CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10 Ontwerpbestemmingsplan De Soal 4, Hemelum

Raadsvergadering 7 juli 2021, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: Bestimmingsplan Hemelumer Hoeve24.095 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.2

Geluid (Wet geluidhinder)

Het aspect 'geluid' gaat over geluidhinder op geluidsgevoelige objecten als gevolg van verkeer en industrie. De Wet geluidhinder (Wgh) is hiervoor het toetsingskader. Rondom wegen met een maximumsnelheid van meer dan 30 km/uur, spoorwegen en aangewezen bedrijven(terreinen) zijn geluidszones van toepassing. Als er geluidsgevoelige objecten, zoals woningen, binnen deze zones worden toegevoegd, dan moet geluidsbelasting op de gevels hiervan worden bepaald en getoetst aan de normen. Er zijn er geen spoorwegen of geluidszoneringsplichtige industrie aanwezig, dus alleen het aspect 'wegverkeerslawaai' is aan de orde.

30/359

Het plangebied ligt in de geluidszone van De Soal. Binnen deze geluidzone worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt. De bedrijfswoning kan zich ook niet richting de weg verplaatsen. Hierdoor verslechtert de geluidssituatie niet. Het is daarom niet nodig om de ontwikkeling te toetsen aan de geluidszones van de nabijgelegen wegen.

4.3

Water

Deze 'waterparagraaf' bevat de wettelijk verankerde watertoets. Hierin wordt beoordeeld wat de effecten van het bestemmingsplan op de waterhuishouding zijn en of er waterschapsbelangen spelen. Het plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. In de Leidraad Watertoets van het Wetterskip staan de uitgangspunten waarmee bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De beschrijving van de wateraspecten sluit zoveel mogelijk aan bij de indeling van het Waterbeheerplan en de Leidraad Watertoets in de thema's Veilig, Voldoende en Schoon. Watertoetsproces Het plan is al in een vroeg stadium kenbaar gemaakt bij Wetterskip Fryslân. De invloed van het plan is mogelijk zodanig dat de normale procedure van de watertoets van toepassing is. Reden hiervoor is de ligging van het plangebied langs een hoofdwatergang. Het betreft de watergang langs de westzijde van het bedrijfsperceel. Het waterschap heeft hiervoor een wateradvies opgesteld. Dit advies is opgenomen in Bijlage 5. De uitkomsten hiervan zijn verwerkt in deze paragraaf. Veilig Meerlaagse veiligheid en klimaatadaptie: Voor het aspect 'veilig' gaat het over overstromingsrisico's. Het plangebied grenst niet aan aan regionale waterkering. Ook ligt het niet vrij voor de boezem. Ook is er geen sprake van een gebied met een verhoogd overstromingsrisico.

Voldoende Peilbeheer: Er dient rekening gehouden te worden met voldoende drooglegging. Dit is de afstand tussen het grondwaterpeil en de aanleghoogte van bebouwing. Compensatie: Het waterschap hanteert als uitgangspunt dat de toename verhard oppervlak voor een deel (10%) wordt gecompenseerd in de vorm van nieuw oppervlaktewater of waterberging. Het dempen water watergangen moet volledig gecompenseerd worden. Deze compensatie is bedoeld om wateroverlast door het versneld afvoeren van hemelwater vanaf de verhardingen te voorkomen. Compensatie is nodig bij een toename aan verharding van meer dan 1.500 m2 in het buitengebied. Als gevolg van het plan neemt het verhard oppervlakte toe met circa 10.500 m2. Ter compensatie moet 1.050 m² aan nieuw oppervlaktewater worden aangelegd. Daarnaast wordt 520 m2 aan watergangen gedempt. In totaal komt de compensatieopgave uit op 1.570 m2 (1.050 + 520 m2). De compensatie zal plaatsvinden door de aanleg van een retentievijver in het voorstel deel van het perceel waarop de uitbreiding plaatsvindt. Schoon Afvalwater en regenwatersysteem: Het uitgangspunt is om regenwater en rioolwater zoveel mogelijk gescheiden af te voeren. In dit geval wordt rioolwater via een rioleringsstelsel aangesloten op het gemeentelijk riool.

31/359

Schoon hemelwater wordt afgekoppeld en afgevoerd op de watergangen rondom het plangebied. Voor lozingen gelden de voorwaarden uit het Activiteitenbesluit. Waterkwaliteit: De bouwwijze en onderhoudstechniek moeten emissievrij zijn om verontreiniging van het water te voorkomen. In dit geval zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke (bouw)materialen. Vervolg Waterwet: Voor alle ingrepen in de waterhuishouding moet een vergunning worden aangevraagd of een melding worden gedaan in het kader van de Waterwet. Procedure: Het wateradvies is gecommuniceerd met de initiatiefnemer en geldt als uitgangspunt voor de uitvoering van het plan. In de nadere uitwerking van het plan wordt rekening gehouden met de adviezen van het Wetterskip. Vanuit het oogpunt van de waterhuishouding zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.4

Bodem

Bij het aspect 'bodem' staat de vraag centraal of de bodemkwaliteit toereikend is voor het nieuwe gebruik. De bodem kan door eerdere (bedrijfs)activiteiten verontreinigd zijn. Voor de ruimtelijke procedure is het van het belang dat verdachte locaties worden gesignaleerd. Daarnaast kan ontgronding een effect hebben op de geotechnische gesteldheid van de bodem. Bodemkwaliteit Begin 2013 heeft de gemeente de bodemkwaliteitskaart en bijbehorende Nota bodemkwaliteit vastgesteld. De bodemkwaliteitskaart onderscheidt de actuele achtergrondkwaliteit van de bodem binnen de gemeente in verschillende deelgebieden (zones van vergelijkbare kwaliteit). In de Nota Bodembeheer Zuidwest Fryslân heeft de gemeente bepaald dat met het opstellen van de bodemkwaliteitskaart een goed beeld is verkregen van de (diffuse) bodemkwaliteit van onverdachte gebieden. Op basis van de bodemkwaliteitskaart kan de gemeente daarom vrijstelling verlenen voor het bodemonderzoek.

Er gelden enkele uitzonderingen waarbij geen vrijstelling kan worden verleend: locaties met een bekende verontreiniging (puntbron), of locaties gelegen nabij (binnen een straal van 25 meter) een puntbron dienen alsnog te worden onderzocht; de gebiedseigen kwaliteit mag geen aanleiding zijn om een risico te verwachten ten aanzien van het geplande gebruik; verdachte locaties of locaties binnen een straal van 25 meter van verdachte locaties waarvan een vermoeden bestaat van bodemverontreiniging, tenzij middels een NVN5725 onderzoek wordt aangetoond dat de locatie onverdacht is; locaties gelegen in de bodemkwaliteitszone industrie (zone 1 en 4). Voor wat betreft de functiewijziging van locaties/percelen is in de Nota Bodembeheer Zuidwest Fryslân opgenomen dat met de bodemkwaliteitskaart (zie figuur 4.2) voor de meeste locaties al voldoende gegevens voorhanden zijn om te kunnen toetsen of de bodemkwaliteit past bij de nieuwe functie.

32/359

Figuur 4.2

Uitsnede bodemkwaliteitskaart

De voorgenomen uitbreiding leidt niet tot een functiewijziging van de bestaande bebouwing. Voor dit deel bestaat aldus geen verplichting tot het uitvoeren van een bodemonderzoek. Het deel van het plangebied waar nieuwe bebouwing wordt opgericht, is op dit moment in gebruik als grasland. In het verleden zijn geen bodembedreigende activiteiten verricht op deze grond. Op grond van de bodemkwaliteitskaart (die de gemiddelde achtergrondwaarden aangeeft op onverdachte locaties voor bodemverontreiniging) ligt het plangebied binnen de zone 'achtergrondwaarde'. De bodemkwaliteit kan onderverdeeld worden in 4 klassen: landbouw/natuur, wonen, industrie en niet toepasbaar. De klasse landbouw/natuur wordt de achtergrondwaarde (2000) genoemd. Dit is de schoonste klasse, waarbij de grond geschikt is voor de functie landbouw/natuur. Er is dus sprake van schone/onverdachte grond. Door zowel overheid als bedrijfsleven is de afgelopen jaren veel gedaan om de bodemkwaliteit in kaart te brengen of te verbeteren. Via het Bodemloket kan inzicht verkregen worden in de bij de overheid bekende gegevens. Ook is na te gaan waar vroeger (bedrijfs)activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen omdat ze de bodemkwaliteit beïnvloed kunnen hebben. Voor het plangebied volgt uit het Bodemloket dat er geen nadere aandachtspunten zijn voor de bodemkwaliteit.

Omdat met de bodemkwaliteitskaart en het Bodemloket een goed beeld is verkregen van de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied, kan vrijstelling worden verleend van de verplichting tot het uitvoeren van een bodemonderzoek. Temeer, omdat de uitzonderingen waarbij geen vrijstelling kan worden verleend, niet van toepassing zijn op het plangebied.

33/359

Geconcludeerd wordt dat de bodemgesteldheid geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. Ontgronding Ontgrondingen zijn in Friesland geregeld in de provinciale ontgrondingenvergunning. Voor de aanleg van de retentievijfer is in beginsel een ontgrondingsvergunning nodig. Echter, omdat het gaat om een ontgronding die nodig is voor de verwerkeling van een bestemmingsplan en van beperkte omvang is, geldt op grond van artikel 2 van de verordening een vijstelling. Gelet op beperkte diepte van de retentievijver is er geen sprake van een risico op aantasting van de geotechische gesteldheid van de bodem.

4.5

Archeologie

Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. In de wet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld. Voor Súdwest-Fryslân wordt gebruik gemaakt van de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) van de provincie. Een fragment van deze kaarten is weergegeven in figuur 4.3.

34/359

Figuur 4.3

Fragment kaarten FAMKE

Uit de kaarten blijkt dat er in het plangebied een kans is op de aanwezigheid archeologische resten uit de perioden steentijd tot bronstijd en uit de ijzertijd tot de middeleeuwen. Onderzoek is nodig bij ingrepen van meer dan 500 m2. Omdat de ingrepen binnen het plangebied groter zijn, is ter plaatse van de uitbreiding een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. De bijbehorende rapportage is opgenomen in Bijlage 6. De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding om archeologisch maatregelen (planaanpassing, vervolgonderzoek, etc.) aan te bevelen. Dit deel van het plangebied kan worden vrijgegeven voor wat betreft archeologie (in figuur 4.3 rood omkaderd). Voor het overig deel van het plangebied blijft de beschermende regeling, zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân van kracht (Waarde Archeologie 2). Op deze manier zijn archeologische waarden voldoende onderzocht en beschermd en is de uitvoerbaarheid vanuit het oogpunt van archeologische monumentenzorg aangetoond. Wanneer bij de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, moet hiervan direct melding gemaakt worden bij de bevoegde overheid (gemeente Súdwest Fryslân).

4.6

Cultuurhistorie

Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening, artikel 3.1.6 lid 5a, moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Hierbij dient tevens historisch (stede)bouwkundige geografie te worden meegenomen in de belangenafweging. Aangegeven dient te worden welke conclusies aan de geanalyseerde waarden worden verbonden, en op welke wijze deze zijn geborgd in het plan.

35/359

Binnen het plangebied zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig. Wel kunnen de structuren en kenmerken van het landschap als van cultuurhistorische betekenis worden aangemerkt. Zoals ook beschreven staat in het rapport van de Nije Pleats heeft de gemeente aangegeven dat de uitbreiding van het bedrijf ten koste gaat van agrarisch gebied met landschappelijke waarden. Het plangebied ligt op grond van de Grutsk op 'e Romte en de 'Cultuur Historischekaart' (CHK) in het landschapstype 'klei op veengebied' met een opstrekkende verkaveling met grootschalige regelmaat. Zoals ook in het rapport van de Nije Pleats wordt geadviseerd, wordt bij de uitbreidingslocatie rekening gehouden met de ligging in het landschap en wordt de uitbreiding ingepast binnen het bestaande verkavelingspatroon. Voor de aansluiting met het bestaande bouwperceel dient hiervoor wel de tussenliggende sloot gedempt te worden. In de rapportage van het archeologisch onderzoek (Bijlage 6) wordt ingegaan op de historische ontwikkelingen in het plangebied. Daaruit volgt dat eind 19e eeuw een boerderij is gerealiseerd in het plangebied. Dit is de voorloper van de huidige boerderij. Veranderingen aan de inrichting van het agrarische bedrijf zijn waarneembaar vanaf 1988. In dat jaar is er een grotere stal op het huidige bedrijfsperceel opgericht.

Vanaf 2003 is de inrichting van het plangebied niet meer veranderd. Het aanwezige bedrijf, de erfinrichting en het bijbehorende landbouwareaal zijn vanaf 1887 organisch gegroeid tot de huidige situatie. Binnen het bestaande bouwperceel zijn geen vastgestelde cultuurhistorische waarden aanwezig, afgezien van de hiervoor beschreven verkaveling. Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen voor dit plan bestaan.

4.7

Ecologie

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Bij de bescherming van gebieden gaat het om op Europees niveau aangewezen Natura 2000-gebieden. Verder worden in de provinciale verordening gebieden beschermd die van belang zijn voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De bescherming van gebieden en de bescherming van soorten en hun verblijfplaatsen is geregeld in de Wet natuurbescherming. Tot slot zijn er zeer kwetsbare gebieden aangewezen op grond van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een beschermd natuurgebied. Ook maakt het plangebied geen deel uit van het NNN. In de wijde omgeving van het plangebied zijn twee beschermde natuurgebieden aanwezig, namelijk: Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving: dit Natura 2000-gebied is per 24 maart 2000 aangewezen als Vogelrichtlijngebied en per 7 december 2004 als Habitatrichtlijngebied. Het bevindt zich op 575 meter afstand van het plangebied; IJsselmeer: dit Natura 2000-gebied is op 6 mei 1998 onder de naam "Friese IJsselmeerkust" en op 24 maart 2000 onder de naam "IJsselmeer" aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Per 7 december 2004 is het tevens aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Het bevindt zich op circa 2.600 meter afstand van het plangebied.

36/359

De betreffende gebieden zijn in relatie tot het plangebied in kaart gebracht in figuur 4.4.

Figuur 4.4

Natura 2000-gebieden in omgeving

Gelet op de afstand van het plangebied tot beschermde gebieden en op de aard en omvang van de ontwikkeling kunnen directe effecten, zoals verstoring, versnippering of verontreiniging, op de Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Wel moet rekening worden gehouden met de effecten van stikstofdepositie op deze gebieden als gevolg van een toename van ammoniakemissie vanuit het plangebied. Echter, de genoemde gebieden zijn niet aangewezen als gebieden waarin stikstofgevoelige habitattypen van belang zijn. Rottige Meenthe & Brandemeer is het dichtstbijzijnde, overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebied. Dit gebied ligt op 27 kilometer van het plangebied. Ook in de Ooudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving komen stikstofgevoelige habitats voor, maar hier is de kritische depositiewaarde niet overschreden. De ammoniakemissie vanuit de verschillende stallen, alsook de stikstofdepositie op de omliggende natuurgebieden is in beeld gebracht in het kader van de aanvraag Nbw-vergunning. Voor het aantal dieren van de voorgenomen activiteit is op 4 maart 2016 (verbeterde versie van 10 mei 2016) door Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân een vergunning in de zin van artikel 19d van de Nbw verleend.

In dat verband is reeds een passende beoordeling uitgevoerd, waaruit blijkt dat de daarbij aangevraagde situatie geen significant negatieve effecten heeft voor beschermde habitats en soorten. Echter, in de aangevraagde situatie wordt nog een extra luchtwasser (achter stal 2) en een extra stalsysteem op hokniveau geplaatst (in stal 10). Voor deze extra

37/359

aanpassingen is een verklaring van geen bedenkingen aangevraagd. De gevraagde vvgb is als ontwerp door de provincie op 6 november 2018 afgegeven. Na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 maart 2021 inzake het eerder genomen besluit op het onderliggende bestemmingsplan, is (april 2021) een hernieuwde AERIUS-berekening aangeleverd (met de nieuwste AERIUS-versie). Ook hierin komt naar voren dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de reeds verleende en onherroepelijke Wnb-vergunning uit 2016. Op basis hiervan is er sprake van intern salderen en is geen vvgb danwel Wnb-vergunning meer nodig voor de wijziging ten opzichte van de verkregen Wnb-vergunning uit 2016. Met de recente AERIUS-berekening is aangetoond dat de stikstofdepositie ter plaatse van het dichtsbijzijnde stikstofgevoelige natuurgebied (Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving), afneemt. Deze berekening is opgenomen in Bijlage 8. Door alle te treffen maatregelen neemt de ammoniakemissie ten opzichte van de vergunde situatie op basis van de Nbw-vergunning van 4 maart 2016 (verbeterde versie van 10 mei 2016) nog verder af van 3.733 kilogram naar 3.464 kilogram ammoniak. De regels van dit bestemmingsplan legt de vergunde stikstofdepositie als maximum vast. Het plan heeft zodoende een positieve uitwerking op de natuurwaarden in de omgeving.

Het bestemmingsplan is dan ook uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming Het voornemen bestaat uit de realisatie van twee nieuwe varkensstallen, een opslagloods en twee mestsilo's op de onderzoekslocatie te realiseren. Deze worden in het weiland ten westen van het erf gesitueerd. Ten behoeve van dit voornemen zal de tussengelegen sloot deels worden gedempt. Tevens wordt een rij knotwilgen gekapt. Ter plaatse van de noordelijke ruigte komt een toegangsweg. Als gevolg van de ontwikkelingen vinden binnen het plangebied diverse ingrepen plaats in beplantingsstroken en in watergangen. Om inzicht te krijgen in de potentieel aanwezige (verblijfplaatsen van) beschermde soorten in het plangebied, is een quick scan flora en fauna uitgevoerd. De bijbehorende rapportage is opgenomen in Bijlage 7. Het betreft een actualisatie van een in 2014 uitgevoerd onderzoek. Gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling is het plan uitvoerbaar voor wat betreft soortenbescherming. Gelet op de looptijd van dit bestemmingsplan en de datum van de uitvoering van de actualisatie van de quick scan flora en fauna, wordt er aan de te verlenen omgevingsvergunning voor dit project (coordinatieregeling) een dwingende voorwaarde verbonden om voorafgaand aan de werkzaamheden een actualisatie van de quick scan flora en fauna uit te voeren.

Hiermee wordt, rekening houdend met het tijdsverloop van dit bestemmingsplan en de waarschijnlijke beroepsprocedure, recht gedaan aan de bescherming van de soorten door een feitelijke opname te maken op het moment dat de werkzaamheden ook daadwerkelijk gaan beginnen. Ten aanzien van potentieel aanwezige amfibieën en vissen in een te dempen watergang worden enkele aanbevelingen gedaan teneinde te voldoende aan de zorgplicht. Dit houdt in de praktijk in dat het doden van individuen redelijkerwijs vermeden dient te worden door de dieren de mogelijkheid te bieden om te kunnen ontsnappen. Dit kan door bij het dempen van de sloot in één richting te werken en zich te houden aan de gedragscode van de Unie van Waterschappen. Het dempen in noordelijke richting heeft de voorkeur, in de richting van open water. De werkzaamheden worden niet uitgevoerd tijdens de voortplantingsperiode en niet

38/359

tijdens de winterperiode. Verder mogen broedende vogels niet worden verstoord. Bij de uitvoering van de plannen wordt rekening gehouden met de aanbevelingen. Ten aanzien van soortenbescherming zijn er geen overtredingen van de Wet natuurbescherming te verwachten. Ontheffingsaanvragen zijn daarmee overbodig. Wel dient er ten allen tijde rekening gehouden te worden met de zorgplicht. Kwetsbare gebieden Wet ammoniak en veehouderij De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen. Deze wet beschermt onder andere zeer kwetsbare gebieden tegen de uitstoot van ammoniak van veehouderijen. Deze geldt voor vergunningplichtige bedrijven (die een omgevingsvergunning milieu nodig hebben). Op grond van artikel 2 van de Wav wijst de provincie de gebieden aan die als zeer kwetsbaar gebied worden aangemerkt. Het betreft alleen de voor verzuring gevoelige gebieden, of delen daarvan, die zijn gelegen in de ecologische hoofdstructuur. De locatie is niet gelegen in een 250 meter zone rondom een zeer kwetsbaar gebied in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). Het dichtstbijzijnde zeer kwetsbare Wav-gebied is gelegen op meer dan 20 km.

4.8

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In voornoemde Besluiten is een verantwoordingsplicht bij een toename van het groepsrisico opgenomen. Het plaatsgebonden risico (PR) is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het groepsrisico is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Voor het groepsrisico is een oriënterende waarde bepaald. Dit betreft geen harde norm, maar vormt een onderdeel bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het risico. In algemene zin geldt dat wanneer het groepsrisico onder de oriënterende waarde blijft, er sprake is van een acceptabel risiconiveau. Risico's zijn inzichtelijk gemaakt op een risicokaart die per provincie wordt bijgehouden. Uit de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn.

Het plangebied ligt ook niet binnen het invloedsgebied van risicobronnen die op grotere afstand liggen. De uitvoering van dit bestemmingsplan leidt niet relevante externe risico's. Vanuit dit aspect bestaan geen belemmeringen voor de plannen.

39/359

4.9

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze normen zijn bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, tegen te gaan. Als maatgevend voor de luchtkwaliteit worden de gehalten fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) gehanteerd. In Friesland zijn geen knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit. Op basis van de Grootschalige Concentratieen Depositiekaarten blijkt dat er in Hemelum en omgeving sprake is van een zeer goede luchtkwaliteit. Het voorgenomen plan is niet opgenomen in de NSL. Eveneens is er in beginsel geen sprake van een project zoals genoemd in de Regeling niet in betekenende mate (Regeling NIBM). Derhalve dient het plan te worden getoetst aan de grenswaarden uit bijlage 2 van de Wm. Bij de beoordeling van een voornemen met betrekking tot een veehouderij gaat het om de emissie van fijn stof. Door veehouderijen wordt fijn stof in de vorm van PM10 uitgestoten. De grenswaarden voor fijn stof in de vorm van PM10 zijn als volgt vastgelegd in bijlage 2 van de Wm: jaargemiddelde concentratie: 40 µg per kuub; daggemiddelde concentratie: 50 µg per kuub; aantal toegestane overschrijdingen van daggemiddelde: maximaal 35 keer. In mei 2010 is de 'Handreiking fijn stof voor veehouderijen' door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu gepubliceerd.

Deze handreiking is opgesteld door InfoMil in samenwerking het Ministerie van I&M en gaat in op de regelgeving over luchtkwaliteit, waarbij ook wordt ingegaan op de Regeling NIBM. In de handreiking wordt beschreven hoe om te gaan met de beoordeling van emissie van fijn stof vanuit veehouderijen in het geval sprake is van een beperkte toename of een afname van de emissie. Hieronder is een tekstfragment uit paragraaf 2.2 van de handreiking overgenomen, waar specifiek ingegaan wordt op luchtkwaliteit bij veehouderijen: Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Er zijn genoeg projecten die namelijk overduidelijk NIBM zijn en waar een berekening niets toevoegt aan de conclusie. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee aangetoond kan worden dat een uitbreiding/oprichting NIBM is. Deze staan in de onderstaande tabel, die gebaseerd is op de 3% NIBM grens, dus van na de inwerking treding van het NSL. In de tabel kan bij de betreffende afstand de hoeveelheid emissie worden afgelezen waarmee een veehouderij nog kan uitbreiden om niet in betekende mate bij te dragen.

Met behulp van de emissiefactorenlijst op www.vrom.nl kan uitgerekend worden of de totale toename in emissie onder de NIBM grens blijft. Dit doet u door de hoeveelheid nieuwe dieren te vermenigvuldigen met de emissiefactor en deze te vergelijken met de waarden uit de tabel. De getallen in de tabel zijn worst-case genomen inclusief een veiligheidsmarge. Indien bij een bepaalde afstand niet méér wordt geëmitteerd dan is opgenomen in de tabel dan is de oprichting/uitbreiding zeker NIBM. Wanneer de toename in emissie in grammen hoger is dan in de tabel opgenomen is het project mogelijk IBM. Er zal een berekening met ISL3a uitgevoerd moeten worden om aan te tonen dat geen grenswaarden worden overschreden ofwel de uitbreiding bij precieze berekening toch NIBM blijkt te zijn.

40/359

Uit bovenstaand tekstfragment volgt dat de totale toename in fijn stof emissie moet worden berekend door het aantal nieuwe dieren te vermenigvuldigen met de vastgestelde fijn stof emissiefactor. De voorgenomen situatie betreft een afname van de emissie van fijn stof (zie figuur 4.5).

Figuur 4.5

Afname emissie fijn stof

Uit bovenstaande tabel kan worden vastgesteld dat de emissie van fijn stof afneemt. Derhalve kan het als 'niet in betekenende mate' ofwel NIBM worden beschouwd. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan. Dit aspect heeft geen gevolgen voor het bestemmingsplan.

4.10 Kabels, leidingen en zoneringen Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. In het plangebied lopen geen hoofdleidingen of -kabels. Verder is geen sprake van zones of stroken die in dit bestemmingsplan geregeld moeten worden.

4.11 Gezondheid Effecten op de volksgezondheid betreffen niet alleen dierziekten en zoönosen, maar ook geurhinder en fijn stofbelasting. In de voorgaande paragrafen is ingegaan op ammoniak, geur en fijn stof. Daaruit volgt dat de voorgenomen uitbreiding leidt tot een substantiële vermindering van de ammoniak-, geur- en fijn stofemissie. Verder is onder meer gebleken dat het bedrijf in een dun bevolkt buitengebied ligt. Tevens is daaruit gebleken dat de afstand van het bedrijf tot omliggende bebouwing dusdanig is, dat wordt voldaan aan de geldende normen en dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. Momenteel zijn er geen wettelijke afstandsvereisten of normeringen vastgesteld door de overheid, omdat de onderzoeksresultaten hiervoor nog geen aanleiding geven. Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet milieubeheer bevat hoogstens een aanvullend toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor volksgezondheid zijn geregeld. Wel zijn verschillende (lopende) onderzoeken naar de effecten van veehouderij op de volksgezondheid, zoönosen en de maatregelen op bedrijfsniveau ter voorkoming van insleep en verspreiding van dierziekten, waaronder een milieugezondheidskundige beoordeling door GGD Fryslân. Deze zijn beschreven in de rubriek in

41/359

Bijlage 9. Op het onderhavige bedrijf wordt een hoge gezondheidsstatus nagestreefd en worden strenge hygiënemaatregelen toegepast door: geen aanvoer van dieren; bedrijfsbezoekers mogen alleen het bedrijf betreden als zij gedoucht hebben; bedrijfsbezoekers mogen de 72 uur voorafgaand aan het bedrijfsbezoek niet op andere bedrijven zijn geweest; eigen bedrijfsbehandelplan voor diergezondheidszorg. In de voorgaande paragrafen is onder andere ingegaan op geur, geluid en fijn stof. Daaruit volgt dat de emissies van fijn stof als de geurbelasting substantieel afnemen. Mede gezien de daarin al geconstateerde afstand van de inrichting tot omliggende gevoelige objecten, de lage veedichtheid in de omgeving, de hoge gezondheidsstatus op het bedrijf en het gegeven dat de uitbreiding niet aan de kant van Hemelum plaatsvindt, zijn negatieve gevolgen voor de volksgezondheid vanwege dit plan niet aannemelijk. Ook de uitkomsten van de meest actuele onderzoeken naar de gezondheidsrisico’s rond veehouderijen leiden niet tot andere inzichten, temeer omdat het totaalbeeld niet eenduidig is.

4.12 Mer-beoordeling Bij het doorlopen van een bestemmingsplanprocedure dient rekening te worden gehouden met mogelijke verplichtingen op grond van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Daarin is vastgelegd wanneer een milieueffectrapport (MER) of een mer-beoordelingsnotitie moet worden opgesteld. In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten direct mer-plichtig (bijlage C) of mer-beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. In bijlage C is de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens opgenomen. Als drempelwaarde voor een mer-plicht geldt een aantal van 3.000 mestvarkens of 900 zeugen. In bijlage D worden drempelwaarden voor een mer-beoordeling genoemd. Het gaat om 2.000 mestvarkens, 750 stuks zeugen en 3.750 gespeende biggen. De voorgenomen uitbreiding omvat een nieuwvestiging en interne uitbreiding voor 498 zeugen, 1.352 vleesvarkens, 4 beren en 1.624 gespeende biggen. Het plan blijft daarmee onder de drempelwaarden uit bijlage C en D. Dit bestemmingsplan maakt niet meer mogelijk dan het aantal dieren dat al op grond van de (oude) Natuurbeschermingswet is vergund. Het plan is daarmee niet rechtstreeks planmer-, projectmer of mer-beoordelingsplichtig. In het Besluit m.e.r.

is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan – ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft – mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een 'vormvrije' mer-beoordeling.

42/359

Om na te gaan of de voorgenomen activiteit mogelijk is zonder aanzienlijke milieugevolgen, heeft de aanvrager een aanmeldnotitie voor de vormvrije beoordeling van de noodzaak tot het opstellen van een milieueffectrapport ingediend bij de gemeente. In de beoordeling wordt uitgegaan van een wijziging van de inrichting met 602 zeugen, 1.800 vleesvarkens. Dit heeft te maken met het feit dat bij de toetsing aan de drempel uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet alleen gekeken wordt naar de toename van dieren binnen de installatie, maar ook naar de wijziging binnen de installatie. Met het plan wordt ook de opzet van bestaande stallen veranderd en deze reeds aanwezige aantallen tellen eveneens mee. Op 28 april 2015 heeft de gemeente Súdwest-Fryslân hierover het volgende besluit genomen. Dit is opgenomen in Bijlage 10. Besloten is dat met betrekking tot het voornemen om een varkenshouderij te wijzigen en uit te breiden met dierplaatsen voor 1800 vleesvarkens, 1624 gespeende biggen en 602 zeugen, ter plaatse van De Soal 4 te Hemelum geen milieu-effectrapportage hoeft te worden gemaakt. De bijbehorende milieugebruiksruimte wordt in dit bestemmingsplan vastgelegd. Ten opzichte van dit besluit worden nog 2 extra maatregelen genomen. Het betreft het plaatsen van een luchtwasser achter stal 2 en het emissiearm uitvoeren op hokniveau van stal 10.

De aantallen dieren blijven ongewijzigd ten opzichte van de dieren in het hierboven genomen besluit. Deze aanpassingen hebben derhalve geen nadelige gevolgen voor het milieu zoals beoordeeld in het besluit van 28 april 2015. Integendeel, de emissie van ammoniak, geur en fijn stof wordt nog verder verlaagd ten opzichte van dit besluit. De conclusie van de gemeente dat geen milieueffectrapportage noodzakelijk is, verandert door deze aanpassing dus ook niet. Ergo de aanpassing vormt juist een extra onderbouwing van deze conclusie. Het besluit op 28 april 2015 is nog steeds aan de orde ondanks het verloop van tijd. De beoordeling heeft plaatsgevonden op hetgeen is aangevraagd.

43/359

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische vormgeving

Algemeen

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het voldoet aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

5.2

Toelichting op de bestemmingen

De regels van dit bestemmingsplan zijn qua systematiek afgestemd op de regeling van het bestemmingsplan Buitengebied Sûdwest-Fryslân. Agrarisch Gebruiksmogelijkheden Het bedrijf is geregeld in de bestemming 'Agrarisch'. De basis voor het bouwvlak en de verschillende aanduidingen is het inrichtingsvoorstel, zoals weergegeven en beschreven in paragraaf 2.3. Het bouwperceel, waarbinnen de bebouwing, verhardingen en voorzieningen ten behoeve van het bedrijf mogelijk zijn heeft een oppervlakte van 2 hectare. Hierop geldt de aanduiding 'intensieve veehouderij', waarmee de mogelijkheden voor een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf zijn geduid. De mestverwerking/voerbereiding is voor 0,5 hectare aangeduid als 'specifieke vorm van agrarisch - mestverwerking en voerbereiding'. Binnen deze aanduiding mogen de gronden niet worden gebruikt voor het houden van dieren c.q. de huisvesting van varkens. Op deze manier is gewaarborgd dat de intensieve veehouderij niet groter wordt dan 1,5 hectare en de mestverwerking/voerbereiding niet groter dan 0,5 hectare. Verder is gewaarborgd dat het bedrijf ten opzichte van de te vergunnen situatie geen toename van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Hiertoe is de ontwerp-verklaring van geen bedenkingen opgenomen in Bijlage 3 bij de regels.

Bouwmogelijkheden De bouwmogelijkheden zijn overgenomen uit het nieuwe bestemmingsplan voor het buitengebied. Binnen het bouwvlak kunnen gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van de varkenshouderij worden gebouwd. Buiten het bouwvlak is in beperkte mate ruimte voor andere bouwwerken. Waarborging landschappelijke inpassing De landschappelijke inpassing in de vorm van een stevige beplantingsstrook met doorzichten naar het landschap langs de voor-, west- en achterzijde van het nieuwe bedrijfsperceel is een belangrijke voorwaarde voor zowel

44/359

gemeente als provincie om medewerking te verlenen aan het initiatief. In de specifieke gebruiksregels is geregeld dat het niet is toegestaan om de uitbreiding in gebruik te nemen, zonder de aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing. Groen De voorgestelde groenelementen rondom het bedrijfsperceel zijn onder de bestemming 'Groen' gebracht. Binnen deze bestemming staat het behoud van de afschermde beplanting voorop. Voor het verwijderen van opgaande beplanting is een vergunning nodig, waarvoor geldt dat dit geen afbreuk mag doen aan de landschappelijke inpassing van het bedrijfsperceel. Waarde - Archeologie 2 De bescherming van de archeologische verwachtingswaarde is opgenomen in de bestemming 'Waarde Archeologie 2'. Deze bestemming is van toepassing op het bestaande bedrijfsperceel, dat buiten het onderzoeksgebied van het in paragraaf 4.5 beschreven archeologisch onderzoek valt. Voor bouwaanvragen en andere ingrepen met een oppervlakte groter dan de oppervlakte die in de desbetreffende advieszone van de gemeentelijke FAMKE wordt aangegeven en dieper dan 40 cm is archeologisch onderzoek nodig.

45/359

Hoofdstuk 6

46/359

Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inspraak Omdat de gemeente de belanghebbenden wil betrekken bij de planvorming, zijn omwonenden op de hoogte gebracht van de plannen. In het kader van een eerder opgestarte procedure hebben belanghebbenden ook reeds een zienswijze op de plannen kenbaar kunnen maken. Deze zienswijzen zijn meegewogen in de planvorming van dit bestemmingsplan en bij de besluitvorming door de gemeenteraad. Gelet op het al uitvoerige voortraject is besloten de inspraakronde in dit geval over te slaan en direct een ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. Vooroverleg Over het voorontwerp van dit bestemmingsplan heeft het vooroverleg plaatsgevonden met de betrokken overlegpartners. Van provincie Fryslân is een schriftelijke reactie ontvangen. De ingekomen overlegreactie is opgenomen in Bijlage 11. Wetterskip Fryslân heeft per mail gereageerd. Provincie Fryslân De provincie geeft aan dat de provinciale belangen geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen. De provincie kan instemmen met de ontwikkeling in deze opzet en omvang, omdat deze past binnen het provinciaal beleid en artikel 6.1.3 van de Verordening Romte. Voor het overige geeft het plan de provincie aanleiding tot het maken van enkele opmerkingen: Bouwregels In de bouwregels van het bestemmingsplan is opgenomen dat alleen bouwwerken gebouwd mogen worden binnen een bouwvlak met de aanduiding 'intensieve veehouderij'.

Hiermee wordt de bouw van de bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - verwerking mest en agrarisch product' onbedoeld uitgesloten. De provincie beveelt aan om dit aan te passen. Reactie: De opmerking van de provincie is terecht. De gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch verwerking mest en agrarisch product' zal tevens de aanduiding 'intensieve veehouderij' krijgen, aangezien dit deel van de bedrijfsvoering een onderdeel is van de intensieve veehouderij. Het gebruik van deze gronden ten behoeve van het houden van dieren blijft wel uitgesloten. Verwerking eigen agrarisch product In het vlak functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - verwerking van mest en agrarisch product' zijn uitsluitend mestverwerking en verwerking of bewerking van eigen agrarische producten toegestaan. Het is niet duidelijk of in de bedrijfsvoering inderdaad sprake is van verwerking of bewerking van eigen agrarische producten, of dat het de bedoeling is om niet eigen, van elders aangevoerde producten te bewerken en verwerken tot veevoer. In dat laatste geval is de bestemmingsregeling niet helemaal correct.

47/359

Reactie: De bedrijfseigen mest wordt ter plaatse van de bedoelde aanduiding verwerkt, dan wel bewerkt door deze ter plaatse te scheiden in een natte en een droge fractie. Daarnaast wordt in hetzelfde gebouw een ruimte aangewend om het brijvoer te vervaardigen, dat uit verschillende grondstoffen bestaat die afzonderlijk worden aangevoerd. Dit is een nevenactiviteit die naar aard vergelijkbaar is met de andere onder lid 6.2.1, lid 1 van de Verordening Romte genoemde bedrijfsactiviteiten. De regeling is naar aanleiding hiervan aangepast. Opmerkingen plantoelichting Tot slot heeft de provincie nog enkele opmerking over de onderdelen mer-beoordeling, provinciaal beleid en oppervlakte van het bouwvlak in de toelichting van het voorontwerpbestemmingsplan. Reactie: Deze opmerkingen zijn verwerkt in de plantoelichting van het ontwerpbestemmingsplan. Dat in de Mer-beoordeling wordt uitgegaan van andere aantallen, heeft te maken met het feit dat bij de toetsing aan de drempel uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet alleen gekeken wordt naar de toename van dieren binnen de installatie, maar ook naar de wijziging binnen de installatie. Met het plan wordt ook de opzet van bestaande stallen veranderd en deze reeds aanwezige aantallen tellen eveneens mee. De toename die de provincie signaleert t.a.v.

de Nbw-vergunning is het verschil tussen de huidige vergunde situatie en de aangevraagde situatie. Dit is dus exclusief de interne wijzigingen binnen de Hemelumer Hoeve. Wetterskip Fryslân Het waterschap laat weten dat de compensatie voor de toename van verhard oppervlak kan worden gecompenseerd in de aangegeven retentievijver. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden: Er moet altijd water in staan, dus deze moet voldoende diepte hebben; De regenwaterafvoer via deze vijver laten lopen, waar het dan ook wordt vastgehouden; Overloop op de poldersloot; De compensatie voor demping van de watergang moet weer als open water terugkomen (520 m2). Bij de realisatie voor de retentievijver worden deze voorwaarden als uitgangspunt gehanteerd. De Keur van het waterschap waarborgt dat de vijver op een juiste wijze wordt vormgegeven. Conclusie Vanuit het vooroverleg bestaan geen belemmeringen om het ontwerpbestemmingsplan verder in procedure te brengen. Zienswijzen Het bestemmingsplan doorloopt verder de in de Wro opgenomen bestemmingsplanprocedure. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de coördinatieregeling (artikel 3.30 Wro). Dit betekent dat de procedure van de omgevingsvergunning voor de eerste fase (zie paragraaf 3.2) wordt 'samengevoegd' met die van het bestemmingsplan. Op 8 maart 2018 heeft de gemeenteraad ingestemd met het toepassen van de coördinatieregeling.

Het ontwerpbestemmingsplan en de ontwerp-omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten worden gelijktijdig gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij voor eenieder de mogelijkheid bestaat voor het indienen van zienswijzen (artikel 3.8 Wro).

48/359

Eventueel ingekomen zienswijzen worden al dan niet verwerkt in het bestemmingsplan. De indieners van de zienswijzen worden hiervan op de hoogte gesteld. Vaststelling Na de ter inzagelegging besluit de gemeenteraad over de vaststelling van het bestemmingsplan. Uiteindelijk is tegen het bestemmingsplan en de gelijktijdig verleende omgevingsvergunning beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (één beroepsgang).

6.2

Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van een plan wordt in eerste instantie bepaald door de financiële haalbaarheid ervan. Daarnaast is de grondexploitatieregeling uit de Wro van belang voor de economische uitvoerbaarheid. Deze regeling bepaalt dat de gemeente de door haar gemaakte kosten kan verhalen. Het kostenverhaal heeft dus ook invloed op de haalbaarheid van het plan. Financiële haalbaarheid De ontwikkeling is een particulier initiatief. De gemeente heeft hiermee geen directe financiële bemoeienis. De investeringen zijn nodig om het bedrijf ontwikkelingsmogelijkheden te bieden. De kosten en baten van deze investering zijn in beeld gebracht, de initiatiefnemer heeft daarmee aannemelijk gemaakt dat het plan financieel haalbaar is. Grondexploitatie De grondexploitatieregeling uit de Wro is van toepassing op dit bestemmingsplan, omdat het bouwplannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro mogelijk maakt. De grondexploitatieregeling bepaalt dat de gemeente in beginsel samen met dit bestemmingsplan een exploitatieplan moet vaststellen. Hiervan kan worden afgezien als de kosten 'anderszins verzekerd' zijn, bijvoorbeeld door overeenkomsten. Daarbij moet het stellen van eisen en een fasering niet noodzakelijk zijn. Met de initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst gesloten.

Hierin worden naast het kostenverhaal (waaronder planschade) ook afspraken met betrekking tot de opwaardering van het terrein vastgelegd. Anders dan is opgenomen in de uitgangspuntennotitie biedt het bestemmingsplan in beperkte mate mogelijkheden voor de opslag van bouwmaterialen. De gemeenteraad besluit dan ook bij de vaststelling van dit bestemmingsplan geen exploitatieplan vast te stellen. De gemeente maakt voor deze ontwikkeling uitsluitend kosten in het kader van de bestemmingsplanprocedure. De kosten voor de procedure worden verhaald via leges.

49/359

50/359

Bijlagen bij de toelichting

51/359

52/359

Bijlage 1

53/359

Advies Nije Pleats

Bijlage 2

61/359

Landschappelijke inpassing retentievijver

Landschappehj ke inpas sing retentievijver, De Soal 4 te Hemelum Opdrachtgever: J. Lorist

April 2015

Buro Greet Bierema Vriesburgerweg 20 847 5 EK Nijeholtpade greetbierema@f l anet. nl 0s61-688920

In het advies van de Nije Pleats van juni 2010 wordt de open ruimte voor de nieuwe stallen van belang genoemd, om zo de erven aan weerszijden van De Soal los van elkaar te houden. Er wordt gesteld dat de ruimte grasland/weiland moet blijven, als middel om het gebied open te houden. Er is een bedrijfserf en een woonerf, welke van elkaar zotdenmoeten verschillen. Dat kan door middel van beplanting. Het nieuwe deel van bedrijfserf moet een stuk naar achteren geplaatst worden. Er is een ruime retentievijver noodzakelijk bij de verdere ontwikkeling van het bedrijf. Deze past in de ruimte, benoemd als weiland. De vijver moet ten minste 50 bij 35 meter beslaan. Ook water houdt een gebied open. In het voorliggende plan krijgt de karakteristieke stelpboerderij meer zljttin, zodat de boerderij niet meer vlak tegen een sloot aan staat. De sloot wordt niet gedeeltelijk maar in zrln geheel gedempt. Het woonerf krijgt zo veel meer allure. Niet alleen het bedrijfserf wordt groter, ook het woonerf. Er is voldoende ruimte aanwezig om de gedempte sloot en toename verhard oppervlak te compenseren in de vijver. Aan de bestaande beukenhagen wordt een nieuwe beukenhaag toegevoegd. En aan de bestaande bomen wordt een lindeboom toegevoegd. De vijver ligt tegen de openbare weg met het fietspad aan.

Van de vier zijden zijn de taluds aan twee zrlden zo steil als gebruikelijk bij de sloten in de omgeving. De twee overige zijn flauwer. Van de vier bochten zijn er drie zo goed als haaks en één is een bocht. Deze bocht ligt in het doorzicht. In de huidigei situatie is de ruimte voor het parkeren uuln de weg krap. Parkeren voor personeel en familie kan geheel worden opgelost achter de nieuwe houtsingel. Dan blijft de huidige parkeerplaats bij de ingang van het bedrijf alleen voor incidenteel bezoek in stand. ln het Nije Pleats advies was niet voorzien in een parkeerplaats voor personeel en familie. De nieuwe beplanting is in principe zoals aangegeven in de schets van de Nije Pleats. In de nieuwe houtsingel van vijf meter breedte staan nagenoeg dezelfde soorten als in de reeds bestaande, behalve nu geen essen als boom. Er komen Noorse esdoorn, els,hazelaar, veldesdoorn, meidoorn en vlier.

hor,,-*si,^1.( bc 5l aaw À

q

p:

ootl*e-ten-

' ficzne\

irci dcntcel b cwLe".Lra c1

t t I I

71

I

{É. I

*u t^

fr

uït

. be tt*aldz Qto Lt*Q,u

beslaa,^C

?CríOr\ Co ealr t frl

*o-Lud

fa-r.,ei {ia

deze verbinding moet nog aangelegd worden op advies van de brandweer Door de aanplant van deze singel kan de sloot nog maar van een zijde schoon gemaakt worden

hou.tsiwlel f wètr-r lrl4t Esdrorn, Ë lr, , hqal a-c'(, vPldQ§do,o1n g Lt c-t

tt^.1-i d-oa r"'

PA.

breea

l+-*# I a §wetev

De ,5 o a" í 4 ton^el uttn

Bijlage 3

65/359

Beoordeling geurhinder

BEOORDELING GEURHINDER FARMCONSULT, JUNI 2018 De beoordeling van geur vindt plaats aan de hand van de Wet geurhinder en veehouderij en het criterium van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het beoordelingsskader voor geurhinder in het kader van de vergunningverlening aan veehouderijen. Bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu voor het oprichten of veranderen van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de geurhinder, door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9 van de Wgv. De geuremissie uit de dierenverblijven wordt berekend op basis van vastgestelde geuremissiefactoren per diercategorie die zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderijen. Voor de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu is de geurbelasting van gevoelige objecten in de omgeving berekend met het verspreidingsmodel VStacks Vergunning. De wet geeft maximale waarden voor de geurbelasting die de veehouderij op een gevoelig object mag veroorzaken. In artikel 3 van de Wgv wordt aangegeven wat de maximale geurbelasting in odour units per kubieke meter lucht mag bedragen op de geurgevoelige objecten in de omgeving.

Voor wat betreft de geurbelasting gelden de volgende normen, rekening houdend met het feit dat de planlocatie binnen een niet-concentratiegebied ligt:  voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom geldt een maximale geurbelasting van 2,0 odour units per kubieke meter lucht;  voor de geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom geldt een maximale geurbelasting van 8,0 odour units per kubieke meter lucht;  in afwijking van het voorgaande geldt in het geval van een geurgevoelig object bij een (voormalige) veehouderij in het buitengebied een minimumafstand van 50 meter tot het emissiepunt. V-Stacks berekening geurbelasting op geurgevoelige objecten in Hemelum

Uit de berekening die met V-Stacksvergunningen gemaakt is voor de geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom van Hemulum, blijkt dat de geurbelasting niet op alle gevoelige objecten onder de waarde van 2,0 odour units per kubieke meter lucht blijft. Echter, door het treffen van diverse maatregelen neemt de geurbelasting af. Daardoor kan op basis van de Wgv de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu verleend worden. Hierbij wordt onder andere de 50/50-regeling uit artikel 3 lid 4 Wgv toegepast. Deze regeling komt er kort gezegd op neer, dat een veehouder maximaal de helft van de gerealiseerde vermindering van de geurbelasting door de toepassing van geurbelastingreducerende maatregelen, mag gebruiken voor de uitbreiding van het veebestand. Een uitgebreide uitleg van de toepassing van de 50/50-regeling op Lorist is opgenomen in de bijlage bij dit document. De berekeningen die met V-Stacks zijn gemaakt, worden hieronder weergegeven. In de eerste berekening in onderstaande tabel wordt in beeld gebracht hoe hoog de geurbelasting is op basis van de vigerend situatie.

Tabel 1: Geurbelasting vergund

Volgnummer 8 9 10 11 12

GGLID

Xcoordinaat

Ycoordinaat

Buorren 1 Buorren 7 Hegewei 2 De Klaster 1 De klaster 3

159 582 159 575 159 648 159 677 159 693

543 773 543 786 543 734 543 680 543 645

Geurnorm

Geurbelasting

2,0 2,0 2,0 2,0 2,0

3,7 3,9 3,0 3,0 3,0

In de tweede berekening wordt de geurbelasting weergegeven voor dezelfde vergunde dieraantallen. Daarbij wordt ook de nieuwbouw van gebouw 9 en 10 meegenomen - maar nog niet de bijbehorende uitbreiding van het aantal dieren - en de maatregelen die worden genomen om de geurbelasting te verlagen. Tabel 2: Geurbelasting maatregelen

Tabel 3: Geurbelasting aangevraagde situatie

Volgnummer 10 11 12 13 14

GGLID Buorren 1 Buorren 7 Hegewei 2 De Klaster 1 De klaster 3

Xcoordinaat 159 582 159 575 159 648 159 677 159 693

Ycoordinaat 543 773 543 786 543 734 543 680 543 645

Geurnorm 2,0 2,0 2,0 2,0 2,0

Geurbelasting 2,3 2,3 1,8 1,8 1,8

In de derde berekening wordt de gevraagde geurbelasting weergegeven, dus nu inclusief de beoogde uitbreiding van het aantal dieren (zie kolom ‘Geurbelasting’). Volgnummer 10 11 12 13 14

GGLID

Xcoordinaat

Ycoordinaat

Buorren 1 Buorren 7 Hegewei 2 De Klaster 1 De klaster 3

159 582 159 575 159 648 159 677 159 693

543 773 543 786 543 734 543 680 543 645

Max aan te Geurbelasting vragen * 3,0 2,7 3,1 2,7 2,4 2,1 2,4 2,2 2,4 2,1

_ * = bepaald op basis van de 50/50 regeling

Volgens de 50/50-regeling uit de Wgv is het dus toegestaan om de helft van de geurwinst die behaald wordt door het treffen van maatregelen, te gebruiken voor uitbreiding. Wanneer we dit gegeven inbrengen in de voorgaande drie berekeningen, ontstaat het volgende beeld omtrent de geurbelasting die maximaal aangevraag kan worden voor de voorgenomen uitbreiding. Tabel 4: Maximale geurbelasting voorgenomen situatie

Ter toelichting op tabel 4:  in de kolom ‘geur vergund’ staat de geurbelasting vermeld die nu is vergund (zie ook tabel 1);  in de kolom ‘geur maatregel’ wordt de geurbelasting weergegeven die ontstaat door het treffen van de voorgenomen maatregelen op het bedrijf, maar zonder de noodzakelijke uitbreiding van het aantal dieren (zie ook tabel 2);

Afstand geurgevoelige objecten andere (voormalige) veehouderijen

in de kolom ‘max aan te vragen’ wordt weergegeven wat de maximale geurbelasting is op grond van de 50/50-regeling uit de Wgv dat de helft van de geurwinst (het verschil tussen ‘geur vergund’ en ‘geur maatregel’) gebruikt mag worden voor de uitbreiding. Dit levert dus in feite de voor dit voornemen geldende maximale geurbelasting op; tot slot wordt in de kolom ‘geur aanvraag’ de nieuwe aanvraag in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu vermeld. In deze kolom staat de geurbelasting aangegeven die de aanvraag met zich meebrengt. Deze is op alle punten gelijk of lager dan de wettelijk maximaal aan te vragen geurbelasting volgens de kolom ‘max aan te vragen’.

In de omgeving van de planlocatie bevinden zich eveneens een aantal geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een (voormalige) veehouderij. Zoals hiervoor is aangegeven, geldt daarvoor ingevolge de Wgv een minimumafstandseis van 50 meter tot het emissiepunt. De afstand tussen de voorzijde van dit plan en het dichtstbijgelegen geurgevoelig object, zijnde een veehouderij, bedraagt ca. 145 meter Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de afstandseis uit de Wgv. Tussenconclusie: de aangevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit milieu kan verleend worden op basis van de Wgv. Het bestemmingsplan is op dit punt derhalve uitvoerbaar.

Aanvaardbaar woon- en leefklimaat

Ten aanzien van de beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geldt dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom vanwege de inrichting in de nieuwe situatie vermindert. Door de plaatsing van de luchtwassers op de stallen is er sprake van een substantiële verlaging van de geurbelasting op deze geurgevoelige objecten van circa 30%. De Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij1 legt een relatie tussen geurbelasting en geurhinder. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) accepteert dat deze handreiking gebruikt wordt bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat. Als we aan de hand van deze handreiking beoordelen of bij de maximaal berekende geurbelasting op de geurgevoelige objecten in Hemelum van 2,7 odour units per kubieke meter lucht sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, komen we uit op:  een percentage geurgehinderden in een niet-concentratiegebied van 14%;  een bijbehorende milieukwaliteit van ‘redelijk goed’. De VNG-brochure houdt voor bedrijven waar varkens gehouden worden voor geur een richtafstand aan van 200 meter. De geurgevoelige objecten in de bebouwde kom van Hemelum liggen op 360 meter van de inrichting.

Het dichtsbijzinde geurgevoelige object buiten de bebouwde kom van Hemelum bevindt zich met een afstand van 145 meter weliswaar binnen de deze richtafstand, maar maakt op basis van de Wgv onderdeel uit van een (voormalige) veehouderij. Daarvoor geldt zoals gezegd een minimumafstand van 50 meter. Op grond van jurisprudentie van de Afdeling moet in dat geval worden aangenomen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat 1

Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij (rapport van InfoMil, in samenwerking met het Ministerie van VROM, het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE) en de provincie Noord-Brabant van 6 maart 2007 en aangevuld op 1 en 23 mei), te raadplegen op www.infomil.nl.

aanwezig is.2 Dit geldt evenzeer voor het geurgevoelig object dat daar direct naast ligt en dat eveneens binnen de richtafstand van 200 meter ligt. Tussenconclusie: voor wat betreft de geursituatie van het plan kan gegarandeerd worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en wel om de volgende redenen:  op de eerste plaats neemt de geurbelasting op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom van de inrichting substantieel af door de investering in geurreducerende maatregelen;  op de tweede plaats is voor de geurgevoelige objecten in de bebouwde kom van Hemelum sprake van een redelijke goede milieukwaliteit en liggen zij verder van de inrichting dan de richtafstand van 200 meter;  tot besluit maken de dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten onderdeel uit van een (voormalige) veehouderij en bevinden deze zich op een grotere afstand dan de minimumafstand van 50 meter, waardoor op grond van de jurisprudentie van de Afdeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is. Conclusie: er zijn geen belemmeringen op het gebied van geur die aan de voorgenomen uitbreiding in de weg staan.

2

ABRvS 19 september 2012, LJN BX7725.

70/359

Bijlage 4

71/359

Akoestisch onderzoek

Akoestisch Onderzoek Hemelumer Hoeve BV Hemelum

2014-3043-2

17 oktober 2018

Laarseweg 24-1, 8171 PR Vaassen (T) 0578 - 76 90 60 • KvK 082 04 400 www.sainadvies.nl • info@sainadvies.nl

Colofon Titel

Akoestisch Onderzoek Hemelumer Hoeve BV Hemelum

Projectnummer

2014-3043-2

Onderzoeksadres

Hemelumer Hoeve BV De Soal 4 8584 VS Hemelum

Opdrachtgever

Hemelumer Hoeve BV De Soal 4 8584 VS Hemelum

Opgesteld door

Sain milieuadvies Laarseweg 24-1 8171 PR VAASSEN 0578 - 76 90 60

Plaats en datum

Vaassen, 17 oktober 2018

Sain milieuadvies print op papier dat is voorzien van het EU Ecolabel. Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem gebruikt worden voor het doel waarvoor het is vervaardigd en met inachtneming van de rechten die voortvloeien uit de wetgeving op het gebied van het intellectuele eigendom. De auteursrechten van dit document blijven berusten bij Sain milieuadvies.

kenmerk 2014-3043-2

Samenvatting voor niet-akoestici Een akoestisch onderzoek staat vol technische begrippen en termen. Daardoor is een akoestisch onderzoek voor niet-specialisten soms moeilijk leesbaar. In deze samenvatting wordt daarom vereenvoudigd weergegeven wat er is onderzocht en wat de resultaten zijn. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor het agrarisch bedrijf Hemelumer Hoeve BV. Het onderzoek gaat over de nieuwe, aangevraagde bedrijfssituatie. Ten opzichte van de bestaande situatie wordt het bedrijf uitgebreid met enkele nieuwe gebouwen. In het onderzoek zijn het gemiddelde geluidsniveau en het piekgeluidsniveau berekend op de woningen die in de omgeving van het bedrijf liggen. Verder is aandacht besteed aan de geluidsbelasting door het verkeer van en naar het bedrijf. Uitgangspunten In het onderzoek is rekening gehouden met alle relevante geluidsbronnen die tijdens een drukke dag kunnen voorkomen. Het gaat onder andere om de stalventilatie, het lossen van voer, het laden van vleesvarkens en het laden van dikke fractie (dit is een eindproduct van de mestverwerkingsinstallatie). De onderzochte situatie kan gezien worden als de akoestisch maximale situatie die kan optreden. Gemiddelde geluidsbelasting De geluidsnorm waaraan het gemiddelde geluidsniveau moet voldoen, is situatie-afhankelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10253203/1