Bijlage 3 - Ruimtelijke Onderbouwing
Tekst van het document
Datum: 22 september 2022 rapport: R22.162, versie 1.0
blad 13 van 28
Silvester van Bentum QuickScan Sibrandabuorren, Mardyk 3
Vleermuizen gebruiken vliegroutes voor dagelijkse verplaatsingen tussen verblijfplaats en foerageergebieden en in het geval van migrerende soorten, voor de jaarlijkse trek van en naar de winterverblijven. Meestal maken vleermuizen langdurig gebruik van vaste routes die ze onthouden. Daarbij worden lijnvormige elementen zoals bomenrijen, dijken en watergangen gebruikt als vliegrouteondersteuning. Het onderbreken of verwijderen van deze elementen bij een (potentiële) vliegroute kan een negatief effect hebben op de mogelijkheid van vleermuizen om hun doel te bereiken. Ten slotte kunnen vleermuizen een plangebied gebruiken als foerageergebied. De vleermuizen komen via vaste routes naar het foerageergebied om daar in de buurt van bomen en water te jagen op vliegende insecten. Net zoals vaste vliegroutes die veelvuldig gebruikt worden, maken vleermuizen ook gebruik van vaste foerageergebieden. Het ongeschikt maken van een foerageergebied door bijvoorbeeld het kappen of verlichten van bomen of het dempen van waterpartijen, kan tot gevolg hebben dat vleermuizen geen toegang meer hebben tot voldoende voedsel. Verblijven Er zijn in de bomen binnen het plangebied geen holtes, scheuren, spleten of loshangend schors waargenomen, waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uitgesloten kan worden.
Het bijgebouw en de werktuigenstalling bevatten geen spouwmuren en geen dak waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten in deze gebouwen uitgesloten kan worden. Het dak van de stolpboerderij is grotendeels ingestort. De nog rechtopstaande gevel en het deel van het dak wat hier nog aanwezig is, wordt vanwege de tocht ongeschikt geacht als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Dit blijkt tevens uit het feit dat gedurende het nadere onderzoek in 2019 geen verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen. De aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen wordt daarmee tevens uitgesloten. Vliegroutes Rond het plangebied zijn lijnvormige elementen aanwezig in de vorm van een bomenrijen en watergangen, die dienst kunnen doen als vliegrouteondersteuning. Ten noorden van het plangebied (circa 150 meter) loopt de watergang Tersoalster Sylroede en op een kilometer ten noordoosten van het plangebied loopt het Prinses Margrietkanaal. Deze watergangen kunnen essentiële vliegroutes betreffen van verblijfplaatsen naar foerageergebied. Vooral voor watergebonden soorten zoals de watervleermuis en de meervleermuis kunnen dit essentiële vliegroutes betreffen. Er zijn naast de watergangen geen bomenrijen of andere lijnvormige elementen aanwezig welke dienst kunnen doen als essentiële vliegrouteondersteuning.
De aanwezige bomenrij is te kort en staat niet in verbinding met andere bomenrijen om als vliegrouteondersteuning te functioneren. Consequenties van de ingreep op mogelijke essentiële vliegroutes staan beschreven in paragraaf 5.2. Foerageergebied De omgeving van het plangebied is geschikt als foerageergebied voor diverse soorten vleermuizen. Aangezien er in de omgeving van het plangebied genoeg, minstens even geschikt foerageergebied aanwezig is, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied beschouwd.
Datum: 22 september 2022 rapport: R22.162, versie 1.0
blad 14 van 28
Silvester van Bentum QuickScan Sibrandabuorren, Mardyk 3
3.2.3
Overige zoogdieren Uit de bureaustudie blijkt dat er in een straal van 2,5 kilometer rond het plangebied meerdere waarnemingen bekend zijn van beschermde zoogdiersoorten. Het gaat hier om de Noordse woelmuis, otter en wolf. Tevens betreffen de watergangen rondom het plangebied geschikt habitat voor de waterspitsmuis. Ook kan de aanwezigheid van de bunzing, wezel en hermelijn niet worden uitgesloten. De kleine marterachtigen zijn momenteel nog vrijgesteld in de provincie Friesland, maar vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden deze soorten waarschijnlijk van de vrijstellingslijst gehaald. Noordse woelmuis en waterspitsmuis De Noordse woelmuis is gebonden aan waterrijke milieus. De soort leeft in gebieden met een hoge vegetatie, zoals rietlanden, moerassen, extensief gebruikte weilanden en terreinen die periodiek overstromen. De waterspitsmuis kan in allerlei typen grotere en kleinere wateren leven, zolang het water schoon is. Daarnaast is het belangrijk dat er een goed ontwikkelde onderwatervegetatie aanwezig is en een ruige oevervegetatie met voldoende schuilmogelijkheden (Zoogdiervereniging, z.d.). De watergangen en oevers rondom plangebied betreft geschikt habitat voor de Noordse woelmuis en de waterspitsmuis. De aanwezigheid van beide soorten zijn echter middels nader onderzoek (Kroezen, 2020) reeds al uitgesloten.
Otter Otters leven in oeverzones met voldoende dekking en rust van allerlei soorten stromende wateren, zoals meren, plassen, rivieren, kanalen, beken en moerassen. Overdag verblijft de otter in een dagrustplaats die zich bevindt op oevers in dichte oevervegetaties (o.a. riet), struwelen en bosschages, maar ook in kunstmatige holten. De nesten waar de jongen worden geworpen, liggen vaak in overstromingsvrije oeverholtes in een rustig gebied en worden regelmatig door de moeder verplaatst (Zoogdiervereniging, z.d.). Er zijn meerdere waarnemingen bekend van de otter rond het plangebied, de meeste ten zuidwesten van het plangebied op ongeveer een kilometer afstand. Op deze locatie is een brede oeverzone aanwezig met weinig verstoring waar mogelijk verblijfplaatsen van de otter aanwezig kunnen zijn. De omgeving van de watergangen direct langs het plangebied is te verstoord door het naastgelegen drukke fietspad, waardoor verblijfplaatsen worden uitgesloten. Wel kan de otter van deze watergangen gebruik maken als foerageergebied. Er zijn echter voldoende alternatieve watergangen aanwezig, waar de otter kan foerageren. De aanwezigheid van essentieel leefgebied van de otter kan hierdoor worden uitgesloten. Wolf Wolven leven in heel verschillende leefgebieden, van toendra en steppen tot aan bos- en cultuurlandschap.
Bij voorkeur leeft de wolf in uitgestrekte open bossen en afgelegen moerasgebieden (Zoogdiervereniging, z.d.). Er is één waarneming bekend van de wolf ten oosten van het plangebied. Dit betrof vraatsporen van de wolf. Echter is er geen geschikt vestigingshabitat aanwezig rondom het plangebied. Wolven zijn namelijk schuwe dieren en vestigen zich in de grotere bossen in Nederland Aanwezigheid van de wolf kan daarmee worden uitgesloten.
Datum: 22 september 2022 rapport: R22.162, versie 1.0
blad 15 van 28
Silvester van Bentum QuickScan Sibrandabuorren, Mardyk 3
Kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) (bij inwerkingtreding omgevingswet) De bunzing, wezel en hermelijn leven in allerlei habitats, van open plekken tot in bossen, waarbij de hermelijn vaak te vinden is in nattere habitats. Belangrijk is dat er voldoende dekking en schuilmogelijkheden aanwezig zijn en dat er voldoende prooidieren in de vorm van (woel)muizen te vinden zijn. Verblijfplaatsen bevinden zich op plaatsen met voldoende dekking, zoals in bosschages, takkenbulten en in holen van muizen, ratten, konijnen, mollen, dassen en vossen (Zoogdiervereniging, z.d.). Uit de bureaustudie is gebleken dat gedurende de afgelopen vijf jaar waarnemingen van de wezel, hermelijn of bunzing zijn vastgelegd in de NDFF binnen een straal van tweeënhalve kilometer van het plangebied. Het plangebied biedt verschillende geschikte verblijfplaatsen voor de kleine marterachtigen, bijvoorbeeld onder de stenen platen, tussen de dichte ondergroei of onder de rommel. Tevens zijn er voldoende prooidieren te vinden binnen en rond het plangebied en zijn er verbindende elementen met voldoende dekking waar de soorten zich langs kunnen verplaatsen. De soorten staan momenteel op een vrijstellingslijst en genieten derhalve geen beschermde status. Met inwerkingtreding van de omgevingswet wordt dit echter waarschijnlijk gewijzigd.
Consequenties van de ingreep op verblijfplaatsen van de bunzing, hermelijn en wezel staan beschreven in paragraaf 5.2. Overige beschermde zoogdieren In de omgeving van het plangebied zijn geen marine habitats (walvisachtigen, schildpadden, gewone zeehond, grijze zeehond en walrus) aanwezig. Tevens zijn er geen bosrijke gebieden met voldoende voedsel, houtwallen of bosschages met boomholtes (eekhoorn, wild zwijn, boommarter, damhert, das, edelhert, grote bosmuis) of rivieren en meren met (broek)bossen (bever) aanwezig. Tevens valt het bekende verspreidingsgebied van meerdere soorten buiten het plangebied, enkele zoogdiersoorten (gewone hamster, hazelmuis, lynx, wilde kat en eikelmuis) komen van nature alleen in Zuid-Limburg voor, of oost Drenthe en Zeeland (veldspitsmuis). Ook zijn er geen sporen van deze soorten waargenomen waardoor de aanwezigheid van overige beschermde zoogdiersoorten wordt uitgesloten.
3.2.4
Reptielen Uit de bureaustudie komen geen waarnemingen van de beschermde reptielen naar voren. Echter betreffen de watergangen en de oever geschikt habitat voor de ringslang. Ringslang De ringslang is een sterk aan water gebonden reptiel dat met name in de directe omgeving van beken, sloten, rivieren, meren, vijvers en poelen wordt aangetroffen. Geschikte wateren kunnen in laagveengebieden, struwelen, parken, natte heidegebieden, bossen en zelfs in bebouwd en agrarisch gebied gelegen zijn, zolang er maar voldoende dekking en zonplekken aanwezig zijn. De ringslang is in Nederland afhankelijk van de aanwezigheid van broeihopen waarin de eieren tot ontwikkeling kunnen komen. Deze broeihopen bestaan veelal uit hopen mest, compost, blad- en snoeiafval of in een natuurlijke situatie uit aangespoeld plantenmateriaal (RAVON, z.d.). Binnen het plangebied zijn geen broeihopen aanwezig waardoor voortplantingslocaties van de ringslang worden uitgesloten. Wel kan de ringslang foerageren in de watergangen en oevers rondom het plangebied. Er zijn echter voldoende alternatieve watergangen aanwezig, waar de ringslang kan foerageren. De aanwezigheid van essentieel leefgebied van de ringslang kan hierdoor worden uitgesloten.
Datum: 22 september 2022 rapport: R22.162, versie 1.0
blad 16 van 28
Silvester van Bentum QuickScan Sibrandabuorren, Mardyk 3
Overige beschermde reptielen In de omgeving van het plangebied zijn geen heide-, hoogveen- of duinengebieden met een rijke vegetatiestructuur (gladde slang, zandhagedis, adder, levendbarende hagedis) of bosrijke gebieden en heideterreinen met dichte vegetatie (hazelworm) aanwezig. De muurhagedis komt van nature alleen voor op de oude stadsmuren van Maastricht, maar er zijn op andere locaties uitgezette populaties bekend, welke levensvatbare populaties betreffen. Het plangebied is niet gelegen bij één van deze locaties. De aanwezigheid van deze beschermde reptielensoorten wordt derhalve uitgesloten.
3.2.5
Amfibieën In of bij het plangebied zijn geen poelen, vennen of ondiepe watergangen (rugstreeppad) in de omgeving aanwezig, of watergangen in een bosrijke omgeving (kamsalamander). De geelbuikvuurpad, vroedmeesterpad, vinpootsalamander en vuursalamander komen daarnaast van nature alleen voor in Noord-Brabant en Zuid-Limburg, waardoor aanwezigheid van overige soorten amfibieën wordt uitgesloten. Het plangebied is ruim buiten het bekende verspreidingsgebied van de Alpenwatersalamander, knoflookpad, poelkikker en boomkikker gelegen. Het plangebied ligt aan de rand van het bekende verspreidingsgebied van de heikikker. Echter is het plangebied te midden van suboptimaal habitat gelegen en zijn er onoverkomelijke barrières tussen potentiële bronpopulaties aanwezig. De aanwezigheid van de heikikker wordt derhalve tevens uitgesloten.
3.2.6
Vissen Uit de bureaustudie blijkt dat er in een straal van 2,5 kilometer rond het plangebied meerdere waarnemingen bekend zijn van de grote modderkruiper. Grote modderkruiper De grote modderkruiper leeft in ondiepe wateren met een dikke modderlaag en uitbundige waterplantengroei. Door een gespecialiseerde huid- en darmademhaling (via ingeslikte lucht) kunnen grote modderkruipers overleven in situaties met lage zuurstofgehalten. De soort is in staat om in drooggevallen sloten ingegraven in de modderlaag enige tijd te overleven door gebruik te maken van huidademhaling. (RAVON, z.d.). Er zijn meerdere waarnemingen bekend van de grote modderkruiper binnen een straal van tweeënhalve kilometer van het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied zijn geschikte watergangen voor de grote moddermodderkruiper aanwezig, zoals de bijna dichtgegroeide sloot ten zuiden van het plangebied en de sloot ten noorden van de bomenrij. Aanwezigheid van de grote modderkruiper kan niet worden uitgesloten. Consequenties van de ingreep op leefgebied van de grote modderkruiper staan beschreven in paragraaf 4.2. Overige beschermde vissen Overige beschermde vissoorten worden uitgesloten op vanwege het ontbreken van marine habitat (houting, steur) of stromende rivieren, beken en meren met zuurstofrijk water binnen het plangebied (beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, kwabaal).
Datum: 22 september 2022 rapport: R22.162, versie 1.0
blad 17 van 28
Silvester van Bentum QuickScan Sibrandabuorren, Mardyk 3
3.2.7
Vlinders Uit de bureaustudie blijkt dat er in een straal van 2,5 kilometer rond het plangebied geen waarnemingen bekend zijn van beschermde vlindersoorten. De meeste vlindersoorten zijn sterk gebonden aan het voorkeurshabitat, vaak in natuurgebieden, en zijn afhankelijk van de aanwezigheid van waardplanten. Tevens zijn er van veel soorten slechts enkele, geïsoleerde populaties bekend, of komen deze alleen voor in een specifieke regio in Nederland, als (Zuid) Limburg (donker pimpernelblauwtje, bruin dikkopje, spiegeldikkopje), de Weerribben (grote vuurvlinder), de Veluwe (bosparelmoervlinder, kleine heivlinder, grote parelmoervlinder), Waddeneilanden (grote parelmoervlinder) of de Moerputten in Noord-Brabant (pimpernelblauwtje). Het plangebied is niet gelegen in of nabij een natuurgebied met hoogveen, vennen en moeras (veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje), kruidenrijke schrale graslanden (veldparelmoervlinder, kommavlinder, zilveren maan, aardbeivlinder), vochtige loofbossen (grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder, bruine eikenpage), heide of duinen (duinparelmoervlinder, gentiaanblauwtje, aardbeivlinder), waar diverse beschermde vlindersoorten kunnen voorkomen.
Van de soorten die tevens buiten natuurgebieden worden waargenomen, zoals sleedoornpage, teunisbloempijlstaart, en grote vos, zijn geen waardbomen- en planten waargenomen binnen en rond het plangebied. Tot slot zijn enkele beschermde vlindersoorten reeds verdwenen uit Nederland (tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje en moerasparelmoervlinder), of worden sporadisch waargenomen als dwaalgast (apollovlinder en boszandoog). Voor de iepenpage zijn wel geschikte waardplanten aanwezig, echter komt deze soort voor in een bomenrijke omgeving. De enkele bomenrij binnen het plangebied en de sporadische bosschage in de omgeving betreffen geen geschikt habitat voor de soort. De aanwezigheid van overige beschermde vlindersoorten wordt daarmee uitgesloten.
3.2.8
Libellen De meeste libellensoorten zijn sterk gebonden aan hun voorkeurshabitat, welke voor de meeste beschermde libellensoorten langs rivieren en beken (gaffellibel, rivierrombout, beekrombout, bosbeekjuffer, gewone bronlibel), laagveen en hoogveenmoerassen (hoogveenglanslibel), vennen (gevlekte witsnuitlibel, Noordse winterjuffer, sierlijke witsnuitlibel, gevlekte glanslibel, speerwaterjuffer) en heidevelden (overwintering Noordse winterjuffer) ligt. De groene glazenmaker komt daarnaast alleen voor bij sloten met een dichte krabbenscheervegetatie. Enkele soorten behoeven zeer specifiek habitat, zoals voedselarme tot iets voedselrijkere vennen en bosplasjes met (vaak) waterlelies (oostelijke witsnuitlibel), laagveen en heldere, matig voedselrijke wateren met kniediep water en vegetatie van verticale stengels van lisdodde, riet en holpijp (donkere waterjuffer), begroeide moerassige plaatsen en verlandingszones van matig voedselarme vennen en petgaten (Kempense heidelibel) of zonnige, vaak kalkrijke stroompjes en bronnen met rijke water- en oevervegetatie met bij voorkeur kleine watereppe (mercuurwaterjuffer).
Waarnemingen van deze soorten zijn vaak afkomstig uit een specifieke geografische regio, zoals de Catspoele en Dellebuursterheide (oostelijke witsnuitlibel), de Weerribben en voorheen het Naadermeer (donkere waterjuffer) en zeer specifieke locaties in Limburg en voorheen Noord-Brabant en Overijssel (mercuurwaterjuffer). De Kempense heidelibel is van origine alleen bekend in de Kempen, echter heeft het verspreidingsgebied van de soort zich in de afgelopen jaren flink uitgebreid. Vanwege de afwezigheid van genoemde habitattypen in combinatie met de geografische ligging van het plangebied, wordt aanwezigheid van deze beschermde libellensoorten uitgesloten.
Datum: 22 september 2022 rapport: R22.162, versie 1.0
blad 18 van 28
Silvester van Bentum QuickScan Sibrandabuorren, Mardyk 3
3.2.9
Kevers Uit de bureaustudie komen geen waarnemingen van de beschermde kevers naar voren. Echter betreffen de grotere watergangen nabij het plangebied geschikt habitat voor de gestreepte waterroofkever. Gestreepte waterroofkever De gestreepte waterroofkever komt in Nederland met name voor in laagveengebieden in sloten van 1,5 tot 25 meter breed, met een waterdiepte van minimaal 40 centimeter. Bij voorkeur is de onderwatervegetatie goed ontwikkeld en is er niet te veel drijvende vegetatie en emergente vegetatie (EIS Nederland, z.d.). De watergang ten oosten van het plangebied betreft geschikt habitat voor de gestreepte waterroofkever. De aanwezigheid van deze soort kan niet worden uitgesloten. Consequenties van de ingreep op leefgebied van de gestreepte waterroofkever staan beschreven in paragraaf 5.2. Overige beschermde kevers De beschermde keversoorten in Nederland zijn afhankelijk van bossen met dood eikenhout (vliegend hert, heldenbok), populierenhout (vermiljoenkever) en holle bomen (juchtleerkever), of grote vennen (brede geelgerandewaterroofkever).
De verspreiding van een aantal van deze soorten beperkt zich tevens tot zeer specifieke locaties zoals een bos nabij Kerkrade (juchtleerkever), enkele vennen in Drenthe en de kop van Overijssel (brede geelgerandewaterroofkever) en enkele eikenbossen bij Zwolle, bij Alkmaar en bij het rivierengebied (heldenbok), hoewel soms oude en nieuwe populaties (her)ontdekt worden. Het plangebied is niet gelegen nabij het bekende verspreidingsgebied van deze soorten. Vanwege de afwezigheid van genoemde habitattypen in combinatie met de geografische ligging van het plangebied, wordt aanwezigheid van deze beschermde keversoorten uitgesloten.
3.2.10
Haften Er is één haftensoort beschermd vanuit de Wet natuurbescherming. Het betreft hier de oeveraas, welke van nature voorkwam in de rivieren in Nederland, maar echter rond 1900 verdwenen is uit Nederland. De aanwezigheid van de oeveraas wordt daarmee uitgesloten.
3.2.11
Weekdieren Uit de bureaustudie komen geen waarnemingen van de beschermde weekdieren naar voren. Echter betreffen een aantal watergangen nabij het plangebied geschikt habitat voor de platte schijfhoren Platte schijfhoren De platte schijfhoren leeft in Nederland met name in het laagveengebied. De soort komt voor in heldere, schone wateren met een rijke onderwatervegetatie (Stichting ANEMOON, 2016). De grotere watergang ten oosten van het plangebied en de sloot ten noorden van de bomenrij betreffen geschikt habitat voor de platte schijfhoren. Aanwezigheid van de soort kan niet worden uitgesloten. Consequenties van de ingreep op leefgebied van de platte schijfhoren staan beschreven in paragraaf 4.2. Overige beschermde weekdieren Naast de platte schijfhoren is de Bataafse stroommossel tevens beschermd. Deze soort is echter reeds verdwenen uit Nederland waardoor de aanwezigheid van overige beschermde weekdieren uitgesloten kan worden.
Datum: 22 september 2022 rapport: R22.162, versie 1.0
blad 19 van 28
Silvester van Bentum QuickScan Sibrandabuorren, Mardyk 3
3.2.12
Kreeftachtigen De enige beschermde kreeftachtige is de Europese rivierkreeft. Van nature kwam deze soort voor in de stroomgebieden langs de grotere rivieren. Tegenwoordig is er nog één populatie bekend van de Europese rivierkreeft op een landgoed nabij Arnhem. Het plangebied bevindt zich niet in de nabijheid van dit landgoed, waardoor de aanwezigheid van beschermde kreeftachtigen kan worden uitgesloten.
3.2.13
Vaatplanten Uit de bureaustudie blijkt dat er in een straal van 2,5 kilometer rond het plangebied waarnemingen bekend zijn een beschermde plantensoort. Dit betreft de muurbloem. Muurbloem De muurbloem is in Nederland een zeer zeldzame soort die groeit in oude, verweerde muren (FLORON verspreidingsatlas, z.d.). De waarneming van de muurbloem betreft een aangeplant exemplaar. Nietwilde planten genieten geen bescherming onder de Wet natuurbescherming waardoor er geen vervolgstappen voor de soort aan de orde zijn. Overige beschermde vaatplanten De in Nederland beschermde vaatplanten stellen specifieke eisen aan hun groeiplaats, of komen slechts beperkt voor in Nederland. De meeste soorten groeien op voedselarme bodems en zijn niet te verwachten op stikstofrijke of bemeste bodems zoals landbouwgronden en de meeste wegbermen. Andere beschermde soorten groeien slechts in een specifieke biogeografische regio in Nederland, zoals in het rivierengebied, de duinen langs de westkust, Waddeneilanden of in het heuvelland van ZuidLimburg. Enkele plantensoorten groeien echter wel op stikstofrijke en bemeste bodems (o.a.
brave hendrik, kruipend moerasscherm, brede wolfsmelk, dreps, korensla, naakte lathyrus, scherpkruid, smalle raai en wolfskers), maar komen alleen voor op specifieke geografische locaties zoals in ZuidLimburg, of hebben andere eisen zoals een vochtige groeiplaats, specifieke bodemsoort of schaduw. Tevens verspreiden de meeste beschermde plantensoorten zich slecht, waardoor er vaak enkele geïsoleerde populaties bekend zijn. Gezien de aanwezige habitats binnen het plangebied in combinatie met de bekende huidige verspreiding van beschermde plantensoorten, kan uitgesloten worden dat overige beschermde plantensoorten aanwezig zijn binnen het plangebied.
Datum: 22 september 2022 rapport: R22.162, versie 1.0
blad 20 van 28
Silvester van Bentum QuickScan Sibrandabuorren, Mardyk 3
4
Update voortoets weidevogelkansgebied Voor de locatie is eerder een voortoets uitgevoerd om effecten op het nabij gelegen weidevogelkansgebied te beoordelen (Bos, 2021). De voortoets heeft de effecten van de uitbreiding van een camping en het verbouwen van enkele panden tot appartementen beoordeeld. Hieronder staat een beknopte samenvatting van de resultaten van de voortoets beschreven. Het plangebied is op 120 meter afstand gelegen van het weidevogelkansgebied. Diverse soorten weidevogels kunnen in het weidevogelkansgebied tot broeden komen. Zonder de reeds bestaande achtergrondverstoring mee te nemen, zouden enkele soorten mogelijk negatieve effecten kunnen ondervinden van de destijds geplande werkzaamheden en uitbreiding van de camping, afhankelijk van de mate van verstoringsgevoeligheid van de soort. Echter zijn het plangebied nabij diverse recreatieve voorzieningen aanwezig voor watersport en andere waterrecreatie. Zo is ten oosten van het plangebied een jachthaven gelegen. Deze jachthaven is voor boten te bereiken via onder andere de watergang Tersoalster Sylroede en het Prinses Margrietkanaal. De Tersoalster Sylroede loopt tussen het plangebied en het weidevogelkansgebied van noord naar zuid. De meeste doelsoorten voor weidevogelkansgebieden zijn gevoelig voor waterrecreatie.
Tijdens het broedseizoen is het ook de periode dat waterrecreatie toeneemt en waarschijnlijk zullen er veel boten langs deze watergang naar de jachthaven en vanaf de jachthaven richting het dorp Tersoal varen. Daarbij varen deze boten vlak langs het weidevogelkansgebied. Op deze jachthaven zijn ook restaurants en speeltuinen aanwezig en kunnen fietsen gehuurd worden, waardoor er in het hoogseizoen veel recreanten aanwezig zullen zijn. Er loopt een weg, de Wjitteringswei, vanuit Jirnsum naar de jachthaven door het weidevogelkansgebied. Tevens loopt het Prinses Margrietkanaal richting het noordoosten langs dit weidevogelkansgebied, welke door vele vrachtschepen bevaren wordt. Vanwege de gevoeligheid van de doelsoorten voor land en waterrecreatie wordt niet verwacht dat deze vogelsoorten nabij deze watergang zullen broeden. Tevens levert de aanwezige jachthaven ook verstoring op door zowel land- als waterrecreatie. Er is dus al verstoring aanwezig, waardoor de uitbreiding van de camping en het verbouwen van de panden niet zal leiden tot extra verstoring van dit weidevogelkansgebied.
Gezien de huidige voorgenomen werkzaamheden beperkter en kleinschaliger zijn dan de voorheen geplande werkzaamheden en uitbreiding van de camping, kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen werkzaamheden en het daaropvolgende gebruik tevens geen negatieve effecten zullen hebben op het weidevogelkansgebied.
Datum: 22 september 2022 rapport: R22.162, versie 1.0
blad 21 van 28
Silvester van Bentum QuickScan Sibrandabuorren, Mardyk 3
Figuur 4.1. Ligging van het plangebied ten opzichte van het weidevogelkansgebied (groen gearceerd).
Datum: 22 september 2022 rapport: R22.162, versie 1.0
blad 22 van 28
Silvester van Bentum QuickScan Sibrandabuorren, Mardyk 3
5 5.1
Effecten en gevolgen Overzicht beschermde soorten In dit hoofdstuk wordt de geplande ingreep getoetst aan de aanwezige of verwachte beschermde soorten (zie hoofdstuk 3) binnen het plangebied, en de te verwachten risico's voor deze soorten, bij uitvoer van de geplande werkzaamheden. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die de vaste verblijfplaatsen in stand houdt. Voor soorten die niet genoemd worden vanuit de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of Wnb artikel 3.10 geldt de algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Zelfs bij negatieve effecten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Ditzelfde geldt voor soorten van Wnb artikel 3.10, waarvoor een Provinciale vrijstelling is uitgegeven. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht, maar ze worden hieronder, ondanks eventueel voorkomen en eventueel te verwachten negatieve effecten, niet meegenomen. Tabel 5.1. Soort(groep)en van de Wet natuurbescherming waarvoor het effect van de maatregel bepaald moet worden. 3.1 = Vogelrichtlijn, 3.5 = Habitatrichtlijn, 3.10 = nationaal beschermd.
Soortgroep
Soort(en)
Bescherming
Aanwezig
Algemene broedvogels Diverse soorten
3.1
Potentieel
Vleermuizen
Diverse soorten (vliegroute)
3.5
Waarschijnlijk
Overige zoogdieren
Bunzing, hermelijn en wezel (bij inwerkingtreding omgevingswet)
3.10
Potentieel
Vissen
Grote modderkruiper
3.10
Potentieel
Kevers
Gestreepte waterroofkever
3.5
Potentieel
Weekdieren
Platte schijfhoren
3.5
Potentieel
Datum: 22 september 2022 rapport: R22.162, versie 1.0
blad 23 van 28
Silvester van Bentum QuickScan Sibrandabuorren, Mardyk 3
5.2
Effecten op de in het plangebied (mogelijk) aanwezige flora en fauna Algemene broedvogels In het plangebied en binnen de verstoringszone hiervan kunnen meerdere algemene broedvogels tot broeden komen. Wanneer de werkzaamheden plaatsvinden, worden mogelijk aanwezige broedende vogels rond het plangebied verstoord en hun nesten vernietigd. Dit is in strijd met de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor de werkzaamheden niet uitgevoerd kunnen worden zonder dat de in paragraaf 6.1 genoemde vervolgstappen in acht worden genomen. Vleermuizen Op circa 150 meter afstand van het plangebied loopt de watergang Tersoalster Sylroede, welke mogelijk een essentiële vliegroute betreft. Wanneer de werkzaamheden na zonsondergang plaatsvinden in de actieve periode van vleermuizen (15 april tot 15 oktober), kan er mogelijk lichtverstoring optreden op deze vliegroute waardoor deze minder of niet meer functioneert. Dergelijk effect is in strijd met de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor de werkzaamheden niet uitgevoerd kunnen worden zonder dat de in paragraaf 6.2 genoemde vervolgstappen in acht worden genomen. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn, wezel) Binnen het plangebied kunnen verblijfplaatsen van de kleine marterachtigen aanwezig zijn onder ruigtes, langs de oevers of onder het puin.
Daarnaast kan de ruigte in het plangebied in de directe omgeving van de potentiële verblijfplaatsen een essentieel verbindingselement betreffen of onderdeel uitmaken van essentieel foerageergebied voor de soorten. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd, wordt het puin verwijderd en gaat een deel van deze ruigte verloren, waardoor verblijfplaatsen, essentiële verbindende elementen en foerageergebied verloren kunnen gaan. De soorten staan momenteel op een vrijstellingslijst en genieten derhalve geen beschermde status. Met inwerkingtreding van de omgevingswet wordt dit echter waarschijnlijk gewijzigd. Wanneer de omgevingswet ingaat en de soorten een beschermde status krijgen, dienen de in paragraaf 6.3 genoemde vervolgstappen in acht te worden genomen. Grote modderkruiper De bijna dichtgegroeide sloot ten zuiden van het plangebied en de sloot ten noorden van de bomenrij betreffen geschikt habitat voor de grote modderkruiper. Er vinden echter geen werkzaamheden plaats aan de sloten. Tevens vinden de werkzaamheden op voldoende afstand van de sloten plaats om effecten als gevolg van trillingen uitgesloten kunnen worden. Negatieve effecten op de grote modderkruiper worden uitgesloten. Gestreepte waterroofkever en platte schijfhoren In de watergang ten oosten van het plangebied kunnen de gestreepte waterroofkever en de platte schijfhoren voorkomen.
Daarnaast kan de platte schijfhoren mogelijk voorkomen in de sloot ten noorden van de bomenrij. Er vinden echter geen werkzaamheden plaats aan de watergang of sloot waardoor negatieve effecten op deze soorten uitgesloten kunnen worden.
Datum: 22 september 2022 rapport: R22.162, versie 1.0
blad 24 van 28
Silvester van Bentum QuickScan Sibrandabuorren, Mardyk 3
6
Vervolgstappen In dit hoofdstuk worden de vervolgmaatregelen beschreven voor de soorten waarvan in hoofdstuk 4 is bepaald dat deze mogelijk een effect bemerken van de geplande ingreep. Deze vervolgmaatregel kan bestaan uit het uitvoeren van nader onderzoek om de aanwezigheid te bevestigen of uit te sluiten. Maar de vervolgmaatregel kan ook aangeven dat er een aanvraag voor een ontheffing op de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming benodigd is. Er kan ook een lijst met mitigerende maatregelen staan aangegeven, waarbij de ingreep uitgevoerd kan worden zonder een ontheffing. Indien de ingreep zonder enig nader onderzoek, mitigatie of ontheffingsaanvraag uitgevoerd kan worden, wordt dat in dit hoofdstuk vermeld. Tabel 6.1. Soort(groep)en van de Wet natuurbescherming waarvoor een vervolgactie benodigd is. 3.1 = Vogelrichtlijn, 3.5 = Habitatrichtlijn, 3.10 = nationaal beschermd.
Soortgroep
6.1
Soort(en)
Bescherming
Aanwezig
Vervolgactie
Algemene broedvogels
Diverse soorten
3.1
Waarschijnlijk Mitigatie
Vleermuizen
Vliegroute diverse soorten
3.5
Potentieel
Mitigatie
Overige zoogdieren
Bunzing, hermelijn, wezel
3.10
Potentieel
Na intreding van omgevingswet nader onderzoek
Algemene broedvogels; mitigatie Alle inheemse broedvogels zijn tijdens het broeden wettelijk beschermd volgens de Vogelrichtlijn. Als er ten tijde van de beoogde start van de werkzaamheden vogels in, of binnen de verstoringszone van het plangebied broeden, kunnen de werkzaamheden ter plaatse geen doorgang vinden totdat de jongen zijn uitgevlogen. Het is niet mogelijk om een ontheffing te verkrijgen voor het verstoren en verjagen van broedende vogels. Het verdient daarom de aanbeveling om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Een wettelijk vastgestelde periode voor het broedseizoen bestaat niet, bepalend is of broedgevallen aanwezig zijn. Indicatieve datumgrenzen zijn 15 maart tot 15 juli, maar er bestaan, afhankelijk van het weer en de vogelsoort, vele uitzonderingen op deze regel. Indien de werkzaamheden starten aan het begin van het broedseizoen: Broedgevallen binnen het plan- en verstoringsgebied van de werkzaamheden moeten voorkomen worden. Het ongeschikt maken kan preventief gedaan worden door ruim voor het vogelbroedseizoen het gebied te ontdoen van geschikte nestgelegenheden. Dit kan op verschillende manieren.
^ Door het plaatsen van (fluit)linten in grasland kunnen weidevogels en grondbroeders buiten het plangebied gehouden worden; ^ Door het van tevoren kappen van bomen en struiken binnen het plangebied is er geen nestgelegenheid meer voor verschillende soorten zangvogels zoals merel en zwartkop en niet zangvogels als houtduif. Indien de werkzaamheden starten te midden van het broedseizoen: ^ Het plan- en verstoringsgebied dient eerst door een ter zake kundige ecoloog gecontroleerd te worden op aanwezigheid van broedvogels;
Datum: 22 september 2022 rapport: R22.162, versie 1.0
blad 25 van 28
Silvester van Bentum QuickScan Sibrandabuorren, Mardyk 3
^
6.2
Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plan- of verstoringsgebied, worden door de ter zake kundige ecoloog specifieke maatregelen voorgesteld en/of wordt (een deel van) het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot alle nesten, vanuit eigen beweging van de vogels, niet meer in gebruik zijn.
Vleermuizen; mitigatie In de omgeving van het plangebied is een potentieel essentiële vliegroute aanwezig. Het verstoren van essentiële vliegroutes is een overtreding van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming. Er moet tijdens de werkzaamheden rekening gehouden worden met het vermijden van extra lichtoverlast op de vliegroute. Indien er licht gevoerd wordt na zonsondergang en voor zonsopkomst gedurende de actieve periode van de vleermuizen (circa 15 april tot 15 oktober, afhankelijk van de weersomstandigheden), dan dienen onderstaande mitigerende maatregelen opgevolgd te worden. Mitigerende maatregelen: ^ Extra lichtoverlast tijdens de werkzaamheden moet worden voorkomen door het licht weg te van de watergang Tersoalster Sylroede; ^ Indien verlichting gevoerd moet worden dient er gekozen te worden voor amberkleurige verlichting.
6.3
Kleine marterachtigen; nader onderzoek (na intreding Omgevingswet) Binnen het plangebied kunnen verblijfplaatsen van de kleine marterachtigen aanwezig zijn onder ruigtes, langs de oevers of onder het puin. Daarnaast kan de ruigte in het plangebied in de directe omgeving van de potentiële verblijfplaatsen een essentieel verbindingselement betreffen of onderdeel uitmaken van essentieel foerageergebied voor de soorten. Wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd, wordt het puin verwijderd en gaat een deel van deze ruigte verloren, waardoor verblijfplaatsen, essentiële verbindende elementen en foerageergebied verloren kunnen gaan. De soorten staan momenteel op een vrijstellingslijst en genieten derhalve geen beschermde status. Met inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt dit echter waarschijnlijk gewijzigd. Wanneer de werkzaamheden plaatsvinden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (mogelijk 2023), zijn kleine marterachtigen beschermd en dient er voorafgaand aan de werkzaamheden nader onderzoek plaats te vinden. Er zijn verschillende methoden die toegepast kunnen worden bij nader onderzoek naar kleine marterachtigen (sporenbuizen, struikrovers, wildcamera's). Hoeveel van elk er nodig zijn, is afhankelijk van de grootte van het geschikte gebied en het te gebruiken materiaal.
Nader onderzoek naar kleine marterachtigen kan het gehele jaar plaatsvinden, in de actieve periode (maartaugustus) dienen onderzoeksmaterialen minstens 6 weken in het plangebied te worden geplaatst. Wanneer het onderzoek van september tot en met februari wordt uitgevoerd, dienen de materialen minstens 12 weken te worden geplaatst, omdat de trefkans dan kleiner is. Indien de werkzaamheden plaatsvinden voordat de kleine marterachtigen een beschermde status hebben, wordt vanuit de zorgplicht aangeraden te werken buiten de kwetsbare periode van de kleine marterachtigen (kwetsbare periode loopt van circa 15 maart tot 1 september).
Datum: 22 september 2022 rapport: R22.162, versie 1.0
blad 26 van 28
Silvester van Bentum QuickScan Sibrandabuorren, Mardyk 3
7
Conclusie In opdracht van de heer Van Bentum heeft ecologisch adviesbureau JM ecologie b.v. een QuickScan uitgevoerd aan Mardyk 3 te Sibrandabuorren, gemeente Súdwest-Fryslân, provincie Friesland. De opdrachtgever is voornemens om de huidige stolpboerderij en het bijgebouw te slopen ten behoeve van de bouw van een nieuwe stolpboerderij. Daarnaast wordt op de locatie van de voormalige ligboxstal een gebouw met twee recreatieappartementen en een opslagruimte gerealiseerd. Ook wordt de werktuigenberging verplaatst. De QuickScan is uitgevoerd om eventuele strijdigheden van de beoogde werkzaamheden en de toekomstige situatie met de Wet natuurbescherming (Wnb) voor wat betreft soortenbescherming op te sporen. Daarnaast zijn effecten op een nabijgelegen weidevogelkansgebied beoordeeld. Uit de QuickScan is gebleken dat er mogelijk algemene broedvogels, een essentiële vliegroute van vleermuizen en verblijfplaatsen van de bunzing, hermelijn en wezel binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. Voor algemene broedvogels heeft het de voorkeur om buiten het vogelbroedseizoen te werken. Indien toch gestart wordt met de werkzaamheden aan het begin of te midden van het vogelbroedseizoen, dienen de maatregelen gevolg te worden zoals beschreven in paragraaf 6.1.
Voor vleermuizen dient lichtverstoring tijdens de actieve periode voorkomen te worden zoals beschreven in paragraaf 6.2. Voor de verblijfplaatsen van de bunzing, hermelijn en wezel dient nader onderzoek te worden uitgevoerd zoals beschreven in paragraaf 6.3, indien de werkzaamheden plaatsvinden na de intreding van de Omgevingswet (mogelijk in 2023). Negatieve effecten op het weidevogelkansgebied worden uitgesloten. Als ecologisch adviesbureau raden wij bij bouwprojecten altijd aan om natuurinclusief te bouwen. Dit kan onder andere door geen gebruik te maken van vogelschroot of deze enkele pannen hoger aan te brengen. Hierdoor blijven pannendaken geschikt als broedlocatie voor huismus. Door ruimte te laten tussen kantpannen en de gevel ontstaat er een ingang voor vleermuizen en gierzwaluwen om toegang tot een verblijf- of nestplaats te verkrijgen. Daarnaast zijn er tal van mogelijkheden om inbouwkasten/stenen en aangepaste dakpannen in te bouwen in de nieuwe situatie waarbij er geschikte nestlocaties en verblijfplaatsen worden gecreëerd voor (beschermde) soorten. Wilt u advies over de mogelijkheden binnen uw project, dan kunnen wij u daarover adviseren.
Gorredijk, september 2022 JM ecologie b.v.
Datum: 22 september 2022 rapport: R22.162, versie 1.0
blad 27 van 28
Silvester van Bentum QuickScan Sibrandabuorren, Mardyk 3
Geraadpleegde bronnen ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^
^
^ ^
Nationale Database Flora- en Fauna (NDFF), geraadpleegd op 8 augustus 2022. BIJ12, 2017. Kennisdocumenten. SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Netwerk Groene Bureaus & Zoogdiervereniging, 2021. Vleermuisprotocol 2021. RAVON (z.d.). Informatiepagina soorten. Geraadpleegd van https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Vlinderstichting (z.d.). Informatiepagina libellen. Geraadpleegd van https://www.vlinderstichting.nl/libellen Zoogdiervereniging (z.d.). Informatiepagina soorten. Geraadpleegd van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten Gerritsen. R., 2018. Ecologisch onderzoek Mardyk 3 Sibrandabuorren; Oriëntatie in het kader van de natuurwetgeving. Rapportnummer EM180718 Buro Wietze Dijkstra, Terherne. Zomer, H., 2019. Nader onderzoek Sibrandabuorren, Mardyk 3; vleermuisonderzoek in het kader van de soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming (Wnb). JME-rapport R19.076. JM-ecologie, Jubbega. Kroezen, E.A., 2020. Nader Onderzoek muizen Sibrandabuorren, Mardyk 3; muizenonderzoek in het kader van de soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming (Wnb). JME-rapport R20.081 JM ecologie, Gorredijk. Melis, J., 2021. Bezoekverslag nest buizerd. JM ecologie, Gorredijk. Bos., C.J., 2021. Voortoets Sibrandabuorren, Mardyk 3 ; Ecologische beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming.
Rapport R21.154 JM ecologie b.v., Gorredijk.
Datum: 22 september 2022 rapport: R22.162, versie 1.0
blad 28 van 28
Bijlage 1 - Jaarrond beschermde nesten per provincie Provincie Noord-Brabant, Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland, Gelderland, Drenthe en Utrecht Tabel 1. Jaarrond beschermde nesten in de provincies Noord-Brabant, Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland, Gelderland, Drenthe en Utrecht. Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
I
Categorie
Soort
Categorie
Soort
Categorie
4
Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eidereend Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene specht Grote bonte specht Hop
5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5
IJsvogel Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart
5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5
Huiszwaluw
5
Zwarte specht
5
4 2 3 4 2 3 3 3 4 2 3 4 1 4 4
Categorie 1: jaarrond gebruikte nesten (steenuil). Categorie 2: zeer honkvaste koloniebroeders of afhankelijk van bebouwing. Categorie 3: Zeer honkvaste broeders of afhankelijk van bebouwing (geen kolonie). Categorie 4: vogels die ieder jaar terug keren naar specifiek nest. Categorie 5: honkvaste broeders, maar voldoende flexibel. Vogels met een categorie 5 jaarrond beschermd nest worden alleen als jaarrond beschermd beschouwd wanneer hier een ecologisch zwaarwegende reden voor geldt.