Bijlage 11 - Uitgangspuntennotitie Buitengebieden 2
Tekst van het document
Uitgangspuntennotitie Buitengebied Súdwest-Fryslân (2)
Inhoudsopgave 1
Algemeen 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7
1.8
2.
Landbouw 2.1
2.2 2.3
2.4 2.5
Inleiding Doel Visie Opbouw PlanMER Vervolg Begrenzing Buitengebied 1.7.1 Verordening Romte 1.7.2 Uitgangspunten bestemmingsplan Basisfuncties 1.8.1 Geldend beleid 1.8.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan
6 7 7 7 8 8 10 10 10 11 11 11
Criterium agrarisch bedrijf 2.1.1 Verordening Romte 2.1.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Het bouwvlak / de postzegel (het terrein voor één agrarisch bedrijf) 2.2.1 Verordening Romte 2.2.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Goot- en nokhoogte, dakhelling agrarisch bedrijfsgebouw 2.3.1 Verordening Romte 2.3.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Losse veestallingen 2.4.1 Verordening Romte 2.4.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Bedrijfswoning 2.5.1 Verordening Romte
12 12 12 12 13 13 13 15 16 16 22 22 22 23 23
2
2.6
2.7 2.8 2.9 2.10 2.11 2.12
3.
2.5.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Niet grondgebonden landbouw (hoofd- / neventak) 2.6.1 Verordening Romte 2.6.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan 2.6.3 Gemengde bedrijven Glastuinbouw Bedrijfseigen mestvergisting 2.8.1 Verordening Romte 2.8.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Paardenhouderij 2.9.1 Verordening Romte 2.9.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Paardenbak 2.10.1 Verordening Romte 2.10.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Aanverwante en nevenactiviteiten 2.11.1 Verordening Romte 2.11.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Verplaatsing agrarisch bedrijf 2.12.1 Verordening Romte 2.12.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan
Hergebruik voormalige (agrarische) bedrijven 3.1 Hergebruik voormalige (agrarische) bedrijven 3.1.1 Verordening Romte 3.1.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan 3.1.2.1 Wonen al dan niet i.c.m. niet-agrarische nevenactiviteiten 3.1.2.1.1 Splitsing 3.1.2.2 Zelfstandige (bedrijfsmatige) activiteiten 3.1.2.3 Detailhandel en Horeca
23 24 24 24 25 25 25 26 26 27 27 27 28 28 29 29 29 30 30 31 31 32 32 32 33 33 34 34 35
3
3.2
4.
Wonen 4.1
Ruimte voor Ruimte 3.2.1 Verordening Romte 3.2.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan
36 36 36
37 Bebouwingsregels 4.1.1 Verordening Romte 4.1.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan
37 38
5.
Landschappelijke kwaliteiten 5.1 Natuurlijke waarden, archeologische waarden en cultuurhistorische waarden 5.1.1 Verordening Romte 5.1.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan 5.2 Licht 5.2.1 Verordening Romte 5.2.3 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan
39 39 39 40 41 41 41
6.
Recreatie 6.1 Recreatie (algemeen) 6.1.1 Verordening Romte 6.1.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan 6.2 Regulier kamperen 6.2.1 Verordening Romte 6.2.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan 6.3 Kleinschalig kamperen 6.3.1 Verordening Romte 6.3.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan
42 42 42 42 42 42 43 43 43 43
7.
Duurzame energie 7.1 Windenergie
46 46
4
7.2
8.
7.1.1 Verordening Romte 7.1.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Zonnepanelen 7.2.1 Verordening Romte 7.2.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan
Communicatie 8.1 Wettelijk verplichte communicatiemomenten 8.2 Extra communicatiemomenten 8.3 Communicatiemiddelen
46 46 47 47 47 48 48 49 49
5
1
Algemeen
1.1 Inleiding In oktober 2017 heeft de raad de actualisatie van het bestemmingsplan “Buitengebied Súdwest-Fryslân” vastgesteld. Het ging daarbij om de actualisatie van de bestemmingsplannen voor het buitengebied van de voormalige gemeenten Nijefurd, Wûnseradiel en Sneek. Aangezien het hier om sterk verouderde bestemmingsplannen ging maar ook met oog op de oppervlakte van het buitengebied in zijn geheel, is besloten om eerst dit deel van de gemeente op te pakken. Deze Uitgangspuntennotitie heeft daarbij als basis gediend. Het bestemmingsplan “Buitengebied Súdwest-Fryslân” is inmiddels in werking getreden. In dit bestemmingsplan is voldoende flexibiliteit opgenomen en wij kunnen nu reeds stellen dat het plan aan onze verwachtingen voldoet. Wij vinden het van belang dat er voor het buitengebied van Súdwest-Fryslân één uniforme bestemmingsplanregeling van toepassing is. Daarom is het wenselijk om de procedure van de nog niet geactualiseerde bestemmingsplannen in gang te zetten. Het gaat daarbij om de bestemmingsplannen voor het Buitengebied van de voormalige gemeenten Bolsward, Boarnsterhem (deels), Littenseradiel (deels) en Wymbritseradiel. Deze voorliggende Uitgangspuntennotitie Buitengebied Súdwest-Fryslân vormt ook nu weer de basis voor de herziening van de bestemmingsplan voor het buitengebied van het resterende deel van onze gemeente zoals hiervoor genoemd.
In deze Uitgangspuntennotitie zijn de door de raad in oktober 2017 vastgestelde wijzigingen meegenomen. In deze Uitgangspuntennotitie worden de kaders neergezet waarbinnen het bestemmingsplan inhoudelijk tot stand zal komen. Daarbij wordt zowel aandacht besteed aan de kaders vanuit Rijks- en provinciaal beleid, als aan de beperkingen die vanuit planologisch onderzoek binnen de plangebieden gesteld moeten worden. Daarnaast biedt deze notitie (rekening houdende met hiervoor omschreven randvoorwaarden) inzicht in de gemeentelijke beleidskeuzes voor een aantal onderwerpen die direct aan het landelijk gebied zijn gerelateerd.
6
1.2 Doel Het opstellen van een planologisch juridisch actueel kader voor de Buitengebieden van de voormalige gemeenten Bolsward, Boarnsterhim (deels), Littenseradiel (deels) en Wymbritseradiel. 1.3 Visie Het buitengebied van de gemeente Súdwest-Fryslân kent een grote verscheidenheid aan functies en gebruik van percelen en bouwwerken. Deze functies zijn vaak nauw met elkaar verbonden en vormen de kernkwaliteiten van het buitengebied. De gemeente Súdwest-Fryslân benoemt de volgende kernkwaliteiten voor het landelijke gebied: -
Landbouw; Landschap en natuur; Recreatie.
De kernkwaliteiten zijn benoemd met het doel de identiteit van het buitengebied te behouden en te versterken waar dat mogelijk is. Het bestemmingsplan zal daarom naast een goede planologische regeling voor de overige functies in het landelijk gebied, bijzondere aandacht besteden aan het behoud en versterken van de kernkwaliteiten. Het bestemmingsplan behoudt echter hoofdzakelijk een conserverend karakter. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen geen onderdeel uitmaken van het nieuw op te stellen bestemmingsplan. Dergelijke ontwikkelingen vragen om een specifieke planvormingsfase, met een eigen juridisch kader. De gemeente heeft beleidsuitgangspunten vastgelegd in beleidsdocumenten. Deze beleidsdocumenten worden waar mogelijk integraal overgenomen in het bestemmingsplan. Op dit moment wordt er nog gewerkt aan beleidsstukken op verschillende terreinen. Uitgangspunt is dat deze beleidsstukken na vaststelling waar mogelijk integraal meegenomen worden. Dit kan leiden tot tussentijdse aanpassingen van het ontwerp-bestemmingsplan. 1.4 Opbouw In deze notitie wordt na een korte inleiding eerst een beschrijving per onderwerp aangegeven. Vervolgens wordt het provinciaal beleid conform de geldende Verordening Romte van de provincie Fryslân aangegeven. Daarna stellen wij u de beleidsuitgangspunten per onderwerp voor.
7
1.5 PlanMER Op grond van de huidige wetgeving (Wet milieubeheer) moet rekening worden gehouden met het opstellen van een PlanMER. In dit MilieuEffect Rapport worden de milieugevolgen van een nieuw bestemmingsplan systematisch, transparant en objectief in beeld gebracht. Ook worden daarin maatregelen beschreven om negatieve gevolgen voor het milieu te voorkomen of te beperken. De nieuw op te stellen bestemmingsplannen voor de buitengebieden zijn kaderstellend voor MER-beoordelingsplichtige activiteiten. Door de ontwikkelingen in de landbouw zullen er minder bedrijven komen, die echter wel groter zijn en dat maakt dat er een PlanMER moet worden opgesteld. Het opstellen van een PlanMER ligt nagenoeg vast, mede omdat Súdwest-Fryslân grenst aan het IJsselmeer. Het invloedsgebied van dit Natura2000 gebied strekt zich uit tot enkele kilometers landinwaarts in onze gemeente. Verder liggen er binnen onze gemeente ook nog andere Natura2000 gebieden. Figuur 1 geeft de situering van deze gebieden weer. De kans is aanwezig dat er binnen deze gebieden bepaald gebruik mogelijk wordt gemaakt dat negatieve effecten kan hebben op de instandhoudingsdoelen van deze Natura2000 gebieden. Dit kan een reden zijn voor het moeten opstellen van een PlanMER. 1.6 Vervolg Na vaststelling van deze kadernota zal het traject van de PlanMer worden opgestart.
Daarbij worden de publieke en private partijen betrokken. Een en ander resulteert uiteindelijk in een voorontwerp bestemmingsplan. (zie hoofdstuk 8).
8
Fig 1. Overzicht Natura 2000 gebieden in groen (Bron: www.fryslan.nl )
9
1.7
Begrenzing Buitengebied
Door de herindeling zijn de buitengebieden van Nijefurd, Bolsward, Sneek, Wymbritseradiel, Wûnseradiel, Littenseradiel (deels) en Boarnsterhim (deels) opgegaan in de gemeente Súdwest-Fryslân. 1.7.1 Uitgangspunten bestemmingsplan Voor de 4 buitengebieden van de voormalige gemeenten Boarnsterhim, Bolsward, Wymbritseradiel en Littenseradiel wordt één bestemmingsplan opgesteld. Voor de overige buitengebieden geldt een actueel planologisch kader. Er wordt zoveel waar mogelijk gestreefd naar uniformiteit. Onderstaande figuren geven de plangrenzen van de bestemmingsplannen aan.
10
Fig. 2 Overzicht plangrenzen Buitengebieden van de voormalige gemeenten Boarnsterhim, Bolsward, Wymbriteradiel en Littenseradiel 1.8
Basis functies
De gemeente Súdwest- Fryslân wil de landbouw ontwikkelingsmogelijkheden bieden, maar wil tegelijkertijd aandacht besteden aan het behoud en versterking van het landschappelijke karakter en de daarbij horende landschapswaarden van het buitengebied. 1.8.1 Verordening Romte De Verordening Romte is onderverdeeld in een algemeen deel en in een themadeel: 1. Het algemene deel bevat algemene bepalingen over bundeling, zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit; 2. het themadeel bevat bepalingen die vanuit een bepaald thema gelden, zoals wonen, werken, natuur of landbouw; De algemene bepalingen zijn op de meeste gemeentelijke ruimtelijke plannen van toepassing. De themadelen zijn aanvullend. Een belangrijk uitgangspunt van het Streekplan is dat de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen in Fryslân herkenbaar blijven. 1.8.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan De gemeente kiest voor een economisch rendabele landbouw in een aantrekkelijk en door velen gewaardeerd landschap. Schaalvergroting, nevenactiviteiten, omvorming van boerderijen naar nieuwe functies, kamperen bij de boer; het zijn allemaal aspecten die onder de voorwaarde van goede landschappelijke inpassing zijn te realiseren. De gemeente wil de sector daarin de ruimte geven, maar wil wel de vinger aan de pols houden.
11
2.
Landbouw
In de landbouw is een belangrijke ontwikkelingsrichting zichtbaar; er is sprake van schaalvergroting naar gespecialiseerde landbouw met grote bedrijven, onlosmakelijk verbonden met een verdergaande afname van het aantal agrarische bedrijven. Dit is een proces van schaalvergroting, waarbij landbouw ontstaat met grote tot zeer grote bedrijven. Voor melkveehouderijen geldt dat deze momenteel ongeveer doorgroeien naar gemiddeld 200 koeien, met uitschieters naar boven. 2.1 Criterium agrarisch bedrijf Om medewerking te kunnen verlenen aan ruimtelijke (uitbreidings)plannen moet er wel sprake zijn van een (volwaardig) agrarisch bedrijf om aan de bestemming te kunnen voldoen. In de begripsbepaling moet daarom een duidelijke omschrijving worden opgenomen, omdat sommige activiteiten of bouwmogelijkheden gerelateerd zijn aan het begrip (volwaardig) agrarisch bedrijf. Bij het opstellen van het bestemmingsplan zal in de begripsbepaling van het bestemmingsplan een definitie worden opgenomen waarin wordt voorkomen dat een ‘keuterboer of hobbyboer’ dezelfde bouwmogelijkheden krijgt als een grootschalig agrarisch bedrijf met bv. 450 melkkoeien.
2.1.1 Verordening Romte In de begripsbepaling van de Verordening Romte is voor een agrarisch bedrijf de volgende definitie opgenomen: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het fokken of houden van dieren. 2.1.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Om een goed beeld te kunnen krijgen of medewerking kan worden verleend aan een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, moet duidelijk zijn dat de bouw noodzakelijk is voor het voortbestaan van het bedrijf. Het is daarom van belang dat in de begripsbepaling een dekkende definitie wordt opgenomen.
12
Onder een volwaardig agrarisch bedrijf wordt verstaan een agrarisch bedrijf dat: a. een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het fokken of houden van dieren; b. een bedrijf dat opgaveplichtig is voor een Gecombineerde opgave bij Dienst Regelingen in Assen; c. een bedrijf dat een oppervlakte heeft in hectares dat passend is of in balans is met het te houden aantal stuks dieren of bij akkerbouw, de producten die het bedrijf verbouwt. 2.2 Het bouwvlak / de postzegel (het terrein voor één grondgebonden agrarisch bedrijf) De agrarische bedrijfsvoering vindt plaats op een agrarisch bouwperceel, het perceel waar de gebouwen van het agrarisch bedrijf zijn gebouwd, het erf. Deze gronden krijgen in het nieuwe bestemmingsplan dezelfde bestemming als het productiegebied rondom het erf. Dit is ten behoeve van de flexibiliteit van het bestemmingsplan. Daardoor is er voor een geringe uitbreiding van het erf geen wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk maar kan worden volstaan met een afwijking. Het gaat daarbij om een denkbeeldige rechthoek van maximaal 2 ha waarbinnen de bebouwing gerealiseerd moet worden (bij recht tot 1,5 ha en met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid tot 2 ha).
Boven de 2 ha (tot maximaal 3 ha) wordt uitgegaan van het opnemen van een bouwvlak op de verbeelding waarbinnen de bebouwing mag worden gerealiseerd. Dit om te voorkomen dat de erven gigantisch gaan uitdijen in diverse richtingen. Voor uitbreidingen boven de 2 ha dient een partiële herziening (wijziging) van het bestemmingsplan te worden gevraagd waarbij de gemeenteraad beslissingsbevoegd is. 2.2.1 Verordening Romte Op 25 juni 2014 heeft Provinciale Staten van Fryslân ingestemd met de Verordening Romte. Daarin geldt de basis dat het bouwperceel van een grondgebonden agrarisch bedrijf 1,5 ha mag bedragen. De Verordening Romte geeft in de lijn van het nieuwe veehouderijbeleid een begrenzing van de toelaatbare schaalvergroting. De oppervlakte van een bouwperceel mag maximaal 3 ha bedragen. 2.2.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Voorgesteld wordt dat een erf bij recht een oppervlakte mag hebben van 1,5 ha. Om de flexibiliteit in de omvang van een erf te kunnen waarborgen stellen wij voor om een erf dezelfde bestemming te geven als het productiegebied zodat het erf indien gewenst met een afwijking kan worden vergroot tot maximaal 2 ha.
13
Het gaat daarbij om een denkbeeldige rechthoek van maximaal 2 ha waarbinnen de bebouwing gerealiseerd moet worden (bij recht tot 1,5 ha en met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid tot 2 ha). Boven de 2 ha (tot maximaal 3 ha) wordt uitgegaan van het opnemen van een bouwvlak op de verbeelding waarbinnen de bebouwing mag worden gerealiseerd. Dit om te voorkomen dat de erven gigantisch gaan uitdijen in diverse richtingen. Voor uitbreidingen boven de 2 ha dient een partiële herziening (wijziging) van het bestemmingsplan te worden gevraagd waarbij de gemeenteraad beslissingsbevoegd is. Wanneer bij de uitbreiding van een agrarisch bedrijf wordt afgeweken van het bestemmingsplan, zal de methodiek van de Nije Pleats worden toegepast met als doel een verantwoorde landschappelijke inpassing.
14
Fig. 3 Goede landschappelijke inpassing (Huniadyk Nijland) 2.3 Goot- nokhoogte en dakhelling agrarisch bedrijfsgebouw Er ontstaat inmiddels enige duidelijkheid met betrekking tot de vorm, aard en omvang van nieuwe stallen die worden gerealiseerd. Er bestaan twee richtingen. Enerzijds de traditionele stal en anderzijds de serrestal, de boogstal en de tentstal. De traditionele stal. Stallen met een traditioneel beeld in de vorm van één bouwlaag met kap, waaronder grote delen van zijgevels zijn voorzien van windbreekgaas. Omdat er steeds meer vee gestald moet worden, worden de stallen in verband met voldoende ventilatie langer, breder en hoger; De serrestal. Een serrestal bestaat uit een systeem van tunnelframes en het dak heeft een gebogen vorm. De dakbedekking bestaat uit één of twee lagen kunststoffolie met daaroverheen een schaduwdoek. Er komt wel daglicht, maar geen directe zon in de stal. De wanden van de stal bestaan in het algemeen uit een lage keerwand met daarboven windbreekgaas of een ventilatiegordijn. De ventilatie gaat via de zijgevels
15
die afhankelijk van het weer kunnen worden geopend of gesloten. Door de lichtdoorlatende dakbedekking en de ventilatiemogelijkheden in de gevels is het binnenklimaat afgestemd op het buitenklimaat. Dit is van belang voor het welzijn van de dieren. Met het systeem van tunnelframes zijn serrestallen eenvoudig uit te breiden door de bestaande tunnels te verlengen of er een nieuwe tunnel naast te plaatsen. Voordeel daarbij is dat de stal bij een uitbreiding niet hoger wordt. Breder bouwen heeft geen hoge nok tot gevolg, iets wat bij een traditioneel zadeldak wel snel het geval is. Bij serrestallen is de nokhoogte maximaal 8 meter. De boogstal. Een boogstal wordt gekenmerkt door een kolomloze boogvormige overspanning van 25 tot maximaal 50 meter breed en een hoogte van 6 tot maximaal 12 meter. De boogstal is opgebouwd uit een onderbouw en een bovenbouw. Deze zijn onafhankelijk van elkaar te bouwen. De dakconstructie is ook toe te passen op een conventionele onderbouw. De bovenbouw is opgebouwd uit stalen vakwerkliggers, bekleed met windbreekgaas en waterdicht foliemateriaal. De boogstal komt qua uitstraling overeen met de romneyloods. De tentstal. De tentstal bestaat uit een staalconstructie waarbij de onderbouw en de bovenbouw met kunststofdoek is overspannen.
2.3.1 Verordening Romte Een ruimtelijk plan bevat geen bouwmogelijkheid voor een stal voor de huisvesting van vee met een grotere goothoogte dan 5 meter. In afwijking hiervan kan een hogere goothoogte worden toegestaan mits het geen gestapelde stal betreft en in de plantoelichting is gemotiveerd dat een grotere goothoogte inpasbaar is binnen de kernkwaliteiten van het betreffende landschapstype, zoals aangegeven en omschreven op de kaart Landschapstypen. De maximale goothoogte zoals deze in de Verordening is opgenomen geldt alleen voor de huisvesting van vee. Voor de overige bedrijfsgebouwen zoals opslagloodsen geldt geen maximale goothoogte. 2.3.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan De traditionele stal. Niet langer wordt de maatvoering van de traditionele boerderij ‘út pake syn tiid’ als uitgangspunt genomen, maar wordt voluit gekozen voor de ontwikkeling van een ’ nieuw boerenerf’. Wel acht de gemeente het van belang dat dit soort gebouwen niet boven de volwassen erfbeplanting uittorenen. Een maat van 14 meter zal in dat verband als maximum voor de bouwhoogte worden gehanteerd. De goothoogte van agrarische bedrijfsgebouwen waarin dieren verblijven bedraagt 5 meter. Met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid
16
kan medewerking worden verleend voor een goothoogte tot ten hoogste 6,5 meter. Deze goothoogte geldt voor opslagloodsen/machinebergingen i.v.m. de toegankelijkheid.
Fig. 4 traditionele boerderij Ivige Leane Scharnegoutum
Nieuwe traditionele stal nabij Koudum
De serrestal, de boogstal en de tentstal De bouwregels zijn afgestemd op de traditionele bedrijfsgebouwen in de bestemmingsplannen voor het buitengebied. De serrestal en de boogstal komen niet overeen met deze bouwregels. Om sturend op te kunnen treden, heeft de gemeente de mogelijkheid om voor serrestallen en boogstallen een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid op te nemen met betrekking tot goothoogte en dakhelling. Tentstallen zouden echter kunnen voldoen aan de bouwregels die voor de traditionele bedrijfsgebouwen worden gehanteerd. Er geldt dan geen weigeringsgrond volgens het bestemmingsplan.
17
Fig. 5 Afbeelding serrestal (Nijhuizum)
18
Fig. 6 Afbeelding boogstal De vraag doet zich voor of de gemeente daadwerkelijk ruimte wil bieden aan serrestallen, boogstallen en tentstallen. Boerderijen zijn vanwege hun verschijningsvorm sterk bepalend voor het ruimtelijk beeld van het buitengebied. De intrede van de serre- en boogstal maakt deel uit van de ontwikkeling van de schaalvergroting en uitbreiding van de agrarische bedrijven. Vanuit de agrarische sector mag vanwege de goedkope bouw, een sterk pleidooi worden verwacht. De stallen hebben echter ook een keerzijde. Het zijn bouwvormen die zich in ruimtelijke zin niet gemakkelijk voegen in het landschap. De gebouwen zijn minder duurzaam dan de traditionele stallen. Bovendien treden door de open constructie bij donker sterke lichteffecten op. Overigens treden lichteffecten ook in toenemende mate op bij traditionele stallen omdat de wanden van deze stallen steeds meer uit windbreekgaas bestaan. Voor beperking van lichteffecten wordt verwezen naar hoofdstuk 5.2. Wij vinden dat een nuance moet worden aangebracht tussen de serrestal en de boogstal. De serrestal is minder hoog en sluit qua maatvoering nog wel aan bij de overige relatief grootschalige bedrijfsbebouwing. Voor een dergelijk stal zal dan ook een opening worden geboden in het bestemmingsplan.
De boogstal manifesteert zich als een romneyloods en heeft in het landelijk gebied een niet agrarische uitstraling en doet tevens afbreuk aan de landschappelijke kwaliteiten van het gebied. Vooral in het noordwestelijk deel van de gemeente bevinden zich romneyloodsen. Deze bouwwerken dienen echter meer voor opslag maar dit doet in principe niets af aan het feit dat deze bouwwerken in het nieuwe bestemmingsplan niet worden gefaciliteerd. Wanneer de tentstal voldoet aan de bouwregels die gelden voor de traditionele agrarische bedrijfsgebouwen, zal de Welstandsnota uit moeten maken of al dan niet ruimte is voor de tentstal en dan gaat het met name om de kleur van het tentdoek.
20
Fig. 7 Afbeelding van een tentstal op het perceel Boerestreek 22 tussen Gaast en Parrega
21
2.4 Losse veestallingen Losse veestallingen komen her en der nog in de gemeente voor. Deze losstaande veestallingen of agrarische loodsen waren vooral functioneel toen de agrarische percelen meer op afstand van de huiskavel waren gelegen. 2.4.1 Verordening Romte In de Verordening Romte is geen bepaling opgenomen met betrekking tot losse veestallingen. 2.4.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan De noodzaak van dergelijke bouwwerken is in principe achterhaald nu er (mede in het kader van de ruilverkaveling) bijna geen agrarische percelen meer op afstand van de huiskavel zijn gelegen. Met betrekking tot het voorkomen van verrommeling van het landelijk gebied zal de bouw van nieuwe losse veestallingen dan wel agrarische loodsen moet worden voorkomen. De bestaande losse veestallingen worden in het plan opgenomen (zonder uitbreidingsmogelijkheden). Het gebruik beperkt zich tot agrarische activiteiten en inpandige opslag.
Fig. 8 Losse voormalige veestalling nabij Parrega
22
2.5 Bedrijfswoning Uit het oogpunt van een goede agrarische bedrijfsvoering is het gewenst om bij agrarische bedrijven te kunnen wonen. 2.5.1 Verordening Romte De oppervlakte van een nieuwe woning inclusief bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 300m². Indien de oorspronkelijke bebouwing ruimer is, mag tot aan de maatvoering van die oorspronkelijke bebouwing worden vervangen. Aanvullend is een algemeen landschappelijk toetsingscriterium opgenomen. Gemeenten betrekken dit criterium bij de lokale afweging. 2.5.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Per agrarisch bedrijf wordt één bedrijfswoning toegestaan. In het geval er in de bestaande situatie meerdere legaal gerealiseerde woningen binnen een bedrijf zijn, wordt dit als maximum aantal opgenomen in het plan. De oppervlakte van een niet ingebouwde bedrijfswoning (de hoofdvorm) bedraagt niet meer dan 150 m². Daarnaast is een maximale oppervlakte van 100 m² aan ondergeschikte bebouwing toegestaan (aan-en uitbouwen, losstaande bijgebouwen en overkappingen). Ingebouwde bedrijfswoningen (zoals woningen in een stelp) mogen groter zijn. In het buitengebied past geen woning met een hoge goot. Wij stellen daarom voor om bedrijfswoningen van één bouwlaag met kap toe te staan. Er wordt uitgegaan van een goothoogte van maximaal 4,00 meter en een bouwhoogte van 10 meter. In dat geval conformeert de woning zich aan het huidige beeld.
(Bedrijfs)woningen met twee bouwlagen met kap komen in de gemeente nauwelijks voor. De huidige moderne bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf maakt de realisatie van een nieuwe tweede bedrijfswoning steeds minder noodzakelijk. Een zeer terughoudend beleid met betrekking tot tweede bedrijfswoningen wordt ook ingegeven door het feit, dat in het verleden tweede bedrijfswoningen vaak zijn afgesplitst van het bedrijf en daardoor feitelijk burgerwoningen zijn geworden, welke vanuit milieuregelgeving de bedrijfsvoering van het eigenlijke agrarische bedrijf kan gaan beperken.
23
2.6
Niet grondgebonden landbouw (hoofd- / neventak)
Het onderscheid tussen grondgebonden en niet-grondgebonden bedrijven heeft ruimtelijke redenen. Grondgebonden agrarische bedrijven hebben een directe relatie met de omliggende gronden. Vaak zijn dit eigen gronden die kenbaar ruimtelijk deel uitmaken van de bedrijfsvoering. Deze bedrijven zijn voor het voortbestaan afhankelijk van de kwaliteit van die omgeving. De omstandigheden zoals bodemkwaliteit en grondsoort zijn van invloed op de bedrijfsvoering. De bedrijven kunnen niet zonder meer op iedere plaats in het buitengebied gevestigd worden. Dit in tegenstelling tot de niet-grondgebonden agrarische bedrijven, die zich veelal kenmerken door grootschalige intensieve bebouwing zonder een directe relatie met het omliggende agrarische gebied. 2.6.1 Verordening Romte De Verordening Romte geeft geen mogelijkheid voor nieuwe nietgrondgebonden landbouw. Daarnaast wordt gerefereerd aan het landelijke standpunt inzake de discussie m.b.t. megastallen. De provincie verwijst in de Verordening naar de brief van april 2011 waarin de staatssecretaris de gemeenten vraagt geen medewerking te verlenen aan nieuwbouwplannen voor niet-grondgebonden landbouw meer dan 300NGE. 2.6.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan (niet grondgebonden bedrijven) Het nieuwe bestemmingsplan biedt geen vestigingsmogelijkheid voor nieuwe nietgrondgebonden landbouw.
Naast de milieubelasting (emissies) speelt, vanwege de vereiste bebouwing, ook de ruimtelijke beïnvloeding van de gebiedskenmerken en het landschap een rol (grootschaligheid en bouwmassa). Bij bestaande niet-grondgebonden bedrijven wordt uitgegaan van een maximale bebouwingsmogelijkheid van 1,5 ha tenzij de oppervlakte reeds meer is dan 1,5 ha. In dat geval wordt uitgegaan van de vergunde situatie. Daarnaast zal een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid worden opgenomen om nog eens 10% extra bebouwing toe te staan boven wat bij recht is toegestaan. Dit uit oogpunt van dierwelzijn. Maar het aantal dieren mag niet toenemen. Hiermee krijgen bestaande niet-grondgebonden bedrijven uitbreidingsmogelijkheden, die aansluiten bij de mogelijkheden die grondgebonden bedrijven bij recht krijgen. (1,5 ha). Als neventak is een vestiging van een niet-grondgebonden tak met een bedrijfsvloeroppervlak mogelijk van maximaal 500m² bij een bestaand grondgebonden agrarisch bedrijf. Mede gelet op het Rijks– en provinciaal beleid is verdere uitbreiding niet mogelijk.
24
2.6.3 Gemengde bedrijven Hier en daar komen gemengde bedrijven (akkerbouw/intensieve veehouderij; melkveehouderij/intensieve veehouderij) voor. In die gevallen is voor de toekenning van de maatvoering van het bouwperceel bepalend wat de hoofdtak is. Als de intensieve tak de hoofdactiviteit is, mag het bouwperceel maximaal 1,5 ha bedragen. Als de melkveehouderij/akkerbouw de hoofdactiviteit is, kan het bouwperceel maximaal naar 3 ha groeien. Alleen voor dierenwelzijn is bij een intensieve veehouderij een uitbreidingsmogelijkheid van 10% toegestaan wanneer een bedrijf al op 1,5 ha zit. Maar het aantal dieren mag niet toenemen. Ook als er sprake is zoals een enkele keer voorkomt van twee (vrijwel) gelijkwaardige hoofdactiviteiten, is een groei naar 3 ha mogelijk. In dat geval kan het intensieve bedrijfsonderdeel nooit meer dan 1,5 ha ruimtebeslag innemen. In deze gevallen zal maatwerk worden geleverd in de vorm van een partiële herziening van het bestemmingsplan. 2.7 Glastuinbouw Bestaande kassen houden de ruimte voor reguliere uitbreiding. Dat wil zeggen dat een uitbreiding van 20% mogelijk is en als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan dan is een afwijking van 50% mogelijk. De provincie is op dit moment bezig met een evaluatie van het streekplan.
Wanneer uit de evaluatie van het streekplan blijkt dat er een verruiming komt voor de glastuinbouw buiten de concentratiegebieden kan de gemeente hierop inspelen. 2.8 Bedrijfseigen mestvergisting Een andere mogelijke nevenactiviteit bij agrarische bedrijven is een mestvergistingsinstallatie, met dien verstande dat de installatie uitsluitend wordt gevuld met mest en eigen cosubstraten (bijvoorbeeld mais) die afkomstig zijn van het eigen bedrijf waarbij het digestaat (restproduct) op de tot het eigen bedrijf behorende gronden wordt gebruikt. Een mestvergistingsinstallatie wordt beschouwd als een nevenactiviteit bij alle agrarische bedrijven waarvoor een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid gevolgd kan worden. Zodoende kan rekening worden gehouden met een landschappelijke inpassing. In dat kader dient de installatie binnen de denkbeeldige rechthoek te worden gebouwd en is de onderbouwing ondergeschikt aan de bedrijfsbebouwing.
25
2.8.1 Verordening Romte De Verordening Romte geeft aan dat bij agrarische bedrijven mogelijkheden zijn voor de volgende activiteiten:
mestverwerking, mestbewerking, mestvergisting; verbranding, vergisting of vergassing van biomassa; verwerking of bewerking van agrarische producten.
De bovenstaande activiteiten worden toegestaan indien deze ten dienste staan van of verband houden met de bedrijfseigen agrarische activiteit, deze geconcentreerd worden op het agrarisch perceel, dat de activiteiten ondergeschikt zijn aan de agrarische activiteiten en dat alles zorgvuldig wordt ingepast. 2.8.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Een andere mogelijke nevenactiviteit bij agrarische bedrijven is een mestvergistingsinstallatie, met dien verstande dat de installatie uitsluitend wordt gevuld met mest en eigen cosubstraten (bijvoorbeeld mais) die afkomstig zijn van het eigen bedrijf waarbij het digestaat (restproduct) op de tot het eigen bedrijf behorende gronden wordt gebruikt. Een mestvergistingsinstallatie wordt beschouwd als een nevenactiviteit bij alle agrarische bedrijven waarvoor een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid gevolgd kan worden. Zodoende kan rekening worden gehouden met een landschappelijke inpassing. In dat kader dient de installatie binnen de denkbeeldige rechthoek te worden gebouwd en is de onderbouwing ondergeschikt aan de bedrijfsbebouwing.
Fig. 9 Boerderij met mestvergisting bij Tirns.
26
2.9 Paardenhouderij Paardenhouderij is een verzamelnaam voor uiteenlopende soorten bedrijven met betrekking tot het houden van paarden. Bedrijfsmatige paardenhouderijen komen in veel verschillende varianten voor, en kunnen al dan niet een volwaardig inkomen genereren. In de literatuur worden bedrijfsmatige paardenhouderijen meestal onderverdeeld in twee categorieën:
productiegerichte paardenhouderij: o.a. paardenfokkerij/opfokbedrijf en stoeterij gebruiksgerichte paardenhouderij: o.a. paardenpensions en maneges
Kenmerkend verschil tussen beide typen is of het paard dan wel de ruiter centraal staat. Daarbij is het belangrijk dat er vaak mengvormen optreden, en dat een paardenhouderij ook vaak voorkomt als economisch onderdeel van een agrarisch bedrijf (als neventak). Dit kan zowel productiegericht als gebruiksgericht zijn. 2.9.1 Verordening Romte In de Verordening Romte wordt onderscheid gemaakt tussen productiegerichte paardenhouderijen, zoals paardenfokkerijen en paardenhandel, die vanuit die productiegerichtheid vaak een functionele binding met het landelijk gebied hebben, en gebruiksgerichte paardenhouderijen waar het recreatieve aspect en de ruiter/amazone centraal staan, zoals maneges. Stads- en dorpsranden vormen volgens het Streekplan de primaire zoekgebieden voor recreatieve voorzieningen als maneges en rijhallen. Daarnaast heeft het gebruik maken van bestaande accommodaties zoals voormalige boerderijen de voorkeur boven nieuwe vestigingen in het landelijk gebied. 2.9.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan We kennen productiegerichte paardenhouderijen (paardenfokkerijen en paardenhandel) en gebruiksgerichte paardenhouderijen. een productiegerichte paardenhouderij heeft vanuit productiegerichtheid een bepaalde mate van functionele binding met het landelijk gebied; een gebruiksgerichte paardenhouderij staat het recreatieve aspect en de ruiter/amazone centraal (maneges).
Een productiegerichte paardenhouderij is feitelijk een agrarisch bedrijf, het bedrijf is gericht op het fokken en trainen (productie) van paarden. Een paardenhouderij sluit daarmee aan bij een regulier veehouderijbedrijf. Deze vorm van een paardenhouderij past dan ook in principe binnen de bestemming “agrarisch”. Het is dan wel zaak om een paardenhouderij dan specifiek in de doeleindenomschrijving op te nemen. Bij een pensionstalling worden paarden van derden gestald en verzorgd. Deze paarden moeten ook vrij rond kunnen lopen in een paardenbak. Om te voorkomen dat het gebruik van een dergelijk bedrijf wordt gewijzigd in
27
manegeactiviteiten wordt voorgesteld om bij deze bedrijven geen rijhal of overdekte paardenbak toe te staan. Gelet op het verkeersaantrekkend karakter van een manege wordt voorgesteld om de vestiging van een manege in het buitengebied niet toe te staan. Uitzondering zou gemaakt kunnen worden voor een voormalige boerderij die direct grenst aan de bebouwde kom van de grotere kernen. De vestiging van een manege op deze locaties is niet bij recht toegestaan maar door middel van een partiële herziening van het bestemmingsplan. Bij de maximale omvang van een erf voor een productiegerichte paardenhouderij gelden dezelfde regels als voor een regulier agrarisch bedrijf. Bij recht een omvang van maximaal 1,5 ha met een afwijkingsmogelijkheid tot 2 ha. Daarnaast een wijzigingsbevoegdheid tot 3 ha. 2.10 Paardenbak Voor het hobbymatig houden van paarden legt men vaak zogenaamde paardenbakken, buitenbakken, uitloopbakken aan. Deze paardenbakken hebben de nodige impact op de omgeving. Vooral wanneer deze paardenbakken niet binnen het oorspronkelijke bouwperceel kunnen worden aangelegd. Er bestaat derhalve een noodzaak om hiervoor beleidsregels vast te stellen. 2.10.1 Verordening Romte In de Verordening Romte wordt geen aandacht besteed aan het onderwerp paardenbakken.
28
2.10.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Het moet vaststaan dat de aanleg van een paardenbak op het erf van een woning dan wel op een agrarisch bouw- of bedrijfsperceel in verband met de beperkte ruimte of de terreininrichting of om andere redenen redelijkerwijs niet mogelijk is. In dat geval mag een paardenbak alleen aangelegd worden op een perceel met een agrarische bestemming (zonder nadere aanduiding). Maximale afstand tot eigen erf 30 meter; afstand tot erf derden minimaal 15 meter; minimale afstand tot woning derden 30 meter; oppervlakte maximaal 1.250 m2; omheining maximaal 2 meter; maximaal 4 lichtmasten met maximale hoogte van 5 meter met lichtbeperkende armaturen.
Fig. 10 Paardenbak 2.11 Aanverwante en nevenactiviteiten In het buitengebied van Súdwest-Fryslân is de grondgebonden landbouw een belangrijke functie. Dit zal naar verwachting in de toekomst ook zo blijven. Vanuit het economisch perspectief ligt de prioriteit bij de ontwikkeling van de bestaande agrarische bedrijven. Door de veranderingen in de landbouw zijn er agrarische bedrijven die naast de standaard agrarische werkzaamheden nieuwe activiteiten ontwikkelen. De gemeente wil deze ontwikkeling beleidsmatig ondersteunen om de agrarische ondernemers zoveel mogelijk te ondersteunen bij het rendabel houden van het agrarisch bedrijf. 2.11.1 Verordening Romte Uitgangspunt is dat bedrijfsactiviteiten en nevenactiviteiten die aan de landbouw gerelateerd zijn, qua aard en schaal ondergeschikt blijven aan de agrarische bedrijfsactiviteiten die de hoofdfunctie van het perceel vormen. De activiteiten worden uitgeoefend binnen het agrarisch bouwperceel. De volgende activiteiten kunnen worden toegestaan:
29
a) b) c) d)
detailhandel in streekeigen producten zorg; natuur- en landschapsbeheer; bedrijfsactiviteiten behorende tot de milieucategorie 1 en 2 of naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbare bedrijfsactiviteiten, alsmede agrarische hulpactiviteiten; e) het africhten, onderbrengen en verzorgen van dieren; f) kleinschalige horeca, dagrecreatie, of verblijfsrecreatie of daarmee naar de aard vergelijkbare activiteiten. 2.11.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan De gemeente wil inzetten op een verdere schaalvergroting van bedrijven door mogelijkheden te bieden voor het vergroten van de hoofdtak. Ruimte bieden voor verbreding van bedrijven kan bijdragen aan de instandhouding. Dit kan tot een verrijking van het buitengebied leiden en bijdragen aan het behoud van karakteristieke beeldbepalende bebouwing. Naast de als normaal aan te merken ontwikkelingsmogelijkheden van een agrarisch bedrijf voorziet het bestemmingsplan dan ook in de mogelijkheid voor verbreding van de bedrijfsactiviteiten. Gedacht wordt aan het toestaan van onderstaande nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf:
aan huis verbonden beroepen; gebruiksgerichte paardenhouderij; bêd en brochje; boerderijwinkel ten behoeve van verkoop streekeigenproducten; lichte horeca-activiteiten als theeschenkerij. niet agrarische bedrijvigheid (milieucategorie 1 en 2) recreatieappartementen (inpandig) groepsaccommodatie; maatschappelijke/zorg/recreatieve activiteiten.
Daarbij geldt steeds de voorwaarde dat de nevenactiviteiten ondergeschikt zijn aan het agrarisch bedrijf, dat de activiteiten in de regel binnen de bestaande gebouwen plaatsvinden en dat er geen buitenopslag van voorraad, gereed product, materieel et cetera plaatsvindt.
2.12 Verplaatsing agrarisch bedrijf Als gevolg van de verdere groei van agrarische bedrijven kan de behoefte ontstaan om het bedrijf te verplaatsen naar een locatie die gunstig ligt ten opzichte van de percelen cultuurgrond. Groei van agrarische percelen / bedrijven wordt vooral gerealiseerd door de aankoop van grond van bestaande bedrijven
30
2.12.1 Verordening Romte De provincie streeft voor het landelijk gebied naar een zorgvuldig ruimtegebruik, om verrommeling, verstening en versnippering van het landelijk gebied zoveel mogelijk te voorkomen. De gemeente moet eerst naar de mogelijkheden van bestaande, vrijkomende bouwpercelen kijken, alvorens een nieuw bouwperceel kan worden aangewezen. Dit vloeit voort uit het standpunt van Gedeputeerde Staten in het kader van De Nije Pleats yn Fryslân. Bij deze plannen moeten de volgende punten bij betrokken worden: -
een inventarisatie van bestaande bouwpercelen in de omgeving van de beoogde (agrarische) bedrijfsvestiging die beschikbaar zijn of beschikbaar kunnen komen voor vestiging van het bedrijf; eventuele beperkingen op het gebied van financiën, eigendomssituatie, tempo van realisering, milieu, landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden of daarmee naar de aard vergelijkbare beperkingen die in de weg staan aan vestiging van het bedrijf op één van deze bouwpercelen.
2.12.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Groei van agrarische percelen bedrijven wordt vooral gerealiseerd door de aankoop van grond van bestaande bedrijven. Niet altijd ligt deze grond in de directe nabijheid van de huiskavel. Grondruil kan in een dergelijk geval een oplossing bieden, maar daarvoor is medewerking van meerdere partijen noodzakelijk. Wanneer dit onvoldoende resultaat oplevert, dan kan de verplaatsing van het bedrijf een oplossing zijn. De gemeente zal hieraan medewerking verlenen, mits de verplaatsing tevens een bijdrage levert aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied. Het nieuwe plan vormt echter niet het planologische kader. Daarvoor zal een aparte planologische procedure moeten worden doorlopen.
31
3.
Hergebruik voormalige (agrarische) bedrijven
3.1 Hergebruik voormalige (agrarische) bedrijfsgebouwen Door vooral veranderingen in de landbouw verliest veel agrarische bebouwing haar functie. Woonboerderijen vormen een bijzondere groep woningen in het buitengebied. Deze oorspronkelijke boerderijen in de vorm van een stelp of een kop hals romp vormen een waardevolle karakteristiek voor het buitengebied. Passend hergebruik draagt bij aan het behoud van karakteristieke bebouwing. Een nieuwe ontwikkeling is hergebruik van voormalige (agrarische) bedrijven waarbij het gaat om een stelp dan wel een niet inpandige bedrijfswoning in combinatie met bijvoorbeeld een ligboxenstal. Ook bij deze ontwikkeling geldt voorkoming van verpaupering als gevolg van leegstand. Vanwege de leefbaarheid van het platteland is het van belang om ruimhartig om te gaan met het toestaan van nieuwe functies in vrijgekomen agrarische bebouwing. 3.1.1 Verordening Romte Een belangrijke, veelvoorkomende categorie is het hergebruik van voormalige (agrarische) gebouwen. Passend hergebruik draagt bij aan het behoud van karakteristieke bebouwing en zorgt voor nieuwe sociale en economische dragers in het landelijk gebied, waarmee kapitaalsvernietiging kan worden voorkomen. Niet- industriële bedrijven in de milieucategorieën 1, 2 en 3 zijn als hergebruik toegestaan, mits deze ruimtelijk en functioneel passen in de omgeving.
Dit betekent dat een omgeving waar bijvoorbeeld al meerdere bedrijven aanwezig zijn, geschikt kan zijn voor een bedrijf in milieucategorie 3. Bij een vervangende functie kan enige aanvullende nieuwe bebouwing worden toegestaan, indien deze qua omvang duidelijk ondergeschikt is aan het hoofdgebouw (in de meeste gevallen de oorspronkelijke boerderij) en ingepast is in het landschap. Centraal staat de silhouet van een erf (de compositie van meerdere gebouwen) die in belangrijke mate de waarden van het erf voor het landschap bepaalt. Behouden van (boeren)maat van het erf is hiervoor van belang. Onder de karakteristiek van de omgeving wordt ook de bebouwingskarakteristiek verstaan. In een ruimtelijke plan voor landelijk gebied kan uitbreiding worden toegestaan van een bestaand, niet aan het beheer, onderhoud of productievermogen van het landelijk gebied gebonden bedrijf tot maximaal 15% van het bestaande bebouwde oppervlak en maximaal 15% van het bestaande bestemmingsvlak. In afwijking van het eerste lid kan een grotere uitbreiding worden toegestaan tot een maximum van 50%, indien in de plantoelichting is onderbouwd dat het bedrijf landschappelijk, milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is in de omgeving.
32
3.1.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Vrijkomende agrarische bedrijven kunnen een goede locatie vormen voor kleinschalige, of startende niet-agrarische bedrijven. Veelal is de bebouwing en het erf van voldoende omvang om de beoogde bedrijfsactiviteiten uit te voeren. Enige aanvullende nieuwbouw kan worden toegestaan (afhankelijk van de functie). De gemeente wil functiewijziging naar niet-agrarische functies ondersteunen, maar verbindt daaraan de volgende voorwaarden:
er kan uitsluitend gebruik worden gemaakt van het huidige bouwperceel c.q. erf; er wordt geen medewerking verleend aan het vergroten van het erf. bij afbraak van beeldverstorende bijgebouwen kan gebruik worden gemaakt van de ruimte voor ruimte regeling (zie hoofdstuk 3.2); de nieuwe functie mag geen afbreuk doen aan de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van aanwezige (agrarische) bedrijven; de verkeersaantrekkende werking van een nieuwe activiteit mag niet onevenredig toenemen ten opzichte van de verkeersaantrekkende werking van de beëindigde functie; parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden, waardoor parkeeroverlast in de omgeving wordt voorkomen.
Voor wat betreft het gebruik van de vrijkomende agrarische bebouwing kan een onderscheid worden gemaakt tussen:
woonfunctie, al dan niet i.c.m. niet-agrarische nevenactiviteiten; zelfstandige (bedrijfsmatige) activiteiten; detailhandel en horeca
3.1.3.1 Wonen al dan niet i.c.m. niet-agrarische nevenactiviteiten Het wonen in voormalige karakteristieke bedrijfsgebouwen (stolp) spreekt in principe voor zich. Ruimte bieden voor verbreding van het gebruik van woonboerderijen kan bijdragen aan de instandhouding. Dit kan tot een verrijking van het buitengebied leiden en bijdragen aan het behoud van karakteristieke beeldbepalende bebouwing. In dat kader kan een tweedeling worden gemaakt: 1. Nevenactiviteiten die zonder meer passen binnen de woonfunctie zijn: aan huis verbonden beroepen bêd en brochje stalling;
33
2. Nevenactiviteiten die mogelijk inpasbaar zijn met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid: lichte bedrijfsmatige activiteit (cat. 1 en 2), een gebruiksgerichte paardenhouderij, groepsaccommodaties, kleinschalig kamperen, ontvangstruimten t.b.v. maatschappelijke,- zorg- en/of recreatieve activiteiten. Daarbij geldt steeds de voorwaarde dat de nevenactiviteiten ondergeschikt zijn aan de woonfunctie, dat de activiteiten (m.u.v. kamperen) in de regel binnen de bestaande gebouwen plaatsvinden en dat er geen buitenopslag van voorraad, gereed product, materieel et cetera plaatsvindt. 3.1.3.1.1 Splitsing Om (monumentale of karakteristieke) stelpen in stand te houden, is het mogelijk de panden onder bepaalde voorwaarden te splitsen. Bij splitsing mogen maximaal drie woningen gerealiseerd worden binnen het bestaande hoofdgebouw. Algemeen aandachtspunt bij splitsing is de afstemming met en de toetsing aan de milieuwet- en regelgeving (geurhinder). De ontwikkelingsmogelijkheden voor de basisfuncties dienen in stand te blijven. 3.1.3.2 Zelfstandige (bedrijfsmatige) activiteiten Naast de niet-agrarische nevenactiviteiten biedt het plan met een wijzigingsmogelijkheid ruimte voor zelfstandige bedrijfsmatige activiteiten die passen in het landelijk gebied. Het kan daarbij gaan om:
agrarisch dienstverlenende bedrijf: een bedrijf waarbinnen uitsluitend of overwegend arbeid wordt verricht voor de productie of levering van goederen of diensten ten behoeve van agrarische bedrijven waarbij bebouwing binnen het toe te kennen bestemmingsvlak is;
groepsaccommodaties, ontvangstruimten t.b.v. maatschappelijke,- zorg- en /of recreatieve ontwikkelingen;
niet agrarische bedrijfsmatige activiteiten (veelal kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten) waarbij het gaat om een selectie van de bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2. In het bestemmingsplan zal een Staat van Bedrijven worden opgenomen waarin de selectie van de bedrijven is vastgelegd. De bestaande (vergunde) bebouwing mag met 15% worden uitgebreid.
in afwijking kan ene grotere uitbreiding wordt toegestaan tot een maximum van 50% van het (oorspronkelijke) hoofdgebouw, indien onderbouwd kan worden dat het bedrijf landschappelijk, milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is in de omgeving.
34
Overkoepelende randvoorwaarde voor deze zelfstandige activiteiten binnen het agrarisch gebied is het behoud van de kenmerkende en landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Om verstening te voorkomen worden nieuwe zelfstandige activiteiten alleen toegestaan in vrijkomende agrarische bedrijven. Voor het toestaan van zelfstandige activiteiten geldt een nader afwegingsmoment in de vorm van een wijzigingsprocedure, gekoppeld aan ruimtelijke randvoorwaarden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de (bedrijfsmatige) activiteiten binnen het oorspronkelijke bestemmingsvlak worden gerealiseerd. 3.1.3.3 Detailhandel en Horeca In het bestemmingsplan zal geen ruimte worden geboden voor nieuw te vestigen detailhandel. Alleen de bestaande detailhandel zal als zodanig worden bestemd en krijgt slechts beperkte ontwikkelingsmogelijkheden. Een specifieke vorm van detailhandel, de ‘productiegebonden detailhandel’ is wel toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit. Het gaat hierbij om detailhandel in streekgebonden producten of in het buitengebied gevestigde kunstzinnigheid zoals de verkoop bij een atelier. Daarbij moet het wel gaan om de verkoop van goederen die ter plaatse worden vervaardigd, geteeld, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan het productieproces.
Voor de internetwinkel geldt een uitzondering op de regel omdat het hier alleen gaat om het opslaan van goederen zonder dat de locatie door klanten wordt bezocht. Voor horecavoorzieningen geldt dat de bestaande gelegenheden een positieve bestemming krijgen. Voor nieuwe horecavormen wordt uitsluitend ruimte in ondergeschikte vorm bij recreatieve voorzieningen in gebouwen voor beheer en dienstverlening en binnen vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing geboden. In sommige gevallen kan een nieuwe horecavorm in het buitengebied echter een meerwaarde aan het gebied geven, bijvoorbeeld in een vrijstaande boerderij. Bij wijziging zijn daarom nieuwe horecavormen mogelijk als sprake is van een versterking van de recreatieve structuur.
35
3.2 Ruimte voor Ruimte Om te voorkomen dat het landschap wordt aangetast door leegstaande bebouwing die hun oorspronkelijke functie hebben verloren is de 'ruimte voor ruimte' regeling in het leven geroepen. Dit houdt in dat dergelijke ontsierende bebouwing in het landelijk gebied kan worden gesloopt. Als men aan de gestelde voorwaarden kan voldoen, kan men in ruil voor de sloop van deze gebouwen een woning terug bouwen in de nabij gelegen woonkern of in een andere bebouwingscluster. 3.2.1 Verordening Romte In het landelijk gebied kan een nieuwe woning worden toegestaan, mits minimaal 1.000 m² aan beeldverstorende bebouwing van een voormalig agrarisch bedrijf of minimaal 3.000 m² aan kassen van een voormalig glastuinbouwbedrijf in het landelijk gebied wordt gesloopt en de nieuwe woning wordt gebouwd in of aansluitend op een bestaand bebouwingslint of een bestaand bebouwingscluster. Ook wanneer er sprake is van verplaatsing van een agrarisch bedrijf kan onder voorwaarden op de vrijgekomen locatie een woning worden gebouwd.
Bij verplaatsing van een agrarisch bedrijf biedt de Verordening Romte de mogelijkheid om op de vrijkomende locatie een woning toe te staan mits - verplaatsing van het agrarisch bedrijf nodig is om redenen van groot openbaar belang, en - bestaande financieringsmogelijkheden voor verplaatsing ontbreken of ontoereikend zijn, en - de nieuwe woning wordt gebouwd in of aansluitend op een bestaand bebouwingslint of een bestaande bebouwingscluster 3.2.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Wanneer agrarische bedrijfsgebouwen hun agrarische functie verliezen kan aan deze bebouwing een nieuwe functie worden toegekend. Een andere mogelijkheid is om de beeldverstorende bebouwing te (laten) slopen in het kader van de Ruimte voor ruimteregeling. Voorgesteld wordt om aan te sluiten bij de provinciale regeling. Dit houdt in dat wanneer minimaal 1000m² aan beeldverstorende bebouwing van een agrarisch perceel of minimaal 3000m² aan kassen van een voormalig glastuinbouwbedrijf in het landelijk gebied, wordt gesloopt, de eigenaar één nieuwe woning mag bouwen. In tegenstelling tot de Verordening Romte mag de nieuwe woning uitsluitend worden gebouwd in of direct aansluitend aan de bebouwde kommen. Een nieuwe woning op de saneringslocatie is niet toegestaan.
36
4.
Wonen
4.1 Bebouwingsregels De woonfunctie in het plangebied wordt beperkt tot de bestaande woningen en bestaande woonboerderijen. Uitgangspunt is dat er géén mogelijkheden worden geboden voor woningen op geheel nieuwe erven in het buitengebied. Nieuwe woningen doen namelijk afbreuk aan de (beleving van de) kernkwaliteiten van het landschap en kunnen belemmerend werken voor de functies landbouw, natuur en recreatie. Uitzondering is dat woningen in het buitengebied kunnen worden gefaciliteerd binnen de bestaande woonboerderijen en op grond van de Ruimte voor Ruimte Regeling. Het wonen en werken raakt steeds meer met elkaar verbonden. Door nieuwe communicatietechnieken wordt het steeds makkelijker om, geheel of gedeeltelijk, vanuit huis aan het werk te zijn. Het buitengebied leent zich met name voor een aantal kleinschalige woon/werkmilieus. Deze woon-werkcombinaties zijn ook van groot belang voor de economisch vitaliteit en leefbaarheid van ons buitengebied. 4.1.1 Verordening Romte De oppervlak van een nieuwe woning inclusief bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 300m². Indien de oorspronkelijke bebouwing ruimer is, mag tot aan de maatvoering van die oorspronkelijke bebouwing worden vervangen. Aanvullend is een algemeen landschappelijk toetsingscriterium opgenomen. Gemeenten betrekken dit criterium bij de lokale afweging.
Een nieuwe woning kan uitsluitend worden toegevoegd als onderdeel van de toepassing van de ruimte voor ruimte regeling. De nieuwe woning mag uitsluitend worden toegevoegd aan een bebouwingslint of een bebouwingscluster. De nieuwe woning mag niet op een solitair bouwperceel opgericht worden.
37
4.1.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Bij de reguliere woningen en de woonboerderijen wordt gekozen voor het traditionele beeld: 1 bouwlaag met een bewoonbare kap. Voorkomen moet worden dat reguliere woningen zonder nadere afweging tot forse proporties kunnen uitdijen. Juist de samenhang tussen het sinds de 19e eeuw maar in beperkte mate veranderd landschap en de schaal van de gebouwen maken dat het gebied als landschappelijk aantrekkelijk wordt beschouwd. De bebouwde oppervlakte van de hoofdvorm van de reguliere woning mag maximaal 150 m² bedragen. Daarbij wordt uitgegaan van een goothoogte van 3,5 meter en een bouwhoogte van 9 meter. Aan- en uitbouwen en losstaande bijgebouwen dienen qua maatvoering en situering ondergeschikt te zijn aan de hoofdvorm. De totale oppervlakte van de ondergeschikte gebouwen bedraagt maximaal 100 m² met een ondergeschiktheidpercentage van 10% ten opzicht van de hoofdvorm. Bij de traditionele woonboerderijen wordt uitgegaan van de bestaande oppervlakte. De bijgebouwenregeling gaat uit van maximaal 150 m² bij woonboerderijen. Waar in het verleden woningen slechts mochten worden gebruikt voor wonen, wil de gemeente voortaan meer ruimte bieden voor andere functies. Ook hier kan het bieden van meer mogelijkheden bijdragen aan het behoud van de karakteristieke beeldbepalende bebouwing.
Uitgangspunt is dat de eventuele nieuwe functies ondergeschikt zijn aan de woonfunctie. Dit moet blijken uit de inrichting van het erf en het aanzicht van de bebouwing. Bij de reguliere woningen gaat het om de volgende functies:
aan huis gebonden beroepen bêd en brochje lichte bedrijfsmatige activiteiten
38
5
Landschappelijke kwaliteiten
5.1 Natuurlijke waarden, archeologische waarden en cultuurhistorische waarden De gemeente hecht veel waarde aan de landschappelijke kwaliteit en identiteit van het buitengebied. In dat kader bestaat de noodzaak om de ecologische waarden, de archeologische waarden en de cultuurhistorische waarden te beschermen. 5.1.1 Verordening Romte Een belangrijk uitgangspunt van het Streekplan is dat de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen in Fryslân herkenbaar blijven. Gestreefd wordt naar het in stand houden en waar mogelijk verder ontwikkelen van de belangrijke cultuurhistorische kwaliteiten en waarden in de provincie. Deze vormen een wezenlijk onderdeel van de identiteit, de leefbaarheid, en de toeristische aantrekkelijkheid van de provincie. Binnen de bestemming Natuur kan onderscheid worden gemaakt tussen ‘ecologische hoofdstructuur’ en ‘natuur’ buiten de ecologische hoofdstructuur’. Bij de bestemming ‘natuur’ met de nadere aanduiding ‘ecologische hoofdstructuur’ geldt een passende bestemming met gebruiksregels gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gronden, met inbegrip van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Verder zijn geen ontwikkelingen mogelijk welke significante negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van de grond.
Bij de bestemming ‘natuur’ buiten de ecologische hoofdstructuur wordt voorzien in een passende bestemming met gebruiksregels gericht op behoud en herstel of ontwikkeling van natuurwaarden. Het landelijk gebied dat betrekking heeft op de gronden die door hun rust en openheid voor de weidevogels geschikt zijn, wordt voorzien in een regeling waarmee voldoende openheid en rust wordt gehandhaafd, met dien verstande dat de agrarische productiefunctie inclusief de ontwikkelingsfunctie voor agrarische bedrijven zijn toegestaan.
39
5.1.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Ecologische waarden. In de Wet natuurbescherming staan beschermingsregels voor de Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Vanwege de inwerkingtreding van deze wet op 1 januari 2017 zijn de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet komen te vervallen. Zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming zijn nu in de Wet natuurbescherming geregeld. Natuurlijke waarden De uitgangspunten van de Verordening Romte kunnen hier als ingelast te worden beschouwd. De binnen de gemeentegrenzen gelegen natuurgebieden worden als zodanig bestemd. De ontwikkeling van nieuwe natuur op basis van Gebiedsplannen zal binnen het bestemmingsplan (met een wijzigingsbevoegdheid) mogelijk worden gemaakt. Voor overige kan worden verwezen naar de hiervoor genoemde ecologische waarden. De in het plangebied voorkomende natuurlijke waarden worden beschermd door een (dubbel)bestemming dan wel door een nadere aanduiding. Archeologische waarden. In het Verdrag van Valletta/Malta heeft de zorg voor het archeologische erfgoed een prominente plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming.
Uitgangspunten van het verdrag zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van de archeologische waarden ter plaatse en de introductie van het zogenaamde “veroorzakerprincipe” waarbij de financiële verantwoordelijkheid ligt bij de initiatiefnemer. De in het plangebied voorkomende archeologische (verwachtings)waarden worden beschermd door een dubbelbestemming waar specifieke regels voor gelden. Cultuurhistorische (landschaps)waarden. Cultuurhistorische (landschaps)waarden kunnen worden omschreven als landschappelijke structuren c.q. elementen of bebouwingsvormen die getuigen van de (ontwikkelings)geschiedenis van het menselijk gebruik van het gebied. Vanaf 1 januari 2012 is het wettelijk verplicht cultuurhistorie in het bestemmingsplan op te nemen. Dat betekent concreet dat de gemeente rekening moet gaan houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. De in het plangebied voorkomende behoudenswaardige cultuurhistorische waarden worden beschermd door een dubbelbestemming of aanduiding waar specifieke regels voor gelden.
40
5.2 Licht De moderne ligboxenstal is heel anders van omvang dan de eerste ligboxenstallen uit de 70-er jaren van de vorige eeuw. Ten behoeve van het dierenwelzijn is meer (dag)licht en ventilatie nodig. De moderne stal is daarom veel hoger (ca. 14m) en heeft een hoge goot (4.5m). Door de hoge goot heeft de stal een open karakter met als gevolg dat in de avond- en nachtperiode veel lichtuitstraling ontstaat.
Fig. 11 lichthinder door een traditionele stal (open zijkant)
stal met dichte zijkant
5.2.1 Verordening Romte In de Verordening Romte is geen aandacht besteed aan het onderwerp ‘Licht’. 5.2.2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Nadeel van de schaalvergroting in de melkveehouderij is dat er door de grotere verlichte stallen sprake is van lichthinder. Ten behoeve van een optimale ventilatie zijn de zijkanten van de nieuwe ligboxenstallen open. Deze worden met een transparant gevelscherm gesloten wanneer dit voor het klimaat in de stal noodzakelijk is. De witte transparante gevelschermen hebben echter een hoge lichtverstrooiende werking. Door te voorkomen dat het transparante scherm direct lamplicht ontvangt kan lichtuitstoot bij een gesloten scherm drastisch verminderd worden. In de milieuvergunning kunnen voorwaarden worden opgenomen om lichthinder te beperken. Wanneer een bedrijf meldingsplichtig is kunnen voorwaardelijke bepalingen worden opgenomen.