Bijlage 1. Verzoek wijziging bestemmingsplan d.d. 8 mei 2020
Tekst van het document
llllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllll 120 007613
ontvangen o s MEI 2020
táf
De \ Haan ADVOCATEN
Sc
NOTARISSEN
AANTEKENEN en gewoon De Raad van de gemeente Súdwest-Fryslân Postbus 10.000 8600 HA SNEEK
Datum
Advocaat
30 april 2020
mr. W. Sleijfer
Onze referentie
WS\nk\18000518 - A. van der Meer e.a. I gem SúdwestFryslân
w.sleijfer@dehaanlaw.nl
Uw referentie
Secretaresse
mw. N.M. Salarie-Kinzel Direct nummer: +31 (0)58 294 85 07 Geachte leden van de Raad, Cliënten, de heren A. van der Meer te Beetsterzwaag, E. Rondema te Diever en A. Marinus te Ureterp, zijn eigenaar van het perceel Snekerstraat 3 te Bolsward. Ingevolge het vigerende bestemmingsplan Bolsward-Kom, rust op het onderhavige pand de bestemming Verkeer-Verblijf 1. Op grond van artikel 25 van dit bestemmingsplan zijn de betreffende gronden bestemd voor: a) (woon-)straten en pleinen; b) paden; c) parkeervoorzieningen, met daaraan ondergeschikt een aantal functies als groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen en tuinen, erven, terreinen en terrassen. Met afwijking van deze bestemmingsplanvoorschriften hebben burgemeester en wethouders van uw gemeente op aanvraag d.d. 23 december 2010 cliënten een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een appartementencomplex met detailhandel (supermarkt) en commerciële ruimten. De aan de verleende vergunning verbonden gebruiksvoorschriften sluiten hierop aan.
Aangezien het perceel Snekerstraat 3 reeds zeer geruime tijd leeg staat en derhalve vaststaat dat de vraag naar de ruimte van dit perceel ten behoeve van een functie als in het vigerende bestemmingsplan aangegeven en bij de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning vergund, hebben cliënten burgemeester en wethouders gevraagd hen een omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van het gebruik van het onderhavige perceel t.b.v. de vestiging van een detailhandelsbedrijf. Toepassing van de zogenaamde kruimelgevallenregeling ex art. 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht biedt
Tesselschadestraat 10 8913 HB Leeuwarden www.dehaanlaw.nl
Postbus 851 8901 BR Leeuwarden T 058 - 21 21 075 F 058 - 21 26 449 E leeuwarden@dehaanlaw.nl
Alle diensten en werkzaamheden zullen worden verricht uit hoofde van een overeenkomst van opdracht met De Haan Advocaten Sa Notarissen B.V. Op de overeenkomst van opdracht zijn de algemene voorwaarden van toepassing, die te raadplegen zijn op www.dehaanlaw.nl. De aansprakelijkheid is beperkt tot het bedrag waartoe onze aansprakelijkheidsverzekering in het desbetreffende geval recht op uitkering geeft, te vermeerderen met het bedrag van het eigen risico. KvK nummer: 02058197
Rabobank (gelden derden) NL08RAB00135153794
Company with Quality System, certified by DNV ISO 9001
*ér
Advocatuur Almere
Assen
Groningen (hoofdkantoor)
Radioweg 2
Borgstee 11-F
Van Elmptstraat 2
1324 KW Almere
9403 TS Assen
9723 ZL Groningen
Postbus 60194
Postbus 538
Postbus 723
1320 AE Almere
9400 AM Assen
9700 AS Groningen
036 - 54 60 040 almere@dehaanlaw.nl
0592 - 43 03 40 assen@dehaanlaw.nl
050 - 57 57 400
Groningen (strafrechtkantoor)
Leeuwarden Tesselschadestraat 10
Schiphol
Turfsingel 33 9712 KJ Groningen
8913 HB Leeuwarden
1119 PS Schiphol
info@dehaanlaw.nl
Beechavenue 178
Postbus 1572
Postbus 851
9701 BN Groningen
8901 BR Leeuwarden
Postbus 23657 1100 ED Amsterdam
050 - 31 81 344 turfsingel@dehaanlaw.nl
058 - 21 21 075 leeuwarden@dehaanlaw.nl
020 - 21 94 639 schiphol@dehaanlaw.nl
Zwolle
In samenwerking met:
Grote Voort 207-F
Stoffregen ã Janssen
8041 BK Zwolle
Rechtsanwälte und Advocaat Mönckebergstrafte 10 (Barkhof, Haus B)
Postbus 40236 8004 DE Zwolle 038 - 42 17 904 zwolle@dehaanlaw.nl
D-20095 Hamburg 4-49 (0) 40 34 96 03 60 j.janssen@dehaanlaw.nl
Notariaat Groningen
Leeuwarden
Van Elmptstraat 2
Tesselschadestraat 10
Stiens Wylpstrjitte 2A
9723 ZL Groningen
8913 HB Leeuwarden
9051 AX Stiens
Postbus 11070 9700 CB Groningen
Postbus 75
Postbus 16
8900 AB Leeuwarden
050 - 57 57 400 notarissen@dehaanlaw.nl
058 - 21 51 115 info.notaris@dehaanlaw.nl
9050 AA Stiens 058 - 25 73 773 info.notaris@dehaanlaw.nl
o daarvoor ook de mogelijkheid. Dit verzoek is door burgemeester en wethouders geweigerd. In bezwaar en vervolgens beroep bij de rechtbank Noord-Nederland is deze weigering in stand gebleven. De betreffende uitspraak van voornoemde rechtbank is thans onderwerp van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Te uwer informatie gaat kopie van de uitspraak van de rechtbank d.d. 31 oktober 2019 (bijlage 1) hierbij, evenals van het hoger beroepschrift (bijlage 2) van cliënten en het daartegen gerichte verweerschrift van burgemeester en wethouders van uw gemeente (bijlage 3). Zoals u uit het hoger beroepschrift mag blijken, zijn cliënten van oordeel, dat geen belangen van een goede ruimtelijke ordening in het geding zijn, die de weigering de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen kunnen rechtvaardigen. Daarnaast geldt, dat de EU Dienstenrichtlijn in dezen van toepassing is. Deze Dienstenrichtlijn waarborgt het recht van vrije vestiging van in casu detailhandelsbedrijven. De toegang tot deze vrije vestiging mag ingevolge art. 14, onder 5, niet worden beperkt door onder meer het stellen van economische criteria, waarbij de vergunningverlening afhankelijk wordt gesteld van het bewijs, dat er een economische behoefte of marktvraag bestaat, enz. Ingevolge art.
9 van de Dienstenrichtlijn mag de toegang van een dienstenactiviteit, als door cliënten beoogd, afhankelijk worden gesteld van een vergunningstelsel, indien de behoefte aan een vergunningstelstel is gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang. Bij hun weigering planologische medewerking aan het verzoek van cliënten te verlenen, beroepen burgemeester en wethouders zich in dit verband op de stelling, dat honorering van het verzoek van cliënten leidt tot een niet-aanvaardbare aantasting van de vitaliteit van het stadscentrum van Bolsward. In de opinie van cliënten is deze stellingname van burgemeester en wethouders onjuist en hebben zij deze stellingname ten onrechte niet met de uitkomsten van zorgvuldig en cijfermatig onderzoek onderbouwd. Het door burgemeester en wethouders overgelegde rapport van Broekhuis Rijs Advisering kan het oordeel van burgemeester en wethouders ook niet schragen. Uit het rapport van BügelHajema, dat in opdracht van cliënten is opgesteld, volgt juist, dat vestiging van een detailhandelsbedrijf in het onderhavige pand in de vorm van bijvoorbeeld een Kruitvat of Trekpleister, tot versterking van het stadscentrum leidt.
Daarbij komt, dat zich in de onmiddellijke nabijheid van de locatie Snekerstraat 3 reeds grootschalige detailhandel bevindt en zijdens burgemeester en wethouders medewerking is verleend aan de vestiging van een detailhandelsbedrijf op korte afstand van genoemd pand Snekerstraat 3, wat in overeenstemming met de op dat perceel rustende bestemming wordt geacht. In deze zin is van een coherent beleid met betrekking tot de vestiging van detailhandelsbedrijven buiten het stadscentrum naar de mening van cliënten al geen sprake en wordt met de door hen bestreden weigering het zogenaamde gelijkheidsbeginsel geschonden. Kortheidshalve mogen cliënten verwijzen naar de ínhoud van hun hoger beroepschrift en naar het betreffende rapport van BügelHajema, waarvan een kopie eveneens hierbij gaat (bijlage 4). Onverminderd hun stellingen in de thans bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aanhangige procedure, zijn cliënten van oordeel, dat de voorschriften van het vigerende bestemmingsplan en de hiervoor aangehaalde omgevingsvergunning, strijdig zijn met het recht op vrije
2/3
ŵ-
vestiging als gewaarborgd in de Dienstenrichtlijn. Aan de voorschriften, die aan de door cliënten beoogde vestiging in de weg staan, in het bijzonder het aangehaalde artikel 25, dient naar het oordeel van cliënten verbindende kracht te worden ontzegd. In de toelichting op het onderhavige bestemmingsplan wordt naar de mening van cliënten ook niet, althans onvoldoende, uitgelegd waarom een dwingende reden van algemeen belang zich tegen vestiging van een detailhandelsbedrijf op het perceel Snekerstraat 3 verzet. Namens cliënten verzoek ik Uw Raad burgemeester en wethouders van uw gemeente op te dragen een wijziging van het vigerende bestemmingsplan voor te bereiden en met voortvarendheid in procedure te brengen, waarbij de bestemming van het onderhavige perceel wordt gewijzigd t.b.v. de uitoefening/gebruik van/voor detailhandelsdoeleinden. Ik mag u in dit verband nog verwijzen naar de uitspraak van de genoemde Afdeling van 19 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:520). De Afdeling komt daarin naar cliënten menen tot het oordeel, dat het aan Uw Raad is om o.m. cijfermatig onderbouwd, te motiveren, dat het verbod, zoals uit het bestemmingsplan voortvloeit, in overeenstemming is met de Dienstenrichtlijn.
In dit licht bezien kan bij het verzoek van cliënten om wijziging van de planvoorschriften niet dezelfde toetsingsmaatstaf worden gehanteerd als die welke burgemeester en wethouders hebben gehanteerd bij hun weigering cliënten hen de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen, te weten een enkele toetsing aan het huidige bestemmingsplan. Uw bevestiging, dat u aan het vorenomschreven verzoek van cliënte zult voldoen, zie ik graag uiterlijk binnen 4 weken na heden tegemoet. Hoogachtend,
W. Sleijfer
3/3
BIJLAGE 1.
mr. W. Sleijfer De Haan Advocaten S Notarissen
uitspraak RECHTBANK NOORD-NEDEŔLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 19/1963 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2019 in de zaak tussen A. van der Meer, te Beetsterzwaag, E. Rondema, te Diever, A. Marinus, te Ureterp, eisers (gemachtigde: mr. W. Sleijfer), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân, verweerder (gemachtigde: mr. A. Basic).
Procesverloop Bij besluit van 12 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers een omgevingsvergunning ten behoeve van het wijzigen van de bestemming op het perceel Snekerstraat 3 te Bolsward geweigerd. Bij besluit van 30 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2019. Namens eisers zijn A. Marinus en H. Marinus verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen Inleiding 1. Op 14 februari 2018 hebben eisers bij verweerder een verzoek ingediend om met toepassing van de zogenaamde kruimelgevallenregeling zoals neergelegd in artikel 4 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) een omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van het vestigen van een detailhandelsbedrijf in De Remise aan de Snekerstraat 3 te Bolsward. Op 8 mei 2018 is een aanvraag om een omgevingsvergunning ten behoeve van het wijzigen van de bestemming op het perceel Snekerstraat 3 te Bolsward ingediend.
zaaknummer: LÉE 19/1963
blad 2
Bij het primaire besluit heeñ verweerder eisers een omgevingsvergunning ten behoeve van het wijzigen van de bestemming op het perceel Snekerstraat 3 te 3 o Isward geweigerd, Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Beoordeling 2. De gronden waarop de aanvraag ziet hebben op grond van het bestemmingsplan “Bolsward — Kom” (het bestemmingsplan) de bestemming “Verkeer— Verblijf 1”. Op grond van artikel 25 van het bestemmingsplan zijn de aangewezen gronden bestemd voor: a. (woon)síraten en pleinen; b. paden; c. parkeervoorzieningen; met daaraan ondergeschikt; ñ ţV**/ì ^ w.
(
\
f. g.
( ..ì
v-y \- ' - s
groenvoorzieningen;
AA.
h
üļ^WVI V WWAAjlVÍUlJlġWilj
enppK/n Ar7ionm rran 1
i. j. k. l.
water; openbare nutsvoorzieningen; tuinen, erven en terreinen; terrassen.
2.1. Niet in geschil is dat het gebruik van de Snekerstraat 3 voor detailhandel in strijd is met de bestemmingsplanomschrijving van de bestemming “Verkeer— Verblijf 1”. 3. Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgcvingsrccht (Wabo) kan, indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit ais bedoeld in artikel 2.1, eerste iid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: 10. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking, 20. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of 30. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. De in artikel 2.12. eerste lid, onder a en ten tweede, van de Wabo bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor). Op grond van artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten tweede aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.
Op grond van artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Bor komt voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking: het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken
zaaknummer: LEE 19/1963
blad 3
aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen. 4. Eisers hebben verzocht om strijdig gebruik van de gronden toe te staan. Verweerder heeft dit geweigerd. Volgens verweerder past de aangevraagde ontwikkeling niet in het vestigingsbeleid van de gemeente, zoals dat is neergelegd in de Detailhandelsstructuurvisie van de gemeente Súdwest-Fryslân, vastgesteld op 16 mei 2013. Eisers stellen zich op het standpunt dat het vestigingsbeleid in strijd is met de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB 2006,1 376/36; de Dienstenrichtlijn) en daarom onverbindend moet worden verklaard. 4.1. Tegen een besluit tot vaststelling van beleid staat, gelet op artikel 8:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geen bezwaar en beroep open. Dit staat er echter niet aan in de weg dat de inhoudelijke bezwaren tegen het door verweerder gehanteerde vestigingsbeleid kunnen worden getoetst in het kader van een bezwaar of beroep tegen een besluit waaraan het betreffende beleid ten grondslag is gelegd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 25 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3269).
In het kader van de toetsing van dat beleid in het onderhavige geval zal de rechtbank alleen dat onderdeel van het beleid beoordelen dat ten grondslag ligt aan het bij de rechtbank bestreden besluit. Dat betekent dat uitsluitend een oordeel wordt gegeven over het vestigingsbeleid voor zover dat inhoudt dat detailhandel alleen wordt toegestaan in het winkelkemgebied van Bolsward. 4.2. Artikel 15 van de Dienstenrichtlijn luidt: “1. De lidstaten onderzoeken of in hun rechtsstelsel de in lid 2 bedoelde eisen worden gesteld en zien erop toe dat eventueel bestaande eisen verenigbaar zijn met de in lid 3 bedoelde voorwaarden. De lidstaten passen hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan om de eisen met die voorwaarden in overeenstemming te brengen. 2. De lidstaten onderzoeken of de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in hun rechtsstelsel afhankelijk wordt gesteld van de volgende niet-discriminerende eisen: a. a) kwantitatieve of territoriale beperkingen, met name in de vorm van beperkingen op basis van de bevolkingsomvang of een geografische minimumafstand tussen de dienstverrichters; [-]. 3.
De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen: a) discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit; b) noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; c) evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt
zaaknummer: LEE 19/1963
4.3,
Blijkens de Detailhandelsstructuurvisie is Bolsward de tweede wínkelkern van it ny.uvv nňn west Frysiân. Bolsward is een historische en toeristiscl v inwoners. Het centrum van Bolsward heeft een verzorgende functie en jaarlijks komen vele toeristen naar het centrum. Ook heeft Bolsward een breed detailhandelsaanbod. De Detailhandelsstructuurvisie stelt concentratie van winkelgebieden voorop. Compacte winkelgebieden in de binnensteden en dorpskernen zorgt voor behoud van sfeer en beleving in het winkelkemgebied. Door het toestaan van detailhandel buiten het winkelkerngebied kan leegstand ontstaan. 4.4. Het vestigingsbeleid moet worden aangemerkt als een territoriale beperking als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder a van de Díensíenrichtlįjn die is gericht tot dienstverrichters. Dit is tassen partijen ook niet in geschil. De discussie spitst zich in dit geval toe op de vraag of bij het hanteren van dat vestigingsbeleid is voldaan aan de VfîíìrtÅ/íìíìrHpî1 x/on o»4í1^ûÎ
1 ^
1 ,í~İ
nti4a«* V»
vwi wcicuuvai van ai uivwi ï ^. uvrïiu. vjjuvjx/j. u
-r.-t.i.
n troji rl Q Tì,
11 m
v van uv jl/Iwiiolciuïv^mxmi.
JLJQ ïCk/ĩIiuamv uvciwccgt uat uit ïioi ancòi van net ilui van juàimc van uc juaiupe^e
Unie (het Hofj vmi 30jnnimri 20IS ("Visser Västĝoed., ECLĨ"EU"C*201S’44j knn worden afgeleid dat bescherming van het stedelijk milieu een dwingende reden van algemeen belang kan vennen die een terníonale beperking rechtvaardigt. Verweerder heeft aangegeven dat door middel vsn brancliermg m de periferie wordt beoogd een mix van winkels in het centrum te behouden of tc bevorderen die is afgestemd op de behoefte en het koopgedrag van de consument. Daarmee wordt beoogd een aantrekkelijk centrum te bevorderen om de leefbaarheid van het stadscentrum te behouden en leegstand in het binnen stedelijk gebied te voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het behoud van de leefbaarheid van het stadscentrum en het voorkomen van leegstand in het binnenstedelijk gebied noodzakelijk zijn voor de bescherming van het stedelijk milieu en een dwingende reden van algemeen belang vormen die branchering in de periferie rechtvaardigt, vergelijk ook de AbRS in haar uitspraak van 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2062. Dat in de binnenstad van Bolsward geen sprake is van een onevenredig hoge mate van leegstand, doet daar naar net oordeel van de rechtbank niet aan af. Geconcludeerd kan dan immers worden dat de bestaande praktijk van verweerder en de raad (kennelijk) het benodigde effect sorteert.
Daarmee wordt naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het noodzakelijkheidsvereiste van artikel 15. derde lid, onder b van de Dienstenrichtlijn. 4.4.2. Ten aanzien van het vereiste in artikel 15, derde lid, onder c heeft de AbRS in haar uitspraak van 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2062 onder verwijzing naar voomoemd arrest van net Hof van 30 januari zOlö beslist dat tiet onderzoek in liet Kader van artikel 15, derde lid, onder c, van de Dienstenrichtlijn moet geschieden aan de hand van een analyse met specifieke gegevens. Er moet sprake zijn van een analyse van de geschiktheid van de maatregel en van specifieke gegevens ter onderbouwing van het betoog over de geschiktheid van de getroffen maatregel. In opdracht van verweerder heeft Broekhuis Rijs Advisering (Broekhuis) de gevolgen voor het kemwinkelgebied onderzocht indien een detailhandel op het perceel Snekerstraat 3 wordt gevestigd. In dit onderzoek is ook ingegaan op de gevolgen die de aangevraagde ontwikkeling heeft op andere potentiële ontwikkelingen elders in de gemeente. Het rapport “Bolsward Detailhandel buiten kemwinkelgebied” is de uitwerking van dit onderzoek. Uit het rapport blijkt dat het aanbod van winkels in Bolsward zeer royaal is en de kwetsbaarheid voor leegstand in het kemwinkelgebied groot is. Broekhuis wijt het royale aanbod aan onder meer het historische hart en de daarmee gepaard gaande sfeer.
Bolsward kent daardoor een
zaaknummer: LEE 19/1963
blad 5
regionaal verzorgende functie, waar het toerisme voor extra inkomen zorgt. Het beleid van de gemeente Súdwest-Fryslân, gericht op een compact winkelgebied, is volgens Broekhuis effectief tegen leegstand gebleken. Een vestiging van een ondernemer buiten het kernwinkelgebied betekent dat de kans op leegstand in het winkelkemgebied zal toenemen. Broekhuis is van mening dat het belangrijk is dat ondernemers in eikaars nabijheid zitten. De kans is groot dat de komst van een detailhandel aan de Snekerstraat 3 tot gevolg heeft dat niet langer sprake is van een compact centrum en van een compact winkelgebied, aldus Broekhuis. Ten aanzien van de precedentwerking is Broekhuis van mening dat de vestiging van een detailhandel aan de Snekerstraat 3 een precedentwerking zal hebben. Volgens Broekhuis is uitbreiding van het aantal winkels in kwantitatieve zin niet gewenst. Broekhuis baseert zich hierbij onder andere op het Koopstromenonderzoek (2017). Volgens Broekhuis schept de situatie in Bolsward precedentwerking voor met name grotere winkelkernen zoals in Sneek. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat branchering in het perifere winkelgebied geschikt is om het doel van bescherming van het stedelijk milieu te bereiken.
Het toestaan van uitbreiding van winkels buiten het winkelkemgebied zou namelijk afbreuk doen aan dit doel en de uitgangspunten die daarvoor in het vestigingsbeleid zijn gesteld. Het door eisers overgelegde rapport van BügelHajema maakt voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet anders. In het rapport van BügelHajema wordt betoogd dat het project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening; de rechtbank leest hier evenwel geen argumenten in die afbreuk doen aan hetgeen is geconcludeerd in het rapport van Broekhuis. Het door eisers aangevoerde met betrekking tot het perceel Snekerstraat 24 geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het doel van het vestigingsbeleid niet coherent en systematisch wordt nagestreefd. Op Snekerstraat 24 is Kooistra Supermarkten B.V. gevestigd en was voorheen de supermarkt Aldi gevestigd. Op het perceel rust de bestemming “Gemengd 3”en “Horeca 2”. Detailhandel is, anders dan op het perceel Snekerstraat 3, op grond van het bestemmingsplan toegestaan. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het doel van het vestigingsbeleid niet coherent en systematisch wordt nagestreefd. Aan de voorwaarde van evenredigheid is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. 4.5. Gelet op het voorgaande is het vestigingsbeleid als zodanig niet in strijd met artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn. 5.
Bij de besluitvorming over de met het bestemmingsplan strijdige aanvraag van eisers heeft verweerder beleidsruimte. Indien verweerder van mening is dat het project in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, kan verweerder er voor kiezen om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. In dat geval toetst de rechter of verweerder bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. 5.1. In onderhavig geval heeft verw eerder na heroverweging besloten om niet af te wijken van het bestemmingsplan en artikel 4 van Bijlage II van het Bor niet toe te passen. Volgens verweerder past een afwijking van het bestemmingsplan niet in de visie van de gemeente waarin het uitgangspunt is dat de ontwikkeling van winkels in de periferie niet ten koste gaat van de bestaande structuur. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de Detailhandelsstructuurvisie voldoende aanknopingspunten voor het door verweerder ingenomen standpunt dat de realisering van detailhandel op perifere locaties zoveel
zaaknummer- LftE 19/1963
blad 6
mogelijk beperkt dient te worden, De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren om medewerking te verlenen aan de aanvraag van eisers. De stelling van eisers dat verweerder ten onrechte de belangen van de Trekpleister niet heeft meegewogen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gevolgd, reeds niet nu de aanvraag niet ziet op de vestiging van een Trekpleister maar op wijziging van de bestemming. Ter zitting heeft verweerder zich overigens wel bereid verklaard om met eisers te bespreken of en op welke w ijze er, anders dan in de vorm van wijziging van de bestemming, gebruik kan worden toegestaan in afwijking van de nu geldende bestemming. 6.
Het beroep is ongegrond.
7.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan dóór mr. M.W. de Jonge, rechter, in aanwezigheid van mr. C.T. Hofman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2019.
griffier
Afschrift verzonden aan partijen op:
31 okĩ ms
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
**r
BIJLAGE 2.
mr. W. Sleijfer De Haan Advocaten à Notarissen
De \ Haan ADVOCATEN
Sc
NOTARISSEN
AANTEKENEN De Afdeling Bestuursrechtspraak Van de Raad van State Postbus 20019 2500 EA DEN HAAG
Datum
Advocaat
20 december 2019
mr. W. Sleijfer
Onze referentie
WS\pm\18000518 - Samenwerkingsverband Van der Meer cs I gem. Súdwest-Fryslân
w.sleiifer@dehaanlaw.nl
Uw referentie
Secretaresse
mw. P.E. Miedema Direct nummer: +31 (0)58 294 85 00 Geacht college, Bij brief d.d. 21 november jl. is namens cliënten, de heren A. van der Meer te Beetsterzwaag, E. Rondema te Diever en A. Marinus te Ureterp, bij u hoger beroep aangetekend tegen de daarbij in kopie gevoegde uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland d.d. 31 oktober 2019, zaaknr. LEE 19/1963. Bij genoemde uitspraak wordt ongegrond verklaard het beroep van cliënten tegen het besluit van Burgemeester en Wethouders van Súdwest-Fryslân (hierna B. en W.) d.d. 30 april 2019. Bij dit besluit wordt het besluit van B. en W. d.d. 12 juli 2018 (het zogenaamde primaire besluit) tot het weigeren cliënten een omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruik van het pand Snekerstraat 3 te Bolsward voor detailhandelsdoeleinden, in stand gelaten. Ingevolge het vigerende bestemmingsplan Bolsward-kom rust op de onderhavige locatie de bestemming Verkeer-Verblijf I. Ten behoeve van de bouw en het gebruik waarvan het onderhavige perceel deel uitmaakt, is door B. en W. met afwijking van de bepalingen van voormeld bestemmingsplan op aanvraag d.d. 23 december 2010 een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van een appartementencomplex met detailhandel (supermarkt) en commerciële ruimten. De aan deze vergunning verbonden gebruiksvoorschriften sluiten daarop aan.
In het kader van de procedure, die tot het primaire besluit, gehandhaafd in bezwaar, heeft geleid, hebben cliënten betoogd, dat ten behoeve van het gebruik van de betreffende ruimte zoals door hen beoogd, een omgevingsvergunning kan worden verleend met toepassing van art. 4 van bijlage II bij het Bor.
Tesselschadestraat 10 8913 HB Leeuwarden www.dehaaniaw.ni
Postbus 851 8901 BR Leeuwarden T 058-21 21 075 F 058-21 26 449 E leeuwarden@dehaanlaw.nl
Alle diensten en werkzaamheden zullen worden verricht uit hoofde van een overeenkomst van opdracht met De Haan Advocaten Ss. Notarissen B.V. Op de overeenkomst van opdracht zijn de algemene voorwaarden van toepassing, die te raadplegen zijn op www.dehaanlaw.nl. De aansprakelijkheid is beperkt tot het bedrag waartoe onze aansprakelijkheidsverzekering in het desbetreffende geval recht op uitkering geeft, te vermeerderen met het bedrag van het eigen risico. KvK nummer: 02058197
Rabobank (gelden derden) NL08RAB00135153794
Company with Quality System, certified by DNV ISO 9001
B. en W. zijn evenwel van oordeel, dat honorering van het verzoek van cliënten strijdig is met de Detailhandelsstructuurvisie van hun gemeente. Deze visie staat het vestigen van detailhandelsbedrijven buiten het stadscentrum (in beginsel) niet toe, teneinde de leefbaarheid van het stadscentrum te bevorderen en leegstand tegen te gaan. B. en W. baseren zich in dit verband op een rapport d.d. 15 januari 2019 van Broekhuis Rijs Advisering. Dit rapport geeft in de opinie van cliënten evenwel slechts in algemene termen aan, welk effect een detailhandelsbedrijf in het pand Snekerstraat 3 ļsaŗį hebben en tot leegstand kan leiden. Elke cijfermatige onderbouwing van deze ‘aannames’ ontbreekt evenwel, zodat het oordeel van B. en W. dat bij honorering van het verzoek van cliënten vrees bestaat voor aantasting van de leefbaarheid van het stadscentrum of tot leegstand daarin, onvoldoende is gemotiveerd. Verder is noch door Broekhuis Rijs Advisering, noch door B. en W. aannemelijk gemaakt dat de vestiging van het door cliënten beoogde bedrijf (een zgn. Trekpleister), onmiddellijk aansluitend aan de ter plaatse gevestigde supermarkt, een bedreiging vormt voor het stadscentrum. Niet alleen is niet ingegaan op de stelling van cliënten dat in het (historische) stadscentrum geen locatie met de vereiste oppervlakte met een wo van ca.
350 m2 aanwezig is (behoudens indien panden zouden worden samengevoegd), in redelijkheid kan naar cliënten menen niet staande worden gehouden, dat waar een supermarkt ter plaatse, gelet op het rapport van Broekhuis Rijs Advisering, juist de leefbaarheid van het stadscentrum bevordert, dit met de vestiging van het beoogde bedrijf anders zou zijn: het assortiment van het beoogde bedrijf sluit daarbij juist geheel aan bij het assortiment van de supermarkt, wat de gestelde versterking van het stadscentrum derhalve bevordert. Ten onrechte hebben B. en W. en in navolging van hen de rechtbank, geen dan wel onvoldoende betekenis toegekend aan het in opdracht van cliënten door BügelHajema opgestelde rapport d.d. 8 december 2016. BügelHajema komt daarbij tot het oordeel, dat met de vestiging van het door cliënten beoogd bedrijf leegstand in het centrum wordt tegen gegaan, het toekomstig bestaan van een drogisterijformule binnen de kern Bolsward versterkt en de kans op een achteruitgang juist verlaagt. Anders dan B. en W. zijn cliënten derhalve van oordeel, dat vestiging van het beoogde bedrijf op de onderhavige locatie niet leidt tot een aantasting van het stadscentrum en derhalve niet strijdig is met een goede ruimtelijke ordening.
Overigens wijzen cliënten er op, zie ook het navolgende, dat de raad van SudWest Fryslân er juist voor heeft gekozen detailhandel buiten het stadscentrum mogelijk te maken in de vorm van supermarkten ^ grootschalige detailhandel), die kennelijk niet in het stadscentrum kunnen worden gehuisvest. Waarom dit bij het beoogde bedrijf, in feite ook grootschalige detailhandel, anders zou zijn blijkt niet. Cliënten hebben er zowel in bezwaar als in beroep op gewezen, dat de weigering van B. en W. de gevraagde planologische medewerking te verlenen, strijdig is met de EU Dienstenrichtlijn. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie is een beperking op de vrijheid van vestiging geoorloofd, als aan de volgende voorwaarden is voldaan: de maatregel moet non-discriminatoir zijn; gerechtvaardigd zijn om een dwingende reden van algemeen belang (het zogenaamde noodzakelijkheidsbeginsel);
2/5
Or O geschikt zijn om het beoogde doel te realiseren (het zogenaamde geschiktheidsbeginsel); niet verder gaan dan nodig is om het doel te bereiken (het zogenaamde evenredigheidsbeginsel). Cliënten wijzen in dit verband op de op 10 oktober 2019 gepubliceerde Handleiding dienstenrichtlijn en ruimtelijke ordening. Daarin wordt in navolging van de Dienstenrichtlijn benadrukt, dat het door het bestuursorgaan beoogde doel coherent en systematisch moet worden nagestreefd (blz. 29, de zogenaamde hypocrisietest). Op de vermelde beginselen gaan cliënten hierna nader in, waarbij zij opgemerkt dat het verbod van discriminatie in casu geen rol speelt. Het noodzakelijkheidsbeginsel. Cliënten onderkennen, dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt, dat de doelstelling van ruimtelijke ordening een dwingende reden van algemeen belang kan rechtvaardigen. In het onderhavige geval is evenwel van een zodanige dwingende reden niet gebleken en ook niet door B. en W. aannemelijk gemaakt. Reeds de omstandigheid dat op de locatie Snekerstraat 24 met instemming van B. en W. een detailhandelsbedrijf is gevestigd, toont in de opinie van cliënten aan, dat in Bolsward de vestiging van een detailhandelsbedrijf buiten het stadscentrum niet tot een nietaanvaardbare situatie leidt of behoeft te leiden.
In casu gaat het bij voormeld pand Snekerstraat 24 om het wijzigen van het gebruik als supermarkt in een “gewoon” detailhandelsbedrijf. B. en W. volstaan in hun betreffende verweerschrift met de opmerking, dat het betreffende bestemmingsplan voorziet in detailhandel (supermarkt). B. en W. en in navolging van hen de rechtbank, gaan daarbij echter in het geheel voorbij aan de aan cliënten voor hun onderhavige complex verleende omgevingsvergunning, die ook voorziet in detailhandel (supermarkt). Anders gezegd, B. en W. hebben nagelaten te motiveren waarom met betrekking tot het perceel Snekerstraat 24 weļ planologische medewerking aan een functieverandering is verleend en waarom bij Snekerstraat 3 niet, hoewel het in beide gevallen om “detailhandel” gaat. Voorts hebben zij nagelaten de eventuele leegstand in Bolsward inzichtelijk te maken en aan te geven, dat winkelruimten met een vvo van plm. 350 m2 beschikbaar zijn. Daarvoor bestaat te meer reden, nu, zoals uit het door cliënten overgelegde rapport van BügelHajema blijkt, de leegstand in Bolsward gering is en het naar cliënten menen veelal op kleinere (historische) panden gaat. In r.o. 4.4.1. van de bestreden uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel, dat aan het noodzakelijkheidsbeginsel is voldaan. In de opinie van cliënten ten onrechte.
Anders dan de rechtbank, zijn cliënten van oordeel dat gelet op de geringe leegstand van winkelpanden -waarbij na vertrek van een detailhandelsbedrijf steeds op korte termijn invulling van de vrijkomende locatie plaatsvindt- voor een ‘leegloop’ of aantasting van de leefbaarheid van het stadscentrum in redelijkheid niet behoeft te worden gevreesd. De conclusie van de rechtbank, dat de bestaande praktijk (kennelijk) het benodigde effect heeft, is -ten onrechte- verder niet onderbouw. Het is juist de vraag in de markt, die bepalend is voor de keuze van een vestigingslocatie.
3/5
Het geschiktheidsbeginsel Het beginsel van geschiktheid heeft het oog op het vereiste, dat het beoogde doel van het bestuursorgaan op coherente en systematische wijze wordt nagestreefd. Verder is vereist, dat de beperkende maatregel effectief het gestelde doel bereikt. Van een coherente en systematische aanpak is naar het oordeel van cliënten, gelet ook op het hiervoor gestelde, in dezen geen sprake. Zoals vermeld is ter plaatse reeds een supermarkt gevestigd. Volgens het rapport van Broekhuis Rijs Advisering vormt deze een grote publiekstrekker. Niet gebleken is, dat deze vestiging, alsmede de vestiging van een detailhandelsbedrijf in het pand Snekerstraat 24, een aantasting vormt van de leefbaarheid van het stadscentrum. Zie voorts hierna. In casu gaat het erom, dat B. en W. aannemelijk hebben te maken, dat een bedrijf als door cliënten beoogd, aanvullend aan het assortiment van de naastgelegen supermarkt, leidt tot een aantasting van de leefbaarheid van het stadscentrum van Bolsward. Die aannemelijkheid ontbreekt, gelet ook op het in het rapport van BügelHajema gestelde, geheel. De rechtbank heeft dat in de opinie van cliënten miskend. Het evenredigheidsbeginsel Uitgangspunt is dat een beperkende maatregel niet verder gaat, dan nodig is en geen andere, minder beperkende maatregel voorhanden is om het gestelde doel te behalen. In r.o. 4.4.2.
komt de rechtbank tot het oordeel, dat (ook) aan het evenredigheidsbeginsel is voldaan. Aan het onderzoek ex art. 15, lid 3, onder e van de Dienstenrichtlijn dient in dit verband een analyse ten grondslag te liggen. In de opinie van cliënten ontbreekt deze analyse in het geheel. Het hiervoor reeds aangehaalde rapport van Broekhuis Rijs Advisering kan hiertoe ook niet dienen: het rapport is in algemene termen opgesteld, specifieke gegevens ontbreken. Het oordeel van B. en W., bevestigd door de rechtbank, dat uit het rapport van Broekhuis Rijs Advisering blijkt, dat branchering in het perifere winkelgebied geschikt is voor de bescherming van het stedelijk milieu, is naar cliënten menen dan ook niet voorzien van een. deugdelijke motivering en stoelt niet op het vereiste, zorgvuldige onderzoek. Ten onrechte is in dit verband nagelaten om aan de hand van specifieke/concrete gegevens te onderbouwen, dat de (een) brancheringsregeling zowel geschikt is als de minst bezwarende maatregel. B. en W. hadden in dit kader moeten beoordelen -wat zij hebben nagelaten- of de vestiging van het beoogde bedrijf, gelet op het ontbreken van een vestigingsmogelijkheid in het stadscentrum, niet bij wege van en aan de gevraagde omgevingsvergunning te verbinden voorschrift, tot die vorm van detailhandel, kan worden beperkt.
Dat het beleid ten deze naar het oordeel van de rechtbank coherent en systematisch wordt uitgevoerd, is voorts naar cliënten menen mitsdien onjuist. Cliënten wijzen er ook in dit verband nogmaals op, dat blijkens het door de rechtbank in r.o. 4.4.2. vermelde planologische regiem, buiten het stadscentrum
4/5
*ár o van Bolsward en op korte afstand van de Snekerstraat 3 in het pand Snekerstraat 24 detailhandel is toegestaan. Het pand Snekerstraat 3 ligt daarbij zelfs dichter bij het stadscentrum dan het pand Snekerstraat 24. Van een coherente besluitvorming is naar cliënten menen dan ook geen sprake. AWB Cliënten wijzen voorts op het bepaalde in art. 3:4 mede in relatie tot art. 3.2. van de Algemene Wet Bestuursrecht. Zoals ook ten overstaan van de rechtbank betoogd, hebben cliënten een zwaarwegend belang bij invulling van de onderwerpelijke locatie. Deze staat reeds zeer geruime tijd leeg, is derhalve moeilijk verhuurbaar op grond van het huidige planologische regiem en leidt tot aantasting van de directe omgeving ervan. Ten onrechte is de rechtbank daaraan voorbij gegaan en heeft zij het belang van cliënten onvoldoende gewogen. Cliënten mogen overigens verwijzen naar hetgeen zij ten overstaan van de bezwarencommissie van de gemeente en de rechtbank hebben gesteld. Namens cliënten verzoek ik u de bestreden uitspraak, alsmede het besluit op bezwaar van B. en W. van 30 april 2019 te vernietigen met veroordeling van de gemeente Súdwest-Fryslân in de kosten van deze procedure. Hoogachtend,
W. Sleijfer
5/5
BIJLAGE 3.
mr. W. Sleijfer De Haan Advocaten à Notarissen
3. Feb. 2020 14:55
Nr. 0241 lu’UEisÄi^ssMpnĩ’MMM ft )U'U«)S^JJļS3MpnS®DÍUĮ g 66 66 Sť-StSO d SI-SO ŕ-6 1
Msăus '8 leejjsivcw pjEMsļog ‘į iwjjsįisŅ U3ļļSH0]ÕĴUāSUJSQ
P. 1/6
118166IS ‘JU MAX lEŕ6nS8ZOHDN8ZHN NV9! J138US VHÛQ9S OOO'Ol snqĵSOd UĵĮSAJd-ļSBMpņs sļuaaureņ
•uCijquaiJuaqsuaia ap ļaiii pfţjqs uį si, ua usqueftaddB uea BuiBiqsaA usa piaųfUA ap do qneuqui uaa qpjqaq BuuaBiaM aQ 'UÜļqqoļJuaqsuaţQ
ap qaur pfļjļs ui. uţjz ‘ļgii ēeļSpuojB uaq UBBjaių ļep pia}aqsBuļS(ļsaA qfļiequaaiuaS qaų ua uaiaSpw aq BuiuunBjaAsSuĻAaSiuo ap oio aBaļļoa qaų uea qinļseq ļaj-i
-
.■uaqundpuBļs apuaSļOA ap do fuaAeBaSjaaM yfnaųEz ua qjoq 'ųaiz uaqaqs uaquEļieddy ■puaipaSui daoaaq aaSoų qaų uba uapuojā ap uQz įpoZ -isqwaoap OZ uea qeiaq fig '61-OZ aaqiusAOU \ï uea qquųosdaoaaq ffq ppqsaSui daoaaq aaSoų uaquBypdde aoop si ųuEqqųoaa ap uba Buissųsaq azap uagaj, ‘61-OZ aaqoqųo 1-E ueAVļBBJdsļfn Qq pjee])ļj3A puoaSaSuo daoaaq qaų qpaų qļuaqqųaaj aa -uapuoAagsļBeļd 5uļiqiz aai ysozaapuo qaų qjaaų 61-02 aaqoqųo EZ dO 'puEļaapaN-paooN ųueqqųaey ap Qq pļaqsaSų daoaaq si doaaųų 'pjeeìqasA puoaBaBuo ueJEMzaq apuaļpaSui qirųseq qip uaăaq ap ufiz 6ļ,oZ |udE 08 uba qpisaq Qg •uaaapļaM aq SuiuunBaaAsBuIAaBiuo azap (aāaļļoo :euj9įu) UEļs/uj-ļsaMpņs aquaaiuaB ap uba saapnoųqaM ua jaqsaamaSjnq uea aSaļļoa qaų qooţsaq g poř Hnf 21- ueAqļnļsaq Qg 'lapuEųiiEqap uba uaSiqsaA qaų uea aAaoųaq uaq 'pjBMSļog aq e qBEjqsaaųaus paoaad qaų uea uaymaqaB uaBom Suiujiuaqsaq ap qaui pfjjqs ui qaų jooa puaipaSuţ Bbbjaueb uaa (uaqUEļpdde :EuaaĮų) ‘E-a aaayy aap uea -y suameu si gpoz [3W 8 do d OO] ja AsaooJį
■aoq qqijqosjaaAAJaA qip n Om uapuaz azap Qg 'uauaip aq uį qq.utpsjeaMJaA uaa iuo pţaųuaBaiaS ap ui 0202 uenaqa; v qatu ua qoq suo apļaqs n ■aawujnuųeBZ ppiuaaAuaAoq qaui -B-a aaay/ aap ueą uba daoaaq qaų uea uapuoaB ap n uba Tim uaSuiAquo 6Į-0Z aaqoiaoap ũE do fMnoiAaiu raaaų aqųoEaţ) 01/1-/9/^806^02
aaiuuanuqBBz qaui -e'a aaay/ Jap uea uea daoaaq jaāoq qaų a)ļezui qquųosjaeMJôA :daaMJapuo 0202 UBruqaq E ‘^us aafiaw
.
/AnoJAaiu
StSOt^t :uoo;aļai :aoop pļapuBųag
30VHN3AVB0-S. V3 00S2 61-002 snqqsod
146000'OZD :u9UJuanu suq
aqEqs UEA psEy ap uea yeEjdsqųDajsjnnqsaq Supap^v xeq aed ua pueyaqaBuEy
EU/1-/9/^8061-02 :qĮJ3Luua)j Mn
y\*lO', ,i -yvd—.— ļ oaaişoNVHag ch ^ozĥmx wv "
;HNXW7
0202 W E 0 uE|sXj-ļ-jîaAipņs NHmoxaoNi 31V1S NVA awü
3qU33LU3Ç3
**
1
2.
Het weigeren van een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik is in strijd met artikel 3:4 en 3:2 Algemene wet bestuursrecht.
Reactie op de gronden van het beroep Ad 1. Strijd met de Dienstenrichtlijn
De gemeente Súdwest-Fryslân heeft op 16 mei 2013 de Detailhandelsstructuurvisie gemeente Súdwest-Fryslân vastgesteld. Deze visie hanteert als uitgangspunt dat detailhandel in het kernwinkelgebied geconcentreerd moet zijn, om zo leegstand in de kern te voorkomen en een levendig en aantrekkelijk winkelgebied te behouden. Het college heeft de door appellanten aangevraagde omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik voor het pand Snekerstraat 3 te Bolsward geweigerd, omdat het toestaan van detailhandel buiten het kernwinkelgebied van Bolsward in strijd is met de door de gemeente gehanteerde visie. Appellanten stellen zich op het standpunt dat het vestigingsbeleid zoals dat is neergelegd in voornoemde visie in strijd is met de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB 2006, 1 376/36; de Dienstenrichtlijn), meer in het bijzonder artikel 15, derde lid onder b en c van deze richtlijn. Zij stellen dat de Detailhandelsstructuurvisie vanwege deze strijdigheid onverbindend moet worden verklaard. Artikel 15 Dienstenrichtlijn luidt, voor zover van belang: “1. De lidstaten onderzoek of in hun rechtsstelsel de in lid 2 bedoelde eisen worden gesteld en zien erop toe dat eventueel bestaande eisen verenigbaar zijn met de in lid 3 bedoelde voorwaarden.
De lidstaten passen hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan om de eisen met die voorwaarden in overeenstemming te brengen. 2. De lidstaten onderzoeken of de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in hun rechtsstelsel afhankelijk wordt gesteld van de volgende niet-discriminerende eisen: a. a) kwantitatieve of territoriale beperkingen, met name in de vorm van beperkingen op basis van de bevolkingsomvang of een geografische minimumafstand tussen de dienstverrichters; f~J.
3.
De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen: a) Discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit; b) Noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; c) Evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt
f-r
Noodzakelijkheidseis
Appellanten voeren aan dat er in het onderhavige geval geen sprake is van een dwingende reden van algemeen belang die een territoriale beperking rechtvaardigt, waardoor niet wordt voldaan aan de eis van noodzakelijkheid.
Detailhandel op Snekerstraat 24 Naar de mening van appellanten is het enkele feit dat op Snekerstraat 24 detailhandel gevestigd (ook buiten het kernwinkelgebied) voldoende reden om aan te nemen dat er derhalve geen dwingende reden is om op Snekerstraat 3 niet ook detailhandel toe te staan. Het perceel Snekerstraat 24 is reeds vele járen in gebruik in geweest als supermarktlocatie (vestiging van de Aldi) en is sinds 2014 in gebruik door een regulier detailhandelsbedrijf, te weten een delicatessenzaak, onderdeel van Jumbo Kooistra. Anders dan appellanten betogen is er echter geen omgevingsvergunning voor strijdig gebruik noodzakelijk geweest voor de vestiging van deze winkel. Op het perceel geldt op grond van het vigerende bestemmingsplan ‘Bolsward Kom’ (vastgesteld op 16 september 2008, derhalve vóór de inwerkingtreding van de Detailhandelsstructuurvisie) de bestemming Gemengd - 3. Artikel 12, eerste lid van de planvoorschriften schrijft voor dat de gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor detailhandel in voedings- en genotsmiddelen. Het derde lid bepaalt dat tot een gebruik, in strijd met de bestemming, in ieder geval wordt gerekend: “(~)
d. het gebruik van gronden en bouwwerken voor detailhandel, met uitzondering van detailhandel in voedings- en genotmiddelen, in welk geval de verkoopvloeroppervlakte van detailhandel in voedings- en genotmiddelen per supermarkt ten minste 1.000 m2 zal bedragen;’’ De delicatessenzaak (niet zijnde een supermarkt) past binnen de regels van het geldende bestemmingsplan. Een omgevingsvergunning voor het in strijd met de bestemming gebruiken van het pand is dan ook niet verleend. De redenering van appellanten dat er wél voor deze locatie van het beleid is afgeweken, dit niet tot een onaanvaardbare situatie heeft geleid en dat daarom ook strijdig gebruik voor Snekerstraat 3 moet worden toegestaan, gaat dan ook niet op. Leegstand Daarnaast stellen appellanten dat de leegstand in Bolsward gering is en de beperkende maatregelen daarom de noodzakelijkheidstoets niet kunnen doorstaan. De Provincie Friesland heeft in 2017 een Koopstromenonderzoek laten uitvoeren. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de leegstand in de provincie 7,796 bedraagt. Dit aantal is nagenoeg gelijk aan het landelijk gemiddelde van 7,896. In Bolsward ligt het percentage op 596. Omdat er echter sprake is van een lage vloerproductiviteit is het aanbod kwetsbaar en wordt verwacht dat het leegstandspercentage de komende járen zal toenemen.
Bovendien wordt in het onderzoek op basis van de provinciale bevolkingsprognose gesteld dat de regio Zuidwest Friesland vanaf 2020 krimp zal laten zien. Eén van de aanbevelingen uit het Koopstromenonderzoek is het duidelijk afbakenen van winkelgebieden, met name ook waar het gaat om een toeristische kern als Bolsward. Het door Broekhuis Rijs Advisering opgestelde rapport ‘Bolsward, detailhandel buiten kernwinkelgebied’ onderstreept de noodzaak van het clusteren van detailhandel. Bolsward heeft een verzorgingsfunctie voor de eigen inwoners maar daarnaast ook voor de regio en de toeristen en recreanten. Het forse winkelaanbod heeft deze recreanten en toeristen ook nodig om te kunnen functioneren. Juist voor deze categorie van het winkelend publiek is sfeer en beleving van het winkelgebied belangrijk. Een aaneengesloten winkelfront, zonder al teveel leegstand, bevordert een dergelijk aantrekkelijk winkelgebied. Daarnaast is het voor ondernemers belangrijk om van eikaars nabijheid te kunnen profiteren. Deze factoren geven voor de gemeente aanleiding om terughoudend te zijn met het creëren van extra vloeroppervlak voor detailhandel. Een restrictief vestigingsbeleid op de schillocaties draagt bij aan het behoud van een compacte winkelkern en voorkomt daarmee dat het centrum van Bolsward
aan sfeer en beleving moet inboeten, wat leegstand in de hand kan werken. Dat er op dit moment geen sprake is van een bovengemiddeld hoog leegstandspercentage betekent niet dat maatregelen ter voorkoming hiervan niet meer aan de orde zouden kunnen zijn, temeer gelet op de te verwachten bevolkingskrimp en de verwachte toename van de rol van internetaankopen. Het risico op toename van leegstand is hierdoor immers relatief groot. Het streven naar het voorkomen van leegstand en het behoud van een goede voorzieningenstructuur in Bolsward zijn, zo volgt uit voorgaande, noodzakelijk voor de bescherming van het stedelijk milieu en kunnen een dwingende reden van algemeen belang vormen die het restrictieve vestigingsbeleid rechtvaardigen. Met de rechtbank is het college van oordeel dat aan de noodzakelijkheidseis is voldaan.
Evenredigheidseis
Voorts stellen appellanten dat het vestigingsbeleid in strijd is met het vereiste van evenredigheid. Het college deelt dit standpunt niet. De voorwaarde van evenredigheid houdt in dat een gewenste beperking op het vrij verkeer van diensten geschikt is om het nagestreefde doel te bereiken en er niet minder beperkende maatregelen zijn die het doel ook kunnen bereiken. Hiervoor is van belang dat het doel dat is gediend met een beperking op het vrij verkeer coherent en systematisch wordt nagestreefd. Om hiervan te kunnen spreken is onder meer van belang dat een bestuursorgaan deugdelijk bewijs (“een analyse met specifieke gegevens”) kan overleggen waaruit blijkt dat de beperking geschikt is om het nagestreefde doel te kunnen bereiken en er niet minder beperkende maatregelen zijn die het doel ook kunnen bereiken. Het college is van mening dat de ‘Detailhandelsstructuurvisie’ voldoet aan de eis van evenredigheid. Het doel van de ‘Detailhandelsstructuurvisie’ is het bevorderen van een aantrekkelijk centrum, het behoud van de leefbaarheid van het stadscentrum en het voorkomen van leegstand in Bolsward door middel van het clusteren van detailhandel in de kern. Dit doel wordt door ons vestigingsbeleid op een coherente en systematische wijze nagestreefd.
Coherente en systematische aanpak De stelling van appellanten dat van een coherente en systematische aanpak geen sprake is, kan het college niet volgen. Appellanten geven in dit verband aan dat ter plaatse reeds een supermarkt is gevestigd en dat zich in het pand aan de Snekerstraat 24 een detailhandelsbedrijf bevindt. Volgens appellanten is niet gebleken dat dit een aantasting vormt van de leefbaarheid van het stadscentrum. Naar mening van het college wordt in hetgeen appellanten in het voorgaande aanvoeren een verkeerde vergelijking gemaakt. De aanvraag voor het perceel Snekerstraat 3 ziet op het in strijd met de bestemming mogen gebruiken van het pand voor detailhandel. De vorm van detailhandel zoals een Trekpleister - die appellanten voor ogen hebben, verschilt in wezenlijke zin van de twee supermarkten waarnaar wordt verwezen. De twee aangehaalde supermarkten zijn geheel in lijn met de Detailhandelsstructuurvisie, omdat deze supermarkten zich op een locatie bevinden die als zodanig is aangewezen in de Detailhandelsstructuurvisie. De detailhandelsvestiging op Snekerstraat 24 is, zoals in voorgaande al besproken, sinds lange tijd bij recht toegestaan. Detailhandel op het perceel Snekerstraat 3 is in strijd met het bestemmingsplan en de Detailhandelsstructuurvisie.
Het college wil om deze reden dan ook geen medewerking verlenen aan de vestiging van een detailhandelsbedrijf aan de Snekerstraat 3. Anders dan appellanten stellen, is
het college van mening dat het doel van het vestigingsbeleid juist door deze aanpak coherent en systematisch wordt nagestreefd. Analyse met specifieke gegevens Appellanten stellen dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat een detailhandelsbedrijf, als door appellanten beoogd, tot een aantasting van de leefbaarheid van het stadscentrum leidt en dat een analyse in dit verband geheel ontbreekt. Het college volgt deze stelling niet. Het college heeft in het kader van de evenredigheid door Broekhuis Rijs Advisering een onderzoek laten uitvoeren naar de mogelijkheden van detailhandel buiten het kernwinkelgebied in Bolsward. Uit deze analyse volgt - onder meer- dat het gevoerde detailhandelsbeleid geschikt is en effectief is gebleken om het nagestreefde doel te bereiken. In dit onderzoek is ook ingegaan op de gevolgen die de genoemde ontwikkeling heeft op andere potentiële ontwikkelingen elders in de gemeente. Dit betreft een zorgvuldig onderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van specifieke gegevens uit het Koopstromenonderzoek 2017 Fryslân. Kortheidshalve wordt verwezen naar de ínhoud van dit rapport en de daarin getrokken conclusies.
Proportionaliteit Appellanten stellen voorts dat de weigering van het college om de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen niet stoelt op een zorgvuldig onderzoek, omdat het college heeft nagelaten om te beoordelen of de vestiging van het beoogde bedrijf, via een aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschrift, tot die vorm van detailhandel kan worden beperkt. Zoals reeds in het vorengaande vermeld heeft het college zorgvuldig onderzoek gedaan naar het initiatief van appellanten. Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van specifieke gegevens. In het door appellanten overlegde rapport van BügelHajema wordt ook op geen enkele wijze afbreuk gedaan aan hetgeen is geconcludeerd in het rapport van Broekhuis Rijs. Het verwijt dat het college heeft nagelaten om onderzoek te doen naar een minder bezwarende maatregel voor de vestiging van het beoogde bedrijf, kan het college niet volgen. Zoals de rechtbank terecht oordeelt ziet de aanvraag niet op de vestiging van een specifiek detailhandelsbedrijf, zoals appellanten kennelijk menen, maar op de wijziging van de geldende bestemming. Medewerking aan de ingediende aanvraag zou ínhouden dat elke vorm van detailhandel mogelijk zou zijn op het perceel Snekerstraat 3. Dat zou afbreuk doen aan het doel en de uitgangspunten van het vestigingsbeleid.
Gezien het vorengaande is het college van mening dat het besluit op de aanvraag op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat sprake is geweest van een deugdelijke belangenafweging. Zoals uit de uitspraak van de rechtbank blijkt, heeft het college zich bereid verklaard om met appellanten te bespreken of en op welke wijze er, anders dan in de vorm van wijziging van de bestemming, gebruik kan worden toegestaan in afwijking van de nu geldende bestemming.
Ad 2. Strijd met artikel 3:2 en 3:4 Algemene wet bestuursrecht
Appellanten menen dat het besluit om de omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik te weigeren, in strijd is met de artikel 3:2 en 3:4 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het college bestrijdt dit standpunt. Het verlenen van een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik is een discretionaire bevoegdheid van het college, waarbij het college een ruime mate van beleidsvrijheid toekomt. Het college begrijpt dat appellanten een zwaarwegend financieel belang hebben bij de omgevingsvergunning maar is echter van mening dat aan dit belang niet meer gewicht moet worden
toegekend dan het belang dat is gediend met het naleven van het restrictieve vestigingsbeleid zoals dat in de Detailhandelsstructuurvisie is neergelegd. Het college is, zoals eerder aangegeven, bereid om met appellanten te spreken over een andere invulling van het pand. Verzoek
Rekening houdend met alle stukken in het dossier en het vorengaande, verzoeken wij uw college om het hoger beroep ongegrond te verklaren en de aangevallen uitspraak te bekrachtigen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat, naar mening van het college, geen aanleiding.
Hoogachtend, medewerker team Vergunningen,
A. Basic
Or
BIJLAGE 4.
mr. W. Sleijfer De Haan Advocaten Ă Notarissen
om gevingsrecht
BligelHajema
aan a rtik e l 4 lid 9 b ijla g e II Besluit
Argum enten om m ed ew erkin g te verlen en
Argumenten om medewerking te verlenen aan artikel 4 lid 9 bijlage II Besluit omgevingsrecht
8 december 2016 Projectnummer 027.79.50.00.00
BügeiHajema, adviseurs voor leefomgeving en omgevingsrecht BNSP
Inhoudsopgave
1
Wat voorafging
5
2
Planvoornemen
7
3
Goede ruimtelijke ordening
9
3.1
10
Verkeer
4
Gemeentelijk planologisch afwijkingenbeleid 13 4.1 Detailhandelsstructuurvisie 2012 gemeente Súdwest-Fryslân 14
5
Conclusie
027.79.50.00.00
19
Wat
voorafging
Op 30 mei 2012 is een omgevingsvergunning ex artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3" Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor de herontwikkeling van de (voormalige) Arriva locatie e.o. aan de Snekerstraat in Bolsward. De omgevingsvergunning heeft betrekking op het plangebied zoals weergege ven in figuur 1.
VV Figuur 1. Plangebied omgevingsvergunning ex artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3" Wabo, verleend op 30 mei 2012
De herontwikkeling is inmiddels afgerond, de gerealiseerde bebouwing is zichtbaar op figuur 1. Op de begane grond (eerste bouwlaag) van de gebouwen is gebruiksruimte voor commerciële functies1 beschikbaar, waarvan een deel is ingericht. Er is nog 560 m2 vrije ruimte voor commerciële functies. Ook heeft de verplaatsing van de grote supermarkt plaatsgevonden. In de overige bouw lagen van de gebouwen zijn appartementen gerealiseerd. Het omliggende terrein is beoogd parkeerterrein. Er zijn reeds parkeervoorzie ningen aangelegd ten behoeve van de gerealiseerde functies. Het noordooste lijke deel van het plangebied, ook bedoeld voor parkeervoorzieningen, is nog in gebruik als busstation. Het is de bedoelding dat hier parkeervoorzieningen komen ten behoeve van het centrum en de sportvelden ten noorden van de locatie.
1 Krachtens de omgevingsvergunning van 30 mei 2012 wordt onder commerciële ruimte ver staan: kantoor met eventueel baliefunctie. In de commerciële ruimten is detailhandel niet toegestaan.
027.79.50.00.00 - Argumenten om medewerking te verlenen aan artikel 4 lid 9 bijlage II Be sluit omgevingsrecht - 8 december 2016
5
De definitieve afronding van de Arriva-locatie op basis van de omgevingsvergunning d.d. 30 mei 2012 kan pas doorgang vinden als het busstation wordt verplaatst naar het perceel op de hoek van de Twibaksdyk/lndustriepark in Bolsward. Voor de verplaatsing van het busstation loopt een omgevingsvergunningprocedure ex artikel 2.12 lid 1 sub a onder 30 Wabo. De locatie is in eigen dom bij de gemeente. De laatste stand van zaken is dat de verleende omgevingsvergunning ter beoordeling is voorgelegd aan de Afdeling bestuurs rechtspraak Raad van State. Aanleiding hiervoor is de vernietiging van de om gevingsvergunning door de rechtbank Noord-Nederland.
6
027.79.50.00.00 - Argumenten om medewerking te verlenen aan artikel 4 lid 9 bijlage II Be sluit omgevingsrecht - 8 december 2016
Planvoornemen
Op de begane grond van de gebouwen aan de Snekerstraat zijn op basis van de verleende omgevingsvergunning detailhandel in de vorm van een grote supermarkt en commerciële ruimten mogelijk. Ten aanzien van de grote supermarkt betrof het een reeds voorziene verplaatsing van de bestaande Aldi-supermarkt. Na realisatie van de gebouwen is gebleken dat de commerciële ruimten beperkt exploitabel zijn. Inmiddels is 490 m2 beschikbare commerciële ruimte in gebruik. Op de begane grond is 560 m2 commerciële ruimte nog beschikbaar. De markt geeft wel blijken van interesse in de locatie, echter betreft het functies die breder zijn dan is toe gestaan in de commerciële ruimte op de begane grond. Als gevolg hiervan is dan ook sprake van leegstand van de commerciële ruimte op de begane grond van de nieuwbouw aan de Snekerstraat in Bolsward. Verzocht wordt dan ook om een verruiming van het toegestane gebruik binnen de bestaande bebouwing mogelijk te maken op basis van artikel 4 lid 9 bijlage II Besluit omgevingsrecht (Bor). De gevraagde gebruiksverruiming ziet uitsluitend op de nog beschikbare commerciële ruimte van 560 m2. Gebaseerd op concrete aanvragen vanuit de markt wordt verzocht om detailhandel (anders dan een grote supermarkt) mogelijk te maken.