Bijlage 3 - Staat van wijzigingen
Tekst van het document
Gemeente
Swc/ivesŕ-Fryslân
STAAT VAN WIJZIGINGEN Bestemmingsplan ‘SWF Oudega ft Woudsend’
Deze staat van wijzigingen bevat de wijzigingen van het ontwerpbestemmingsplan zoals dat ter inzage heeft gelegen van 22 december 2023 tot en met 1 februari 2024. De wijzigingen hebben betrekking op de regels en de verbeelding. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen aanpassingen naar aanleiding van de ontvangen zienswijzen en ambtelijke aanpassingen. De toelichting van het bestemmingsplan is in overeenstemming gebracht met de vermelde aanpassingen uit de staat van wijzigingen. Door het toevoegen en vervallen van enkele leden binnen diverse artikelen worden meerdere artikelen en leden vernummerd. Deze vernummering wordt niet expliciet omschreven maar is opgenomen in de integrale nieuwe tekst van het bestemmingsplan als bijlage bij het raadsvoorstel. Hetzelfde geldt voor aanpassingen in de regels doordat er bijvoorbeeld een verkeerde lettergrootte voor een woord aan de orde is danwel een ander lettertype. Dit wordt hersteld maar houdt inhoudelijk geen wijziging in. In onderstaande wijzigingen wordt de nummering na vaststelling van het plan gebruikt of bij vervallen van onderdelen de nummering van het ontwerpbestemmingsplan.
A. Wijzigingen regels naar aanleiding van een zienswijze In de onderstaande tabel worden de wijzigingen in de regels opgenomen naar aanleiding van een ingediende zienswijze. Deze wijzigingen zijn onderverdeeld in de onderdelen waar een wijziging plaatsvindt (regels of bijlage). De kolommen van de tabel hebben de volgende betekenis: Nr. = nummer van de wijziging. A.1 betekent de eerste wijziging n.a.v. zienswijze Zienswijze = nummer dat overeenkomt met het nummer van de zienswijze (reactienota) Artikel = artikelnummer war de wijziging op ziet Wijziging = korte omschrijving waar de wijziging op ziet. De A-nummers zien op wijzigingen op basis van een zienswijze en de B-nummers zien op ambtshalve wijzingen. De wijzigingen op de verbeelding staan onder de C-nummers (op basis van ofwel zienswijze ofwel ambtshalve)
ARTIKEL 6: Bedrijventerrein
Nr. A.1
Zienswijze Nummer 11
Artikel 6.1
Wijziging Toevoegen aanduiding ‘verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg’
Motivering: Naar aanleiding van zienswijze 11 wordt duidelijk dat er op het perceel een verkooppunt voor motorbrandstoffen aanwezig is. Voor dergelijke verkooppunten hanteren wij in de nieuwe bestemmingsplannen een specifieke functieaanduiding. Die is niet opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Dat wordt hiermee hersteld. Er wordt een functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' toegevoegd aan een perceel (Vosseleane 73 Woudsend). Dit betreft het vastleggen van de bestaande situatie. Was: 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Bedrijventerrein’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
en ter plaatse van de aanduiding: b. ‘zend/ontvangstinstallatie’, zijn de gronden tevens bestemd voor een zend/ontvangstinstallatie; met de daarbij behorende: c. Bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’; d. mantelzorg in de bedrijfswoning;
Wordt: 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Bedrijventerrein’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
en ter plaatse van de aanduiding:
b. ‘zend/ontvangstinstallatie’, zijn de gronden tevens bestemd voor een zend/ontvangstinstallatie; c. 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg', zijn de gronden tevens bestemd voor bedrijven ten behoeve van een verkooppunt van motorbrandstoffen zonder LPG, en ondergeschikte detailhandel in bijbehorende accessoires, benodigdheden voor motorvoertuigen en weggebonden artikelen; met de daarbij behorende: d. Bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’; e. mantelzorg in de bedrijfswoning;
Nr. A.2
Zienswijze Nummer 8
Artikel 6.3
Wijziging Toevoegen afwijkingsmogelijkheid voor plat afdekken bedrijfsgebouwen
Motivering: In artikel 6.3 worden de afwijkingen op de bouwregels binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein’ gegeven. In zienswijzenummer 8 komt naar voren dat het bedrijf op het perceel Vosseleane 39 te Woudsend verbouwplannen heeft. Het bestaande bedrijfspand is volgens de indiener van de zienswijze dusdanig verzakt dat de enige reële optie is het opnieuw opbouwen van het bedrijfspand. Maar als er naar de bouwregels wordt gekeken, dan dient er een minimale dakhelling van 15 graden aan de orde te zijn. Dat is de standaardbouwregel binnen de bestemmingsplannen. Echter het bestaande bedrijfsgebouw is middels vergunning vanuit het verleden plat afgedekt. Dat is dus een bestaand recht. Aan de Vosseleane zijn meer bedrijfspanden die (deels) plat zijn afgedekt. Om recht te doen aan deze bedrijfsgebouwen en de feitelijke (vergunde) situatie ook in te bestemmen in het bestemmingsplan, wordt ervoor gekozen om wel vast te houden aan de hoofdregel van de minimale dakhelling van 15 graden voor bedrijfsgebouwen, maar hier wel een afwijkingsmogelijkheid voor op te nemen. In deze afwijking op de bouwregel wordt het dan mogelijk gemaakt om in plaats van een minimale dakhelling van 15 graden ook een platte afdekking van het bedrijfsgebouw toe te staan. Dit wordt toegestaan indien er in de bestaande ^legaal aanwezige situatie) ook al sprake is van (gedeeltelijke) platte afdekking.
Daarmee worden bestaande rechten gerespecteerd zonder dat de hoofdregel van de minimale dakhelling wordt losgelaten. Was: 6.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan, voor zover geen sprake is van onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, de sociale veiligheid en/of de externe veiligheid, door middel van een omgevingsvergunning afwijken van: N. v. t. Wordt: 6.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan, voor zover geen sprake is van onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, de sociale veiligheid en/of de externe veiligheid, door middel van een omgevingsvergunning afwijken van: b. het bepaalde in lid 6.2.2 onder d voor wat betreft de voorgeschreven minimale dakhelling met dien verstande dat:
1. het (gedeeltelijk) plat afdekken van bedrijfsgebouwen is toegestaan indien de bestaande bebouwing reeds (gedeeltelijk) plat is afgedekt.
Nr. A.3
Zienswijze Nummer 11
Artikel 6.5
Wijziging Toevoegen afwijkingsmogelijkheid voor een snellaadstation
Motivering: In zienswijze nummer 11 komt naar voren dat het bedrijf voornemens is om in de toekomst een snellaadstation te realiseren op het perceel. Op dit moment is er een verkooppunt voor motorbrandstoffen op het perceel aanwezig. De realisatie van een snellaadstation is een logische ontwikkeling gelet op de verduurzaming en de groei van het aantal elektrische auto’s. Met het opnemen van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voor de realisatie van een snellaadstation wordt het mogelijk gemaakt dat een dergelijk snellaadstation er ook kan komen. Hier zijn vanuit de wet- en regelgeving wel voorwaarden aan verbonden die ook in het afwegingskader van de afwijking worden meegenomen. Door het opnemen van deze bepaling biedt dat het bedrijf de mogelijkheid om in de toekomst een snellaadstation te realiseren. Was: 6.5 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.1 sub a ten behoeve van: n.v. t. Wordt: 6.5 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.1 sub a ten behoeve van: c.
een snellaadstation (elektrisch), uitsluitend op een perceel met de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg', waarbij er een minimale afstand van 30 meter aanwezig dient te zijn van woonbestemmingen, het snellaadstation en de trafo’s niet binnen de ATEX zones (veiligheidszone) van het tankstation geplaatst mogen worden en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen niet mogen worden beperkt.
ARTIKEL 16: Recreatie - Kampeerterrein Nr. A.4
Zienswijze Nummer 7
Artikel 16.1 16.2 16.2.2 16.3
Wijziging - Toevoegen functieaanduiding bedrijfswoning - Bedrijfswoning opnemen in de bouwregels - Bijbehorende bouwwerken opnemen in de bouwregels - bedrijfswonen niet als strijdig gebruik aanmerken
Motivering: In zienswijze nummer 7 wordt aangegeven dat in het ontwerpbestemmingsplan geen mogelijkheid is opgenomen voor een bedrijfswoning terwijl dit in het huidige bestemmingsplan wel aan de orde is. Er wordt inbreuk gepleegd op bestaande rechten. Dit ondanks dat er op dit moment geen bedrijfswoning aanwezig is.
Gemeente
Swc/ivesŕ-Fryslân De insteek van dit bestemmingsplan is het behoud van bestaande rechten. Dat betekent dat er voor dit perceel op de verbeelding een functieaanduiding voor een bedrijfswoning wordt toegevoegd. Deze functieaanduiding op de verbeelding moet echter ook een vertaling krijgen in de bouwregels. Dat wordt als eerste gedaan door in de bestemmingsomschrijving op te nemen dat een bedrijfswoning is toegestaan als er op de verbeelding een aanduiding ligt. Omdat hiermee een bedrijfswoning wordt mogelijk gemaakt, is het ook belangrijk om bouwregels te hebben voor deze bedrijfswoning. Bijvoorbeeld hoe hoog deze mag worden. In artikel 16.2.1 worden deze regels toegevoegd voor een bedrijfswoning. Omdat bijgebouwen bij een bedrijfswoning ook onder voorwaarden mogelijk gemaakt moeten worden (fietsenberging bijvoorbeeld), worden deze standaard regels voor de bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning ook in het bestemmingsplan opgenomen onder artikel 16.2.2. Tenslotte wordt in artikel 16.3 duidelijk gemaakt dat wonen in een bedrijfswoning niet als strijdig gebruik wordt aangemerkt. Al deze aanpassingen komen doordat er een bedrijfswoning wordt toegestaan. De voorgestelde aanpassingen zijn de standaardbepalingen die wij in de nieuwe bestemmingsplannen hanteren voor bedrijfswoningen.
Was: 16.1 Bestemmingsomschrijving De voor ’Recreatie - Kampeerterrein’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een kampeerterrein; b. opgaand groen, ter plaatse van de aanduiding 'groen'; met de daarbij behorende: c. sanitaire voorzieningen; d. horeca, in de vorm van een kantine behorende bij en rechtstreeks voortvloeiend uit de bedrijfsactiviteiten van het bedrijf; e. wegen en paden; f. groenvoorzieningen; g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; h. parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 39.1; met daaraan ondergeschikt: i. nutsvoorzieningen; j. sport- en speelvoorzieningen; 16.2 Bouwregels 16.2.1 Gebouwen en overkappingen Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. gebouwen en overkappingen moeten binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. de oppervlakte per kampeergebouw mag niet meer dan 75 m2 bedragen; c. ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal kampeergebouwen’ mag het aantal kampeergebouwen gezamenlijk niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven; d. ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal kampeermiddelen' mag het aantal kampeermiddelen gezamenlijk niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven; e. een bedrijfswoning is niet toegestaan; f.
ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’ bedraagt de maximum goot- en bouwhoogte per bouwperceel niet meer dan op de verbeelding is aangegeven, met dien verstande dat in het geval in de aanduiding op de verbeelding de goothoogte of bouwhoogte niet is ingevuld geldt dat voor dit specifieke onderdeel (niet ingevulde goot- of bouwhoogte) geen maximum geldt; g. in afwijking van het bepaalde onder a zijn gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak toegestaan mits: 1. de maximum oppervlakte van gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak 20% van de oppervlakte van het bouwvlak per bouwperceel bedraagt; 2. de minimum afstand tot de erfgrens 3,00 meter bedraagt;
3. de maximum bouwhoogte 4,00 meter bedraagt, met dien verstande dat indien de maximum bouwhoogte van gebouwen gelegen op hetzelfde bouwperceel minder bedraagt dan 4,00 meter, de maximum bouwhoogte niet meer mag bedragen dan deze hoogte. 16.2.2 Overige andere bouwwerken Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2,00 m; b. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 8,00 m; c. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken geen overkappingen zijnde bedraagt ten hoogste 5,50 m; 16.3 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van overige (zelfstandige) horecadoeleinden; b. wonen. Wordt: 16.1 Bestemmingsomschrijving De voor ’Recreatie - Kampeerterrein’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een kampeerterrein; a. b. een bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’; b. c. opgaand groen, ter plaatse van de aanduiding 'groen'; met de daarbij behorende: c. d. sanitaire voorzieningen; d. e. horeca, in de vorm van een kantine behorende bij en rechtstreeks voortvloeiend uit de bedrijfsactiviteiten van het bedrijf; e. f. wegen en paden; f. g. groenvoorzieningen; g. h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; h. i.
parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 39.140.1; met daaraan ondergeschikt: i. j. nutsvoorzieningen; j. k. sport- en speelvoorzieningen; 16.2 Bouwregels 16.2.1 Gebouwen, een bedrijfswoning en overkappingen Voor het bouwen van gebouwen, een bedrijfswoning en overkappingen gelden de volgende regels: a. gebouwen, een bedrijfswoning en overkappingen moeten binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. de oppervlakte per kampeergebouw mag niet meer dan 75 m2 bedragen; c. ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal kampeergebouwen’ mag het aantal kampeergebouwen gezamenlijk niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven; d. ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal kampeermiddelen' mag het aantal kampeermiddelen gezamenlijk niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven; e. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ is een bedrijfswoning toegestaan, waarbij geldt dat het maximum aantal één bedraagt; f. de maximale goot- en bouwhoogte van een bedrijfswoning bedraagt niet meer dan respectievelijk 3,50 meter en 10 meter; g.
ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’ bedraagt de maximum goot- en bouwhoogte per bouwperceel niet meer dan op de verbeelding is aangegeven, met dien verstande dat in het geval in de aanduiding op de verbeelding de goothoogte of bouwhoogte niet is ingevuld geldt dat voor dit specifieke onderdeel (niet ingevulde goot- of bouwhoogte) geen maximum geldt; h. ter plaatse van de aanduiding ‘minimum goothoogte (m), maximum goothoogte (m), minimum bouwhoogte (m), maximum bouwhoogte (m), minimum dakhelling (graden), maximum dakhelling
Gemeente
Swc/ivesŕ-Fryslân (graden)’ bedraagt de minimale en maximale goothoogte, bouwhoogte en dakhelling per bouwperceel niet meer en ook niet minder dan op de verbeelding is aangegeven, met dien verstande dat in het geval er een minimum of maximum in de aanduiding op de verbeelding niet is ingevuld geldt dat voor dit specifieke niet ingevulde onderdeel geen minimum danwel maximum geldt; i. in afwijking van het bepaalde onder a zijn gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak toegestaan mits: 1. de maximum oppervlakte van gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak 20% van de oppervlakte van het bouwvlak per bouwperceel bedraagt; 2. de minimum afstand tot de erfgrens 3,00 meter bedraagt; 3. de maximum bouwhoogte 4,00 meter bedraagt, met dien verstande dat indien de maximum bouwhoogte van gebouwen gelegen op hetzelfde bouwperceel minder bedraagt dan 4,00 meter, de maximum bouwhoogte niet meer mag bedragen dan deze hoogte. 16.2.2 Bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij bedrijfswoningen Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij bedrijfswoningen gelden de volgende regels: a. de maximale goothoogte bedraagt 3,00 meter; b. de maximale bouwhoogte bedraagt 5,00 meter; c. de maximale gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt 50 m2; d. de minimale afstand tot de voorgevellijn van de woning bedraagt 3,00 meter.
16.2.3 Overige andere bouwwerken Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2,00 m; b. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 8,00 m; c. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken geen overkappingen zijnde bedraagt ten hoogste 5,50 m; 16.3 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van overige (zelfstandige) horecadoeleinden; b. wonen, met uitzondering van wonen in een bedrijfswoning ter plaatse van de functieaanduiding ‘bedrijfswoning ’.
ARTIKEL 17: Recreatie - Recreatiebedrijven Nr. A.5
Zienswijze Nummer 4
Artikel 17.1 onder d
Wijziging Kantine aanpassen naar ‘ondersteunende horeca’
Motivering: In zienswijze nummer 4 stelt de eigenaar van de zeilschool/groepsaccommodatie dat de term ‘kantine’ een verkeerd beeld kan schetsen van hetgeen nu al jaren plaatsvindt. Binnen de groepsaccommodatie en/of zeilschool is een keuken aanwezig van waaruit de gasten van de locatie eten geserveerd kunnen krijgen. Een ondersteunende horeca (ondergeschikt) aan de hoofdbestemming van het perceel. Een kantine impliceert een kantine in de zin van een sportvereniging waarin alleen een tosti kan worden gehaald. Dat doet geen recht aan de bestaande situatie volgens de indiener van de zienswijze. Met de regels vanuit het bestemmingsplan wordt beoogd dat er ondersteunende horeca ten behoeve van het recreatiebedrijf mag plaatsvinden. Niet een zelfstandige horecafunctie (zoals bijvoorbeeld een restaurant). Het woord kantine dekt voor een recreatiebedrijf niet de lading. Ondersteunende horeca aan het recreatiebedrijf is toegestaan. Om dit duidelijk te maken wordt de bestemmingsbeschrijving aangepast naar ondersteunende horeca. Daarmee worden er niet meer rechten aan het recreatiebedrijf gegeven, maar blijven de bestaande rechten (en de feitelijke praktijk) gewoon mogelijk.
Was: 17.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Recreatie - Recreatiebedrijven’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een recreatiebedrijf; b. een groepsaccommodatie, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie groepsaccommodatie ’; c. een zeilschool ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - zeilschool’; met de daarbij behorende: d. horeca, in de vorm van een kantine behorende bij en rechtstreeks voortvloeiend uit de bedrijfsactiviteiten van het recreatiebedrijf; e. wegen en paden; f. groenvoorzieningen; g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; h. parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 39.140.1; met daaraan ondergeschikt: i. nutsvoorzieningen; j. sport- en speelvoorzieningen; Wordt: 17.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Recreatie - Recreatiebedrijven’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een recreatiebedrijf; b. een groepsaccommodatie, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie groepsaccommodatie’; c. een zeilschool ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - zeilschool’; met de daarbij behorende: d. ondersteunende horeca behorende bij en rechtstreeks voortvloeiend uit de bedrijfsactiviteiten van het recreatiebedrijf; e. wegen en paden; f. groenvoorzieningen; g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; h.
parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 39.140.1; met daaraan ondergeschikt: i. nutsvoorzieningen; j. sport- en speelvoorzieningen.
ARTIKEL 18: Recreatie - Recreatiewoningen Nr. A.6
Zienswijze Nummer 2 Nummer 3
Artikel 18.2.2 18.2.3 18.3
Wijziging - Opnemen van ‘gevellijn’ - bouwregels gelijktrekken aan bestaande bestemmingsplan - technische aanpassing - opnemen afwijking bouwregels voor serres aan waterzijde met aanduiding ‘gevellijn vrijstelling serres’
Motivering: In zienswijze nummer 2 en nummer 3 komt naar voren dat de bestaande bouwmogelijkheden binnen de percelen van het park Waterwende niet volledig zijn overgenomen in het
ontwerpbestemmingsplan. Zo is de ‘gevellijn’ niet opgenomen. Deze gevellijn geeft duiding aan wat de voorzijde van het perceel is voor wat betreft bebouwing. Aan deze voorzijde (voorerf) mag niet worden gebouwd. Dat is voor deze woningen de waterzijde. Door het niet opnemen van deze gevellijn zou dat als consequentie hebben dat de voorkant de straatkant wordt (naar de weggekeerde gevel) en dus ook dat er aan de waterzijde bijvoorbeeld vergunningvrij gebouwd kan worden. Dat is ongewenst. Deze gevellijn is abusievelijk niet opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan en dat wordt nu hersteld. Daarmee wordt hetgeen is geregeld in het huidige bestemmingsplan overgenomen en verandert er niets in de rechten. Voor wat betreft de bouwregels van bijbehorende bouwwerken en overkappingen geldt ook dat deze niet overeenkomen met de mogelijkheden van het huidige bestemmingsplan. In het ontwerpbestemmingsplan zijn de standaardvoorschriften die in de gemeente worden gebruikt voor deze bestemming opgenomen. Dat volstaat in de meeste gevallen, echter niet op deze locatie. Dit betreft een specifieke situatie waar maatwerk is toegepast vanuit het verleden. Bijvoorbeeld voor wat betreft het opnemen van bouwstroken in plaats van bouwvlakken. De bouwregels van 18.2.2 (en 18.2.3) worden zo aangepast zodat deze overeenkomen met de bouwregels van het huidige bestemmingsplan.
Tenslotte komt in de zienswijze naar voren dat er voor specifiek benoemde huisnummers een afwijkingsmogelijkheid in het huidige bestemmingsplan is opgenomen. Deze afwijking ziet op de bouw van serres voor de zogenaamde gevellijn (voorgevel). Dat is opgenomen voor de woningen die met twee zijden aan het water liggen. Deze woningen kunnen anders namelijk nauwelijks uitbreiden en dat is onwenselijk geacht in het huidige bestemmingsplan. Deze binnenplanse afwijking voor serres wordt opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan op eenzelfde wijze waardoor de bestaande rechten behouden blijven. Was: 18.2.2 Bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij een recreatiewoning Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij een recreatiewoning gelden de volgende regels: a. alleen aangebouwde bijbehorende bouwwerken en aangebouwde overkappingen zijn toegestaan; b. een bijbehorend bouwwerk en overkapping mag buiten het bouwvlak worden gebouwd; c. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen bedraagt ten hoogste 30 m2. 18.2.3 Overige andere bouwwerken Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende regels: a.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 1,00 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het (hoofd)gebouw of het verlengde daarvan ten hoogste 2,00 m bedraagt; b. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 8,00 m; c. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken geen overkappingen zijnde bedraagt ten hoogste 5,50 m; d. de bouwhoogte van steigers bedraagt ten hoogste 2,00 m. Wordt: 18.2.2 Bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij een recreatiewoning Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij een recreatiewoning gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken en overkappingen dienen ten minste 3 m achter (het verlengde van) de gevel van het hoofdgebouw die op de plankaart met "gevellijn" is aangeduid te worden gebouwd. Indien op de plankaart voor een recreatiewoning geen “gevellijn” is aangeduid, dienen bijbehorende bouwwerken en overkappingen ten minste 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd;
Gemeente
Swc/ivesŕ-Fryslân b. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen mag niet meer dan 3 m bedragen, dan wel niet meer dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw waaraan wordt gebouwd; c. de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken, niet zijnde overkappingen, mag niet meer dan 5,5 meter bedragen; d. de bouwhoogte van overkappingen mag niet meer dan 3 meter bedragen; e. de bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, niet zijnde overkappingen, mag niet meer dan 7 meter bedragen, met dien verstande dat: - de bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken minimaal 1 meter lager is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw, en; - de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken die binnen een afstand van 3 meter tot de perceelsgrens worden gebouwd, niet meer dan 5 meter mag bedragen; f. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen bedraagt ten hoogste 5030 m2, met dien verstande dat niet meer dan 50X van een bouwperceel mag worden bebouwd. 18.2.3 Overige andere bouwwerken Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels: a.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 1,00 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het (hoofd)gebouw of het verlengde daarvan ten hoogste 2,00 m bedraagt; b. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 8,00 m; c. de bouwhoogte van steigers bedraagt ten hoogste 2,00 m; d. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken geen overkappingen zijnde bedraagt ten hoogste 5,50 m. 18.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van: a. het bepaalde in artikel 18.2.2 onder a en toestaan dat er voor de aangeduide “gevellijn” kan worden gebouwd, indien er sprake is van de bouw van een serre binnen de aanduiding ‘gevellijn vrijstelling serres’; b. het bepaalde in artikel 18.2.2 onder a voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op minder dan 3 m achter (het verlengde van) de gevel van het hoofdgebouw (maar niet ervoor) die op de plankaart met "gevellijn" is aangeduid, dan wel achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw; c. het bepaalde in artikel 18.2.2 onder e tweede aandachtsstreepje voor het bouwen van aan het hoofdgebouw gebouwde bijbehorende bouwwerken met een bouwhoogte van niet meer dan 7 m.
Artikel 32: Waarde - Cultuurhistorie Stinzen States Buitenplaatsen en Kloosters Nr. A.7
Zienswijze Nummer 6
Artikel 32
Wijziging Toevoegen van dubbelbestemming ‘Waarde - Cultuurhistorie Stinzen States Buitenplaatsen en Kloosters’
Motivering: Gebleken is dat in het ontwerpbestemming geen dubbelbestemming is opgenomen voor een locatie waar op basis van het cultureel erfgoed wel een dubbelbestemming nodig is. Het betreft de dubbelbestemming voor ‘‘Waarde - Cultuurhistorie Stinzen States Buitenplaatsen en Kloosters’. Deze dubbelbestemming is op de plankaart opgenomen en dient dan ook logischerwijs in de regels opgenomen te worden. De bestemmingsregels zijn standaard binnen onze gemeente voor deze dubbelbestemming. Was: N. v. t.
Wordt: Artikel 32 Waarde - Cultuurhistorie Stinzen States Buitenplaatsen en Kloosters 32.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Cultuurhistorie Stinzen, States, Buitenplaatsen en Kloosters ' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: het behoud van de archeologische en cultuurhistorische waarden van stinzen, states, buitenplaatsen en kloosters met eventuele bijbehorende tuinen, erven en waterpartijen. 32.1.1 Voorrangsregeling De regels van deze dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee deze dubbelbestemming samenvalt. 32.2 Bouwregels 32.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen Voor bouwwerken, waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden, met een oppervlakte groter dan 50 m2 en die de bodem dieper dan 0,40 meter beneden maaiveld verstoren, moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. de archeologische waarden van de bodem die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
32.2.2 Voorschriften omgevingsvergunning voor het bouwen Indien uit het in lid 32.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden en/of waterbodem door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen (bijvoorbeeld een archeologievriendelijk heipalenplan), waardoor ondanks de uitvoering van de bouwwerkzaamheden de archeologische en cultuurhistorische waarden in de (water)bodem kunnen worden behouden; en/of b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of c. de verplichting de bouwwerkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen. 32.2.3 Uitzondering vergunningsplicht Artikel 32.2.1 is niet van toepassing op bouwwerken, waaronder begrepen het slaan van heipalen en damwanden, waarbij: a.
naar oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de (eventueel nog aanwezige) cultuurhistorische waarden van de stinzen, states, buitenplaatsen en kloosters en de bijbehorende tuinen en erven, waarbij onder andere wordt getoetst aan de landschapsbiografie Súdwest-Fryslân; en/of b. naar oordeel van het bevoegd gezag voldoende is aangetoond zonder archeologisch rapport dat de cultuurhistorische waarden door de bouwwerken niet onevenredig worden aangetast en/of dat er geen sprake (meer) is van archeologische verwachtingswaarden (bijvoorbeeld een saneringsrapport); en/of c. het de vervanging, vernieuwing of verandering betreft van bestaande bovengrondse bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut en/of niet dieper wordt vergraven dan de te verwijderen fundering; en/of d. de uitvoering reeds gestart is op grond van een verleende omgevingsvergunning of vergund is ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; en/of e. het een bouwwerk betreft met een oppervlakte van maximaal 50 m2; en/of f. het een bouwwerk betreft dat niet dieper dan 0,40 meter onder het maaiveld en zonder heiwerkzaamheden wordt gerealiseerd.
32.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 32.3.1 Omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden Voor de werken genoemd onder 32.3.2, met een oppervlakte groter dan 50 m2 en die de bodem dieper dan 0,40 meter beneden maaiveld verstoren (met uitzondering van gronddepots), moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. de archeologische en cultuurhistorische waarden van de (water)bodem die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische en/of cultuurhistorische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 32.3.2 Vergunningsplichtige werken en werkzaamheden Het beschrevene onder 32.3.1 is van toepassing op de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden: a. het ontgronden, afgraven (waaronder saneren), verlagen, baggeren (waaronder saneren), onderzuigen, afplaggen, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; b. het uitvoeren van werken of werkzaamheden aan oevers en kaden; c. de aanleg van gronddepots; d. het graven, verdiepen en/of verbreden van vaargeulen, watergangen en waterpartijen; e.
het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en drainage en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; f. het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting; g. het aanleggen en/of verbreden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden h. grondwaterpeilverlagingen; i. het verwijderen van fundamenten; j. of het anderszins ingrijpend wijzigen van de (eventueel nog) bestaande tuinen en erven behorende bij de staten, stinzen, buitenplaatsen en kloosters. 32.3.3 Voorschriften omgevingsvergunning Voordat een omgevingsvergunning kan worden verleend, moet door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. de archeologische en cultuurhistorische waarden van de (water)bodem die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld (niet (meer) aanwezig zijn en/of niet onevenredig worden geschaad; en/of b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische en cultuurhistorische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd; en/of c. de verplichting de werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen.
32.3.4 Uitzondering vergunningsplicht Artikel 32.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden die: a. naar oordeel van het bevoegd gezag geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de (eventueel nog aanwezige) cultuurhistorische waarden van de stinzen, states, buitenplaatsen en kloosters en de bijbehorende tuinen en erven, waarbij onder andere wordt getoetst aan de landschapsbiografie Súdwest-Fryslân; en/of b. naar oordeel van het bevoegd gezag voldoende is aangetoond zonder archeologisch rapport dat de archeologische waarden door de bouwwerken niet onevenredig worden aangetast en/of dat er geen sprake (meer) is van archeologische verwachtingswaarden (bijvoorbeeld een saneringsrapport); c. een oppervlakte hebben van maximaal 50 m2 én niet dieper gaan dan 0,40 meter onder het maaiveld (met uitzondering van gronddepots); d. het normale onderhoud en gebruik betreffen; e. al in uitvoering zijn op grond van een verleende omgevingsvergunning of vergund zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
f. op archeologisch onderzoek gericht zijn; g. te maken hebben met de aanleg van ondergrondse infrastructuur met een maximum diameter van 0,40 meter, mits deze sleufloos wordt uitgevoerd. 32.4 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen door: a. de dubbelbestemming ‘Cultuurhistorie Stinzen, States, Buitenplaatsen en Kloosters’ te doen vervallen, indien op basis van onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische en/of cultuurhistorische waarden (meer) aanwezig zijn.
ARTIKEL 36: Algemene aanduidingsregels Nr. A.8
Zienswijze Nummer 10
Artikel 36.2
Wijziging Toevoegen aanduiding ‘veiligheidszone - gasdrukmeet- en regelstation’
Motivering: In de zienswijze van Liander wordt aangegeven dat het wenselijk is rondom een gasdrukmeet- en regelstation een soort veiligheidszone te hanteren waarbinnen geen activiteiten mogen plaatsvinden. Dit kan middels een aanduiding op de plankaart worden gerealiseerd. Door het opnemen van deze aanduiding op de plankaart moet er ook een artikel worden toegevoegd in de regels waarin de regels hiervoor zijn omschreven. Dat zal in artikel 36.2 plaatsvinden. Het opnemen van deze aanduiding op de plankaart (en in de regels) heeft gelet op de situering van de gasdrukmeet- en regelstations geen direct negatief effect op mogelijkheden voor naastgelegen percelen. Op de gronden die binnen deze aanduiding vallen (6 meter rondom het meetstation) waren al weinig mogelijkheden op basis van de onderliggende bestemming. Was: N. v. t. Wordt: 36.2 Veiligheidszone - gasdrukmeet- en regelstation 36.2.1 Bouwregels In afwijking van het bepaalde in de overige bestemmingsregels mogen ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - gasdrukmeet- en regelstation' geen kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten worden gebouwd. 36.2.2 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik wordt in ieder geval het gebruik van de gronden en bouwwerken voor kwetsbare of beperkt kwetsbare object gerekend, met uitzondering van het bestaande gebruik.
B. Ambtshalve wijziging van de regels In het onderstaand overzicht worden de ambtshalve wijzigingen in de regels opgenomen. Voor de ambtshalve wijziging van de verbeelding wordt verwezen naar de C-nummers hieronder. De kolommen van de tabel hebben de volgende betekenis: Nr. = nummer van de wijziging. B.1 betekent de eerste ambtshalve wijziging Artikel = artikel waar de wijziging op ziet Wijziging = wat voor wijziging betreft het
In het bestemmingsplan worden binnen bepaalde (recreatie)bestemmingen kampeergebouwen toegestaan. Dit is gebaseerd op de mogelijkheden van de huidige bestemmingsplannen. In de regel worden de meeste begrippen opgenomen in artikel 1 met een definitie om hiermee onduidelijkheden wat hier wel en niet onder kan vallen te voorkomen. Er is geen definitie opgenomen van een ‘kampeergebouw’. Dat wordt hersteld. Door het opnemen van de definitie van een ‘kampeergebouw’, is duidelijk wat hieronder wordt verstaan waardoor er meer rechtsbescherming wordt geboden. De definitie die wordt opgenomen is de standaarddefinitie die binnen de gemeente in de bestemmingsplannen voor een kampeergebouw wordt gehanteerd. Doordat er een begrip wordt toegevoegd, worden de begrippen die hierna komen automatisch hernummerd. Was: N.v.t. Wordt: 1.57 kampeergebouw: een gebouw, geen kampeermiddel zijnde, van beperkte omvang, dat dient voor het periodiek recreatief nachtverblijf, waarvan de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben;
Artikel 4: Bedrijf Nr. B.2
Artikel 4.1
Wijziging - Technische aanpassing van bestemmingsomschrijving - Toevoegen functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf jachtwerf’
Motivering: In nieuwe bestemmingsplannen wordt er doorgaans een standaard opbouw gebruikt voor de bestemmingsomschrijving. Dat is het toegestane gebruik binnen de betreffende bestemming. In het ontwerpbestemmingsplan is de zinsopbouw binnen artikel 4.1 niet consequent doorgevoerd als er naar de andere artikelen wordt gekeken. Dit betreffende technische aanpassingen zonder dat er effect is op de (on)mogelijkheden binnen deze bestemming.
De opbouw van dit artikel wordt gelijkgetrokken met de opbouw van de andere artikelen. Bijvoorbeeld voor wat betreft de bedrijfswoning waarin het woordje ‘uitsluitend’ ontbreekt en de redactie van de aanduiding voor het roestvrijstaalbewerkingsbedrijf. Tevens heeft tijdens de inloopmiddag de eigenaar van het perceel Hoytemadyk 2 te Oudega aangegeven dat er in het huidige bestemmingsplan een specifieke functieaanduiding voor de bestaande jachtwerf is opgenomen op het perceel. In het ontwerpbestemmingsplan is deze functieaanduiding niet overgenomen. Dit terwijl dat de jachtwerf nog wel aanwezig is op het perceel. Gelet op de bestaande rechten en de aanwezigheid van de jachtwerf op die locatie, wordt dit hersteld en wordt er in artikel 4.1 een functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - jachtwerf’ toegevoegd waarmee de bestaande jachtwerf wordt toegestaan. Hiermee wordt er recht gedaan aan de feitelijke situatie en de huidige mogelijkheden van het bestemmingsplan. Was: 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die staan vermeld in de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen; b. een bedrijfswoning, ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’; en ter plaatse van de aanduiding: c.
‘specifieke vorm van bedrijf - roestvrijstaalbewerkingsbedrijf’ zijn de gronden tevens bestemd voor een roestvrijstaalbewerkingsbedrijf; Wordt: 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die staan vermeld in de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen; en ter plaatse van de aanduiding: b. een jachtwerf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf jachtwerf’; c. een bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’; d. een roestvrijstaalbewerkingsbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - roestvrijstaalbewerkingsbedrijf’ zijn de gronden tevens bestemd voor een roestvrijstaalbewerkingsbedrijf;
Nr. B.3
Artikel 4.2.1
Wijziging Toevoegen van zinsnede ‘en overkappingen’ in aanhef artikel
Motivering: In de bouwregels binnen de bedrijfsbestemming zijn bouwregels voor gebouwen en overkappingen opgenomen. In de nieuwe bestemmingsplannen worden overkappingen onder de regels voor gebouwen opgenomen vanwege de potentiele ruimtelijke impact die overkappingen kunnen hebben. In de aanhef van artikel 4.2.1 wordt gesproken over alleen gebouwen terwijl er in de rest van het artikel wel consequent staat ‘gebouwen en overkappingen’. Het is wenselijk om ‘en overkappingen’ toe te voegen aan de aanhef van het artikel om onduidelijkheden te voorkomen.
Was: 4.2.1 Gebouwen en overkappingen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen en overkappingen moeten binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. ter plaatse van de aanduiding ‘minimum goothoogte (m), maximum goothoogte (m), minimum bouwhoogte (m), maximum bouwhoogte (m), minimum dakhelling (graden), maximum dakhelling (graden)’ bedraagt de minimale en maximale goothoogte, bouwhoogte en dakhelling per bouwperceel niet meer en ook niet minder dan op de verbeelding is aangegeven, met dien verstande dat in het geval er een minimum of maximum in de aanduiding op de verbeelding niet is ingevuld geldt dat voor dit specifieke niet ingevulde onderdeel geen minimum danwel maximum geldt. Wordt: 4.2.1 Gebouwen en overkappingen Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. gebouwen en overkappingen moeten binnen een bouwvlak worden gebouwd; b.
ter plaatse van de aanduiding ‘minimum goothoogte (m), maximum goothoogte (m), minimum bouwhoogte (m), maximum bouwhoogte (m), minimum dakhelling (graden), maximum dakhelling (graden)’ bedraagt de minimale en maximale goothoogte, bouwhoogte en dakhelling per bouwperceel niet meer en ook niet minder dan op de verbeelding is aangegeven, met dien verstande dat in het geval er een minimum of maximum in de aanduiding op de verbeelding niet is ingevuld geldt dat voor dit specifieke niet ingevulde onderdeel geen minimum danwel maximum geldt.
Nr. B.4
Artikel 4.3
Wijziging Technische aanpassingen
Motivering: In artikel 4.3 worden de afwijkingen op de bouwregels binnen de bestemming ‘Bedrijf’ gegeven. In deze regels staat twee keer bedrijfswoningen in meervoud opgenomen, terwijl er slechts één bedrijfswoning toegestaan wordt (als er naar de voorwaarden vanuit dat artikel wordt gekeken). Het aanpassing van dit artikel door bedrijfswoning in enkelvoud te benoemen maakt het direct duidelijk de afwijking alleen kan zien op maximaal één bedrijfswoning. Daarnaast wordt er voor de afwijking op de bouwregels verwezen naar artikel 4.2.2. Het artikel 4.2.2 geeft de bouwvoorschriften voor een bedrijfswoning. Waar deze mogen komen maar ook de afstanden tot de erfgrens en de bouw- en goothoogte bijvoorbeeld. De afwijking van het bestemmingsplan beoogt om een bedrijfswoning mogelijk te maken op locaties waar nu geen specifieke functieaanduiding ‘bedrijfswoning’ is toegestaan. Dat is artikel 4.2.2 onder a. Dan moet ‘onder a’ ook worden opgenomen in de afwijkings regel. Tenslotte verwijst het artikel naar het Bouwbesluit 2012. Sinds de komst van de Omgevingswet bestaat het Bouwbesluit niet meer. De term Bouwbesluit 2012 kan weggelaten worden omdat het begrip ‘verblijfsgebieden’ al voldoende duidelijk is (wat daarmee wordt bedoeld).
Was: 4.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan, voor zover geen sprake is van onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, de sociale veiligheid en/of de externe veiligheid, door middel van een omgevingsvergunning afwijken van: a. het bepaalde in lid 4.2.2 voor het bouwen van nieuwe bedrijfswoningen met dien verstande dat: 1. ter hoogste één bedrijfswoning per bedrijf (en bouwperceel) wordt gebouwd; 2. de noodzaak voor de bouw van een bedrijfswoning is aangetoond; 3. de bedrijfswoning milieu hygiënisch inpasbaar is;
4. de realisatie van de bedrijfswoning geen onevenredige negatieve effecten heeft voor de toekomstige milieusituatie, wat in ieder geval inhoudt dat de geluidwerende werking van de buitengevel(s) van de verblijfsgebieden als bedoeld in het Bouwbesluit 2012 van bedrijfswoningen ten minste 30 dB(A) bedraagt; 5. de realisatie van de bedrijfswoning geen onevenredige negatieve effecten heeft voor de toekomstige verkaveling en uitgifte van het terrein; 6. de geluidsbelasting op de gevel van de bedrijfswoning als gevolg van wegverkeer niet meer bedraagt dan 48 dB dan wel een door het bevoegd gezag vastgestelde hogere waarde. Wordt: 4.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan, voor zover geen sprake is van onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, de sociale veiligheid en/of de externe veiligheid, door middel van een omgevingsvergunning afwijken van: a. het bepaalde in lid 4.2.2 onder a voor het bouwen van een nieuwe bedrijfswoning met dien verstande dat: 1. ter hoogste één bedrijfswoning per bedrijf (en bouwperceel) wordt gebouwd; 2. de noodzaak voor de bouw van een bedrijfswoning is aangetoond; 3. de bedrijfswoning milieu hygiënisch inpasbaar is; 4.
de realisatie van de bedrijfswoning geen onevenredige negatieve effecten heeft voor de toekomstige milieusituatie, wat in ieder geval inhoudt dat de geluidwerende werking van de buitengevel(s) van de verblijfsgebieden van de bedrijfswoning ten minste 30 dB(A) bedraagt; 5. de realisatie van de bedrijfswoning geen onevenredige negatieve effecten heeft voor de toekomstige verkaveling en uitgifte van het terrein; 6. de geluidsbelasting op de gevel van de bedrijfswoning als gevolg van wegverkeer niet meer bedraagt dan 48 dB dan wel een door het bevoegd gezag vastgestelde hogere waarde.
Nr. B.5
Artikel 4.4
Wijziging Technische aanpassing
Motivering: In het ontwerpbestemmingsplan wordt er in artikel 4.4, de specifieke gebruiksregels, verwezen naar een ander artikel in het bestemmingsplan (definitiebepaling). Dergelijke verwijzingen zijn foutgevoelig omdat artikelen kunnen hernummeren gedurende het proces tot het vaststellen van een bestemmingsplan. In dat geval wordt er naar een verkeerd artikel verwezen. Het artikel wordt technisch aangepast waardoor er geen verwijzing meer is naar een ander artikel in het bestemmingsplan, maar dat de regel nog steeds hetzelfde voorschrijft. Was: 4.4 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. geluidszoneringsplichtige inrichtingen; b. wonen, in een bedrijfswoning anders dan in de begripsbepaling (artikel 1.17) is omschreven; c. detailhandel; d. een verkooppunt voor motorbrandstoffen; e. seksinrichtingen; f. opslag van goederen en materialen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg.
Wordt: 4.4 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. geluidszoneringsplichtige inrichtingen; b. wonen, met uitzondering van wonen in een bedrijfswoning ter plaatse van de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’; c. detailhandel; d. een verkooppunt voor motorbrandstoffen; e. seksinrichtingen; f. opslag van goederen en materialen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg.
Nr. B.6
Artikel 4.5
Wijziging Technische aanpassing
Motivering: In het ontwerpbestemmingsplan is in artikel 4.5 een ‘sub a’ weggevallen in een artikellid. Dat wordt hiermee hersteld. Was: 4.5 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.1 sub a ten behoeve van: a. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten in een hogere categorie dan genoemd in artikel 4.1 sub a wanneer deze, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 4.1; b. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten, die niet in de Staat van bedrijfsactiviteiten worden genoemd, maar gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 4.1 sub a; Wordt: 4.5 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.1 sub a ten behoeve van: a. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten in een hogere categorie dan genoemd in artikel 4.1 sub a wanneer deze, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 4.1 sub a; b.
de uitoefening van bedrijfsactiviteiten, die niet in de Staat van bedrijfsactiviteiten worden genoemd, maar gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 4.1 sub a;
Artikel 5: Bedrijf - Nutsvoorziening Nr. B.7
Artikel 5.2.3
Wijziging Technische aanpassing door ‘zal’ te vervangen naar ‘mag’
Motivering: In het ontwerpbestemmingsplan staat in artikel 5.2.3 (bouwregels van andere bouwwerken binnen de bestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’) het woordje ‘zal’ in het kader met een maximale bouwhoogte. In de nieuwe bestemmingsplannen wordt in plaats van ‘zal’ het woordje ‘mag’
gehanteerd. Dat is taalkundig van aard maar het is minder dwingend omschreven terwijl het juridisch hetzelfde regelt. In andere gevallen hanteren wij ook ‘mag’. Was: 5.2.3 Andere bouwwerken Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2,00 meter; b. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken geen overkappingen zijnde zal ten hoogste 5,50 m bedragen. Wordt: 5.2.3 Andere bouwwerken Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2,00 meter; b. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken geen overkappingen zijnde mag ten hoogste 5,50 m bedragen.
Artikel 6: Bedrijventerrein Nr. B.8
Artikel 6.1
Wijziging - Technische aanpassing voor wat betreft water- en recreatiegebondenheid - Toevoegen van aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein uitsluiting inrichtingen art. 41 Wet Geluidhinder’ - Toevoegen woordje ‘uitsluitend’ bij bedrijfswoning (technisch)
Motivering: In het ontwerpbestemmingsplan staat in artikel 6.1 omschreven welk gebruik op de gronden met de bestemming ‘Bedrijventerrein’ is toegestaan. Deze bestemmingsomschrijving is een samenvoegsel van verschillende bestemmingsplannen in Oudega en Woudsend. Om bestaande rechten (maar ook verplichtingen) op de juiste wijze op te nemen in het nieuwe bestemmingsplan, is het belangrijk om de opbouw van dit artikel trapsgewijs te doen. Trapsgewijs omdat er naast het soort bedrijf dat is toegestaan (voor wat betreft de milieucategorie) ook nog relevant is dat een deel van het bedrijventerrein alleen bedoeld is voor bedrijven die water- en recreatiegebonden zijn. Daar bovenop is er ook nog een deel van het bedrijventerrein waar de zogenaamde grote lawaaimakers niet gevestigd mogen worden. Deze locatie ligt te dicht bij woonbebouwing en in het huidige bestemmingsplan ligt hier ook een specifieke aanduiding opgenomen welke in het nieuwe plan ook weer opgenomen moet worden. Om er zeker van te zijn dat een bedrijf dat zich wil vestigen op het bedrijventerrein voldoet aan alle regels voor wat betreft het gebruik, is dit artikel zo opgebouwd dat dit als ware een trap is. Hoofdregel is dat binnen deze bestemming bedrijven in de milieucategorie 1 en 2 zijn toegestaan (6.1 onder a). Hierbij zal er ook aan artikel 6.1 onder a.1 en onder a.2 moeten worden voldaan.
Dat betreffen de water- en recreatiegebondenheid en de grote lawaaimakers. Onder artikel 6.1 onder 3a wordt aanvullend (dus niet in de plaats van) op bovenstaande ook een bedrijf met een hogere milieucategorie toegestaan indien er een specifieke aanduiding op het perceel ligt. Bijvoorbeeld de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 4.1’. Voor dit bedrijf in milieucategorie 4.1 geldt dan ook dat er aan artikel 6.1 onder a.1 en a.2 moet worden voldaan (indien dat van toepassing is op dat perceel). Door deze opbouw in het artikel (trapsgewijs) wordt gegarandeerd dat er aan alle (wettelijke) vereisten wordt voldaan.
Gemeente
Swc/ivesŕ-Fryslân Tenslotte vindt er een technische aanpassing plaats voor wat betreft de bedrijfswoning. Het woordje ‘uitsluitend’ wordt toegevoegd nu dit ook standaard in de andere artikelen staat opgenomen. Was: 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Bedrijventerrein’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die staan vermeld in de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein - water- en recreatiegebonden’ uitsluitend water - en recreatiegebonden bedrijfsmatige activiteiten mogen worden uitgeoefend, Aanvullend geldt dat de gronden tevens zijn bestemd voor; 1. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf t/m categorie 3.1’: bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, en; 2. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf t/m categorie 3.2’: bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, en; 3. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf t/m categorie 4.1’: bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 4.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, en; 4. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf t/m categorie 4.2’: bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 4.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. , en; 5.
Met dien verstande dat voor bedrijven welke vallen binnen de aanduidingen onder a. 1 tot en met a.4 tevens geldt dat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein water- en recreatiegebonden’, uitsluitend water - recreatiegebonden bedrijfsmatige activiteiten mogen worden uitgeoefend. en ter plaatse van de aanduiding: b. ‘zend/ontvangstinstallatie’, zijn de gronden tevens bestemd voor een zend/ontvangstinstallatie; met de daarbij behorende: c. Bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’; d. mantelzorg in de bedrijfswoning; e. bêd en brochje in de bedrijfswoning, met dien verstande dat: 1. per hoofdgebouw ten hoogste 2 slaapkamers en maximaal 5 personen zijn toegestaan; 2. de logiesverstrekking uitsluitend is toegestaan in de (bedrijfs)woning en/of in de aangebouwde bijbehorende bouwwerken; 3. vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet worden gebruikt of ingericht ten behoeve van een bêd en brochje; 4. de oppervlakte van bêd en brochje maximaal 30X van de begane grond vloeroppervlakte van de (bedrijfs)woning bedraagt, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 50 m2; 5. geen reclame-uitingen worden aangebracht; 6. voor de uitoefening van de bêd en brochje wordt voorzien in voldoende parkeer gelegenheid, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 39.1. f. terreinen; g.
parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 39.1; met daaraan ondergeschikt: h. nutsvoorzieningen; i. wegen en paden; j. groenvoorzieningen; k. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; l. nutsvoorzieningen. Wordt: 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Bedrijventerrein’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die staan vermeld in de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen, met dien verstande dat: 1. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein - water- en recreatiegebonden’ uitsluitend water - en recreatiegebonden bedrijfsmatige activiteiten mogen worden uitgeoefend, en; 2. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein - uitsluiting inrichtingen art. 41 Wet Geluidhinder’, geen inrichtingen zoals bedoeld in art. 41 Wet Geluidhinder zijn toegestaan, en; 3. aanvullend op bovenstaande geldt dat de gronden tevens zijn bestemd voor; a. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf t/m categorie 3.1’: bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, en; b. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf t/m categorie 3.2’: bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, en; c. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf t/m categorie 4.1’: bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 4.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, en; d. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf t/m categorie 4.2’: bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 4.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; en ter plaatse van de aanduiding: b.
‘zend/ontvangstinstallatie’, zijn de gronden tevens bestemd voor een zend/ontvangstinstallatie; c. 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg', zijn de gronden tevens bestemd voor bedrijven ten behoeve van een verkooppunt van motorbrandstoffen zonder LPG, en ondergeschikte detailhandel in bijbehorende accessoires, benodigdheden voor motorvoertuigen en weggebonden artikelen; met de daarbij behorende: d. Bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’; e. mantelzorg in de bedrijfswoning; f. bêd en brochje in de bedrijfswoning, met dien verstande dat: 1. per hoofdgebouw ten hoogste 2 slaapkamers en maximaal 5 personen zijn toegestaan; 2. de logiesverstrekking uitsluitend is toegestaan in de (bedrijfs)woning en/of in de aangebouwde bijbehorende bouwwerken; 3. vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet worden gebruikt of ingericht ten behoeve van een bêd en brochje; 4. de oppervlakte van bêd en brochje maximaal 30% van de begane grond vloeroppervlakte van de (bedrijfs)woning bedraagt, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 50 m2; 5. geen reclame-uitingen worden aangebracht; 6. voor de uitoefening van de bêd en brochje wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 39.1. g. terreinen; h.
parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 39.1; met daaraan ondergeschikt: i. nutsvoorzieningen; j. wegen en paden; k. groenvoorzieningen; l. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; m. nutsvoorzieningen.
Nr. B.9
Artikel 6.2.2
Wijziging - technische aanpassing (verduidelijking) - aanpassing van de minimale afstand tot de perceelsgrens - toevoegen van ‘specifieke bouwaanduiding - afwijkende bouwhoogte’
Motivering: In het ontwerpbestemmingsplan zijn de standaardregels uit het huidige bestemmingsplan overgenomen. Gebleken is dat er in het oude bestemmingsplan (en nu ook in het ontwerpbestemmingsplan) een onduidelijkheid in de bouwregel aanwezig was. In artikel 6.2.2 onder c wordt een minimale afstand voorgeschreven. Echter in het artikellid staat niet vanaf waar deze minimale afstand geldt. Dat maakt toetsing erg lastig. Bedoeling van het artikel is de minimale afstand tot aan de zijdelingse perceelsgrens te regelen. Zo is deze in de praktijk ook toegepast. Door de technische toevoeging van ‘tot aan de zijdelingse perceelsgrens’ in artikel 6.2.2 wordt deze onduidelijkheid opgelost. In datzelfde artikellid staat dat de minimale afstand 5 meter dient te bedragen, danwel de bestande afstand. Dat moet zijn ‘bestaande’ afstand en dat zal worden hersteld. Deze 5 meter komt echter niet overeen met het huidige bestemmingsplannen uit Woudsend (in Oudega wordt geen minimale afstand voorgeschreven). Deze minimale afstand in de huidige bestemmingsplan (van Woudsend) bedraagt minimaal 4 meter (danwel bestaande afstand). Deze 4 meter wordt dan ook als regel opgenomen om daarmee aansluiting te zoeken met de bestaande rechten. Tenslotte is er een omgevingsvergunning verleend voor het perceel De Joodyk 9G te Oudega.