CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10 - Bijlage bij toelichting BGB-II - Historisch- geografische inventarisatie en waardering

Raadsvergadering 28 september 2023, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: Bestimmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân II’36.026 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

26

Wynaldum

Tzumwest

HartwerdWitmarsum

27

4.2 Inpoldering van de Marneslenk en de Middelzee De Middelzee en de Marneslenk hadden aan het einde van de late middeleeuwen hun grootste uitbreiding bereikt. Maar door de afnemende zeespiegelstijging en de doorgaande aanvoer van zand en slib vanuit Zuiderzee en Waddenzee nam de toevoer van water naar deze zeeboezems sterk af. Gevolg was dat beide boezems dichtslibden. De bewoners konden daardoor met betrekkelijk weinig inspanning de beide zeeboezems afdammen en inpolderen.38 Inpoldering van de Marneslenk Voor de beveiliging van de gebieden ten zuiden van de Marneslenk waren de bewoners al omstreeks 1075 overgegaan tot de aanleg van een onregelmatig gevormde ringdijk, de zogeheten Pingjumer Gulden Halsband. De moederpolder Hartwerd-Witmarsum werd als basis gebruikt aangelegd om de ringband tegenaan te leggen. Dit is te herkennen aan de twee haakse aansluitingen van de Pingjumer Gulden Halsband op de Koudehuisterdijk aan beide kanten van Witmarsum. Van de Pingjumer Gulden Halsband is van de oorspronkelijke 13,5 km dijk nog 11 km herkenbaar aanwezig, waarvan een groot gedeelte tevens nog steeds dijktracé is.

Voormalige Marneslenk

Voormalige Marneslenk

Pingjumer Gulden Halsband

Anders dan bij de moederpolders lag het bedijkte land van de Pingjumer Gulden Halsband tussen twee diepe armen van de Marneslenk. Door het noordelijke gedeelte van deze dijk direct ten zuiden van de Marneslenk te leggen werd een groot stuk land tegelijkertijd ingepolderd, waardoor de Marneslenk behoorlijk werd versmald.

Weldra begon men met de afsluiting van de Marne door de aanleg van de Griene Dyk vanaf De Blokken richting Dijksterburen. Deze dijk liep met een boog naar het noordwesten om ten westen van de huidige zeedijk Harlingen-Zurich naar het noorden af te buigen. Ruim een eeuw later was men gedwongen de dijk terug te leggen en hem te vervangen door een voorloper van de huidige dijk. Dat daarbij land moest worden prijsgegeven blijkt uit de verkaveling, want ten westen van Kimswerd worden de percelen als taartpunten door de zeedijk afgesneden. De aanleg van de Griene Dyk hield in dat de Marneslenk, waarvan de Bedelaarsvaart en de Harlingervaart ten zuiden van Kimswerd restanten zijn, werd afgedamd. Na de afsluiting van de Marne brachten de bewoners door middel van dwarsdijken ook verder landinwaarts verbindingen tot stand tussen noordelijke en zuidelijke Marnedijken, waaronder de Groene Dijk tussen Pingjum en Arum, de Griene Dyk ten noordoosten van Witmarsum en de aansluiting van de Pingjumer Gulden Halsband bij Koudehuizum. Her en der werden uitwateringssluizen aangelegd, zoals de Kimswerderzijl, de Harkezijl en de Marnezijl. De meeste daarvan zijn nu verdwenen, maar hun oorspronkelijke aanwezigheid is vaak nog te herkennen aan het toponiem –zijl.39 38 39

Van de Ven, 2003, 91. Provincie Fryslân, 2009, 45-46. Provincie Fryslân, 2009, 47. Schroor, 2000, 37-39.

28

Inpoldering van de Middelzee Doordat de eb- en vloedstromen vanuit het westen via de Marneslenk waren afgesneden, had alleen het getij vanuit de noordelijke ingang van de Middelzee nog invloed op de zeeboezem tussen Bolsward en Sneek. De getijdenstroming moest bovendien tussen Bozum en Deersum door een nauwe engte, waardoor de invloed van de zee wederom werd ingeperkt. Het afzwakken van de getijdeninvloed zorgde ervoor dat de Middelzee tussen Bolsward en Sneek begon te verlandden. Daarmee was het een kwestie van tijd dat ook het zuidelijke gedeelte van de Middelzee ingepolderd kon worden. Omstreeks 1050 werd de Jonge dijk ten noorden van het huidige dorp Nijland aangelegd. Nijland was het enige dorp dat – buiten het Bildt – ontstond in de ingepolderde Middelzee. De volgende inpolderingsdijk was de Platte Dyk, die momenteel bekend staat als de Lege Dyk en de Nieuwlandsdijk. Deze dijk dateert uit omstreeks 1125 en loopt in rechte lijn van Scharnegoutum naar de Slachte bij Greate Wierum. In deze tweede Middelzeepolder liggen ook nu nog enkele met wegen bekroonde oude dijken, die waarschijnlijk alleen een functie hadden als dorpsscheidingen en binnenwaterkeringen. Verder naar het noordoosten tussen Bozumerzijl en Nykleaor verengde de Middelzee zich tot een strook land van slechts achthonderd meter breedte en drie kilometer lengte.

Vanaf dat punt verbreedde de Middelzee zich weer tot een drie kilometer brede zeearm. Het was dan ook dat punt waar omstreeks 1200 een dwarsdijk werd aangelegd, de zogenoemde Krinser Earm, waarmee de zuidwestelijke boezem van de Middelzee voorgoed werd ingepolderd en afgesloten.40 De ‘afdamdijken’ van de voormalige Middelzee zijn allen nog vrij duidelijk te herkennen in het landschap. Binnen de opdrachtbegrenzing is de Middelzeedijk nog in zijn geheel aanwezig.

Voormalige Middelzee

Voormalige Middelzee en kwelderwal

Middelzeedijk De Middelzeedijk is de enige dijk binnen opdrachtbegrenzing, die bij de inpoldering van de Middelzee betrokken is geweest. De Huniadijk ligt voor een klein gedeelte op de grens.

>> Eekhoff drukte in 1834 een kaart met de destijds bekende grenzen van de Middelzee. De trechtervorm van de Middelzee is goed te herkennen. In het zuiden van deze trechter is de vernauwing van de Middelzee te zien, waar het water doorheen moest om Bolsward te bereiken. In werkelijkheid kwam het water verder dan op deze kaart is weergegeven, want ten westen van Bolsward stond het water van de Middelzee in contact met de Marneslenk. 40

Schroor, 2000, 39-40. Stichting voor Bodemkartering, 1974, 42.

29

30

Verkaveling In de verkaveling is het verschil tussen het oude en het nieuwe land tevens nog goed te zien: het is qua verkavelingsvorm grilliger van patroon. Het nieuwe land is in ruime blokken ingedeeld en is voor een groot deel onbebouwd.41 Dit geldt echter voornamelijk voor de gronden van de voormalige Middelzee en in mindere mate voor de gronden in de voormalige Marneslenk. Daar kwam een onregelmatige strokenverkaveling voor. De typerende blokverkaveling van de Middelzee valt grotendeels buiten de gemeentegrens. Uitzondering hierop is de blokverkaveling ten noorden van Sneek en IJsbrechtum. Binnen de gehele opdrachtbegrenzing werd in het nieuwe land van de voormalige Marneslenk en een zeer klein gedeelte van de voormalige Middelzee tot omstreeks 1900 voor 743 km aan nieuwe kavelbegrenzing gegraven. Hiervan is inmiddels 37 procent weer verdwenen. Ook hier is de positieve uitzondering de ruimere blokverkaveling in de voormalige Middelzee, omdat deze door de grotere percelen minder onderhevig was aan schaalvergroting in de landbouw. De nieuwe gronden waren vaak al in gebruik voordat het gebied was ingepolderd. De hoger opgeslibde delen overstroomden alleen nog in de winterperiode en met springvloed. De rest van het jaar werd het gebied als weiland of hooiland gebruikt. Na de inpoldering waren de gronden permanent te gebruiken.

De nieuwlanden werden verdeeld onder de bestaande nederzettingen van het oudland. Een gedeelte van de ingepolderde landen is in gebruik genomen door kloosters.

Voormalige Middelzee Blokverkaveling

Ontginningssloot

Blokverkaveling

Een klein gedeelte van de inpoldering van de voormalige Middelzee valt binnen de opdrachtbegrenzing. Het gedeelte tussen de Thaborwei en de Ivige Leane in IJsbrechtum – ten noordoosten van het Thaborklooster – blijkt ook nog eens bijzonder goed bewaarde blokverkaveling te hebben . Slechts enkele kleine sloten van de ‘oorspronkelijke’ verkaveling zijn vanaf 1900 opgeruimd.

>> Bij de Marneslenk is het juist lastig om het verhaal van het landschap met verkavelingstypen te vertellen. Op de kaart van Huguenin uit 1819-1829 zijn de onregelmatige blok- en strokenverkavelingen van drie ontginningsgebieden te onderscheiden, namelijk de moederpolder van Hartwerd-Witmarsum, de kwelders en de Marneslenk. 41

Provincie Fryslân, 2009, 47.

31

Kwelder

Marneslenk

Moederpolder Kwelder en zeeklei

32

4.3 Ontginning van de veengebieden in het Lage Midden De regio van Friesland die tegenwoordig bekend staat als het Lage Midden had in de achtste en negende eeuw heel goed het Hoge Midden kunnen worden genoemd. De meren en plassen en de vele verbindingen hiertussen die vandaag de dag bepalend zijn voor het landschap, bestonden in de negende eeuw nog niet. Uitzondering was het Tjeukemeer, dat waarschijnlijk minder dan de helft van de huidige oppervlakte had.42 Hoogveenlandschap en oudste veenontginning Een belangrijk deel van dit gebied was in die periode namelijk onderdeel van een groot veengebied en lag ongeveer drie tot vier meter boven het huidige maaiveld. Zeespiegelrijzing zorgde in achterland voor sterke grondwaterstandsstijging; zowel in de rivierdalen als op tal van moeilijk afwaterende plaatsen in de toenmalige zandgebieden ontstond op grote schaal veen. Langs de rivieren en getijdegeulen groeiden rietlanden, zeggemoerassen en broekbossen, die in de loop der eeuwen tot dikke lagen rietveen, zeggeveen en broekveen leidden. Maar ook de hogere zandgronden verdwenen deels onder het veen. Hier groeide op grote schaal veenmosveen (hoogveen) dat kon uitgroeien tot uitgestrekte hoogveenmoerassen, die op diverse plaatsen ook hooggelegen veenkoepels vormden. Tussen deze koepels lagen tal van kleine veenstroompjes en soms ook grote veenmeren.

De koepels hadden een doorsnede van 10 tot 15 km en bereikten een hoogte van drie tot vier meter boven NAP. De veenmoerassen langs de rivieren en getijdegeulen waren veel vlakker en lagen enkele meters lager. In Sudwest-Fryslân bevonden zich tal van veenstroompjes, die samenvloeiden in enkele grotere veenrivieren die in dit deel van Friesland meestal de naam Ee droegen. Ook het Ges bij Sneek is van oorsprong zo’n veenrivier. Aangezien veen echter een geheel met water verzadigde substantie is, vloeide na iedere regenbui het water onmiddellijk weg. Hierdoor waren er ook talloze stroompjes, die na iedere zware regenbui een nieuwe bedding zochten.43 De randen van dit grote veengebied lagen aan het einde van de vroege middeleeuwen binnen de opdrachtbegrenzing. De bewoners van het kwelderlandschap gebruikten vóór de grote middeleeuwse ontginningen het achterliggende veenlandschap voor het steken van turf, visvangst in de veenrivieren en veenmeren, alsmede voor zomerbeweiding (transhumance).

Zowel rond de jaartelling als in de Karolingische tijd hebben kwelderbewoners voorts ook de randen van het veengebied gekoloniseerd en daar de eerste strokenverkavelingen en nederzettingen aangelegd.44 De meer centrale delen van het veengebied zullen moeilijk begaanbaar zijn geweest voor gebruik, afgezien van enige visserij met fuiken.45 Veenontginningsgebieden Werden de venen langs de rivieren tot in de vroege middeleeuwen slechts in beperkte mate ontgonnen, in de volle middeleeuwen zou de situatie drastisch veranderen. Sinds de late negende en tiende eeuw ontwikkelden zich naast de randontginningen, die grensden aan de kleistreken, uitgebreide rivierontginningen, dat wil zeggen ontginningen die vanuit een veenriviertje werden opgestart. Hiermee nam het in cultuur gebrachte areaal enorm toe.46 Er werd gestart met het graven van een aantal lange, rechte en vrij brede sloten die loodrecht op een veenriviertje stond en hierop werden afgewaterd. Deze brede sloten werden tevens als vaarweg gebruikt. Door vanuit deze hoofdafwateringssloten evenwijdig lange sloten te graven, zo mogelijk loodrecht op de hoogtelijnen, werd het veen ontwaterd. Om de driehonderd tot vijfhonderd meter konden dan dwarssloten worden gegraven, zodat er rechthoekige stroken land ontstonden. Via de veenriviertjes vond dan de afvoer van het water plaats.

Parallel aan deze vaarten werden minder brede sloten gegraven en na enkele honderden meters kwamen er dwarssloten. Zo ontstonden rechthoekige percelen met een lengte van tweehonderdvijftig tot vijfhonderd meter en een breedte van vijftig tot honderdvijfentwintig meter. Vervolgens werden parallel aan de lange sloten op de percelen greppels gegraven. De sloten moesten een behoorlijke diepte hebben, zodat het water uit de laagveenbodem goed kon wegsijpelen. Als de percelen zo een jaar gelegen hadden, begon zich een zode te vormen die in staat was mens en dier te dragen, zij het dat voorzichtigheid voorlopig nog geboden bleef. Gedurende drie jaar was het pas ontgonnen gebied min of meer in vrij gebruik voor het weiden van schapen en koeien. In het vierde jaar moest het volgens het oude Friese Schoutenrecht worden verdeeld.47

42

Bakker, 2003, 88. Bakker, 2005, 2. Bakker, 2003, 88. Bakker, 2005, 2. 44 Zie voor een uitgebreide beschrijving van de menselijke activiteiten tussen de late IJzertijd en de vroege middeleeuwen de publicatie van De Langen, 2011, 73-85. 45 Bakker, 2001, 56-57, 59-60. 46 De Langen, 2011, 85. 47 Bakker, 2001, 59-60. Van de Ven, 2003, 60-61. Provincie Fryslân, 2009, 42. De Lange, 2011 43

33

>> Op Bonneblad 145 uit 1909 zijn de hoofdafwateringssloten die gegraven worden vanuit de Sneeker Oudvaart (hier de Oude Vaart genoemd en met gele pijlen aangegeven) nog goed te herkennen. Binnen de opdrachtbegrenzing liggen de Rollemer Vaart (ook wel Buirster Vaart genoemd), de Kipsloot en de Offingawierster Vaart met Zijlroede. Deze zijn aangegeven met witte pijlen. Maar ook buiten de opdrachtbegrenzing liggen nog een aantal hoofdafwateringssloten, waaronder de Sijbrandabuurster Vaart, de Aesgama Opvaart, de Sjaardamasloot en het Meerdeel met de Oude Zijlroede.

Aan de hand van de richting van de verkaveling kunnen in het Lage Midden meer dan tien gebieden onderscheiden worden. Stroomopwaarts varend gaf een aantal riviertjes vanaf de klei toegang tot het veengebied. Vrijwel nergens in het gebied was er belemmering van grote, open meren: het overgrote deel van het veenlandschap bestond nog onafgebroken uit veenmoeras. Binnen de opdrachtbegrenzing zijn de randen van drie van deze grote ontginningsgebieden te herkennen, namelijk één ten zuidoosten van Workum, één ten noordoosten van Workum en één ten zuiden van Sneek.48 Ten zuidoosten van Workum Het ontginningsblok ten zuidoosten van Workum werd vanuit het westen ontgonnen, al is landschappelijk niet helemaal duidelijk wat de ontginningsbasis is geweest. Het voormalige riviertje de Grons lijkt het meest logisch te zijn en deze zou in het hedendaagse landschap nog te herkennen zijn aan de open wateren van Zandige Grons en Ursula Poel.49 In het oosten liepen de ontginningssloten vast op een andere veenontginning die uit het noorden kwam. Tussen beiden ontginningsgebieden is nog altijd een scherpe grens te herkennen, namelijk de Fokkesloot. Deze ligt op de grens van de gemeente Súdwest-Fryslân en de gemeente Friese Meren. Voorheen was deze sloot de grens tussen de oude gemeenten Hemelumer Oldeferd, Gaasterland en Wymbritseradiel.

Aan de noordzijde vormen de Lange Vliet, de Korte Vliet en de Inthiemasloot de begrenzing.50. Binnen de opdrachtbegrenzing zal ongeveer tussen de 200 en 250 km aan veenontginningssloten zijn geweest. Hiervan is tegenwoordig van 57 km nog met zekerheid te zeggen dat deze tot de oorspronkelijke veenontginningssloten hebben behoord. Ten noordoosten van Workum Net als het zuidoostelijk ontginningsblok moet het noordoostelijk blok ontgonnen zijn vanaf het riviertje de Grons. De zuidgrens begint bij de Lange en Korte Vliet. De oostgrens is nog maar slecht te herkennen door de latere meervorming, maar lijkt te lopen ten oosten van Sandfurd. De noordgrens werd bepaald door de aanwezigheid van zeeklei op de lijn tussen Hieslum en Greonterp. Afgaande op de oude verkaveling en de loop van het Vlakke en Oudegaasterbrekken is het aannemelijk dat de Grons daar een bocht maakte. Op die manier maakte de verkaveling ook een bocht van – grofweg – west-oostelijke richting naar noord-zuidelijke richting. Binnen de opdrachtbegrenzing zal ongeveer tussen de 50 en 75 km aan veenontginningssloten zijn geweest.

Hiervan is tegenwoordig van 8 km nog met zekerheid te zeggen dat deze tot de oorspronkelijke veenontginningssloten hebben behoord.51 Ten zuiden van Sneek Ten zuiden van Sneek zijn een aantal verschillende ontginningsgebieden te onderscheiden, waarbij het lijkt dat ze dezelfde ontginningsbasis hebben, namelijk de Sneeker Oudvaart en de Geeuw. Ten noordoosten en zuidwesten van Goënga werd het veen geschikt gemaakt voor akkerbouw. Als ontginningsbasis werd de Sneeker Oudvaart – destijds een natuurlijke waterloop aan de rand van het laagveengebied – gebruikt. 52 Ten zuidwesten van Sneek was de Geeuw de ontginningsbasis en was de grens tussen de oude gemeenten Ylst en Sneek de grens van twee ontginningsgebieden. In het Lage Midden liepen de ontginningen vast op andere ontginningsgebieden. Door de hoogteverschillen in de veenkoepels ontstonden voor de verschillend georienteerde verkavelingssystemen, van noordwestelijke richting tot zuidoostelijke richting en van noordoostelijk tot zuidwestelijk. Binnen de opdrachtbegrenzing zal ongeveer tussen de 150 en 200 km aan veenontginningssloten zijn geweest. Hiervan is tegenwoordig van 38 km nog met zekerheid te zeggen dat deze tot de oorspronkelijke veenontginningssloten hebben behoord. 48

Schroor, 2012, 52. Schroor, 2012, 52. Op de AHN is deze ontginningsbasis niet meer te herkennen, maar op basis van de grietenijkaarten van Schotanus uit 1718 is het mogelijk om oude – reeds verdwenen – poelen denkbeeldig te verbinden tot een riviertje dat de ontginningsbasis geweest zou kunnen zijn. 50 Schroor, 2012, 52. 51 Schroor, 2012, 52-53. 52 Bakker, 2001, 59-60. Van de Ven, 2003, 60-61. Provincie Fryslân, 2009, 42. 49

34

Goënga

35

Dalend veen: inklinking en oxidatie Door de ontwatering ging het veen indrogen, wat een proces van klink en oxidatie op gang bracht met als gevolg een maaivelddaling. Het gevolg van de maaivelddaling werd vooral tijdens een regenrijke periode merkbaar. Door de hoge grondwaterstand was het akkerland dan moeilijk te bewerken. Als oplossing werd het waterpeil in de sloten verlaagd. Voor de opkomst van de bemaling bereikte men dit door het verder uitdiepen van de sloten om zo het water beter te laten afstromen. Dit leidde tot nieuwe klink en oxidatie. Na verloop van tijd kwamen de percelen zo laag te liggen dat ze niet meer voor akkerbouw geschikt waren en slechts voor het weiden van vee of als hooiland gebruikt konden worden.53 De ontginning ging voortdurend verder. Nadat twee tot tweeënhalve kilometer in het veen ontgonnen was, werden de watergangen over het algemeen te lang om een goede afvoer te waarborgen. Dan werd zo mogelijk gebruik gemaakt van een ander veenstroompje voor een nieuwe ontginningsbasis en wanneer deze niet voorhanden was, werd er een waterloop gegraven. Zo groef men in het huidige Sneekermeer ter hoogte van de vaargeul van het Prinses Margrietkanaal een tweede ontginningsbasis.

Hier kwam een nieuwe nederzetting.54 In het vierde kwart van de twaalfde eeuw waren de veenontginningen in het zuidwesten van Friesland grotendeels voltooid.55 Bijzonder voor de gemeente Súdwest-Fryslân is dat de veenontginning aan de randen van het Lage Midden na de ontginning met zeeklei zijn overspoeld, maar dat de oorspronkelijke ontginningsloten bewaard zijn gebleven. Daardoor is in een gedeelte van het klei-op-veengebied nog steeds een strokenverkaveling te herkennen en niet – zoals vaak gebruik voor het zeekleigebied – een blokverkaveling. Met ruime pen gerekend zal binnen de opdrachtbegrenzing tussen de 750 en 1000 km aan veenontginningssloten zijn geweest. Hiervan is tegenwoordig van 103 km nog met zekerheid te zeggen dat deze tot de oorspronkelijke veenontginningssloten hebben behoord.56 Nadat de veenontginning tot een einde was gekomen en aan de randen zeeklei was afgezet gingen bewoners – zowel in het veen- als in het klei-op-veenlandschap – ertoe over om op een onregelmatige manier dwarssloten te graven en sloten te dempen. Dit proces heeft zich eeuwenlang voortgezet en vooral aan de westkant van het Lage Midden ervoor heeft gezorgd dat de oorspronkelijke veenverkaveling niet altijd even goed te herkennen is. Het veenlandschap kreeg door de ontginning een volstrekt andere structuur.

Van een nauwelijks bewoond, zacht glooiend natuurlandschap met hoogteverschillen van enkele meters werd het een tamelijk vlak cultuurlandschap. Door klink en oxidatie samen moet de gemiddelde maaivelddaling in het ontginningsgebied na tweeënhalve eeuw ongeveer drie tot vijf meter hebben bedragen, in het centrum meer en aan de randen minder. Water, dat oorspronkelijk vanuit het Hoge Midden over de nog niet erg hoog opgeslibde kwelder gemakkelijk naar zee kon afstromen, kon na de enorme maaivelddaling steeds moeilijker afwateren. Het gebied ging daardoor steeds meer als een badkuip fungeren, ook al omdat de kwelders steeds hoger opslibden. Het Hoge Midden veranderde zo in het Lage Midden en het nieuwe landschap zou voor een bewoner uit de negende eeuw volstrekt onherkenbaar zijn geweest.57

>> Aan de rand van het veengebied bij Sneek en Goënga kronkelde de Sneeker Oudvaart als natuurlijke waterloop door het veenlandschap. De kronkelende loop is nog goed te herkennen. Het voormalige hoogteverschil tussen het veengebied aan de ene kant en het zeekleilandschap aan de andere kant echter niet meer. 53

Bakker, 2001, 61-63. Bakker, 2005, 4. Provincie Fryslân, 2009, 31-32. Andere vermoedelijk gegraven ontginningsbases – buiten de opdrachtbegrenzing – tussen Akkrum en Akmarijp waren het Henshuister Deel, de Wijde Geeuw en wellicht de Snikzwaagstervaart. Vervolgontginningsbases elders waren onder meer het Var of Phar en de Weinfeart bij Heeg. Niet allemaal zijn ze nog terug te vinden. 55 Zie voor meer informatie over de veenontginningen ten zuiden van Sneek de publicaties van De Cock (1984), Bakker (2003) en De Lange (2011). 56 Met een meetlint (measure tool) zijn in GIS alle rechte lijnen in het veen en klei-op-veenlandschap nagelopen, ook die met onderbrekingen. Naast deze lijnen zijn er nog steeds lijnen die opvallend evenwijdig lopen aan de gemarkeerde lijnen, maar die erg kort zijn of verspringen. Deze zijn niet gemarkeerd, omdat moeilijk aan te tonen is of ze echt oorspronkelijk zijn of dat ze in een latere periode evenwijdig aan de oudere kavelsloten zijn aangelegd. 57 Bakker, 2001, 59-60. Zie voor een uitgebreide beschrijving van het veengebied ook Schroor (2012), pp. 40-58. 54

36

Zeeklei-ontginning met onregelmatige blokverkaveling

Veenontginning met strokenverkaveling

Sneeker Oudvaart

37

4.4 Ontstaan van de meren Over het ontstaan van de meren in het Lage Midden wordt al enkele decennia discussie gevoerd. Aan de ene kant is er de lage ligging van de meren, waardoor het aannemelijk is dat in laaggelegen klei-opveengebieden altijd uitgestrekte waterrijke laagtes zich hebben bevonden. Aan de andere kant zijn er meren in het Lage Midden waar de verkaveling zich over het algemeen niets van de tussenliggende waterboezem aantrekt. Aan beide kanten van de meren komt dan een doorgaande verkaveling voor, zoals bij het Heegermeer, de Oudegaster Brekken en de Groote of Lemster Brekken. Dit impliceert dat er ook meren zijn ontstaan nadat de verkaveling tot stand is gekomen en dus onder menselijke invloed tot stand zijn gekomen.58 Er zijn tevens meren waarbij de verkavelingspatronen niet over het water doorlopen, zoals bij het Tjeukemeer en het Slotermeer. Wellicht betreft het hier meren die voor de aanvang van de ontginning reeds aanwezig waren en die destijds als een natuurlijke scheiding werden ervaren. Hieruit kunnen we afleiden dat de meren behoorlijk in ouderdom en ontstaanswijze kunnen verschillen.59 Het is daarbij moeilijk te zeggen welke schade door stormvloeden uit de twaalfde en dertiende eeuw werd aangericht, maar er komt wel een totaalbeeld uit naar voren.

Iedere keer wanneer de zee binnendrong in het ontginningsgebied werd er slappe, halfdroge, los op de zanderige onderlaag rustende veengrond weggeslagen. Zo groeiden waterlopen en poelen door het geweld van het water uit tot kleinere en grotere meren. Het Sneekermeer, de Goïngarijpster Poelen en de Zoutepoel zijn hoogstwaarschijnlijk in de eerste helft van de dertiende eeuw ontstaan.60 Maar ook menselijke activiteiten stonden aan het ontstaan van de meren in het Lage Midden. De gangbare theorie daarbij is dat de meren het gevolg zijn van uitgebreide zelnering, die – getuige de archeologische vondsten – aanvang nam in de achtste eeuw.61 Het veen was vooral in het noorden van het Lage Midden verzilt door de zeeoverstromingen en daardoor uitermate geschikt voor zoutwinning. De gaten die door de zelnering waren ontstaan werden vervolgens door oeverafslag vergroot. Dit lijkt dus vooral het geval te zijn geweest bij de noordelijke meren. De meren in het zuiden liggen in een natuurlijke laagte, waardoor daar de kans groter is dat deze op natuurlijke wijze zijn ontstaan.62

>> Blad VI van de kaart van Krayenhoff uit 1809 laat het merenlandschap van het Lage Midden goed naar voren komen. Deze kaart is gemaakt voordat de tweede inpolderingsfase op gang kwam. De eerste inpolderingsfase had echter al een aantal meren drooggelegd, waaronder het Noorder- en het Zuidermeer bij Stavoren. Voor 1600 waren er daarmee nog meer meren dan hier op de kaart zijn weergegeven. 58

Gerrets, 2010, 36. Bakker, 2001, 66. Alleen de meeroevers van de ingepolderde meren die in de reliëflijnenkaart van de TOP10NL zijn opgenomen, zijn ingetekend. Sommige meeroevers zijn nu dijken. In dat geval zijn ze wel ingetekend wanneer ze de oude meeroever volgen en niet wanneer ze zijn rechtgetrokken. 60 Bakker, 2001, 63-64. Van de Ven, 2003, 62. Bakker geeft aan dat moeilijk te blussen veenbranden in het verleden geen onbekend fenomeen en tevens meren konden doen ontstaan. Wetenschappelijk is het echter niet aangetoond, maar voor Fleussen en het Tjeukemeer bestaat volgens Bakker een dergelijke mythevorming. 61 Zelnering is het winnen van zout uit veen door middel van verbranding en uitkoken met water. 62 Gerrets, 2010, 36. Bakker, 2001, 65. Provincie Fryslân, 2009, 43. Gerrets geeft tevens aan dat nadat het Parregaastermeer en het Makkumermeer in de negentiende eeuw waren drooggemalen de bodem nog slechts uit restveen bleek te bestaan, wat tevens een aanwijzing voor zelnering was. Zie voor zelnering verder Gerrets (2010), pp. 101-104 of Schroor (2012), pp. 26-27. 59

38

39

Groe ne

dijk

Tsjomwest

Westergo

d ulden Halsb an Pingjumer G

rar nse Kri

Paa ldijk

m

Marneslenkboezem ijk huiste rd Koude Ma rne dijk

Oosterend

Middelzeeboezem

Hartwerd-Witmarsum

ijk ndsd Nijla

Huniadijk

g we rne Ma

jk

rdi de Rid

Bolsward

!

Makkum

ijk lzeed Midde

!

Jon ge Dijk

Ts jae

rd dij k

lr Zij de Ou

Kip slo ot Ou de Ri et

Sneek

!

de oe

Off in g aW ies ter v a Zij art lro ed e

Workum

!

Lage Midden

Balk

!

Stavoren

!

Gaasterland

Lemmer

!

Opdrachtinformatie

H4. Huidig Súdwest-Fryslân krijgt vorm (850-1150) Legenda

Moederpolderdijk, Aanwezig

Middelzeepolderdijk, Verdwenen

Marneslenkpolderdijk, Buitenopdracht

Verkaveling in 1900, Aanwezig

Moederpolderdijk, Verdwenen

Middelzeepolderdijk, Buiten opdracht

Hoofdafwateringssloot, Aanwezig

Verkaveling na 1900, Verdwenen

Moederpolderdijk, Buiten opdracht

Marneslenkpolderdijk, Aanwezig

Hoofdafwateringssloot, Verdwenen

Veenontginningsblok (bij benadering)

Middelzeepolderdijk, Aanwezig

Marneslenkpolderdijk, Verdwenen

Verkaveling - oorspr. (veen), Aanwezig

Begrenzing

Bronmateriaal

Súdwest-Fryslân

Schaal 0

Opdracht

1:67.500 op A2-formaat 1

2

3 km

Top10, Kadaster (1:10.000); De Langen, 2011 (1:200.000); Bonnebladen (1904-1933); CHK2, provincie Fryslan (1:50.000).

Cartograaf Martijn Horst, Cultuurland Advies, 2014.

5. Ordening en strijd (1150-1550) Met het bedijken van de moederpolders en de inpoldering van de Marneslenk en het zuidelijk gedeelte van de Middelzee hadden de bewoners het kwelderlandschap en de invloed van zee behoorlijk onder controle gekregen. Echter, door het ontginnen van het veenlandschap kregen de bewoners met een andere vorm van wateroverlast te kampen, namelijk de afvoer van binnenwater. Om ook het binnenwater onder controle te krijgen werd wederom een stelsel van dijken aangelegd, ditmaal van binnendijken.

5.1 Hemdijken tegen het binnenwater uit het Lage Midden Door het systematisch ontwateren en ontginnen van de veengebieden ten zuiden van de Middelzee klonken de veenpakketten behoorlijk in. Toch moest het overtollige water worden afgevoerd. Om zich tegen het veenwater te beschermen gingen de bewoners langs de zuidelijke rand van de Middelzee over tot het opwerpen van nieuwe binnendijken. Het opwerpen van binnendijken ging gemakkelijk langs de zuidzijde van de Middelzeedijk, omdat er weinig meren en poelen voorkwamen. Beschermd door de Middelzeedijken in het noorden en de nieuwe dijken in het zuiden ontstonden zo – langs de voormalige begrenzing van de Marneslenk en de Middelzee – een reeks afzonderlijke binnenpolders, die ook wel de hempolders worden genoemd. De bedijkers gebruikten de dijken van de Middelzeedijk en de moederpolder HartwerdWitmarsum als uitgangsbasis door er nieuwe dijken op aan te sluiten.63 Een nieuwe dijkaanleg gebeurde haaks op de oude dijk en moet als bewijs worden gezien dat de nieuwe dijk tot een jongere polder behoorde. Op basis van deze theorie gaan onderzoekers Rienks en Walther er van uit dat de Scherhem, ten noorden van Sneek, de oudste van de Hempolders is. Vervolgens werd aan de oostkant van de Scherhem de Rauwerderhem aangelegd. Ten westen van de Scherhem werden de Scherwolder-, Eemswouder- en Morrahem aangelegd.

Oorspronkelijk waren het op zichzelf staande bedijkingen, maar in de vijftiende eeuw, of wellicht iets eerder, vormden de drie hemmen één geheel. Gezamenlijk werd de hemdijk met bijborende zijlen onderhouden, terwijl de scheidingsdijken tussen de hempolders niet meer van onderhoud werden voorzien. Ten westen van de Eemswouderhem lag de Exmorsterhem, die aan de westkant weer begrens werd door de Schraarderhem. De aanleg van beide Hempolders dateert vermoedelijk uit de twaalfde eeuw. Deze hadden als doel om enerzijds het grondgebied als slaperdijk tegen zeewater te beschermen en anderzijds opgestuwd water uit het Koudemeer te keren. Beide hempolders vormden in de zestiende eeuw reeds één geheel. Ten zuiden van de Eemswouderhem ligt de Arkumerhem. Vermoedelijk maakte de Arkumerhem eerst deel uit van de Eemswouderhem, maar werd deze daar later van gescheiden. Voor de kering van zeewater was de betekenis van de – vrij lage – hemdijk gering. Waarschijnlijk keerde de dijk alleen hoog boezemwater. Als laatste lagen er nog twee hempolders in het zuiden, namelijk de Rijperahem en de hempolder Oudega-Heeg.64 Deze moeten het laatste zijn aangelegd en opvallend is dat beide hempolders een gedeelte van de oorspronkelijke veenverkaveling hebben ingepolderd. De gemeente Súdwest-Fryslân heeft negen van de tien Hempolders geheel binnen haar grondgebied liggen.

Alleen Rauwerderhem valt er gedeeltelijk buiten. Maar liefst 86% van de 92 km aan hemdijken ligt dan ook binnen de gemeentegrens. Daarvan ligt weer 41 km binnen de opdrachtbegrenzing. Binnen de opdrachtbegrenzing vallen geheel of gedeeltelijk Schraarderhem, Exmorrahem, Eemswouderhem, Arkumerhem, Riperahem, Scherwolderhem, Scherhem en Rauwerderhem. De meeste van deze hemdijken zijn nog terug te vinden in het landschap en zijn voornamelijk in gebruik als weg. Van de 41 km is dan ook slechts 11 km verdwenen. Een mooi voorbeeld is de hoge Hemdijk, die van Sneek, voorbij IJlst en dan langs Nijezijl en Westhem naar Tjerkwerd loopt.65

>> De onderzoekers Rienks en Walther waren de eersten die uitgebreid onderzoek deden naar de bedijkingsgeschiedenis van Friesland. Zij publiceerden in 1954 een boek met bijbehorende atlas. Op enkele punten is het onderzoek verouderd, bijvoorbeeld bij het ontstaan van het natuurlijke landschap, maar desondanks nog steeds erg bruikbaar, omdat na hun publicatie geen uitgebreid archiefonderzoek meer heeft plaatsgevonden. Op de volgende pagina is de kaart met de indeling van de hempolders uit hun atlas opgenomen. Deze kaart wijkt iets af van het origineel, omdat deze voor deze opname is aangepast aan het papierformaat.

63

Van de Ven, 2003, 69. Stichting voor Bodemkartering, 1974, 42-43. Omtrent het tijdstip van de aanleg van de dijken van deze binnenpolders is niets met zekerheid te zeggen, maar volgens Rienks en Walther (1954) worden ze in 1276 al genoemd en zij nemen aan dat de Hemdijken waarschijnlijk al in de twaalfde eeuw zijn aangelegd. 64 Rienks en Walther, 1954, 323-326. 65 Provincie Fryslân, 2009, 43. Zie ook Schroor (2012), pp. 29-32.

41

5.2 De Slachtedijk als binnendijk Na de vorming van de moederpolders, in de vorige periode, ging men in het binnenland van Westergo er toe over steeds grotere stukken land met behulp van dijken te beschermen. Dit gebeurde onder andere door de dijken van de moederpolders met elkaar te verbinden. Daarvan is de Slachtedijk – die het onderzoeksgebied op de noordoostelijke grens raakt – het bekendste overblijfsel. Deze – tot voor kort nog als binnenwaterkering fungerende – dijk van 42 kilometer lengte, loopt van de Blauwe Stien bij Raerd naar de zeedijk bij Oosterbierum. Daarnaast werden binnendijken opgeworpen om, als het ware door compartimentering, het opwaaien van het boezemwater te bedwingen, dan wel het water vanuit naastgelegen gebieden te keren. Van deze dijken zijn de Weerdijk en de Leppedijk – die buiten de opdrachtbegrenzing liggen – goede voorbeelden.66 De Vijf Delen Slachtedijk is aangelegd in de periode van 1150 tot 1200 en vormt de grootste binnendijk in Westergo. Omdat in de twaalfde eeuw de invloed van de zee aan de westkust van Westergo steeds groter werd en er grote delen land in zee verdwenen, werd besloten tot de aanleg van een binnendijk. Midden in Westergo werd door samenwerking tussen de vijf grietenijen Barradeel, Franekeradeel, Menaldumadeel, Baarderadeel en Hennaarderdeel de Vijf Delen Slachtedijk aangelegd.

Deze dijk bood bescherming bij een eventuele doorbraak van de westelijke Vijfdelenzeedijk. De dijk sloot bij Oosterwierum aan op de Middelzeedijk en volgde grotendeels al bestaande dijken: langs de Oostereinderpolder, de polder van Wommels, de polder van Tzumwest, om Achlum heen naar Getswerdersyl en door Barradeel naar de huidige Waddenzee. In de dijk zijn nog stenen te vinden die de grens aangeven tussen de afzonderlijke delen. De bewoners van de gebieden oostelijk van de Slachtedijk – de Binnendyksters – werden op deze wijze door twee dijken beschermd, de bewoners van de gebieden westelijk van de Slachtedijk - de Bûtendyksters werden slechts beschermd door de Vijfdelenzeedijk.67 Om verdere landafslag in het zuidwesten tegen te gaan, werden in de zeventiende eeuw doorgaande zeedijken aangelegd. In 1880-'83 zijn deze dijken verbeterd en werden op de Slachtedijk na in heel Friesland de binnendijken opgeheven.68

Het noordoosten van de opdrachtbegrenzing wordt over een gedeelte van 3.200 m gevormd door de Slachtedijk. Deze begrenzing vormt ongeveer acht procent van de totale lengte van de dijk. Dit gedeelte heeft – net als veel andere gedeelten van de dijk – nog steeds een dijklichaam en ligt nog steeds middenin de weilanden.

66

Provincie Fryslân, 2009, 45. Schroor, 2000, 36. Haartsen, 2009, 60-61. 68 Stenvert et al., 2000, 49 67

43

5.3 Van buiten- naar binnenwaterhuishouding Naast een strijd tegen het zeewater heeft men in Westergo voortdurend geworsteld met de binnenwaterhuishouding. In de periode van vóór de bedijkingen was er sprake van een goede natuurlijke afwatering. Westergo werd immers doorsneden door tal van geulen en kreken die onder invloed stonden van de getijdenwerking. Door de noordwaartse groei van de kwelderwallen en de steeds verder voortschrijdende bedijkingen en inpolderingen verslechterde in de loop der eeuwen echter de afwatering. Gebieden die bijvoorbeeld voorheen op de Marne of de Middelzee afwaterden, konden door de afdamming en inpoldering van deze geulen hun overtollige water niet meer kwijt.69 Om de afwatering te verbeteren werden langs de gehele westkust van Friesland talloze vaarten gegraven en natuurlijke waterlopen aangepast. Doordat dit oudste vaartenstelsel meestal gebaseerd was op de bochtige kreken en geulen had het vaak een kronkelend patroon. Landschappelijk heel anders dan de rechte vaarten, die in latere periode werden aangelegd. Tevens hadden deze oudste vaarten vaak een oost-west richting, zodat het water zo snel mogelijk afgewaterd kon worden. Voorbeelden zijn de Kornwerdervaart bij Cornwerd, de Grote, Kleine en Oude Zijlroede bij Makkum, de Kleine en Roggevaart bij Doniaburen en de Molkwerumvaart bij Molkwerum.

Interessant is ook dat langs deze nieuwe vaarten weer nieuwe nederzettingen konden ontstaan, omdat schippers, handelaren en ambachtslieden zich hierlangs vestigden.70 Historisch-geografisch gezien is het lastig om de vaarten qua periode uit elkaar te halen, omdat door het ontbreken van historische kaarten uit de vroegste periode niet altijd inzichtelijk wordt welke vaart in welke tijd is aangelegd. Toch kan met enige zekerheid gezegd wordend dat binnen de opdrachtbegrenzing in deze periode voor ongeveer 200 km aan vaarten werden aangelegd. Hiervan is het grootste gedeelte nog steeds aanwezig.71 Naar het binnenland van het Lage Midden waterde het grootste gedeelte van de gemeente Súdwest–Fryslân af op de Friese Boezem, waarbij de Fluessen en Morra een belangrijke rol speelden. De uitwatering vond vanouds plaats via sluizen bij Workum, Molkwerum en Stavoren. Van bemaling van landerijen ter verbetering van de afwatering is pas sprake in de achttiende eeuw, als men zich intensiever gaat bezighouden met het regelen van de waterstand door het plaatsen van molens, stuwen en dammen.72 De betekenis van de sluizen is verviel pas nadat de Afsluitdijk de voormalige Zuiderzee afdamde en het getijdenverschil wegviel. Om de uitwatering van de sluizen te compenseren werd daarom geïnvesteerd in onder meer het Ir. D.F.

Woudagemaal (1920) bij Lemmer en het J.L Hooglandgemaal (1966) bij Stavoren.73

>> Een van de vaarten die aansluit op een natuurlijke waterloop – in dit geval een gedeelte van de latere Pingjumervaart – is de Witmarsumervaart. Na het inpolderingen van de Marneslenk, waar de parallel lopende Harlingervaart een overblijfsel van is, moesten de nieuw ingepolderde gronden ook hun overtollige water kwijt kunnen. Om dat te bewerkstelligen werd het natuurlijke watersysteem aangepast door een rechte vaart tussen de twee oude Marneslenkgeulen te graven.

69

Haartsen, 2009, 63. Schroor, 2012, 87. Dit onderwerp valt buiten deze opdracht, maar een goed begin is te maken met I. Churylova (2012). Historische waterbuurten op het Friese platteland: Typologie ruimtelijke structuren en methoden voor reconstructie en waardering van pre-industriële niet‐agrarische bebouwingsconcentraties in Friese dorpen aan het water. Leeuwarden/Groningen. Churylova onderscheidt niet direct deze periode van waterbuurten, maar behandeld wel het fenomeen op zich. 71 Onderscheid tussen de vaarten in hoofdstuk vijf en zes is moeilijk te maken, doordat de eerste duidelijke kaart waarop de vaarten staan van Schotanus (1718) is. Op basis van de tekst in het rapport zijn alle vermoedelijk vroege vaarten in paragraaf 5.3 geplaatst. Trekvaarten en opvaarten zijn in paragraaf 6.5 opgenomen. Vaarten die niet zichtbaar waren op de kaart van Huguenin (1819-1829), maar wel op de Bonnebladen (1900-1930) zijn ingedeeld in paragraaf 7.6. Sommige vaarten zijn alleen nog aanwezig als kavelsloot, maar wel met duidelijk, voormalig tracé. Deze zijn als aanwezig aangemerkt, omdat ze dan als vaart gewaardeerd kunnen worden. 72 Haartsen, 2009, 63. 73 Monumenten Inventarisatie Project, 1992, 4. 70

44

Kwelderwal en Marneslenk

Marneslenk Schuttedijk

Witmarsumervaart

45

5.4 Akkercomplexen op de stuwwallen De kleine stuwwallen, die in het zuiden binnen de opdrachtbegrenzing liggen, zijn onderdeel van een groter stuwwallencomplex dat niet in de gemeente Súdwest-Fryslân ligt, maar binnen de grenzen van de gemeente De Friese Meren valt. Het grotere stuwwallencomplex wordt Gaasterland genoemd. Aan de westzijde van Gaasterland zijn enkele stuwwallen van keileem te vinden, die oorspronkelijk onderdeel waren van dezelfde stuwwallenboog en waarop tegenwoordig de dorpen Koudum, Warns, Scharl, Laaxum en Hemelum liggen. Op verschillende plaatsen eindigen de stuwwallen aan het IJsselmeren en vormen daar steile keileemhoogten. Binnen de opdrachtbegrenzing ligt het Roode Klif. Ten oosten daarvan het Mirnser Klif en het Oudemirdumer Klif.74 De hoogste delen en de hellingen van de stuwwallen waren, door hun waterhuishouding en zandondergrond, uitermate geschikt voor akkerbouw. In een eeuwenlang proces van ophoging met humushoudend materiaal uit de potstallen konden daardoor boven op de stuwwallen grote, aangesloten akkercomplexen ontstaan, zoals het Hemelur Hoog en De Gheesten bij Scharl. De bewoners gebruikte daarvoor plaggen uit bos, heide of het laaggelegen weidegebied. Die werden, verzadigd met mest, samen met het zand uit de ondergrond vermengd tot een dikke bouwvoor, ook wel enkeerdgrond genoemd.

De akkercomplexen waren oorspronkelijk bloksgewijs verkaveld, waarbij de blokken op hun beurt weer waren ingedeeld in smalle, langgerekte perceeltjes. In tegenstelling tot de laaggelegen weidegronden van het Lage Midden werden deze verkavelingsblokken en –perceeltjes niet met sloten begrensd. De begrenzing was dan in de praktijk vaak ook niet fysiek waar te nemen, maar op min of meer juridische wijze vastgelegd. Wanneer de gewassen op het land stonden, konden de percelen wel goed waargenomen worden. Vooral wanneer de verschillende boeren ook verschillende gewassen teelden. Dan ontstond een pallet van kleine bouwlandjes.75 Binnen de opdrachtbegrenzing lagen de akkercomplexen van Scharl, Warns, Roode Klif, Hemelum en Koudum. Hemelum en Bakhuizen, waarvan de laatstgenoemde buiten de opdrachtbegrenzing ligt, hadden aangrenzende akkercomplexen. Hemelum had een akkercomplex van 278 percelen met een totale oppervlakte van 98 hectare, verdeeld over 15 eigenaren. Het akkercomplex van Bakhuizen was 72 hectare groot en had 196 percelen met 17 eigenaren. De Bakhuizer bouwlanden zijn geheel gelegen op een hoge stuwwal. De bouwlanden van Hemelum liggen iets lager. De bodemkundige situatie is hier zodanig dat het grootste deel van het complex op leemarme, hoge enkeerdgrond is gelegen. De laagstgelegen percelen op de westelijke flank van de rug (De Maren) hebben een leemarme laarpodzolgrond.

Deze percelen zijn wellicht later in cultuur zijn gebracht. Tegenwoordig is een groot deel van het akkercomplex van Hemelum in gebruik als weiland. Een aantal percelen zijn bebouwd en een aantal percelen bestaan uit bos.76 De Koudumer bouwlanden bestaan uit twee complexen die zijn te vinden aan de noordoostkant en de zuidwestkant van de nederzetting. Het meerstrokig verkavelde bouwland beslaat 74 hectare en was in 1832 onderverdeeld in maar liefst 352 percelen. Dit betekent dat, net als in Hemelum, ook hier zeer smalle percelen voorkwamen. De akkers waren in handen van 71 verschillende eigenaren. Op de geomorfologische kaart is goed te zien dat het bouwland exact de ligging van een hoge stuwwal volgt. Het zuidelijke complex ligt voor het grootste deel op leemarme laarpodzolgronden. Het noordelijke complex wordt tegenwoordig doorkruist door de N369. Het grootste deel van de bouwlanden is nu in gebruik als weiland. Een klein deel is bebouwd geraakt, een deel is ingeplant met bomen.77 Net als in Koudum waren ook de bouwlanden van Warns verdeeld over twee complexen ten noorden en ten zuiden van het dorp. De complexen bestonden uit 229 percelen met een oppervlakte van zestig hectare. Het land was in eigendom van 24 verschillende eigenaren. Een langgerekte hoge stuwwal bepaalde ook hier de ligging van de bouwlanden.

De smalste percelen (gemiddeld 7 meter breed) waren te vinden in het zuidelijke complex. De voormalige bouwlanden van Warns zijn tegenwoordig in gebruik als weiland.78

74

Schroor, 2012, 68. Schroor, 2012, 70. 76 Wiersma, 2014, 21-27. 77 Wiersma, 2014, 21-27. 78 Wiersma, 2014, 21-27. 75

46

Het akkercomplex van Hemelum had oorspronkelijke een oppervlakte van bijna honderd hectare (oranje lijn). Op Bonnebladnummer 197 uit 1933 is goed te zien wat er door de tijd heen gebeurde. De akkers werden omgezet in weiland, doordat het minder rendabel werd om te akkeren. De onderliggende enkeergrond, bestaande uit opgebrachte mest en plaggen, bleef echter bestaan. Tegenwoordig zijn echter een aantal percelen weer als akker in gebruik. De rode stippellijn vertegenwoordigd de opdrachtbegrenzing.

Net ten westen van Warns ligt het kleinere Skarl. Ook dit dorp heeft beschikking gehad over twee bouwlandcomplexen ten noorden en ten zuiden van de nederzetting. Het betrof 16 hectare grond, verdeeld over zes eigenaren en 65 percelen. De zuidelijke blokken, bij het Roode Klif, liggen op een hoge stuwwal, terwijl het blok ten noorden van Skarl op een lage stuwwal is gelegen. Tegenwoordig zijn de akkercomplexen deels in gebruik als weiland en deels nog als bouwland, zoals bij de Roode Klif. De smalstrokige percelering is niet meer herkenbaar in het landschap.79

79

Wiersma, 2014, 21-27.

47

Slach tedijk

Slachtedijk

Fra ne ker vaa rt

aa rt merv Lollu

Mo len slo ot

Pin gju me rva

Westergo e ett Zw

art

rt rva a ume Lath

Marneslenkboezem

tedijk Slach

Ou de Ad er der O ud eva art

erh emdijk Schraard

rt v aa der r e nw Kor

Schraarderhem

Het Nau w

rva de a rtw Ha

Bolsward

!

ar

t ar

Exmorrahem Blo ede rige

Eemswouderhem

loot Zijdes

ot Bokkeslo

Vaa rt

Scherhem

Buw alde r

Sneek

vaa rt

rt vaa ster a a G uwe Nie

dijk bbe Kra

Riperahem

Djippert

s ert

Kleine Vaart

va art

Workum Ho rsa

!

Kli fr

ak

Nijih uizu mer vaar t

Lan ge Hei Vlie den t sch a ps terv aar t Nauwe Larts

Ko rte

Vli et

Lage Midden

Inth iem aslo ot

ht ac Gr de Ou De

rt aa ijkv rt D aa dv en ter es W De

t sloo Blok uwe Nie

Ko ud um erv a

r

t loo eS uw Na

t esloo Houk

Ind ijk

Oudega-Heeg

Monnik er Ee

t Roggevaar

IJs ke bo ere n

Douwes loot

ijm eW uw Na

ijk Ind ter s a Ga

Scherwolderhem

Houkesloot Lolke of Ge rritsvaart

Br oe re slo ot

Ou de Dr og eV aa rt

rt vaa ud Wo

Arkumerhem

!

Morrahem

He md ijk

Sk erd ijk

Zandsloot

Rauwerderhem Gr ien eD ijk

ede

Zw ette

o Zijlr ote o r G Kleine Zijlro e de

Ma kk um erv a

Blo ed slo ot

Makkum

Oude Kloostervaart

Makkumervaart

rt Melkvaa

!

Middelzeeboezem

Sch raar

Koudumer Enk

anaal Frisok Johan

lo ot ikens Monn

rt aa eV d Ou

Balk

!

Rij ste rva art

mee rsl

oot

l naa ok a s i r F an Joh

Noo rder

!

Koudumer Enk

enke De F

Stavoren

t oo ssl

rt v aa rdijk e d r Noo art rume rva Molkwe

i Kru

Zeekleigebied

Palesloot

Warnser Enk Hemelumer Enk Warnser Enk

ed Zeekleigebi

Scharler Enk

Warnser Enk

aart Wielv

Scharler Enk

Gaasterland

Bakhu izerva a rt

Lemmer

!

Opdrachtinformatie

H5. Ordening en strijd (1150-1550) Legenda

Hemdijk, Aanwezig

Binnendijk, Aanwezig

Kanaal, Verdwenen

Hemdijk, Verdwenen

Binnendijk, Buiten opdracht

Verkaveling in 1900, Aanwezig

Hemdijk, Buiten opdracht

Kanaal, Aanwezig

Verkaveling na 1900, Verdwenen

Enk

Begrenzing

Bronmateriaal

Súdwest-Fryslân

Schaal 0

Opdracht

1:67.500 op A2-formaat 1

2

3 km

Top10, Kadaster (1:10.000); Bonnebladen (1904-1933); CHK2, provincie Fryslan (1:50.000).

Cartograaf Martijn Horst, Cultuurland Advies, 2014.

6. Voortvarend en welvarend (1550-1800) Tegenwoordig staat het zuidwesten van Friesland bekend om het aantal meren en droogmakerijen. Op de overgang van de late middeleeuwen naar de nieuwe tijd was er echter nog geen enkel meer ingepolderd in deze regio.

6.1 De Nieuwe Zeedijk en slaperdijken worden opgeworpen Nieuwe Zeedijk In de late middeleeuwen braken zee- en slaperdijken geregeld door het zeewater van de Zuiderzee door. In het ergste geval werden hele stukken land langs de westkust van Westergo weggeslagen. Vanaf de twaalfde eeuw – wanneer de Zuiderzee ontstond – is de kustlijn daardoor verschillende malen naar het oosten verplaatst. Dit landverlies is nog duidelijk te zien in het grillige verloop van de Zuiderzeekustlijn. Steden als Harlingen, Hindelopen en Stavoren zijn als het ware landtongen of kapen en markeren de ligging van een oudere kustlijn. Het huidige Workum en Stavoren zijn nederzettingen die de plaats innamen van stadjes die in de Zuiderzee waren verdwenen. Waarschijnlijk werd de oude zeedijk, die de kust van het westen van Friesland tegen de Zuiderzee beschermde, bij de stormvloed van 1532 weggevaagd en was het noodzakelijk om ten oosten daarvan een nieuwe zeedijk aan te leggen.80 De zeeweringen langs de zuidkust van Friesland werden bij zuidwestenwind sterk aangevallen. De veenachtige ondergrond was er oorzaak van dat de dijken uit licht materiaal moesten worden samengesteld en na de aanleg vele jaren nog bleven verzakken.

Daarom werd de oorspronkelijke zeedijk tussen Laaxum en Mirns als slaper gehandhaafd, nadat deze overbodig was geworden bij het indijken van de Wielpolder in 1632 of 1633.81 Koudumer en Zuriger Slaperdijken De Friese zeedijken werden aan het begin van de achttiende eeuw in ernstige mate bedreigd door de paalworm. De paalworm boorde namelijk gaten in het paalhout, dat aan de buitenzijde van de zeeweringen was aangebracht. Duizenden palen knapten aan de basis af, waardoor de zeedijken behoorlijk verzwakten. Alhoewel de zeedijken op zichzelf versterkt werden, werd ook besloten om twee slaperdijken aan te leggen, namelijk de Koudumer Slaperdijk en de Zuriger Slaperdijk.82 In 1732 werd daarom de Koudumer Slaperdijk aangelegd tussen Hindeloopen en de hoogten bij Bakhuizen en Hemelum. De dijk bestaat uit een noordelijk en zuidelijk deel, die van elkaar zijn gescheiden door de stuwwal van Koudum. Over het noordelijk deel is naderhand de N359 aangelegd. Het zuidelijk deel is nog redelijk gaaf aanwezig. Het doel was om de laaggelegen zuidwesthoek ten oosten van de binnendijk te beveiligen op het moment dat de zeedijken tussen het Mirnser Klif en Hindeloopen doorbraken. De aanleg van de dijk werd door de provincie Friesland bekostigd.

Om de afstroming van het water uit het Lage Midden niet te hinderen, werden aanvankelijk drie zijlen in de dijk gemaakt, namelijk één in het Var bij Koudum, één bij Galamadammen en één ten zuiden daarvan in de Oude Vaart.83 De aanleg van de Zuricher Slaperdijk dateert uit 1733. Met dit – veel kleinere – werk werd beoogd om de zeedijken bij het Zuriger Oord, die in slechte staat verkeerden, te vervangen op het moment dat ze doorbraken. Bij het opwerpen van de dijk werd de aarde daarvoor uit de landen aan de binnenzijde van de dijk gegraven.84

>> In de atlas van Riensk en Walther (1954) werd tevens een kaart opgenomen met de loop van de Koudumer Slaperdijk. De dijk is in het rood weergegeven en goed is te zien hoe deze de natuurlijke hoogte van de stuwwal van Koudumgebruikt als tussenstation. Bij een doorbraak van de zeedijk zou het land ten westen van de Koudumer Slaperdijk onder water te komen staan. Het oosten zou bespaard blijven van een onverstroming.

80

Stichting voor Bodemkartering, 1974, 43. Van de Ven, 2003, 105-107. Haartsen, 2009, 62. Rienks en Walther, 1954, 394. 82 Rienks en Walther, 1954, 373. 83 Monumenten Inventarisatie Project, 1992, 4. Schroor, 2012, 75. Rienks en Walther, 1954, 373. 84 Rienks en Walther, 1954, 374. 81

49

50

6.2 Buitendijkse landaanwinning: fase 1 De aanslibbing van de zee-inham tussen Hindeloopen en Workum was in het midden van de zestiende eeuw zover gevorderd dat plannen voor de indijking van de ‘ynbochte’ werden gemaakt. De inpoldering van het Workumer Nieuwland kwam in 1621 tot stand en betrof 469 ha. Vanaf dat jaar werd de oude zeedijk als binnendijk onderhouden. Na de inpoldering van het Nieuwland werden de onderhoudsplichtigen van de oude zeedijk belast met gedeelten van de nieuwe zeewering. De Oude Dijk kwam in onderhoud bij de polder. De Oude Dijk heeft herhaaldelijk het zeewater moeten weerstaan. De laatste maal in 1825. In dat jaar brak de dijk zelf eveneens door en liet een groot, diep wiel achter. 85 In de Oude Dijk bevond zich de Koudumerzijl, ook Wattjezijl genoemd, waarvan de pastorie en de kerk van Koudum met het onderhoud waren bezwaard. Deze zijl lag in de Kons, een waterlossing tussen het Haanmeer en de Zeedijk, en werd tevens voor scheepvaart gebruikt. Na de inpoldering deed de zijl nog een tijdlang dienst voor het inlaten van boezemwater in het Nieuwland. Het Nieuwland had op haar beurt weer een uitwateringzijl in de nieuwe polderdijk. De Koudumerzijl is vervangen door de inlaatduiker ten oosten van de Nieuwe Aanleg.

Na de totstandkoming van de Afsluitdijk in 1932 heeft de Oude Dijk als slaperdijk veel aan betekenis ingeboet.86 Voor het verdelen van de gronden werd bij de verkaveling een kenmerkende, rationele polderverkaveling toegepast, namelijk de regelmatige blokverkaveling, waarbij – door de eeuwen heen – de regelmatig er geleidelijk aan uit is gegaan. Voor de verkaveling en ontwatering werd 58 km aan ontginningsloten gegraven. En van de verkaveling, zoals die rond 1900 aanwezig was is tegenwoordig nog 46 km aanwezig. De polder werd ontsloten door drie lanen, die evenwijdig op ongeveer 650 m van elkaar lagen, met de namen Lieuwe Klazeslaan, Nieuwlands- of Groote Laan (tegenwoordig Lange Laene) en Kleine Laan (tegenwoordig Papelaan). Totaal werd er daarmee voor 7 km aan wegen aangelegd in de nieuwe polder. Daarvan is alleen 900 m uit de Kleine Laan verdwenen.

Het Workumer Nieuwland, hier afgebeeld op de kaart van Huguenin uit 1819-1829, is een voorbeeld van een vroege buitendijkse inpoldering. In de vroege negentiende eeuw lagen tien erven achter de zeedijk en in het westen was op de punt een vuurtoren geplaatst. Dat het niet altijd even droog bleef is te zien net ten noorden van Hindeloopen, want daar staan enkele percelen, wellicht door kweldruk, onder water.

85 86

Rienks en Walther, 1954, 365. Rienks en Walther, 1954, 365.

51

6.3 Inpoldering van grote meren: fase 1 In de omgeving van Alkmaar in Noord-Holland was men in Noord-Holland al rond 1540 begonnen met het droogmalen van meren met behulp van windmolens. De eerste grote droogmakerijen waren die van het Berger- en Egmondermeer (1564) en de Beemster (1612). Spoedig daarna volgden ook in Friesland projecten waarbij meren met behulp van stedelijk kapitaal werden drooggelegd.87 In 1621 werden de eerste twee Friese meren drooggemalen, de Staverense Meerpolders, onderverdeeld in de Noorder- en Zuidermeerpolder. Hier waren zowel Hollands kapitaal als enkele Hollandse immigranten bij betrokken.88 Behalve de Noordermeerpolder (1621, 218 ha) en Zuidermeerpolder (1621, 173 ha) werden ook nog de Fallingabuurtster en Aaltjemeerpolder (onbekend, 55 ha) en de Otto Poel (onbekend, 4 ha) drooggemalen. Daarmee komt het totaal van de eerste inpolderingsfase slechts op 450 hectare. De ontginningstructuur binnen de droogmakerijen wordt vaak gekenmerkt door de grootschalige en rationele verkaveling. Binnen de Noorder- en Zuidermeerpolder en Fallingabuurtster en Aaltjemeerpolder komt deze gedeeltelijk voor. De ontginningswegen zijn namelijk wel rationeel aangelegd, maar de verkaveling daarbinnen slechts gedeeltelijk. Of dat komt door vierhonderd jaar kavelaanpassingen of dat het vanaf het begin geen complete rationele verkaveling is geweest kwam niet naar voren.

Wel kwam naar voren dat de interne inrichting, waaronder de verkaveling, van de nieuwe droogmakerij in de zeventiende eeuw nog geheel aan de ondernemers werd overgelaten. Slechts in uitzonderingsgevallen werden werken voor derden, zoals de aanleg van bepaalde sluizen en kanalen voor de scheepvaart en de ontwatering, in octrooien voorgeschreven. Zo moesten de droogmakers van de Noorder- en Zuidermeerpolders wel enkele scheepvaartkanalen, waaronder de Warnservaart, aanleggen.89 Van de verkaveling – die rond 1900 aanwezig was – binnen de Noordermeerpolder is nog 19 km over van de oorspronkelijke 31 km. Voor de Zuidermeerpolder is dat 18 km van de 20 km en voor de Fallingabuurtster- en Aaltjemeerpolder is dat 6,6 km van de 8 km. De Otto Poel was zo klein dat daar slechts twee ontwateringsloten werden gegraven, die beide nog aanwezig zijn. Overigens was het animo om de meren in Friesland droog te malen niet erg groot. Dit had te maken met de voedselarme zandige bodems van de meren, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Noord-Holland, waar de bodem van de droogmakerijen vaak uit vruchtbare klei bestond. Bij de meren die men wel droogmaakte duurde het vaak erg lang voordat de investeringen rendement op leverden. Zo bleek het lastig om een drooggemalen meer rendabel te maken, doordat de kosten vaak niet door de opbrengsten gedekt konden worden.

De Staverense Zuidermeerpolder is in de loop van de zeventiende eeuw zelfs geheel verwaarloosd. Eén watermolen brandde af en een tweede raakte in verval, waardoor de droogmakerij onderliep en de landerijen voor een deel door de eigenaren werd verlaten. De polder moest daarom aan het einde van de zeventiende eeuw geheel opnieuw worden drooggelegd en ontgonnen.90 De droogmakerijen in het zuidwesten van Westergo hadden daarnaast problemen met de afwatering omdat zij, in tegenstelling tot de meeste droogmakerijen, geen gesloten ringdijk en –vaart bezaten. Bestaande kaden, die het omliggende land bescherming boden tegen het hoge water uit de meren, scheidden de watersystemen van de nieuwe droogmakerijen met die van het oude land. Overtollig water uit de droogmakerij werd direct op het bestaande afwateringsstelsel geloosd, wat vaak problemen gaf. Pas in de loop van de twintigste eeuw verbeterde de waterhuishouding door de oprichting van een beter georganiseerd boezemwaterschap.91 Qua oppervlakte vergeleken was het aantal inpolderingen van meren met de droogmakerijen in Holland niet heel veel, maar het feit dat het om zoveel kleine poldertjes ging, is wel bijzonder. Vooral in en ten westen van het Lage Midden lag een aantal meren en plassen dat in aanmerking kwam om drooggemalen te worden.92 Maar die zouden in de eerste inpolderingsfase nog niet worden aangeroerd.

>> Op deze kaart van Eekhoff uit 1850 zijn drie van de vier polders uit de eerste fase van binnenlandse inpoldering te zien. Het Workumer Nieuwland en Het Flait zijn ook al ingetekend, maar dat is respectievelijk een buitendijkse inpoldering en een inpoldering uit de tweede binnenlandse fase. Goed te zien is hoeveel meren er nog op inpoldering wachten. 87

Haartsen, 2009, 93. Thurkow, 1992, 63. 89 Thurkow, 1992, 69. 90 Thurkow, 1992, 70-71. 91 Haartsen, 2009, 63. 92 Provincie Fryslân, 2009, 60. 88

52

Otto Poel

Noordermeerpolder

Zuidermeerpolder

6.4 Aanleg van eendenkooien Het waterrijke, dun bevolkte gebied van het Lage Midden leende zich bij uitstek voor het aanleggen van eendenkooien. De eenden werden daarin gevangen voor de consumptie en verkoop. Eendenkooien hebben een duidelijke relatie met de natuurlijke terreingesteldheid. Ze zijn vooral te vinden in de lage, natte delen van Nederland, in vogelrijke gebieden en dan tevens het liefst op de trekroutes. In Friesland liggen de kooien op de Waddeneilanden, in lage delen van de kuststrook en in het Lage Midden. Omdat de kooien veelal in de open graslandpolders liggen zijn de kooibossen opvallende en karakteristieke elementen. Eendenkooien zijn vanginrichtingen voor wilde eenden en andere eendachtigen, zoals talingen en pijlstaarten. De eendenkooi bestaat uit een vijver, de kooiplas, en één of meer vangpijpen. Het geheel wordt omgeven door het kooibos. De oppervlakte beslaat meestal 1 à. 2 ha, maar er komen ook veel grotere exemplaren voor. Vanouds is aan eendenkooien het zogeheten recht van afpaling verbonden. Dit houdt in dat er binnen een cirkel met een bepaalde straal – vaak zo’n 600 à 700 meter, soms meer – geen handelingen mogen worden verricht die de rust in de kooi kunnen verstoren.

Om het recht van afpaling te behouden moeten de kooien ‘vangklaar’ zijn: ze moeten in een zodanige onderhoudstoestand verkeren dat het mogelijk is om eenden of eendachtigen te vangen. Waar het recht van afpaling van kracht is, zoals bij de kooi van Nieuwenhuis bij Rinsumageast in Friesland, is de rust in het gebied rondom de kooi gewaarborgd. In het deelgebied Lage Midden zijn elf geregistreerde kooien, dat wil zeggen kooien die het recht van afpaling hebben. Daarnaast zijn er nog enkele kooirelicten, vaak kooiplassen en een of meer vangpijpen, van vroegere kooien.93

Eendenkooi

˄˄ >> Eendenkooien zijn te vinden in vrij afgelegen, natte gebieden langs trekroutes van watervogels. Tegenwoordig zijn er nog ongeveer twintig over in Friesland, waarvan er drie in de gemeente Súdwest-Fryslân liggen. Alle drie vallen ze tevens binnen de opdrachtbegrenzing. Twee daarvan liggen in de polder Kooihuizen , tussen Makkum en Workum, waarvan op de volgende pagina een luchtfoto van is opgenomen. De derde eendenkooi ligt ten noordoosten van Sneek en is opgenomen op bovenstaande foto. Oorspronkelijk zijn er veertien eendenkooien binnen de opdrachtbegrenzing geweest. Ze zijn te herkennen aan de hoog opgaande kooibossen rondom de kooiplassen en vormen een markant element in het open landschap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13086302/3