CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Ruimtelijke Onderbouwing

Raadsvergadering 18 april 2024, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Ferklearring fan gjin betinksten werûntwikkeling Mardyk 3 Sibrandabuorren23.345 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

omgevingsvergunning

Sibrandabuorren Mardyk 3 Súdwest-Fryslân

RHO ADVISEURS

RHO ADVISEURS DATUM IMRO IDN

21-09-2022 NL.IMRO.1900.xxx-0001

PROJECT PROJECTLEIDER

Mardyk 3 Sibrandabuorren J. Tromp

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

20220911

AUTEUR STATUS

M. Smalbrugge concept

Inhoudsopgave

Ruimtelijke motivering Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1.

Aanleiding

1.2.

Projectgebied

1.3.

Geldend bestemmingsplan

1.4.

Procedure

1.5.

Leeswijzer

Hoofdstuk 2

Projectbeschrijving

2.1.

Huidige situatie

2.2.

Gewenste situatie

2.3.

Verkeer en parkeren

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1.

Rijksbeleid

3.2.

Provinciaal beleid

3.3.

Gemeentelijk beleid

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

4.1.

Milieuzonering

4.2.

Geluid

4.3.

Ecologie

4.4.

Water

4.5.

Luchtkwaliteit

4.6.

Bodem

4.7.

Archeologie

4.8.

Cultuurhistorie

4.9.

Kabels en leidingen

4.10.

Externe veiligheid

4.11.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Hoofdstuk 5

3/171

Uitvoerbaarheid

5.1.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.

Economische uitvoerbaarheid

5 7

11

17

27

43

Hoofdstuk 6

Afweging en conclusie

Bijlagen toelichting

45 47

Bijlage 1

Stikstofberekening

49

Bijlage 2

QuickScan ecologie

69

Bijlage 3

Bodemonderzoek

105

Bijlage 4

Bouwtekeningen

161

Bijlage 5

Watertoets

163

Besluittekst

4/rn

171

Ruimtelijke motivering

5/171

6/171

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1. Aanleiding Aan de Mardyk 3 te Sibrandabuorren ligt een voormalig agrarisch bedrijfsperceel. De initiatiefnemer is gestopt met de agrarische bedrijfsvoering en heeft het plan de voormalige boerderij regulier te bewonen, daarnaast is het voornemen om in de voormalige ligboxenstal twee recreatieappartementen te realiseren. Het project is in strijd met het geldende bestemmingsplan, zie hiervoor paragraaf 1.3. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te kunnen maken, wordt een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan aangevraagd. Bij deze aanvraag moet worden onderbouwd dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet daarin.

1.2. Projectgebied Het projectgebied, Mardyk 3 te Sibrandabuorren, ligt aan het Sneekermeer ten noordwest van het dorp Terherne. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Rauwerd, sectie K en perceelnummer 546 en 548. In figuur 1.1 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van de omgeving weergeven.

Figuur 1.1 ligging projectgebied (bron PDOK.nl).

1.3. Geldend bestemmingsplan Het projectgebied is momenteel geregeld in het bestemmingplan is 'Bestemmingsplan Buitengebied 2008' vastgesteld op 22 december 2010 en in het deel aangepaste bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied 2008 tweede partiële herziening' vastgesteld op 21 mei 2013. In figuur 1.2 is een uitsneden van het geldende bestemmingsplan weergeven. Het projectgebied is bestemd met de bestemming 'Agrarisch gebied'. De rode pijlen (zie figuur 1.2) geven de gewenste bouwrichting aan. Op en

7/171

deels buiten het projectgebied bevindt zicht een gebied dat is aangeduid als 'kampeerterrein' (kt). De voor 'Agrarische gebied' bestemde gronden zijn onder andere bestemd voor agrarische cultuurgronden, agrarische bedrijven al dan niet in combinatie met een bedrijfswoning. Op de gronden die zijn voorzien van de aanduiding 'kampeerterreinen' is tevens verblijfsrecreatie in de vorm van 15 standplaatsen voor kampeermiddelen toegestaan.

Figuur 1.2 Uitsnede bestemmingsplan 'Bestemmingsplan buitengebied 2008' (bron: ruimtelijkeplannen.nl). Op 21 mei 2013 heeft de gemeenteraad van Boarnsterhim het 'Bestemmingsplan Buitengebied 2008 Tweede partiele herziening' vastgesteld. In de herziening zijn begripsbepaling aangepast van het 'Bestemmingsplan Buitengebied 2008', het gaat om artikel 1, onder d, e en l. Bij artikel 1 is een begrip toegevoegd met betrekking tot het hobbymatig houden van vee. Daarnaast is de bestemming 'woonboerderij' en 'natuurgebied' aangepast.

Voorontwerp bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II' Op 25 augustus 2022 heeft de gemeente Súdwest Fryslân het voorontwerp bestemmingsplan 'Bestemmingsplan buitengebied Súdwest Fryslân II' voor inspraak ter inzage gelegd. Omdat dit bestemmingsplan nog een voorontwerp betreft en niet is vastgesteld kan (nog) geen gebruik worden gemaakt van dit bestemmingsplan. Wel geeft dit bestemmingsplan de intentie van de gemeente Súdwest Fryslân voor het projectgebied weer. In dit voorontwerp bestemmingsplan is het projectgebied bestemd met de bestemming 'Wonen Woonboerderij' en voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein. Daarnaast heeft het projectgebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - landschap verkaveling'. Op basis van dit voorontwerp bestemmingsplan is ter plaatse van het projectgebied één (regulier) woning toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein' zijn bestaande verblijfsrecreatie voorzieningen in de vorm van een kampeerterrein met maximaal 15 standplaatsen/

8/171

kampeermiddelen toegestaan. In de periode 1 november tot 14 maart zijn geen kampeermiddelen toegestaan.

1.3.1

Strijdigheid met het geldende bestemmingsplan

Conform het geldende bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied 2018' is het niet toegestaan om binnen de bestemming 'Agrarisch gebied' regulier te wonen. Tevens zijn de twee recreatieappartementen, in de voormalige ligboxenstal, in strijd met het geldende bestemmingsplan. Om de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied mogelijk te maken, dient een ruimtelijke procedure te worden doorlopen.

1.4. Procedure Er is voor gekozen om een procedure artikel 2.12, onder 1, lid a, sub 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor het project te volgen. Met een dergelijke procedure wordt een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van een geldend bestemmingsplan. Een omgevingsvergunning herziet het bestemmingsplan niet, maar is te beschouwen als een uitzondering die wordt gemaakt ten aanzien van de regels zoals die zijn opgenomen in het geldende bestemmingsplan. Bij een aanvraag omgevingsvergunning uitgebreide procedure op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) moet worden onderbouwd dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet daarin.

1.5. Leeswijzer Na deze inleiding wordt in Hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige situatie, de gewenste ontwikkelingen en ruimtelijke inpassing daarvan. In Hoofdstuk 3 worden de uitgangspunten getoetst aan het, voor het project relevante, beleid op de verschillende niveaus. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 worden de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het project besproken. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 een beknopte samenvatting en conclusie van de ruimtelijke onderbouwing weergegeven.

9/171

10/171

Hoofdstuk 2

Projectbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling, binnen de context van de huidige situatie.

2.1. Huidige situatie De aanvraag heeft betrekking op de Mardyk 3 te Sibrandabuorren. Dit perceel ligt aan het Sneekermeer ten Noordwesten van het dorp Terherne. De omgeving kenmerkt zich als agrarisch gebied. Het projectgebied betreft een voormalige veehouderij. Voor op het erf, grenzend aan de Mardyk, staat een verouderde stolpboerderij. De indeling is traditioneel: de voorzijde de woning met aan de achterzijde de schuur. In 1966 is aan de noordoostzijde een uitbreiding gerealiseerd. Links van de stolpboerderij is de voormalige ligboxenstal en de werktuigenloods gesitueerd. Door de jaren heen zijn de ligboxenstal en stolpboerderij sterk verouderd. Achter op het terrein(buiten het projectgebied, grenzend aan het landelijk gebied en een aftakking van de Tersoalster Sylroede bevindt zich een klein kampeerterrein met ruimte voor 15 kampeerplaatsen. De ligboxenstal is weergegeven in figuur 2.1 en de stolpboerderij in 2.2. Het kampeerterrein is weergeven in figuur 2.3.

Figuur2.1. Ligboxenstal (bron Google Street View)

11/171

Figuur2.2. Bedrijfswoning gezien vanaf de Mardyk (zuidkant) (bron Google Street View).

Figuur2.3. Camping gezien vanaf de Mardyk oostkant, met rechts de woning (bron Google Street View).

2.2. Gewenste situatie Het voornemen betreft in het regulier bewonen van de stolpboerderij, de realisatie van twee recreatieappartementen in de voormalige ligboxenstal, het verplaatsen van de werktuigenberging en het verwijderen van twee mestsilo's. Het huidige kampeerterrein met 15 standplaatsen blijft bestaan. De gewenste inrichting is weergegeven in figuur 2.4. Verderop in deze paragraaf wordt apart ingegaan op de verschillende onderdelen.

12/171

Figuur 2.4. Concept gewenste inrichting projectgebied (bron Ontwerpbureau Wietze Dijkstra).

Stolpboerderij Gezien de bouwkundige staat van deze stolpboerderij is de initiatiefnemer genoodzaakt om de boerderij volledig te ver- en herbouwen, en zal het in 1966 gebouwde deel worden gesloopt. In de nieuwe situatie is het de bedoeling om de boerderij dusdanig te verbouwen, dat er in de huidige boerderij een woning gerealiseerd kan worden. Met dit voornemen wordt op de locatie weer een volwaardige stolpboerderij teruggebracht in het landschap. De tekeningen van de nieuwe boerderij staan weergegeven in figuur 2.5. Zoals beschreven heeft is het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan buitengebied Súdwest Fryslân II' nog niet vastgesteld en kent het nog geen juridische status. Wel kan op basis van dit bestemmingsplan worden aangenomen dat de gemeente voornemens is op deze locatie regulier wonen toe te staan.

13/171

Figuur2.5. Aanzichten nieuwe Stolpboerderij (bron: Ontwerpburo Wietze Dijkstra).

Ligboxenstal Ook de huidige ligboxenstal is bouwkundig in slechte staat. Het voornemen is dan ook om de ligboxenstal groot en deels te verwijderen. Op de bestaande fundering wordt een nieuw gebouw de vorm van een 'ligboxenstal' gerealiseerd. In het nieuwe gebouw worden twee recreatieappartementen en een berging gerealiseerd. Deze nieuwe berging wordt onder andere gebruikt voor de opslag van materiaal. De tekeningen van de voormalige/ nieuwe ligboxenstal worden weergegeven in figuur 2.6.

Figuur2.6. Aanzichten nieuwe/ voormalige ligboxenstal(bron: Ontwerpburo Wietze Dijkstra).

Werktuigenberging Voor een goede landschappelijke inpassing is in overleg met de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit 'Hûs en hiem' besloten de huidige werktuigen berging te verplaatsen. De commissie achtte het voor de positie van de te hergebruiken berging van belang dat er een voldoende ondergeschikte positie met goede landschappelijke inpassing zou worden gezocht waarbij het erf bijvoorbeeld

14/171

een nieuwe grens zou krijgen door het omleggen van een sloot en het volume zou worden voorzien van een dakoverstek rondom.

2.3. Verkeer en parkeren Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Daartoe worden berekeningen uitgevoerd op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen' (publicatie 381) van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. De kencijfers van het CROW zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Specifiek voor de parkeernormen wordt aangesloten op het gemeentelijk beleid. Met de beoogde ontwikkeling wordt aan het gebied 2 recreatieappartementen toegevoegd. In de huidige situatie is reeds een (bedrijfs)woning en kampeerterrein met 15 standplaatsen aanwezig. Voor het onderdeel parkeren hoeft officieel alleen gekeken te worden naar nieuwe activiteiten. Voor de volledigheid wordt hieronder ingegaan op alle activiteiten binnen het projectgebied.

Wonen In de gemeentelijke 'Parkeernormennota Súdwest-Fryslân 2018' is opgenomen dat voor woningen in het koopsegment met een woonoppervlak van meer dan 100 m2 een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per woning geldt en 0,3 voor bezoekers. De benodigde parkeerplaatsen komt neer op 2,3 parkeerplaatsen. Recreatie In

de

gemeentelijke

'Parkeernormennota Súdwest-Fryslân

2018'

zijn geen

cijfers

opgenomen

voor

recreatieappartementen. De gemeente verwijst voor andere functies die niet vermeld zijn naar de meeste recente CROW-publicatie. Waarbij de uitgangspunten zijn: matig stedelijk, tussen het gemiddelde en maximale parkeerkencijfer. De berekening is uitgevoerd aan de hand van het functietype 'Bungalowpark (huisjescomplex)'. Voor deze categorie geldt een parkeernorm van 2,1 per huisje. Bij de berekening met een parkeercijfer van 2,1 is de parkeerbehoefte 4,2 dit wordt afgerond tot 4,2 parkeerplaatsen. Kampeerterrein In de huidige situatie is reeds een kampeerterrein met 15 plaatsten aanwezig. Op basis van het CROW bedraagt de parkeerbehoefte voor een kampeerterrein 1,2 per plaats. Dit komt neer op 18 parkeerplaatsen. Totale parkeerbehoefte In de eindsituatie bedraagt de parkeerbehoefte voor alle activiteiten binnen het projectgebied 25 (24,5)

15/171

parkeerplaatsen. De toename in de parkeerbehoefte bedraagt 4,2 parkeerplaatsen (recreatieappartementen) Op het erf is voldoende ruimte om te voldoen aan de parkeernorm. Gelet hierop wordt gesteld dat voldaan kan worden aan de parkeernormennota.

Verkeersgeneratie Voor de

verkeersgeneratie wordt aangesloten

op

de

CROW-kencijfers waarbij voor de

gemeente

Súdwest-Fryslân uitgegaan wordt van een stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk' (bron: CBS Statline). Gezien de ligging van het projectgebied in/bij de plaats Sibrandabuorren kan het gebied aangemerkt worden als 'buitengebied'. Waarbij één vrijstaande woningen aangesloten wordt op de norm voor een ' vrijstaande koophuis'. En twee recreatieappartementen worden aangesloten op de norm 'Bungalowpark (huisjescomplex). Voor de volledigheid wordt hieronder ingegaan op alle activiteiten binnen het projectgebied. Wonen Op basis van de CROW-kencijfers dient voor de woningen rekening gehouden te worden met een toename in de verkeersgeneratie van afgerond 17 mvt/etmaal. Daarentegen neemt het aantal zware verkeersbewegingen van vrachtwagens en tractoren af aangezien de bedrijfsactiviteiten worden beëindigd. Recreatie Op basis van de CROW-kencijfers dient voor de recreatiewoningen rekening gehouden te worden met een toename in de verkeersgeneratie van afgerond 6 mvt/etmaal. Kampeerterrein Op basis van het CROW bedraagt de verkeersgeneratie voor een kampeerterrein 0,4 per plaats. Dit komt neer op 6 mvt/etmaal/ Totale verkeersgeneratie In de eindsituatie bedraagt de totale verkeersgeneratie voor alle activiteiten binnen het projectgebied 29 mvt/etmaal. De toename in de verkeersbewegingen bedraagt 6 mvt/etmaal. Het projectgebied is direct ontsloten op de Mardyk.

Deze weg heeft voldoende capaciteit om de toename in verkeersgeneratie (6 mvt/etmaal) af te wikkelen. Dit is een geringe toename. Gelet op de verkeersbewegingen als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen problemen verwacht met de verkeersafwikkeling of verkeersveiligheid

ter

hoogte

van

het

projectgebied.

Mardyk

is

voldoende

uitgerust

om

deze

verkeersbewegingen af te wikkelen.

Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er voldaan wordt aan het de parkeernormen en de verkeersgeneratie.

16/171

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1. Rijksbeleid 3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft richting voor keuzes, inspireert, stelt kaders en zorgt voor een integrale aanpak van strategische opgaven in de fysieke leefomgeving. Vier prioriteiten staan centraal: 1.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;

2.

een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel;

3.

sterke en gezonde steden en regio's;

4.

een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De NOVI stelt een integrale aanpak voor, waarbij samengewerkt wordt met andere overheden en maatschappelijke organisaties. De opgaven rond wonen, klimaat, energie, circulaire economie, verkeer en vervoer en landbouw zijn zo groot en ingewikkeld dat meer sturing vanuit het Rijk nodig is. Behoud van omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle ontwikkelingen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid plaatsvinden. De NOVI maakt hierbij gebruik van drie afwegingsprincipes: 1.

combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;

2.

kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;

3.

afwentelen wordt voorkomen.

Het rijk heeft de volgende inhoudelijke keuzes vastgelegd in de NOVI: 1.

een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Daarvoor is nodig dat functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) worden ingepast;

2.

de transitie van de energievoorziening, bij de inpassing van duurzame energie is er oog voor de omgevingskwaliteit;

3.

de transitie naar een circulaire economie met behoud van concurrentiekracht en een aantrekkelijk vestigingsklimaat;

4.

de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland; hiermee stuurt het rijk op de verstedelijking in samenhang met bereikbaarheid. Woningbouw wordt versneld met oog voor omgevingskwaliteit;

5.

5. concentratie van de stedelijke ontwikkeling/logistieke functies en behoud van de openheid van het landschap;

6.

herindeling van het landelijk gebied in evenwicht met natuur en landschap.

7.

Werken aan de omslag naar de kringlooplandbouw.

17/171

Doorwerking in onderhavig project. Met onderhavig project zijn geen nationale belangen in het geding: onderhavig plan heeft geen betrekking op één van de dertien nationale belangen uit de NOVI.

3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 als motiveringseis opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2). Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stede lijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. stedelijke ontwikkeling: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In de ladder is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling.

Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).

Toetsing Het project ligt buiten het bestaand stedelijk gebied. In paragraaf 3.3 is gemotiveerd dat de voorgenomen appartementen passen binnen de woonvisie van de gemeente Súdwest-Fryslân. Daarmee wordt voorzien in de behoefte die de gemeente in haar woonvisie schetst. Het voornemen is hiermee in overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het beoogde plan niet strijdig is met het rijksbeleid.

18/171

3.1.3

Besluit algemene regels ruimtelijk ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het geldende nationale beleid. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan of ruimtelijke ontwikkeling bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Het Barro is op 1 oktober 2012 in werking getreden. Binnen het Barro worden de volgende onderdelen besproken: *

Rijksvaarwegen;

«

Project Mainportontwikkeling Rotterdam;

*

Kustfundament;

*

Grote rivieren;

«

Hoofdwegen en landelijke spoorwegen;

*

Elektriciteitsvoorziening;

*

Waddenzee en waddengebied;

«

Defensie;

*

Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;

«

Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde;

*

Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen

Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. De nationale belangen zoals geformuleerd in het Barro zijn geen onderdeel van onderhavige ontwikkeling niet in het geding.

3.1.4

Algemene conclusie

In het rijksbeleid zijn geen bezwaren gevonden. Het rijksbeleid sluit aan met het beoogde plan.

3.2. Provinciaal beleid 3.2.1

De Romte Diele 2020

De Omgevingsvisie is een van de nieuwe instrumenten uit de Omgevingswet. De visie omvat het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving op een hoog abstractieniveau, voor de lange termijn en is op 23 september 2020 vastgesteld. Het is geen blauwdruk voor hoe Fryslân er over 20/30 jaar uit ziet. In de visie is aangegeven waar de provincie heen wil: de ambitie en doelen voor de toekomst. Hoe dit gestalte moet krijgen is niet precies aangegeven. Wel geeft de visie de richting aan waar de provincie met allerlei partijen naar toe wil werken. Samen met verschillende organisaties, inwoners en ondernemers in Fryslân geeft de provincie invulling aan deze visie. Dit gebeurt in programma's, concrete projecten en initiatieven, en zo nodig ook in regels.

19/171

De visie vervangt het strategisch beleid uit het Streekplan, Milieubeleidsplan, Waterbeheerplan en het Verkeers- en Vervoersplan. Bovendien is de provinciale Natuurvisie, die bestaat sinds de Natuurbeschermingswet (2017) is vereist, hierin opgenomen. In de visie is aangegeven wat de provincie doet om de huidige basiskwaliteiten van de Friese leefomgeving op orde te houden. Daarnaast wil de provincie extra inzetten op vier urgente, integrale opgaven: *

Fryslân vitaal, leefbaar en bereikbaar houden;

*

Energietransitie met kracht voortzetten;

«

Fryslân klimaatadaptief inrichten;

*

Versterken biodiversiteit.

De provincie zet in op slimme groei van de gastvrijheidseconomie. Door slimme groei kan toerisme in 2030 in Fryslân een bijdrage leveren aan het bevorderen van de leefbaarheid, natuur- en cultuurerfgoed en werkgelegenheid. De accenten verschillen per regio. Fries merengebied wordt ingezet op het verbreden van het watersportproduct met nieuwe innovatieve combinaties tussen land- en waterrecreatie en nieuwe vormen van waterrecreatie. Er is behoefte aan vernieuwend ondernemerschap en nieuw ondernemerschap. Zoveel mogelijk dienen recreatieve functies en voorzieningen complementair aan elkaar zijn: niet meer van hetzelfde, maar aanvullingen die het aanbod completeren en met elkaar verbinden. Onder meer door hergebruik van karakteristieke bebouwing. De inpassing ervan in de omgeving gebeurt op basis van maatwerk. Projecten dienen verantwoord in de landschappelijke en natuurlijke omgeving te worden ingepast.

Toetsing Het initiatief draagt bij aan de slimme groei van de gastvrijheidseconomie. Het plan en de inpassing gebeurt op basis van maatwerk waarin rekening wordt gehouden met de landschappelijke en natuurlijke omgeving. De karakteristieke bebouwing blijft zoveel mogelijk intact. Het plan voldoet aan de eisen gesteld in de omgevingsvisie.

3.2.2

Grutsk op 'e romte

De provinciale Staten hebben op 26 maart 2014 het document Gursk op 'e Romte als thematische structuurvisie over het landschap en cultuurhistorie vastgesteld. In deze thematische structuurvisie zijn de landschappelijke en cultuurhistorische structuren die van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd en gewaardeerd. Het doel hiervan is behoud en verder ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, inspireren en adviseren. Op deze wijze verwacht de provincie Friesland de doorwerking van de provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten, rijk en provincie te borgen.

Toetsing De voorgenomen ontwikkeling tast de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten niet aan. In paragraaf 4.8 wordt hier nader op ingegaan

20/171

3.2.3

Verordening Romte Fryslân 2014

Op 21 februari 2018 is de Verordening Romte Fryslân 2014 gewijzigd vastgesteld. Deze wijzigingsverordening is een hernieuwde vaststelling van de verordening uit 2014. In de verordening zijn concrete regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen (uit het streekplan, maar ook daarna opgestelde structuurvisies) doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. In de verordening is onder meer de grens tussen het bestaand stedelijk gebied en landelijk gebied vastgelegd. In stedelijk gebied bestaat een grotere mate van beleidsvrijheid wat betreft de ruimtelijke ordening dan in het landelijk gebied. De Provincie Fryslân wil met de ruimtelijke ontwikkeling van Fryslân de provincie mooier maken en tegelijkertijd de economische structuur versterken. In de Verordening Romte 2014 is opgenomen dat een ruimtelijk plan invulling moet geven aan de blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. De locatie is gelegen in het landschapstype Klei op veengebied. Het gebied kenmerkt zich door een lage ligging en een open landschap, met plaatselijk ijle bebouwingslinten en hemdijken met hieraan boerderijen. De beplanting bevindt zich vooral rond erven en bewoningslinten en is schaars langs wegen.

In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen cultuurhistorische onderdelen aanwezig volgens de Friese Cultuur Historische kaart. Voor onderhavige ontwikkeling zijn artikel 1.2. (hergebruik vrijkomende (niet-) agrarische bebouwing), artikel 5.5.1 (kleinschalige dag- en verblijfrecreatie) van toepassing. Toetsing artikel 1.2 Met onderhavige ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van vrijkomende agrarische bebouwing. Op basis van sub 2, a is een woning toegestaan voorzover deze woning wordt gerealiseerd in de voormalige bedrijfswoning. Met onderhavige ontwikkeling wordt de woning gerealiseerd in de voormalige boerderij woning. Daarmee voldoet dit onderdeel aan artikel 1.2 sub 2 onder a. In de voormalige ligboxenstal worden twee reactie appartementen mogelijk gemaakt. Op basis van sub 2 onder b, is dit toegestaan mist wordt voldaan aan artikel 5.5.1. Toetsing artikel 5.5.1 Op basis van artikel 5.5.1 sub 1 onder b zijn maximaal 15 recreatiewoningen toegestaan in bestaande bebouwing op het erf van een agrarische, woningen of bedrijf. Met onderhavige ontwikkeling worden twee recreatieappartementen in bestaande bebouwing op een bestaand agrarische/ woonerf mogelijk gemaakt.

3.2.4

Algemene conclusie

In het provinciale beleid zijn geen bezwaren gevonden. Het provinciale beleid sluit aan met het beoogde plan.

3.3. Gemeentelijk beleid 3.3.1

Omgevingsvisie 1.0 'Oars tinke yn Súdwest' (2021)

De gemeenteraad van Súdwest-Fryslân heeft op 29 april 2021 de Omgevingsvisie 1.0 'Oars tinke yn Súdwest': samenwerken aan een gezonde leefomgeving' vastgesteld. De Omgevingsvisie 1.0 voldoet aan de artikelen 4.9 en 4.10 van de Invoeringswet Omgevingswet. In de overgangswetgeving Omgevingswet, krijgt een structuurvisie op basis van de Wro automatisch de status van een Omgevingsvisie op basis van de Omgevingswet wanneer deze van kracht wordt. Deze visie is tot stand gekomen met de inwoners en ketenpartners van Súdwest Fryslân.

21/171

De Omgevingsvisie 1.0 schetst de hoofdlijnen van de ontwikkelingsrichting voor de woon- werk- en leefomgeving op de langere termijn. De Omgevingsvisie helpt om keuzes te maken bij ontwikkelingen die de fysieke leefomgeving beïnvloeden en nodigt uit tot ontwikkelingen. Met deze Omgevingsvisie kan de gemeente beoordelen of ontwikkelingen en projecten bij Súdwest-Fryslân passen. De Omgevingsvisie 1.0 bestaat uit vijf thema's: *

gezonde vitale mensen in een gezonde en veilige omgeving;

*

sterke kernwaarden: cultureel erfgoed, natuur, weids en waterrijk landschap;

«

veerkrachtige en leefbare wijken, dorpen en steden;

*

vitaal en aantrekkelijk landschap;

*

duurzaam, energieneutraal en klimaatadaptief.

De gemeenteraad heeft in de Omgevingsvisie 1.0 de kaders op hoofdlijnen voor toekomstige ontwikkelingen vastgesteld. De maatregelen om de vastgestelde thema uit te kunnen werken worden beschreven in, samen met de ketenpartners, op te stellen omgevingsprogramma's. Dit om de ambities uit de Omgevingsvisie 1.0 dichterbij te brengen. Het College van B&W stelt de omgevingsprogramma's vast. Zoals in de thema-onderdelen van de Omgevingsvisie benoemd, worden de volgende omgevingsprogramma's opgesteld: *

Gezond Wonen;

*

Omgevingskwaliteit;

«

Vitaal landschap;

*

Klimaatmitigatie;

*

Klimaatadaptatie.

Recreatie 'In Súdwest-Fryslân is het écht genieten. Om er te wonen en te recreëren. En er is voor alle leeftijden van alles te zien en te beleven. In de directe woonomgeving kun je genieten van de rust en de ruimte. Er zijn paden genoeg om erop uit te gaan, te ontspannen en de frisse lucht op te snuiven. En in Súdwest-Fryslân kun je genieten van het schone water in de meren. ' Kerken en boerderijen: behoud en herbestemmen 'Kernen, kerken en boerderijen zijn herkenbare, historische punten in onze open, weidse gemeente. Súdwest-Fryslân respecteert die. Veel kerken in Súdwest-Fryslân stammen uit de middeleeuwen en hebben de status van een monument. Kerken zijn van oudsher belangrijk voor de mienskip. Ze dragen bij aan de leefbaarheid van een kern. Mensen komen er samen. Ze trouwen, rouwen, feesten en recreëren er. Als zulke belangrijke gebouwen hun functie verliezen en leeg komen te staan, denkt Súdwest-Fryslân mee over herbestemming.'

Toetsing Het te renoveren van de gebouwen draagt bij aan een vitaler landschap. Het renoveren zorgt voor een aantrekkelijker uitstraling van het projectgebied. De gemeente wil leegstand en vervallen boerderijen voorkomen door in te zetten op herbestemming. Het

22/171

realiseren van recreatieappartementen in een voormalige ligboxenstal en het regulier bewonen van de voormalige boerderij, waarbij de bestaande bebouwing gronden worden gerenoveerd/ herbouwd dragen bij aan deze doelstelling.

3.3.2

Agenda duurzame ontwikkeling

In juli 2018 is de 'Agenda Duurzame Ontwikkeling' vastgesteld door de gemeenteraad. De gemeente Súdwest-Fryslân staat net als andere overheden voor een grote opgave op het gebied van duurzame ontwikkeling. We werken toe naar een energie- en klimaatneutrale samenleving met een circulaire economie. De Agenda omvat een groot aantal uiteenlopende ambities die als kader dienen voor de komende jaren, variërend van alle woningen energieneutraal in 2030 tot ÏOO1^ afvalvrije festivals. De agenda richt zich op 5 specifieke onderdelen: 1. Anders Wonen 2. Anders van A naar B 3. Anders Produceren 4. Anders Energie opwekken 5. Zelf Anders

Toetsing Onderhavige ontwikkeling draagt op kleine schaal mee aan de agenda duurzame ontwikkeling. Op het erf zijn namelijk twee verouderen, niet duurzame, gebouwen aanwezig. Met onderhavige ontwikkeling worden deze twee gebouwen, de ligboxenstal en de boerderij, herbouwd. Door de herbouw van deze twee gebouwen is het mogelijk deze gebouwen te voorzien van goede isolatie, zonnepanelen en andere nieuwe duurzame instanties. waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van bestaande bouwkundige elementen. De ontwikkeling stuit daarmee aan bij de ambities uit de agenda duurzame ontwikkeling.

3.3.3

Woonvisie 2017 - 2022

Op 20 juli 2017 is de Woonvisie vastgesteld door de gemeenteraad. Deze visie vormt het uitgangspunt voor het woonbeleid. In 2019 is door de gemeenteraad een ambitiedocument met een visie op het woningbouwvraagstuk vastgesteld. Het ambitiedocument is een aanscherping op de woonvisie in verband met de marktomstandigheden. In de woonvisie wordt niet specifiek ingegaan op wonen in het buitengebied. De onderstaande uitgangspunten zijn leidend als het gaat om woningbouw:

Zuinig ruimtegebruik, Herbestemmen en transformeren gaat voor nieuwbouw, Inbreiding (bouwen binnen bestaande bebouwing) gaat voor uitbreiding, De gemeente is geen uniforme woningmarkt, we onderscheiden zes deelgebieden met hun eigen woningmarktdynamiek, In alle kernen blijft woningbouw mogelijk, de gemeente ondersteunt plaatselijke initiatieven actief. Algemeen uitgangspunt van de provincie, die de gemeente volgt in haar beleid, is dat er in het landelijk gebied geen nieuwe woningen bij mogen komen. Een uitzondering daarop geldt voor onderbrengen van een of meerdere nieuwe woningen in karakteristieke, voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. De provincie vindt deze afwijking gerechtvaardigd omdat dit een middel kan zijn voor het behoud van karakteristieke bebouwing

23/171

en tegelijkertijd zorgt voor nieuwe sociale en economische dragers in het landelijk gebied waarmee kapitaalvernietiging kan worden voorkomen. Het is voor de landschappelijke waarden van belang om karakteristieke elementen van voormalige agrarische bebouwing te behouden.

Conclusie De beoogde ontwikkeling betreft transformatie van bestaande bouw en geen nieuwbouw, ook worden er geen extra woningen aan het gebied toegevoegd. Het initiatief sluit aan bij het gemeentelijk beleid.

3.3.4

Visie Recreatie en Toerisme

Súdwest-Fryslân staat bekend als een kwalitatief hoogwaardig gebied voor (actieve vormen van) toerisme en recreatie met een zeer gevarieerd en levendig aanbod. Deze variatie en levendigheid is gerealiseerd door een gezamenlijke inzet met de sector op betere verbindingen tussen toeristisch aanbod op het gebied van land en water, kunst en cultuur. De ontwikkelingsstrategieën uit de visie zijn gericht op het creëren van meer (afwisseling in) belevenissen door verbindingen te leggen tussen het bestaande aanbod en door verbindingen te leggen tussen alle partijen die daarbij betrokken zijn: «

Geef de bezoeker een gevoel van 'thuiskomen' en 'zichzelf kunnen zijn';

*

Benut de rijkdom van het 'water', het landschap en de steden;

*

Organiseer avontuurlijker actieve vormen van recreatie;

«

Gebruik verhaallijnen om de gast nieuwe ervaringen te laten beleven.

In het projectgebied wordt op meerdere onderdelen ingezet op recreatieve voorzieningen. Daarmee past onderhavige ontwikkeling binnen de visie recreatie en toerisme.

3.3.5

Welstandsnota Súdwest-Fryslân

De gemeente Súdwest-Fryslân heeft voor de toetsing van bouwwerken de welstandsnota Súdwest-Fryslân opgesteld. Hierin zijn welstandscriteria opgenomen waaraan nieuwe ontwikkelingen getoetst moeten worden. Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van Súdwest-Fryslân. Deze criteria zijn gebaseerd op de plaatselijke identiteit en het architectonisch vakmanschap en de ruimtelijke kwaliteit zoals die in de bestaande situatie worden gebruikt. Onderhavige projectgebied is onderdeel van het buitengebied. in de welstandsnota wordt specifiek ingegaan op het buitengebied. Het beleid is vooral gericht op beheer en versterking van de bestaande situatie. Daarnaast worden ruimtelijke ontwikkelingen gestuurd op de volgende uitgangspunten: *

Versterken van de grootse openheid van het klei- en veengebied en de meren;

*

Aandacht voor detail binnen het grootschalig landschap;

m

Versterken van het contrast tussen binnendijks en buitendijks gebied;

24/171

Behoud van authenticiteit en eenvoud; Ruimte voor dynamiek, experiment en contrast. In de welstandsnota zijn voor boerderij objectgerichte criteria opgenomen. Boerderijen De boerderijen komen vanwege hun bijzondere betekenis voor de gemeente in aanmerking voor extra aandacht bij de planbeoordeling. De algemene lijn is gericht op het handhaven van de bestaande kwaliteiten. Bij nieuwe boerderijbouw, waarbij ruimte is voor een eigentijdse invulling, ligt het accent op zorgvuldige inpassing in het landschap.

Toetsing Onderhavige ontwikkeling betreft herbouw/ renovatie van een bestaande boerderij. Met het ontwerp, zoals weergeven in paragraaf 2.2, is rekening gehouden met de ontwikkel criteria zoals opgenomen in de welstandsnota.

3.3.6

Erfgoednota 2021-2026

In de erfgoednota beschrijft de gemeente hoe zij haar unieke cultuurhistorische waarden willen behouden en benutten. Voor het gezamenlijk vorm geven aan de toekomst van ons erfgoed is deze Erfgoednota opgesteld. Voor het instandhouden en herstel van haar erfgoed heeft de gemeente meerdere uitgangspunten opgesteld: «

Zuinig zijn op het erfgoed: Behoud in situaties daar waar kan Erfgoed is onderhevig aan verval, want vaak zijn de objecten niet voor de eeuwigheid gebouwd. Centraal bij de omgang met erfgoed staat dan ook de instandhouding daarvan. Hierbij dient altijd zoveel mogelijk te worden gestreefd naar het plegen van regelmatig onderhoud, zodat ingrijpende en dure restauraties zo lang mogelijk worden uitgesteld.

«

Duurzaam erfgoed: Onze leefomgeving is altijd in transitie en zuinig met energie omgaan is van alle tijden. Erfgoed laat dat goed zien. Behoud van de cultuurhistorische waarden is zo duurzaam mogelijk.

*

Erfgoed als inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen met respect voor het eigene: In de steden, de dorpen en het landschap zijn transformaties aan de orde van de dag. De uitdaging is om die op een vanzelfsprekende manier op het bestaande aan te sluiten, zodat de samenhang wordt versterkt en gebieden hun specifieke kwaliteiten behouden. De eigen identiteit van de plek als uitgangspunt en inspiratiebron, biedt de juiste balans voor leefbare en duurzame oplossingen voor ruimtelijke ontwikkelingsopgaven

25/171

3.3.7

Algemene conclusie

De uitgangspunten van de erfgoednota worden zo goed mogelijk opgevolgd. De boerderij is echter in dusdanige slechte staat dat renovatie niet meer haalbaar is. Wel is het uitgangspunt om zoveel mogelijk kenmerkende elementen terug te laten komen in de nieuwe stolpboerderij, zodat het voldoet aan de eisen gesteld door het gemeentelijk erfgoedbeleid. In de bouwtekeningen is te zien dat de kenmerken horende bij een stopboerderij terugkomen in het ontwerp. In het gemeentelijk beleid zijn verder geen bezwaren gevonden. Het gemeentelijk beleid sluit aan met het beoogde plan.

26/171

Hoofdstuk 4 4.1.

Omgevingsaspecten

Milieuzonering

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In de VNG-brochure wordt onderscheid gemaakt tussen een rustige woonwijk en een gemengd gebied. Voor een rustige woonwijk wordt een strenger toetsingsregime gehanteerd, met een richtwaarde van 45 dB bij woningen. Voor een gemengd gebied is dit 50 dB. Een rustige woonwijk is een gedefinieerd als een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Hier komen naast wijkgebonden functies, geen ander functies, zoals bedrijven en voorzieningen voor. Ook is er weinig verstoring door verkeer. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen hier ook andere functies, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor.

Toetsing Om een afweging te maken is het van belang te kijken welke objecten en functies zich in de nabijheid bevinden van het projectgebied. Interne werking Met onderhavige ontwikkeling worden geen nieuwe gevoelige objecten mogelijk gemaakt. Recreatiewoningen worden namelijk niet gezien als gevoelig objecten. Daarnaast is het bewonen van de boerderij in de huidige situatie reed mogelijk. Het wijzigen van bedrijfs naar regulier veranderd deze situatie niet. Voor de goede ruimtelijke ordening wordt hieronder wel ingegaan op de omliggende bedrijven en de eventuele effecten hiervan. Aan de Grienedyk 4 Tersoal bevindt zich een veehouderij en deze ligt op circa 680 meter van het projectgebied. Dit bedrijft valt onder de categorie 'Fokken en houden van rundvee ' en heeft de milieucategorie van 3.2 met de bijbehorende richtafstand van 100m. Het projectgebied ligt buiten de gestelde richtafstand. Aan de Wjitteringswei 25 te Irnsum bevindt zich het recreatiebedrijf Jachthaven Sneekerhof, dit ligt op circa 356 meter van het projectgebied. Dit bedrijf valt in milieucategorie 3.1 en daarbij hoort een afstand van minimaal 50 meter. Externe werking Binnen het projectgebied is reeds een bestaan kampeerterrein aanwezig. De situatie van dit kampeerterrein veranderd niet. Daarnaast worden twee recreatieappartementen mogelijk gemaakt. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter.

27/171

Aan de Mardyk 5 bevindt zich een (burger)woning, deze ligt op circa 201 meter van het projectgebied. Aan de richtafstand wordt ruim voldaan

Conclusie Het projectgebied voldoet zowel intern al extern aan de gestelde milieueisen van het VNG.

4.2.

Geluid

Toetsingskader De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.

Toetsing Voor het projectgebied zijn de aspecten wegverkeer-, railverkeer en industrielawaai van belang. Binnen het projectgebied worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Binnen het projectgebied is reeds een woning aanwezig, die met onderhavige ontwikkeling wordt herbouwd. De situatie van de boerderij wijzigt niet. Recreatiewoningen worden in op basis van de Wet geluidhinder niet aangemerkt als geluidgevoelige objecten. De Mardyk is officieel een 50km7uur weg. De verkeersintensiteit van deze weg is zeer beperkt, aangezien het een doorlopende weg is. Op deze weg komt enkel bestemmingsverkeer. Aangezien het projectgebied nagenoeg aan het eind van deze weg ligt, met uitzondering van nog een woning, zijn de verkeersbewegingen minimaal. Een akoestisch onderzoek is dus niet noodzakelijk.

Conclusie Het aspect geluid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.3.

Ecologie

Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming.

Toetsing

28/171

Gebiedsbescherming Het projectgebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het ligt aan de rand van het Natura 2000-gebied Sneekermeergebied. In het Sneekermeer zijn geen habitattypen aangewezen. De effecten van de ontwikkeling op het Sneekermeergebied zijn, gezien de beperkte aard en omvang van de ontwikkeling verwaarloosbaar. De ontwikkeling heeft dan ook geen significant effect op de doelstelling. Het projectgebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit de kaart van 'Verordening Romte Fryslân 2014' dat aan de overkant het projectgebied de 'EHS overige natuur' bevat, dit is weergegeven in figuur 4.1. Er is door de geplande werkzaamheden geen afname van NNN-areaal en er wordt niet binnen deze begrenzingen gewerkt. Gezien de beperkte aard en omvang van dit project en het feit dat het projectgebied niet is gelegen binnen de begrenzing van het NNN, kan worden geconcludeerd dat als gevolg van voorliggend initiatief geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. TiprcnAjIctai ^ i/frnPrfri

Figuur 4.1 Natuurgebieden Friesland, projectgebied is aangegeven met een ster. Stikstof Enkele Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstof. Het Natura 2000-gebied Sneekermeergebied is niet gevoelig voor stikstofdepositie. De Wet Natuurbescherming en het beleid van de provincie Friesland staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

29/171

Met het voornemen wordt de voormalige boerderij regulier bewoond. Met de ontwikkeling worden geen nieuwe woningen gerealiseerd. De stikstofdepositie door stoken met gas zal met de onderhavige ontwikkeling niet wijzigen. Wel worden twee recreatieappartement mogelijk gemaakt. Deze appartementen worden niet aangesloten op het gas. Voor de aanleg en exploitatiefase is een stikstofonderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in bijlage 1. Uit de berekening blijkt dat voor de aanleg en exploitatiefase de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn dus niet aan de orde. Soortenbescherming Op de locatie de Mardyk 3 heeft ecologisch adviesbureau JM Ecologie een QuickScan uitgevoerd, het onderzoek te vinden in bijlage 2. Uit de QuickScan is gebleken dat er mogelijk algemene broedvogels, een essentiële vliegroute van vleermuizen en verblijfplaatsen van de bunzing, hermelijn en wezel binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. Voor algemene broedvogels heeft het de voorkeur om buiten het vogelbroedseizoen te werken. Indien toch gestart wordt met de werkzaamheden aan het begin of te midden van het vogelbroedseizoen, dienen de maatregelen gevolg te worden zoals beschreven in paragraaf 6.1 van het onderzoek.

Voor vleermuizen dient lichtverstoring tijdens de actieve periode voorkomen te worden zoals beschreven in paragraaf 6.2 van het onderzoek. Voor de verblijfplaatsen van de bunzing, hermelijn en wezel dient nader onderzoek te worden uitgevoerd zoals beschreven in paragraaf 6.3 van het onderzoek, indien de werkzaamheden plaatsvinden na de intreding van de Omgevingswet (mogelijk in 2023). Negatieve effecten op het weidevogelkansgebied worden uitgesloten. Voor algemene broedvogels heeft het de voorkeur om buiten het vogelbroedseizoen te werken. Indien toch gestart wordt met de werkzaamheden aan het begin of te midden van het vogelbroedseizoen, dienen maatregelen gevolg te worden. Voor vleermuizen dient lichtverstoring tijdens de actieve periode voorkomen te worden.

Conclusie Voor de ruimtelijke procedure vormt het aspect soortenbescherming geen belemmering.

4.4. Water Waterwet Binnen de Waterwet is het beheer van oppervlaktewater en grondwater geregeld en de wet verbetert de samenhang tussen ruimtelijke ordening en waterbeleid. Een watervergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden aan een waterstaatswerk zal moeten worden aangevraagd bij de waterbeheerder, Wetterskip Fryslân. Een waterstaatswerk is een oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk.

30/171

Legger Wetterskip Fryslân Het onderhoud en beheer van waterstaatswerken wordt uitgevoerd door de waterbeheerder; het Wetterskip Fryslân. Het Wetterskip heeft voor het beheer en onderhoud van de waterstaatswerken een Legger opgesteld. In de Legger worden de minimaal benodigde afmetingen van keringen beschreven om aan de veiligheidsnormen te voldoen. In de Legger wordt voor de wateren binnen het Wetterskip haar beheersgebied, de minimale eisen beschreven om een goede aan- en afvoer van water te realiseren. Naast het stellen van eisen aan de waterstaatswerken, vervult de Legger een functie in de handhaving van verbodsbepalingen die staan beschreven in de Keur. Dit betekent dat het zonder toestemming van het waterschap verboden is om gebruik te maken van een waterstaatswerk, inclusief beschermingszones. Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets Op basis van het Bro, moet een paragraaf worden opgenomen waarin wordt beschreven hoe er rekening is gehouden met de waterhuishouding binnen het bestemmingsplan. Voor de schriftelijke onderbouwing van de waterhuishouding binnen het bestemmingsplan, is gebruik gemaakt van de wettelijk verplichte 'Watertoets'. In de Watertoets wordt door het Wetterskip advies gegeven hoe om te gaan met de waterhuishouding, zodat deze wordt gewaarborgd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat het Wetterskip vroegtijdig betrokken wordt.

Deze 'waterparagraaf' bevat de wettelijk verankerde watertoets. Hierin wordt beoordeeld wat de effecten van het bestemmingsplan op de waterhuishouding zijn en of er waterschapsbelangen spelen. Het projectgebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. In de Leidraad Watertoets van het Wetterskip staan de uitgangspunten waarmee bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De beschrijving van de wateraspecten sluit zoveel mogelijk aan bij de indeling van het Waterbeheerplan en de Leidraad Watertoets in de thema's Veilig, Voldoende en Schoon. Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij de waterbeheerder. Hieruit blijkt dat de invloed van het plan mogelijk zodanig is dat de normale procedure van de watertoets van toepassing is. In Bijlage 5 is de watertoets toegevoegd. Hieruit blijkt dat de normale procedure van toepassing is. Deze is inmiddels aangevraagd. Het projectgebied ligt namelijk op het randje van een regionale en/of lokale waterkering. Binnen deze waterkering worden geen werkzaamheden uitgevoerd.

Voldoende Compensatie: Het waterschap hanteert als uitgangspunt dat de toename verhard oppervlak in een gebied voor 10% wordt gecompenseerd in de vorm van nieuw oppervlaktewater of waterberging. Het dempen van watergangen moet volledig gecompenseerd worden. Deze compensatie is bedoeld om wateroverlast door het versneld afvoeren van hemelwater vanaf de verhardingen te voorkomen. Compensatie is nodig bij een toename aan verharding van meer dan 200 m2 binnenstedelijk en meer dan 1.500 m2 buitenstedelijk. Met de

beoogde

ontwikkeling neemt het verhard

Watercompensatie is daarom niet noodzakelijk.

31/171

oppervlak binnen

het projectgebied

niet toe.

Schoon Afvalwater en regenwatersysteem: Het uitgangspunt is om regenwater en rioolwater zoveel mogelijk gescheiden af te voeren. In het projectgebied wordt daarom gekeken of een gescheiden rioolstelsel mogelijk is. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van milieuvriendelijke en duurzame materialen, zodat afstromend hemelwater niet verontreinigd wordt. Waterkwaliteit: De bouwwijze en onderhoudstechniek moeten emissievrij zijn om verontreiniging van het water te voorkomen. In dit geval zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke (bouw)materialen.

Vervolg Waterwet: Voor alle ingrepen in de waterhuishouding moet een vergunning worden aangevraagd of een melding worden gedaan in het kader van de Waterwet. Procedure: Het wateradvies wordt gecommuniceerd met de ontwikkelaar en geldt als uitgangspunt voor de uitvoering van het plan.

4.5. Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: »

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);

*

Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

«

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip "niet in betekenende mate" is gedefinieerd als 3^! van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. De luchtkwaliteit hoeft (artikel 5.16 Wet milieubeheer) geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als: »

geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

*

een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt;

«

een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;

»

een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren.

32/171

Toetsing aan projectgebied Voor de toetsing is gebruik gemaakt van de NIMB-tool. De bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project is niet in betekenende mate. Zie tabel 4.1.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2021

Extra voertuigbewegingen [weekdaggemiddelde)

29

Aandeel vrachtverkeer

0.2*

NO2 in pg/m1

ū,D2

PMio in pg/m1

Ũ,ŨŨ

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in pg/rrr

1.2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Tabel 4.1 Berekening luchtkwaliteit.

Conclusie Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.6. Bodem Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. In de ruimtelijke onderbouwing dient aangegeven te worden wat de kwaliteit van de bodem ter plaatse van het projectgebied is.

Tevens dient, op basis van de Mor (Ministeriële regeling omgevingsrecht), bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een rapportage van een recent uitgevoerd verkennend

33/171

bodemonderzoek toegevoegd te worden. De bodemonderzoeksplicht geldt alleen voor bouwwerken waarvoor: *

een reguliere omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is vereist;

«

waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend (twee of meer uren per dag) mensen zullen verblijven;

*

die de grond raken;

*

waarvan het bestaande gebruik wijzigt (interne verbouwing);

«

die niet naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk genoemd in het Besluit bouwwerken;

*

waarvan geen reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten aanwezig zijn;

*

die geen tijdelijk bouwwerk betreffen waarbij uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie onverdacht is.

Toetsing In verband met het project is op de locatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn te vinden in bijlage 3. De resultaten daarvan wijzen niet op bodemverontreiniging op grond waarvan een nader bodemonderzoek noodzakelijk zou zijn.

Conclusie Het aspect bodem staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.7. Archeologie Toetsingskader Rijk en provincie stellen zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologisch erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In de provincie Friesland wordt gebruik gemaakt van de archeologische kaart FAMKE. FAMKE staat voor Friese Archeologische Monumentenkaart Extra. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.). Voor deze indeling in twee perioden is gekozen, omdat de adviezen voor mogelijke vindplaatsen uit de steentijd vaak verschillen van die voor mogelijke jongere vindplaatsen.

In het bestemmingsplan Buitengebied van de toenmalige gemeente Boarnsterhim (onherroepelijk op 22-12-2010) is geen dubbelbestemming Waarde - Archeologie opgenomen, maar wordt aangeven dat bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden, zoals blijkt uit de Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra (FAMKE).

Toetsing

34/171

Steen tijd-bronstijd Voor de steentijd-bronstijd geldt karterend onderzoek 3. Op enige diepte archeologische lagen aanwezig zijn uit de steentijd, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Voor deze vindplaatsen is een karterend booronderzoek verplicht bij bodemingrepen groter dan 5.000 m2 (karterend onderzoek 3). De totale oppervlakte van de locaties waar de ingrepen plaatsvinden komt op 510 m2 (ligboxenstal) + 275,27 m2 (stolpboerderij) + 128 m2 (werktuigenloods) = 913,27 m2. Op basis van deze oppervlakte is archeologisch onderzoek voor deze tijdsperiode niet noodzakelijk.

Figuur 4.2. Steentijd-bronstijd (bron FAMKE) Ijzertijd-middeleeuwen Volgens de FAMKE geldt voor het projectgebied een verwachting op archeologische resten uit de periode Ijzertijd - Middeleeuwen (karterend onderzoek 1). Dit betekent dat bij bodemingrepen over een groter oppervlak dan 500 m2 een karterend booronderzoek moet plaatsvinden.

35/171

Figuur4.3. IJzertijd-middeleeuwen (bron FAMKE) Voor de noodzaak van archeologisch onderzoek wordt echter niet alleen gekeken naar de oppervlakte van de geplande bodemingrepen maar ook naar de diepte. In het bestemmingsplan Buitengebied wordt aangegeven dat (grond)werkzaamheden tot 30 cm beneden maaiveld zijn toegestaan. Daar komt bij dat de recreatieappartementen en de woningen zijn gepland op de bebouwde locaties van de ligboxenstal en stolpboerderij. Wanneer de funderingsdiepte voor de nieuwbouw niet groter wordt dan de bestaande funderingsdiepte dan is er geen noodzaak voor archeologisch onderzoek. Met de realisatie van de stolpboerderij en recreatieappartementen wordt gebruik gemaakt van de bestaande funderingen. Extra graafwerkzaamheden zijn niet noodzakelijk. Vanwege het belang van de diepte van de bodemingrepen adviseert KSP Archeologie in eerste instantie een bureauonderzoek (literatuuronderzoek) uit te voeren. In het bureauonderzoek vindt een inventarisatie plaats van de archeologische informatie om aan te geven wat op de locatie aan archeologische resten wordt verwacht. Daarnaast wordt een inschatting gemaakt wat voor invloed de geplande werkzaamheden (kunnen) hebben op het archeologische bodemarchief. Op basis daarvan wordt de noodzaak voor vervolgonderzoek (door middel van karterende boringen) vastgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13940126/1