Bijlage 10 - Bijlage bij toelichting BGB-II - Historisch- geografische inventarisatie en waardering
Tekst van het document
De rijksbijdrage kwam daarmee op 39 miljoen gulden.145 Hommerts-Oppenhuizen (1970), Wommels (1984) en Wymbritseradeel (1990) Naast deze zes ruilverkavelingen kreeg het grondgebied van de huidige gemeente Súdwest-Fryslân met nog drie ruilverkavelingen te maken. Net als de eerste twee ruilverkavelingen uit de jaren zestig van de vorige eeuw raakten ook deze drie latere ruilverkavelingen slechts de randen van de opdrachtbegrenzing. In 1955 vroeg het waterschap Hommerts-Sneek een ruilverkaveling aan, die gedeeltelijk in 1970 in de ruilverkaveling ‘Hommerts-Oppenhuizen’ werd opgenomen. Een gedeelte van de gronden in de voormalige gemeente Wonseradeel, die ook in 1957 waren voorgedragen voor een ruilverkaveling, maar niet bij de 140
Centrale Cultuurtechnische Commissie, 1985, 55. Centrale Cultuurtechnische Commissie, 1977, 1. 142 Centrale Cultuurtechnische Commissie, 1977, 6-7, 26. 143 Centrale Cultuurtechnische Commissie, 1977, 8-9, 29-30. 144 Centrale Cultuurtechnische Commissie, 1977, 12-15, 33. 145 Centrale Cultuurtechnische Commissie, 1977, 45-48. 141
79
ruilverkavelingen Wonseradeel-Noord en Zuid werden opgenomen kregen een plek in een andere ruilverkaveling, namelijk de ruilverkaveling ‘Wommels’ uit 1984. Als laatste werd een ruilverkaveling uitgevoerd in de voormalige gemeente Wymbritseradiel met de naam ‘Wymbritseradeel’. Deze ruilverkaveling ligt wel in de gemeente Súdwest-Fryslân, maar slecht beperkt binnen de opdrachtbegrenzing. Doordat Gedeputeerden Staten van de provincie Friesland al in 1977 hadden ingestemd met de ruilverkaveling en de Centrale Cultuurtechnische Commissie in 1984 in voorbereiding was gegaan, viel deze ruilverkaveling met een vereenvoudigde procedure onder de nieuwe Landinrichtingswet (1985).146
>> In het Landschapsplan van de ruilverkaveling Wonseradeel-Noord uit 1972 werd – in tegenstelling tot de eerdere ruilverkavelingen – al veel meer rekening gehouden met ‘natuurwetenschappelijke’ en ‘cultuurlandschappelijke’ waarden. In de oudere ruilverkavelingen bestonden de landschapsplannen vaak vooral uit nieuwe beplantingen, maar bij de ruilverkaveling Wonseradeel-Noord werden al vervallen dijklichamen behouden, natuurgebieden aangewezen en ‘oudheidkundige’ elementen beschermd. Vanaf de jaren tachtig werd het gebruikelijk om het Landschapsplan te integreren met het Plan van wegen en waterlopen en één plankaart uit te brengen.
146
Centrale Cultuurtechnische Commissie, 1970, 1-2. Centrale Cultuurtechnische Commissie, 1984, 1. Centrale Landinrichtingscommissie, 1990, 6-7.
80
81
Westergo
Marneslenkboezem
jk tdi
i slu Af
Middelzeeboezem
Wonsstelling
Makkumer Waarden
Bolsward
!
Wonsstelling
Makkum
!
Makkumer Waard
Sneek
!
Polder Geele Strand
Polder Geele Stran d
Workum
!
Lage Midden
Balk
!
Stavoren
!
Gaasterland
Lemmer
!
Opdrachtinformatie
H8. Bestemming Súdwest-Fryslân (1900-1965) Legenda Afsluitdijk, Aanwezig
Begrenzing Verdedigingslinie, Verdwenen
Verkaveling na 1900 aangelegd, Aanwezig ! ! ! ! ! ! ! Tankwal, Verdwenen Ruilverkavelingsweg, Aanwezig
Súdwest-Fryslân
Inundatiegebied, Verdwenen Bunkerstelling, Aanwezig
Bronmateriaal
Schaal 0
Opdracht
1:67.500 op A2-formaat 1
2
3 km
Top10, Kadaster (1:10.000); Bonnebladen (1904-1933); Schotanus (1718); Eekhoff; CHK2, provincie Fryslan (1:50.000).
Cartograaf Martijn Horst, Cultuurland Advies, 2014.
83
Deel B
84
Conclusies en waardering
85
9. Conclusies en waardering 9.1 Samenvatting met onderbouwing van de historisch-geografische waardering Binnen het cultuurlandschap is alles van waarde, maar niet alles is even waardevol. Dit geldt niet alleen bij een wetenschappelijke waardering, maar ook bij de ontwikkelingspotentie van de afzonderlijke elementen, en bij de waardering door bewoners. Alle drie kunnen ze invloed hebben op het politieke standpunt om historisch-geografische waarden al dan niet in het bestemmingsplan op te nemen. Met deze opdracht wordt de eerste stap naar een historisch-geografische waardenkaart gezet door een wetenschappelijke waardering toe te passen. Het is vervolgens aan de gemeente om – optioneel – met ontwikkelingspotentie en bewonerswaardering een drietrapsraket te maken en dat om te zetten in een politiek standpunt.147 Wetenschappelijke waardering van historisch-geografische elementen is een onderwerp dat al enkele decennia in de belangstelling staat. 148 Daarbij wordt vanuit het vakgebied cultuurhistorie niet erfgoedbreed gekeken, maar vaak per discipline, want in de praktijk blijkt dat zowel archeologie, als historische geografie en historische bouwkunde eigen waarderingsmethodieken ontwikkelen. 149 Bij historische geografie wordt meestal vanuit de (breed geaccepteerde) wetenschappelijke waarderingscriteria – i.e.
zeldzaamheid, kenmerkendheid, gaafheid, ensemblewaarde – een op maat gemaakte methodiek vervaardigd. Bij deze historisch-geografische waardering zijn dan ook deze criteria gebruikt. De beoordeling werd uiteengezet in drie niveaus, namelijk gemiddeld, hoog en zeer hoog. Wanneer alle drie de criteria gewaardeerd waren werden deze scores cumulatief en zonder wegingsfactor opgeteld tot een totaalscore. Daarna konden ze teruggerekend worden naar een eindwaardering. Verdwenen elementen zijn niet meegenomen in deze wetenschappelijke waardering. Hoofdstuk 2. Súdwest-Fryslân, gevormd met water, veen, zeeklei en keileem Keileem De basis voor het huidige landschap in de gemeente Súdwest-Fryslân is gelegd in de voorlaatste ijstijd, het Saalien (tussen 370.000 en 130.000 jaar geleden), toen een grote gletsjer vanuit Scandinavië over Noord- en Midden-Nederland trok. Bij Koudum, Hemelum, Scharl en Roode Klif zijn de overblijfselen van deze ijstijd nog in het landschap te zien in de vorm van opgestuwde keileemlagen. De oorspronkelijke stuwwalboog is door latere landijsfasen niet meer geheel intact en ook het tongbekken van het landijs is niet meer aan de oppervlakte beleefbaar (in de ondergrond echter nog wel), waardoor de ensemblewaarde gemiddeld is.
De overgebleven stuwwallen zijn echter gaaf bewaard gebleven, de kenmerkendheid van de stuwwallen in het landschap is zeer hoog en doordat ze in Nederland in hoge mate zeldzaam zijn krijgen de stuwwallen een aardkundige waarde van ‘zeer hoog’.150 Zeeklei Het overgrote deel van het landschap is na de periode van de ijstijden overdekt met jongere lagen, die dateren uit de laatste 10.000 jaar. In de geologische periode van het Holoceen deden water, veen en zeeklei hun intrede en zorgden dat de gemeente Súdwest-Fryslân een bijzonder gevarieerd landschap kreeg. De zeespiegel steeg en aan de kustzijde van de provincie Friesland werd een kwelderlandschap gevormd. Van het kwelderlandschap zijn als eerste de voormalige getijdengeulen van de Marneslenk en Middelzee aardkundig waardevol met een waarde van ‘zeer hoog’.151 Ondanks dat er nog enkele van deze (voormalige) zeeboezems in het noorden van Nederland zijn, bijvoorbeeld de Lauwersmeer in Friesland en de Dollard in Groningen, hebben ze een zeer hoge zeldzaamheid. Daarnaast liggen beide voormalige zeeboezems nog 147
M. Horst (2014). Column Cultuurhistorie. Historisch-geografische waardering voor het bestemmingsplan: een drietrapsraket. Wapenveld. Zie bijvoorbeeld Ministerie van CRM, Natuurwaarden en cultuurwaarden in het landelijke gebied, ’s Gravenhage 1979; L.H. Albers, Het gewichtloze gewogen […], Delft 1987; G.H.P. Dirkx en J.A.J. Vervloet, Oude Leede: een historisch-geografische beschrijving, inventarisatie en waardering van het cultuurlandschap, Wageningen 1989; H. Dijkstra en J.A. Klijn, Kwaliteit en waardering van landschappen, Wageningen 1992; H.G. Baas en W.A. Ligtendag, Project 33 NBP Top Down […], Hoorn 1997; J.A. Hendrikx, Cultuurhistorie van stad en land; waardering en behoud, Utrecht 1999; H.G. Baas et al, Ontgonnen Verleden, Hoorn 2001; A. Idzinga, Een methode voor historisch-geografische waardering, Velp 2005; Landschapsbeheer Nederland, Handboek Cultuurhistorisch Beheer, [Utrecht 2006] 149 Zie voor een vergelijking o.a. Landschapsbeheer Nederland, Handboek Cultuurhistorisch Beheer, [Utrecht 2006], pp. 2-38 t/m 2-39 150 Ten opzichte van de aardkundige waarden in de CHK2 (met nummer 9) van de provincie Friesland is de begrenzing van de stuwwallen aangescherpt en is ook de stuwwal van Koudum ingetekend en als aardkundig waardevol bestempeld.
151 Ten opzichte van de aardkundige waarden in de CHK2 (met nummers 16 en 22) van de provincie Friesland is de begrenzing van de Marneslenk aangescherpt en is ook de voormalige zeeboezem van de Middelzee ingetekend en als aardkundig waardevol bestempeld. Punt van aandacht is hierbij dat de provincie uitgaat van het westelijk gedeelte van de Marneslenk, inclusief oeverwallen en dat deze gemeentelijke kaart uitgaat van de zeeboezem, exclusief oeverwallen. 148
86
gaaf in het landschap en hebben ze een zeer hoge ensemblewaarde met de omliggende kwelder- en oeverwallen en de voormalige Zuiderzee- en Waddenkust. De kenmerkendheid van beide zeeboezems is binnen de opdrachtbegrenzing echter gemiddeld, omdat beiden door hun landgebruik en door hun onregelmatige verkaveling niet op voorhand van het omliggende zeekleigebied kunnen worden onderscheiden. Als tweede is de getijde-oeverwal tussen Workum en Gaast aangewezen als een aardkundig waardevol, omdat deze op de provinciale aardkundige waardenkaart als “een gave en unieke getijdeoeverwal met een grootschalig reliëf” wordt bestempeld.152 Binnen deze rapportage is echter niet voldoende kennis over deze specifieke oeverwal opgebouwd om de provinciale toewijzing als aardkundige waarde te kunnen toetsen. Wel is de begrenzing van de oeverwal aangescherpt. Water en veen Door de kustuitbouw van de kwelders stagneerde de afwatering van het achterland en kon er landinwaarts laag- en hoogveenmoerassen ontstaan. Dit resulteerde in een zeer uitgestrekt veenlandschap dat dichtbij getijdegeulen en riviertjes vooral uit rietmoerassen bestond, in de zone daarachter geleidelijk overging in open zeggenmoerassen en uiteindelijk in een enkele meters hoger gelegen hoogveenlandschap.
Binnen het veenlandschap konden grote meren ontstaan, al moet dat in de meeste gevallen een combinatie zijn geweest van aardkundige en antropogene invloeden. Het hoogveen is vanaf de tiende of elfde eeuw onder menselijke invloed geheel verdwenen. Het laagveen zit op veel plekken nog in de ondergrond, al dan niet overdekt met een laag zeeklei. Aardkundig gezien krijgen deze landschappen een waarde van ‘gemiddeld’, omdat ze niet zeldzaam zijn en door de massale afgraving hun gaafheid en kenmerkendheid zijn verloren. De ensemblewaarde met de meren en het kwelderlandschap is daarentegen nog wel aanwezig. Bij de meren krijgen de voormalige meeroevers, die bij enkele van de ingepolderde meren nog aanwezig zijn, een aardkundige waardering van ‘zeer hoog’.153 De voormalige veenriviertjes – of wat daar nog van over is – krijgen ook een ‘zeer hoge’ aardkundige waardering vanwege hun zeldzaamheid en zeer kenmerkende kronkelende loop. Hoofdstuk 3. Terpenlân van Súdwest-Fryslân (IJzertijd-850) Terpen Het kwelder- en veenlandschap van de gemeente Súdwest-Fryslân was rond 500 v. Chr. vrijwel boomloos en bij helder weer kon de wijde omgeving over een afstand van vele kilometers worden overzien. Toch was het kwelderlandschap al in de zesde eeuw voor Christus een aantrekkelijk landschap voor mensen om zich te vestigen. In meer dan 1600 jaar – vanaf 500 v. Chr. tot ongeveer 1100 n. Chr.
– gaven deze nieuwe bewoners het natuurlijke kwelderlandschap een compleet nieuw gezicht door terpen op te werpen. In heel Friesland liggen tegenwoordig nog 482 terpen, die geheel of – voornamelijk – gedeeltelijk intact zijn. Binnen de begrenzing van de gemeente Súdwest-Fryslân zijn nog 72 terpen terug te vinden. Daarvan liggen er weer 62 (+ twintig gebieden die vanuit FAMKE in aanmerking komen voor waarderend booronderzoek) binnen de opdrachtbegrenzing. Al deze terpen krijgen een historisch-geografische waardering van ‘zeer hoog’ vanwege hun zeer hoge kenmerkende hoogteverschil met het natuurlijke landschap, ensemblewaarde met de kwelderwallen en landelijke zeldzaamheid. Binnen de terpen zijn echter grote verschillen in de gaafheid, doordat ze vanaf de negentiende eeuw weer zijn afgegraven. Het verschil in gaafheid is echter binnen deze opdracht niet uiteengezet. Hoofdstuk 4. Huidig Súdwest-Fryslân krijgt vorm (850-1150) Moederpolders In de volle middeleeuwen konden de bewoners van het terpengebied het kwelder- en veenlandschap steeds meer naar hun hand zetten, onder meer door middel van bedijking en ontwatering. Eerst door moederpolders aan te leggen, vervolgens door de zeeboezems in te polderen en daarna de veengebieden systematisch in gebruik te nemen.
Processen die vaak onafhankelijk van elkaar werden opgestart en in een tijdsbestek van ruim drie eeuwen de aanblik van Zuidwest-Friesland daarmee zeer ingrijpend veranderden. De moederpolder Hartwerd-Witmarsum was één van de vier moederpolders in Friesland en lag precies op de scheiding van de Marneslenkboezem en de Middelzeeboezem en werd bijna volledig door water omgeven. 152
Zie daarvoor de aardkundige waarden in de CHK2 (met nummer 21). Doordat het niet altijd duidelijk is of een meer een natuurlijke of antropogene ontstaanswijze heeft kan tegen de aanduiding ‘aardkundig waardevol’ in worden gebracht dat het niet om een aardkundig relict hoeft te gaan. Echter, op het moment dat duidelijk wordt dat een meer een antropogene ontstaanswijze heeft zal deze als historisch-geografisch waardevol worden bestempeld en – al naar gelang de gemeente dat wil – in eenzelfde soort beschermingsklasse vallen. 153
87
Van de oorspronkelijke 23,6 km bedijking is binnen de opdrachtbegrenzing nog steeds 16,5 km in het wegenpatroon herkenbaar. Hiervan heeft 7,5 km daadwerkelijk nog een verhoogd dijktraject. Ongeveer 2 km is geheel verdwenen. Buiten de opdrachtbegrenzing is in de overige 5,1 km geen verhoogd dijktraject meer te herkennen, maar ook daar is de voormalige dijk nog wel in het wegenpatroon te volgen. Deze bedijking behoort tot de oudste doorgaande bedijkingen in Nederland en is daarmee behoorlijk zeldzaam. Doordat slechts 2 km volledig is verdwenen kan er gesproken worden van een hoge gaafheid, zeker wat betreft de ouderdom van de dijk. De kenmerkendheid is echter gemiddeld, omdat het dijkpatroon nooit bovenmaats hoog is opgeworpen en tegenwoordig nog maar 7,5 km telt. De ensemblewaarde met de voormalige Marneslenk en de Middelzee is – ondanks de inpoldering van beide zeeboezems – nog steeds aanwezig. De bedijking van de moederpolder krijgt daarmee een historisch-geografische waardering van ‘hoog’. Het gedeelte van de moederpolder dat binnen de opdrachtbegrenzing valt had rond 1900 ongeveer 235,5 km aan ‘oorspronkelijke’ verkaveling. Van deze verkaveling is gedurende de twintigste eeuw bijna 29 procent van de kavelsloten gedempt. Vaak ten behoeve van schaalvergroting in de landbouw.
Daarmee blijft over dat meer dan 70 procent – ongeveer 167,9 km – van de verkaveling nog steeds op de oorspronkelijke plek ligt. De gaafheid blijft daarbij achter bij de kenmerkendheid van de onregelmatige blokverkaveling en het ensemble dat er nog met de dijk ligt. Daarom krijgt ook de verkaveling van de moederpolder een historischgeografische waarde van ‘hoog’. Inpoldering van Middelzee en Marneslenk De Middelzee en de Marneslenk hadden aan het einde van de late middeleeuwen hun grootste uitbreiding bereikt, waarna ze begonnen dicht te slibben. Er werd met inpolderen begonnen wanneer een gebied hoog genoeg was opgeslibd, waarna het land door een dijk werd afgedamd. De bewoners konden daardoor met betrekkelijk weinig inspanning de beide zeeboezems afdammen en inpolderen. Voor de beveiliging van de gebieden ten zuiden van de Marneslenk waren de bewoners al in de elfde eeuw overgegaan tot de aanleg van een onregelmatig gevormde ringdijk, de zogeheten Pingjumer Gulden Halsband, die in vier fasen werd aangelegd. Van de Pingjumer Gulden Halsband is van de oorspronkelijke 13,5 km dijk nog 11 km herkenbaar aanwezig, waarvan een groot gedeelte tevens nog steeds dijktracé is. Dat maakt dat de dijk een hoge gaafheid kent en voor grote delen nog kenmerkend in het landschap aanwezig is.
Tevens is de ensemblewaarde met de voormalige Marneslenk en Zuiderzee nog aanwezig, al dan niet in de ondergrond. De zeldzaamheid van een dergelijke oude ringdijk complementeert de historisch-geografische waarde van ‘zeer hoog’. Het afzwakken van de getijdeninvloed zorgde ervoor dat de Middelzee tussen Bolsward en Sneek begon te verlandden. Daarmee was het een kwestie van tijd dat ook het zuidelijke gedeelte van de Middelzee ingepolderd kon worden. De Middelzeedijk is de enige dijk binnen opdrachtbegrenzing, die bij de inpoldering van de Middelzee betrokken is geweest. Ondanks dat het tracé nog goed te herkennen is in de geasfalteerde weg, is het dijklichaam behoorlijk afgevlakt en niet meer kenmerkend. De ensemblewaarde met de Middelzee is alleen nog in de ondergrond aanwezig. Daarom krijgt de Middelzeedijk – ondanks een zeer hoge zeldzaamheid – een historisch-geografische waardering van ‘zeer hoog’. In de verkaveling is het verschil tussen het oude en het nieuwe land tevens nog goed te zien: het is qua verkavelingsvorm grilliger van patroon. Het nieuwe land is in ruime blokken ingedeeld en is voor een groot deel onbebouwd. Dit geldt echter voornamelijk voor de gronden van de voormalige Middelzee en in mindere mate voor de gronden in de voormalige Marneslenk. Daar kwam een kenmerkende, onregelmatige blokverkaveling voor.
Veertig procent van deze verkaveling is echter verdwenen sinds 1900, waardoor de gaafheid gemiddeld is. Daarom krijgt deze kenmerkende verkaveling een historisch-geografische waarde van ‘hoog’ De zeer kenmerkende blokverkaveling van de Middelzee valt grotendeels buiten de gemeentegrens. Uitzondering hierop is de blokverkaveling ten noorden van Sneek en IJsbrechtum. Daar is nog vijftien van de oorspronkelijke zeventien kilometer aanwezig. De ensemblewaarde met de ingepolderde Middelzee is hoog, maar dan alleen in de ondergrond. Mede door de hoge zeldzaamheid krijgt de blokverkaveling dan ook een ‘zeer hoge’ historischgeografische waardering. Veenontginning in het Lage Midden De regio van Friesland die tegenwoordig bekend staat als het Lage Midden had in de achtste en negende eeuw heel goed het Hoge Midden kunnen worden genoemd. De meren en plassen en de vele verbindingen hiertussen die vandaag de dag bepalend zijn voor het landschap, bestonden in de negende eeuw nog niet. Uitzondering was het Tjeukemeer, dat waarschijnlijk minder dan de helft van de huidige oppervlakte had. Werden de venen langs de rivieren tot in de vroege middeleeuwen slechts in beperkte mate ontgonnen, in de volle middeleeuwen zou de situatie drastisch veranderen. Sinds de late negende en tiende eeuw
88
ontwikkelden zich naast de randontginningen, die grensden aan de kleistreken, uitgebreide rivierontginningen, dat wil zeggen ontginningen die vanuit een veenriviertje werden opgestart. Binnen de opdrachtbegrenzing zijn de randen van drie van deze grote ontginningsgebieden te herkennen, namelijk één ten zuidoosten van Workum, één ten noordoosten van Workum en één ten zuiden van Sneek. Binnen de opdrachtbegrenzing zal in de drie ontginningsblokken ongeveer tussen de 750 en 1000 km aan veenontginningssloten zijn geweest. Hiervan is tegenwoordig van 103 km nog met zekerheid te zeggen dat deze tot de oorspronkelijke veenontginningssloten hebben behoord. De gaafheid is daarmee niet bijzonder hoog, maar de zeldzaamheid – vooral binnen het klei-op-veengebied – wel. De lange strokenverkaveling is daarnaast zeer kenmerkend en de ensemblewaarde met het veen in de ondergrond hoog. De oorspronkelijke veenontginningsloten krijgen dan ook een historisch-geografische waarde van ‘zeer hoog’. Datzelfde geld voor de hoofdafwateringsloten, maar dan met het verschil dat deze een lagere zeldzaamheid hebben, waardoor deze een historisch-geografische waardering van ‘hoog’ krijgen. Het veenlandschap kreeg door de ontginning een volstrekt andere structuur. Van een nauwelijks bewoond, zacht glooiend natuurlandschap met hoogteverschillen van enkele meters werd het een tamelijk vlak cultuurlandschap.
Door klink en oxidatie samen moet de gemiddelde maaivelddaling in het ontginningsgebied na tweeënhalve eeuw ongeveer drie tot vijf meter hebben bedragen, in het centrum meer en aan de randen minder. Tevens konden er meren ontstaan, waarbij over de ontstaansgeschiedenis daarvan – antropogeen, toch natuurlijk of een combinatie van beiden – al enkele decennia discussie gevoerd. Hoofdstuk 5. Ordening en strijd (1150-1550) Hempolders Met het bedijken van de moederpolders en de inpoldering van de Marneslenk en het zuidelijk gedeelte van de Middelzee hadden de bewoners het kwelderlandschap en de invloed van zee behoorlijk onder controle gekregen. Om ook het binnenwater onder controle te krijgen werd wederom een stelsel van dijken aangelegd, ditmaal van binnendijken. Beschermd door de Middelzeedijken in het noorden en de nieuwe dijken in het zuiden ontstonden zo – langs de voormalige begrenzing van de Marneslenk en de Middelzee – een reeks afzonderlijke binnenpolders, die ook wel de hempolders worden genoemd. De gemeente Súdwest-Fryslân heeft negen van de tien Hempolders binnen haar grondgebied liggen. Alleen Rauwerderhem valt er gedeeltelijk buiten. Binnen de opdrachtbegrenzing vallen geheel of gedeeltelijk Schraarderhem, Exmorrahem, Eemswouderhem, Arkumerhem, Riperahem, Scherwolderhem, Scherhem en Rauwerderhem.
De meeste hemdijken zijn nog terug te vinden in het landschap en zijn voornamelijk in gebruik als weg. Maar liefst 86% van de 92 km aan hemdijken ligt binnen de gemeentegrens. De zeldzaamheid is dan ook zeer hoog, net als de kenmerkendheid van deze kronkelende dijken. Daarvan ligt weer 41 km binnen de opdrachtbegrenzing. Van de 41 km is 11 km verdwenen, waardoor de gaafheid niet de maximale score krijgt. De ensemblewaarde met het Lage Midden is nog steeds aanwezig, ondanks dat de binnendijken geen waterkerende functie meer hebben. De historisch-geografische waarde komt voor de hemdijken – met name door de zeldzaamheid en kenmerkendheid – uit op ‘zeer hoog’. De onregelmatige blokverkaveling heeft daarnaast dezelfde zeldzaamheid en kenmerkendheid en is vaak nog goed aanwezig. Alleen bij de Schraarderhem is bijna de helft van de oorspronkelijke verkaveling verdwenen. Deze krijgt daardoor de historisch-geografische waarde van ‘hoog’.
De overige hempolderverkavelingen, die binnen de opdrachtbegrenzing vallen hebben meer dan 75% van hun oorspronkelijke verkaveling behouden en krijgen een historisch-geografische waardering van ‘zeer hoog’ (Exmorsterhem, 75 km aanwezig, 16 km verdwenen; Eemswouderhem, 54 km aanwezig, 14 km verdwenen; Arkumerhem, 25 km aanwezig, 5 verdwenen; Riperahem, 22 km aanwezig, 7 verdwenen; Scherwolderhem, 879 m aanwezig; Scherhem, 16 km aanwezig, 4 km verdwenen; Rauwerderhem, 59 km aanwezig, 26 verdwenen). Van buiten- naar binnenwaterhuishouding Naast een strijd tegen het zeewater heeft men in Westergo voortdurend geworsteld met de binnenwaterhuishouding. In de periode van vóór de bedijkingen was er sprake van een goede natuurlijke afwatering. Om de afwatering te verbeteren werden talloze vaarten gegraven en natuurlijke waterlopen aangepast. Binnen de opdrachtbegrenzing is in deze periode voor ongeveer 200 km aan vaarten gegraven. Hiervan zijn bijna alle vaarten nog steeds aanwezig, al dan niet inhoudelijk aangepast door de eeuwen heen, waardoor een zeer hoge gaafheid naar voren komt. Niet alleen per vaart, maar voor het gehele gegraven
89
stelsel. De kronkelige vorm maakt deze vaarten tevens zeer kenmerkend. De zeldzaamheid blijft door het grote aantal vaarten achter in de waardering, maar desondanks krijgen deze vaarten een historischgeografische waarde van ‘zeer hoog’. Akkercomplexen op de stuwwallen De hoogste delen en de hellingen van de stuwwallen waren, door hun waterhuishouding en zandondergrond, uitermate geschikt voor akkerbouw. In een eeuwenlang proces van ophoging met humushoudend materiaal uit de potstallen konden daardoor boven op de stuwwallen grote, aangesloten akkercomplexen ontstaan. Binnen de opdrachtbegrenzing lagen de akkercomplexen van Scharl, Warns, Roode Klif, Hemelum en Koudum. Tegenwoordig is van deze kleinschalige verkaveling op de akkercomplexen in heel Friesland echter weinig tot niets meer te herkennen. Ook bij de akkercomplexen binnen de opdrachbegrenzing is de kenmerkendheid daarom laag. Vaak zijn nog wel de ondergrondse enkeerdgronden aanwezig, wat de gaafheid van de enken waarborgt, maar heeft het bovengrondse landschap een verandering doorgemaakt door schaalvergroting en wisseling van grondgebruik.
In de praktijk betekent dat, dat veel voormalige akkercomplexen tegenwoordig nog maar enkele eigenaren hebben – in tegenstelling tot de tientallen verschillende eigenaren tot aan het einde van de negentiende eeuw – en dat de kleine akkers zijn omgeploegd tot grote, open weidegebieden. Daarnaast hebben ze een gemiddelde zeldzaamheid en een zeer hoge ensemblewaarde met de onderliggende stuwwal. Over het geheel krijgen ze daarom een ‘hoge’ historisch-geografische waardering. Hoofdstuk 6. Voortvarend en welvarend (1550-1800) De Nieuwe Zeedijk en slaperdijken In de late middeleeuwen brak het zeewater van de Zuiderzee geregeld door de zee- en slaperdijken heen. Hierbij ontstonden doorbraakkolken en in het ergste geval werden hele stukken land langs de westkust van Westergo weggeslagen. De kolken krijgen een ‘zeer hoge’ historisch-geografische waardering door hun zeer hoge zeldzaamheid en kenmerkendheid. Vanaf de twaalfde eeuw – wanneer de Zuiderzee ontstond – is de kustlijn daardoor verschillende malen naar het oosten verplaatst. Alhoewel de zeedijken op zichzelf versterkt werden, werd ook besloten om twee slaperdijken aan te leggen, namelijk de Koudumer Slaperdijk en de Zuriger Slaperdijk. De Nieuwe Zeedijk werd 44 km lang, waarvan slechts 1 km is verdwenen. Daarmee heeft het een uitzonderlijke hoge gaafheid.
Door buitendijkse inpolderingen is de ensemblewaarde met het buitendijkse water echter lager geworden. Kenmerkendheid en zeldzaamheid blijven echter zeer hoog, waardoor de dijk een ‘zeer hoge’ historisch-geografische waarde heeft. Dat geldt tevens voor de beide slaperdijken, die weliswaar een hogere ensemblewaarde krijgen, maar dan weer iets minder zeldzaam zijn. Eerste buitendijkse inpolderingsfase Behalve dat er op bepaalde plekken hele gedeelten van de kust werden weggeslagen kon er ook aanslibbing voorkomen. De aanslibbing van de zee-inham tussen Hindeloopen en Workum was in het midden van de zestiende eeuw zover gevorderd dat plannen voor de indijking van de ‘ynbochte’ werden gemaakt. De inpoldering van het Workumer Nieuwland kwam in 1621 tot stand. De oorspronkelijke, kenmerkende, rationele verkaveling had 58 km aan sloten, waarvan 12 km inmiddels weer is verdwenen. De ensemblewaarde met de polderwegen, de bedijking en het buitendijkse water is ook nog grotendeels aanwezig. De verkaveling in het Workumer Nieuwland heeft daardoor een ‘zeer hoge’ historischgeografische waarde. Datzelfde geldt voor de polderwegen, waar van de 7 km aan wegen slecht 900 m is verdwenen. Eerste binnenlandse inpolderingsfase Dit is tevens de periode dat de eerste inpoldering van binnenlandse meren plaatsvind.
Op de overgang van de late middeleeuwen naar de nieuwe tijd was er echter nog geen enkel meer ingepolderd in Friesland, de organisch ingepolderde meren daargelaten. Dat zou pas vanaf de zeventiende eeuw het geval zijn. In 1620 werden de eerste Friese meren drooggemalen; de Staverense meren. In totaal werden in deze fase vier meren drooggemalen met een oppervlakte van 450 ha. De ontginningstructuur binnen de droogmakerijen wordt vaak gekenmerkt door de grootschalige en rationele verkaveling. Binnen de Noorder- en Zuidermeerpolder en Fallingabuurtster en Aaltjemeerpolder komt deze gedeeltelijk voor. De ontginningswegen zijn namelijk wel rationeel aangelegd, maar de verkaveling daarbinnen slechts gedeeltelijk. Bij de Noordermeerpolder is daarnaast een groot gedeelte van de verkaveling verdwenen (19 km aanwezig en 12 km verdwenen), waardoor de historisch-geografische waardering ‘gemiddeld’ uitvalt. De polderwegen zijn echter nog wel grotendeels aanwezig. Bij de Zuidermeerpolder valt dit precies andersom
90
uit: de verkaveling is relatief gaaf aanwezig (18 km aanwezig en 2 km verdwenen), maar de wegen zijn grotendeels verdwenen. De verkaveling van de Zuidermeerpolder krijgt dan ook een ‘hoge’ historischgeografische waardering. Datzelfde geld voor de Fallingabuurster- en Aaltjemeerpolder (verkaveling 6600 m aanwezig en 1644 verdwenen en wegen 500 m aanwezig en 500 m verdwenen, maar nog wel herkenbaar). Deze krijgt – op de polderwegen na – ook een ‘hoge’ historisch-geografische waardering. Eendenkooien Het waterrijke, dun bevolkte gebied van het Lage Midden leende zich bij uitstek voor het aanleggen van eendenkooien, waarmee met een waterplas en in grote vangpijpen eenden werden gelokt en gevangen. Binnen de opdrachtbegrenzing hebben maar liefst veertien eendenkooien gelegen. Tegenwoordig zijn daar er nog drie van over. In geheel Friesland zijn er nog ongeveer twintig, wat ze dus een hoge zeldzaamheid geeft. Ze zijn te herkennen aan de hoog opgaande kooibossen rondom de kooiplassen en vormen een markant element in het open landschap. Alle drie de eendenkooien hebben deze kenmerkendheid nog en liggen er daardoor ook nog gaaf bij. Tevens is bij alle drie nog de – relatieve – rust van het uitgestrekte landschap aanwezig om de ensemblewaarde compleet te maken. Alle drie de eendenkooien krijgen daarom een historisch-geografische waarde van ‘zeer hoog’.
Trekvaarten en opvaarten Tot ver in de negentiende eeuw vormden waterwegen de belangrijkste transportroutes op het grondgebied van de gemeente Súdwest-Fryslân. Het land beschikte van nature al over een dicht netwerk van geulen, prielen en kreken. Door de tijd heen zijn de vaarwegen voortdurend heringericht om te voldoen aan de eisen van de tijd. Zo werden de vaarten in de zeventiende eeuw grondig verbeterd en aangepast voor de trekschuit. In totaal werd in Friesland langs de trekvaarten 135 kilometer trekweg aangelegd. Daarvan ligt 16 km binnen de opdrachtbegrenzing. De rechte verbindingsvaarten zijn zeer kenmerkend is en liggen nog gaaf in het landschap. Ondanks hun lagere zeldzaamheid hebben ze een ‘zeer hoge ‘ historisch-geografische waarde. Opvaarten zorgden voor de ontsluiting van dorpen en boerderijen die niet aan hoofdverkeersaders lagen. Voor deze elementen geldt dezelfde waardering. Hoofdstuk 7. Landbouw, straatwegen en spoorlijnen (1800-1900) Met het aanleggen van nieuwe dijken, de eerste inpoldering van de grote meren en het verbeteren van het vervoer door middel van trekvaarten en opvaarten lieten de bewoners van het zuidwesten van Friesland het middeleeuwse landschap definitief achter zich. De grote landschappelijke veranderingen stonden echter pas op het punt van beginnen.
Tweede binnenlandse inpolderingsfase Nadat vroeg in de zeventiende eeuw enkele meren in Friesland met Hollands kapitaal waren ingepolderd bleef het aantal Friese droogmakerijen in de rest van de zeventiende eeuw en achttiende eeuw zeer beperkt. Het overgrote deel van de droogmakerijen in de gemeente Súdwest-Fryslân dateert dan ook uit de negentiende en twintigste eeuw. Het ontbeert daarom de lange historische dimensie, zoals die wel bij veel Noord-Hollandse droogmakerijen aanwezig is. De Friese droogmakerijen waren vaak erg klein van omvang. Uitzonderingen zijn de Makkumer-, Parregaaster- en Workumermeerpolders die in de negentiende eeuw grotendeels met Engels kapitaal werden drooggemaakt. Door hun geringe omvang liggen ze relatief onopvallend in het landschap verborgen. Daarnaast hebben de kleinere droogmakerijen een geringe diepte. Vaak kregen de kleinere polders niet eens een eigen bemaling, want door de sterk verbeterde omringende waterhuishouding konden de eigenaren de kleinere meren en poelen eenvoudig laten leeglopen door de waterstand te verlagen. Doordat in de meeste gevallen ook nog eens een ringdijk en ringsloot ontbrak, zijn de kleine polders alleen nog te herkennen aan een lichte daling in het landschap. Hierdoor lijkt het erop dat het merenlandschap van het Lage Midden haast op een organische manier werd omgezet in een polderlandschap.
De meeste polders hebben dan ook een lage tot gemiddelde waarde voor kenmerkendheid. Daarnaast zijn ze door de veelheid aan ingepolderde Friese meren tevens beperkt zeldzaam. De ensemblewaarde met het veen- en klei-op-veenlandschap van het Lage Midden is daarentegen nog zeer goed bewaard gebleven. Over het algemeen hebben de polders uit de tweede inpolderingsfase daarom een ‘hoge’ waardering. Uitzonderingen daarop zijn de Makkumermeerpolder, waarbij de oorspronkelijke verkaveling nog zeer goed intact is gebleven en daardoor een ‘zeer hoge’ historischgeografische waardering krijgt, de polderwegen van de Workumermeer- en Parregaastermeerpolder, die ook allebei een ‘zeer hoge’ waardering krijgen. De verkaveling in de kleinere meerpolders hebben daarentegen een zodanig lage kenmerkendheid dat deze een ‘gemiddelde’ historisch-geografische waarde hebben.
91
Kruinige percelen Binnen de opdrachtbegrenzing komen in het noorden op lichte zavelgronden zogenaamde ‘kruinige percelen’ of ‘bolle akkers’ voor. Dit zijn percelen waarbij door middel van een bepaalde ploegtechniek doelbewust grond van de rand van de percelen naar het midden werd verplaatst, waardoor de percelen bol kwamen te liggen en minder last hadden van opbollend grondwater. Op Friese schaal zijn de kruinige percelen zeldzaam. Op landelijke schaal is dit helemaal het geval. De kenmerkendheid heeft daarnaast ook een zeer hoge waarde, want bij de kruinige percelen is de bolling van het perceel vaak nog goed te zien. Door latere egalisatie in het kader van ruilverkavelingen schijnen wel veel kruinige percelen te zijn verdwenen, maar door het ontbreken van een ‘nulmeting’ is dit niet in perspectief te plaatsen. De gaafheid wordt daarom bij de historisch-geografische waardering achterwege gelaten. Als laatste is de ensemblewaarde met de natuurlijke ondergrond van het kwelderlandschap tevens zeer hoog. Ondanks het uitblijven van een waarde voor gaafheid krijgen de kruinige percelen over het geheel een ‘zeer hoge’ historisch-geografische waardering. Wegen voor 1800 Verkeer over land heeft zich tot halverwege de negentiende eeuw beperkt tot wegen over dijken, jaagpaden en de hoger gelegen kwelderwallen.
De wegen gelegen op het oorspronkelijke maaiveld waren grote delen van het jaar onbegaanbaar omdat het te drassig was. Halverwege de negentiende eeuw werd echter de kwaliteit van de bestaande landwegen sterk verbeterd en nieuwe verharde wegen aangelegd. Van de 280 km aan wegen, die voor 1800 al aanwezig waren is tegenwoordig nog 214 km over. Kenmerkend is de ensemblewaarde met de ondergrond en daardoor het vaak kronkelige verloop, dat vaak nog aanwezig is. Op basis daarvan hebben deze oudste wegen een ‘zeer hoge’ historisch-geografische waarde. De 96 km aan wegen die na de tweede helft van de negentiende eeuw is aangelegd hadden geen ensemblewaarde met de ondergrond, maar werden vaak dwars door het landschap aangelegd. Daarnaast is hun zeldzaamheid in het algemeen een stuk lager. Door een hoge gaafheid hebben ze toch een ‘hoge’ historisch-geografische’ waarde. Spoor- en tramwegen Naast de landwegen kwam er eind negentiende eeuw een nieuwe manier van vervoer over land toen de spoor- en tramwegen werden aangelegd. De tramwegen zijn inmiddels allemaal verdwenen, waardoor deze geen historisch-geografische waardering krijgen. De spoorlijnen zijn nog wel aanwezig en hebben een zeer hoge gaafheid en kenmerkendheid, maar doordat ze niet zeldzaam zijn en een lage ensemblewaarde hebben komen ze toch op een ‘hoge’ historisch-geografische waarde.
Kleiwinning Naast de winning van terpaarde werd op veel plaatsen in Westergo klei gewonnen voor de fabricage van bakstenen en dakpannen. De bakstenen werden in de eerste instantie gebakken in kleine veldovens; in de late middeleeuwen kwamen grotere steenbakkerijen en pannenbakkerijen op. Aan de kleiwinning kwam een eind aan begin van de twintigste eeuw als gevolg van de grote concurrentie van elders gelegen steenbakkerijen en het opkomende gebruik van andere steensoorten. Op verschillende plaatsen zijn de afgetichelde percelen nog herkenbaar in het landschap. Kleiwinning is relatief zeldzaam in Friesland, terwijl het op landelijke schaal – met name in het rivierengebied – veelvuldig voorkomt, maar dan met rivierklei in plaats van zeeklei. De afgravingen hebben een zeer hoge kenmerkendheid, doordat de percelen werden afgegraven tot een diepte van 50-100 cm, terwijl de verkaveling veelal in tact bleef. Wanneer ze niet zijn volgestort, hebben ze tevens een hoge gaafheid, maar dat is niet altijd meer het geval. De ensemblewaarde met het onderliggende kleilandschap is tevens nog aanwezig. De afgetichelde kleiwinningspercelen hebben daardoor een ‘hoge’ historisch-geografische waarde. Hoofdstuk 8.
Bestemming Súdwest-Fryslân (1900-1965) Afsluitdijk In de negentiende eeuw, na de drooglegging van de Haarlemmermeer en de komst van stoomgemalen, groeide het idee dat het tijd werd de gevaarlijke Zuiderzee te temmen. Het plan voor de Afsluitdijk kwam in 1918 door de Tweede Kamer en in 1932 werd het laatste sluitgat gesloten. Een jaar later werd de dijk opengesteld voor verkeer. Een dergelijke grote dijk, die niet alleen het achterliggende land beschermd, maar tevens een grote binnenzee afdamt is in Friesland uniek. In Nederland komen vergelijkbare dijken alleen in Zeeland voor en tevens kan de Houtribdijk tussen Lelystad en Enkhuizen in deze categorie worden geplaatst. Door zijn lange, rechte traject heeft de Afsluitdijk tevens een zeer hoge kenmerkendheid en mede door de
92
geringe ouderdom en de onveranderde functie ligt de dijk nog zeer gaaf in het landschap. De ensemblewaarde met de Waddenzee en het IJsselmeer is nog aanwezig. De Afsluitdijk heeft daarom een ‘zeer hoge’ historisch-geografische waarde. Verdedigingslinies Door de aanleg van de Afsluitdijk werd Noord-Holland ook vanuit het noorden over land bereikbaar en dit vormde een bedreiging voor de 'Vesting Holland'. Daarom werden drie nieuwe linies aangelegd. De hoofdverdediging werd in Friesland gevormd door in 1932-1936 de Stelling van Kornwerderzand op de Afsluitdijk aan te leggen met aan de oostzijde – op het vaste land – de Wonsstelling. In de meidagen van 1940 werd de Wonsstelling door de Duitsers veroverd. De Stelling van Kornwerderzand hield stand. Van de Wonsstelling is niets meer zichtbaar en krijgt dus geen historisch-geografische waardering, maar zal een archeologische waardering moeten krijgen. Ondanks de geringe gaafheid van de Stelling van Kornwerderzand krijgt deze toch een ‘zeer hoge’ historisch-geografische waardering, doordat de ensemblewaarde met de Afsluitdijk nog aanwezig is en dergelijke verdedigingslinies zeer zeldzaam, zijn. Tweede buitendijkse inpolderingsfase Met de aanleg van de Afsluitdijk in 1932 was er tevens opnieuw sprake van landaanwas langs de westkust.
Stukken land voor de kust kwamen door de peilverlaging droog te liggen en werden omkaad, zoals de huidige Polder Geele Strand (het zuidelijke deel in 1941/1942 en het noordelijke deel in 1948) en de Makkumer Waard. De verkaveling van de Polder Geele Strand is zeer kenmerkend door de rationele kavels en heeft nog een bijzonder gaafheid, doordat het nog relatief jong is. De verkaveling heeft dan ook een ‘zeer hoge’ historisch-geografische waarde. De verkaveling van de Makkumer Waard is het tegenovergestelde, doordat een kenmerkende verkaveling ontbreekt en krijgt daardoor een ‘gemiddelde’ historischgeografische waarde. Ruilverkaveling In de twintigste eeuw liep een groot gedeelte van de Nederlandse landbouw tegen haar grenzen aan. Dit kwam door een slechte ontsluiting van het gebied, versnippering van het grondeigendom en de slechte waterhuishouding. Om deze problemen het hoofd te bieden werd daarom overgegaan op ruilverkavelingen. In de gemeente Súdwest-Fryslân zijn in de twintigste eeuw negen ruilverkavelingen geweest, die ook allemaal binnen de opdrachtbegrenzing vallen. Opvallend is dat geen enkele van deze ruilverkavelingen in de eerste periode (1924-1953) vallen, acht binnen de tweede periode (1954-1984) en één in de derde periode (1985-heden).
De tweede en derde periode van de ruilverkavelingen hielden ten opzichte van de eerste periode veel meer rekening met het onderliggende cultuurlandschap en zijn daardoor minder kenmerkend voor een typische ruilverkaveling. Tevens is de zeldzaamheid van de tweede en derde periode een stuk lager dan de eerste periode. Daar staat tegenover dat de gaafheid beter bewaard is gebleven. Voor alle ruilverkavelingen geldt dan voor de nieuwe wegen en sloten hetzelfde: namelijk dat deze een ‘gemiddelde’ historisch-geografische waarde hebben.
93
9.2 Kaartenreeks met waardering per hoofdstuk
94
Tsjomwest
Bedelaarsvaart ge
rva
Westergo
ar t
erv aa
Wi tm a
j um
rsu
me
g Pin
rV aa
rt
Ha rlin
rt
Marneslenkboezem
Oosterend Hartwerd-Witmarsum
Middelzeeboezem
Sneeker Oudv
Schraarderhem
aart
Ma
kku me r me
er
Bolsward
!
Exmorrahem
Makkum
!
Ou d
eR i et
Rauwerderhem Scherhem
Eemswouderhem
Sneek
!
Morrahem
Arkumerhem
Oude Rijn
a Parr ega sterm e
es It G
er
Scherwolderhem
Hi es
l um
er
Ee
De H o
rsa
Riperahem
Oudega-Heeg
m rku Wo
er m
eer
Workum
Wij
de L
ar ts
!
Haa n
me e r
Lage Midden
e erm ord No
Balk
!
er
Stavoren
!
Gaasterland
Lemmer
!
WAARDERINGSKAART BIJ HOOFDSTUK 2 VAN "GEMEENTE SUDWEST-FRYSLAN. HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INVENTARISATIE EN WAARDERING VAN HET BUITENGEBIED" Legenda Aardkundig waardevol
Opdrachtinformatie Begrenzing Súdwest-Fryslân
Meeroever, Zeer hoog Natuurlijke waterloop, Zeer hoog
Bronmateriaal
Schaal 0
Opdracht
1:35.000 op A0-formaat 500
1.000
1.500 Meters
Top10, Kadaster (1:10.000); Bonnebladen (1904-1933); Schotanus (1718); Eekhoff (1850); CHK2, provincie Fryslan (1:50.000).
Cartograaf Martijn Horst, Cultuurland Advies, 2014.
Tsjomwest
Westergo
Marneslenkboezem
Oosterend Hartwerd-Witmarsum
Middelzeeboezem
Schraarderhem
Bolsward
!
Exmorrahem
Makkum
!
Rauwerderhem Scherhem
Eemswouderhem
Sneek
!
Morrahem
Arkumerhem
Scherwolderhem
Riperahem
Oudega-Heeg
Workum
!
Lage Midden
Balk
!
Stavoren
!
Gaasterland
Lemmer
!
WAARDERINGSKAART BIJ HOOFDSTUK 3 VAN "GEMEENTE SUDWEST-FRYSLAN. HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INVENTARISATIE EN WAARDERING VAN HET BUITENGEBIED" Legenda
Opdrachtinformatie Begrenzing Súdwest-Fryslân
Terp, Zeer hoog Terp (waard. ond.z.), Nvt
Bronmateriaal
Schaal 0
Opdracht
1:35.000 op A0-formaat 500
1.000
1.500 Meters
Top10, Kadaster (1:10.000); Bonnebladen (1904-1933); Schotanus (1718); Eekhoff (1850); CHK2, provincie Fryslan (1:50.000).
Cartograaf Martijn Horst, Cultuurland Advies, 2014.
Groe ne
dijk
Tsjomwest
Westergo lsband
Pin g
j um
er
Gu ld
en
Ha
lsb
an
d
Pin g
j um
er
Gu ld
en
Ha
lsb
an
d
Ha Pingjumer Gulden
Pin g
j um
er
Gu ld
en
lsb
d
era
an
ns Kri
Ha
ehu
Paa ldijk
d Kou
rm
Marneslenkboezem dijk ister
Oosterend Hartwerd-Witmarsum
Middelzeeboezem
Ma rne dijk
Schraarderhem
n Nijla
ijk
k
lzeed
dsdij
Ma
Midde
rne g we
erd
ijk Huniadijk
Bolsward
d Rid
!
Exmorrahem
Makkum
!
Jon g
eD
ijk Ro ll
em
Kip s
erv
Rauwerderhem
l oo
t
rt
Ou d
Scherhem
Eemswouderhem
aa
eR i et
d Ou eZ o ijlr ed
dijk
e
Tsjaerd
Sneek
!
Of fin g
aW
ies
t er va
art
Zij lro e
de
Morrahem
Arkumerhem
Scherwolderhem
Riperahem
Oudega-Heeg
Workum
!
Lage Midden
Balk
!
Stavoren
!
Gaasterland
Lemmer
!
WAARDERINGSKAART BIJ HOOFDSTUK 4 VAN "GEMEENTE SUDWEST-FRYSLAN. HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INVENTARISATIE EN WAARDERING VAN HET BUITENGEBIED" Legenda
Opdrachtinformatie Begrenzing
Hoofdafwateringssloot, Hoog
Marneslenkpolderdijk, Buiten opdracht
Middelzeepolderdijk, Buiten opdracht
Moederpolderdijk, Buiten opdracht
Verkaveling in 1900 aanwezig, Zeer hoog
Hoofdafwateringssloot, Verdwenen
Middelzeepolderdijk, Hoog
Moederpolderdijk, Hoog
Verkaveling in 1900 aanwezig, Gemiddeld
Verkaveling - oorspr. (veen), Zeer hoog
Marneslenkpolderdijk, Verdwenen
Middelzeepolderdijk, Verdwenen
Moederpolderdijk, Verdwenen
Verkaveling in 1900 aanwezig, Hoog
Verkaveling na 1900 verdwenen, Verdwenen
Bronmateriaal
Súdwest-Fryslân
Schaal 0
Opdracht
1:35.000 op A0-formaat 500
1.000
1.500 Meters
Top10, Kadaster (1:10.000); Bonnebladen (1904-1933); Schotanus (1718); Eekhoff (1850); CHK2, provincie Fryslan (1:50.000).
Cartograaf Martijn Horst, Cultuurland Advies, 2014.
Slach t edijk
Tsjomwest dijk Slachte
m Lollu er va
Fr a n
ek
erv
aa
rt
art
Westergo a tm Wi m rsu erv aa rt
Mo
len
slo
ot
me Pingju
rvaart
m oiu Go erv t aar Lathum
ervaart
Marneslenkboezem
tedijk Slach
Ou d
eA
de r
Oosterend Hartwerd-Witmarsum
rt r va a er de w n r Ko Melkvaa
Schraardervaart
Schraarderhemdijk
Sch ra
arde
r Ou
dev
Middelzeeboezem
aar t
Schraarderhem
lo Oude K
osterva
art
e Zw
tte
rt
Het N a
uw Ma
Bolsward
kk a er v um
e
rt
Exm o
rr av
s ert
aar tj
ijm
er vaar t
rvaa
!
W
ar
Makkum
Hart wad e
Makkum
l oo t
ro Zijl te
Blo e
o Gro
ds
!
Exmorrahem
e ed
Kleine Zijlr oe de
tte Zw e
aart
Gr i en eD ijk
t
Hilleb r and
t ar
loo Zijdes
Hillebrand sv
Rauwerderhem
rva
Scherhem
Eemswouderhem
Bokkesloot
Vaa rt
ke
Oude Zijlroede
der i ge
e an Fr
Blo e
svaart Bu wa ld
Zandsloot
Arkumerhem
er va
He m
Sneek
!
ar t
dij
Morrahem
k
Krabbedijk
ijk
Lolke of Ger ritsvaart
me r dijk
aar t
Scherwolderhem
Ske rd
rt
v Woud
aastervaa Nieuw e G
Houkesloot
Hies lu
Douwe s
Ou d
Ga
te as
d r In
ijk
eD r og
eV aa
Riperahem
rt
s re oe Br
loot
t l oo
u Na W we ijm
Djippert De Indijk
Hieslum er
s ert
Kleine Vaart
Ee
t Roggevaar
Oudega-Heeg
Wei
e De D iep
Monniker Ee
IJs
ke
Meest er Li bo e
ren
va
rt euw evaa
art De
lk Ho
me
er
Nijih uizu
Workum
aart
Kli fra k
Ho rs
a
!
merv
W De es en ter
Nauwe Larts
Vli
et
en
sc
Ko rt
ha
Ha ie
Dijk va
art
He id
ge
me
r do
lte
Lan
ps te
rva
eV
liet
art
aa
ud De O
dv rt
e Gra ch t
Inth
iem
aslo
jk Di
Lage Midden
ot
va art
t esloo Houk
Ind
ijk
uw Nie eB
loo
loot
S we
loks
u Na
Ko u
du
me
rva
r
t
Koudumer Enk
Zeekleigebied
Palesloot
on Gr De
zen
No o
rde
rdi j
ot
kv
slo
aa rt
ui s Kr
Koudumer Enk
n Joha
Friso
kana
al
Balk
D De
!
iep eS
Molkw erumervaart
loo t
ens Monnik
loot de Ou
Stavoren
!
n Joha
Friso
kana
rmeers
Rij ste rv
n ke
aar t
e De F
e Noord
rt Vaa
loot
al
Warnser Enk Hemelumer Enk h Bak uize
Warnser Enk
a rva rt
Gaasterland
Warnser Enk Wielv
Scharler Enk
aart
Zeekleigeb
Scharler Enk
ied
Lemmer
!
WAARDERINGSKAART BIJ HOOFDSTUK 5 VAN "GEMEENTE SUDWEST-FRYSLAN. HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INVENTARISATIE EN WAARDERING VAN HET BUITENGEBIED" Legenda
Opdrachtinformatie Begrenzing
Binnendijk, Zeer hoog
Hemdijk, Verdwenen
Kanaal, Verdwenen
Verkaveling in 1900 aanwezig, Zeer hoog
Binnendijk, Buiten opdracht
Hemdijk, Buiten opdracht
Verkaveling in 1900 aanwezig, Gemiddeld
Verkaveling na 1900 verdwenen, Verdwenen
Hemdijk, Zeer hoog
Kanaal, Zeer hoog
Verkaveling in 1900 aanwezig, Hoog
Enk, Hoog
Bronmateriaal
Súdwest-Fryslân
Schaal 0
Opdracht
1:35.000 op A0-formaat 500
1.000
1.500 Meters
Top10, Kadaster (1:10.000); Bonnebladen (1904-1933); Schotanus (1718); Eekhoff (1850); CHK2, provincie Fryslan (1:50.000).
Cartograaf Martijn Horst, Cultuurland Advies, 2014.
Caspar de
R oblesdijk
Tsjomwest
Zu ri
ch
er
Sla
pe
rdi jk
Westergo
Marnesle? nkboezem R
Oosterend te Sot
Hartwerd-Witmarsum
Bols w
ard
ertr
e kv
aar t
Schraarderhem
Vaart n aar B o otgum
rdijk
Middelzeeboezem
h Sc raa rde rva
Bolsward
art
!
Melkvaart
Exmorrahem
Makkum
Ba b
uu
rst e
rO pv
aa
rt
!
Rauwerderhem Scherhem
Eemswouderhem
Sneek
aar t er tr e kv
r vaa
rt
R R
!
Nieu w
Angte rp
er Opv
Wo rk
e Ga
um
aste
Buismanskoai
Nieuwe Kooi
rt va a
Oude Kooi
d Zan
! ?
aart
Morrahem
Arkumerhem Op v
aa rt
R Scherwolderhem
isl
R
aa Dr oo t
R
Fallingabuurster en Aaltjemeer Fallin gabu urste r - en Aaltje
Riperahem
Oudega-Heeg
Wijd e Va
ord No
erd
Workum art
!
ijk
d Ou
Lage Midden
eZ d ee ijk
Stadskooi
Work
nd
?
c ens Heid
?
ieuwla u me r N
e Oud
! ?
Workumer Nieuwland
R hap
R
id He en
rt
sc
R
va a ster
! ?
ha te ps rva art
e Oud
te Oos
r vaa
rt
R id He en sch
me
va a t er
du
aps
u Ko lap
rt
rS erd ijk
lo Pales
ot
u Ko du me rS lap erd
Otto Poel
ijk
Noordermeerpolder
Balk
!
Noordermeerpolder Molkw er um
ervaart va Op r naa ar t m He
Stavoren
el u
!
R
m
eerpold
er Ri js
ter
va ar
t
Zuiderm
Zuidermeerpolder
Gaasterland
? Zu ide r di jk
?
Lemmer
!
WAARDERINGSKAART BIJ HOOFDSTUK 6 VAN "GEMEENTE SUDWEST-FRYSLAN. HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INVENTARISATIE EN WAARDERING VAN HET BUITENGEBIED" Legenda
R Eendenkooi, Verdwenen ! ? Kolk, Zeer hoog ? Kolk, VErdwenen
Opdrachtinformatie Begrenzing
Binnendijk, Zeer hoog
Kanaal, Verdwenen
Polderwegen, Zeer hoog
Verkaveling in 1900 aanwezig, Hoog
Zeedijk, Zeer hoog
Binnendijk, Verdwenen
Polderwegen, Gemiddeld
Polderwegen, Verdwenen
Verkaveling in 1900 aanwezig, Zeer hoog
Zeedijk, Verdwenen
Kanaal, Zeer hoog
Polderwegen, Hoog
Verkaveling in 1900 aanwezig, Gemiddeld
Verkaveling na 1900 verdwenen, Verdwenen
Eendenkooi, Zeer hoog
Bronmateriaal
Súdwest-Fryslân
Schaal 0
Opdracht
1:35.000 op A0-formaat 500
1.000
1.500 Meters
Top10, Kadaster (1:10.000); Bonnebladen (1904-1933); Schotanus (1718); Eekhoff (1850); CHK2, provincie Fryslan (1:50.000).
Cartograaf Martijn Horst, Cultuurland Advies, 2014.
g awe
w eg
Kuu rd
ieden
r e ke ardFran
Slac ht e
weg
dijk
Mo n n i ke
Greate Pierwei R oblesdijk
Bols w
an
dijk
erla
rder M
wer d
Kimsw e
Papelaan
Kim s
Bolsw ard-H arlingen Harlingerw eg
Kimswerder Laan
Tsjomwest
rw eg
Han iala an
g
Berghuiz e
e aw
Caspar d e
em
Groe ne
tz Sy
Westergo
an ela
hu i st erw
se
Tae k
ne
eg
rla a
zz Hi
n
de ar
r la
an
eg gaw
Allengaweg
ne
ar
n Alle
Kle i
Ald m
hu i st erw
eg
Kle i
Ne s
e rterlean
g Zandwe
e Toarnw
Riegeweg
laa
n
Waltingaleane
Bu re n
eg er w m Aru
Rijpende rlaan ui St
Hem
ert e
Marneslenkboezem ehu
oek
ster w eg
He m
Va n
Bui te
ndi
d Kou
dijk ister
enh
wa g
g
Pan n
Ay l va
n
nbe
rH em
ijk
Sc h
Middelzeeboezem
D ijk
k
Oudeclooster
erhe
ms O ude
Sch raa rde rlaa n
Midde
ijk
n l wa er s
arderw Bolsw
Exmorrahem
ar t
Sneek -B
eg
olsward
r ten Ma St .
naa
Eem s
l
eek
ska
w ou
derl
n-S n
nhu y
aan
Sud e
g
rgoa w ei
Pa
rw Brekke
k
Leeu war d e
rst e rvaa
ngerwe
Allin gaw ie
li Carl Fe
Zijlroed e
Van
sdij
eg
Rauwerderhem
Scherhem Tolhek
g
Ark um
Kooireed
er la
ei
an ku Ar
k
me
a r la
Sneek
!
n
Morrahem
er w e
g
Parregaastermeerpolder
ea w
dij
Fiif g
He m
r erpolde
Meerwe
sterm e
eD
yk
a Parr ega
Eemswouderhem
Angterp
Jou s
t er p
Arkumerhem
ab Kr
be
dij
k
Griene Dy
k
erlaan Ded g
um er d ij
k
Bl
h auw
er la uist
an
Scherwolderhem
Sn
k ee
ls -IJ
t
Dijkvaart
Hies lu
me r dijk
De d
rpolder sterm ee
gum
er d ijk
a Parr ega
ek Boerestre
rie n
Weersterw eg
ijk
rt
k
erd
!
lder
Ma k
Makkumermeerpolder
r va um e
d Rid
Bolsward
o ermeerp
lder
!
o ermeerp
Makkum
Makkum
Nieuw e vaart
Makkum
k merdij
Me
De G
ru Sott e
a er la wied Eng
lzeed
er o st
Bolsw ardMak
lo dec Ou
Zuider laan
kum
dij k
ij rd
Schraarderhem
Hartwerd-Witmarsum rne
st e
Ma
eg
Diep erd
erw
oo Kl
Wo ns
Oosterend
Sch war ze
di j k
g we
rde
d Houw
n Va
l va Ay
raa
e
erl aa
rgw eg
Noorderlaan
Hay
ean umerl
ert
De Welle
erw e
jk
Gooiu m
Paa ldijk
n
Houwd ijk
a tla
rlaa n
o Draaislo
Riperahem
t
pe Ri ra m He k di j
Trekvaart
Kleine Vaart
m Hieslu
er Ee
IJlst-Workum
Oudega-Heeg
Workumermeer
rmeer
Trek wei
Workum e
rmeer
Workum e
Workum
!
id He en sk ips ter dy k
Lieuwe
Lage Midden
K lazes
Wo rk
a Papela
eane
n
L Lange
um
-H i nd el o
pe n
leane
e eid It h
ip n sk
W isk eL ea ne
Ma S er am um eD ud Ko
n l aa
d Ou
n de
lap erd
Haa n
me e r po l der
ijk
n Haa l der r po me e oo kesl Heu
Hindelopen-K ou dum-Molkw erum
Haanmeerpolder
t
Ind
Noo rde rdijk
ijk
tio Sta
ns
i we
on Gr De
n ze
i sv Kru aar t
Fla it
No
Balk
!
it Fla
ar arderm
Het Flait Flait
eg ew
ren m-Stavo
i we
e
Johan Frisokanaal
Koeweg
en
Finkeboskj
Stavoren
d Ou
olkweru
rdijk
Middenweg
e Slap
-M Koudum
rd Oo
Mie
!
ntw ei
Middelw
eg
e Himm
Zui der dijk
rle Ska
rlume
rdijk
Himmelum er
dijk
De Zool
Gaasterland
k rdij
La a
xu
me
rdi jk
Wield
ijk
Lemmer
!
WAARDERINGSKAART BIJ HOOFDSTUK 7 VAN "GEMEENTE SUDWEST-FRYSLAN. HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INVENTARISATIE EN WAARDERING VAN HET BUITENGEBIED" Legenda
Opdrachtinformatie Begrenzing
Kanaal, Hoog
Polderwegen, Zeer hoog
Tramlijn, Verdwenen
Verkaveling in 1900 aanwezig, Zeer hoog
Weg voor 1945, Hoog
Kleiwinning, Hoog
Polderwegen, Gemiddeld
Polderwegen, Verdwenen
Verkaveling in 1900 aanwezig, Gemiddeld
Verkaveling na 1900 verdwenen, Verdwenen
Weg voor 1945, Verdwenen
Kruinig perceel, Zeer hoog
Polderwegen, Hoog
Spoorlijn, Hoog
Verkaveling in 1900 aanwezig, Hoog
Weg voor 1800, Zeer hoog
Bronmateriaal
Súdwest-Fryslân
Schaal 0
Opdracht
1:35.000 op A0-formaat 500
1.000
1.500 Meters
Top10, Kadaster (1:10.000); Bonnebladen (1904-1933); Schotanus (1718); Eekhoff (1850); CHK2, provincie Fryslan (1:50.000).
Cartograaf Martijn Horst, Cultuurland Advies, 2014.