Bijlage 2 - Bestemmingsplan 'Blankendalwei 3 Scharnegoutum'
Tekst van het document
8
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten (nationaal belang 13). Conclusie Het onderhavige plan behoort niet tot 1 van de 13 belangen waarvoor decentrale overheden geen beleidsvrijheid hebben. Het beleid inzake de uitbreiding en/of verandering van een bestaand agrarisch bedrijf wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. 3.1.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 1 oktober 2012 is aan het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), waarin rijksregels ten aanzien van de ruimtelijke inrichting van Nederland zijn verzameld, een aantal onderwerpen toegevoegd. Het gaat onder andere om de Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond Rijksvaarwegen. Conclusie Het Barro bevat geen relevante regels die invloed uitoefenen op het onderhavige plan. 3.1.3. Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond.
Conclusie In het onderhavige plan is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
3.2
Provinciaal beleid 3.2.1. Omgevingsvisie Fryslân – De romte diele Het ruimtelijk beleid van de provincie vormt een belangrijk kader voor het gemeentelijk (bestemmingsplan)beleid. Dit is onder meer neergelegd in de “Omgevingsvisie Fryslân – De romte diele”, vastgesteld op 23 september 2020. Duurzame landbouw is een van de pijlers van een vitaal en aantrekkelijk platteland. In het landelijk gebied worden daarom buiten de natuurgebieden voldoende ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw geboden. De provincie streeft in de hele provincie naar een vitale en duurzame landbouw vanwege de belangrijke bijdrage aan de sociaal-economische vitaliteit van het platteland, het beheer van het landelijk gebied en de Friese economische structuur. In het landelijk gebied worden buiten natuurgebieden voldoende ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw geboden. Tevens wordt een omslag naar een duurzame, natuur inclusieve en grondgebonden kringlooplandbouw gestimuleerd. Gemeenten worden ondersteund bij toepassing van de Nije Pleats methode voor lokale inpassing van agrarische bedrijven. Extra inspanning voor biodiversiteit, (leef)milieu of duurzaamheid wordt gestimuleerd.
9
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
Het onderhavige plan, waarbij een rundveehouderij zal worden omgezet in een geitenhouderij past binnen het beleid zoals gesteld in het Streekplan. Het beleid vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
3.2.2. Grutsk op 'e Romte Op 26 maart 2014 is Grutsk op 'e Romte vastgesteld door Provinciale Staten als structuurvisie. Het is een thematische structuurvisie (over landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang) en een kader dat gebruikt wordt bij ruimtelijke afwegingen van de provincie. De provincie zet in deze visie in op het in stand houden en verder ontwikkelen van de belangrijke landschappelijke kwaliteiten en waarden in de provincie. Het plangebied maakt deel uit van het deelgebied ‘Kleigebied Westergo’ van de structuurvisie. De visie beschrijft voor dit gebied de belangrijkste landschappelijke en cultuurhistorische structuren. Het plangebied bestaat uit een kleigebied van kwelderwallen en kweldervlakten. Slenken, prielen, oeverwallen en inpolderingen met droogmakerijen typeren dit plangebied waarin het stelsel van smalle kwelderwallen met terpen, terpdorpen en terpsteden, die met hun vaak lineaire structuren de kwelder- en oeverwallen volgen centraal staat. De openheid van het landschap dient te worden gewaarborgd. Met onderhavig initiatief worden de typerende landschappelijke en cultuurhistorische structuren behouden. 3.2.3. Verordening Romte Fryslân 2014 De Verordening Romte Fryslân 2014 is in werking getreden per 1 augustus 2014.
De verordening stelt regels die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. Uitgangspunt is dat de verordening niet meer regelt dan noodzakelijk is. Wat elders al goed geregeld is (in de AMvB Ruimte of in andere wet- en regelgeving) hoeft niet over te worden gedaan. Verder is bij de wijze van regeling rekening gehouden met de verantwoordelijkheid van gemeenten. De Verordening bevat regels waaraan ruimtelijke ontwikkelingen aan dienen te voldoen. Het onderhavige plan wordt uitsluitend getoetst aan het voor het onderhavige plan relevante regelgeving. Onderstaand is deze regelgeving weergegeven. Artikel 2 ruimtelijke kwaliteit Ruimtelijke kwaliteit (art. 2.1) 1. De plantoelichting van een ruimtelijk plan voor een uitbreidingslocatie of voor het landelijk gebied omvat een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf waarin, voor zover noodzakelijk, wordt aangegeven op welke wijze: a. het plan rekening houdt met de draagkracht van het landschap voor de opvang en inpassing van nieuwe functies, op grond van een analyse van de samenhang van de ondergrond, netwerken en nederzettingspatronen; b.
het plan invulling geeft aan de blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zijnde de structuren van provinciaal belang zoals die, met inbegrip van een richtinggevend advies, per deelgebied of gebiedsoverschrijdend zijn omschreven in de structuurvisie Grutsk op 'e Romte.
10
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
2. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op landelijk gebied stelt zo nodig regels die ertoe strekken dat de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten als bedoeld in het eerste lid, sub b, herkenbaar blijven. 3. Een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied dient te voorzien in een zorgvuldige inpassing van: d. agrarische bedrijven, inclusief glastuinbouwbedrijven; binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals bedoeld in het eerste lid, sub b. Zorgvuldig ruimtegebruik (art. 2.3) 1. De toelichting bij een ruimtelijk plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke functie buiten bestaand stedelijk gebied bevat een verantwoording waaruit blijkt dat toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, waaruit in ieder geval blijkt waarom die functie redelijkerwijs niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Zorgvuldig ruimtegebruik Overschrijding grootschalige infrastructuur (art. 2.4) 1. Ruimtelijke plannen voorzien niet in uitbreidingslocaties, die ertoe leiden dat een stroomweg, een vaarweg in de CEMT-klassen III, IV en Va, of een spoorlijn, zoals aangegeven op de van deze verordening deel uitmakende kaart Kernenstructuur en netwerkverbindingen, door een kern wordt overschreden. 2. In afwijking van het eerste lid kan overschrijding plaatsvinden indien in de plantoelichting is gemotiveerd dat: a.
alternatieve locaties redelijkerwijs niet beschikbaar zijn en een goede landschappelijke inpassing mogelijk is, b. schaal en omvang van de uitbreidingslocatie passen bij de overschrijding, en c. voldoende verbindingen tussen de uitbreidingslocatie en de kern tot stand komen. Artikel 6 Landbouw 6.1.2 uitbreiding grondgebonden agrarische bedrijven 1. In een ruimtelijk plan kan een bestaand bouwperceel voor een grondgebonden agrarisch bedrijf een uitbreiding krijgen tot een maximale oppervlakte van 1,5 ha, dan wel de bestaande oppervlakte behouden indien deze meer bedraagt dan 1,5 ha. 2. In afwijking van het eerste lid kan een groter bouwperceel worden toegestaan, mits: a. het agrarisch bedrijf grondgebonden blijft, en b. de oppervlakte van het agrarisch bouwperceel niet meer bedraagt dan 3 ha. 3. In afwijking van het tweede lid kan in een incidenteel geval een bouwperceel van meer dan 3 ha worden toegestaan indien: a. het bedrijf al een bouwperceel van bijna 3 ha of meer dan 3 ha heeft en de bedrijfsuitbreiding redelijkerwijs niet binnen dat bouwperceel is te realiseren, b. de uitbreiding van het bouwperceel beperkt blijft, en c. de nieuwe situatie een aanzienlijk maatschappelijk voordeel oplevert voor een of meer van de volgende aspecten: i. verbetering van dierenwelzijn, ii. vermindering van milieubelasting en van uitstoot van milieubelastende stoffen; iii.
een innovatieve bedrijfsvoering die bijdraagt aan duurzaamheid en daardoor een voorbeeldfunctie heeft, iv. aanmerkelijke landschappelijke verbetering, waaronder begrepen het elders slopen van minimaal een gelijke oppervlakte aan bebouwing. Artikel 7 Natuur
11
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
7.2.2 weidevogelkansgebieden 1. Een ruimtelijk plan voor landelijk gebied dat betrekking heeft op gronden die gelegen zijn in of grenzen aan gebieden die op de kaart Weidevogelbieden zijn aangewezen als weidevogelkansgebieden of weidevogelparels, voorziet in een regeling waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd, met dien verstande dat de agrarische productiefunctie inclusief de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven zijn toegestaan. Doorwerking in het onderhavige plan In onderhavig plan vinden er geen veranderingen plaats aan de bebouwing op het agrarisch bedrijf. Het plan heeft geen negatief effect op weidevogelkansgebieden. 3.2.4. Voorbereidingsbesluit geitenhouderijen (3 juni 2021) Op 3 juni 2021 heeft de gemeenteraad van Súdwest-Fryslân een voorbereidingsbesluit genomen voor het gehele grondgebied van gemeente Súdwest-Fryslân met betrekking tot geitenhouderijen. Dit voorbereidingsbesluit is bedoeld om te voorkomen dat er nieuwe geitenhouderijen, hetzij als hoofdtak, hetzij als neventak, het omschakelen van een bestaand agrarisch bedrijf naar een geitenhouderij en het uitbreiden van een bestaande geitenhouderij, door het aantal te houden geiten met één of meer uit te breiden.
In het geval van het plan aan de Blankendalwei 3 is de situatie anders omdat de aanvraag voor omzetten van bedrijvigheid reeds voor bovengenoemde datum bij de gemeente is ingediend. Het omzetten naar geitenhouderij blijft daarom een mogelijkheid. 3.2.5. Grondgebondenheid Een toelichting op de term grondgebondeheid is opgenomen in de Verordening Romte Fryslân. Een veehouderij is grondgebonden wanneer het voor het vee benodigde ruwvoer overwegend - d.w.z. in ieder geval meer dan de helft - afkomstig is van de bij het bedrijf behorende landbouwgrond. Uit landbouwkundige productiegegevens blijkt dat bij een veebezetting van ca. 3 grootvee-eenheden (GVE) of minder per hectare gras en voedergewassen aan deze voorwaarde wordt voldaan; ook de meeste mest kan dan bij het bedrijf worden afgezet. Dit richtgetal is een gemiddelde voor efficiënt producerende veebedrijven. Onder de bij het bedrijf behorende landbouwgrond wordt verstaan landbouwgrond in de directe omgeving van het bedrijf waar het bedrijf structureel, bij voorkeur op basis van eigendom of langdurige pacht, over kan beschikken. De normering voor geiten wordt gehouden op één geit = 0,1 GVE. Met een veebezetting van 3 GVE per hectare komt dit op 30 geiten per hectare. Initiatiefnemer heeft een huiskavel van 6 hectare en 14 hectare omliggend pachtgrond.
Tezamen is dit op basis van bovengenoemde berekening voldoende om 600 geiten op grondgebonden wijze te houden. Initiatiefnemer is voornemens om totaal 625 geiten te houden. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat de ruwvoerproductie van deze hectares ruimschoots voldoende zal zijn om deze 625 geiten grondgebonden te kunnen houden.
3.3
Gemeentelijk beleid 3.3.1. Bestemmingsplan ‘buitengebied Wymbritseradiel’ Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Wymbritseradiel’ van de gemeente Sudwest Fryslân. In onderstaande figuur is een uitsnede opgenomen van de
12
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
plankaart. De locatie heeft de bestemming ‘bedrijf – niet agrarische bedrijven’ en de aanduiding ‘agrarisch aanverwant bedrijf’.
Figuur 3: Uitsnede plankaart bestemmingsplan ‘Wymbritseradiel’
Op de locatie is een bedrijf toegestaan die is genoemd in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijven. Omdat er tevens sprake is van de aanduiding ‘agrarisch aanverwant bedrijf’ mag op de locatie ook een bedrijf zijn gevestigd die uitsluitend of overwegend is gericht op het verlenen van diensten van agrarische bedrijven met behulp van agrarische werktuigen en apparaten, het leveren van goederen aan agrarische bedrijven, het verwerken of het opslaan van producten die afkomstig zijn van agrarische bedrijven of op het verrichten van werkzaamheden tot onderhoud of reparatie van agrarische werktuigen en apparatuur. Een geitenhouderij valt niet onder de toegestane activiteiten op de locatie en is derhalve niet rechtstreeks toegestaan op grond van het bestemmingsplan. Om die reden zal de agrarische bestemming weer toegevoegd moeten worden aan deze locatie. Het gaat op deze locatie om een grondgebonden agrarisch bedrijf dat voortgezet moet worden. Wanneer de agrarische bestemming weer toegevoegd is op deze locatie zal de huidige bedrijfsvoering worden gewijzigd naar het houden van 575 melkgeiten, 25 opfokgeiten vanaf 61 dagen en 25 opfokgeiten tot 61 dagen. In totaal gaat het om 625 geiten.
In gemeente Sudwest Fryslân geldt een voorbereidingsbesluit geitenhouderij van 9 mei 2022 welke de oprichting van een geitenhouderij en uitbreiden van een bestaande geitenhouderij niet mogelijk maakt. In dit besluit wordt een uitzondering gemaakt voor het perceel aan de Blankendalwei 3 te Scharnegoutum voor een totaal aantal geiten van maximaal 625.
13
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
Hoofdstuk 4. Planologische en milieukundige aspecten 4.1
Natuur Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Natuurwet) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en nationaal beschermde soorten. De Wet natuurbescherming is, door de samenvoeging van de wetten, zowel gericht op de gebiedsbescherming als de soortenbescherming. 4.1.1. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming bepaalt dat nieuwe of uitbreidingen van bestaande economische activiteiten moeten worden getoetst op hun effect op de Natura 2000gebieden. Er vindt een wijziging plaats op het bedrijf, van het houden van rundvee naar het houden van geiten. 4.1.2. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Het huidige agrarische rundveebedrijf zal veranderen van een rundveehouderij naar een geitenhouderij.
Voor deze wijziging zal er echter niets gebouwd of veranderd worden aan de huidige bebouwing. De huidige schuur zal in gebruik genomen worden voor de geiten wanneer deze wijziging in bedrijfsvoering is doorgevoerd. Beschermde soorten flora en fauna die eventueel aanwezig zijn zullen daarom niet in het gedrang komen. Om die reden wordt er geen flora en fauna onderzoek uitgevoerd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
4.2
Geur De ‘Wet geurhinder en veehouderij’ (Wvg) vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de ‘Wet milieubeheer’, waar het gaat om geurhinder veroorzaakt door het houden van dieren (voorgrondbelasting). Daarnaast heeft de wet als input gediend voor de ‘Handleiding geurhinder en veehouderij’ in verband met de zgn. ‘omgekeerde werking’ in het kader van een ‘goed woon- en leefklimaat’ (achtergrondbelasting) dat zijn juridische basis vindt in de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
14
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
De Wgv biedt normen die gelden voor ontwikkelingen van veehouderij bedrijven. De wet maakt onderscheid in veehouderij bedrijven waarvoor een geuremissie factor is vastgesteld en in veehouderij bedrijven waarvoor dat niet is vastgesteld. Voor de soort bedrijven waarvoor dat wel is vastgesteld dienen de geurcontouren te worden berekend door middel van het programma V-Stacks. Voor de bedrijven waarvoor dat niet is vastgesteld zijn vaste afstanden opgenomen. In de omgeving van de projectlocatie zijn een aantal geurgevoelige objecten gelegen. De projectlocatie heeft in de beoogde situatie een geuremissie van maximaal 11.235,0 odour units. In de vergunde situatie is er een geuremissie van maximaal 0,0 odour units. Dit betekent een toename van 11.235,0 odour units. Aan de hand van het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunningen is de geurhinder op geurgevoelige objecten bepaald a.d.h.v. de individuele geuremissie op basis van de beoogde situatie. In onderstaande tabel is de geurbelasting op de geurgevoelige objecten weergegeven van de beoogde situatie. GGLID Blankendalwei 4 Blankendalwei 6 Midlãnsdyk 12 Zwettewei 2 De Iisbaan 13
Xcoordinaat Ycoordinaat 175 481 564 499 175 357 564 399 176 019 564 057 174 938 563 851 174 873 564 251
Geurnorm 8,0 8,0 8,0 2,0 2,0
Geurbelasting 3,9 3,0 0,9 0,3 0,7
Tabel 1: Overzicht afstanden tot agrarische bedrijfsstoffen
Uit de bovenstaande gegevens blijkt dat in de beoogde situatie de geurnorm op de gevoelige objecten in de omgeving niet wordt overschreden. In de bijlage is de berekening toegevoegd. Hierdoor zijn er geen nadelige gevolgen te verwachten op de omliggende woningen. Aan de vaste afstand ten opzichte van (voormalige) veehouderijen van derden en de afstand van de buitenzijde van een dierverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object wordt eveneens voldaan. De beoogde situatie voldoet aan het gestelde in de Wet geurhinder en veehouderij. In dit kader bestaat geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapport. Bedrijfsstoffen In het Activiteitenbesluit zijn afstandscriteria opgenomen voor andere activiteiten die (geur)hinder kunnen veroorzaken. Ten behoeve van agrarische bedrijven zijn normen (afstanden tot gevoelige objecten) opgenomen voor het opslaan van ‘agrarische bedrijfsstoffen’. Voor bedrijfsstoffen die opgeslagen worden voldaan aan onderstaande afstanden. Activiteit Agrarische bedrijfsstoffen > 3 m³
Binnen de bebouwde kom
100 m
Buiten de bebouwde kom
50 m
Kuilvoer
Binnen en buiten de bebouwde kom
50 m
Kuilvoer, afgedekt
Binnen en buiten de bebouwde kom
25 m
Binnen de bebouwde kom
100 m
Vaste mest < 600 m³ Drijfmest (totaal max. 750 m²) Drijfmest (max. 750 m² of 2.500 m³)
15
Ligging geurgevoelig object (GGO) Afstand tot GGO
Buiten de bebouwde kom
50 m
Binnen de bebouwde kom
50 m
Buiten de bebouwde kom
25 m
Binnen en buiten de bebouwde kom
100 m
Op een agrarisch bedrijfsperceel
50 m
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
Tabel 2: Overzicht afstanden tot agrarische bedrijfsstoffen
De in tabel 2 genoemde minimaal aan te houden afstanden tot aan een gevoelig object worden niet overschreden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
4.3
Luchtkwaliteit Hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit voldoet aan gestelde grenswaarden. Grenswaarden luchtkwaliteit Stikstofdioxide (NO2) o De jaargemiddelde concentratie bedraagt maximaal 40 µg/m³; o De uurgemiddelde concentratie van 200 µg/m³, overschrijding is maximaal 18 maal per kalenderjaar toegestaan (niet relevant voor agrarische bedrijven). Fijn Stof (PM10) o De jaargemiddelde concentratie bedraagt maximaal 40 µg/m3; o Daggemiddelde concentratie van 50 µg/m³, overschrijding is toegestaan op niet meer dan 35 dagen per jaar. ‘Niet In Betekenende Mate’ In het kader van vereenvoudiging van regelgeving is de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. De nieuwe regels maken onderscheid in projecten die wel en ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Als een project NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden.
Luchtverontreiniging als gevolg van toename van verkeersbewegingen In het besluit zijn enkele projecten opgenomen (woningbouw, kantoorlocaties, etc.). Landbouwbedrijven zijn niet opgenomen in de categorieën die automatisch NIBM zijn. Conform de NIBM-tool van Rijkswaterstaat worden de grenswaarden pas overschreden indien een project meer dan 1.409 motorvoertuigbewegingen per dag genereert. Het onderhavige plan betreft een bestaand agrarisch bedrijf. Het plan heeft nauwelijks een toename aan verkeerbewegingen tot gevolg. Er kan derhalve gesteld worden dat het onderhavige plan, wat betreft motorvoertuigbewegingen, ‘Niet In Betekende Mate’ bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Extra verkeer als gevolg van het plan
16
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
Maximale bijdrage extra verkeer
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer NO2 in μg/m3 PM10 in μg/m3
Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3
1409 0,0% 1,20 0,30 1,2
Conclusie: De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; Geen nader onderzoek nodig
Tabel 3: Bijdrage extra verkeer op luchtkwaliteit.
Luchtverontreiniging als gevolg van het agrarische bedrijf In de ‘Handreiking fijn stof en veehouderijen’ (VROM, mei 2010) is een vuistregel opgenomen waarmee bepaald kan worden of bij een uitbreiding van een veehouderij sprake is van NIBM (zie tabel 4, gebaseerd op de 3% NIBM-grens).
Tabel 4: Afstanden NIBM-grens i.v.m. uitstoot van fijn stof afkomstig van veehouderijen
In tabel 4 kan bij de betreffende afstand de hoeveelheid emissie worden afgelezen waarmee een veehouderij nog kan uitbreiden om niet in betekende mate bij te dragen. De getallen in tabel 4 zijn worstcase genomen inclusief een veiligheidsmarge. Indien bij een bepaalde afstand niet méér wordt geëmitteerd dan is opgenomen in tabel 3 dan is de oprichting/uitbreiding zeker NIBM. Met behulp van de emissiefactorenlijst, uitgegeven door het ministerie van I&W, kan uitgerekend worden of de totale toename in emissie onder de NIBM-grens blijft. De fijn stof problematiek is met name van belang bij varkens- en pluimveehouderijen. In het onderhavige plan wordt een geitenhouderij gestart. Geitenhouderijen stoten, in verhouding tot de varkens- en pluimveehouderijen nauwelijks fijn stof uit. In de huidige situatie bedraagt de uitstoot van fijn stof 7.600 gram per jaar. In de beoogde situatie bedraagt de uitstoot 11.425 gram per jaar. De toename van de uitstoot van fijn stof bedraagt derhalve 3.825 gram per jaar. De meest in de nabijheid gelegen gevoelige objecten betreft de woning aan de Blankendalwei 4 op circa 200 meter van het dichtstbijzijnde emissiepunt. In verhouding tot de uitstoot en de bijbehorende afstand conform tabel 4 kan worden aangenomen dat de normen ter hoogte van deze percelen en verderop liggende percelen niet worden overschreden.
Er is derhalve sprake van een ‘NIBM’ project. In dit kader bestaat dus geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapport. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
4.4
Geluid
17
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
De projectlocatie is gelegen in een landelijk gebied met agrarische activiteiten. Er bevinden zich, naast enkele veehouderijbedrijven, geen snelwegen of veel geluid producerende bedrijven in de directe omgeving. Het aspect verstoring richt zich op de uitstraling van verstorende effecten die de rust van het gebied aantasten. De geluidsproductie is in hoofdzaak afkomstig van de volgende bronnen: Interne transportbewegingen (tractor/vrachtwagen); Plaatselijke activiteiten (laden/lossen); Motoren t.b.v. (voeder)installaties en/of verpompen van mest; De transportbewegingen vinden zoveel mogelijk plaats in de dagperiode tussen 7:00 en 19:00 plaats. Er kan worden aangenomen dat het akoestisch klimaat bij de bestaande geluidsgevoelige bestemmingen voldoende is en blijft. Het effect is niet zodanig dat deze aanleiding geeft voor het opstellen van een milieueffectrapport. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor dit plan.
4.5
Bodem Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe ontwikkelingen in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Op basis van het Bouwbesluit dient een onderzoek te worden uitgevoerd indien een gebouw wordt gerealiseerd waarin mensen gaan verblijven. Algemeen aanvaarde richtlijn is echter dat geen onderzoek uitgevoerd hoeft te worden indien geen verblijfplaats wordt gerealiseerd waar langer dan 2 uur per dag mensen verblijven. Op de projectlocatie worden de geiten in de gewenste situatie gehouden in de bestaande gebouwen. In de stal verblijven mensen minder dan 2 uur per dag. In het kader van de ruimtelijke procedure is een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Conclusie In het kader van de ruimtelijke procedure is een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.6
Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s binnen het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
18
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Plangebied Met dit plan vinden geen wijzigingen plaats binnen het bestaande agrarische bedrijf. Hierdoor is geen toename van het groepsrisico te verwachten. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor dit plan.
4.7
Kabels en leidingen De risicokaart is geraadpleegd en er zijn geen risico’s gevonden voor zowel de omgeving als de planlocatie.
19
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
4.8
Figuur 4: Uitsnede risicokaart
Cultuurhistorie inclusief archeologie 4.8.1. Toetsingskader en beleid Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht geworden. De Monumentenwet 1988 is met ingang van 1 juli 2016 dan ook vervallen. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 zijn deels overgegaan naar de Erfgoedwet en – zodra die wet in werking treedt in 2022– deels naar de Omgevingswet. De bepalingen en vergunningen uit de Monumentenwet 1988 die overgaan naar de Omgevingswet blijven van toepassing tot de datum dat de Omgevingswet in werking treedt. Deze artikelen gelden tot dat moment als overgangsrecht op grond van de Erfgoedwet en tenzij expliciet vermeld, veranderen deze niet van inhoud. Tot die tijd blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) het wettelijke kader voor de omgang met gebouwde en aangelegde rijksmonumenten en de Monumentenwet 1988 voor de omgang met de archeologische rijksmonumenten. Tot cultuurhistorie worden voor dit bestemmingsplan gebouwde monumenten inclusief beschermde stads- en dorpsgezichten, archeologie en cultuurlandschap gerekend. In deze paragraaf wordt een analyse gemaakt van de cultuurhistorische (verwachtings)waarden en het eventueel noodzakelijke beschermingsregime.
Bij deze analyse wordt volgens de gemeentelijke erfgoednota uitgegaan van de Landschapsbiografie Súdwesthoeke, de Cultuur Historisch kaart van de provincie Fryslân (CHK), waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt. 4.8.2. Archeologie Algemeen Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met de bekende en de te verwachten archeologische waarden. Op welke plaatsen archeologisch onderzoek aan de orde is, wordt op grond van het gemeentelijk beleid bepaald. De gemeente volgt hiertoe de provinciale Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). Op deze kaart worden voor de perioden Steentijd - Bronstijd en IJzertijd -
20
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
Middeleeuwen adviezen gegeven over eventueel te verrichten onderzoeken (zie volgende figuren). Uit de gemeentelijke uitsnede van de FAMKE blijkt dat in het plangebied diverse terreinen met bekende archeologische waarden aanwezig zijn, de zogenaamde ‘streven naar behoud’ en ‘waarderend onderzoek’ terreinen (paars en rood op volgende figuren). Dit betreft voor de periode steentijd-bronstijd vooral vuursteenvindplaatsen en voor de periode ijzertijd-middeleeuwen vooral terpen. Voor de rest van het plangebied is sprake van zogenaamde verwachtingszones, waarbij voor een deel van het plangebied geen archeologische verwachting (meer) geldt. Vooral voor de periode steentijd-bronstijd geldt er voor een groot gedeelte van het plangebied geen archeologische verwachting (meer). De archeologische waardevolle terreinen en de verwachtingszones zijn beschermd via een dubbelbestemming archeologie, afhankelijk van de toegekende waarde. Zoals gezegd wordt gebruikt gemaakt van twee soorten archeologische waarden. Het betreft de dubbelbestemmingen “Waarde - Archeologie 1” en “Waarde - Archeologie 2”. Waarde Archeologie 1 wordt gehanteerd voor terreinen of gebieden die op de FAMKE het advies ‘streven naar behoud’ en ‘waarderend onderzoek’ hebben meegekregen, dus de bekende archeologisch waardevolle terreinen.
Waarde - Archeologie 2 wordt gehanteerd voor gebieden die op de FAMKE het advies ‘karterend onderzoek’ en ‘quickscan’ hebben gekregen en zijn dan ook gebieden met een archeologische verwachtingswaarde. Analyse In gebieden met een archeologische waarde (Waarde - Archeologie 1) zijn in principe ingrepen vanaf 50 m2 en dieper dan 40 cm vergunningsplichtig en moet een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden voorafgaand aan de vergunningverlening. Voor de gebieden in een archeologische verwachtingszone (Waarde - Archeologie 2) zijn de vrijstellingsgrenzen ruimer en speelt mogelijk archeologisch onderzoek bij ingrepen vanaf 500 m2. Wanneer sprake is van bodemverstorende ingrepen dieper dan 40 cm, afhankelijk van de omvang van de ingreep, dan is archeologisch onderzoek nodig. Binnen onderhavig plan vindt geen uitbreiding van gebouwen plaats waardoor een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Wel dient er een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ te worden opgenomen voor het plangebied.
21
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
Figuur 5: Provinciale archeologische waardenkaart ijzertijd- middeleeuwen (FAMKE)
Op de provinciale archeologische waardenkaart is de locatie aangeduid als ‘Karterend onderzoek 1 (middeleeuwen)’, zie figuur 5. In dergelijke gebieden is het advies om bij ingrepen groter dan 500 m² een karterend archeologisch onderzoek uit te voeren. Dit archeologisch onderzoek moet bestaan uit minimaal zes boringen per hectare, met een minimum van zes boringen per plan, waarbij duidelijk wordt of er vindplaatsen in het plangebied aanwezig zijn. Onder een ‘grootte van een ingreep' wordt verstaan “de totale oppervlakte van een bestemmingswijziging ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan”. Met de oppervlakte van een ‘ingreep' wordt dus niet de letterlijke omvang van de verstoring van de bodem bedoeld, maar de oppervlakte waarvan de bodem door de omgevingsvergunning nu of in de toekomst verstoord kan gaan worden. Naast de ijzertijd-middeleeuwen bevat FAMKE ook een kaart over de steentijd-bronstijd, zie figuur 6.
22
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
Figuur 6: Provinciale archeologische waardenkaart steentijd- bronstijd (FAMKE)
In de bovenstaande waardenkaart is de planlocatie aangeduid met ‘geen onderzoek nodig’. Uit eerder onderzoek is gebleken dat er zich geen archeologische resten in de bodem bevinden, of dat de archeologische verwachting op gefundeerde gronden zeer laag is. 4.8.3. Cultuurhistorie In 2019 heeft de gemeente Súdwest-Fryslân (samen met de gemeente De Fryske Marren, provincie Fryslân en de stichting Mar en Klif) in 2019 een Landschapsbiografie van de Friese Súdwesthoeke laten opstellen. Vrijwel heel Súdwest-Fryslân maakt deel uit van het Nationaal Landschap Zuidwest-Friesland. Dit gebied wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid aan landschapstypen, waaronder het stuwwallenlandschap in Gaasterland, de IJsselmeerkust van Makkum tot Lemmer, de kleizone met de wel bekende terpen en het veengebied van de Friese Meren. Ieder landschapstype kent een eigen ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische elementen die van grote waarde zijn voor de beleving van het landschap in de Súdwesthoeke. De waardevolle cultuurhistorische elementen in het buitengebied en het Nationale Landschap zijn op regionaal niveau geïnventariseerd en in kaart gebracht in de landschapsbiografie. Deze vormt een aanvulling op de reeds bestaande Cultuurhistorische kaart van Fryslân en sluit aan bij de door de provincie Fryslân uitgegeven “Wordingsgeschiedenis van Fryslân”.
Hiermee is de feitelijke basis gelegd voor het ruimtelijk beleid en het “beter vertellen” van de historie van de Súdwesthoeke. Voor wat betreft met name het gebouwde erfgoed: in het hoofdlijnenakkoord 2018-2022 is aangegeven dat er gekozen is om een inventarisatie van het cultureel erfgoed in de kernen en het buitengebied per deelgebied uit te laten voeren. Op basis van deze inventarisatie kunnen in het bestemmingsplan karakteristieke panden en andersoortige objecten worden aangewezen.
23
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
Aanwezige monumenten en waardevolle elementen Voor de cultuurhistorische kenmerken en waarden is de provinciale ‘Cultuur Historische kaart’ geraadpleegd. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door hoger gelegen delen waar voorheen terpdorpen op gerealiseerd werden. De kwelderwallen worden verder gekenmerkt door akkerbouw omdat de grond lichter (zandiger) is dan de overige kweldergronden. In lagere delen wordt dit landschapstype gekenmerkt door grasland. Er is sprake van kalkrijke zandige zeeklei en een middelschalig tot grootschalig open landschap. Het gebied wordt nader aangeduid als Kwelderwal.
Figuur 7: uitsnede Cultuur Historische kaart. Bron: www.fryslan.frl/chk
Uit de Cultuur Historische kaart blijkt tevens dat deze locatie een oude boerderijplaats betreft. Boerderijplaatsen zijn zeer kenmerkend voor het landschapsbeeld van de provincie. Kenmerkend voor boerderijplaatsen zijn: het erf met de boerderij, de bijgebouwen, de omgrachting, de groenaanplant en de functioneel erbij horende aangrenzende (kleine) terreinen: boomgaard, moestuin en kalverenweide. De opbouw van het erf geeft informatie over de vorm en structuur van de plaats en zijn ontwikkeling in de tijd; de bodem waarop het erf gelegen is. Ze vormt het archeologische archief en biedt kennis over de geschiedenis van de boerderijplaatsen; de ligging van de boerderijplaats. Deze die is ontstaan in een nauwe relatie met de omliggende verkaveling en infrastructuur in de ruimtelijke omgeving en verschaft ons kennis over de ontwikkeling van het cultuurlandschap. Tevens bevinden zich in het plangebied hoog gewaardeerde sloten. Zie figuur 8 voor een weergave van de oude boerderijplaats.
24
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
Figuur 8: uitsnede Cultuur Historische kaart, Boerderijplaats weergegeven. Bron: www.fryslan.frl/chk
Figuur 9: uitsnede Cultuur Historische kaart, blokverkaveling weergegeven. Bron: www.fryslan.frl/chk
Figuur 9 geeft de onregelmatige blokverkaveling op deze locatie weer. Onregelmatige blokverkaveling betreft natuurlijke scheidingen gebruikt als begrenzing van percelen. Naarmate de perceelsvormen onregelmatiger zijn begrensd, neemt de kans toe dat deze grenzen een natuurlijke oorsprong hebben. Uit het verkavelingsonderzoek van Cultuurland blijkt dat het op dit perceel een overgangszone betreft van blokverkaveling/ opstrekkende verkaveling met hoge waardering. Daardoor komt er een dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ verkaveling op het perceel.
25
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
4.8.4. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor dit plan. Een dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 2’ en dubbelbestemming ‘waarde – landschap’ wordt toegevoegd aan de planlocatie. In alle gevallen blijft de archeologische meldingsplicht van toevalvondsten van kracht (artikel 5.10, lid 1 Erfgoedwet). Concreet houdt dit in dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten worden aangetroffen waarvan de vinder redelijkerwijs moet kunnen weten dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente.
4.9
Verkeer en infrastructuur De verkeersbewegingen zullen in de nieuwe situatie niet veranderen ten opzichte van de huidige situatie. Op dit moment is er reeds sprake van een volwaardige bedrijfsvoering en daarom zal er naar verwachting geen toename zijn in verkeersbewegingen van en naar de projectlocatie. Hierdoor is de verkeersveiligheid niet in het geding. Conclusie Het plan voldoet aan de eisen voor verkeer en infrastructuur.
4.10
Water De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten.
Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-
26
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De watertoets is uitgevoerd en de uitkomsten zijn opgenomen in de bijlage. Op basis van de uitgevoerde watertoets is er geen waterschapsbelang bij deze ruimtelijke activiteit.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
4.11
Klimaatadaptatie Het klimaat is aan het veranderen. De noodzaak voor aanpassing aan het veranderende klimaat neemt de komende jaren steeds meer toe. Het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen zijn gezamenlijk bezig om gebieden meer klimaatbestendig en water robuust te maken. Slimme en innovatieve oplossingen zijn nodig om in te spelen op problemen uit de toekomst. Bij het toepassen van klimaatadaptieve maatregelen in het Nederlands landschap dient er rekening gehouden te worden met klimaatverandering, economische en sociale uitdagingen en verduurzaming. Specifieke gebiedskwaliteiten moeten daarbij behouden worden waardoor de herkenbare en afwisselende omgeving niet verloren gaat. Dit draagt bij aan een herkenbare gebiedsidentiteit. De Noordoostpolder is vooral kwetsbaar voor waterveiligheid, wateroverlast als gevolg van overstroming vanuit het oppervlaktewatersysteem en droogte in relatie tot bodemdaling. Om de biodiversiteit en ecologie in de directe omgeving van het plangebied te stimuleren is er reeds sprake van een inpassing van groen in de vorm van struiken en bomen. Daarnaast vinden er geen wijzigingen plaats, zoals verharding, waardoor het huidige gevarieerde landschap niet veranderd wordt.
27
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
Hoofdstuk 5. Uitvoerbaarheid 5.1
Economische uitvoerbaarheid Het plan betreft een particulier initiatief, waarvan alle kosten en risico’s voor rekening van de initiatiefnemer komen. De initiatiefnemer, die eigenaar van de betreffende woning en de gronden is, fungeert als financiële drager. Eventuele planschade komt eveneens voor rekening van de initiatiefnemer. Voor het overige zijn er geen gemeentelijke financiën met het plan gemoeid. Overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 6 van de Wet ruimtelijke ordening is voor voorliggende ontwikkeling geen exploitatieplan noodzakelijk. Het kostenverhaal vindt immers plaats via leges.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het ontwerp bestemmingsplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Hierop heeft provincie Friesland een zienswijze ingediend. Deze zienswijze heeft betrekking op het volgende: het volledig maken van de stikstof berekening middels de vernieuwde AERIUS tool; o gehele bedrijfsvoering dient meegenomen te worden. het plan voorziet in een toename van stikstofdepositie waarvoor een aanvraag Wnb-vergunning zal moeten worden gedaan. Een verplichting is hiervoor opgenomen in de regels behorend bij dit bestemmingsplan. Het gemeentelijk college heeft besloten om aan de raad voor te stellen het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen.
28
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
Bijlagen Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6:
29
Beoordeling waterschap V-stacks berekening Intentieverklaringen pachtgrond Vormvrije MER-beoordeling AERIUS verschilberekening Milieutekening
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
30
Toelichting bestemmingsplan ‘Blankendalwei 3 te Scharnegoutum’
Digitale Watertoets Res ultaat van de check gedaan op 08-11-2021
Digitale watertoets in De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toets en of u de belangen van het Waters chap raakt. Indien dit het geval is krijgt u teks t en uitleg over het vervolg proces .
VOOR DE ACTIVITEIT DIGITALE WATERTOETS IN DE GEMEENTE IS OP BASIS VAN DE GEGEVEN ANTWOORDEN NODIG: 1.
Procedure: Geen waters chaps belang
OP BASIS VAN ONDERSTAANDE LOCATIE
08-11-2021, 10:46
P agina 1 van 4
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets VRAGEN EN ANTWOORDEN UIT DE CHECK 1.
Gaat het plan uits luitend over de functiewijziging van bes taande bebouwing zonder fys ieke aanpas s ing van bebouwing en ruimte? ja
08-11-2021, 10:46
P agina 2 van 4
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets DETAILS 1.
Procedure: Geen waterschapsbelang Op bas is van je locatie en gegeven antwoorden is er geen waters chaps belang bij je ruimtelijke activiteit.
Wat moet ik doen? Je hoeft geen verdere actie te ondernemen. Uit de door jou ingevulde gegevens blijkt namelijk dat je plan geen invloed heeft op het water of de wateras pecten (zoals gemalen, s tuwen of pers leidingen) in de omgeving.
Waar moet ik op letten? Voor s ommige werkzaamheden heb je een watervergunning nodig. Bijvoorbeeld als je een s loot wilt dempen, afvalwater wilt lozen op oppervlaktewater of grondwater wilt onttrekken. Soms is het doen van een melding voldoende. Via Omgevings loket online www.omgevings loket.nl kun je nagaan of je een watervergunning nodig hebt of een melding moet doen (vergunningcheck). Je kunt hier ook meteen de vergunning aanvragen of de melding doen.
Achtergrondinformatie Watertoets De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt bes teed aan veiligheid, kwaliteit én kwantiteit van water. Als richtlijn bij het beoordelen van ruimtelijke plannen werken we met de Leidraad Watertoets . Hierin s taat voor alle wateras pecten uitgangs punten oms chreven waar je rekening mee moet houden. Ook is er informatie te vinden over de te nemen maatregelen. Je kunt de leidraad vinden via deze link: www.wetters kipfrys lan.nl/vergunningen-wetten-enregels /online-watertoets -voor-nieuwe-plannen
Toename verharding Wij willen je verzoeken om in de waterparagraaf de volgende pas s age op te nemen over het onderdeel toename verharding. Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een vers nelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze vers nelde afvoer te compens eren om de waterberging in een gebied in s tand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel pas t binnen het bes temmings plan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompens eerd is . Het is niet toeges taan zonder watervergunning neers lag vers neld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in s tedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijs telling van de vergunnings plicht wanneer wordt voldaan aan de compens atieregels genoemd in dit wateradvies . De mees t voorkomende manier van compens eren is het graven 08-11-2021, 10:46
P agina 3 van 4
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater hanteren wij de volgende compens atienorm: Boezem 5%, dit heeft alleen betrekking op de Fries e boezem; Polder 10%, Vrij afs tromend, alternatieve maatregelen. Uiteraard is het toepas s en van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan hier vermeld. Z ie de ‘Leidraad watertoets ’ voor meer informatie over compens erende maatregelen of neem contact op met ons . Indien er niet wordt gecompens eerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij bovens taande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeens temming plaats vindt in de watertoets procedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waters chap te worden gevraagd. Bekijk ook de ‘Leidraad Watertoets ’ voor meer informatie over maatregelen die je kunt treffen om te compens eren. Als je niet compens eert dan moet je een watervergunning aanvragen voor het s nel afvoeren van regenwater.
Klimaat Om ook in de toekoms t prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten s teden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekoms t. Z o is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bes tand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overs troming. Meer informatie hierover kun je vinden op ‘De Fries e klimaatatlas ’: www.fries eklimaatatlas .nl
Privacyverklaring Nadere informatie over de verwerking van je gegevens en je rechten vind je op https ://www.wetters kipfrys lan.nl/over-de-s ite/privacyverklaring
08-11-2021, 10:46
P agina 4 van 4
https://dewatertoets.nl
Gegenereerd op: 2-07-2020 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V.
Naam van de berekening: Nog niet bekend Gemaakt op: 2-07-2020 Rekentijd:
13:43:33
0:00:02
Naam van het bedrijf: Jong, Blankendalwei 3, Scharnegoutum
Berekende ruwheid: 0,08 m Meteo station: Schiphol
Brongegevens: Volgnr.
BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
1
Gebouw B
175 609
564 325
1,5
1,5
0,50
0,40
8 498
2
Gebouw C
175 643
564 319
1,5
1,5
0,50
0,40
2 737
Geur gevoelige locaties: Volgnummer
GGLID
Xcoordinaat
Ycoordinaat
Geurnorm
Geurbelasting
3
Blankendalwei 4
175 481
564 499
8,0
3,9
4
Blankendalwei 6
175 357
564 399
8,0
3,0
5
Midlãnsdyk 12
176 019
564 057
8,0
0,9
6
Zwettewei 2
174 938
563 851
2,0
0,3
7
De Iisbaan 13
174 873
564 251
2,0
0,7
Gegenereerd op: 2-07-2020 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V.
565200
Jong, Blankendalwei 3, Scharnegoutum 565000
564800
564600
3
Y
4 12
564400
7 564200
5 564000
6 563800 174800
175000
175200
175400
175600
X
175800
176000
176200
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Blankendalwei 3 te Scharnegoutum 2 juli 2020
Vormvrije m.e.r.-beoordeling BLANKENDALWEI 3 TE SCHARNEGOUTUM
Projectnummer: EX.17.4439 Rapportversie: 1 Datum: 2 juli 2020
OPDRACHTGEVER A.J. de Jong Blankendalwei 3 8629 EH Scharnegoutum
OPDRACHTNEMER Agrifirm NWE B.V. Waalkade 33 5347 KR Oss
Postbus 300 5340 AH Oss
PROJECTLEIDER Ir. E. Wind
UITVOERDER EN CONTACTPERSOON Ing. B. van der Heijden T: 088-4882929 F: 088-4882102 E: exlanadvies@agrifirm.com
ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN. NIETS UIT DEZE UITGAVE MAG WORDEN VERVEELVOUDIGD DOOR MIDDEL VAN DRUK, FOTOKOPIE, MICROFILM, GELUIDSBAND, ELEKTRONISCH OF OP WELKE ANDERE WIJZE DAN OOK, EN EVENMIN IN EEN GEAUTOMATISEERD GEGEVENSBESTAND WORDEN OPGESLAGEN, ZONDER VOORAFGAANDE SCHRIFTELIJKE TOESTEMMING VAN AGRIFIRM EXLAN.
2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling – Blankendalwei 3 te Scharnegoutum
Inhoud INHOUD ....................................................................................................... 3 INLEIDING ................................................................................................... 4 1. KENMERKEN VAN HET PROJECT ...................................................... 5 1.1
Omvang van het project ........................................................ 5
1.2
(Natuurlijke) hulpbronnen ...................................................... 7
1.3
Voeding ................................................................................. 7
1.4
Bijproducten en afvalstoffen .................................................. 7
1.5
Risico en veiligheid ................................................................ 8
2. PLAATS VAN HET PROJECT ............................................................... 9 2.1
Locatie ................................................................................... 9
2.2
Kwetsbare natuurgebieden (Wav) ....................................... 10
2.3
Natura 2000-gebieden ......................................................... 11
3. KENMERKEN POTENTIËLE EFFECT ................................................ 12 3.1
Ammoniakemissie en stikstofdepositie ............................... 12
3.2
Geurbelasting ...................................................................... 12
3.3
Luchtkwaliteit ....................................................................... 14
3.4
Geluidemissie op omwonenden .......................................... 16
3.5
Bodemhygiëne en grondwaterkwaliteit ............................... 17
4. BEOORDELING EN CONCLUSIE ....................................................... 18 BIJLAGEN ................................................................................................. 19 Bijlage 1: Geurberekening voorgrond ................................................... 20
3
Vormvrije m.e.r.-beoordeling – Blankendalwei 3 te Scharnegoutum
Inleiding In deze beoordeling wordt het voornemen aan Blankendalwei 3 te Scharnegoutum beoordeeld op de mogelijke nadelige effecten voor het milieu. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In het gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet: • Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; • Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; • De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen. De voorgenomen activiteit heeft betrekking op het wijzigen van de bedrijfsvoering voor het houden van in totaal 575 melkgeiten, 25 opfokgeiten vanaf 61 dagen en 25 opfokgeiten tot 61 dagen. In het kader van de m.e.r. betreft het een uitbreiding met 625 geiten. Doel van de beoordelingsnotitie is om de mogelijke significante milieugevolgen in beeld te brengen die leiden tot het opstellen van een milieueffectrapport.
4
Vormvrije m.e.r.-beoordeling – Blankendalwei 3 te Scharnegoutum
1. Kenmerken van het project 1.1 Omvang van het project Vigerende situatie De projectlocatie beschikt over een milieuvergunning d.d. 29 juli 2008 voor het houden van 200 stuks vrouwelijk jongvee. Een overzicht van de vergunde dieraantallen en stalsystemen van deze vergunning zijn in tabel 1 weergegeven. Tabel 1: vigerende situatie Rav Omschrijving conform Rav code
Aantal dieren
NH3/ dier
A 3.100 Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
200
4,4
ouE/ Fijnstof NH3 dier/s g/dier/jaar totaal 0
38,0
Totaal
ouE/s Fijnstof Totaal g/jaar
880,0
0,0
7.600,0
880,0
0,0
7.600,0
Wet natuurbescherming (Wnb) De projectlocatie beschikt over een Wnb-vergunning d.d. 31 augustus 2018 voor het houden van 41 melkkoeien. Een overzicht van de vergunde dieraantallen en stalsystemen van deze vergunning zijn in tabel 2 weergegeven. Tabel 2: Wnb-vergunning Rav code Omschrijving conform Rav
Aantal dieren
NH3/ dier
NH3 totaal
41
13
533,0
Gebouw B A 1.100
Melkkoeien; overige huisvestingssystemen Totaal
533,0
Beoogde situatie Een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor het houden van 575 melkgeiten, 25 opfokgeiten vanaf 61 dagen en 25 opfokgeiten tot 61 dagen in de bestaande bedrijfsgebouwen. Een overzicht van de vergunde dieraantallen en stalsystemen in de beoogde situatie zijn in tabel 3 weergegeven. Tabel 3: beoogde situatie Rav Omschrijving conform Rav code
Aantal NH3/ ouE/ Fijnstof dieren dier dier/s g/dier/jaar
NH3 totaal
ouE/s Totaal
Fijnstof /g/jaar
Gebouw B C 1.100 Geiten ouder dan 1 jaar
452
1,9
18,8
19,0
858,8
8.497,6
8.588,0
C 1.100 Geiten ouder dan 1 jaar
123
1,9
18,8
19,0
233,7
2.312,4
2.337,0
C 2.100 Opfokgeiten van 61 dagen tot en met één jaar C 3.100 Opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen Totaal
25
0,8
11,3
10,0
20,0
282,5
250,0
25
0,2
5,7
10,0
5,0
142,5
250,0
Gebouw C
5
1.117,5 11.235,0 11.425,0
Vormvrije m.e.r.-beoordeling – Blankendalwei 3 te Scharnegoutum
Omvang activiteit Ten opzichte van de vergunde situatie vinden in de beoogde situatie de volgende wijzigingen plaats: • Gebouw B: Deze ligboxenstal wordt omgebouwd naar een potstal voor 452 melkgeiten. Er is minimaal 1,5 m2 stalruimte per melkgeit • Gebouw C: Deze loods wordt omgebouwd naar een potstal voor 123 melkgeiten, 25 opfokgeiten van 61 dagen tot en met een jaar en 25 geiten tot en met 60 dagen. Er is minimaal 1,5 m2 stalruimte per melkgeit, minimaal 0,35 m2 voor opfokgeiten tot en met 120 dagen en minimaal 0,85 m2 voor opfokgeiten tot en met 1 jaar. Motivering aanvraag Onderhavige plan betreft de omschakeling van een bestaande agrarische bedrijfslocatie naar een geitenhouderij. De ligging in het buitengebied met graslanden is geschikt voor de beoogde uitbreiding. Omdat het initiatief op een andere locatie niet gewenst is, vindt het plan op de bestaande locatie plaats. Het verplaatsen van de veehouderij betekent kapitaalvernietiging en is geen alternatief. Van andere alternatieven is geen sprake. De betreffende locatie is in eigendom van de initiatiefnemer en voldoet aan alle gewenste criteria voor het initiatief. Daarnaast ligt het onderhavige plangebied in een uitermate geschikt gebied voor geitenhouderijen. De huidige locatie van de zorgt niet voor milieukundige belemmeringen voor de omgeving.
De voorliggende aanmeldingsnotitie zal dit aspect nader toelichten en onderbouwen. Daarnaast is het bedrijf in landelijk gebied gelegen dat hoofdzakelijk bestaat uit graslanden. Dat betekent een optimale fysieke ligging van het bedrijf. Doel De voorgenomen activiteit heeft tot doel het realiseren van een geitenhouderij welke voldoet aan alle verplichtingen uit de Wet milieubeheer met voldoende bedrijfseconomisch perspectief voor de toekomst. De voorgenomen bedrijfsomvang is een bedrijfseconomische eenheid die op een verantwoorde wijze lastenverzwaring van investeringen in milieu en welzijn beoogd. Toekomstige ontwikkelingen Het is denkbaar dat er in de toekomst redenen zullen gaan spelen om het bedrijf uit te breiden in dieraantallen. Zeker in de agrarische sector waar financiële resultaten in toenemende mate onder druk staan, geldt dat stilstand achteruitgang is. Uiteraard zal het bedrijf blijven zoeken naar mogelijkheden om het bedrijfsresultaat verder te verbeteren. Met de voorgenomen uitbreiding ontstaat echter een omvang waarbij het bedrijf ook op langere termijn voldoende continuïteit heeft op de locatie aan de Blankendalwei 3 te Scharnegoutum.