw van enkele grotere, deels losstaande panden. Nijland wordt in de 19de eeuw in toenemende mate een verzorgingscentrum. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de opheffing van twee van de vier boerenbedrijven in het dorp. Een ervan wordt veranderd in een herberg. In 1859 wordt een nieuwe openbare school gebouwd ten noordwesten van de kerk op kosten (en op terrein) van de kerk.

In de jaren tachtig besluit men de school te veranderen in een christelijke s c h o o l ; een nieuwe openbare school verrijst dan aan de oostzijde van de kerk. Deze laatste wordt al in 1901 weer opgeheven. Beide gebouwen staan er nog steeds, zij het met een andere bestemming. In de loop van de 19de eeuw

Aan het begin van de 20ste eeuw vindt ook bebouwing plaats aan de noordzijde van de weg naar Bolsward en aan beide zijden van de Hottingawei in aansluiting op de oude dorpskom. In de ' J o r d a a n ' , een uit kleine arbeiderswoningen bestaand buurtje ten noorden van de kerk, verrijzen enkele diaconiewoningen. Op het westelijke deel van het pastorieterrein wordt in 1909 een nieuwe forse school gebouwd, welk gebouw nog steeds bestaat. Wezenlijke veranderingen treden op in de na-oorlogse periode. Ook Nijland krijgt in de jaren zestig te maken met een voortdurende daling van de gemiddelde woningbezetting. Om het inwonertal op peil te houden, wordt aan de zuidoostzijde van het dorp, achter de buorren, een nieuwbouwwijk gerealiseerd. Recente nieuwbouw vindt plaats aan de zuidoostzijde van het dorp. Mede samenhangend met een toenemend forensisme versterkt zich de w o o n functie van Nijland, ten koste van de agrarische en de verzorgende functie. Het bebouwings- en wegenpatroon van het dorp zelf blijft onveranderd. De tramlijn wordt in de jaren zestig opgeheven. Een groot deel van de pastoriegracht wordt in dezelfde periode gedempt. Van belang is de aanleg van een snelweg tussen Sneek en Bolsward, waardoor het doorgaande verkeer buiten het dorp omgaat.

Huidig ruimtelijk karakter De plattegrond van Nijland heeft de laatste decennia in zijn totaliteit grote veranderingen ondergaan, die vooral de ten zuiden van de Tramstrjitte en Ingenawei gelegen bebouwing betreffen. Toch is de historische dorpskern nauwelijks door ingrijpende structurele wijzigingen aangetast. De bebouwing van de buorren vormt een visuele begrenzing tussen de nieuwbouw en de historische dorpskern van Nijland, die wordt gekenmerkt door een heldere ruimtelijke opbouw waarin de historische ontwikkeling goed herkenbaar is gebleven. Binnen deze opbouw vormen zowel structurele als visuele kwaliteiten belangrijke aspecten van de te beschermen waarden. De huidige ruimtelijke opbouw van de dorpskom valt, samenhangend 3

met zijn ontwikkeling, te onderscheiden in een tweetal verschillende structuurelementen, die elk hun specifieke bijdrage leveren aan het historische karakter van het beschermde gezicht. Het noordelijke gedeelte van de dorpskom kent een concentrische opbouw met als kenmerkende elementen de kerk met het kerkhof en de daaromheen gegroepeerde gevarieerde bebouwing, die te zamen een open ruimtelijke eenheid vormen. Naast de losse bebouwing zijn de kerkgracht en boombeplanting, alsmede het open aangrenzende landschap in sterke mate medebepalend voor het open ruimtelijk beeld. In het zuidelijk deel van de dorpskom wordt het beeld in sterke mate bepaald door de meer aaneengesloten bebouwing, bestaande uit woningen, winkels, bedrijven en enkele grotere panden aan de Tramstrjitte, Hottingawei en de oostzijde van de Tsjerkegreft. Het zuidelijk deel heeft een meer versteend karakter dan het noordelijk deel. Een belangrijk ruimtelijk groen-element vormt hier de pastorietuin aan de noordzijde van de Tramstrjitte waar de beide delen van de oude dorpsstructuur aan elkaar grenzen. Het rechte beloop van de wegen, de geslotenheid van de wanden en de ondergeschikte betekenis van het groen in het zuidelijk deel vormt een waardevol contrast met de noordelijke ringstructuur.

In het gehele dorpsgezicht bestaat de bebouwing over het algemeen uit een bouwlaag met een kapverdieping, opgetrokken uit baksteen en afgedekt met pannen. Daarnaast komen enkele geverfde of gepleisterde gevels voor. Een algemeen bebouwingskenmerk is de verticale gerichtheid van de gevelopeningen. Nadere typering te beschermen waarden De aanwijzing van Nijland als beschermd dorpsgezicht is primair gebaseerd op de aanwezige structurele kwaliteiten. Meest belangwekkend onderdeel van deze ruimtelijke structuur is het door een concentrische opbouw gekenmerkte noordelijke deel van de dorpskom. Typerend voor dit gebied is de centrale, enigszins verhoogde ligging van het 16de-eeuwse gotische kerkgebouw, dat wordt omgeven door het o m grachte kerkhof met het vanouds gebruikelijke lijkpad. De begrenzing van het kerkterrein wordt geaccentueerd door een lage haag en door de karakteristieke kerkgracht, die helaas een aanzienlijk deel van de markante boombeplanting moet missen en bij de Eile Polle is afgedamd. De kerksituatie wordt daarnaast gekenmerkt door op de kerk georienteerde, overwegend 19de-eeuwse 4

bebouwing, deels bestaande uit enkele forse panden, zoals de voormalige schoolgebouwen en een tweetal boerderijen, en deels uit kleinere woonblokken aan de Eile Polle en de Hokwerdastrjitte. Bij de laatste vormt de radiale plaatsing een opvallend structuurkenmerk. Karakteristiek is het groene beeld van dit dorpsdeel, ontstaan door de boombeplanting rond de kerk, erfbeplanting in de pastorietuin, het kerkhof en de tuinen rondom de huizen. Bovendien wordt aan dit beeld bijgedragen door het op enkele plaatsen aan de Tsjerkegreft grenzende agrarische gebied, waardoor visuele verbindingen bestaan met het aangrenzende weidegebied. De buorren worden gevormd door de vrijwel aaneengesloten bebouwing aan de zuidzijde van de Tramstrjitte en de westzijde van de Hottingawei. De in een strakke rooilijn, direct aan de verharding staande panden van de Tramstrjitte zijn grotendeels aaneengebouwd, waardoor het beeld is ontstaan van een aaneengesloten gevelwand. De panden bestaan hier overwegend uit een bouwlaag en een loodrecht op de straat gerichte kap, veelal een schilddak en in dit geval voorzien van een markante dakkapel aan de straatzijde. De gevels hebben merendeels een 19de-eeuws karakter en zijn voorzien van een brede gootlijst. Een enkel pand heeft een vroeg-20ste-eeuwse pui en een verdieping zonder dat dit tot een verstoring van de ruimtelijke samenhang heeft geleid.

Aan de westzijde gaan de buorren over in bebouwing bestaande uit losstaande, niet direct aan de verharding gelegen panden. De noordzijde van de Tramstrjitte wordt begrensd door een vroeg20ste-eeuws, vrij massief schoolgebouw en de met bomen beplante pastorietuin. De Tramstrjitte zelf heeft ten gevolge van de opheffing van de tramlijn een vrij breed profiel. Het trace van de tramlijn is ingericht als groenstrook en voetpad, waardoor het ruimtelijk onderscheid van dit profiel ten opzichte van de aangrenzende beplante gebieden enigszins wordt verzwakt. Ook de bebouwing aan de Hottingawei bestaat uit panden met een bouwlaag en een kap, die hier echter evenwijdig aan de straat loopt. De straatwand vertoont een wat meer wisselende rooilijn en lossere bebouwing. Bovendien is het hoekpand op de Tramstrjitte georienteerd, waaruit het primaire belang van de oost-west route binnen de historische dorpsstructuur blijkt. Uit verkeerstechnisch oogpunt is de aansluiting van de Hottingawei op de Ingenawei naar het oosten afgebogen, waardoor op de hoek van de buorren een klein plantsoen is ontstaan,

hetgeen een wat wezensvreemd element in het historische beeld van dit deel van de buorren vormt. Aan de oostzijde van de Hottingawei wordt de bebouwing gevormd door een sterk teruggelegen 19de-eeuwse boerderij. Het terrein tussen deze boerderij en het forse, aan de wegkruising gelegen cafe is onbebouwd en vormt een karakteristieke overgang tussen de geconcentreerde dorpsbebouwing en het meer open en grotendeels nog agrarische karakter aan de oostzijde van het dorp. Een verzwakking van deze overgang vormt een rommelig ingericht gebied met enige schuren ten oosten van het cafe, ter plaatse van de voormalige trambaan. De gevel van het cafe tegenover de Hottingawei vormt hier door zijn ligging en afmetingen een belangrijk orientatiepunt in de ruimtelijke opbouw. Zowel in visueel als in structureel opzicht vormt het gebiedje tussen de pastorietuin en de aaneengesloten meest zuidelijke bebouwing van de Tsjerkegreft een verbinding tussen de noordelijke, 'open groene' en de zuidelijke, 'gesloten steenachtige' dorpsdelen. Door demping van een deel van de pastoriegracht en inrichting van een deel ervan als parkeerplaats, is op de hoek van de Tramstrjitte en Tsjerkegreft een wat schaalloze ruimte ontstaan die de kenmerken van het gebied als overgang tussen de beide delen van de dorpsstructuur verzwakt.

Omgrenzing De waarde van het beschermde gezicht is in sterke mate gelegen in de historische ruimtelijke structuur, die wordt versterkt door de beeldkwaliteit van een deel van de bebouwing. De omgrenzing is zodanig gekozen dat de samenhangende dorpsstructuur zoals die zich in het begin van de 19de eeuw gevormd had, binnen het beschermde gebied valt. Aan de noord- en oostzijde is tevens een klein deel van het agrarische gebied binnen de omgrenzing getrokken vanwege het belang van deze gebieden voor het open ruimtelijk beeld dat de dorpsopbouw hier kenmerkt. De begrenzing van het beschermde gezicht is weergegeven op de bijgevoegde kaart (Rijksdienst voor de Monumentenzorg, nummer 250). Rechtsgevolg aanwijzing Ter effectuering van de bescherming van het aangewezen dorpsgezicht moet ingevolge artikel 3 7 , lid 8 van de W e t op de Ruimtelijke Ordening een bestemmingsplan worden ontwikkeld. De toelichting op de aanwijzing als beschermd

dorpsgezicht kan daarbij wat het beschermingsbelang betreft als uitgangspunt dienen. Doel van de aanwijzing is, de karakteristieke met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied te onderkennen als zwaarwegend belang bij de verdere ontwikkelingen binnen het gebied. De aanwijzing beoogt op die wijze een basis te geven voor een ruimtelijke ontwikkeling, die inspeelt op de aanwezige kwaliteiten, daarvan gebruik maakt en daarop voortbouwt.

Geraadpleegde literatuur: Bakker, G. (red.) Wymbritseradiel. Skiednis fan in greidgritenij. Bolsward, 1974. Hoeve, S. ten Nijlan yn byld. Nijland, 1979. Rienks, K.A. en Walther, G.L Binnendiken en slieperdiken yn Frieslan. 2 din. Leeuwarden, 1984 (facsimile herdruk van 1954).

Colofon: Uitgave van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist. Historisch-geografisch en stedebouwkundig onderzoek: Drs. A . L . Vernooij, Amsterdam. Foto's: Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers, Apeldoorn (afb. 2); Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist (afb. 1 , 3 , 4 ) ; Topografische Dienst, Emmen (omslag). Kaart en illustraties in de tekst: Studio Ineke van der Burg, Bilthoven. Verkoopprijs f 10,-. Deze publikatie is schriftelijk of telefonisch te bestellen bij het Distributiecentrum D O P Postbus 2 0 0 1 4 2 5 0 0 EA 's-Gravenhage. Telefoon: 0 7 0 - 7 8 98 8 0 . Onder vermelding van bestelnummer of ISBN 90 3 4 6 1 2 1 6 3 . Druk: Staatsdrukkerij, 's-Gravenhage. 6

Fotobijlage

A f b . 1. B. Schotanus a Sterringa, Uitbeelding der Heerlijkheit Friesland, 1970 (facsimile herdruk van 1714), grietenij Wymbritseradeel, fragment.

Afb. 2. Kadastraal Minuutplan gemeente Wymbritseradeel, ca. 1830, fragment.

8

PROVIJfClE I Hch«jj Tan I

OKMKKNTK

WI.I.MHH ITS KRADKKL

ll>

Hmir mt

H»<ifmM>

PR IE SI, AN I)

-

P"

j

—

Sr.™.

.

Air*

y

rtlyavT van Hugo Snnnpar IP Lppumrdrn OOOOlKwmm.

Afb. 4. J . Kuyper, Gemeente-atlas van Nederland, 1866, provincie Friesland, gemeente Wymbritseradeel.

10

Powered by TCPDF (www.tcpdf.org)

D

U P

G H

N

U

>:0 O

o

rCD

Kenmerk

Rijswijk

192453

's-Gravenhage

o

2 7 SEP. 1391

De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur EN

DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER OVERWEGENDE dat h e t dorp N i j l a n d i n de 13de eeuw i s o n t s t a a n i n de oudste i n p o l d e r i n g van de v o o r m a l i g e M i d d e l z e e tussen B o l s w a r d en Sneek en z i c h , a a n v a n k e l i j k rondom h e t k e r k t e r r e i n en i n l a t e r stadium l a n g s doorgaande wegen, h e e f t o n t w i k k e l d t o t een samengestelde d o r p s s t r u c t u u r w a a r i n de v e r s c h i l l e n d e h i s t o r i s c h e o n t w i k k e l i n g s f a s e n goed herkenbaar z i j n gebleven, dat deze s t r u c t u u r z i c h kenmerkt door een open, c o n c e n t r i s c h bebouwingspatroon aan de b u i t e n z i j d e van de K e r k g r a c h t , w a a r i n o o r s p r o n k e l i j k e a g r a r i s c h e bebouwing en de r e l a t i e met h e t aangrenzende landschap h e t b e e l d bepalen, met t e n z u i d e n d a a r v a n een g e s l o t e n , l i n e a i r e bebouwing waarop onder meer a m b a c h t e l i j k e en b e d r i j f s f u n c t i e s hun stempel hebben gedrukt, dat de h i s t o r i s c h e kenmerken van de bebouwing, i n samenhang met de aanwezige b e p l a n t i n g en de onbebouwde r u i m t e , de h i s t o r i s c h - r u i m t e l i j k e k a r a k t e r i s t i e k van de dorpskom i n b e l a n g r i j k e mate ondersteunen, dat h e t g e b i e d

m i t s d i e n een b e e l d o p l e v e r t dat van algemeen b e l a n g i s vanwege z i j n schoonheid en z i j n r u i m t e l i j k e s t r u c t u r e l e samenhang;

192453

2

V o o r t s overwegende dat het g e l d e n d e bestemmingsplan "Beschermd D o r p s g e z i c h t N i j l a n d " , v a s t g e s t e l d op 17 mei 1988 en goedgekeurd op 21 September 1988, i n voldoende mate r e c h t doet aan de omschreven h i s t o r i s c h e k a r a k t e r i s t i e k ; G e l e t op a r t i k e l 35 en a r t i k e l 36 van de Monumentenwet 1988; Gehoord de raad van de gemeente W y m b r i t s e r a d i e l , Gedeputeerde S t a t e n van F r i e s l a n d , de Raad voor het C u l t u u r b e h e e r en de R i j k s p l a n o l o g i s c h e Commissie; BESLUITEN Het g e b i e d i n de gemeente W y m b r i t s e r a d i e l z o a l s i s aangegeven op de b i j d i t b e s l u i t behorende t e k e n i n g n r . 250 en z o a l s i s omschreven i n de t o e l i c h t i n g b i j d i t b e s l u i t , aan t e w i j z e n a l s beschermd d o r p s g e z i c h t i n de z i n van a r t i k e l 1, onder g, van de Monumentenwet 1988; het bestemmingsplan "Beschermd D o r p s g e z i c h t N i j l a n d " aan t e merken a l s beschermend bestemmingsplan i n de z i n van a r t i k e l 36, tweede l i d , van de wet.

Van d i t b e s l u i t , waarvan mededeling z a l worden gedaan i n de S t a a t s c o u r a n t , z a l a f s c h r i f t worden gezonden aan de Raad voor het C u l t u u r b e h e e r , de raad van de gemeente W y m b r i t s e r a d i e l , Gedeputeerde S t a t e n van F r i e s l a n d en de R i j k s p l a n o l o g i s c h e Commissie.

De M i n i s t e r ; ? a n W e l z i j n , V o l k s g e z o n d h e i d

en C u l t u u r ,

1 Drsj. H.

d'Ancona

De M i n i s t e r van V p ^ g h u i s v e s t i n g , R u i m t e l i j k e O r d e n i n g en Milieubet eer,

J.G.M. A l d e r s

Beschermd gezicht Poppenwier

POPPINGAWIER gemeente Boarnsterhim

B E S C H E R M D E S T A D S - EN DORPSGEZICHTEN

B E S C H E R M D E S T A D S - EN DORPSGEZICHTEN INGEVOLGE ARTIKEL 2 0 V A N DE M O N U M E N T E N W E T

POPPINGAWIER

gemeente Boarnsterhim Toelichting bij het besluit tot aanwijzing van Poppingawier als beschermd dorpsgezicht.

Het beschermde dorpsgezicht omvat het op bijgevoegde kaart (Rijksdienst voor de Monumentenzorg, tekeningnummer 252) door een stippellijn omgrensde gebied. Publikatie van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Juli 1988.

Inleiding Het dorp Poppingawier ligt op ongeveer vijftien kilometer ten zuiden van Leeuwarden en ressorteert onder de gemeente Boarnsterhim. Het dorp kent een geringe omvang en ligt op een kleine lage terp. De structuur van de nederzetting is zeer eenvoudig en kenmerkt zich door een dichtbebouwde kern met een rechthoekige bebouwingsopzet en een lineair hoofdpad. Verder zijn er drie boerderijen binnen de dorpsbebouwing opgenomen. De kleine compacte dorpskern vormt een sterk contrast met de openheid van de uitgestrekte weidegronden die, omdat uitbreidingen van de historische dorpsstructuur slechts in beperkte mate tot stand zijn gekomen, voor een groot deel direct aan de terp grenzen. Dit bijzondere ruimtelijke contrast levert in samenhang met de deels historische dorpsbebouwing een beeld op van een zodanige historischruimtelijke waarde dat de aanwijzing van Poppingawier als beschermd dorpsgezicht gerechtvaardigd is. Ontstaan en ontwikkeling De kust van het zuidoostelijk deel der Noordzee vormt het verspreidingsgebied der terpen, de door de mens opgeworpen woonheuvels uit de periode dat het land nog niet door dijken wordt beschermd. Terpen ontstaan in het laatste deel van een periode die gekenmerkt wordt door een stijging van het zeeniveau.

Het stijgende water slaat ter plaatse van het huidige kustgebied grote delen van het aldaar gevormde veenpakket weg en zet tussen circa 2700 voor Christus en 700 voor Christus op het overgebleven veen of op de pleistocene ondergrond klei en zand af. Op grond van bodemonderzoek veronderstelt men dat de oudste bewoning van het kustgebied plaatsvindt vanaf ongeveer 600 voor Christus. Tijdens perioden van overstromingen, die perioden waarin het kustgebied nagenoeg droog komt te liggen afwisselen, worden terpen gevormd door ophoging van de nederzettingen met kwelderzoden en mest. Op de terpen wordt gewoond, wordt het vee gestald en vindt akkerbouw plaats. De vorming en ophoging van terpen vindt plaats tot de aanleg van een gesloten dijkenstelsel langs de Wadden- en Middelzeekust in de 13de eeuw voltooid is. Na deze tijd is de bewoning van het kustgebied niet meer exclusief aan terpen gebonden en worden geleidelijk ook buiten de terpen boerderijen gebouwd. Op archeologische gronden neemt men aan dat grotere wierden waarop zich dorpen en steden hebben ontwikkeld, gevormd zijn uit een samensmelting van huiswierden.

Over het algemeen volgt verdere ophoging en in enkele gevallen samentrekking of verbinding met andere grotere of kleinere wierden. Door deze veelsoortige incidentele ontwikkelingsvormen is een eenduidige categorisering volgens bepaalde typen moeilijk te geven. Soms benadert een wierde een van de volgende ideaaltypen: de radiaal verkavelde dan wel blokvormig verkavelde wierde, beide met een agrarische hoofdfunctie, of de langgerekte wierde met een handelsfunctie. De nederzettingsstructuur van het Friese kustgebied kenmerkt zich door de aanwezigheid van terpdorpen. In de buurt van de kust is het aantal het grootst, landinwaarts neemt de concentratie sterk af. Poppingawier ligt op een kleine woonheuvel aan de zuidelijke rand van het verspreidingsgebied der terpen. Het gebied rondom het dorp maakt onderdeel uit van de kleigronden ten zuidoosten van de voormalige Middelzee, een binnenzee die in de Middeleeuwen haar grootste omvang bereikt, maar na bedijking in de 13de eeuw geleidelijk wordt ingepolderd. Door de vele incidentele ontwikkelingsvormen zijn terpen vaak moeilijk te dateren. Ook over de ouderdom en de bewoningscontinui'teit van de terp te Poppingawier zijn, mede omdat er nooit archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden, geen gegevens bekend.

Alleen net feit dat de kleine terp in zijn geheel is opgenomen binnen het grove blokvormige verkavelingspatroon van het omringende gebied vormt wellicht een aanwijzing. Een dergelijke structuur duidt, in tegenstelling tot de veelal oudere radiaal verkavelde terpen, over het algemeen op een relatief geringe ouderdom van de nederzetting of op herverkaveling van een bestaande (verlaten) terp. Over de concrete omvang van de dorpsbebouwing is tot het verschijnen van het oudste relevante kaartmateriaal uit het begin van de 1 8de eeuw nauwelijks iets bekend. Op de kaart van Schotanus uit 1718 (fotobijlage, afb. 1) wordt Poppingawier globaal afgebeeld als een nederzetting met een ovaalvormige hoofdstructuur met daarbinnen een kerkje en enkele pandjes, terwiji direct ten zuiden en ten oosten van het dorp enkele boerderijen liggen. Het dorp is via een opvaart die langs de zuidkant van de terp wordt getekend, verbonden met het Poppingawierstermeer en de Oude Sneekervaart, een belangrijke vaarweg in de provincie Friesland. Verbindingen over land ontbreken vrijwel geheel. Door deze gunstige ligging aan genoemde vaarwegen zijn naast agrarische functies ook ambachts- en nijverheidsfuncties tot

ontwikkeling gekomen. Bekend is dat in de 18de eeuw enkele schippers, kuipers, timmerlui, schoenmakers, wevers, slagers en bakkers in het dorp gevestigd zijn. De eerste nauwkeurige weergave van het dorp dateert van ruim een eeuw later. Op het kadastraal minuutplan uit circa 1820 (fotobijlage, afb. 2) is goed te zien dat de dorpsbebouwing sterk is geconcentreerd en dat de kern van de nederzetting slechts een oppervlakte beslaat die vergelijkbaar is met de grootte van een kavel uit het grove blokvormig verkavelde land waarbinnen de nederzettingsstructuur in zijn geheel is opgenomen. De ovale vorm die Schotanus tekent, blijkt niet als zodanig te bestaan. Wel ligt aan de noordkant van het dorp de landweg naar Rauwerd direct langs de dorpsbebouwing. De structuur van het dorp is zeer eenvoudig. Parallel ten noorden van de opvaart, die op de kadastrale minuut niet expliciet wordt aangegeven, ligt een pad waarlangs het grootste deel van de dorpsbebouwing, die lijkt te bestaan uit kleine woonhuizen, is gesitueerd. Een in oorsprong middeleeuws kerkje ligt binnen een kleine vierkante 'kerkring' die aan de zuidkant direct aan het pad en aan de noordkant direct aan de landweg grenst. De bebouwing langs de oostzijde van de kerkring en langs een dwarspad in de oostelijke dorpshelft vormen de enige verdichting binnen de nederzetting.

Opmerkelijk is de situering van een omvangrijke boerderij direct aan de westkant van de kerkring. Deze boerderij en drie direct ten zuiden en ten oosten van de dorpskern gelegen boerderijen, hebben mogelijk de plaats ingenomen van de oorspronkelijk exclusief aan de terpen gebonden agrarische bebouwing. In de 19de en 20ste eeuw vinden met uitzondering van de verbetering van de doorgaande weg, binnen de kern van het dorp geen structurele veranderingen plaats. De rond het midden van de vorige eeuw op korte afstand van de bebouwing aangelegde weg vervangt het op de kadastrale minuut aangegeven pad direct ten noorden van de dorpskern. De dorpsuitbreidingen die bestaan uit enkele kleine woningen daterend van rond de eeuwwisseling en een zestal recent gebouwde vrijstaande woonhuizen, komen aan de oostkant van de dorpskern langs de verbeterde landweg naar Rauwerd tot stand. De terpafgravingen die rond de eeuwwisseling in de meeste andere terpdorpen plaatsvinden, blijven in Poppingawier achterwege omdat de terp geheel bebouwd is. De oude kerk en toren worden in 1860 vervangen door een nieuw kerkgebouw dat, in afwijking van zijn oost-west georienteerde middel-

eeuwse voorganger, vrijwel evenwijdig aan het hoofdpad wordt gebouwd. Ook in functioneel opzicht verandert er gedurende de 19de eeuw weinig binnen het dorp. Ambachten en kleine nijverheid blijven bestaan naast agrarische functies. Met de bouw van een school, de opening van een herberg en de bouw van een doopsgezinde kerk bereikt het voorzieningenniveau rond het midden van de 19e eeuw een relatief aanzienlijke hoogte. Toch neemt als gevolg van het sterk teruglopende belang van het vervoer over water het aantal ambachten en nijverheden vanaf de eeuwwisseling sterk af. Het aantal inwoners binnen het dorp wordt geleidelijk kleiner, waardoor de school in 1934 sluit. Sinds de laatste twee decennia is deze tendens tot staan gebracht doordat het dorp een functie krijgt als woonplaats voor forensen. De recente bouw van zes woonhuizen aan de oostkant van het dorp ondersteunt deze ontwikkeling. Een ruimtelijke verandering die voor het dorp grote gevolgen heeft, vormt de aanleg van de Harstawei ten noorden van het dorp. Een gevolg hiervan is dat het doorgaande verkeer buiten het dorp wordt omgeleid. In samenhang met deze wegaanleg wordt de verkaveling van de gronden tussen de weg en het dorp sterk gewijzigd. De tot dan kenmerkende agrarische bestemming van de kavels verdwijnt en wordt overgenomen door een deels recreatieve functie.

De herinrichting tot grasvelden en de aanleg van een korte verbindingsweg tussen de Harstaweg en de dorpskern betekenen een structurele-, functionele en ruimtelijke verandering van het gebied direct ten noorden van het dorp. Huidig ruimtelijk karakter en te beschermen waarden De nederzetting Poppingawier bestaat uit een kleine, lage en zeer intensief bebouwde terp en enige lintbebouwing langs de weg naar Rauwerd, die aan de oostkant op de terp aansluit. Mede omdat uitbreidingen van het dorp vrijwel achterwege zijn gebleven heeft de terp haar vrije ligging grotendeels behouden. Het voor het dorp uiterst kenmerkende contrast tussen de kleine, dicht bebouwde dorpskern en de openheid van het omringende land is hierdoor tot in de huidige tijd blijven bestaan. Een ander opvallend kenmerk binnen de nederzetting vormt de functionele en ruimtelijke samenstelling van de bebouwing op de terp. Hierin vormen, naast de dichte rechthoekige structuur van kleinschalige woonhuizen, een aantal omvangrijke boerderijen een bijzonder aspect. In de ligging van deze

boerderijen direct naast de woonbebouwing op de terp is de oorspronkelijke functie die de terp heeft gehad als vestigingsplaats voor de agrarische bebouwing goed te herkennen. Het contrast tussen de drie vrijgelegen grootschaliger boerderijen en de sterk geconcentreerde kleinschalige woonhuizen kan worden aangemerkt als een voor Poppingawier mede beeldbepalende karakteristiek. De structuur op de terp is zeer eenvoudig. De opzet bestaat uit een kleine vierkante nagenoeg onbebouwde 'kerkring' met langs de zuidzijde het lineaire hoofdpad de Binnenbuorren. Slechts een smal dwarspad, de Skoalsteech kan als een verdichting van het bebouwingspatroon worden aangemerkt. Alle bebouwing alsook de kerkring liggen binnen een van de Binnenbuorren afgeleide rechthoekige opzet. Ook de verlengde opvaart, die de terp aan de zuidzijde begrenst, ligt parallel aan de Binnenbuorren. Alleen de begrenzing van de terp aan de noordzijde wijkt in tegenstelling tot de oudere situatie met een lichte kromming af van de rechthoekige nederzettingsstructuur, die langs de weg duidelijk is af te lezen uit de wel binnen dit patroon gelegen rij panden aan de zuidkant van de weg. In deze afwijking is de relatief late aanleg van de huidige Buitenbuorren als onderdeel van doorgaande weg Rauwerd - Terzool duidelijk te herkennen.

Een gevolg hiervan is dat tussen de weg en de woningen diepe voortuinen liggen, waarin de terphelling herkenbaar is. Binnen het nederzettingspatroon vertoont de situering van de panden langs de Binnenbuorren een aantal kenmerkende verschillen. Ten oosten van de kerkring ligt langs het pad aan beide zijde bebouwing, terwiji ten westen van de kerkring langs het pad, dat als gevolg van een verspringing hier op veel kortere afstand van de opvaart ligt, alleen aan de noordzijde bebouwing is gesitueerd. Deze enkelzijdige situering, de zeer kleine schaal van de genoemde rij panden en de ligging van deze huizen direct tegen de boerderij ten westen van de kerkring, duiden op een latere invulling van de bebouwing binnen een dan reeds bestaand bebouwingspatroon. De verspringing, een open ruimte die wordt begrensd door beplanting en een woning aan de zuidkant van het water vormt een ruimtelijke overgang tussen beide structuurdelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13086233/3