CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 13 Aanvulling aanvraag Hemelumer hoeve d.d. 29-06-2021

Raadsvergadering 7 juli 2021, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: Bestimmingsplan Hemelumer Hoeve26.313 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Niet in betekenende mate

Vuistregel voor veehouderijen: Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Er zijn genoeg projecten die namelijk overduidelijk NIBM zijn en waar een berekening niets toevoegt aan de conclusie. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee aangetoond kan worden dat een uitbreiding/oprichting NIBM is. Deze staan in de onderstaande tabel, die gebaseerd is op de 3% NIBM grens, dus van na de inwerkingtreding van het NSL. In de tabel kan bij de betreffende afstand de hoeveelheid emissie worden afgelezen waarmee een veehouderij nog kan uitbreiden om ‘niet in betekende mate’ bij te dragen. Met behulp van de emissiefactorenlijst op www.vrom.nl kan uitgerekend worden of de totale toename in emissie onder de NIBM grens blijft. Indien bij een bepaalde afstand niet méér wordt geëmitteerd dan is opgenomen in de tabel dan is de oprichting/uitbreiding zeker NIBM. Wanneer de toename in emissie in grammen hoger is dan in de tabel opgenomen is het project mogelijk IBM. Er zal dan een berekening met ISL3a uitgevoerd moeten worden om aan te tonen dat geen grenswaarden worden overschreden ofwel de uitbreiding bij precieze berekening toch NIBM blijkt te zijn.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

In mei 2010 is de 'Handreiking fijn stof voor veehouderijen' door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu gepubliceerd. Deze handreiking is opgesteld door InfoMil in samenwerking het Ministerie van I&M en gaat in op de regelgeving over luchtkwaliteit, waarbij ook wordt ingegaan op de regeling ‘Niet in betekenende mate’ (ook wel: Regeling NIBM). Door veehouderijen wordt fijn stof in de vorm van PM10 uitgestoten. In de handreiking wordt beschreven hoe om te gaan met de beoordeling van emissie van fijn stof vanuit veehouderijen in het geval sprake is van een beperkte toename of een afname van de emissie. Hieronder is een tekstfragment uit paragraaf 2.2 van de handreiking overgenomen (cursieve gedeelte met tabel), waar specifiek ingegaan wordt op luchtkwaliteit bij veehouderijen:

29

Uit bovenstaand tekstfragment volgt dat de totale toename in fijn stof emissie moet worden berekend door het aantal nieuwe dieren te vermenigvuldigen met de vastgestelde fijn stof emissiefactor. Door alle genomen maatregelen in de aangevraagde situatie is er een afname van de emissie van fijn stof. In de tabel hieronder wordt dit overzicht weergegeven. Tabel: Afname emissie fijnstof Omschrijving Bestaande vergunning

Gram/sec 0,011842339

Gr/jaar 373460

Aangevraagde vergunning

0,008641045

272504

Afname

-0,003201294

-100956

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Op basis van beide tabellen kan worden vastgesteld dat de emissie van fijn stof als 'niet in betekenende mate' ofwel NIBM kan worden beschouwd.

30

Rubriek geluid

Akoestisch onderzoek Akoestisch onderzoek is separaat bijgevoegd. Alle akoestisch relevante aspecten worden in dit rapport nader toegelicht. De conclusie van het rapport is dat;

 

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldoet in de representatieve bedrijfssituatie aan de richtwaarde voor een landelijke omgeving. Het maximale geluidsniveau voldoet in de representatieve bedrijfssituatie aan de grenswaarde. Het is praktisch niet mogelijk om aan de richtwaarde te voldoen. De geluidsbelasting ten gevolge van de indirecte hinder voldoet aan de voorkeursgrenswaarde volgens de Circulaire 'Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening w.m.' van 29 februari 1996.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

31

Rubriek natuur Zeer kwetsbare natuur (Wav-gebieden) De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen. Deze regelgeving heeft als doel de ammoniakuitstoot in heel Nederland terug te dringen. Voor een aantal gebieden geldt extra beleid met als doel de ammoniakdepositie op die gebieden - de zeer kwetsbare gebieden- te verminderen. De zeer kwetsbare gebieden worden door de Provincie aangewezen. De inrichting is gelegen op een afstand van meer dan 20 km van een zeer kwetsbaar gebied (Wavgebied).

Toestemmingen Natuurbeschermingswet en Flora en faunawet Menselijke (bedrijfs)activiteiten kunnen nadelige gevolgen hebben voor natuurgebieden. Sommige natuurgebieden en sommige plant- en diersoorten worden speciaal beschermd tegen de gevolgen van menselijke activiteiten. Als een agrarisch bedrijf activiteiten wil uitvoeren die nadelige gevolgen kunnen hebben voor beschermde natuurgebieden of plant- en diersoorten, is daar in veel gevallen aparte toestemming nodig. Deze toestemming kan aangehaakt zijn bij een omgevingsvergunning. Aanhaken kan plaatsvinden bij elk soort omgevingsvergunning zoals bouwen, milieu, slopen etc. Voor het verlenen van die vergunning is dan een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) nodig. Het is ook mogelijke om deze toestemmingen niet te laten aanhaken. Deze toestemmingen dienen dan echter wel voor het indienen van de Omgevingsvergunning te zijn aangevraagd, dan wel te zijn afgegeven.

Natuurbeschermingswetgebieden

Koppeling Wet Natuurbeschermings (Wnb) Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit waarvoor tevens een Wet natuurbescherming vergunning is vereist, moet de aanvrager zorgen dat de aanvraag om toestemming voor die activiteit tevens onderdeel uitmaakt van de aanvraag om een omgevingsvergunning. De Wnb-wet haakt in feite aan bij de omgevingsvergunning. De verplichting om ‘aan te haken’ geldt niet indien voorafgaand aan het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning, voor de betrokken activiteit al een aanvraag om een Nb-wetvergunning is ingediend of indien al een Wnb-wetvergunning is verleend (artikel 47, lid 1 en 2 Nb-wet). Het College van Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het gebied (grotendeels) is gelegen is het bevoegde gezag voor het verlenen van een vergunning voor de Wnb. Voor het aantal dieren van de voorgenomen activiteit is op 4 maart 2016 (verbeterde versie van 10 mei 2016) door Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân een vergunning in de zin van artikel 19d van de Nbw verleend. In dat verband is reeds een passende beoordeling uitgevoerd, waaruit blijkt dat de daarbij aangevraagde situatie geen significant negatieve effecten heeft voor beschermde habitats en soorten. Echter, in de aangevraagde situatie wordt nog een extra luchtwasser (achter stal 2) en een extra stalsysteem op hokniveau geplaatst (in stal 10).

Voor deze extra aanpassingen wordt een verklaring van geen bedenkingen aangevraagd.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

De inrichting is gelegen op een afstand van meer dan 10.000 meter van het dichtstbijgelegen Nbwetgebied. Het betreft hier het Natura 2000 gebied Rottige Meenthe & Brandemeer.

32

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

De voorgenomen uitbreiding komt één-op-één overeen met deze verklaring van geen bedenkingen. Door alle te treffen maatregelen neemt de ammoniakemissie ten opzichte van de huidige situatie nog verder af van 3.733 kilogram naar 3.291 kilogram ammoniak. De regels van dit bestemmingsplan legt middels de verklaring van geen bedenkingen vergunde stikstofdepositie als maximum vast. Het plan heeft zodoende een positieve uitwerking op de natuurwaarden in de omgeving. Het bestemmingsplan is dan ook uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.

33

Rubriek gegevens aanwezige stoffen Opslag gevaarlijke stoffen Soort

ÀDRklasse

opslag boven-/ ondergronds

Hoeveelheid/ max. opslag

Uitvoering Opslag

Dieselolie

3.3

Bovengronds

1 m3

Tank in lekbak

Minerale olie

3.3

Bovengronds

5 liter

In jerrycan

Diergeneesmiddelen

6.2

Bovengronds

25 kg

Reinigingsmiddelen

8

Bovengronds

25 kg

Zwavelzuur

8.1

Bovengronds

2 m³

Zuurstof

2.1

Bovengronds

25 liter

Gascilinder

Koelgas R407C

2.1

Bovengronds

1 kg

Koeling

In kast In kast In multibox

Opslag overige stoffen Soort product

Wijze van opslag

Max. hoeveelheid (ton of m3)

Brijvoeder

Mengtank

Zie tekening

Mengvoer

Silo’s bij bedrijfsgebouwen

Granen

Polyester silo

Zie tekening

Bijvoedermiddelen Bunkers/silo’s

Zie tekening

Mais CCM

Sleufsilo

Zie tekening

Drijfmest

Kelders onder de stal en/of Mestbassin

Zie tekening

Kadavers

Koeling

Zie tekening

Vaste mest

Mestplaat

Zie tekening

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Zie tekening

34

Rubriek bodem Verwaarloosbaar en aanvaardbaar bodemrisico Als binnen een inrichting bodembedreigende bedrijfsmatige activiteiten worden verricht, moet de kans op bodemverontreiniging tot een verwaarloosbaar minimum worden teruggebracht. In het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling staan algemene voorschriften opgenomen ten aanzien van bodembedreigende activiteiten(ook van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen / type C-inrichtingen). Deze voorschriften betreffen verplichte maatregelen en voorzieningen om tot een ‘verwaarloosbaar bodemrisico’ te komen. Per activiteit is aan de hand van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB 2012) het vereiste voorzieningenniveau bepaald om dit verwaarloosbaar bodemrisico te bereiken. In bestaande situaties waar achteraf geen voorzieningen meer aangebracht kunnen worden kan, na instemming van het bevoegde gezag, volstaan worden met een ‘aanvaardbaar bodemrisico’. Het bevoegd gezag moet daartoe wel met een maatwerkvoorschrift toestemming hebben verleend.

Bodembeschermende voorzieningen en beheermaatregelen Bodembeschermende voorzieningen zijn fysieke voorzieningen, zoals vloeren, verhardingen en lekbakken. Deze voorzieningen moeten altijd in combinatie met de daarbij behorende maatregelen worden toegepast. Bij bodembeschermende maatregelen gaat het om bijvoorbeeld organisatorische maatregelen.

De NRB-aanpak is samen te vatten als ‘vloeistofdichte vloer of verharding’ met een minimum aan gedragsvoorschriften’ of ‘vloeistofkerende voorziening’ en/of lekbakken met een zwaar accent op de daarop toegesneden gedragsvoorschriften’. Voor activiteiten waarbij vloeistofkerende voorzieningen worden vereist, zijn in het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling specifieke beheermaatregelen opgenomen. Ze zijn gebaseerd op de NRB en moeten in combinatie worden toegepast. Het gaat om een inspectieprogramma voor apparatuur en emballage en een spill-controleprogramma. Alle acties die bij een beheermaatregel horen moeten zijn uitgewerkt in procedures en werkinstructies.

Algemene eisen voor bodembeschermende voorzieningen Bodembeschermende voorzieningen moeten zo zijn uitgevoerd dat het morsen/lekken (spills) van bodembedreigende vloeistoffen effectief wordt opgevangen en opgeruimd. Brandbare vloeistoffen en giftige stoffen moeten direct worden opgeruimd. Verder moet de voorziening bestand zijn tegen de inwerking van de stof en genoeg opvangcapaciteit bieden. Voorbeelden van bodembeschermende voorzieningen zijn absorbtiekorrels, lekbakken, mestdekplaten en olie-waterscheiders. Voor lekbakken stelt de Activiteitenregeling aanvullende eisen: vervuiling door hemelwater of andere stoffen moet worden voorkomen (afdekking of gescheiden opvang en afvoer van hemelwater), de opvangcapaciteit moet minimaal 110% zijn van de inhoud van de grootste verpakkingseenheid of opslagtank met als ondergrens minstens 10% van de inhoud van alle opslagen stoffen).

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

In de Activiteitenregeling is voor verschillende bedrijfsmatige activiteiten aangegeven welke combinaties van voorzieningen en maatregelen leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisicio en binnen die inrichting getroffen moeten worden zodat aan dit doelvoorschrift wordt voldaan. Hierbij is aangesloten bij de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB 2012).

35

Bodemonderzoek Volgens het Activiteitenbesluit artikel 2.11 moet bij elke activiteit binnen een inrichting die als bodembedreigend wordt beschouwd, de kwaliteit van de bodem worden onderzocht. Deze verplichting tot het uitvoeren van bodemonderzoek geldt alleen bij: oprichting (lid 1), verandering (lid 2) of beëindiging (lid 3) van de inrichting of de IPPC-installatie na beëindiging van het opslaan van vloeibare brandstof Voert een bedrijf een bodembedreigende activiteit uit, dan moet binnen drie maanden na de oprichting van het bedrijf een rapport met de resultaten van een bodemonderzoek worden toegestuurd aan het bevoegd gezag. Dit staat in artikel 2.11 lid 1 van het Activiteitenbesluit. Dit artikel geldt echter niet voor inrichtingen met een IPPC-installatie. In geval van veranderingen binnen een bedrijf kan het bevoegd gezag gemotiveerd eisen dat een bodemonderzoek ter plaatse nodig is en een maatwerkvoorschrift opstellen. Daarnaast moet het bedrijf binnen zes maanden na beëindiging van de bedrijfsactiviteiten een bodemonderzoek uitvoeren. Binnen zes maanden na toezending van het bodemonderzoek aan het bevoegd gezag, moet de veroorzaakte verontreiniging verwijderd worden. Het uitvoeren en rapporteren van bodemonderzoek moet gebeuren door een erkend bedrijf op grond van het Besluit bodemkwaliteit en voldoen aan de NEN 5740.

Een aanwezige vloerstofdichte vloer of verharding wordt tijdens bodemonderzoek niet doorboord of aangetast.

Als algemene zorgplicht geldt dat bodemverontreininging voor zover mogelijk wordt voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is zoveel mogelijk wordt beperkt. Artikel 13 van de Wet bodembescherming (Wbb) is rechtstreeks van toepassing op de inrichting. Voor zover in de op te leggen voorschriften niet specifiek is vastgelegd welke bodembeschermende maatregelen moeten zijn uitgevoerd, dwingt artikel 13 van de Wbb tot een zorgvuldige bedrijfsvoering. In verband met de strekking van het begrip bodemverontreiniging is van belang dat het begrip bodem ook het grondwater omvat. Het melden van ongewone en gewone voorvallen met betrekking tot bodembescherming is geregeld in artikel 27 en 30 van de Wbb. Deze zorgplicht zal door de inrichtinghouder in acht worden genomen.

Bodembedreigende activiteiten in het voornemen / de aanvraag Een bodembedreigende activiteit is gedefinieerd de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). De volgende voorgenomen activiteiten worden als bodembedreigend aangemerkt:          

Houden van dieren in (delen van) een dierenverblijf zonder mestkelder Opslag van drijfmest Opslag niet-verpompbare mest Opslag zwavelzuur Opslag biologisch spuiwater luchtwassers Opslag reinigings- en ontsmettingsmiddelen in emballage Opslag van diergeneesmiddelen Opslag dieselolie Opslag minerale oliën Opslag van kadavers

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Algemene zorgplicht

36

  

Spoelplaats Opslag vloeibare bijvoedermiddelen Opslag van niet-verpompbare bijvoedermiddelen

Houden van dieren in een dierenverblijf zonder mestkelder De vloer van het dierenverblijf waaraan geen mestkelder is verbonden is vloeistofkerend uitgevoerd.

Opslag van drijfmest De geproduceerde drijfmest wordt opgeslagen in mestkelders onder de stallen en mestbassin. Deze voldoen aan de voorschriften in de Activiteitenregeling en de eisen van de HBRM1. De vloeren en de wanden zijn vloeistofkerend uitgevoerd.

Opslag van niet-verpompbare mest Opslag van niet-verpompbare mest (vaste mest) vindt plaats op een vloeistofkerende vloer, welke afwaterend naar een afvoerpunt is aangelegd. Deze afvoer is aangesloten op een mestdichte opslagvoorziening. De inhoud van deze opvangput wordt periodiek overgepompt naar de mestkelder om samen met de drijfmest conform de meststoffenwet uitgereden te worden.

Opslag van zwavelzuur Het zwavelzuur voor de MVI wordt opgeslagen in een multibox. De opslag is voorzien van een dubbelwandige tank. Het personeel wordt geïnstrueerd over het gebruik van de zwavelzuuropslag en regelmatig vindt visuele controle op lekkage plaats. Bij elke opslag liggen handschoenen en een masker. De zwavelzuuropslag voldoet aan PGS-15

Het biologisch spuiwater wordt aangemerkt als meststof en wordt opgeslagen in een afzonderlijke opslagvoorziening, welke niet in open verbinding staat met de stallen. Dit in verband met het gevaar van het vrijkomen van zwavelwaterstofgas (H2S). De opslagvoorziening bestaat uit een mestdichte kelder onder de luchtwasser. De wanden van de opslag zijn bestand tegen de invloed van het spuiwater.

Opslag van reinigings- en ontsmettingsmiddelen Reinigings- en ontsmettingsmiddelen worden opgeslagen in een daarvoor bestemde opslagkast.

Opslag van diergeneesmiddelen Diergeneesmiddelen worden in de originele verpakking opgeslagen in een afsluitbare (koel)kast.

1

De door de Ministerie van VROM uitgegeven publicatie “bouwtechnische richtlijnen mestbassins” (BRM en HBRM)

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Opslag van spuiwater luchtwassers

37

Opslag dieselolie De dieselolie wordt opgeslagen in een bovengrondse tank welke is geplaatst in een vloeistofdichte lekbak. De tank is uitgevoerd conform de bepalingen van de PGS 30. Ter plaatse van het afleverpunt is de vloer vloeistofkerend uitgevoerd, waarmee gedurende bepaalde tijd het doordringen van gemorst product in de bodem wordt verhinderd. Gemorst product moet met behulp van absorptiemateriaal zo spoedig mogelijk worden verwijderd. In de nabijheid van het afleverpunt zal daarvoor absorptiemateriaal in voorraad worden gehouden. En/of Binnen de inrichting is een noodstroomaggregaat aanwezig. Dit aggregaat wordt aangedreven met dieselolie. Onder het aggregaat is dieselopslag in emballage aanwezig. De diesel valt onder ADRklasse 3 waarop de PGS 15 van toepassing is 2. De opslag van deze emballage voldoet aan de bepalingen van de PGS 15.

Opslag van minerale oliën Smeer-, hydraulische en afgewerkte olie wordt in een vloeistofdicht vat boven een vloeistofdichte lekbak opgeslagen.

Opslag van kadavers De kleine kadavers worden opgeslagen in een vloeistofdichte voorziening met koeling. Grote kadavers worden opgeslagen op de vloeistofdichte kadaverplaat of in een vloeistofdichte kadaverton. De opslag van kadavers voldoet aan de Regeling dierlijke producten 2013.

Het spoelwater bestaat naast reinigings- en/of ontsmettingsmiddel alleen uit mest, zand en zaagselresten. De spoelplaats is voorzien van een vloeistofkerende vloer met afvoerput naar de mestkelder. De spoelplaats is afwaterend naar een afvoerpunt aangelegd en voorzien van een opstaande rand en is bestand tegen de inwerking van reinigings- en/of ontsmettingsmiddel. Het reinigingswater wordt opgevangen in een mestdichte opvangput. De inhoud van deze opvangput wordt periodiek overgepompt naar de mestkelder om samen met de drijfmest conform de meststoffenwet uitgereden te worden.

Opslag van vloeibare bijvoedermiddelen De vloeibare bijvoedermiddelen worden opgeslagen in vloeistofkerende silotanks welke aan de binnenzijde voorzien zijn van een polyester coating. Bij de vulpunten is een vloeistofkerende morsbak aangebracht. Het personeel heeft duidelijke vulinstructies.

2

Het betreft hier de opslag in emballage en geen bovengrondse tank waar de PGS 30 richtlijnen voor stelt.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Spoelplaats

38

Opslag van niet-verpompbare bijvoedermiddelen

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

De opslag voor niet-verpompbare bijvoedermiddelen is voorzien van een vloeistofkerende vloer welke afwatert naar een afvoerpunt. Bij opslag van niet-verpompbare bijvoedermiddelen met een drogestofpercentage >40% is een mestdichte opvangput niet vereist. De opslag dient wel afgedekt te worden, zodat geen contact met hemelwater kan plaatsvinden. Er gelden dan geen eisen voor de ondergrond.

39

Rubriek afval Wet milieubeheer, afvalstoffen Iedereen moet er voor zorgen dat er geen nadelige gevolgen voor het milieu zijn of komen door handelingen met afvalstoffen. Daarnaast is er een verbod om zich van afvalstoffen te ontdoen door deze buiten inrichtingen te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden. Uitzonderingen hierop staan in het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen. De gemeente is verantwoordelijk voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Er zijn regels voor zich ontdoen, inzameling en transport van afvalwater en er zijn regels voor afgifte, ontvangst, vervoer en inzameling van bedrijfsafvalstoffen

Niet gevaarlijke afvalstoffen Afvalstoffen

Afvoerfrequentie

Huishoudelijk Papier Metaal Glas Plastic Gft/groen-afval Kadavers3

1x 2 wkn 1x 4 wkn 1x jaar 1x 4 wkn 1x 4 wkn 1x 2 wkn 1 x per week

Hoeveelheid per jaar (kg, ton of stuks) 300 kg 100 kg 300 kg 25 kg 100 kg 100 kg 2 ton

Wijze van Opslag

Maximale Opslag

Inzamelaar/ Verwerker

container container container container container container Kadaverkoeling/ kadaverplaats

250 kg 100 kg 300 kg 50 kg 100 250 kg 750 kg

Erkend inzamelaar Erkend inzamelaar Erkend inzamelaar Erkend inzamelaar Erkend inzamelaar Erkend inzamelaar Destructor Rendac

Soort afval

Afvoerfrequentie

Afgewerkte olie Oliehoudend afval Rest. Geneesmiddelen

Onderhoud via LMB Onderhoud via LMB 3 x per jaar Indien nodig, maar minstens 1x per jaar

TL buizen/spaarlamp

Hoeveelheid p. jaar (kg, ton of stuks

Wijze van opslag

Max. opslag

Inzamelaar/ verwerker

10 kg 25 stuks

doos doos

10 stuks 25 stuks

DAP Erkend inzamelaar

De afvalstromen zullen door managementmaatregelen tot een minimum beperkt worden. Naast preventieve maatregelen worden de afvalstromen gescheiden opgeslagen en gescheiden afgevoerd naar daartoe erkende en gecertificeerde inzamelaars. Afvalpreventie is relevant bij bedrijven waarbij de hoeveelheid gevaarlijk afval boven de 2,5 ton per jaar ligt óf de hoeveelheid bedrijfsafval boven de 25 ton per jaar ligt (bron: Infomil). Tot het bedrijfsafval worden alle vrijkomende afvalstromen gerekend, die niet als gevaarlijk afval kunnen worden aangemerkt. Het betreft een totaal van de afvalstromen onafhankelijk van het feit of ze al dan

3

Binnen de inrichting vrijgekomen kadavers worden opgeslagen en aangeboden volgens de voorschriften genoemd in de Regeling dierlijke producten 2013.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Gevaarlijke afvalstoffen

40

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

niet gescheiden worden ingezameld. Ook het afval dat voor recycling wordt aangeboden, wordt hier in meegenomen. Zoals uit de aanvraag blijkt, bedraagt de hoeveelheid gevaarlijk afval minder dan 2,5 ton per jaar en de hoeveelheid bedrijfsafval minder dan 25 ton per jaar. Gelet op de soorten afvalstromen is binnen het bedrijf geen preventiepotentieel aanwezig.

41

Rubriek energie In het kader van de omgevingsvergunning en bij een melding in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer is het van belang te weten wat het energieverbruik van de inrichting is. Inrichtingen kunnen in drie verschillende categorieën worden ingedeeld: kleingebruikers, middelgebruikers en de grootgebruikers. Hierbij is aansluiting gezocht bij het Activiteitenbesluit milieubeheer. In het vergunningverleningsproces kan de Uniforme leidraad energiebesparing gebruikt worden. Energieverbruik kan in drie categorieën worden opgedeeld; 1. Kleingebruikers met een verbruik van minder dan 25.000 m3 gas én minder dan 50.000 kWh elektriciteit. 2. Middelgebruikers met een verbruik van tussen de 25.000 m3 en 75.000 m3 gas of tussen de 50.000 kWh en 200.000 kWh elektriciteit. 3. Grootgebruikers met een gasverbruik van meer dan 75.000 m3 en/of een elektriciteitsverbruik van meer dan 200.000 kWh. Voor kleinverbruikers worden geen voorschriften over het besparen van energie opgenomen in de vergunning. Bij middelgebruikers beoordeelt het bevoegd gezag of alle rendabele (BBT-) maatregelen zijn genomen. Als dit niet het geval is, kan het bevoegd gezag een haalbaarheidsonderzoek naar specifieke (BBT-)maatregelen eisen (brief van het Ministerie van VROM, kenmerk DGM/SB2007109294, januari 2008).

Ten slotte geldt voor grootgebruikers dat het bevoegd gezag een energieonderzoek kan eisen.

Meten en registreren van energiegegevens

Gas: Elektriciteit: Dieselolie:

Wijze van registratie

Frequentie

Door wie?

per meter per meter per meter

1x per jaar 1x per jaar 3x per jaar

leverancier leverancier leverancier

Overzicht energiegebruik en -kosten Energiebron

Verbruik

Gas:

30.000 m3

Elektriciteit: Diesel: Overig: Totaal:

150.000 kWh 3000 ltr

Maakt u gebruik van krachtstroom? (380 V)? ja nee

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Energiebron

42

Energiebesparende maatregelen Binnen de nieuwe stallen worden de volgende maatregelen getroffen om het energieverbruik tot een minimum te beperken:  

   

Het gehele gebouw (wanden en daken) is geïsoleerd (K-waarde 0,4); De stal is voorzien van een ventilatiesysteem met centrale afzuiging, waarbij het klimaat gestuurd wordt door computers en frequentieregelaars. Het ventilatiesysteem is optimaal gedimensioneerd, zodat nooit méér wordt geventileerd dan strikt noodzakelijk. Hierdoor wordt ook niet onnodig verwarmd. In alle afdelingen zijn meet- / smoorunits aangebracht. Deze registreren constant de ventilatiestroom. Naar aanleiding van deze registratie worden de ventilatoren automatisch bijgestuurd. Het gevolg daarvan is dat nooit meer geventileerd wordt dan strikt noodzakelijk. Hierdoor wordt ook niet onnodig verwarmd en het stroomverbruik van de ventilatoren wordt beperkt. Alle verwarmingsleidingen zijn, daar waar nodig, geïsoleerd. Alle ligplaatsen zijn voorzien van isolatie. Het hele gebouw is voorzien van energiearme armaturen. Verlichting in de afdelingen is met een dag-nacht schakelaar afgesteld op het dag- en nacht ritme van de dieren en de wettelijke vereisten voor licht, die opgenomen staan in de wet- en regelgeving voor dierwelzijn. In de loopgangen komen bewegingsschakelaars. Deze maatregelen beperken het elektraverbruik voor verlichting in de stallen. De voerpompen en pompen in het luchtwassysteem zijn voorzien van een frequentieregeling.

Verder worden ‘good house keeping’ maatregelen toegepast. Dit betekent dat de omstandigheden in de stal worden afgestemd op de veranderingen in dieraantallen, gewicht en leeftijd van de dieren. Klimaatbeheersing is hierbij een heel belangrijk punt. De instellingen van de bepalende klimaatparameters (temperatuur, CO2-gehalte, vochtgehalte) worden op de meest recente inzichten en gewijzigde leefomstandigheden afgestemd.

     

De klimaatinstellingen dagelijks gecontroleerd. De meet-smoorunits na iedere ronde gereinigd. De ventilatoren ieder kwartaal gereinigd. De instellingen op klimaatregelapparatuur dagelijks gecontroleerd en bijgesteld. De luchtinlaten en luchtkanalen frequent geïnspecteerd om te hoge weerstanden in ventilatiesystemen te voorkomen. De luchtwassers wekelijks gereinigd, conform de GL-leaflets.

Om inzicht te verkrijgen in het verbruik van energie binnen de inrichting vindt een registratie van het energieverbruik plaats. Hierdoor krijgen zowel de aanvrager als het bevoegd gezag een goed beeld van het jaarlijks energieverbruik, zodat adequaat kan worden gereageerd bij significante afwijkingen. Op basis van de bovengenoemde maatregelen kan aan de hand van het Informatieblad energiebesparing veehouderijen E11 (Infomil) gesteld worden dat wat betreft energie de best beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Als good housekeeping maatregelen worden verder:

43

Informatiebladen energiebesparing veehouderijen In deze paragraaf zijn een aantal vragenlijsten opgenomen, overeenkomend met de informatiebladen energiebesparing veehouderijen (E 11 Infomil). Met de vragenlijsten kan worden vastgesteld in hoeverre de Best Beschikbare Technieken worden toegepast.

Vragenlijst varkenshouderij Verlichting Wat is het geïnstalleerd vermogen (W/m2)? 1,5 tot 2 watt per m2, afhankelijk welke stal en afdeling. Hoeveel uur per jaar is de verlichting in werking? Tijdens werktijden, dit is ca. 10 uur per dag = 3650 uur per jaar.

Isolatie Welke isolerende voorzieningen worden toegepast? ligvloerisolatie dak / plafondisolatie (spouw)muurisolatie isolatie van leidingen anders geen Ventilatie Welke maatregelen met betrekking tot mechanische ventilatie worden toegepast? klimaatcomputer regeling met meetwaaier en smoorunit frequentieregeling centrale afzuiging hybride ventilatie ventilatiesysteem met ondergrondse luchtinlaat automatisch geregelde natuurlijke ventilatie anders, namelijk … geen Verwarming Wat is het bouwjaar van de stooktoestellen? meerdere bouwjaren

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Welke van onderstaande energiezuinige verlichtingstechnieken worden toegepast? natuurlijke daglichtintreding aanwezigheidsdetectie centrale lichtschakelaar bewegingsmelder buiten- en terreinverlichting spaarlampen halveringsschakelaar of dimmer op biggenlampen anders, namelijk … tl-lampen in de stallen buitenverlichting natriumlampen

44

Welk type verwarming wordt toegepast? cv / vloerverwarming, alle stallen luchtverwarming stralingsverwarming, biggenlampen

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Wat is de uitvoering van de stooktoestellen? conventioneel VR HR – CV kachels VR/HR-combinatie Zijn er aanvullende maatregelen getroffen? optimalisering en weersafhankelijke regeling verwarming eigen CV-groep of -ketel voor afwijkende ruimtes anders, namelijk … geen

45

Rubriek water

Overzicht waterverbruik In het voornemen wordt gebruik gemaakt van leidingwater, grondwater. Schatting waterverbruik aanvraag: Drinkwater dieren Reinigingswater Proceswater LW

: 7.000 m3/jaar : 200 m3/jaar : 5.250 m3/jaar

Leidingwaterverbruik wordt jaarlijks geregistreerd door het waterleidingbedrijf

Overzicht afvalwater Schatting afvalwaterproductie aanvraag: Huishoudelijk afvalwater Spuiwater ontijzeringsinstallatie Reinigingswater stallen/spoelplaats

: 150 m3/jaar (vuilwaterriool) : 6 m3/jaar (mestput) : 200 m3/jaar (mestput)

Overzicht hemelwater

In de bestaande situatie waarin het terrein onverhard is, wordt het hemelwater vertraagd afgevoerd. In de toekomstige situatie wordt een deel van het plangebied verhard. Bij een toename van verhard oppervlak wordt neerslag versneld afgevoerd. Om ervoor te zorgen dat de versnelde afvoer in de toekomst niet tot overlast leidt, hanteert Wetterskip Fryslân het uitgangspunt dat een toename van verhard oppervlak gecompenseerd moet worden door waterberging aan te leggen. De toename van verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden door 10% van de toename van verhard oppervlak als nieuwe oppervlaktewater aan te leggen. Het dempen van watergangen moet voor 100% gecompenseerd worden. De toename van het verhard oppervlak neemt toe met circa 10.500 m². Ter compensatie moet 1.050 m² aan nieuw oppervlaktewater worden aangelegd. Daarnaast wordt 520 m2 aan watergangen gedempt. In totaal komt de compensatieopgave uit op 1.570 m2 (1.050 + 520 m2) m². De compensatie zal plaatsvinden door de aanleg van een retentievijver in het voorste deel van het perceel waarop de uitbreiding plaatsvindt.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Het verhard oppervlak neemt in de aangevraagde situatie toe. Het schone hemelwater wordt afgekoppeld en op het terrein en omliggende landbouwgronden geïnfiltreerd en opgevangen in een waterbergingsvoorziening.

46

Rubriek externe veiligheid en calamiteiten Externe veiligheid heeft betrekking op situaties waar een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen, waardoor mensen - die verder niets met de risicodragende activiteit te maken hebben - om het leven zouden kunnen komen. De reikwijdte van het begrip externe veiligheid is in die zin beperkt dat uitsluitend naar slachtoffers ‘buiten de poort' wordt gekeken. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden en oriënterende of richtwaarden opgenomen voor het zgn. plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden waarmee het verplicht wordt transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd vast te leggen in het bestemmingsplan. Verder is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang (Bevb). Het bedrijf is zodanig ingericht dat het optimaal kan functioneren. Toch kunnen binnen de inrichting onvoorziene situaties of calamiteiten ontstaan. Binnen de inrichting worden alle nodige veiligheidsvoorzieningen getroffen om een calamiteit en de als gevolg van de calamiteit optredende bijzondere milieubelasting, te voorkomen dan wel te beperkten.

In deze paragraaf worden de mogelijke calamiteiten beschreven met daarbij de voorzieningen en maatregelen die zijn getroffen om de calamiteit te voorkomen of te beperken.

Stroomstoringen

Op het bedrijf is een noodstroomaggregaat aanwezig die de belangrijkste onderdelen binnen het bedrijf zoals ventilatiesystemen, luchtwassers en verlichting voorziet van stroom.

Besmettelijke dierziekten Op het moment dat een veewetziekte uitbreekt in Nederland, worden door het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie maatregelen afgekondigd om verspreiding van deze ziekte zo veel mogelijk te voorkomen. In de praktijk betekent dit vooral dat vervoer van dieren en mest in een bepaalde zone rondom de smethaard voor een bepaalde periode is verboden. Binnen het bedrijf wordt gestreefd naar een hoge gezondheidsstatus, aangezien dit ten goede komt van de groei en de gezondheid van de dieren. Het bedrijf zal bij deze calamiteit de aanwezige dieren in de afdelingen gehuisvest laten waar ze op dat moment liggen. Gezien de beschikbare oppervlaktes zal op deze locatie de eerste weken geen probleem ontstaan voor dierwelzijn.

Brand Om brand zoveel mogelijk te voorkomen wordt ten eerste voldaan aan het Bouwbesluit. Daarnaast worden waar mogelijk onbrandbare materialen gebruikt. Het eventueel aanwezige personeel krijgt de instructie om een beginnende brand direct proberen te blussen met de aanwezige mobiele

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Voor de ventilatie, het voeren van de dieren en de verlichting is stroom noodzakelijk. Bij uitval van de ventilatie komt de klimaatregulering bij de dieren in de problemen. Indien dit langdurig aanhoudt tast dit het dierwelzijn aan en kunnen de dieren zelfs sterven. De veehouder wordt door een alarmvoorziening gewaarschuwd. Belangrijke telefoonnummers zullen op het bedrijf aanwezig zijn. Het personeel is duidelijk geïnstrueerd over te nemen acties bij een stroomstoring.

47

blusmiddelen. Indien nodig wordt de brandweer gewaarschuwd. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning activiteit bouwen komt het aspect brandveiligheid nader aan de orde, omdat dan getoetst moet worden aan het Bouwbesluit. Wanneer noodzakelijk wordt overlegd met de gemeentelijke brandweer gepleegd. De brandweer brengt in deze fase advies uit over de aard, het aantal en de plaats van de noodzakelijke mobiele blusmiddelen.

Opslag drijfmest in kelders onder de stallen Bij de opslag van drijfmest kan methaangas ontstaan. Normaal blijft dit tot een minimum beperkt, er zal doorgaans voldoende geventileerd worden. Bij eventuele mixwerkzaamheden van de mest kan extra methaan gevormd worden, in dit geval zal de ventilatiecapaciteit tot zijn maximum benut worden. De ondernemer zal bij werkzaamheden in de stal waakzaamheid betrachten. Tevens zijn de vloeren en de wanden van de mestkelders conform de eisen van de HBRM uitgevoerd. Zie ook de “Rubriek Bodem”.

Opslag droogvoer en granen in silo’s Door bulkwagens wordt mengvoer en ongemalen graanproducten in de voersilo’s geblazen. Door de ontluchtingsbuis komt stof vrij, wat opgevangen wordt in filters of jute zakken. Na het lossen wordt het stof weer bij de voeders gevoegd. De kans op een stofexplosie is in dit geval nihil, omdat binnen de afgesloten ruimte van de voersilo, waar de stofdeeltjes zich mogelijk kunnen bevinden, geen motoren of andere ontstekingsbronnen aanwezig zijn. De aandrijfmotoren van de vijzels die het voer uit de silo’s halen, bevinden zich in de stal op relatief grote afstand.

Opslag dieselolie in bovengrondse tank en opslag dieselolie noodstroomaggregaat Hierbij wordt verwezen naar rubriek Bodem. Opslag voldoet aan de voorschriften in PGS 30 / PGS 15.

De reinigings- en ontsmettingsmiddelen kunnen eigenschappen hebben die irriterend werken bij de persoon die middelen gebruikt. De middelen worden in een dusdanige lage concentratie aangewend, dat deze geen gevaar opleveren voor de gezondheid. Zie verder de “Rubriek Bodem”.

Buisleidingen en hoogspanningsleidingen In de directe nabijheid van de locatie zijn geen buisleidingen of hoogspanningsmasten gelegen. De voorgenomen activiteiten vinden niet plaats binnen een risico-contour van buisleidingen of hoogspanningsmasten.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Bij het voorgenomen plan is geen sprake van de bouw van een (beperkt) kwetsbaar object. Ook is geen sprake van het oprichten van een object binnen een plaatsgebonden risicocontour. De voorgenomen activiteiten hebben geen invloed op het groepsrisico.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Opslag van reinigings- en ontsmettingsmiddelen

48

Zorg- en meldingsplicht

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

De artikelen 17.1 en 17.2 lid 1 en 2 van de Wet milieubeheer zijn rechtstreeks van toepassing wanneer een ongewoon voorval zich voordoet. Bij ongewone voorvallen in een inrichting waarbij milieuschade ontstaat of dreigt te ontstaan, moet degene die de inrichting drijft onmiddellijk maatregelen nemen (art. 17.1 Wm.). Tevens moet het voorval zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dat de omgevingsvergunning heeft verleend, worden meegedeeld (art. 17.2 Wm.).

49

Dier- en volksgezondheid Algemeen Effecten op de (volks)gezondheid betreft niet alleen dierziekten en zoönosen, maar ook geurhinder, geluidhinder en fijn stof belasting. Ten aanzien van geur-, fijn stof- en geluidsbelasting wordt voldaan aan de wettelijke waarden. Deze milieuaspecten staan in aparte rubrieken in deze bijlage uitgewerkt. In deze rubriek wordt nader ingegaan op de (lopende) onderzoeken naar de effecten van veehouderij op de volksgezondheid, zoönosen en de maatregelen op bedrijfsniveau ter voorkoming van insleep en verspreiding van dierziekten.

Volksgezondheid en de Wet milieubeheer Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet milieubeheer bevat geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld. Wel bestaat ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets ten aanzien van besmettingsgevaar. De Wet publieke gezondheid is op 1 december 2008 in werking getreden. Hierin is ondermeer vastgelegd dat het bevoegd gezag de taak heeft om gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen te bewaken. Zij zullen zich daarbij moeten baseren op beschikbare onderzoeken. Aangezien veel van deze zaken nog onduidelijk zijn, vindt momenteel nader onderzoek plaats naar de relatie tussen (de omvang van) intensieve veehouderij en gezondheidsproblemen van omwonenden.

Effecten op de volksgezondheid betreffen niet alleen dierziekten en zoönosen, maar ook geurhinder en fijn stofbelasting. In de voorgaande paragrafen is ingegaan op ammoniak, geur en fijn stof. Daaruit volgt dat de voorgenomen uitbreiding leidt tot een substantiële vermindering van de ammoniak-, geuren fijn stofemissie. Verder is onder meer gebleken dat het bedrijf in een dun bevolkt buitengebied ligt. Tevens is daaruit gebleken dat de afstand van het bedrijf tot omliggende bebouwing dusdanig is, dat wordt voldaan aan de geldende normen en dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. Momenteel is zijn er geen wettelijke afstandsvereisten of normeringen vastgesteld door de overheid, omdat de onderzoeksresultaten hiervoor nog geen aanleiding geven. Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet milieubeheer bevat hoogstens een aanvullend toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor volksgezondheid zijn geregeld. Ten aanzien van gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijbedrijven heeft de gezondheidsraad het advies “Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen” opgesteld (30 november 2012). Hierin wordt gesteld dat het niet bekend is tot welke afstand omwonenden van veehouderijen verhoogde gezondheidsrisico’s lopen.

Daarom is er niet op wetenschappelijke gronden één landelijke ‘veilige’ minimumafstand vast te stellen tussen veehouderijen en woningen. Afstanden, meteorologische omstandigheden en de lokale bebouwing en beplanting kunnen van invloed zijn op de gezondheidsrisico’s. Op basis van de beschikbare kennis acht de gezondheidsraad het te vroeg om een uitspraak te kunnen doen over de eventuele negatieve gezondheids-effecten van zulke beduidend lagere blootstellingniveaus. In de zomer van 2016 zijn de uitkomsten van het onderzoek “Veehouderij en gezondheid omwonenden” (hierna: VGO-onderzoek) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM) gepubliceerd. Met het VGO-onderzoek is nagegaan of het wonen in de buurt van veehouderijen effect

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Onderzoeken naar relatie (intensieve) veehouderij en volksgezondheid

50

kan hebben op de gezondheid van omwonenden. Hieruit komen een aantal positieve en een aantal negatieve gezondheidseffecten naar voren. Volgens het RIVM is een eenduidig antwoord dan ook niet te geven. De Afdeling hanteert de lijn dat de mogelijke besmetting van dierziekten vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven een mee te wegen belang is bij de vaststelling van een bestemmingsplan (of in dit geval een project afwijkingsbesluit). Tegelijkertijd stelt de Afdeling dat de bestrijding van besmettelijke dierziekten zijn regeling primair vindt in andere wetgeving en dat daarnaast aan een omgevingsvergunning voorschriften kunnen worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken. Wel dient in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat onderzocht te worden of een plan niet zodanige risico’s voor de volksgezondheid meebrengt dat dit onvoldoende gewaarborgd is. Op dit bedrijf wordt een hoge gezondheidsstatus nagestreefd en worden strenge hygiënemaatregelen toegepast door: • geen aanvoer van dieren; • bedrijfsbezoekers mogen alleen het bedrijf betreden als zij gedoucht hebben; • bedrijfsbezoekers mogen de 72 uur voorafgaand aan het bedrijfsbezoek niet op andere bedrijven zijn geweest; • eigen bedrijfsbehandelplan voor diergezondheidszorg. Conclusie: in de voorgaande paragrafen is ingegaan op geur en fijn stof.

Daaruit volgt dat de emissie van fijn stof als de geurbelasting afnemen. Mede gezien de daarin al geconstateerde afstand van de inrichting tot omliggende gevoelige objecten, de hoge gezondheidsstatus op het bedrijf en het gegeven dat de uitbreiding niet aan de kant van Hemelum plaatsvindt, is het risico voor de volksgezondheid vanwege dit project verwaarloosbaar, als er daarmee al een verband gelegd kan worden.

Zoönosen varkens

Zoönosen zijn infectieziekten veroorzaakt door micro-organismen die kunnen overgaan van dieren naar mensen. De belangrijkste zoönosen die voorkomen in de varkenssector worden hier toegelicht: Varkensinfluenza Mensen kunnen door direct contact met varkens besmet raken met varkens-influenzavirussen. Dit komt in Nederland zelden voor. Mensen die geïnfecteerd raken met een varkensinfluenzavirus hebben dezelfde klachten als na infectie met een humaan influenzavirus. Omdat bij varkens dezelfde subtypen voorkomen als bij mensen bestaat er een bepaalde mate van immuniteit waardoor infectie minder ernstige gevolgen heeft. Bij mensen die beroepsmatig in contact komen met varkens worden in het bloed vaker antistoffen gevonden tegen varkens-influenzavirussen dan bij mensen die dit contact niet hebben. MRSA MRSA is een bacterie die voorkomt bij gezonde mensen, zonder dat zij daar last van hebben. MRSA is resistent voor behandeling met de meeste antibiotica. Personen die nauw contact hebben met varkens, hebben een verhoogd risico op een besmetting met de veehouderij-gerelateerde MRSA. Transmissie van MRSA op veehouderijbedrijven van dier naar mens vindt plaats door contact met dieren, mest of stof of inhalatie van stallucht. Lopende onderzoeken moeten meer inzicht verschaffen. Het MRSAdragerschap is voor de meeste mensen geen grote bedreiging voor de gezondheid.

In hoeverre de uitstoot van stallucht kan leiden tot MRSA-besmetting van omwonenden is nog onduidelijk. In de buitenlucht vindt een sterke verdunning plaats, waardoor de kans op contact met MRSA snel afneemt

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

De verbetering van de diergezondheid op veehouderijen is volop in ontwikkeling. Een aantal besmettelijke dierziekten is al uitgeroeid of sterk teruggedrongen. Kwaliteitszorgsystemen hebben door controles op het vóórkomen van ziekten en naleving van hygiënevoorschriften hieraan bijgedragen.

51

met toenemende afstand van de stal. Toepassing van luchtwassers heeft waarschijnlijk een beperkend effect op de aanwezigheid van MRSA, maar hiernaar moet nog nader onderzoek verricht worden. Antibiotica-resistentie Mensen kunnen antibiotica-resistente bacteriën overnemen van dieren, via voedsel of contact met dieren. Bacteriën kunnen resistentie ontwikkelen als neveneffect van het gebruik van antibiotica om dierziekten te bestrijden. De resistentie is het hoogst bij dieren die voor de vleesproductie worden gehouden. Het risico voor de volksgezondheid is dat resistente bacteriën kunnen veranderen in meer virulente of aan de mens aangepaste varianten of hun resistentie overdragen aan andere bacteriën. Omdat voor dieren grotendeels dezelfde antibiotica worden gebruikt als voor mensen vormt resistentie een risico voor de volksgezondheid. In de hele veehouderijsector is aandacht voor beperking van het antibioticaverbruik. Het is sinds 2006 al verboden om antimicrobiële voerbespaarders toe te passen in mengvoer. Het landelijk beleid is momenteel al gericht op een forse reductie van het antibioticagebruik in de veehouderij (70% in 2015) en een zorgvuldig gebruik.

Maatregelen op bedrijfsniveau Binnen de inrichting zijn maatregelen getroffen om de insleep en verspreiding van ziektekiemen te voorkomen en de uitstoot van stoffen te reduceren. Een goed ontwerp van de stal en goede bedrijfsvoering zijn hierbij erg belangrijk. Daarnaast minimaliseert een gezond dierbestand de kans op problemen met volksgezondheid. Het houden van varkens vereist de nodige hygiëne-maatregelen om insleep en eventuele verspreiding van besmettelijke dierziekten zo veel mogelijk te voorkomen.

        

Periodieke reiniging en desinfectie van gebouwen en materialen Bezoekersregeling: in principe worden er zo weinig mogelijk bezoekers toegelaten in de stallen en in het ‘schone gedeelte’ van het bedrijf. Derden die noodzakelijke diensten verrichten en controleurs van wie de toegang wettelijk is vastgelegd, vormen een uitzondering. Bezoekers die voorafgaand aan het bezoek in aanraking zijn geweest met varkens worden niet op het schone gedeelte van het bedrijf toegelaten Doucheverplichting voor alle medewerkers en alle bezoekers voor het betreden van de bedrijfsruimten Het dragen van bedrijfskleding en bedrijfsschoeisel dat op het bedrijf wordt verstrekt. Waar nodig zullen dieren preventief ingeënt worden. Het gebruik van antibiotica wordt zoveel mogelijk beperkt en er wordt voldaan aan de PVEverordening voor antibioticaregistratie en verantwoord antibioticaverbruik. Goede ongediertebestrijding die wordt verzorgd door een professionele ongediertebestrijder Het bedrijf heeft een bedrijfsbehandelplan (BBP) en een bedrijfsgezondheidsplan (BGP). Het (BBP) is een door de dierenarts opgesteld plan waarin de voorgenomen behandelwijze van de mogelijk optredende dierziekten op het bedrijf van de ondernemer wordt vastgelegd.

Een BGP is een plan waarin naast het bedrijfsbehandelplan de maatregelen zijn beschreven die door de ondernemer worden genomen om het gebruik van antibioticum te beperken. Door een optimale klimaatregeling worden emissies in de stal gereduceerd en wordt naar de laatste stand der techniek naar behoefte geventileerd. Hiermee wordt voorkomen dat er teveel of te weinig geventileerd wordt zonder noodzaak. De emissies van ammoniak, geur en fijn stof zijn een resultante van het ventilatiedebiet en de concentratie in de lucht. Een lager debiet geeft, zelfs als de concentratie in de lucht toeneemt, lagere emissies. En de situering van de uitstroom van de stallucht is zo gekozen dat de belasting van omliggende woningen is geminimaliseerd.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

De volgende maatregelen worden getroffen:

52

RENVOOI luchtwasser: uitstroom oppervlak: 1,47m² Ep hoogte 4m BWL 2007.03.V7

1 luchtwasser: uitstroom oppervlak: 1,45m² Ep hoogte 5,8m BWL 2009.12.V4

+6499 8

centraal afzuigkanaal 10,63 m2

vuile weg

vuile weg ±0

32100

vuile weg

3000

21450

80 gespeende biggen

3.000

6 80 gespeende biggen

80 gespeende biggen

6

80 gespeende biggen

96 vleesvarkens

216 gespeende biggen

80 gespeende biggen

1400

overkapping

1174

80 gesp. biggen

80 gesp. biggen

80 gesp. biggen

80 gesp. biggen

1500

±0 4000

Ventilator Ø63 4 stuks

á 0,75 kW

3,00 kW

Regelkleppen 73 stuks

á 0,09 kW

6,57 kW

3.200

2.000

100

B

GEBOUW 3

7.000

50

50

kantoor

1 beer

50

1 beer

5,00 kW

6

Diergeneesmiddelenkast (koelkast)

7

Chemicalien/ontsmettingsmiddelen

8

koelkerder voor kadavers

9

Opslag oud ijzer

16 guste en dragende zeugen

P12

hal

kantine

GEBOUW 6

300

Dieselolietank 1000 ltr. in lekbak met electrische pomp

0,25 kW

13

eigen waterinstallatie

2,25 kW

14

aggregaat met stationaire motor

150 kW

15

voermenger 2st. á 4,00 kW

8,00 kW

16

mestverwerkingsinstallatie á 10,00 kW

10,00 kW

17

opslag zwavelzuur in multibox 1m³

douches

luchtwasser: EP diameter 2,54 m² Ep hoogte 5,8m BWL 2009.12.V4

6.500

vezelcement-golfplaten steen beton 760 m3

Aantal dieren:

1344 Vleesvarkens RAV: D3.2.15.4 BWL: 2009.12.V4

centraal afzuigkanaal 19,33 m2

+5800

Mestkelderinhoud incl. mestsilo: Aantal dieren:

3144 Vleesvarkens 4608 Gespeende biggen 682 Guste en dragende zeugen 5 Dekberen 240 Kraamzeugen

Aantal dieren:

2160 Gespeende biggen RAV: D1.1.12.2 BWL 2007.03.V8 480 Gespeende biggen RAV: D1.1.3 BB 95.12.031V1 BWL 2007.03.V8

vezelcement-golfplaten damwand beton 61 m3 53 Guste en dragende zeugen RAV: D1.3.101 2 ventilatoren Ø40 0,25 kW

GEBOUW 8

BERGING

Dak: Wanden: Vloeren: Mestkelderinhoud:

vezelcement-golfplaten steen beton n.v.t.

GEBOUW 9 Dak: Wanden: Vloeren: Mestkelderinhoud: Aantal dieren:

Dak: Wanden: Vloeren: Mestkelderinhoud:

vezelcement-golfplaten damwandprofielplaat beton n.v.t.

Aantal dieren:

283 Guste en dragende zeugen RAV: D1.3.10 BB 00.06.086 1 Dekbeer RAV: D2.100 ventilatoren Ø50 0,65 kW 3 stuks

50

vezelcement-golfplaten hout beton n.v.t.

Ventilatie:

+11.468

Regelkleppen

GEBOUW 4A&B

luchtwasser: uitstroom oppervlak: 1,77m² gem Ep hoogte 7m BWL 2007.03.V7

11,25m² Centraal afzuigkanaal

6.500

+3.060 +2.800 50

Aantal dieren:

(4A) 960 Gespeende biggen RAV: D1.1.3 BB 95.12.031V1 (4B) 528 Gespeende biggen RAV: D1.1.3 BWL 2006.07.V2

I 27

6.500

luchtwasser: uitstroom oppervlak: 1,94m² gem Ep hoogte 8,5m BWL 2009.12.V2

50

Dak: Wanden: Vloeren: Mestkelderinhoud: Aantal dieren:

+8.500 +8.000 I 23

14,4m²

inri

Centraal afzuigkanaal

cht

in

re gsg

ns

Ventilatie:

0,09 kW 16 stuks

VARKENSSTAL vezelcement-golfplaten metselwerk beton 1400 m³

Aantal dieren:

1800 Vleesvarkens RAV: D3.2.7.1.2, BWL 2004.04.V2 BWL 2009.12.V4

Ventilatie:

d.m.v. ventilatoren voor de luchtwasser Ø 90 cm,1,5 kW (8 st.) 0,09 kW 10 stuks

Regelkleppen

GEBOUW 5

240 Kraamzeugen RAV: D1.2.10 BWL 2007.03.V8 4 Dekberen RAV: D2.1 BWL 2007.03.V8 346 Guste en dragende zeugen RAV: D1.3.6 BWL 2007.03.V8 d.m.v. ventilatoren voor de luchtwasser Ø 90 cm, 1,50 kW,(6 st.)

Dak: Wanden: Vloeren: Mestkelderinhoud:

per afdeling 1 ventilator Ø40 0,25 kW 13 stuks

±0 -500 -1.500

vezelcement-golfplaten metselwerk beton 1250m³

GEBOUW 10

vezelcement-golfplaten steen / hout beton 189 m3

luchtwasser

346 guste- en dragende zeugen

VARKENSSTAL

VARKENSSTAL

Dak: Wanden: Vloeren: Mestkelderinhoud:

Ventilatie:

HYGIENESLUIS

Dak: Wanden: Vloeren: Mestkelderinhoud:

per afdeling 1 regelklep Ø82 1,00 kW 4 stuks 0,09 kW 14 stuks

GEBOUW 3 VARKENSSTAL

-2110

6.500 2.000

Dak: Wanden: Vloeren: Mestkelderinhoud: Aantal dieren:

VARKENSSTAL damwandprofielplaat steen beton 800 m3

Ventilatie: Ventilatoren Regelkleppen

9186 m3

-1110

50 2.000

VARKENSSTAL

GEBOUW 7

Dak: Wanden: Vloeren: Mestkelderinhoud:

+8565

±0

50 centrale gang 800 2.000

GEBOUW 6

Ventilatie:

per afdeling 1 regelklep Ø90 1,50 kW 5 stuks 0,09 kW 14 stuks

GEBOUW 2

Doorsnede luchtwasser gebouw 9

woning

TOTAAL BEDRIJF

6.500

24 kraamzeugen

24 kraamzeugen

800

VARKENSSTAL

-1.500

DOORSNEDE I - I

5

245,27 kW

Dak: Wanden: Vloeren: Mestkelderinhoud:

Ventilatie: Ventilatoren Regelkleppen

±0 -500

GEBOUW 8

5 5

30,0 kW

12

15000

+6.500

50 guste- en dragende zeugen

24 kraamzeugen

24 kraamzeugen

5

1,75 kW

Shovel met dieselmotor

woning

9

2.050 50 guste- en dragende zeugen

24 kraamzeugen

24 kraamzeugen

Centraal afzuigkanaal

5

0,50 kW

CV installatie 7 st. á 0,25 kW

Ventilatie:

24 kraamzeugen

luchtwasser: uitstroom oppervlak: 1,77m² gem Ep hoogte 7m BWL 2007.03.V8

12.000

Diverse handgereedschapmachine's

luchtwasser: uitstroom oppervlak: 1,77m² gem Ep hoogte 7m BWL 2007.03.V8

+2500

5

17.200

mestsilo Ø 23,1m 2000 m³

5

+7.000

4.000

24 kraamzeugen

centrale gang

24 kraamzeugen

1 beer

Centraal afzuigkanaal

100

DOORSNEDE G - G

3,00 kW

kantoor

50

750

100 5.825 5.825

-1430

7.525

±0

43.615

46.200

+2200

Hogedrukspuit

GEBOUW 1

garage/ berging

1 beer

berging

100

17.000

2.000

centrale gang

berging

2,74 m

4

DOORSNEDE H - H

100

2

7,50 kW

7.5 kW

TOTAAL VERMOGEN

5

8000

P12

+6000 +4151

Mestpomp 10 Pk

5.675

10

42100

I

2000

centrale gang

berging

2.900

DOORSNEDE C - C

4

E

2.000

mestsilo Ø 23,1m 2000 m³

-2.550

hygienesluis

+4151 +2200

3

41500

2.000

2,74 m2

1.725

10.580

13.200

stro-ruimte

2.500

5.925

+6000

100

50m³

4

16 guste en dragende zeugen

15200 283 guste en dragende zeugen

50.450

kadaverkoeling

2.085

3.200

11

3

200

L

100

-2.250

2800

32100

3

P12

9600

21450

5.020

3000

luchtwasser: uitstroom oppervlak: 1,47m² Ep hoogte 4m BWL 2007.03.V8 1.450 5.000

6,00 kW

2800

5.000

2

3

6.500

DOORSNEDE F - F

GEBOUW 2

2

Voerpomp 3 stuks á 2 kW

46.200

6.950

-930

2.800

luchtwasser: EP diameter 2,54 m² Ep hoogte 5,8m BWL 2009.12.V4

±0

216 gespeende biggen

2

putjes

10000

putjes

vloeistofdichte vloer 2

-1.210

Doorsnede luchtwasser gebouw 10

6.220

216 gespeende biggen

2

5400

200

1

+2200

2.647

9000

4 21 guste en dragende zeugen

werkplaats

45.800

1

96 vleesvarkens

luchtwasser

2.647

2,00 kW

10

ontsmettingsruimte

2.050

1

+4497

luchtwasser gebouw 4 BWL 2009.21.V4 uitstroom oppervlak: 0,83m² EP hoogte: 6,0m

7t

1.600

1

6.220

1

P12

96 vleesvarkens

5000

overkapping vaste mestopslag

10100

2500

216 gespeende biggen

2.620

600

216 gespeende biggen

P12

-1250

á 1,00 kW

11

E

3.600

DOORSNEDE E - E

-1.250

5t

F

F

luchtwasser: uitstroom oppervlak: 1,94m² gem Ep hoogte 8,5m BWL 2009.12.V4

18.000

uitzakkend vocht naar mestkelder

2500

-1000

Doorsnede luchtwasser gebouw 4

selectiehok

putjes

19600

2500

±0

±0

1

27000

GEBOUW 4B

putjes

3400

96 vleesvarkens

3440

96 vleesvarkens

1200 1740 500

+2300

±0

1

+8.500

1400

+3500

C

2800

P12

1 beer

selectiehok 2400

11t

P12

800

7

P12

G

43500

B

216 gespeende biggen

H 2400

1.200

1

P12

+4720

800

80 gespeende biggen

7

GEBOUW 7

4000

96 vleesvarkens

12200

3.000

80 gespeende biggen

10

2000

DOORSNEDE D - D

1350

Doorsnede luchtwasser gebouw 2

8000

80 gespeende biggen

216 gespeende biggen

D

8500

216 gespeende biggen

C

80 gespeende biggen

±0 -500

+2.900

Ventilator Ø72 2 stuks

4,50 kW

±0

spoelplaats

96 vleesvarkens

H

VARKENSSTAL GEBOUW 11 VOERKEUKEN/OPSLAG

vezelcement-golfplaten steen beton 126 m3 per afdeling 1 ventilator Ø40 0,25 kW 6 stuks

Dak: Wanden: Vloeren: Mestkelderinhoud:

480 Gespeende biggen RAV: D1.1.3 BWL 2006.07.V2

vezelcement-golfplaten steen beton n.v.t.

+4.050

3.400 50

2.000

6.500

3.100

100

200

I 1077

I 1108 5.200

3.000 200

200

ens

300

I 1219

sgr

200

ing

82.600

I 1079 I 1075

83.100

4

100 2.000 2.800

centrale gang

17

I 1107

centrale gang

e D

berging +4.500

ic inr

100

MVI module I & module III

ng

180 vleesvarkens

Betreft: Opdrachtgever:

5

I 444

8584 VS Hemelum

I 19

DOORSNEDE K - K

I 663 1

Locatie:

2

5

1

6t

15 15

6t

I 443

Projectnr.:

21 - 091 - M

Schaal:

1:2000, 1:200

Formaat:

A0 XL 841 x 1470 mm

Getekend:

G. Korenromp

Datum:

28-06-2021

Datum gewijzigd:

29-06-2021

Milieutekening De Soal 4 te Hemelum

5 6t

3

6t

+5.000

opslag: 100

3.400

vaste mest

100

39.800 40.000

GEBOUW 11

K

25.300

Prefab mestsilo 2000m3

3.000

50t

50t

14.400

+8.100

2400

opslag: losse veevoer grondstoffen

Hemelumer Hoeve De Soal 4

2400

5

Omgevingsvergunning (activiteit Milieu)

I 1072 26.500

180 vleesvarkens

180 vleesvarkens

180 vleesvarkens

180 vleesvarkens

180 vleesvarkens

180 vleesvarkens

3600

180 vleesvarkens

1000

I 446

ns

I 445

±0 -300

2400

3600

I 865 al So

+1.500

2400

1200 1600 800

180 vleesvarkens

luchtwasser: uitstroom oppervlak: 1,94m² gem Ep hoogte 8,5m BWL 2009.12.V4

15.600

18.000

24.400

voerkeuken

5

180 vleesvarkens

5 5

hti

re sg

I 1074

5

16

100

al So

+9.429

17 loosbaar water 50m³

cht

K

J

-2.250

DOORSNEDE J - J

83.100 4.600

-1.210

inri

200

e D

ens

±0

2.500 50 2.500 50 2.500

I

sgr

GEBOUW 9

ing

10

L

luchtwasser

cht

technische ruimte tbv. luchtwasser

inri

gelten hokken

1.400

+3.000

100 100 10.550

Prefab mestsilo 2000m3

technische ruimte ±0 -625 -1.000

10

200

3.000

21,00 kW

Vijzel totaal 6 stuks á 0,75 kW

P12

1600

80 gespeende biggen

±0

3.000

á 1,50 kW

1

3

7t

1340

7

80 gespeende biggen

1

spoelwater afvoeren naar mestkelder

3.000

49920

+2200

+4.151

Ventilator Ø90 14 stuks

Brandblusapparaat 12 stuks

P12

+4.000

10450

2,67 m

96 vleesvarkens

9850

+4000 2

50400

+4559

P12 2000

80 gespeende biggen

A

10

centale gang

14

12

10 10

luchtwasser gebouw 4 BWL 2009.21.V4 uitstroom oppervlak: 0,83m² EP hoogte: 6,0m

72 gespeende biggen

P12

P12

A

leiding spuiwater

luchtwasser gebouw 5 BWL 2009.21.V4 uitstroom oppervlak: 0,27m² EP hoogte: 4,0m

+6.000

0,5 kW

Spuiwatersilo totaal 50m³

1600

1231

GEBOUW 4A G

216 gespeende biggen

DOORSNEDE B - B

P12 kantoor

voerkeuken

luchtwasser gebouw 4 BWL 2009.21.V4 uitstroom oppervlak: 0,83m² EP hoogte: 6,0m

á 0,25 kW

Brijvoersilo's totaal 96 ton

luchtwasser: uitstroom oppervlak: 1,47m² Ep hoogte 4m BWL 2007.03.V8

7 6

1

1600

72 gespeende biggen

96 vleesvarkens

2 2

7

72 gespeende biggen

96 vleesvarkens

13

32t

luchtwasser

72 gespeende biggen

±0

11t

2000

2400

6t

luchtwasser gebouw 5 BWL 2009.21.V4 uitstroom oppervlak: 0,27m² EP hoogte: 4,0m

80 gespeende biggen

120 gespeende biggen

6t

2.250

80 gesp. biggen

6t

mestsilo 600 m3

80 gespeende biggen

216 gespeende biggen

80 gesp. biggen

40t 6t

1174

96 vleesvarkens

+4500

luchtwasser gebouw 4 BWL 2009.21.V4 uitstroom oppervlak: 0,83m² EP hoogte: 6,0m

Ventilator Ø40 2 stuks

Krachtvoersilo's totaal 71 ton

1231

120 gespeende biggen 96 vleesvarkens

Doorsnede luchtwasser gebouw 1

D

GEBOUW 5

80 gespeende biggen

+8067

stalen mestsilo voorzien van spankap

vuile weg

25160 4010

luchtwasser

6t

3600

2.500

32t

P12

+5000

1,95 kW

6

±0

7.200

96 vleesvarkens

EP +10000

+4200

á 0,65 kW

Mestpompput

berging tbv. vrachtwagen

96 vleesvarkens

120 gespeende biggen

120 gespeende biggen

14600 Mestgoot met schuine wand en ontmestingssysteem voor gespeende biggen > 0,35 m2 Groen-labelsysteem 'Sondag' nr. BB-95-12-031 V1

4.800

DOORSNEDE A - A

Doorsnede luchtwasser gebouw 5

Ventilator Ø50 3 stuks

-1.110 32t

+4.000

4,00 kW

7

-1110

luchtwasser gebouw 5 BWL 2009.21.V4 uitstroom oppervlak: 0,27m² EP hoogte: 4,0m

á 1,00 kW

4

+2.500

73300

7660

Ventilator Ø82 4 stuks

5

oal

Mestgoot met schuine wand en ontmestingssysteem voor gespeende biggen > 0,35 m2 Groen-labelsysteem 'Sondag' nr. BB-95-12-031 V1

7,50 kW

3

De S

+2500

á 1,50 kW

2

+5.800

+4000

Ventilator Ø90 5 stuks

200

4.600

100

8.200

50

8.200

50

8.200

50

J

8.200

50

8.200

50

8.200

87.550

50

8.200

50

8.200

50

8.200

50

8.200

200

DOORSNEDE L - L

Situatie Gemeente: Súdwest-Fryslân Sectie I nr: 1107, 1108, 1075 Schaal 1: 2000

GEBOUW 10 Bouwbureau Jansman

ForFarmers FarmConsult

Pr. Julianastraat 21

ForFarmers Nederland BV.

Specialist bedrijfsontwikkeling:

7731 GG Ommen

Kwinkweerd 5

Sander Hooch Antink

7241 CW Lochem

0573 - 28 87 33

0573- 28 89 89

06 - 22 37 25 55

farmconsult@forfarmers.eu

sander.hoochantink@forfarmers.eu

0529 - 43 44 38 ommen@bouwbureaujansman.nl www.bouwbureaujansman.nl

Tekeningen en adviezen van Bouwbureau Jansman zijn gemaakt op basis van de meest actuele kennis en ervaringen uit onderzoek en praktijk. Bouwbureau Jansman is niet aansprakelijk voor schade die ontstaat door toepassing en uitvoering van deze tekeningen en adviezen.

© Copyright Bouwbureau Jansman/ ForFarmers

Dimensioneringsplan VT BWL 2009.21.V4 Opdrachtgever

Locatie

Naam: Adres: Postcode en plaats: Telefoonnummer:

Hemelumer Hoeve De Soal 4 8584 VS Hemelum

Vaste gegevens Maximale luchtsnelheid in luchtkanaal: Oppervlak emissiepunt/ 2,4 m² aanstroom: Maximale specifieke lucht belasting bio-wasser: Type bio-wasfilter pakket: Specifieke oppervlakte wasfilter pakket: Bio-wasfilter pakket dikte wasser: Materiaal biologisch waspakket: Normale drukval over het waspakket: Type druppelvanger pakket: Druppelvanger, dik: Materiaal druppelvanger pakket: Zuurgraad spoelwater tussen Maximale geleidbaarheid (EC) spoelwater Spuiregeling op EC waarde maximaal

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10367903/1