CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 13 Aanvulling aanvraag Hemelumer hoeve d.d. 29-06-2021

Raadsvergadering 7 juli 2021, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Bestimmingsplan Hemelumer Hoeve26.313 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

AANVRAGER

Hemelumer Hoeve B.V. De Soal 4 8584 VS Hemelum

Initiatieflocatie:

De Soal 4 Hemelum Kvk nummer: 01119260 Vestigingsnummer: 000016931599

Initiatiefnemer:

Dhr. J.A. Lorist De Soal 4 Hemelum 0514-581991 john@hemelumerhoeve.nl

Adviseur/contact:

FarmConsult Sluisstraat 24 7491 GA Delden farmconsult@forfarmers.eu KvK nummer: 08207868 Vestigingsnummer: 000016141881 Projectleider A.H.T. Hooch Antink tel. 0573-288806 sander.hoochantink@forfarmers.eu

Datum: versie:

juni 2021 1.5

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

1

Inhoudsopgave

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

INHOUDSOPGAVE ................................................................................................ 1 INLEIDING ........................................................................................................... 2 RUBRIEK PROCEDURE .......................................................................................... 4 RUBRIEK VOORNEMEN ......................................................................................... 5 RUBRIEK M.E.R.-(BEOORDELINGS)PLICHT .......................................................... 11 RUBRIEK BIJVOEDERMIDDELEN ......................................................................... 13 RUBRIEK MILIEUZORG ....................................................................................... 14 RUBRIEK BBT/ BESLUIT EMISSIEARME HUISVESTING.......................................... 16 RUBRIEK GEUR .................................................................................................. 21 RUBRIEK LUCHT ................................................................................................ 29 RUBRIEK GELUID ............................................................................................... 31 RUBRIEK NATUUR ..............................................................................................

32 RUBRIEK GEGEVENS AANWEZIGE STOFFEN ........................................................ 34 RUBRIEK BODEM ............................................................................................... 35 RUBRIEK AFVAL ................................................................................................. 40 RUBRIEK ENERGIE ............................................................................................. 42 RUBRIEK WATER................................................................................................ 46 RUBRIEK EXTERNE VEILIGHEID EN CALAMITEITEN ............................................. 47 DIER- EN VOLKSGEZONDHEID ............................................................................ 50

1

Inleiding Het bedrijf de Hemelumer Hoeve B.V. is het varkensbedrijf van dhr. J.A. Lorist. (hierna: de initiatiefnemer) Het bedrijf is gelegen aan de Soal 4 te Hemelum. Voor het bedrijf is op 22 december 2009 een omgevingsvergunning verleend. Op 9 juli 2020 is er een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van de luchtwasser. Het bedrijf is in werking conform deze vergunning. Het bedrijf voldoet aan de eisen uit het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij. Initiatiefnemer is van plan om het bedrijf te moderniseren en uit te breiden. De uitbreiding is tevens noodzakelijk om basisfokker te kunnen blijven bij TOPIGS en om in te kunnen spelen op het succes van het Friberne Gaasterlands Kruidvarken, één van Nederlands meest succesvolle varkensvleesmerken. Het plan omvat de volgende wijzigingen binnen het bedrijf.

aanpassingen in de bestaande stallen     

de wasser achter de bestaande vleesvarkensstal (gebouw 1) zal worden aangepast (= hogere uitstroomsnelheid) stal 2 wordt volledig ingericht voor gespeende biggen. Deze stal is emissiearm uitgevoerd op hokniveau en tevens voorzien een biologische luchtwasser; stal 3 is ook emissiearm uitgevoerd op hokniveau en blijft ongewijzigd ten opzichte van de vigerende situatie. Wel wordt deze stal voorzien van dakkokers; de stallen 4 en 5 worden helemaal ingericht voor gespeende biggen. De kraamhokken komen te vervallen en worden ingericht en emissiearm gemaakt op hokniveau voor de gespeende biggen. Tevens wordt beide stallen voorzien van een biologische luchtwasser; de bestaande dekstal (gebouw 6) blijft ongewijzigd, alleen worden alle dierplekken ingevuld met zeugen. Het is de enige stal die nog traditioneel blijft. Echter, door middel van intern salderen is dit wel toegestaan.

Door al deze maatregelen in de bestaande stallen ontstaat er milieuruimte om te kunnen uitbreiden met de zeugenhouderij. Naast de bestaande stallen komen twee nieuwe stallen. Eén stal voor dragend zeugen en kraamzeugen en één stal voor vleesvarkens. Stal 9 wordt voorzien van een biologische wasser en stal 10 wordt voorzien van een biologische combi luchtwasser en ea systeem op hokniveau. In de nieuwe situatie is er ruimte voor 922 zeugen, 4608 gespeende biggen, 1 beer en 3144 vleesvarkens. De milieubelasting door ammoniak, geur en fijnstof neemt af ten opzichte van de huidige vigerende situatie. Achter deze twee nieuwe stallen zijn twee mestsilo's geplaatst en een loods ten behoeve van inpandige opslag en verwerking van mest. Tevens is in de loods ruimte voor een voerkeuken en opslag van agrarische producten, zoals gerst, tarwe en korrelmais die verwerkt worden tot veevoer. De loods is hiervoor opgedeeld in twee gedeelten. In het voorste gedeelte is de voerkeuken en worden de agrarische producten opgeslagen. In het achterste deel komt een mestverwerkingsinstallatie (hierna: MVI) te staan met opslag van vaste mest en loosbaar water. Middels deze aanvraag wordt de wettelijke grondslag gelegd voor de vergroting van de veestapel en de bouw van de nieuwe stal. De MVI is gericht op het verkleinen van het volume van de mest.

Mest wordt op bedrijfsniveau verwerkt in een dikke fractie (vaste mest), een kunstmestconcentraat en loosbaar water:

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

nieuwbouw

2

 

De vaste mest wordt opgeslagen in de loods en afgevoerd met containervrachtwagens. Dit komt gemiddeld neer op circa 4 vrachten per maand; Het kunstmestconcentraat wordt opgeslagen in de mestsilo. Dit is een vloeibaar product dat afgevoerd wordt met tankvrachtwagens. Gemiddeld zijn hiervoor circa 4 transporten per maand nodig; Het loosbare water wordt opgeslagen in een polyestersilo van 50 m³. Dit water wordt gebruikt als proceswater voor de luchtwasser en als reinigingswater voor het reinigen van de stallen.

De MVI resulteert in een meer duurzame bedrijfsvoering. Door het scheiden van de mest worden twee doelen bereikt: 

Reductie van het aantal transportbewegingen ten behoeve van de afvoer van mest. Zonder MVI zijn er circa 20 vrachtwagens per maand nodig voor afvoer. Met MVI gaat dit terug naar 8 vrachtwagens per maand. Dit is dus afname van het aantal verkeersbewegingen met ruim de helft; Gebruik van het schone water uit de installatie als proceswater voor de luchtwasser en als reinigingswater voor het reinigen van de stallen. Door de inzet van de MVI wordt dus een nuttig productiemiddel (loosbaar water) verkregen uit de bewerking van de mest als restproduct. Niet alleen is dit een mooi voorbeeld van een ‘circulaire economie’, ook wordt hiermee het waterverbruik verminderd.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Daarnaast draagt de MVI met externe mestopslag bij aan het dierenwelzijn. De opslag van mest onder de stallen kan zodoende tot een minimum beperkt worden. Dit heeft een positief effect op de ventilatie en dus ook op het stalklimaat. Dit leidt tot een schonere lucht in de stallen voor de varkens.

3

Rubriek procedure Conform artikel 3.10, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is op deze aanvraag afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Artikel 3.18 Awb bepaalt het volgende:

1. Indien het een besluit op aanvraag betreft, neemt het bestuursorgaan het besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag. 2. Indien de aanvraag een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft, kan het bestuursorgaan, alvorens een ontwerp ter inzage te leggen, binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de in het eerste lid bedoelde termijn met een redelijke termijn verlengen. Voordat het bestuursorgaan een besluit tot verlenging neemt, stelt het de aanvrager in de gelegenheid zijn zienswijze daarover naar voren te brengen. 3.In afwijking van het eerste lid neemt het bestuursorgaan het besluit uiterlijk twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerp, indien het een besluit betreft: a. inzake intrekking van een besluit; b. inzake wijziging van een besluit en de aanvraag is gedaan door een ander dan degene tot wie het te wijzigen besluit is gericht. 4. Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, doet het bestuursorgaan daarvan zo spoedig mogelijk nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, mededeling op de wijze, bedoeld in artikel 3:12, eerste en tweede lid. In afwijking van het eerste of derde lid neemt het bestuursorgaan het besluit in dat geval binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken.

De Wabo bevat ten opzichte van afdeling 3.4 van de Awb een aantal aanvullende/afwijkende voorschriften.

In afwijking van artikel 3:18, eerste lid van de Awb vangt de beslistermijn op grond van artikel 3.12, zevende lid van de Wabo aan op de dag na de datum waarop het orgaan, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid van de Wabo de aanvraag heeft ontvangen. De in artikel 3:18, tweede lid van de Awb bedoelde termijn voor verlenging van de termijn waarbinnen het bevoegd gezag op de aanvraag beslist, bedraagt ingevolge artikel 3.12, achtste lid van de Wabo ten hoogste zes weken. De termijn waarbinnen het bevoegd gezag op de aanvraag beslist, kan ten hoogste eenmaal worden verlengd.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Op grond van artikel 3.11 Wabo zendt het bevoegd gezag het bestuursorgaan dat bevoegd is een verklaring te geven als bedoeld in artikel 2.27 Wabo, onverwijld een exemplaar van de aanvraag en de daarbij gevoegde stukken.

4

Rubriek Voornemen Bedrijfsontwikkelingsplan

Vigerende vergunning: (dd 9 juli 2020)

nr stal

emissie punt

RAV code

A

1

1

D 3.2.15.4

A

2

2

D 3.100

A

2

2

D 1.1.3

A

2

2

D 1.1.12.2

A

3

3

D 1.3.10

A

3

3

D 2.100

0

A

4

4

D 1.2.100

0

A

4

4

D 1.1.3

A

5

5

D 1.2.100

0

A

6

6

D 1.3.101

0

Bedrijfstotaal

4.234,1

52.391

373.460

diercategorie

# dieren

kg NH3 / dier

totaal NH3

Oue / dier

totaal Oue

Vleesvarkens

1.344

0,45

605

12,7

17.069

31

41.664

Vleesvarkens

448

3

1.344

23

10.304

153

68.544

Gespeende biggen

480

0,15

72

5,4

2.592

56

26.880

Gespeende biggen

1.296

0,21

272

5,4

6.998

74

95.904

Guste en Dragende zeugen

283

2,6

736

18,7

5.292

175

49.525

overige huisvestingssystemen

Dekberen

1

5,5

6

18,7

19

180

180

overige huisvestingssystemen

Kraamzeugen

56

8,3

465

27,9

1.562

160

8.960

Gespeende biggen

1.208

0,15

181

5,4

6.523

56

67.648

overige huisvestingssystemen

Kraamzeugen

48

8,3

398

27,9

1.339

160

7.680

overige huisvestingssystemen, individuele huisvesting

Guste en Dragende zeugen

37

4,2

155

18,7

692

175

6.475

BWL

omschrijving stalsysteem gecombineerd luchtwassysteem BWL 85% emissiereductie (45% geur 2009.12.V4 en 80% fijn stof emissiereductie) overige huisvestingssystemen mestopvang in water in BWL combinatie met een 2006.07.V2 mestafvoersysteem opfokhok met schuine putwand, BWL emitterend mestoppervlak groter 2004.06.V2 dan 0,07 m2 per big, echter BWL rondloopstal met 2010.09.V1 zeugenvoerstation en strobed

mestopvang in water in BWL combinatie met een 2006.07.V2 mestafvoersysteem

5

fijnstof / totaal fijnstof dier (gr/jaar)

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

BEH Kolom A, B of C

Aangevraagde situatie:

nr stal

emissie punt

RAV code

a

1

1

D 3.2.15.4

a

2

2

D 1.1.12.2

a

2

2

D 1.1.3

a

3

3

D 1.3.10

a

3

3

D 2.100

a

4a

4

D 1.1.3

a

4b

4

D 1.1.3

a

5

5

D 1.1.3

a

6

6

D 1.3.101

C

9

9

D 1.2.10

C

9

9

D 2.1

C

9

9

D 1.3.6

C

10

10

D 3.2.7.1.2

BWL

omschrijving stalsysteem gecombineerd luchtwassysteem BWL 85% emissiereductie (45% geur 2009.12.V4 en 80% fijn stof emissiereductie) opfokhok met schuine putwand, BWL emitterend mestoppervlak groter 2004.06.V2 dan 0,07 m2 per big, echter mestopvang in water in BWL combinatie met een 2006.07.V2 mestafvoersysteem

nageschakelde techniek

0

overige huisvestingssystemen

mestopvang in water in BWL combinatie met een 2006.07.V2 mestafvoersysteem mestopvang in water in BWL combinatie met een 2006.07.V2 mestafvoersysteem mestopvang in water in BWL combinatie met een 2006.07.V2 mestafvoersysteem 0

biologisch luchtwassysteem; BWL 70% ammoniak emissiereductie 2007.03.V8 (45% geur en 75% fijn stof biologisch luchtwassysteem; BWL 70% ammoniak emissiereductie 2007.03.V8 (45% geur en 75% fijn stof biologisch luchtwassysteem; BWL 70% ammoniak emissiereductie 2007.03.V8 (45% geur en 75% fijn stof Mestkelders met (water- en) BWL mestkanaal; mestkanaal met 2004.04.V2 schuine putwand met metalen

BWL 2009.12.V4 (gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80%

62.112

272.504

# dieren

kg NH3 / dier

totaal NH3

Oue / dier

totaal Oue

Vleesvarkens

1.344

0,45

605

12,7

17.069

31

41.664

2.160

0,063

136

3

6.480

19

41.040

480

0,0621

30

3

1.440

14

6.720

Guste en Dragende zeugen

283

2,6

736

18,7

5.292

175

49.525

Dekberen

1

5,5

6

18,7

19

180

180

960

0,0621

60

3

2.880

22

21.120

528

0,0621

33

3

1.584

22

11.616

480

0,0621

30

3

1.440

22

10.560

Guste en Dragende zeugen

53

4,2

223

18,7

991

175

9.275

Kraamzeugen

240

2,5

600

15,3

3.672

40

9.600

Dekberen

4

1,7

7

10,3

41

45

180

Guste en Dragende zeugen

346

1,3

450

10,3

3.564

44

15.224

Vleesvarkens

1.800

0,21

378

9,8

17.640

31

55.800

BWL 2009.21.V4 (biologisch luchtwassysteem; 70% ammoniak Gespeende biggen emissiereductie (45% geur en 60% BWL 2009.21.V4 (biologisch luchtwassysteem; 70% ammoniak Gespeende biggen emissiereductie (45% geur en 60% BWL 2009.21.V4 (biologisch luchtwassysteem; 70% ammoniak Gespeende biggen emissiereductie (45% geur en 60%

overige huisvestingssystemen, individuele huisvesting

3.291,4

diercategorie

BWL 2007.03.V8 (biologisch luchtwassysteem; 70% ammoniak Gespeende biggen emissiereductie (45% geur en 75% BWL 2007.03.V8 (biologisch luchtwassysteem; 70% ammoniak Gespeende biggen emissiereductie (45% geur en 75%

BWL rondloopstal met 2010.09.V1 zeugenvoerstation en strobed

Bedrijfstotaal

fijnstof / totaal fijnstof dier (gr/jaar)

Opmerking behorende bij stal 1 en 10: Hoewel de Hemelumer Hoeve een opfokbedrijf is, dient bij de hier te houden varkens tot zeven maanden op grond van de toelichting op de site van Kenniscentrum InfoMil “Mestvarken/zeug” gesproken te worden van ‘vleesvarkens’. Volgens de Regeling ammoniak en veehouderij wordt de categorie D 3 als volgt omschreven, “diercategorie vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking”.

6

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

BEH Kolom A, B of C

Bedrijfstijden Normale werktijden: Werkdagen: Werktijden:

Laad- en lostijden:

Maandag t/m vrijdag 7.00 – 19.00 uur

Zaterdag 7.00 – 19.00 uur

Zondag 7.00 – 19.00 uur

19.00 – 23.00 uur 23.00 – 7.00 uur

19.00 – 23.00 uur 23.00 – 7.00 uur

19.00 – 23.00 uur 23.00 – 7.00 uur

7.00 – 23.00 uur

7.00 – 19.00 uur

7.00 – 19.00 uur

Zie ook het Akoestisch Onderzoek “Hemelumer Hoeve BV” in de bijlage voor de volledige onderbouwing en toelichting over akoestisch aspecten van het bedrijf.

Milieutekening

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

De milieutekening is als separate bijlage bijgevoegd en gekenmerkt als horende bij de aanvraag. Op deze tekening is tevens een kadastrale situatieschets opgenomen.

7

Planologische aspecten (bestemmingsplan) Op grond van artikel 2.1 lid 1 onder C van de Wabo onderdeel omgevingsvergunning kan de aanvraag geweigerd worden als de aangevraagde activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. De inrichting is gelegen in de gemeente Súdwest-Fryslân binnen het geldende bestemmingsplan buitengebied. Op de betreffende percelen rust een agrarische bestemming en een agrarisch bouwblok van ca. 1,3 ha.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Gebleken is dat de aanvraag in strijd is met het huidige bestemmingsplan. In overleg met de gemeente is gekozen voor een gecoördineerde voorbereidingsprocedure van enerzijds de omgevingsvergunning en anderzijds de voorgenomen partiële herziening van het bestemmingsplan. De omgevingsvergunning en het bestemmingsplan zullen gelijktijdig als ontwerp ter inzage worden gelegd. De verleende omgevingsvergunning en het vastgestelde bestemmingsplan worden eveneens gelijktijdig ter inzage gelegd en beide besluiten worden in het kader van een eventuele beroepsprocedure aangemerkt als één besluit.

8

Leaflets emissiearme stalsystemen

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Wordt als separatie bijlage toegevoegd.

9

Dimensioneringsplannen luchtwassers

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Wordt als separatie bijlage toegevoegd.

10

Rubriek M.e.r.-(beoordelings)plicht De M.e.r.-plicht In de bijlage bij het Besluit Milieueffectrapportage zijn in onderdeel C onder 14 de criteria genoemd wanneer een bedrijf een MER moet op stellen voor een veehouderij. Hier worden genoemd de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan: 1°. 85.000 stuks mesthoenders (Rav1 cat. E 3 t/m 5), 2°. 60.000 stuks hennen (Rav cat. E 1 en E2), 3°. 3.000 stuks mestvarkens (Rav cat. D3) of 4°. 900 stuks zeugen (Rav cat. D 1.2 en D 1.3). De voorgenomen activiteit overschrijdt voornoemde drempelwaarden niet. Er hoeft vooralsnog dus geen MER te worden opgesteld.

In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn in onderdeel D onder 14 de criteria genoemd wanneer een bedrijf een Aanmeldnotitie MER moet op stellen voor een veehouderij. Hier worden genoemd de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan: 1°. 40.000 stuks pluimvee (Rav1 cat. E, F, G en J), 2°. 2000 stuks mestvarkens (Rav cat. D.3), 3°. 750 stuks zeugen (Rav cat. D.1.2, D.1.3 en D.3 voor zover het opfokzeugen betreft), 4°. 3750 stuks gespeende biggen (biggenopfok) (Rav cat. D.1.1), 5°. 5000 stuks pelsdieren (fokteven) (Rav cat. H.1 t/m H.3), 6°. 1000 stuks voedsters of 6000 vlees- en opfokkonijnen tot dek leeftijd (Rav cat. I.1 en I.2), 7°. 200 stuks melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar (Rav cat. A.1 en A.2), 8°. 340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 3), 9°. 340 stuks melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 1, A 2 en A 3), 10°.1200 stuks vleesrunderen (Rav cat. A.4 t/m A.7), 11°. 2000 stuks schapen of geiten (Rav cat. B.1 en C.1 t/m C.3), 12°. 100 stuks paarden of pony’s (Rav cat. K.1 en K.3), waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld. (Rav cat. K.2 en K.4), 13°. 1000 stuks struisvogels (Rav cat. L.1 t/m L.3).

De voorgenomen uitbreiding omvat een nieuwvestiging en interne uitbreiding voor 602 zeugen, 1.800 vleesvarkens, 4 beren en 1.624 gespeende biggen. Het plan blijft daarmee onder de drempelwaarden van onderdeel C. Gelet op de voorgenomen uitbreiding worden ook de drempelwaarden van onderdeel D niet overschreden. Er bestaat op grond daarvan dus geen m.e.r.-plicht ten aanzien van het projectafwijkingsbesluit. Om na te gaan of de voorgenomen activiteit mogelijk is zonder aanzienlijke milieugevolgen, heeft de aanvrager een aanmeldnotitie voor de vormvrije beoordeling van de noodzaak tot het opstellen van een milieueffectrapport ingediend bij de gemeente.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

M.e.r.-beoordelingsplicht

11

Op 28 april 2015 heeft de gemeente Súdwest-Fryslân hierover het volgende besluit genomen:

“Gelet op het vorenstaande hebben wij ingevolge artikel 7.17 van de Wet milieubeheer besloten dat met betrekking tot het voornemen om een varkenshouderij te wijzigen en uit te breiden met dierplaatsen voor 1800 vleesvarkens, 1624 gespeende biggen en 602 zeugen, ter plaatse van De Soal 4 te Hemelum geen milieu-effectrapportage hoeft te worden gemaakt bij de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag omgevingsvergunning. De bijbehorende milieugebruiksruimte zal in het bestemmingsplan worden vastgelegd.” Ten opzichte van dit besluit worden nog 2 extra maatregelen genomen. Het betreft het plaatsen van een luchtwasser achter stal 2 en het emissiearm uitvoeren op hokniveau van stal 10. De aantallen dieren blijven ongewijzigd ten opzichte van de dieren in het hierboven genomen besluit. Deze aanpassingen hebben derhalve geen nadelige gevolgen voor het milieu zoals beoordeeld in het besluit van 28 april 2015. In tegendeel, de emissie van ammoniak, geur en fijn stof wordt nog verder verlaagd ten opzichte van dit besluit. De conclusie van de gemeente dat geen milieueffectrapportage noodzakelijk is, verandert door deze aanpassing dus ook niet. Ergo de aanpassing vormt juist een extra onderbouwing van deze conclusie.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Het volledige besluit is als separate bijlage toegevoegd.

12

Rubriek bijvoedermiddelen Voerstrategie Om de uitscheiding van nutriënten (N en P) te verminderen is afstemming van het veevoer op de behoeften van de dieren noodzakelijk. Hiermee wordt bij de samenstelling van de veevoeders rekening gehouden. De inrichting houder wordt op dit aspect door bedrijfsadviseurs en nutritionisten geadviseerd. Het voeren van de dieren geschiedt met (geautomatiseerde) voer doseerleidingen, zodat de hoeveelheid veevoer precies wordt afgestemd op de behoefte van de dieren. Door toepassing van het mestbeleid wordt een zo beperkt mogelijke uitstoot van stikstof en fosfaat in het milieu bevorderd. De binnen de inrichting toegepaste veevoeders worden uitsluitend van GMP+ (Good Manufacturing / Managing Practice) gecertificeerde leveranciers betrokken. In het kader van GMP+ worden regels gesteld aan de productie, handel en vervoer van veevoeders. Doel van deze regeling is te waarborgen dat met het veevoer geen te hoge gehaltes verontreinigingen in de mest en uiteindelijk in de bodem terecht komen. De binnen de inrichting toegepaste voerstrategie kan worden aangemerkt als BBT.

Overzicht aan te voeren bijvoedermiddelen Op het bedrijf worden de volgende bijvoermiddelen aangevoerd.

Natte bijvoedermiddelen: Aardappelstoomschillen Zuivelmix Optitar bostel

Deze producten worden opgeslagen in speciaal door voor bestemde polyestertanks Gerstekruim Tarwemeel CCM Korrelmais Gerst Tarwe Deze producten worden opgeslagen in polyestersilo’s en los gestort in de opslagloods Naast deze bijvoermiddelen wordt er aanvullend mengvoer gevoerd. Dit mengvoer komt van de mengvoerleverancier en wordt opgeslagen in de polyestersilo’s. Met het aanvullend mengvoer wordt het rantsoen op maat gemaakt voor de verschillende diergroepen welke aanwezig zijn op het bedrijf. Alle producten zijn GMP+ gecertificeerd. De rantsoenen worden opgesteld in overleg met de mengvoerleverancier. Niet alle producten zijn altijd en in dezelfde hoeveelheid aanwezig op het bedrijf. Ook wordt er weleens gewisseld van producten. Bij de keuze van de diverse producten wordt gekeken naar de voedersamenstelling het benodigde rantsoen en de dan geldende kostprijs van de producten.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Droge bijvoedermiddelen:

13

Rubriek milieuzorg

Gebruik van (grond)stoffen Binnen de inrichting wordt het gebruik van grondstoffen (o.a. water, energie en voeders) geregistreerd. De hoeveelheden veevoer en op het land gebrachte mest(stoffen) mogen de gebruiksruimte op grond van de Meststoffenwet niet overschrijden. Op grond van de artikelen 32 en 33 van het Uitvoeringsbesluit meststoffenwet is een veehouderij verplicht veevoeders en mest te registreren. Dit systeem is erop gericht de emissies van fosfaat en stikstof terug te dringen. Hiertoe worden jaarlijks gegevens over de aan- en afgevoerde hoeveelheden aan Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) verstrekt.

Monitoring en Registraties Emissiearme stalsystemen In artikel 3.125 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de artikelen 3.99-3.101 van de bijbehorende Activiteitenregeling staan voorschriften opgenomen omtrent monitoring en registratie van de emissiearme stalsystemen. Deze voorschriften zijn ook van toepassing op een IPPCinstallatie/vergunningplichtige inrichting (type C). Daarnaast staan in de leaflet (stalbeschrijving) van het toegepaste stalsysteem aanvullende voorschriften om een goede werking te waarborgen.

Frequentie

Wijze van registreren

Bewaarplaats

Aanvoer diervoeders

Per vracht

Boekhouding

Waterverbruik Energieverbruik Afvoer dieren Aanvoer dieselolie Aanvoer zwavelzuur Aanvoer dieren

Jaarlijks Jaarlijks Per vracht Per vracht Per vracht Per vracht

Hoeveelheid en soort grondstof m3 kWh en m3 aantallen Hoeveelheid Hoeveelheid Aantallen

Afvoer kadavers Afvoer mest

Per vracht Per vracht

Afvoer overige afvalstoffen Keuring blusmiddelen

Per vracht 1 x per 2 jaar

Afvoer spuiwater

Per vracht

Goede werking luchtwassers

Continue

Aspecten

*

jaarnota’s Jaarnota’s Boekhouding/diertellingen boekhouding boekhouding Diertellingen/bonnen/ boekhouding Hoeveelheid/vervoerder boekhouding Hoeveelheid/vervoerder VDM/ boekhouding Hoeveelheid/vervoerder boekhouding Controle door erkend registratie op bedrijf blusmiddel zelf Hoeveelheid/vervoerder Logboek/afgiftebonnen/ boekhouding Het luchtwassysteem is voorzien van een elektronisch monitoringssysteem, waarmee de parameters die van belang zijn voor een goede werking van het luchtwassysteem worden geregistreerd*

De parameters die door het elektronisch monitoringssysteem worden geregistreerd zijn: a. de zuurgraad van het waswater (pH); b. de geleidbaarheid van het waswater (in milliSiemens per centimeter (mS/cm));

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Overig

14

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

c. de spuiwaterproductie (in kubieke meter (m3)); d. de drukval over het filterpakket (in Pascal (Pa)); e. het elektriciteitsverbruik van de waswaterpomp(en) (in kilowattuur kWh)). f. debietmeting waaraan een laagdebiet-alarmering is gekoppeld. Wanneer het waswaterdebiet (de waswaterhoeveelheid in de wateropvangbak onder het filterpakket / de filterwand) te laag is gaat dit alarm af. Het alarm waarschuwt de inrichtinghouder dat te weinig waswater beschikbaar is om de aangeboden luchthoeveelheid goed te kunnen wassen.

15

Rubriek BBT/ Besluit emissiearme huisvesting

Van toepassing zijnde BBT-documenten De vergunningverlener moet bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu rekening houden met de BBT-conclusies. BBT-conclusies zijn documenten, vastgesteld door de Europese Commissie overeenkomstig artikel 13 lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie), met hierin de conclusies over beste beschikbare technieken. Voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij hebben de BBT-conclusies betrekking op goede landbouwpraktijk, voerstrategie, huisvestingssystemen, water, energie, opslag van mest, behandeling van mest en uitrijden van mest. Dit is voor de intensieve veehouderij uitgewerkt in de BREF Intensieve pluimvee- en varkenshouderij. In het BREF-document voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij zijn diverse emissiearme stalsystemen aangegeven, die als best beschikbare technieken (BBT) kunnen worden aangemerkt. Bij artikel 9.2 en in de bijlage van de Ministeriele regeling omgevingsrecht (MOR) zijn Nederlandse informatiedocumenten aangewezen, waarmee bij de bepaling van BBT in het kader van de vergunningverlening rekening moet worden gehouden. Voor de onderhavige inrichting zijn de volgende Nederlandse BBT-Informatiedocumenten van belang: Tabel: Aangewezen Nederlandse BBT-Informatiedocumenten

Naam Document Circulaire energie in de milieuvergunning Nederlandse richtlijn bodembescherming (NRB) Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij PGS 30: Vloeibare aardolieproducten: buitenopslag in kleine installaties

Jaartal

Vindplaats

oktober 1999

InfoMil.nl

maart 2012

InfoMil.nl

juni 2007

InfoMil.nl

december 2011

Publicatiereeks gevaarlijkestoffen.nl

Bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning, moet worden uitgegaan van toepassing van de best beschikbare technieken (BBT) binnen een inrichting. Voor de bepaling van de BBT moet rekening gehouden worden met voorzienbare kosten en baten van maatregelen en met het voorzorg- en preventiebeginsel.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Aangewezen Nederlandse BBT-informatiedocumenten (Bijlage Mor)

16

Besluit emissiearme huisvestingsystemen Besluit van 25 juni 2015 houdende regels met betrekking tot emissiearme huisvestingssystemen voor landbouwhuisdieren, Staatsblad 266, 2015. In werking sinds 1 augustus 2015. Het Besluit emissiearme huisvesting heeft tot doel de emissie van ammoniak en van fijn stof uit dierenverblijven zoveel mogelijk te beperken door de emissie vanuit dierenverblijven aan een maximum te binden (maximale emissiewaarden). Het besluit bevat maximale emissiewaarden voor ammoniak (voor melkvee, vleeskalveren, varkens, kippen en vleeskalkoenen) en fijn stof (kippen, vleeskalkoenen en vleeseenden). Alleen huisvestingssystemen met een emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde zijn toegestaan. Bijlage 1 van het besluit geeft drie maximale emissiewaarden voor ammoniak: kolom A, B en C. De maximale waarden worden gefaseerd aangescherpt. Welke maximale emissiewaarde geldt (kolom A, B of C) hangt af van de datum van oprichting (bouw) van het dierenverblijf waar het huisvestingssysteem in zit. Een huisvestingssysteem is een gedeelte van een dierenverblijf waar dieren van één diercategorie op dezelfde wijze worden gehouden. Een dierenverblijf is een ruimte waar dieren worden gehouden (stal). Op deze indeling gelden enkele uitzonderingen.

Varkens

Voor varkens staan er maximale emissiewaarden voor ammoniak in het Besluit emissiearme huisvesting (artikel 5 en bijlage 1 van het besluit). De enige uitzondering waarvoor de maximale emissiewaarde voor ammoniak niet geldt, is een bestaande traditionele stal van vóór 1 januari 2007 die gecompenseerd wordt door toepassing van intern salderen (artikel 5 lid 2 Beh).

Diercategorie

Biggenopfok D1.1 (gespeende biggen) Kraamzeugen D1.2 (incl.biggen tot spenen) Guste en dragende zeugen D1.3 Vleesvarkens, D3 opfokberen van circa 25kg tot 7mnd, opfokzeugen van circa 25kg tot 1ste dekking

Maximale emissiewaarde in kg NH3/dierplaats/jaar art 3.1, art 4, art 5.1 A B C Tot 30-6-2015 Vanaf 1-7-2015 IPPC-bedrijven Vanaf 1-1-2020 0,21 0,21 0,21

Geldt niet voor bedrijven <

2,9

2,9

2,5

totaal 152

2,6

2,6

1,3

1,6

1,5

1,1

20

voor de bepaling van het aantal landbouwhuisdieren worden de bij de kraamzeugen behorende biggen (de niet-gespeende biggen) niet meegeteld. 2

Overgangsregeling bestaande stallen bij inwerkingtreding Besluit

Er is een overgangsregeling voor bestaande stallen die zijn vergund of aangevraagd vóór 1 juli 2015 of vóór inwerkingtreding van het Besluit (1 augustus 2015). Deze regeling staat in artikel 5 lid 3 en 4. In deze situaties geldt kolom A in plaats van kolom B.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Navolgende tabel geeft de maximale emissiewaarden per diercategorie weer.

17

In tabel 1 zijn de ammoniakemissiefactoren van de aangevraagde huisvesting in de onderscheidenlijke stallen en de maximale emissiefactoren voor de betreffende diercategorieën aangegeven.

Tabel 1: Emissiefactoren (Rav) en maximale emissiewaarden (Beh) aangevraagde situatie Maximale emissiewaarde Beh en emissiefactor Rav ammoniak BEH Kolom A, B of C

nr stal

a

1

RAV code BWL D 3.2.15.4 BWL 2009.12.V4

a

2

D 1.1.12.2 BWL 2004.06.V2

a

2

D 1.1.3

BWL 2006.07.V2

a

3

D 1.3.10

BWL 2010.09.V1

rondloopstal met zeugenvoerstation en strobed

a

3

D 2.100

0

a

4a

D 1.1.3

BWL 2006.07.V2

a

4b

D 1.1.3

BWL 2006.07.V2

a

5

D 1.1.3

BWL 2006.07.V2

overige huisvestingssystemen mestopvang in water in combinatie met een mestafvoersysteem mestopvang in water in combinatie met een mestafvoersysteem mestopvang in water in combinatie met een mestafvoersysteem

a

6

D 1.3.101 0

C C

9 9

D 1.2.10 D 2.1

BWL 2007.03.V8 BWL 2007.03.V8

C

9

D 1.3.6

BWL 2007.03.V8

C

10

D 3.2.7.1.2 BWL 2004.04.V2

omschrijving stalsysteem gecombineerd luchtwassysteem 85% opfokhok met schuine putwand, emitterend mestoppervlak groter dan 0,07 m2 per big, echter mestopvang in water in combinatie met een mestafvoersysteem

overige huisvestingssystemen, individuele huisvesting biologisch luchtwassysteem; 70% ammoniak biologisch luchtwassysteem; 70% ammoniak biologisch luchtwassysteem; 70% ammoniak emissiereductie (45% geur en 75% fijn stof emissiereductie) Mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand met metalen driekantroosters op het mestkanaal

diersoort Vleesvarkens Gespeende biggen Gespeende biggen Guste en Dragende zeugen Dekberen Gespeende biggen Gespeende biggen Gespeende biggen Guste en Dragende zeugen Kraamzeugen Dekberen Guste en Dragende zeugen Vleesvarkens

aantal dieren 1344

emissiefactor maximale Rav kg emissiewaarde NH3/dierplaats Beh kg /jaar NH3/dierplaats/jaar 0,45 1,6

2160

0,21

0,063

480

0,21

0,0621

283

2,6

2,6

1

5,5

5,5

960

0,21

0,0621

528

0,21

0,0621

480

0,21

0,0621

53

2,6

4,2

240 4

2,5 1,7

2,5 1,7

346

1,3

1,3

1800

1,1

0,21

Uit tabel 1 blijkt dat niet alle aangevraagde huisvestingssystemen voldoen aan de maximale emissiewaarden voor ammoniak. Het Besluit emissiearme huisvesting maakt interne saldering mogelijk. Interne saldering houdt in dat binnen een veehouderij in (een deel van) de bestaande huisvestingssystemen geen beste beschikbare technieken (BBT) toegepast worden onder de voorwaarde dat de gemiste ammoniakreductie gecompenseerd wordt door het toepassen van verdergaande technieken dan BBT in de overige huisvestingssystemen. Intern salderen kan alleen bij huisvestingssystemen in stallen die zijn opgericht vóór 1 januari 2007. Bij intern salderen is het dus van belang dat gekeken wordt naar de ammoniakemissie zoals deze zou ontstaan wanneer alle aangevraagde huisvestingssystemen precies zouden voldoen aan de maximale emissiewaarde van het Besluit emissiearme huisvestingsystemen, zie navolgende tabel 2.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Intern salderen

18

Tabel 2: Emissieplafond aangevraagde situatie op basis van maximale emissiewaarde ammoniak Maximale emissiewaarde ammoniak aanvraag BEH

totaal

Kolom A, B of C

nr stal

emissie punt

RAV code

a

1

1

D 3.2.15.4

BWL 2009.12.V4

a

2

2

D 1.1.12.2

BWL 2004.06.V2

a

2

2

D 1.1.3

BWL 2006.07.V2

mestopvang in water in combinatie met een mestafvoersysteem

a

3

3

D 1.3.10

BWL 2010.09.V1

rondloopstal met zeugenvoerstation en strobed

a

3

3

D 2.100

0

a

4a

4

D 1.1.3

BWL 2006.07.V2

a

4b

4

D 1.1.3

a

5

5

a

6

C

7.034

aantal dieren

kg NH3 / dier

totaal NH3

1.344

1,6

2.150

2.160

0,21

454

Gespeende biggen

480

0,21

101

Guste en Dragende zeugen

283

2,6

736

Dekberen

1

5,5

6

mestopvang in water in combinatie met een mestafvoersysteem

Gespeende biggen

960

0,21

202

BWL 2006.07.V2

mestopvang in water in combinatie met een mestafvoersysteem

Gespeende biggen

528

0,21

111

D 1.1.3

BWL 2006.07.V2

mestopvang in water in combinatie met een mestafvoersysteem

Gespeende biggen

480

0,21

101

6

D 1.3.101

0

overige huisvestingssystemen, individuele huisvesting

Guste en Dragende zeugen

53

2,6

138

9

9

D 1.2.10

BWL 2007.03.V8

biologisch luchtwassysteem; 70% ammoniak emissiereductie (45% geur en 75% fijn stof emissiereductie)

Kraamzeugen

240

2,5

600

C

9

9

D 2.1

BWL 2007.03.V8

biologisch luchtwassysteem; 70% ammoniak emissiereductie (45% geur en 75% fijn stof emissiereductie)

Dekberen

4

1,7

7

C

9

9

D 1.3.6

BWL 2007.03.V8

biologisch luchtwassysteem; 70% ammoniak emissiereductie (45% geur en 75% fijn stof emissiereductie)

Guste en Dragende zeugen

346

1,3

450

C

10

10

D 3.2.7.1.2

BWL 2004.04.V2

Mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand met metalen driekantroosters op het mestkanaal

Vleesvarkens

1.800

1,1

1.980

BWL

omschrijving stalsysteem diersoort gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische Vleesvarkens wasser opfokhok met schuine putwand, emitterend mestoppervlak groter Gespeende biggen dan 0,07 m2 per big, echter kleiner dan 0,10 m2, en in kleine

overige huisvestingssystemen

Conclusie Besluit emissiearme huisvesting

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Uit tabel 2 kan geconcludeerd worden dat de aangevraagde ammoniakemissie van 3291,4 kg NH3/jaar binnen het maximale ammoniakplafond (op basis van maximale emissiewaarden) blijft. Met toepassing van intern salderen wordt op inrichtingsniveau voldaan aan het Besluit emissiearme huisvesting.

19

Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing Ten aanzien van veehouderijen die op basis van de RIE-richtlijn als IPPC-installatie worden aangemerkt is in artikel 3 derde lid van de Wet ammoniak en veehouderij bepaald dat strengere emissie-eisen dan BBT moet worden gesteld, indien dat vanwege de technische kenmerken en geografische ligging van de inrichting of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden noodzakelijk is. Op 25 juni 2007 heeft de minister van VROM de ‘Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij’ vastgesteld (hierna: Beleidslijn IPPC). Deze beleidslijn is bedoeld als handreiking voor het bevoegd gezag. Aan de hand van de beleidslijn kan het bevoegde gezag bepalen of en in welke mate vanwege de lokale milieusituatie strengere emissie-eisen dan BBT in een vergunning voor een IPPCveehouderij moeten worden opgenomen. Vanaf 1 augustus 2015 gelden voor vleesvarkens en biggenopfok gewijzigde emissiefactoren (Regeling ammoniak en veehouderij) en maximale emissiewaarden (Besluit emissiearme huisvesting). In de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing wordt uitgegaan van de 'oude' emissiefactoren en maximale emissiewaarden. De getallen die gebruikt worden in de Beleidslijn IPPC moeten daarom omgerekend worden. Omgerekende factoren per 1 augustus 2015 (nieuw) RAV

Diercat.

D1.1 D3

Biggen vleesvarkens

Trad. oud 0,75 3,5

Trad. nieuw 0,69 3,0

BBT Oud 0,23 1,4

BBT Nieuw 0,21 1,5 *

BBT+ Oud 0,21 1,1

BBT+ Nieuw 0,21 1,1

BBT++ Oud 0,11 0,53

BBT++ Nieuw 0,10 0,45

Uit de Beleidslijn IPPC volgt dat bij uitbreiding van het aantal dieren kan worden volstaan met toepassing van BBT zolang de emissie niet meer bedraagt dan 5.000 kg ammoniak per jaar. Bedraagt de jaarlijkse ammoniakemissie na uitbreiding bij toepassing van BBT meer dan 5.000 kg, dan dient hierboven een extra reductie ten opzichte van BBT te worden gerealiseerd. De hoogte daarvan hangt af van de uitgangssituatie (de mate waarin BBT de ammoniakemissie reduceert) en de beschikbaarheid van verdergaande technieken in de betreffende diercategorie. Bedraagt de jaarlijkse ammoniakemissie na uitbreiding met toepassing van BBT (tot 5.000 kg) en verdergaande technieken dan BBT (vanaf 5.000 kg) daarna nog meer dan 10.000 kg, dan dient hierboven een reductie van circa 85% te worden gerealiseerd. Hierbij dient rekening te worden gehouden met het gegeven dat volgens de Beleidslijn IPPC onaantastbaar vergund recht moet worden gerespecteerd. Hiermee is het van belang dat gekeken wordt naar de situatie waarin alle vergunde huisvestingssystemen precies zouden voldoen aan de van toepassing zijnde maximale emissiewaarden van het Besluit emissiearme huisvesting. Hiermee kan de ‘beschermde’ ammoniakemissie worden berekend. De jaarlijkse ammoniakemissie na uitbreiding (3291,4 kg NH³/jaar) bij toepassing van BBT, BBT+ en BBT++ niet meer bedraagt dan 5.000 kg NH3.

Hierdoor hoeft geen extra reductie ten opzichte van BBT te worden gerealiseerd en voldoet de aanvraag aan de Beleidslijn IPPC-Omgevingstoetsing.

Conclusie Beleidslijn IPPC-Omgevingstoetsing De aangevraagde ammoniakemissie is lager dan het maximale ammoniakemissieplafond berekend conform de Beleidslijn IPPC, zoals bepaald in voorgaand kader. De aanvraag voldoet aan de Beleidslijn IPPC-Omgevingstoetsing.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

* De BBT-factor voor vleesvarkens kan op basis van het Besluit emissiearme huisvesting 1,6 kg NH3 (kolom A) of 1,5 kg NH3 (kolom B) zijn.

20

Rubriek geur Ligging geurgevoelige objecten Afstand vanaf het dichtstbijgelegen emissiepunt tot: Bebouwde kom: 360 meter (Buorren 1) Burgerwoning in buitengebied: 580 meter (Het Fort 4) Agrarische bedrijfswoning: 145 meter (De Soal 1)

Voorschriften geur Activiteitenbesluit In het Activiteitenbesluit staan voorschriften voor geur voor de volgende agrarische activiteiten. Deze zijn geldig voor alle agrarische bedrijven:    

Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen (vaste afstanden) Opslaan van drijfmest (vaste afstanden) Opslaan van vloeibare bijvoedermiddelen en bereiden van brijvoer (gesloten systeem) Composteren

In de aangevraagde situatie/ voornemen zijn de volgende agrarische activiteiten van toepassing:

Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen

Type agrarische bedrijfsstof

Afstand opslag tot GGO

Vaste mest (opslag <600 m3) Niet-verpompbare bijvoedermiddelen

160 m 210 m

Opslaan van drijfmest Binnen de inrichting wordt drijfmest opgeslagen in een bovengronds mestbassin. Deze opslagen zijn afgedekt. Type opslag

Opslagcapaciteit

Mestbassin Mestbassin

600 m3 2x 2000 m²

Afstand tot GGO bij andere veehouderij 190 m 240 m

Afstand tot overige GGO 360 m 440 m

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Aanwezige bedrijfsstoffen:

21

Opslaan van vloeibare bijvoedermiddelen en bereiden van brijvoer Om geurhinder te voorkomen vindt de opslag van vloeibare bijvoedermiddelen plaats in een gesloten opslag (luchtdichte tank/silo of inpandige afgesloten ruimte). Het bereiden van brijvoer vindt plaats in een afgesloten ruimte.

Houden van landbouwhuisdieren Voor agrarische bedrijven die een omgevingsvergunning milieu nodig hebben (Type C bedrijven) is ten aanzien van het houden van landbouwhuisdieren de Wet geurhinder en veehouderij het toetsingskader. De Wet geurhinder en veehouderij vormt al vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de omgevingsvergunning, als het gaat om geurhinder vanuit dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Daarnaast stelt de Wet geurhinder eisen aan minimale benodigde vaste afstanden van gevel tot gevel en tot (voormalige) bedrijfswoningen. Tevens gelden vaste afstanden voor diercategorieën waar geen emissiefactoren voor vastgesteld zijn.

Rapportage luchtkwaliteit De rapportage luchtkwaliteit is separaat bijgevoegd.

Gemeenten zijn bevoegd om binnen bepaalde bandbreedtes gemotiveerd af te wijken van de wettelijk voorgeschreven geurnormen. Dit gebiedsgerichte beleid wordt vastgelegd in een gemeentelijke verordening. Om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan kan de gemeente een aanhoudingsbesluit nemen. Vergunningaanvragen worden dan vanaf de datum van het in werking treden van het aanhoudingsbesluit aangehouden tot de verordening in werking is getreden. Indien na één jaar na het in werking treden van het aanhoudingsbesluit geen verordening in werking is, dient de gemeente de vergunningaanvragen af te handelen aan de hand van de vereisten in de Wet geurhinder en veehouderij. Onderhavige bevoegde gemeente heeft geen geurverordening vastgesteld. De wettelijke geurnormen, 8 ouE/m3 buiten de bebouwde kom en 2 ouE/m3 binnen de bebouwde kom, vormen het wettelijke toetsingskader.

Vaste afstanden De inrichting voldoet aan de vaste afstanden zoals deze zijn vastgelegd in de Wet Geurhinder en Veehouderij, artikelen 3 t/m 6

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Geurverordening

22

Berekening V-STACKS vergunning Uit de berekening gemaakt met V-stacksvergunningen blijkt dat de geurbelasting niet op alle gevoelige objecten onder deze waarde blijft. Echter, doordat het bedrijf geur reducerende maatregelen treft neemt de geurbelasting af. Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij is het dan toegestaan om in deze situatie de helft van de geurwinst weer te gebruiken binnen het bedrijf voor een uitbreiding met meer dieren. Voor het bedrijf Hemelumer Hoeve B.V. zijn een drietal berekening met V-stacks vergunning gemaakt, deze worden hieronder weergegeven. 1. In de eerste berekening wordt weergegeven hoe hoog de geurbelasting is op basis van de vigerend situatie. 2. In de tweede berekening wordt de geurbelasting weergegeven voor dezelfde vergunde dieraantallen als in situatie 1, maar nu met de gekozen maatregelen die het bedrijf neemt om de geuremissie te verlagen. 3. In de derde berekening wordt tot slot de gevraagde geurbelasting weergegeven. Berekening 1 en 2 zijn nodig voor het bepalen van de maximale geurbelasting voor de nieuwe aanvraag. Met berekening 3 wordt aangetoond of de aangevraagde geurbelasting inderdaad onder deze geurbelasting blijft.

1. Geurbelasting vergund Berekende ruwheid: 0,112 m

Toelichting bij de emissiepunten: Voor alle stallen zonder luchtwasser zijn de standaardwaarden van V-stacks vergunning aangehouden. Voor stal 1 met luchtwasser is de snelheid als volgt berekend: Achter stal 1 staat een luchtwasser met een uitstroom oppervlakte van 5,08 m². In deze stal zijn 1344 vleesvarkens gehuisvest x 31 m³/u/vlv = 41.664 u: 3600 s = 11,57 m³/s : 5,08 m² (uitstroomopp.) = 2,28 m/s. Voor de diameter wordt default waarde van 1,0 m aangehouden conform de handleiding van V-stacks.

Geur gevoelige locaties: Volgnummer GGLID 8 Buorren 1 9 Buorren 7 10 Hegewei 2 11 De Klaster 1 12 De klaster 3

Xcoordinaat 159 582 159 575 159 648 159 677 159 693

Ycoordinaat 543 773 543 786 543 734 543 680 543 645

Geurnorm 2,0 2,0 2,0 2,0 2,0

Geurbelasting 3,0 3,2 2,5 2,7 2,7

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Brongegevens:

23

2. Geurbelasting maatregelen Berekende ruwheid: 0,112 m Brongegevens:

Toelichting: Voor de stallen zonder luchtwasser zijn de standaardwaarden van V-stacks vergunning aangehouden. Voor de stallen met luchtwassers (centraal emissiepunt) wordt de snelheid als volgt berekend:

Stal 1:

achter deze stal staat een luchtwasser met een uitstroom oppervlakte van 1,45 m². In deze stal zijn 1344 vleesvarkens gehuisvest x 31 m³/u/vlv = 41.664 u: 3600 s = 11,57 m³/s : 1,45 m² (uitstroomopp.) = 8 m/s. Voor de diameter wordt default waarde van 1,0 m aangehouden conform de handleiding van V-stacks.

Stal 2:

In deze stal komt een luchtwasser met een uitstroom oppervlakte van 1,47 m². In deze stal zijn 1776 gespeende biggen vergund x 12 m³/u/vlv = 21.312 u: 3600 s = 5,92 m³/s : 1,47 m² (uitstroomopp.) = 4,02 m/s. Voor de diameter wordt default waarde van 1,0 m aangehouden conform de handleiding van V-stacks. In deze stal komt een luchtwasser met een uitstroom oppervlakte van 0,83 m². In deze stal zijn 1208 gespeende biggen vergund x 12 m³/u/vlv = 14.496 u: 3600 s = 4,03 m³/s : 0,83 m² (uitstroomopp.) = 4,87 m/s. Voor de diameter wordt default waarde van 1,0 m aangehouden conform de handleiding van V-stacks. Stal 9: Dit is een nieuwe stal welke voorzien wordt van een luchtwasser met een uitstroomoppervlak van 1,77 m². Er zijn 104 kraamzeugen vergund in de stallen 4 en 5. Als maatregel worden de 104 kraamzeugen verplaatst naar deze nieuwe stal met luchtwasser. Ventilatie behoefte en uitstroomsnelheid voor dit aantal kraamzeugen wordt als volgt berekent: 104 krz x 75 m³/u/krz = 7800 m³/u : 3600 s = 2,17 m³/s : 1,77 m² (uitstroomopp.) = 1,22 m/s. Voor de diameter wordt default waarde van 1,0 m aangehouden conform de handleiding van V-stacks. Stal 10: Dit is ook een nieuwe stal welke voorzien wordt van een luchtwasser met een uitstroomoppervlak van 1,94 m². Er zijn in stal 2 448 vleesvarkens vergund. Als maatregel worden deze 448 vleesvarkens verplaats naar stal 10.

Ventilatie behoefte en uitstroomsnelheid voor dit aantal vleesvarkens wordt als volgt berekent: 448 vlv x 31 m³/u/ vlv = 13.888 : 3600 s = 3,86 m³/s : 1,94 m² (uitstroomopp.) = 1,99 m/s. Voor de diameter wordt default waarde van 1,0 m aangehouden conform de handleiding van V-stacks.. De maatregelen die getroffen worden bestaan uit: 1. stal 1 maatregel hogere uitstroomsnelheid. 2. stal 2 wordt voorzien van luchtwasser met hoge uitstroomsnelheid. 3. stal 2 de vleesvarkens vervallen in deze stal en worden verplaatst naar stal 10 die is voorzien van een combi luchtwasser met hoge uitstroomsnelheid. 4. stal 3 wordt voorzien van dakkokers. 5. stal 4 wordt volledig biggenstal tevens wordt deze stal voorzien van een luchtwasser. De kraamhokken vervallen en de biggen krijgen meer ruimte. De kraamzeugen worden verplaats naar stal 9 die is voorzien van een enkelvoudige luchtwasser met hoge uitstroomsnelheid. 6. stal 5 de kraamzeugen worden verplaatst naar stal 9 die is voorzien van een combi luchtwasser. Voor deze berekening staan er geen dieren in deze stal. (E- aanvraag = 0) Geur gevoelige locaties:

Volgnummer 10 11 12 13 14

GGLID Buorren 1 Buorren 7 Hegewei 2 De Klaster 1 De klaster 3

Xcoordinaat 159 582 159 575 159 648 159 677 159 693

Ycoordinaat 543 773 543 786 543 734 543 680 543 645

Geurnorm 2,0 2,0 2,0 2,0 2,0

Geurbelasting 1,6 1,6 1,3 1,4 1,4

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Stal 4:

24

3. Geurbelasting aanvraag Berekende ruwheid: 0,112 m Brongegevens:

Toelichting: Voor de stallen zonder luchtwasser zijn de standaardwaarden van V-stacks vergunning aangehouden. Voor de stallen met luchtwassers is de snelheid als volgt berekend:

Stal 1:

Achter deze stal staat een luchtwasser met een uitstroom oppervlakte van 1,45 m². In deze stal zijn 1344 vleesvarkens gehuisvest x 31 m³/u/vlv = 41.664 u: 3600 s = 11,57 m³/s : 1,45 m² (uitstroomopp.) = 8 m/s. Voor de diameter wordt default waarde van 1,0 m aangehouden conform de handleiding van V-stacks.. Stal 2: Achter deze stal komt een luchtwasser met een uitstroom oppervlakte van 1,47 m². In deze stal zijn 2640 gespeende biggen gehuisvest x 12 m³/u/vlv = 31.680 u: 3600 s = 8,8 m³/s : 1,47 m² (uitstroomopp.) = 6 m/s. Voor de diameter wordt default waarde van 1,0 m aangehouden conform de handleiding van V-stacks.

Stal 4:

In deze stal komt een luchtwasser met een uitstroom oppervlakte van 0,83 m². In deze stal zijn 1488 gespeende biggen vergund x 12 m³/u/vlv = 17.856/ u: 3600 s = 4,96 m³/s : 0,83 m² (uitstroomopp.) = 6 m/s. Voor de diameter wordt default waarde van 1,0 m aangehouden conform de handleiding van V-stacks..

Stal 5:

In deze stal komt een luchtwasser met een uitstroom oppervlakte van 0,27 m². In deze stal zijn 480 gespeende biggen vergund x 12 m³/u/vlv = 5.760 u: 3600 s = 1,6 m³/s : 0,27 m² (uitstroomopp.) = 6 m/s. Voor de diameter wordt default waarde van 1,0 m aangehouden conform de handleiding van V-stacks.. In deze stal komt een luchtwasser met een uitstroomoppervlak van 1,77 m². Er worden 240 kraamzeugen gehuisvest x 75 m³/u/krz + 350 g/d zeugen (incl. beren) x 58 m³/u/dier = 38.300 m³/u : 3600 s = 10,64 m³/s : 1,77 m² (uitstroomopp.) = 6 m/s. Voor de diameter wordt default waarde van 1,0 m aangehouden conform de handleiding van V-stacks.

Stal 10:

In deze stal komt een luchtwasser met een uitstroomoppervlak van 1,94 m². Er worden 1.800 vleesvarkens gehuisvest x 31 m³/u/vlv = 55.800 m³/u : 3600 s = 15,5 m³/s : 1,94 m² (uitstroomopp.) = 8 m/s. Voor de diameter wordt default waarde van 1,0 m aangehouden conform de handleiding van V-stacks.

Geur gevoelige locaties: Volgnummer GGLID

Xcoordinaat

Ycoordinaat

10 11 12 13 14

159 582 159 575 159 648 159 677 159 693

543 773 543 786 543 734 543 680 543 645

Buorren 1 Buorren 7 Hegewei 2 De Klaster 1 De klaster 3

_ * = bepaald op basis van de 50/50 regeling

Max aan te Geurbelasting vragen * 2,3 2,3 2,4 2,3 2,0 1,9 2,1 2,0 2,1 2,0

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Stal 9:

25

Uitleg 50/50-regeling geur (conform Wgv) Uit de berekening die met het wettelijk voorgeschreven verspreidingsmodellen V-Stacks vergunning 2020 gemaakt is voor de geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom van Hemelum, blijkt dat de geurbelasting niet op alle gevoelige objecten onder de wettelijke waarde van 2,0 odour units per kubieke meter lucht blijft. Echter, door het treffen van diverse maatregelen neemt de geurbelasting ten opzichte van de huidige, vergunde situatie met 25% (op het meest belaste geurgevoelige object is sprake van een afname van 3,2 odour naar 2,4 odour) of meer af. Daardoor kan op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu verleend worden. Dit is onder andere mogelijk door de toepassing van de 50/50-regeling uit artikel 3 lid 4 Wgv. Deze regeling komt er kort gezegd op neer, dat een veehouder maximaal de helft van de gerealiseerde vermindering van de geurbelasting door investeringen in geurreducerende maatregelen, als geurruimte mag gebruiken voor bedrijfsontwikkeling. Deze geurruimte mag vervolgens dus wettelijke gezien extra benut worden boven de wettelijke waarde van 2,0 odour units per kubieke meter lucht blijft. Een dergelijke overschrijding van deze wettelijke waarde is daarmee rechtmatig en dus ook vergunbaar. De systematiek werkt als volgt.

Stap 1: berekenen geurbelasting huidige, vergunde geurbelasting Voor het bedrijf wordt eerst de geurbelasting berekend voor de huidige, vergunde situatie Dit is de nu wettelijk toegestane situatie. Tabel 1. Geurbelasting vergund

GGLID

Xcoordinaat

Ycoordinaat

8 9 10 11 12

Buorren 1 Buorren 7 Hegewei 2 De Klaster 1 De klaster 3

159 582 159 575 159 648 159 677 159 693

543 773 543 786 543 734 543 680 543 645

Geurnorm 2,0 2,0 2,0 2,0 2,0

Geurbelasting vergund 3 3,2 2,5 2,7 2,7

Stap 2: berekenen effect geurreducerende maatregelen (zonder uitbreiding veestapel) Vervolgens wordt er een berekening gemaakt van het effect van de te treffen geurreducerende maatregelen, exclusief de beoogde uitbreiding van het aantal dieren. Dit gebeurt als volgt conform de wettelijke voorschriften:  

Alle stallen die niet wijzigen, worden één-op-één overgenomen op basis van de huidige, vergunde situatie; Daarnaast wordt het effect van de te treffen geurreducerende maatregelen doorgerekend. Om dit effect ten opzichte van de huidige, vergunde situatie zuiver in beeld te kunnen brengen, blijft het aantal dieren gelijk en wordt in deze stap nog niet gerekend met de beoogde uitbreiding van de veestapel. Als deze beoogde uitbreiding wel zou worden meegenomen, is de invloed van de te treffen geurreducerende maatregelen op de huidige, vergunde geurbelasting immers niet inzichtelijk te maken; Voorbeeld: in het geval van de Hemelumer Hoeve is een nieuwe kraamstal voorzien voor 240 kraamzeugen. In deze stap wordt echter als effect van de geurreducerende maatregel het huidige, vergunde aantal van 104 kraamzeugen in de berekening meegenomen.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Volgnummer

26

Tabel 2. Geurbelasting maatregelen

Volgnummer

GGLID

Xcoordinaat

Ycoordinaat

10 11 12 13 14

Buorren 1 Buorren 7 Hegewei 2 De Klaster 1 De klaster 3

159 582 159 575 159 648 159 677 159 693

543 773 543 786 543 734 543 680 543 645

Geurnorm 2,0 2,0 2,0 2,0 2,0

Geurbelasting maatregelen 1,6 1,6 1,3 1,4 1,4

Stap 3: berekenen maximale geurruimte conform 50/50-regeling Wgv Op basis van de 50/50-regeling uit de Wgv kan bij inzet van de te treffen geurreducerende maatregelen de maximale toegestane geurruimte worden bepaald op basis van de vorige twee stappen door: 1. de geurbelasting van stap 1 (zie kolom ‘geur vergund’ in tabel 3 die één-op-één is overgenomen uit de kolom ‘geurbelasting’ van tabel 1), en; 2. de geurbelasting van stap 2 (zie kolom ‘geur maatregelen’ in tabel 3 die één-op-één is overgenomen uit de kolom ‘geurbelasting’ van tabel 2); 3. per geurgevoelig object bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door twee (zie kolom ‘max aan te vragen’ in tabel 3). Zo wordt per geurgevoelig object bepaald wat de maximale geurbelasting is volgens de 50/50-regeling of wanneer deze lager wordt dan de norm de wettelijke norm (voor de bebouwde kom van Hemelum is dit 2,0). Tabel 3. Maximale geurbelasting volgens 50/50-regeling Wgv

GGLID

8 Buorren 1 9 Buorren 7 10 Hegewei 2 11 De Klaster 1 12 De klaster 3

Xcoordinaat Ycoordinaat 159 582 159 575 159 648 159 677 159 693

543 773 543 786 543 734 543 680 543 645

geur vergund 3 3,2 2,5 2,7 2,7

geur max aan maatregel te vragen 1,6 2,3 1,6 2,4 1,3 2,0 1,4 2,1 1,4 2,1

Voorbeeld: Op woning X is de vergunde geurbelasting 5,0 ouE/m³ waar 2,0 ouE/m³ de norm is. het bedrijf plaats op een stal een luchtwasser waardoor de geurbelasting afneemt naar 3,0 ouE/m³. De maximale belasting waar het bedrijf bij een nieuwe aanvraag dan onder dient te blijven/gelijk aan dient te zijn, wordt als volgt berekent: (5,0 ouE/m³ + 3,0 ouE/m³) : 2 = 4,0 ouE/m³ De vergunning voor dit bedrijf kan dan verleend worden wanneer de geurbelasting op woning X gelijk of lager is dan 4,0 ouE/m³ blijft.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Volgnr

27

Stap 4: berekenen geurbelasting aangevraagde situatie (met uitbreiding veestapel) In de vierde berekening wordt de aangevraagde geurbelasting in kaart gebracht, dus inclusief de beoogde uitbreiding van het aantal dieren. Zodoende komt in beeld hoe de geurbelasting uitvalt als de voorgenomen uitbreiding van de veestapel wordt gerealiseerd met de te treffen geurreducerende maatregelen. Tabel 4. Geurbelasting aangevraagde situatie

Geur gevoelige locaties: Volgnummer GGLID

Xcoordinaat

Ycoordinaat

10 11 12 13 14

159 582 159 575 159 648 159 677 159 693

543 773 543 786 543 734 543 680 543 645

Buorren 1 Buorren 7 Hegewei 2 De Klaster 1 De klaster 3

Max aan te Geurbelasting vragen * aanvraag 2,3 2,3 2,4 2,3 2,0 1,9 2,1 2,0 2,1 2,0

_ * = bepaald op basis van de 50/50 regeling

Stap 5: vergelijken maximale geurbelasting met geurbelasting aangevraagde situatie In de laatste stap vindt per geurgevoelig object de beoordeling plaats of aan de maximaal toegestane geurbelasting uit stap 3 (zie kolom ‘max aan te vragen’ in tabel 5) kan worden voldaan met de geurbelasting van de aangevraagde situatie uit stap 4 (zie kolom ‘geur aanvraag’ in tabel 5 die één-opéén is overgenomen uit de kolom ‘geurbelasting’ van tabel 4). De geurbelasting van de aangevraagde situatie mag per geurgevoelig object de maximale geurbelasting immers niet overschrijden. Tabel 5. Vergelijking maximale geurbelasting met geurbelasting aangevraagde situatie

GGLID

8 Buorren 1 9 Buorren 7 10 Hegewei 2 11 De Klaster 1 12 De klaster 3

Xcoordinaat Ycoordinaat 159 582 159 575 159 648 159 677 159 693

543 773 543 786 543 734 543 680 543 645

geur vergund 3 3,2 2,5 2,7 2,7

geur max aan maatregel te vragen 1,6 2,3 1,6 2,4 1,3 2,0 1,4 2,1 1,4 2,1

Geur aanvraag 2,3 2,3 1,9 2,0 2,0

Uit tabel 5 blijkt dat de berekende aangevraagde geurbelasting uit stap 4 voldoet aan de maximaal toegestane geurbelasting uit stap 3:   

In de kolom ‘geur vergund’ staat de geurbelasting vermeld die nu is vergund (stap 1); In de kolom ‘geur maatregelen’ wordt de geurbelasting weergegeven die ontstaat door het treffen van de hiervoor vermelde maatregelen op het bedrijf (stap 2); Volgens de Wet geurhinder en veehouderij is het toegestaan de helft van de geurwinst die behaald wordt door het treffen van maatregelen, te gebruiken voor uitbreiding. In de kolom ‘maximaal aan te vragen’ (stap 3) wordt dit weergegeven; Tot slot wordt in de laatste kolom de nieuwe aanvraag vermeld (stap 4). Deze is op alle punten gelijk of lager dan de maximaal aan te vragen geurbelasting. Een omgevingsvergunning kan dan ook verleend worden.

Conclusie: aangevraagde situatie rechtmatig en vergunbaar Op basis van de hiervoor opgesomde stappen kan geconcludeerd worden dat de aangevraagde situatie door rechtmatige toepassing van de 50/50-regeling uit de Wgv in overeenstemming is met de geurnormen. De aanvraag is derhalve vergunbaar.

BIJLAGE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING ACTIVITEIT MILIEU

Volgnr

28

Rubriek lucht

Te Beschermen Objecten (TBO’s) Uitgangspunt van de Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit (RBL) is dat de luchtkwaliteit wordt vastgesteld op plaatsen waar mensen worden blootgesteld, en wel zodanig dat een goed beeld wordt verkregen van de luchtkwaliteit ter plaatse. Voor fijn stof geldt dat de blootstellingstijd significant moet zijn ten opzichte van een etmaal. Het blootstellingscriterium houdt in, dat de luchtkwaliteit alleen wordt beoordeeld op plaatsen waar een significante blootstelling van mensen plaatsvindt. Het gaat dan om een blootstellingsperiode, die in vergelijking met de middelingstijd van de grenswaarde (jaar, etmaal, uur) significant is. Hieruit volgt dat ter plaatse van woningen van derden moet worden getoetst aan de relevante grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit. Het dichtstbijzijnde te beschermen object (TBO) ten opzichte van de emissiepunten is De Soal 1 De afstand tot deze woning bedraagt 145 meter, gemeten vanaf het dichtstbijgelegen emissiepunt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10367903/1