Bijlage 10 Ontwerpbestemmingsplan De Soal 4, Hemelum
Tekst van het document
bestemmingsplan
Hemelum - De Soal 4 Súdwest Fryslân
DATUM IMRO IDN
02-06-2021 NL.IMRO.1900.2018BPDeSoal4-vast
PROJECT PROJECTLEIDER OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20171640
AUTEUR STATUS
vastgesteld
Inhoudsopgave
Toelichting
6
Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging plangebied
8
1.3
Planologische regeling
9
1.4
Leeswijzer
10
Beschrijving van het plan
11
2.1
Ruimtelijk-functionele structuur
11
2.2
Huidige situatie
11
2.3
Voorgenomen initiatief
12
2.4
Noodzaak tot uitbreiding
14
2.5
Ruimtelijke kwaliteit
16
2.6
Verkeer en parkeren
18
Hoofdstuk 3
Beleidskader
19
3.1
Rijksbeleid
19
3.2
Provinciaal beleid
20
3.3
Gemeentelijk beleid
25
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
28
4.1
Milieuzonering
28
4.2
Geluid (Wet geluidhinder)
30
4.3
Water
31
4.4
Bodem
32
4.5
Archeologie
34
4.6
Cultuurhistorie
35
4.7
Ecologie
36
4.8
Externe veiligheid
39
4.9
Luchtkwaliteit
40
4.10
Kabels, leidingen en zoneringen
41
4.11
Gezondheid
41
4.12
Mer-beoordeling
42
Juridische vormgeving
44
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 5
3/359
5.1
Algemeen
44
5.2
Toelichting op de bestemmingen
44
Uitvoerbaarheid
46
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
47
6.2
Economische uitvoerbaarheid
49
Hoofdstuk 6
Bijlagen bij de toelichting
51
Bijlage 1
Advies Nije Pleats
53
Bijlage 2
Landschappelijke inpassing retentievijver
61
Bijlage 3
Beoordeling geurhinder
65
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek
71
Bijlage 5
Wateradvies
123
Bijlage 6
Archeologisch onderzoek
129
Bijlage 7
Quickscan flora en fauna
169
Bijlage 8
Actuele AERIUS-berekening
201
Bijlage 9
Rubriek dier- en volksgezondheid
271
Bijlage 10
Besluit mer-beoordeling
279
Bijlage 11
Overlegreactie provincie
283
Regels Hoofdstuk 1
286 Inleidende regels
287
Artikel 1
Begrippen
287
Artikel 2
Wijze van meten
292
Bestemmingsregels
293
Artikel 3
Agrarisch
293
Artikel 4
Groen
298
Artikel 5
Waarde - Archeologie 2
300
Hoofdstuk 3
Algemene regels
303
Artikel 6
Anti-dubbeltelregel
303
Artikel 7
Algemene bouwregels
304
Artikel 8
Algemene gebruiksregels
305
Hoofdstuk 2
4/359
Artikel 9
Algemene afwijkingsregels
306
Artikel 10
Overige regels
307
Overgangs- en slotregels
308
Artikel 11
Overgangsrecht
308
Artikel 12
Slotregel
309
Hoofdstuk 4
Bijlagen bij de regels
311
Bijlage 1
Lijst van toelaatbare beroepen en vormen van bedrijvigheid bij woningen
313
Bijlage 2
Staat van bedrijven
315
Bijlage 3
Verklaring van geen bedenkingen
319
Bijlage 4
Landschappelijke inpassing
357
5/359
Toelichting
6/359
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
In het landelijk gebied ten westen van Hemelum ligt het bedrijfsperceel van de varkensfokkerij Hemelumer Hoeve B.V. Het bedrijf is verbonden aan TOPIGS, een Nederlandse coöperatie van topfokbedrijven in de varkenshouderij. De uitbreiding is noodzakelijk om kernfokbedrijf te kunnen blijven bij TOPIGS en om in te kunnen spelen op het succes van het Friberne Gaasterlands Kruidvarken, één van Nederlands meest succesvolle varkensvleesmerken. Verder is in 2020 is vergunning verleend voor het plaatsen van een luchtwasser, waardoor er aan de eisen uit het Besluit Emissiearme huisvesting wordt voldaan. Mede hierdoor wordt met de ontwikkelingen een afname van de milieuhinder bereikt. De plannen voor de uitbreiding zijn reeds in 2010 kenbaar gemaakt bij de voormalige gemeente Nijefurd die in april 2010 in een positief principebesluit heeft genomen. De gemeente wil onder de voorwaarde dat het bedrijfsperceel landschappelijk goed wordt ingepast medewerking verlenen aan de bedrijfsontwikkeling. De gemeente Súdwest-Fryslân, waarin de gemeente Nijefurd in 2011 is opgegaan, heeft deze lijn voortgezet. Echter is het proces in hetzelfde jaar stil komen te liggen door de ontstane discussie over megastallen, oftewel agrarische bedrijven groter dan 300 NGE.
Provincie Fryslân heeft in 2011 interim-beleid geformuleerd op basis waarvan niet wordt meegewerkt aan lopende of nieuwe initiatieven die niet passen in het bestemmingsplan en leiden tot een veehouderij groter dan 300 NGE op één bouwvlak. Voor lopende initiatieven die al in een werksessie van De Nije Pleats behandeld zijn en de 300 NGE en een bouwblokomvang van 2,5 hectare te boven gaan, maakt de provincie eveneens een pas op de plaats. Van dit beleid kan worden afgeweken wanneer hiervoor specifieke redenen aanwezig zijn. Aangezien het lopende initiatief van de varkensfokkerij niet past in het ter plaatse geldende bestemmingsplan en de grens van 300 NGE te boven gaat, is de uitbreiding stil komen te liggen. Na verscheidene contacten met de gemeente en de provincie heeft eind november 2013 een bedrijfsbezoek plaatsgevonden, waarbij de verantwoordelijke portefeuillehouders aanwezig waren vanuit zowel de gemeente als de provincie. Naar aanleiding van dit bezoek en het contact dat daarna heeft plaatsgevonden, heeft de provincie in januari 2014 besloten dat er specifieke redenen zijn om voor de Hemelumer Hoeve af te wijken van het beleid. Daarmee kan de planologische inpassing van de voorgenomen uitbreiding verder invulling krijgen.
In de Verordening Romte 2014, waarin de actuele beleidsregels van de provincie zijn vastgelegd, is hiervoor een specifieke afwijkingsmogelijkheid opgenomen en in deze toelichting omgeschreven. Op basis van de gemaakte afspraken zijn de uitbreidingsplannen verder uitgewerkt en in 2016 is hiervoor een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan aangevraagd. De gemeente Súdwest-Fryslân heeft parallel hieraan het gewenste bouwvlak opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied. Naar aanleiding van bezwaren vanuit de omgeving is in overleg tussen het bedrijf en de gemeente ervoor gekozen om een afzonderlijke bestemmingsplanprocedure te doorlopen met toepassing van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen coördinatieregeling. Dit bestemmingsplan maakt de gewenste bedrijfssituatie van de Hemelumer Hoeve mogelijk met inachtneming
7/359
van de gestelde voorwaarden. Bij raadsbesluit van 4 april 2019 is besloten het onderliggende bestemmingsplan niet vast te stellen. Naar aanleiding van het ingestelde beroep van de initiatiefnemer heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 24 maart 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:619) geoordeeld dat het raadsbesluit onvoldoende gemotiveerd was en heeft het besluit vernietigd. Tevens is uitgesproken dat er binnen 20 weken een nieuw besluit genomen moet worden. Aan de hand van deze uitspraak is het bestemmingsplan geactualiseerd op de punten waar dit nodig was.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied van dit bestemmingsplan betreft het huidige bedrijfsperceel aan De Soal 4 te Hemelum en een deel van de kavel grasland dat ten westen hiervan ligt. De Soal betreft een verbindingsweg tussen Warns en Hemelum. Het huidige bedrijfsperceel ligt op ongeveer 250 meter afstand vanaf de bebouwde kom van Hemelum. De uitbreiding vindt in westelijke richting, op grotere afstand van de bebouwde kom plaats. De begrenzing is afgestemd op de kadastrale perceelsgrenzen en op de aangevraagde inrichting. De globale ligging en begrenzing van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1
8/359
De globale ligging van het plangebied
1.3
Planologische regeling
Op 5 oktober 2017 is het bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân vastgesteld. Het bestemmingsplan is onherroepelijk. Ook het plangebied is hierin geregeld. Het huidige bedrijfsperceel is voorzien van een bouwvlak met een oppervlakte van 1,3 hectare. Dit bouwvlak is gebaseerd op de in 2005 verleende vergunning. Dit bouwvlak is voorzien van de aanduiding 'intensieve veehouderij', waarbinnen niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering mogelijk is. De uitbreidingslocatie is het in het bestemmingsplan niet voorzien van een bouwvlak. Daardoor is de uitbreiding op basis van het nieuwe bestemmingsplan voor het buitengebied niet mogelijk. Een fragment van de verbeelding van het bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân is weergegeven in figuur 1.2. Het huidige bouwvlak is daarin in rood weergegeven. Om de uitbreidingslocatie is ook een vak weergegeven. Dit betreft het gebied waar op basis van onderzoek geen dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' is opgenomen.
Figuur 1.2
9/359
Fragment verbeelding bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân
1.4
Leeswijzer
Na dit hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plan gegeven. Daarbij wordt ingegaan op de gewenste ontwikkeling en op de ruimtelijke en functionele inpassing daarvan in de bestaande structuur. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het van belang zijnde beleidskader, waarna in Hoofdstuk 4 een toetsing aan de milieuaspecten volgt. Wanneer deze van toepassing zijn, worden daarbij de uitgangspunten voor het bestemmingsplan genoemd. In Hoofdstuk 5 volgt een toelichting op de werking van het bestemmingsplan en de daarin opgenomen juridische regeling. Het laatste hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, waarbij aandacht wordt besteed aan de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.
10/359
Hoofdstuk 2
2.1
Beschrijving van het plan
Ruimtelijk-functionele structuur
De Hemelumer Hoeve is gelegen in de Zoolpolder aan De Soal op ongeveer 250 meter ten westen van de kern Hemelum. De polder kenmerkt zich als een open en grootschalig agrarisch gebied, met een karakteristieke opstrekkende verkaveling. Het grondgebruik is overwegend grasland. Verspreid in het gebied liggen vooral agrarische bedrijven. Ook zijn enkele voormalige agrarische bedrijfspercelen aanwezig die nu in hoofdzaak een woonfunctie kennen. Het plangebied ligt op een vlakte tussen twee stuwwallen, waarop de dorpsbebouwing zich concentreert. Het gaat om Warns aan de westzijde en Hemelum en Bakhuizen aan de oostzijde. De Soal verbindt de twee stuwwallen met elkaar. Aan deze weg ligt een ruim opgezet bebouwingslint, waarvan het plangebied deel uitmaakt. Schuin tegenover het plangebied liggen twee veehouderijbedrijven. Het plangebied zelf ligt aan de noordzijde van de weg en grenst aan het uitgestrekte agrarische landschap. Op enige afstand richting het noorden ligt de Morra. Dit is één van de Friese meren, die deel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving.
2.2
Huidige situatie
Het plangebied van dit bestemmingsplan omvat het bedrijfsperceel van een varkenshouderij. Het betreft een Topigs kernfokbedrijf, dat hier sinds de jaren '80 is gevestigd en sindsdien een gestage groei heeft doorgemaakt. Het bedrijfsperceel met een oppervlakte van circa 1,3 hectare is compact ingericht. Volgens de huidige milieuvergunning, die is verleend op 22 december 2009, kunnen 1.792 vleesvarkens, 424 zeugen, 2.984 biggen en één dekbeer worden gehouden. De kavel grasland ten westen van het huidige bedrijf maakt eveneens deel uit van het plangebied. Dit is de voorgenomen uitbreidingslocatie. Een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving is weergegeven in figuur 2.1.
11/359
Figuur 2.1
2.3
Luchtfoto plangebied
Voorgenomen initiatief
Dit bestemmingsplan maakt de gewenste bedrijfsontwikkeling van de Hemelumer Hoeve mogelijk. De voorgenomen uitbreiding bestaat uit de uitbreiding van het kernfokbedrijf door het realiseren van twee nieuwe stallen en het uitoefenen van activiteiten op het gebied van mestverwerking en voerbereiding. Met de voorgenomen uitbreiding krijgt het bedrijf een bouwvlak van 2,0 hectare. Hiervan is 1,5 hectare ten behoeve van de veehouderij en 0,5 hectare ten behoeve van de mestverwerking en voerbereiding. Rondom dit bouwperceel wordt voorzien in een beplantingsstrook ter inpassing van de bedrijfsbebouwing. De gewenste inrichting van het bouwperceel is weergegeven in figuur 2.2.
12/359
Figuur 2.2
Gewenste inrichting bouwperceel
Deze paragraaf geeft een beschrijving van het initiatief, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de uitbreiding van het kernfokbedrijf en de realisatie van een mestverwerkingsinstallatie en eigen voerbereiding. Vervolgens gaat paragraaf 2.4 in op de noodzaak voor de ontwikkeling en paragraaf 2.5 op de ruimtelijke inpassing en kwaliteit. Tot slot behandeld paragraaf 2.6 de verkeerstechnisch aspecten. Uitbreiding kernfokbedrijf De bedrijfsontwikkeling omvat een opwaardering van de bestaande stallen en het bouwen van twee nieuwe stallen. De investeringen in de bestaande stallen (het plaatsen van luchtwassers en het emissiearm maken van de huisvesting) hebben een gunstig effect op de milieubelasting door ammoniak, geur en fijnstof. De totale milieubelasting neemt ten opzichte van de huidige situatie af. Hierop wordt in hoofdstuk 4 nader ingegaan. De uitbreiding van de veehouderij is naast de bestaande stallen voorzien. Hier worden twee stallen van ongeveer 3.900 m2 en 2.400 m2 gebouwd. Deze stallen worden evenwijdig aan de bestaande stallen geplaatst en krijgen een passende, agrarische uitstraling door het toepassen van een lage goothoogte en flauwe kapvorm. Beide stallen worden op een emissiearme wijze uitgevoerd, waardoor milieuhinder zoveel mogelijk wordt voorkomen, waarmee wordt voldaan aan het wettelijk kader.
13/359
In de nieuwe situatie is er op de Hemelumer Hoeve ruimte voor in totaal 922 zeugen, 4.608 biggen, 3.144 vleesvarkens en 5 beren. Mestverwerking/voerbereiding De mestopslagen onder de stallen zijn tot een minimum beperkt. Achter de stallen worden twee mestsilo's geplaatst en een afgesloten loods ten behoeve van inpandige opslag en verwerking van mest van het bedrijf. De mestverwerkingsinstallatie (MVI) is gericht op het verkleinen van het volume van de mest. Mest wordt op bedrijfsniveau verwerkt in vaste mest, een kunstmestconcentraat en loosbaar water. De vaste mest wordt opgeslagen in de afgesloten loods en afgevoerd met containervrachtwagens. Het kunstmestconcentraat wordt opgeslagen in de mestsilo. Dit is een vloeibaar product dat afgevoerd wordt met tankvrachtwagens. Het loosbare water wordt opgeslagen in een silo. Dit water wordt gebruikt als proceswater voor de luchtwasser en als reinigingswater voor het reinigen van de stallen. De MVI resulteert in een meer duurzame bedrijfsvoering. Door het scheiden van de mest worden twee doelen bereikt: reductie van het aantal transportbewegingen ten behoeve van de afvoer van mest. Zonder MVI zijn er circa 20 vrachtwagens per maand nodig voor afvoer. Met MVI gaat dit terug naar 8 vrachtwagens per maand.
Dit is dus afname van het aantal verkeersbewegingen met ruim de helft; gebruik van het schone water uit de installatie als proceswater voor de luchtwasser en als reinigingswater voor het reinigen van de stallen. Door de inzet van de MVI wordt dus een nuttig productiemiddel (loosbaar water) verkregen uit de bewerking van de mest als restproduct. Niet alleen is dit een mooi voorbeeld van een 'circulaire economie', ook wordt hiermee het waterverbruik verminderd. Daarnaast draagt de MVI met externe mestopslag bij aan het dierenwelzijn. De opslag van mest onder de stallen kan zodoende tot een minimum beperkt worden. Dit heeft een positief effect op de ventilatie en dus ook op het stalklimaat. Dit leidt tot een schonere lucht in de stallen voor de varkens. Tevens is in de afgesloten loods ruimte voor een voerkeuken en opslag van agrarische producten, zoals gerst, tarwe en korrelmais die verwerkt worden tot veevoer. Deze ruimte wordt ook specifiek gebruikt voor het maken van het specifieke kruidenmengsel/ruwvoer voor het merkvlees Friberne het Gaasterlands kruidenvarken. Dit ruwvoermengsel bestaat uit lokaal geteeld ruwvoer, met onder andere luzerne, groene snijhaver en klaver. Het ruwvoermengsel bevat daarnaast verschillende kruiden en natuurlijke materialen die varkens in de natuur graag vreten en die bijdragen aan een goede stofwisseling.
Het kruidige ruwvoermengsel is goed voor het welzijn van de varkens. Het is een natuurlijk afleidingsmateriaal, waarmee de varkens spelen. Langs de westzijde van de nieuwe stallen wordt een nieuwe inrit aangelegd ten behoeve van de bereikbaarheid van de mestvergistingsinstallatie en de opslagloods.
2.4
Noodzaak tot uitbreiding
De noodzaak om de varkenshouderij uit te breiden, is drieledig: 1. voldoen aan eisen TOPIGS; 2. uitbreiden productie Friberne Gaasterlands Kruidvarken;
14/359
3. dierenwelzijn en vermindering milieubelasting. TOPIGS TOPIGS is een Nederlandse coöperatie van topfokbedrijven in de varkenshouderij. Deze fokkerij-organisatie is wereldwijd actief en één van de grootste spelers op het gebied van varkensgenetica. De Hemelumer Hoeve is als kernfokbedrijf voor TOPIGS één van de vijf bedrijven ter wereld die de genetische vooruitgang van Nederlands Landras verzorgt. Vanuit het bedrijf vindt export plaats naar vele delen van de wereld. Ook veel Nederlandse vermeerderingsbedrijven worden door de Hemelumer Hoeve van fokmateriaal voorzien. Om als kernfokbedrijfvoor TOPIGS te kunnen fungeren, geldt een aantal voorwaarden: een zeer hoge gezondheidsstatus op het gebied van diergezondheid: de zeer hoge gezondheidsstatus van de Hemelumer Hoeve is naast een strikt beleid van het bedrijf zelf (uitgebreide hygiënevoorschriften die in de bedrijfsvoering zijn doorgevoerd), mede te danken aan de locatie. In de omgeving liggen geen andere varkensbedrijven, zodat het risico op besmetting met varkensziekten gering is.
Tevens bevindt al het fokmateriaal zich op één locatie, zodat conform de eisen van TOPIGS, geen aanvoer van dieren van buiten het bedrijf nodig is; splitsing van bedrijfsonderdelen niet mogelijk: het betreft een kernfokbedrijf dat niet gesplitst kan worden omdat alle bedrijfsonderdelen vanwege certificeringseisen bij elkaar moeten zitten (zie ook voorgaande overweging); ligging van bedrijf: de bedrijfslocatie moet enerzijds niet te ver van een afzetgebied liggen, maar anderzijds wel in een varkensarm gebied waar een goede bio security (geringe kans dat varkensziekten via de lucht overgedragen wordt) mogelijk is. Zoals gesteld zijn in de omgeving van de Hemelumer Hoeve geen andere bedrijven aanwezig. Tevens ligt het bedrijf gunstig ten opzichte van het afzetgebied (Nederland en Duitsland); voldoende dieren op het bedrijf ten behoeve van de selectie: omdat aanvoer van dieren van andere bedrijven niet is toegestaan, hanteert TOPIGS als voorwaarde dat topfokbedrijven op één locatie minimaal 900 zeugen met de bijbehorende opfok moeten hebben; goed opgeleide medewerkers: het runnen van een topfokbedrijf vraagt om hoogwaardige arbeid. De Hemelumer Hoeve beschikt over veel expertise in de varkensfokkerij. Op één van de voornoemde voorwaarden voldoet de Hemelummer Hoeve op dit moment niet. Dat is de omvang van het bedrijf met betrekking tot het aantal aanwezige zeugen.
Om deze stap te kunnen maken, dient het bedrijf uit te breiden. Friberne Gaasterlands Kruidvarken De Hemelumer Hoeve staat met zijn fokbedrijf aan het begin van de Frievarketen. Frievar is een samenwerking van 20 bedrijven die exclusieve leverancier zijn van het merkvlees genaamd Friberne Gaasterlands Kruidvarken (hierna: Friberne). Friberne is één van Nederlands meest succesvolste varkensvleesmerken. De Hemelumer Hoeve speelt daarmee een hoofdrol in het Fribernevlees. Door unieke genetica en unieke voeding is Friberne een uniek product. Hierdoor lukt het de samenwerkende varkenshouders meerwaarde voor de varkenshouders te genereren. Dit gaat gepaard met hoge(re) eisen aan de dierenwelzijn.
15/359
Eén van de voorwaarden van het Friberneconcept is dat alle zeugen op de Hemelumer Hoeve geboren worden. Op deze wijze zijn de dieren traceerbaar en ontstaat een herkenbaar product. Het concept is zo succesvol, dat de huidige productie van de Hemelumer Hoeve op termijn te klein is om aan de groeiende vraag te kunnen blijven voldoen. Derhalve is uitbreiding van de opfok vereist. Gezien de spin off aan aanverwante activiteiten (Frievar, Friberne) zorgt het bedrijf voor de nodige economische dynamiek in de regio. Met de uitbreiding krijgt dit een verdere impuls. Verdere toegevoegde waarde Naast voornoemde argumenten voor de voorgenomen uitbreiding, kan tevens nog op de volgende toegevoegde waarde gewezen worden die de uitbreiding met zich meebrengt: dierenwelzijn: dierenwelzijn staat op een kernfokbedrijf reeds hoog in het vaandel. De uitbreiding leidt tot een verdere investering hierin, vanwege de keuze om de kraamzeugen te houden in een zogenaamd 'prodromi kraamhok' (vrijloop kraamhok). Dit prodromi kraamhok is 2 m² (= 44%) groter dan het reguliere kraamhok; investeren in nieuwe milieutechnieken: de uitbreiding maakt het mogelijk om te investeren in nieuwe technieken die leiden tot een substantiële vermindering van milieubelasting en van uitstoot van milieubelastende stoffen.
2.5
Ruimtelijke kwaliteit
Algemeen Het plangebied ligt in een bebouwingscluster aan de rand van het open landelijk gebied. In de structuurvisie 'Grutsk op 'e Romte' heeft de provincie Fryslân aangegeven dat zij hecht aan een goede verankering van ontwikkelingen in het landschap. Grutsk beschrijft de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen. Het is van belang dat een ontwikkeling zich niet alleen voegt, maar waar mogelijk ook bijdraagt aan deze kernkwaliteiten. De provinciale belangen zijn vastgelegd in de Verordening Romte. Hierin is bepaald dat de kernkwaliteiten uit Grutsk alleen een voorwaardelijk toetsingskader zijn voor ontwikkelingen buiten het bestaand stedelijk gebied. De uitgangspunten ten aanzien van de kwaliteiten van het landschap zijn op gemeentelijk niveau verder uitgewerkt in de Visie Ruimtelijke Kwaliteit Súdwest-Fryslân. Hierop wordt in paragraaf 3.3 nader ingegaan. Volgens de kaart bij de structuurvisie ligt het plangebied in Gaasterlân. Voor dit gebied is een aantal kernkwaliteiten beschreven. Deze zijn niet van toepassing op het plangebied. Wel is van de top 10 gebiedsoverschrijdende landschappelijke en cultuurhistorische structuren voor het plangebied de verkaveling van provinciaal belang. De landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het bijzondere structuurbepalende kavelpatroon is ook in het bestemmingsplan Buitengebied beschermd.
Proces Nije Pleats Om de ruimtelijk-landschappelijke haalbaarheid van de bedrijfsuitbreiding op deze plek aan te tonen, is een advies opgesteld dat via het spoor van de Nije Pleats tot stand is gekomen. Dit betekent dat er een proces gevolgd is waarbij alle partijen, die uiteindelijk het bouwplan moeten toetsen, betrokken zijn geweest. Middels een werksessie van de Nije Pleats op het erf van de initiatiefnemer is met alle betrokkenen/deskundigen
16/359
gekomen tot een ontwikkelingsconcept voor het bedrijf voor de komende jaren. Het advies is opgenomen in Bijlage 1. In het advies is op basis van een uitgebreide landschappelijke analyse richting gegeven aan de erfopzet, de bebouwing en de beplanting. Het advies is de basis geweest voor de ruimtelijke opzet en de omvang van het bedrijf en voor de uitwerking van de erfinrichting. Dit advies heeft geresulteerd in het inpassingsvoorstel dat is weergegeven in figuur 2.3. Binnen dit voorstel is de voorgenomen uitbreiding volgens Nije Pleats inpasbaar. Doordat de (nieuw) op te richten bedrijfsgebouwen afgeschermd worden middels een stevige beplantingsstrook, is het plan inpasbaar in de omgeving. Het voorstel van Nije Pleats doet voorts recht aan de verkavelingsstructuur die ter plaatse aanwezig is en typerend is voor het landschapstype 'landschapstype 'klei op veengebied'. De schets in figuur 2.3 is afkomstig van de Nije Pleats en heeft gediend als basis voor de landschappelijke inpassing.
Figuur 2.3
Schets landschappelijke inpassing uit advies Nije Pleats
Uitwerking Voor de inrichting van het voorste gedeelte van de uitbreidingslocatie is een aanvullende landschappelijke inpassing opgesteld. Dit landschappelijk inpassingsplan is opgenomen in Bijlage 2. De beschreven uitgangspunten met betrekking tot de ruimtelijke kwaliteit zijn in de regels van dit bestemmingsplan vastgelegd. Een verantwoorde landschappelijke inpassing en afronding van het bedrijf in de omgeving is hiermee in voldoende mate aangetoond en gewaarborgd.
17/359
2.6
Verkeer en parkeren
Verkeersafwikkeling Het bedrijfsperceel is via De Soal ontsloten. Deze weg heeft een functie voor zowel doorgaand verkeer als voor de ontsluiting van de aangelegen woningen en bedrijven. De dichtstbijzijnde hoofdinfrastructuur is de provinciale weg N359, die op korte afstand ten oosten van Hemelum ligt. Het verkeer van en naar de N359 liep tot voor kort door het dorp Hemelum. Omdat deze route deel uitmaakt van de route naar Stavoren, waarover ook boottransport plaatsvindt, is onlangs een rondweg om het dorp gelegd. Deze nieuwe route sluit op 175 meter ten oosten van het plangebied aan op De Soal en leidt verkeer direct naar de Wâlikkers. Het wegennet heeft ruim voldoende capaciteit voor de verkeersafwikkeling van het bedrijf. Als gevolg van de bedrijfsuitbreiding neemt de verkeersintensiteit op de ontsluitende wegen niet toe. Door de ontwikkeling van de MVI neemt dit aantal juist af. Er rijden in de nieuwe situatie wekelijks ongeveer 6 vrachtwagens van en naar het bedrijf, waarvan 2 voor de afvoer van mest (circa 8 per maand). De overige 4 betreffen levering van voer en transport van dieren. Voor de levering van andere producten komen er dagelijks enkele personenauto's en bestelwagens, en een enkele keer een vrachtwagen op het terrein. Dit verkeer is gelet op de functie van de omliggende wegen als doorgaande verkeersroute, niet merkbaar.
Door de aanleg van de nieuwe rondweg bij Hemelum, waardoor de vrachtbewegingen niet meer door de kom plaatsvinden en door het het aanbrengen van nieuwe parkeerplaatsen, waardoor niet meer langs het fietspad geparkeerd hoeft te worden, wordt de verkeersveiligheid sterk verbeterd. Parkeren Op basis van het parkeerbeleid van de gemeente of de kencijfers van CROW kan berekend worden hoeveel parkeerplaatsen er benodigd zijn. Vervolgens moet aangetoond worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of gerealiseerd kan worden. De stedenbouwkundige voorschriften, zoals het parkeren, moeten in het bestemmingsplan geregeld worden. Zowel gemeentelijk parkeerbeleid als de CROW-normen kunnen van toepassing worden verklaard op basis van het bestemmingsplan. Indien van een toepassing zijnde norm wordt afgeweken, dient dit goed gemotiveerd te worden. De gemeente Súdwest-Fryslân heeft de Parkeernormennota vastgesteld, waarin de inhoud van het begrip 'voldoende parkeergelegenheid' wordt uitgewerkt. Agrarische bedrijven zijn hierin niet genoemd. Voor deze bedrijven geldt dat er over het algemeen voldoende ruimte is op de verhardingen voor parkeren. Dit geldt ook voor het onderhavige bedrijf. Wanneer in de toekomst blijkt dat parkeerbehoefte groter is, dan kan het aantal parkeerplaatsen worden vergroot. Op deze manier wordt parkeerhinder in de omgeving voorkomen.
18/359
Hoofdstuk 3
3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt niet alleen regels omtrent de nationale belangen, maar stelt ook regels die in bestemmingsplannen moeten worden opgenomen. Met dit plan worden geen rijksbelangen zoals opgenomen in het Barro geraakt. Nationale Omgevingsvisie (2020) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 door de Minister vastgesteld. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energiestrategie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI ziet op de inrichting en de kwaliteiten van Nederland en heeft daardoor een hoog abstractieniveau. Het bevat geen concreet beleid voor dit plan. Rijksbeleid schaalvergroting intensieve veehouderij In de afgelopen jaren is de veehouderij onderwerp geweest van een breed maatschappelijk debat. Opeenvolgende kabinetten hebben visies uitgebracht en debatten gevoerd met de Tweede Kamer over de toekomst van de veehouderij.
Op 25 maart 2011 stuurt staatssecretaris Bleker van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie een brief aan provincies en gemeenten met het verzoek om tijdens de maatschappelijke discussie over megastallen mogelijk ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. In dat zelfde jaar is vervolgens onder leiding van de heer Alders een maatschappelijke dialoog gevoerd over de schaalgrootte en de toekomst van de veehouderij ('Van mega naar beter'). Op basis van de resultaten van de maatschappelijke dialoog heeft het Rijk de Visie veehouderij opgesteld (23 november 2011). De huidige intensieve veehouderij en melkveehouderij moeten transformeren naar een zorgvuldige duurzame veehouderij. Voor een maatschappelijk geaccepteerde veehouderij is niet zozeer het aantal dieren op een bedrijf van belang. Belangrijker is dat het schaalniveau van veehouderijen past bij de lokale leefomgeving, een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is en dat er draagvlak bestaat bij de lokale gemeenschap.
19/359
Voor de transitie naar een duurzame, zorgvuldige en maatschappelijk gewaardeerde veehouderij, kiest het kabinet voor twee sporen: een ketengestuurde verduurzaming van de veehouderij; het zorgvuldig inpassen van veehouderijen in de lokale leefomgeving. Het kabinet wil het eerste spoor borgen via duidelijke regels op het gebied van voedselveiligheid, diergezondheid, dierenwelzijn en milieukwaliteit. In het tweede spoor ligt volgens het kabinet de verantwoordelijkheid primair bij provincies en gemeenten. Elke situatie is verschillend en vraagt om maatwerk. De volgende staatssecretaris van Economische Zaken, mevrouw Dijksma, stuurt op 14 juni 2013 een brief aan de Tweede Kamer waarin zij het kabinetsstandpunt inzake de omvang van de intensieve veehouderij en de schaalgrootte weergeeft. Het kabinetsstandpunt bevat een reactie op het advies van de Gezondheidsraad en geeft een overzicht van al getroffen en nog te nemen maatregelen. Het doel van het kabinet is "een markt- en ketengestuurde verduurzaming van de veehouderijproductie die maatschappelijk gedragen wordt". Aangekondigde maatregelen hebben betrekking op verder onderzoek en een wijziging van het Besluit huisvesting ammoniak met betrekking tot emissie-normen voor fijnstof uit stallen.
Daarnaast wordt de gezondheidskundige advieswaarde van 30 EU/m3 met betrekking tot endotoxines uitgewerkt, zodanig dat die kan worden toegepast bij het verlenen van de omgevingsvergunning milieu. Verder kondigt de staatssecretaris een wijziging van de Wet dieren aan om decentrale overheden de mogelijkheid te geven, vanwege ongewenste effecten op de volksgezondheid, grenzen te stellen aan de omvang van veehouderijen. Conclusie: het beleid omtrent de omvang en schaalvergroting van de intensieve veehouderij bevindt zich nog deels in de uitwerkingsfase. Er is momenteel geen sprake van beleid dat aan de beoogde ontwikkeling in de weg staat.
3.2
Provinciaal beleid
Streekplan Fryslân 2007 Het Streekplan Fryslân 2007 is op 13 december 2006 door Provinciale Staten vastgesteld. In het Streekplan wordt het provinciaal omgevingsbeleid verwoord. Met betrekking tot dit bestemmingsplan worden enkele beleidsuitgangspunten genoemd. De provincie Fryslân erkent het belang van een vitale en duurzame landbouw, omdat dit een grote bijdrage levert aan de sociaal-economische vitaliteit van het platteland, het beheer van het landelijke gebied en de Friese economische structuur. In het landelijk gebied worden buiten de natuurgebieden ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden geboden voor de landbouw. Bij het bieden van ontwikkelingsruimte voor de landbouw zet de provincie tevens in op de blijvende herkenbaarheid van de verschillende landschapstypen in Fryslân. Schaalvergroting en intensivering van de
20/359
landbouw zijn te combineren met landschappelijke kernkwaliteiten. Voor de inpassing van grotere agrarische bouwblokken is vooral de landschappelijke situering van belang, met aandacht voor beplanting, erfelementen, de nokrichting, dak- en goothoogten van gebouwen en kleur en materiaalgebruik. Hierbij is het leveren van landschappelijk maatwerk van groter belang dan een maximale maat van nieuwe gebouwen. De provincie biedt dus ontwikkelingsruimte voor de landbouw, mits ze past binnen de kernkwaliteiten van de onderscheiden landschapstypen. De inrichting van het terrein is ontworpen met respect voor de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische kenmerken van de omgeving. Op deze aspecten wordt in paragraaf 2.5 ingegaan. In de Verordening Romte Fryslân zijn de beleidsuitgangspunten van de provincie vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen. Omgevingsvisie Fryslân 2020: De rome diele Het ruimtelijk beleid van de provincie vormt een belangrijk kader voor het gemeentelijk (bestemmingsplan)beleid. Dit is neergelegd in de Omgevingsvisie Provincie Fryslân. Deze is op 23 september 2020 vastgesteld. In de omgevingsvisie gaat de provincie voor een vitale economie door te investeren in omgevingskwaliteiten. Dit zorgt er onder andere voor leefbaarheid en dat leegstand en verpaupering van bebouwing wordt teruggedrongen.
Daarnaast gaat de provincie voor een veerkrachtig beleid, waarin ingrijpende ontwikkelingen opgevangen kunnen worden, het behoud van de karakteristiek van de provincie, door het beschermen van de eigen identiteit en voor een gezonde leefomgeving. De omgevingsvisie stelt dat er geen nieuwe bouwpercelen voor intensieve veehouderijen mogelijk worden gemaakt, maar uitbreiding is mogelijk. Structuurvisie Grutsk op 'e Romte In het Streekplan worden de kernkwaliteiten van het cultuurhistorisch erfgoed en het landschap beschreven. Onder kernkwaliteiten wordt verstaan: 'die ruimtelijke eigenschappen die zo typisch zijn voor het Friese landschap, dat zij tezamen de ruimtelijke identiteit van Fryslân vormen'. Het Streekplan bevat een beschrijving van welke kernkwaliteiten er zijn en kondigt een nadere uitwerking en waardering aan van deze kernkwaliteiten. De thematische structuurvisie Grutsk op 'e Romte, zoals vastgesteld op 26 maart 2014, vormt deze uitwerking en geeft de provinciale belangen en ontwikkelingsrichting ten aanzien van de kernkwaliteiten. Volgens de kaart bij de structuurvisie ligt het plangebied in Gaasterlân. Voor dit gebied zijn een aantal kernkwaliteiten c.q. provinciale belangen beschreven. In paragraaf 2.5 is hieraan getoetst.
Beleidsnotitie Intensieve Veehouderij Naar aanleiding van de plannen voor verschillende intensieve veehouderijen voor schaalvergroting en een landelijke discussie over megastallen heeft de provincie haar beleid voor grootschalige melkveehouderijen en intensieve veehouderijen heroverwogen. De beleidsnotitie Intensieve Veehouderij volgt op het interim-beleid van de provincie om tijdelijk planologisch niet mee te werken aan schaalvergroting. In de beleidsnotitie worden de kaders gegeven waarbinnen intensieve veehouderijbedrijven zich kunnen ontwikkelen. Bestaande intensieve veehouderijen kunnen uitbreiden en zich verder ontwikkelen. Ze worden in staat gesteld om te voldoen aan nieuwe eisen op het gebied van milieu, dierenwelzijn en gezondheid. Schaalvergroting kan hiervoor soms nodig zijn. Voor de bouwvlakken van deze bedrijven wordt uitgegaan van een maximum van 1,5 hectare per locatie. Voor een installatie ten behoeve van mestvergisting, mestverwerking of mestbewerking, of
21/359
ten behoeve van verbranding, vergisting of vergassing van biomassa, of ten behoeve van verwerking of bewerking van eigen agrarische producten, kan nog extra ruimte van 0,5 hectare benut worden; door voor zo’n specifieke voorziening extra ruimte te bieden, wordt bijgedragen aan een duurzame bedrijfsvoering en verbreding. De Beleidsnotitie Intensieve Veehouderij benoemd twee bijzondere situaties, waarbij een ruimtelijke plan voor een intensieve veehouderij in beperkte mate en bij aangetoonde noodzaak een grotere oppervlakte van het bouwvlak dan 1,5 ha (c.q. 2 ha inclusief mestverwerking) toestaat: 1. Bij een bijzondere, innovatieve bedrijfsvorm die niet gesplitst kan worden. Een voorbeeld is een kernfokbedrijf waar alle bedrijfsonderdelen vanwege certificeringseisen bij elkaar moeten zitten. 2. Bij een bestaande intensieve veehouderij die al dicht tegen het oppervlak van 1,5 hectare aanzit of al groter is dan 1,5 hectare en een beperkte uitbreiding nodig heeft om te voldoen aan eisen op het gebied van dierenwelzijn/gezondheid of milieu. In dat geval is op basis van maatwerk een beperkte uitbreiding mogelijk van ongeveer 10% van het bestaande oppervlak. Een aantal opfokbedrijven en kernfokbedrijven levert het uitgangsmateriaal voor vermeerdering in binnen- en buitenland. Deze gespecialiseerde varkensbedrijven hebben een schone omgeving nodig waar de ziektedruk laag is.
Het in het beleid genoemde voorbeeld van een kernfokbedrijf dat niet gesplitst kan worden vanwege certificeringseisen, dat in de verordening is opgenomen, komt overeen met de situatie op de Hemelumer Hoeve. De provincie wil namelijk aan de uitbreiding van dit type bedrijf medewerking verlenen. Dit is in het beleid opgenomen mede naar aanleiding van de in paragraaf 1.1 aangehaalde gesprekken. Het past dus in de beleidsintentie van de provincie om medewerking te verlenen aan de plannen van Hemelumer Hoeve. Verordening Romte Fryslân 2014 Op 18 juni 2014 is de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. In de verordening zijn regels opgenomen die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. Artikel 2: Ruimtelijke kwaliteit In lid 2.1.1 is bepaald dat een ruimtelijk plan voor een uitbreidingslocatie of voor het landelijk gebied een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf omvat waarin, voor zover noodzakelijk, wordt aangegeven op welke wijze: a. het plan rekening houdt met de draagkracht van het landschap voor de opvang en inpassing van nieuwe functies, op grond van een analyse van de samenhang van de ondergrond, netwerken en nederzettingspatronen; b.
het plan invulling geeft aan de blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zijnde de structuren van provinciaal belang zoals die, met inbegrip van een richtinggevend advies, per deelgebied of gebiedsoverschrijdend zijn omschreven in de structuurvisie Grutsk op 'e Romte. De ruimtelijke kwaliteitsparagraaf is verwoord in paragraaf 2.5. Artikel 6: Landbouw Regels voor uitbreiding intensieve veehouderij
22/359
In lid 6.1.3 onder 1 is bepaald dat in een ruimtelijk plan een bestaand bouwperceel voor een niet grondgebonden veehouderij een uitbreiding kan krijgen tot een maximale oppervlakte van 1,5 hectare. In geval van nevenactiviteiten in de vorm van één van de onderstaande activiteiten kan van een extra oppervlak tot maximaal 0,5 hectare worden uitgegaan (zie 6.2.1 onder 1): mestverwerking, mestbewerking, mestvergisting; verbranding, vergisting of vergassing van biomassa; verwerking of bewerking van eigen agrarische producten; of daarmee vergelijkbare activiteiten. In afwijking van het hiervoor genoemde kan op basis van lid 6.1.3 onder 2 een groter bouwperceel worden toegestaan indien: a. het bedrijf al een bouwperceel van bijna 1,5 ha of meer dan 1,5 ha heeft en de bedrijfsuitbreiding redelijkerwijs niet binnen dat bouwperceel is te realiseren, b. de uitbreiding van het bouwperceel beperkt blijft, en c. de nieuwe situatie een maatschappelijk voordeel oplevert voor een of meer van de volgende aspecten: 1. verbetering van dierenwelzijn, 2. vermindering van milieubelasting en van uitstoot van milieubelastende stoffen; 3. een innovatieve bedrijfsvoering die bijdraagt aan duurzaamheid en daardoor een voorbeeldfunctie heeft, 4. aanmerkelijke landschappelijke verbetering, waaronder begrepen het elders slopen van minimaal een gelijke oppervlakte aan bebouwing.
Daarbij moet aangetoond worden dat het bedrijf milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is in de omgeving en wat betreft schaal, verschijningsvorm en lichtuitstoot inpasbaar is binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Voor de landschappelijke inpassing van het agrarisch bedrijf wordt een ruimtelijk inrichtingsplan opgesteld volgens de methodiek Nije Pleats, waarvan de uitvoering als voorwaardelijke bepaling in het ruimtelijk plan is opgenomen. Toelichting op de regels De regels in de verordening zijn afgeleid van de Beleidsnotitie Intensieve Veehouderij. Deze biedt bestaande intensieve veehouderijen ontwikkelingsruimte om aan de nieuwe regels en eisen op het gebied van dierenwelzijn, gezondheid en milieu te voldoen, mits een zorgvuldig ruimtelijke inpassing van de bedrijven gewaarborgd is. In beginsel wil de provincie aan intensieve veehouderijbedrijven niet meer ruimte bieden dan 1,5 hectare bouwperceel. Deze maat is voor de meeste intensieve veehouderijen voldoende ruim en correspondeert met circa 300-400 NGE. Voor een mestverwerking, mestbewerking, mestvergisting of verwerken/bewerking van eigen agrarische producten kan nog extra ruimte tot maximaal 0,5 hectare benut worden. Alleen in bijzondere situaties kan afweken worden van de maximum oppervlaktemaat.
De situaties (uit de Beleidsnotitie Intensieve Veehouderij) zijn vertaald in artikel 6.1.3 onder 2. De toelichting stelt dat deze regel een beperkte overschrijding van het maximum van 1,5 hectare mogelijk maakt als een bedrijf redelijkerwijs niet binnen 1,5 hectare uit de voeten kan. Eén van de voorbeelden die hierbij wordt genoemd is innovatie: een kernfokbedrijf dat niet gesplitst kan worden omdat alle bedrijfsonderdelen vanwege certificeringseisen bij
23/359
elkaar moeten zitten. De noodzaak hiervan en de mate van de dan noodzakelijke, beperkte overschrijding zullen onderbouwd moeten worden. Toetsing aan de regels De Verordening Romte definieert een agrarisch bouwperceel als 'een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels van een ruimtelijk plan, zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing, verharding en bijbehorende voorzieningen ten behoeve van een agrarisch bedrijf zijn toegelaten'. Hieronder vallen wel de verhardingen, maar niet de landschappelijke inpassing van het perceel. Zoals beschreven en gevisualiseerd in paragraaf 2.3 is het inrichtingsplan voor het bedrijf afgestemd op de hiervoor beschreven voorwaarden. Het totale aaneengesloten vlak met daarin de bebouwing en de verharding is 2 hectare. Hiervan is 1,5 hectare ten behoeve van de varkenshouderij en 0,5 hectare ten behoeve van de mestverwerking/voerbereiding. Het bedrijf heeft nu een oppervlakte van 1,3 hectare. Gelet op de toepassing van een mestverwerkings- en voerbereidingsinstallatie is er bovenop het maximale oppervlakte voor een niet grondgebonden veehouderij van 1,5 hectare op basis van lid 6.1.3 onder 1 en lid 6.2.1 onder 1 (de voerbereiding als 'daarmee naar de aard vergelijkbare activiteiten') een extra oppervlak tot maximaal 0,5 hectare toegestaan en dus een bouwperceel van maximaal 2 hectare mogelijk.
Het is technisch mogelijk om alle bedrijfsonderdelen van het bedrijf binnen 2 hectare te houden. De intensieve veehouderij wordt niet groter dan 1,5 hectare en de mestverwerking/voerbereiding wordt niet groter dan 0,5 hectare. Dit is vastgelegd via aanduidingen op de verbeelding van dit bestemmingsplan. Hiermee wordt voldaan aan de regels van de verordening. Ook al is toepassing van lid 6.1.3 onder 2 niet aan de orde, het plan leidt wel degelijk op alle vier de genoemde aspecten tot een maatschappelijk voordeel. Immers, er is sprake van een verbetering van dierenwelzijn en een substantiële vermindering van milieubelasting. Ook is er sprake van een innovatieve bedrijfsvoering en een landschappelijke verbetering door de investeringen in de ruimtelijke kwaliteit. Zoals beschreven in paragraaf 2.4 is er een duidelijk noodzaak voor het kernfokbedrijf om uit te breiden tot en oppervlakte van 1,5 hectare, plus 0,5 hectare voor de mestverwerkings- en voerbereidingsinstallatie, om aan de certificeringseisen (van Topigs) alsmede aan de eisen voor dierenwelzijn te voldoen. Bij de Hemelumer Hoeve is sprake van een innovatieve en duurzame bedrijfsvoering. Het betreft een uniek kernfokbedrijf dat vanwege de eisen van Topigs niet gesplits kan worden. Tevens wordt de uitbreiding landschappelijk ingepast.
Zoals blijkt uit deze plantoelichting wordt aan de overige aspecten (milieuhygiënische, verkeerskundige en ruimtelijke inpasbaarheid etc.) voldaan. Conclusie Er wordt voldaan aan de regels uit de Verordening Romte Fryslân 2014. De uitbreiding van de intensieve veehouderij past binnen de daarvoor gestelde regels. Het bieden van mogelijkheden voor dit type kernfokbedrijf is bovendien specifiek in de toelichting op de regels van de verordening aangehaald. Verder is de noodzaak voor de uitbreiding en de daarmee gepaarde ruimtelijke kwaliteitsverbetering in voldoende mate onderbouwd.
24/359
3.3
Gemeentelijk beleid
Ontwikkelvisie gemeente Súdwest-Fryslân Op 22 maart 2012 heeft de gemeenteraad de Ontwikkelvisie gemeente Súdwest-Fryslân vastgesteld. In de visie staan de ambities van de gemeente op het gebied van sociale, ruimtelijke en economische ontwikkelingen. De visie vormt een belangrijke basis voor nieuw beleid en plannen. In de ontwikkelvisie wordt uitgegaan van zes peilers: 1. Verscheidenheid in kernen 2. Weidsheid van het landschap 3. Economische verscheidenheid 4. Grote sociale verbondenheid 5. Grote rijkdom aan cultuur en erfgoed 6. Sterke aantrekkingskracht voor toeristen Voor dit plan zijn de peilers 'weidsheid van het landschap' en 'Economische verscheidenheid' relevant. Ten aanzien van het landschap stelt de gemeente hoge eisen aan de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing. Nieuwe initiatieven moeten qua aard en schaal passen in het landschap en bij ontwikkelingen die extra ruimtebeslag op de omgeving leggen wordt kritisch gekeken naar de noodzaak en de ruimtelijke kwaliteit. Op deze aspecten is in paragrafen 2.4 en 2.5 uitgebreid ingegaan. De behoefte voor uitbreiding voor de bedrijfsvoering is voldoende evident. Deze uitbreiding wordt op zeer zorgvuldige wijze ingepast in het landschap. De ontwikkeling is qua aard en schaal goed passend in dit relatief grootschalige open agrarisch gebied.
Ook op het gebied van de ruimtelijk economische ontwikkeling maakt de gemeente keuzes over waar zij welke ontwikkeling stimuleren en waar niet. Súdwest-Fryslân gaat nadrukkelijk voor een kwaliteitsslag van de economie. Kennis en innovatie zijn daarbij de kernbegrippen. Ontwikkelingen op de wereldmarkt sturen de agrarische sector meer en meer in de richting van schaalvergroting en diversificatie. Ten aanzien van energie wordt stelt de gemeente dat een overvloed aan ruimte, zowel op het land als op het water, mogelijkheden voor duurzame energie biedt. Hier ligt ook een relatie met de verbreding van de agrarische sector. Ook op dit aspect wordt ingespeeld, door de realisatie van een mestverwerkingsinstallatie. Geconcludeerd wordt dat het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor een innovatief en duurzaam kernfokbedrijf binnen de landschappelijke randvoorwaarden goed aansluit bij de ambities van de gemeente zoals neergelegd in de ontwikkelvisie. Visie ruimtelijke kwaliteit 'Mei soarch foar ús lânskip' (2013) De gemeenteraad heeft in juni 2013 de gemeentelijke visie Ruimtelijke kwaliteit 'Mei soarch foar ús lânskip' vastgesteld. De visie gaat vooral over de ruimtelijke kwaliteit van het landschap. Hoofduitgangspunt is dat bij alle ruimtelijke ontwikkelingen de kenmerken en kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen leidend zijn.
25/359
Het plangebied ligt volgens de visie in het stuwwallenlandschap. Kenmerkt hierin zijn de kliffen, gaasten, essen en esdorpen en de overgang van de hoge stuwwallen naar de lage veen- en meergebieden. Het herkenbaar houden van deze kenmerken wordt als speerpunt aangemerkt. Het plangebied ligt tussen de stuwwallen waarop Warns aan de westzijde en Hemelum en Bakhuizen aan de oostzijde zijn gelegen. Het plangebied ligt in het lage, vlakke veengebied waar het reliëf geen specifieke belevingswaarde kent. De nieuwbouw vindt aansluitend op bestaande bedrijfsbebouwing plaats. De inrichting past ook binnen de bestaande landschappelijke structuren van het landschap. De nieuwbouw wordt op gebiedseigen wijze, volgens advies Nije Pleats ingepast in het landschap. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan de kwaliteiten van het stuwwallenlandschap. Daarmee voldoet de ontwikkeling aan de visie ruimtelijke kwaliteit. Uitgangspuntennotitie Buitengebied Súdwest-Fryslân Op 21 juni 2012 heeft de gemeenteraad de Uitgangspuntennotitie Buitengebied Súdwest-Fryslân vastgesteld (bijgesteld op 2 maart 2017). Deze vormt de basis voor de herzieningen van de geldende bestemmingsplannen voor het buitengebied van de gemeente. De uitgangspuntennotitie geeft richting aan de mogelijkheden voor agrarische bedrijven in het buitengebied.
Het nieuwe bestemmingsplan biedt geen vestigingsmogelijkheid voor nieuwe niet-grondgebonden landbouw, maar biedt wel ontwikkelingsmogelijkheden voor bestaande bedrijven, tot een maximum van 1,5 hectare. Hiermee wordt aangesloten op de mogelijkheden die de provinciale Verordening Romte biedt. Voor meer omvangrijke ontwikkelingen is maatwerk nodig, waarvoor een afzonderlijk bestemmingsplan wordt opgesteld. Een mogelijke nevenactiviteit bij agrarische bedrijven, is een mestvergistingsinstallatie. In een mestvergistingsinstallatie wordt onder andere biogas geproduceerd uit mest. In dit geval wordt mest op een andere wijze verwerkt. De verwerking van mest zoals voorgesteld, kan gezien worden als ondergeschikte voorzieningen behorende bij de varkenshouderij. Specifiek beleid ten aanzien van deze voorzieningen is niet beschreven, maar aangezien het in lijn is met het beschreven provinciaal beleid is hiervoor beleidsruimte aanwezig. Op basis van de uitgangspuntennotitie is het bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân opgesteld. De regeling van dit bestemmingsplan is afgestemd op de regeling zoals opgenomen in dat plan, waarmee de regeling aansluit op de uitgangspuntennotitie. Welstandsnota gemeente Súdwest-Fryslân De gemeentelijke welstandsnota is een samenvoeging van de welstandsnota's en reclamenota's van de vijf voormalige fusiegemeenten.
Voor het plangebied geldt de Welstandsnota voor de voormalige gemeente Nijefurd. Het plangebied ligt volgens de gebiedsindeling van de welstandsnota in het buitengebied. Het open landschap met daarin de accenten en plaatselijk linten van boerderijen met bijbehorende erfbebouwing en -beplanting wordt positief gewaardeerd en het welstandsbeleid gericht op het zoveel mogelijk handhaven van het karakteristieke bebouwingsbeeld van het buitengebied. Het bouwplan voor de nieuwe bedrijfsgebouwen wordt getoetst aan de welstandscriteria. Het uitgangspunt is
26/359
dat dit voldoet aan de welstandscriteria en een positief welstandsadvies krijgt. Duurzaamheidsvisie 'Op-stap nei duorsumens' De duurzaamheidsvisie geeft richting aan de missie van de gemeente om een duurzame toekomstbestendige gemeente te worden. De gemeente wil duurzaamheid voor iedereen in Súdwest-Fryslân praktisch en toepasbaar maken. De gemeente wil samen met burgers en bedrijven werken aan een duurzame samenleving. Hiertoe gelden een aantal spelregels, namelijk dat ten opzichte van nu meer in de menselijke basisbehoeften moet worden voorzien, de bodem minder moet worden uitgeput, minder schadelijke chemische stoffen worden gebruikt en de natuur minder wordt aantast. In de visie stelt de gemeente zichzelf een aantal strategische doelen. Uit deze doelen volgen geen concrete uitgangspunten voor dit plan. Omgevingsvisie gemeente Súdwest-Fryslân Op 29 april 2021 is de Omgevingsvisie gemeente Súdwest-Fryslân vastgesteld. In de omgevingsvisie staan vijf thema's centraal: 1. gezonde vitale mensen in een gezonde en veilige omgeving; 2. sterke kernwaarden: cultureel erfgoed, natuur, weids en waterrijk landschap; 3. veerkrachtige en leefbare wijken, dorpen en steden; 4. vitaal en aantrekkelijk landschap; 5. duurzaam, energieneutraal en klimaatadaptief. De uitbreidingsplannen van de Hemelumer Hoeve sluiten aan bij deze thema's.
De vermindering van de belasting van het milieu die voortvloeit uit het uitbreidingsplan, draagt bij aan een gezondere en veiliger omgeving. Tevens worden daarmee stappen gezet naar een duurzamer bedrijfsvoering, bijvoorbeeld door de mestverwerking en voerbereiding in eigen hand te nemen. Van een onevenredige inbreuk op het landschap is geen sprake, vanwege het groene inpassingsplan en de situering van de uitbreiding. Het landschap vaart er juist wel bij, nu de bebouwing wordt gemoderniseerd en beter wordt ingepast in het landschap. De groei van het bedrijf draagt bij aan het economisch klimaat van Hemelum, zowel in haar hoedanigheid van werkgever als van afnemer van andere lokale bedrijven.
27/359
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Milieuzonering
Tussen bedrijfsactiviteiten en hindergevoelige functies (waaronder wonen) is een goede afstemming nodig. Het doel daarbij is het voorkomen van onacceptabele hinder ter plaatse van woningen, maar ook om te zorgen dat bedrijven niet worden beperkt in de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Bij de afstemming wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder redelijkerwijs is uitgesloten. Deze afstand wordt gemeten tussen de bestemmingen van bedrijven en de gevels van geluidsgevoelige objecten. Bedrijfsactiviteiten zijn daarvoor ingedeeld in een aantal milieucategorieën. Een varkenshouderij valt onder milieucategorie 4.1, waarbij een richtafstand van 200 meter geldt. Bepalend hiervoor is geurhinder. In mindere mate is het aspect geluidhinder aan de orde. Hiervoor geldt dat op 50 meter vanaf de inrichting geen onaanvaardbare hinder ontstaat. Tot slot moet rekening worden gehouden met hinder als gevolg van stof, waarbij een afstand van 30 meter als richtafstand geldt. De richtafstand van 200 meter en die van 50 meter zijn weergegeven in figuur 4.1.
Figuur 4.1
28/359
Richtafstanden rondom het plangebied
Uit de beoordeling van de richtafstanden blijkt dat alleen twee agrarische bedrijfswoningen die tegenover de varkenshouderij liggen, binnen de richtafstand van 200 meter liggen. De dichtstbijzijnde woning staat op 110 meter afstand. Voor dergelijke bedrijfswoningen kunnen de richtafstanden worden gereduceerd naar 100 meter, omdat deze woningen niet in een rustige woonomgeving liggen. Aan deze richtafstand wordt wel voldaan. Desondanks is nader onderzoek verricht naar de gevolgen van geurhinder en geluidhinder van de ontwikkeling op het woon- en leefklimaat van woningen in de omgeving. Voor de ontwikkeling van fijn stof wordt verwezen naar paragraaf 4.9. Geurhinder De beoordeling van de mate van geurhinder heeft plaatsgevonden aan de hand van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het criterium van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Deze beoordeling is opgenomen in Bijlage 3. De geuremissie uit de dierenverblijven wordt berekend op basis van vastgestelde geuremissiefactoren per diercategorie die zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderijen. Voor de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu is de geurbelasting van gevoelige objecten in de omgeving berekend met het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunning. De wet geeft maximale waarden voor de geurbelasting die de veehouderij op een gevoelig object mag veroorzaken.
Uit de berekening blijkt dat dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom van Hemelum door de toepassing van diverse maatregelen afneemt. Niet voor al deze geurgevoelige objecten blijft de geurbelasting onder de norm van 2,0 odour units per kubieke meter lucht. Volgens de 50/50-regeling uit de Wgv is het toegestaan om de helft van de geurwinst die behaald wordt door het treffen van maatregelen, te gebruiken voor uitbreiding. Een uitgebreide uitleg over de toepassing van de 50/50-regeling op het bedrijf is opgenomen in de beoordeling geurhinder, in Bijlage 3. Verder wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke minimum afstandseis van 50 meter tussen geuremissiepunten en geurgevoelige objecten in het buitengebied. De uitbreiding is dus uitvoerbaar binnen de kaders van de Wgv. Daarbij wordt opgemerkt dat de Hemelumer Hoeve extra maatregelen treft waarmee de geurbelasting van 2,0 odour units per kubieke meter lucht wordt benaderd. Hoewel zij daartoe op grond van de 50/50-regeling niet kan worden verplicht. Ten aanzien van de beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geldt dat de totale geurbelasting op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom vanwege de inrichting in de nieuwe situatie vermindert. In 2020 is reeds met omgevingsvergunning een luchtwasser geplaatst naar aanleiding van een verzoek om handhaving.
Deze plaatsing maakt de situatie zoals hiervoor beschreven niet anders. Ook is er geen sprake van cumulatie van geureffecten met andere intensieve veehouderijbedrijven. Het invloedsgebied van een dergelijk veehouderij op de achtergrondbelasting bedraagt 2 kilometer. Om een representatieve gecumuleerde geurbelasting te bepalen en op basis daarvan uitspraken te kunnen doen over de kwaliteit van het woon- en leefklimaat ter plaatse van woningen, moeten ook andere bedrijven binnen een radius van 2 kilometer worden meegenomen. De dichtstbijzijnde andere intensieve veehouderijbedrijven liggen ten zuiden van Warns, op minimaal 2,5 kilometer afstand vanaf het plangebied. In de omgeving van het plangebied is zodoende geen sprake van een verhoogde achtergrondbelasting die een negatief effect heeft op de kwaliteit van het woon- en leefklimaat. De investeringen in geurmaatregelen vertalen zich daardoor één-op-één door in een verbetering van het woon- en leefklimaat
29/359
Er kan dus gegarandeerd worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de geurgevoelige objecten in de bebouwde kom van Hemelum is sprake van een redelijke goede milieukwaliteit. In de nieuwe situatie is er sprake van een verbetering van technieken, waardoor de geurbelasting op de omgeving afneemt. Bovendien liggen deze woningen op een afstand groter dan 200 meter. Voor voormalige bedrijfswoningen (en andere geurgevoelige objecten) bij andere veehouderijen, gelden vaste afstanden, ook bij dieren met geuremissiefactoren. De dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten maken deel uit van (voormalige) veehouderijen en bevinden zich op een grotere afstand dan de minimumafstand van 50 meter. Op grond van de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag voor deze objecten geconcludeerd worden dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is. Geluidhinder (inrichtingslawaai) Om de geluidseffecten vanwege de bedrijfsactiviteiten inzichtelijk te maken is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De bijbehorende rapportage is opgenomen in Bijlage 4. In het onderzoek is rekening gehouden met alle relevante geluidsbronnen die tijdens een drukke dag kunnen voorkomen. Het gaat onder andere om de stalventilatie, het lossen van voer, het laden van vleesvarkens en het laden van mest.
De onderzochte situatie kan gezien worden als de akoestisch maximale situatie die kan optreden. Deze geluidseffecten beïnvloeden het woon- en leefklimaat van de omliggende woningen. Voor de beoordeling van de rekenresultaten is de systematiek van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering gebruikt. Het bedrijf moet ook voldoen aan de geluidsvoorschriften van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Naast de toetsing aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is daarom ook een toetsing uitgevoerd aan de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. Tot slot is een beoordeling gedaan van indirecte geluidhinder als gevolg van verkeersbewegingen. Uit het akoestisch onderzoek komt naar voren dat de geluidsbelasting voldoet aan alle gestelde normen. Ter plaatse van woningen in de omgeving ontstaat zodoende geen geluidsoverlast. Conclusie Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat er sprake is van goede afstemming tussen milieugevoelige objecten, in dit geval enkel woningen, en de bedrijfsactiviteiten van de Hemelumer Hoeve. Hierbij wordt benadrukt dat aan alle wettelijke voorschriften wordt voldaan. Van relevante geluidhinder is geen sprake. Geurhinder zal door het nemen van technische maatregelen substantieel afnemen. Vanuit dit aspect bestaan dan ook geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.