Bijlage 1 - Vergunning geitenhouderij fase 1
Tekst van het document
Gemeente
Súdwest-Fryslân Uw kenmerk: 20200006 i ME20200006
Ons nummer: U21.005748
i mi in linn in ui
Maatschap Wi'arda Galama T.a.v. de heer A. Wiarda Hegedyk 10 9012 DM RAERD
Behandeld door: de heer R.S. Boersma Telefoon: 14 0515
Sneek, 19 juli 2021 Onderwerp:
m.e.r.-beoordelingsbesluit
VERZONDEN 1 9 JUL 2021
Geachte heer Wiarda, Op 29 oktober 2020 heeft Rombou, namens u, schríftelijk middels een aanmeldingsnotitie medegedeeld dat u het voornemen heeft een aanvraag om een omgevingsvergunning in te dienen voor het houden van melkgeiten op het perceel plaatselijk bekend Hegedyk 10 te Raerd. De wijziging bestaat uit het omzetten van uw huidige (melkrund)veehouderij naar een geitenhouderij. Op 2 juni 2021 heeft u deze aanmeldnotitie uit eigen beweging aangevuld. Wij hebben beoordeeld of bij de voorbereiding van het besluit omtrent de aanvraag voor het houden van melkgeiten een milieueffectrapport (m.e.r.) moet worden gemaakt. Hierbij hebben wij ons laten adviseren door de FUMO en de GGD. Hieronder treft u ons besluit aan. Beschrijving en locatie van de voorgenomen activiteiten. Het voorgenomen project zal in twee fasen worden uitgevoerd. De eerste fase voorziet in het wijzigen van de bestaande gebouwen (melkveestallen) ten behoeve van het huisvesten van in totaal I. 975 geiten. De tweede fase betreft het uitbreiden van de inrichting door realisering van een nieuwe stal voor het huisvesten van 890 geiten. De beoogde wijziging is aan te merken als wijziging van de inrichting door de oprichting van een nieuwe installatie als bedoeld in onderdeel A, onder 2, van de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.).
Deze wijziging wordt genoemd in categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. In kolom 2 van de desbetreffende categorie, onder II, is als drempelwaarde vermeld: gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan 2.000 stuks geiten, Rav cat. C.1 t/m C.3. Bij het overschrijden van de drempelwaarden moet op grond van artikel 2, vijfde lid, onder a, van het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordeling worden gemaakt. Bij het niet overschrijden van de drempelwaarden is artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r. van toepassing en dient een zogenoemde vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. Daarbij dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Beide projectfases, afzonderlijk van elkaar beoordeeld, blijven onder de drempelwaarde. Het totale project, waarop de aanmeldnotitie ziet, komt boven de drempelwaarde. Wij moeten beoordelen of het voorgenomen project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben die reden geven voor het opstellen van een MER als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wm. Procedure De in de artikelen 7.16 tot en met 7.18 van de Wet milieubeheer omschreven procedure is gevolgd.
Informatiebronnen Voor de beoordeling waar sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben wij gebruik gemaakt van de volgende informatie: - Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling van 30 oktober 2020 (aangepast op 11 december 2020); - Aanvulling aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling van 2 juni 2021; - Begeleidende brief bij aanmeldingsnotitie van 29 oktober 2020; Tekening aanmeldingsnotitie Mer-beoordeling d.d. 18 september 2020, gewijzigd op 27 oktober 2020, blad MI-01, intake 661063442 Advies GGD van 5 maart 2021; - Aanvullend advies GGD van 16 juni 2021. Voor ieder milieuaspect gaan wij na of de voorgenomen activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen zou kunnen veroorzaken, die maken dat een milieueffectrapportage nodig is. Daarbij hebben wij gekeken naar de kenmerken en plaats van de activiteiten en de kenmerken van het potentiële effect. Toetsingskader Bij de beslissing als bedoeld in artikel 7.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer, inhoudende dat wel of geen MER behoeft te worden gemaakt, dient het bevoegd gezag rekening te houden met de criteria als bedoeld in bijlage III bij Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (hierna: m.e.r.-richtlijn).
De criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn hebben onder meer betrekking op: 1. Kenmerk van het project. Bij het kenmerk van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: de omvang van het project; de cumulatie met andere projecten; het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; de productie van afvalstoffen; verontreiniging en hinder; het risico van zware ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën; de risico's voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling). 2. PĮaats van het project. Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop projecten van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. het bestaande grondgebruik; b. de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied;
c. het opname vermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: - wetlands; - kustgebieden; - berg- en bosgebieden; - reservaten en natuurparken; - gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG ^Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG ^Habitatrichtlijn) - gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; - gebieden met hoge bevolkingsdichtheid; - landschappen van historisch, cultureel of archeologische belang. 3. Kenmerken van het potentiële effect. Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project kunnen in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in overweging worden genomen: a. de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); b. de aard van het effect; c. het grensoverschrijdend karakter van het effect; d. de intensiteit en de complexiteit van het effect; e. de waarschijnlijkheid van het effect; f. de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; g. de cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; h.
de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen. Daarnaast moet het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17, vierde lid Wm, indien aan de orde, verwijzen naar de kenmerken van de voorgenomen activiteit of van de door uw inrichting geplande maatregelen waarmee belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu vermeden of voorkomen worden. Overwegingen ten aanzien van artikel 7.17, derde lid Wm: De relevante belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn door ons als volgt beoordeeld: 1. Kenmerk van het project. Omvang van de activiteit De initiatiefnemer exploiteert op het perceel aan de Hegedyk 10 te Raerd een melkrundveehouderij met een omvang van 300 melk- en kalikoeien en 210 stuks jongvee. De vergunde rechten worden ontleend aan de oprichtingsvergunning Wm van 21 maart 2006, veranderingsvergunning Wm van 27 augustus 2008 en omgevingsvergunning (verandering) van 2 mei 2014. Het voorgenomen project voorziet in een omschakeling van een melkrundveehouderij naar een geitenhouderij. Het project wordt gefaseerd uitgevoerd. Vanwege de samenhang tussen de beide fasen van het project, zijn in de aanmeldingsnotitie de milieueffecten van beide fasen inzichtelijk gemaakt.
In de eerste fase zullen de bestaande stallen geschikt worden gemaakt voor het huisvesten van 1.125 melkgeiten (vanaf 1 jaar oud), 500 opfokgeiten (61 dagen tot 1 jaar oud) en 350 jonge opfokgeitjes/bokjes (t/m 60 dagen oud). Voor het gewenste initiatief dient een aanvraag om een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) ingediend te worden. Dit is inmiddels gedaan. De tweede fase betreft de realisatie van een nieuwe stal, c.q. verlenging bestaande stal, voor het houden van melkgeiten. De totale bedrijfsomvang zal bestaan uit in totaal 1.800 melkgeiten (vanaf 1 jaar oud), 500 opfokgeiten (61 dagen tot 1 jaar oud) en 350 jonge opfokgeitjes/bokjes (t/m 60 dagen oud). Voor deze bedrijfsopzet is een omgevingsvergunning (oprichting) nodig. Cumulatie met andere projecten Cumulatie met andere projecten kan optreden als twee of meer activiteiten op dusdanige afstand van elkaar worden gerealiseerd dat de milieueffecten van deze activiteiten elkaar verzwakken of versterken. Voor zover bekend zijn er in de directe omgeving geen andere initiatieven waarvan de milieueffecten meegenomen zouden moeten worden bij de beoordeling van deze activiteit. In
specifieke gevallen kan dit wel van invloed zijn op effecten op de omgeving. In die gevallen wordt het specifiek als zodanig ook benoemd. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Over het gebruik van natuurlijke hulpbronnen kan worden gemeld dat dit in hoofdzaak betrekking heeft op het gebruik van drinkwater voor de dieren en voor reinigingsdoeleinden. De verwachting is dat het gebruik niet zodanig is dat hierover een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Het energieverbruik binnen de inrichting is voornamelijk ten behoeve van de verlichting, ventilatie van de stallen en voerinstallatie. De inrichting wordt in de energiebehoefte voorzien door eigen geproduceerde duurzame energie middels zonnepanelen. Productie van afvalstoffen Als bedrijfseigen afvalstoffen kunnen mest, kadavers en overig bedrijfsafval aangemerkt worden. De mest wordt na elke mestronde verwijderd en afgevoerd. Kadavers worden opgehaald en verwerkt door een daartoe aangewezen destructiebedrijf. Het overige bedrijfsafval wordt via een erkende verwerker afgevoerd. Bedrijfsafvalwater wordt geloosd in de opvangputten en vervolgens uitgereden over het land. Het hemelwater wordt via verharde oppervlakten afgevoerd naar de bodem c.q. het oppervlaktewater. De effecten op doelmatig beheer van afvalstoffen zijn niet zodanig dat in verband hiermee een milieueffectrapport dient te worden opgesteld.
Verontreiniging en hinder Ten aanzien van verontreiniging en hinder zijn de thema’s lucht(kwaliteit), geluid en bodem naar verwachting relevant en zullen hierna nader worden beoordeeld. Hierbij is getoetst aan de van toepassing zijnde wettelijke criteria. Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) vormen het toetsingskader voor geur. Geiten zijn dieren waarvoor geuremissiefactoren in de Rgv zijn opgenomen. De voorgenomen wijziging van de inrichting, zowel de eerste als de tweede fase, is getoetst aan de Wgv door middel van V-Stacks berekeningen. Door deze berekeningen kan worden bepaald wat de daadwerkelijke geurbelasting is op stankgevoelige objecten en of aan de geurnormen kan worden voldoen. Het aantal te houden dieren, het emissiepunt, de diameter en de uittreesnelheid zijn hiervoor bepalend. Uit de gegevens in de m.e.r.-beoordelingsnotitie (bijlage geurberekeningen fase 1 en fase 2) blijkt dat de geurbelasting na de voorgenomen wijziging van de inrichting op alle nabijgelegen woningen binnen de op grond van artikel 3, lid 1, onder d, van de Wgv geldende norm van 8 ouĒZm3 blijft. Verder bedraagt de afstand tussen de woning Hegedyk 21 en de buitenzijde van stal A1 circa 160 m, zodat wordt voldaan aan de afstandseis van 25 m genoemd in artikel 5, eerste lid, van de Wgv.
Het geuraspect vormt derhalve geen aanleiding tot het opstellen van een milieueffectrapport. Ammoniak Voor de beoordeling van de gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt met betrekking tot het aspect ammoniak moet getoetst worden aan de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). De dierenverblijven liggen niet in een zeer kwetsbaar gebied, zoals bedoeld in de Wet ammoniak en veehouderij, dan wel in een zone van 250 meter daaromheen. Voor de berekening van de ammoniakemissie uit dierenverblijven worden de emissiefactoren toegepast die zijn opgenomen in bijlage 1 bij de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav).
Huidige ammoniakemissie: Stal
Aantal dieren
Melkvee
Ravcode A 1.100
300
Emissiefactor kgNH37dier7jr 13,0
Jongvee
A 3.100
210
4,4
Diersoort
Totaal Kg NH3 3.900 924 4.824
TOTAAL Ammoniakemissie na uitbreiding: Stal
Diersoort
Ravcode
Fase 1 A1 Geiten >^ jaar
C 1.100
C
Opfokgeiten 0-61 dgn
C 3.100
Opfokgeiten 61 dgn -1 jr.
C 2.100
Aantal dieren
Emissiefactor* kgNH37dier7jr
Totaal Kg NH3
1,9
2.137,5
350
0,2
70,0
500
0,8
400,0
1.125
2.607,5
TOTAAL
Fase 2 Geiten >^ jaar A1
C 1.100
910
1,9
1.729,0
A2
Geiten >^ jaar
C 1.100
890
1,9
1.691,0
C
Opfokgeiten 0 - 61 dgn
C 3.100
350
0,2
70,0
Opfokgeiten 61 dgn - 1 jr.
C 2.100
500
0,8
400,0
TOTAAL
3.890,0
Zowel in eerste fase als in de tweede fase 2 van het project, neemt de totale ammoniakemissie in de voorgenomen situatie met 2.216,5 NH3Zjaar, respectievelijk 934 kg NH37jaar af ten opzichte van de totale ammoniakemissie van de reeds vergunde situatie. Besluit emissiearme huisvesting Het Besluit emissiearme huisvesting geeft geen maximale emissiewaarden voor diercategorie geiten. Voor een diercategorie waarvoor geen maximale emissiewaarde in het besluit is vastgesteld, is dit besluit niet van toepassing. Luchtkwaliteit Voor wat betreft dit initiatief zijn de vrijkomende concentraties van zwevende deeltjes (fijnstof) uit de stallen relevant. De voorgenomen wijziging van de inrichting leidt tot een afname van de concentraties fijnstof (zwevende deeltjes). De vergunde situatie (zie tabel vigerende situatie hieronder) heeft een totale emissie van 43.380 gram fijnstof (PM10) per jaar en de voorgenomen situatie (zie tabel gewenste situatie hieronder) heeft een totale emissie van 29.875 gram fijnstof, respectievelijk 42.700 gram fijnstof per jaar. De afname ten opzichte van de vergunde situatie bedraagt 13.505 gram fijnstof per jaar in fase 1 en 680 gram fijnstof per jaar in fase 2.
Tevens blijkt uit de bij de aanmeldingsnotitie toegevoegde bijlagen (fijnstof berekeningen gegenereerd met ISL3a) dat de voorgenomen wijziging (beide fases) geen overschrijding van de grenswaarden gesteld aan de concentraties van zwevende deeltjes veroorzaakt.
Vigerende situatie Stal
Aantal dieren
Melkvee
Ravcode A 1.100
300
Fijnstof E.f. kg/dier/jr 118
Jongvee
A 3.100
210
38
Diersoort
Totaal fijstof 35.400 7.980 43.380
TOTAAL Voorgenomen situatie: Stal
Diersoort
Ravcode
Fase 1 A1
Geiten >1 jaar
C 1.100
C
Opfokgeiten 0 - 61 dgn
C 3.100
Opfokgeiten 61 dgn - 1 jr.
C 2.100
Aantal dieren
Fijnstof E.f. kg/dier/jr
Totaal fijnstof
19
21.375
350
10
3.500
500
10
5.000
1.125
29.875
TOTAAL
Fase 2 A1
Geiten >^ jaar
C 1.100
910
19
17.290
Ál
Geiten >^ jaar
C 1.100
890
19
16.910
C
Opfokgeiten 0 - 61 dgn
C 3.100
350
10
3.500
Opfokgeiten 61 dgn - 1 jr.
C 2.100
500
10
5.000
TOTAAL
42.700
Gelet op het bovenstaande kunnen wij concluderen dat luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor het project. Geluid De dichtstbij gelegen geluidsgevoelige objecten bevinden zich aan de rand van een rustige woonwijk. De belangrijkste geluidproducerende bronnen binnen de inrichting zullen zich beperken tot de in werking zijnde ventilatoren, aanvoer van voer, afvoer van mest en afvoer van kadavers. Op dit moment is geen akoestisch onderzoek beschikbaar, waardoor er geen gefundeerd oordeel mogelijk is of er voldoende ruimte is om aan de geluidniveaus voor het gebied te voldoen. Naar verwachting zal de hinder ten gevolge van de realisering van dit project niet onacceptabel worden. Een akoestisch rapport dient onderdeel uit te maken van de aanvraag om omgevingsvergunning. Bodem De activiteiten van de veehouderij die als bodembedreigend worden aangemerkt, zijn gebruikelijk in de agrarische sector. Met het oog op de bescherming van bodem worden er doelmatige maatregelen en voorzieningen getroffen waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. In de uiteindelijke vergunningprocedure zal de afweging worden gemaakt of het gevraagde voorzieningenniveau voldoet aan de BBT. Afvalwater De samenstelling van het afvalwater en de lozing van het afvalwater zullen niet veranderen.
Mesthoudend afvalwater dient te worden opgevangen en vervolgens als meststof uitgereden/afgevoerd. Hemelwater afkomstig van het dak van de stallen wordt geloosd op het oppervlaktewater. Risico van ongevallen Het grootste risico is het optreden van brand, stroomuitval en het uitbreken van een ziekte. Daarnaast kunnen ongevallen plaatsvinden met bijzondere milieubelastingen. Hierbij valt te
denken aan lekkage bodembedreigende stoffen mest en dieselolie met het risico op bodemverontreiniging. Binnen de inrichting worden voorzieningen getroffen om een calamiteit en de daardoor optredende milieubelasting te voorkomen of te beperken. Risico’s voor menselijke gezondheid Het houden van landbouwhuisdieren kan gezondheidseffecten hebben op de omgeving van de veehouderij. Voor het risico van de verspreiding van ziekten die van dier op mens overdraagbaar zijn (zogenaamde zoönosen), zoals Q-koorts, is nog geen wettelijk of beleidsmatig toetsingskader ontwikkeld, waaraan concreet bij vergunningverlening kan worden getoetst. Door de maatregelen die aan geitenhouderijen zijn opgelegd op grond van wetten ter bescherming van dier- en volksgezondheid, zoals bijvoorbeeld het inenten van de dieren tegen Q.-koorts en regels met betrekking tot de opslag van mest, is het risico voor omwonenden zeer sterk gereduceerd. Hygiënemaatregelen dragen bij aan een goede diergezondheid dan ook aan het beperken van transmissie binnen de veestapel en naar mensen wanneer er toch een zoönotische ziekteverwekker bij de dieren voorkomt. De uitstoot van ammoniak, fijnstof, endotoxinen en geur spelen een belangrijke rol bij het optreden van gezondheidseffecten in de omgeving van een veehouderij.
Ten aanzien van het aspect geur wordt aan de geldende norm voldaan en de uitstoot van ammoniak en fijnstof neemt ten opzichte van de bestaande situatie af. Daarmee neemt ook het risico op verspreiding van endotoxinen en zoönosen af. Gelet hierop en mede gelet op het feit dat ten aanzien van het aspect volksgezondheid momenteel geen concreet toepasbaar objectief toetsingskader bestaat en daarnaast geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten zijn om aan te toetsen, zijn wij van mening dat de wijziging van de inrichting naar een geitenhouderij geen extra risico’s voor de volksgezondheid met zich meebrengt. 2. Plaats van het project. Het bestaande grondgebruik Het perceel Hegedyk 10 te Raerd is reeds in gebruik ten behoeve van een veehouderij. Deze locatie valt onder het bestemmingsplan “Buitengebied 2008” en heeft de bestemming “Agrarisch gebied” en de aanduiding “gaaf gebied”. De functiewijziging (fase 1) past onder voorwaarden binnen de bepalingen van dit bestemmingsplan. De nieuwe stal (fase 2) is beoogd op het perceel dat al voorziet in een agrarische functie. Het grondgebruik verandert dus niet met de voorgenomen verandering van de inrichting. Op 3 juni 2021 is een voorbereidingsbesluit geitenhouderij vastgesteld. De lopende aanvragen omgevingsvergunning worden hierdoor niet geraakt. Fase 1 van het project is reeds aangevraagd (en dus een lopende aanvraag).
Zoals reeds aangegeven heeft het voorbereidingsbesluit hier geen invloed op. Dat is anders voor nieuwe (nog in te dienen) aanvragen. Dat is voor fase 2 (bouw nieuwe stal) aan de orde. Bij deze nog in te dienen nieuwe aanvraag is het voorbereidingsbesluit wel van toepassing. Hier is namelijk geen sprake van een lopende aanvraag. Gelet op de voorschriften vanuit het voorbereidingsbesluit kan de vergunning voor fase 2 in dit ruimtelijke spoor op dit moment (in ieder geval niet zolang het voorbereidingsbesluit van toepassing is) niet verleend worden. De relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Binnen de inrichting wordt zo zuinig en efficiënt mogelijk omgegaan met hulpbronnen. Het gebruik daarvan wijkt niet af van wat normaal wordt geacht binnen een veehouderij. Aantasting of een bijzondere omstandigheid is niet aan de orde. Wet natuurbescherming (natura 2000-gebieden, fauna en flora) Als bevoegd gezag beoordeelt de provincie Fryslân op dit moment of er aan de Wet natuurbescherming wordt voldaan. De aanvraag hiervoor (waarbij mogelijk sprake is van intern salderen) is in behandeling bij het bevoegd gezag. Stilte- en grondwaterbeschermingsgebieden In de directe omgeving van de inrichting bevinden zich geen stilte- of grondwaterbeschermings gebieden.
Landschap en cultuurhistorische waarden De voorgenomen activiteiten vinden niet plaats in een landschap van historisch, cultureel of archeologisch belang. De activiteiten leiden daarom niet tot bijzondere omstandigheden. Ad 3. Kenmerken van het potentiële effect Het bereik van het effect Er worden mogelijk nieuwe effecten, anders dan die reeds bestaand zijn, verwacht. Dat komt met name doordat er een omzetting van de bedrijfsvoering naar een geitenhouderij wordt beoogd. Verwezen wordt naar de overwegingen ten aanzien van onder andere geluid, emissies naar lucht, ammoniakemissie en geur uit dierenverblijven. De waarschijnlijkheid van het effect Zodra de uitbreiding is gerealiseerd zal de aangegeven emissie worden uitgestoten. Middels de uitvoeringseisen van het voorgenomen emissiearme stalsysteem wordt gewaarborgd dat de emissie niet meer zal bedragen dan voorzien. De duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect Voor de voorgenomen activiteit zal een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo moeten worden aangevraagd. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning zal getoetst worden of de activiteit voldoet aan de vigerende wet- en regelgeving. De mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen Uit de aanmeldingsnotitie blijkt dat de effecten doeltreffend worden verminderd door de keuze voor emissiearme stalsystemen technieken.
De intensiteit en de complexiteit van het effect Gezien de overwegingen onder 1 (kenmerken van het project) en de onder 2 (plaats van het project), verwachten wij dat de pluimveehouderij zoals beschreven in de aanmeldnotitie niet tot nieuwe potentiële effecten leidt voor de omgeving. Samenvatting/Conclusie De kenmerken van de voorgenomen activiteit zijn naar onze mening niet dusdanig dat er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, die het opstellen van een mîlieueffectrapportage bij de voorbereiding van de beslissing op de voorgenomen aanvraag omgevingsvergunning, onderdeel milieu, noodzakelijk maken. Wij hebben daarbij gekeken naar de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Besluit Op grond van de bovenstaande overwegingen en op basis van hetgeen is gesteld in artikel 7.17 van de Wet milieubeheer, besluiten wij dat bij de voorbereiding van het besluit op de voorgenomen aanvraag Maatschap Wiarda Galama (omgevingsvergunning OBM), het houden van melkgeiten geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Van dit besluit wordt mededeling gedaan door kennisgeving in het huis-aan-huisblad en in de Staatscourant. Tevens wordt dit besluit ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit om geen MER te verplichten staat geen afzonderlijk bezwaar of beroep open, omdat er sprake is van een voorbereidingsbeslissing (artikel 6:3 Algemene wet bestuursrecht). Eventuele bezwaren tegen dit besluit kunnen in de procedure omtrent de verlening omgevingsmilieuvergunning OBM aangevoerd worden. Nadere informatie Informatie over uw aanvraag is te verkrijgen bij team Vergunningen. Wij zijn elke werkdag telefonisch bereikbaar van 9.00 tot 16:00 uur via het telefoonnummer 14 0515 of via de mail omgevingwabo@sudwestfryslan.nl. Houd uw kenmerk bij de hand of zet het in uw e-mail, zodat wij u vlot van dienst kunnen zijn. Het kenmerk staat linksboven in deze brief.
Wilt u een gesprek? Dit kan alleen op afspraak. U kunt een afspraak maken door contact op te nemen met team Vergunningen via 14 0515.
Met vriendelijke groet, het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân, burgemeester, loco-gemeentesecretaris,
mr. drs. J.A. de Vries
Bijlage(n): 1. Adviezen GGD (İ21.708957); 2. Advies FUMO (İ21.710399).
G. Heeg
FRYtLAK
GGD Fryslân
Gemeente Súdwest Fryslân t.a.v. dhr. Boersma Postbus 10.000 8600 HA Sneek
Harlingertrekweg 58 Leeuwarden Postbus 612 8901 BK Leeuwarden t. 088 22 99 222 info@ggdfryslan.nl www.ggdfryslan.nl
Datum
Uw kenmerk
Uw brief van
16 juni 2021
Onderwerp
Geitenhouderij Raerd (Osiris 138119)
Ons kenmerk UIT/21013335/G/CDO/
Bijlagen
Behandeld door
Doorkiesnummer
T. Sijbrandij
088 - 22 99 222
E-mail t.sijbrandij@ggdfryslan.nl
Geachte heer Boersma , U heeft namens gemeente Súdwest Fryslân GGD Fryslân benaderd voor een gezondheidskundig advies met betrekking tot de omzetting van een melkveehouderij naar een geitenhouderij aan Hegedyk 10 te Raerd, gemeente Súdwest Fryslân. Specifiek heeft u ons gevraagd om een reactie te geven op de aangeleverde documenten door de aanvrager nadat wij eerder een advies ten aanzien van geitenhouderijen hebben aangeleverd. Wij stellen het op prijs de gelegenheid te krijgen om de relevante gezondheidsaspecten toe te lichten. De juridische beoordeling en besluitvorming blijft in uw handen als het bevoegd gezag.
Initiatief Aan Hegedyk 10 te Raerd is in de huidige situatie een melkrundveehouderij gevestigd en deze omvat volgens de vergunning 300 melkkoeien en 210 stuks jongvee. De beoogde situatie is een geitenhouderij en omvat na voltooiing van fase 2 1800 volwassen geiten en 850 opfokgeiten. De afstand van de dichtst bijstaande stal tot de dichtsbij gelegen gevoelige bestemming* Hegedyk 21 is ca. 160 meter.
Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling door Rombou In de Aanmeldingsnotitie mer-beoordeling van Rombou, datum 30-10-2020, worden verschillende maatregelen ter verkleining van gezondheidsrisico’s beschreven. Het is vanuit gezondheidskundig perspectief erg belangrijk dat deze maatregelen toegepast worden om gezondheidseffecten en hinder zoveel als mogelijk te minimaliseren, maar het effect van deze voorgestelde maatregelen op de verhoogde kans op longontsteking is nog onbekend.
Pagina 1 van 6
GGD 1004a
In de aanmeldingsnotitie mer-beoordeling van Rombou wordt verondersteld dat als aan de normstelling voor specifiek geur, fijn stof en geluid wordt voldaan, dit garantie geeft dat er geen nadelige gezondheidseffecten kunnen optreden. Omgevingsnormen zijn echter geen gezondheidskundige normen. Hoewel gezondheidseffecten wel worden meegewogen, zijn ook andere belangen in deze normen vertegenwoordigd.
Fiinstof Fijn stof is een verzamelnaam voor deeltjes die door de lucht zweven. Bij fijn stof afkomstig van veehouderij wordt er onderscheid gemaakt tussen primair en secundair fijn stof. Primair fijn stof is rechtstreeks afkomstig van de bron en processen daarin. Bij de veehouderij gaat het dan om stofdeeltjes afkomstig van bijvoorbeeld mest, voer, huidschilfers, deeltjes van veren en haren. Secundair fijn stof ontstaat door chemische reacties van gassen of binding van stoffen aan stofdeeltjes. In de veehouderij gebeurt dit vooral door reactie met ammoniak. Dit secundaire fijn stof bevindt zich vooral in de fractie die kleiner is dan 2,5 micrometer. Deze deeltjes vormen op grote afstand om zich vervolgens te verspreiden. Emissie van veehouderij draagt daardoor ook op deze wijze bij aan de achtergrondconcentratie van fijn stof. Voor de fijn stof uitstoot in de directe omgeving van het bedrijf is vooral primair fijn stof van toepassing. Voor een gezondheidskundig advies wordt uitgegaan van twee fracties: deeltjes met een grootte tot 10 micrometer (PM10; 1 micrometer is 0,000001 meter) en deeltjes met een grootte tot 2,5 micrometer (PM2.5). De fractie met deeltjes die kleiner zijn (tot 2,5 micrometer) kan verder doordringen in de longen en daardoor ernstigere gezondheidseffecten veroorzaken.
Langdurige blootstelling aan fijnstof kan tot diverse aan gezondheidseffecten leiden, zoals (verergering van) luchtwegklachten, verminderde longfunctie, hart- en vaatziekten, longkanker en vroegtijdige sterfte. Voor fijnstof wordt in het betreffende hoofdstuk van de aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling verwezen naar de WHO-richtwaarde. Voor de PM10 fractie is deze 20 pg/mS lucht en voor PM2,5 10 pg/mS lucht gemiddeld per jaar, in plaats van de genoemde 25 pg/mS. Volgens de berekeningen van Rombou is de concentratie PM 10 onder deze richtwaarde, voor de concentratie PM2,5 kan dit niet met zekerheid worden gezegd. Daarnaast geldt voor fijnstof dat er geen ondergrens is waarbij er geen negatieve gezondheidseffecten worden waargenomen.1 GGD Fryslân adviseert daarom om de best beschikbare technieken te gebruiken die de fijn stof emissie zoveel mogelijk terugdringen. Geur Geur van de veehouderij bestaat uit een mix van gasvormige componenten afkomstig van de dieren zelf en de bedrijfsvoering. Geur heeft als direct effect hinder. Daarnaast hangt blootstelling aan geur samen met lichamelijke klachten en verstoring van gedrag en activiteiten. De mate waarin dit gebeurt is afhankelijk van de aard van de geur (kwaliteit, intensiteit) en persoonlijke factoren (associaties, gevoeligheid).
Regelmatige geuroverlast kan gedrag en activiteiten verstoren en leiden tot stressgerelateerde klachten zoals hoofdpijn, benauwdheid en misselijkheid. Voor het beoordelen van geurbelasting is zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting van belang. De voorgrondbelasting is de geur van een individueel bedrijf. De achtergrondbelasting is de cumulatieve belasting van geur door alle veehouderijen in de nabijheid van een gevoelige bestemming. Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder als deze meer dan de helft van de achtergrondbelasting uitmaakt. Gezondheidskundig gezien is het streven dat er geen geurhinder optreedt. Voor een gezondheidskundig aanvaardbare situatie is de richtwaarde maximaal 120Zo hinder en minder dan 30Zo ernstige hinder bij woonfuncties. Dit komt overeen met 2 OU/m3 (voorgrondbelasting). Flet is mogelijk dat er situaties kunnen zijn waarbij een hoger percentage gehinderden aanvaardbaar is. De gezondheidskundige bovengrens waarboven de situatie onwenselijk wordt geacht is 5 OU/m3 (20oZo gehinderden).2 1 GGD-richtlijn medische milieukunde: Luchtkwaliteit en gezondheid, 2019. https://www.rivm.nl/ggd-richtlijn-medische-milieukundeluchtkwaliteit-en-gezondheid 2GGD-richtlijn medische milieukunde, onderdeel Veehouderij en geur. RIVM: Bilthoven, 2015
Pagina 2 van 6
Voor de beoogde situatie is in de aanmeldingsnotitie van Rombou de volgende geurbelasting op gevoelige locaties in buurt berekend: Locatie Hegedyk 6 Hegedyk 8
Geurbelasting (OU/m3) 2,3 1,9
Hegedyk12 Hegedyk12A Hegedyk 21 Hegedyk 17 Hegedyk 15 It Fintsje 2
0,7 1,1 3,5 1,3 1,2 0,9
Hoewel deze geurbelasting voldoet aan de normstellingen uit het activiteitenbesluit, is gezondheidskundig gezien de belasting op de locaties Hegedyk 6 en 21 hoog. Advies vanuit gezondheidskundige overwegingen is om met technieken in de stallen te komen tot verdere verlaging van de geuremissie, bijvoorbeeld door extra luchtwassers te plaatsen. Daarnaast is het wenselijk de geuremissie van dit bedrijf te plaatsen binnen de context van andere lokale milieubelastingen die de gezondheid beïnvloeden, in de huidige situatie en gericht op de toekomst. Geluid Blootstelling aan geluid kan leiden tot gezondheidsklachten door ervaren hinder, slaapverstoring, concentratiestoornissen, hypertensie en een verhoogd risico op hart- en vaataandoeningen. Met name het geluidniveau gedurende de slaap is relevant voor gezondheidseffecten. Geluidhinder rondom veehouderijen wordt voornamelijk veroorzaakt door (nachtelijk) transport. Voor de bronnen wegverkeer, railverkeer en bedrijven hanteert GGD Fryslân de richtwaardes van 50 dB Lden (geluidsbelasting overdag, 's avonds en ’s nachts) en 40 dB Uight (geluidsbelasting 's nachts) op de hoogst belaste gevel van de gevoelige bestemmingen ter bescherming van de gezondheid en ter voorkoming van slaapverstoring.3 In de aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling wordt woordelijk getoetst aan de Laeq voor veehouderijen.
Hierbij is de gevelbelasting van gevoelige bestemmingen maximaal 45 dB(A) tussen 06:00 en 19:00 uur, 40 dB(A) tussen 19:00 en 22:00 uur en 35 dB tussen 22:00 en 06:00 uur. Het verschil tussen Laeq en de in de gezondheidskundige richtwaarden gebruikte Lden is dat in de Lden ook de nachtwaarde wordt meegenomen in de middeling van de geluidsbelasting over een jaar. Voor een goede gezondheidskundige beoordeling is daarom meer informatie nodig dan beschreven in de aameldingsnotitie m.e.r.-beoordeling.
3 GGD-richtlijn medische milieukunde: omgevingsgeluid en gezondheid, 2019. https://www.rivm.nl/publicaties/ggd-richtlijn-medischemilieukunde-omgevingsgeluíd-en-gezondheid
Pagina 3 van 6
Endotoxinen Endotoxinen kunnen tot gezondheidsklachten leiden door een (ontstekings-)reactie in het lichaam, met name in de luchtwegen. Bij langdurige blootstelling kan dit mogelijk leiden tot chronische bronchitis en vermindering van de longfunctie. Anderzijds kan blootstelling aan endotoxinen juist een beschermend effect hebben voor het ontstaan van allergieën en astma. Er zijn geen wettelijke grenswaarden voor endotoxinen. De Gezondheidsraad adviseert een bovengrens van 30 eenheden (Endotoxine Units)Zm3. De achtergrondconcentratie endotoxine is laag, minder dan 1 tot enkele eenheden (EUZm3). Rond veehouderijen kan dit echter lokaal fors hoger zijn met pieken boven de 30 EUZm3. Dit is met name het geval rond pluimveebedrijven. In de conclusie over endotoxinen verwijst Rombou naar de fijnstofemissie van geitenhouderijen. GGD Fryslân deelt de notitie dat endotoxine overschrijdingen vooral rondom pluimveebedrijven gezien wordt, maar kan niet adviseren over de beoogde situatie omdat de endotoxine emissie niet is berekend. Zoönosen I Q-koorts GGD Fryslân deelt de conclusie dat bij de juiste maatregelen en de verplichte vaccinaties tegen Qkoorts er geen verhoogd risico is op besmetting door de onderliggende micro-organismen die Q-koorts veroorzaken. Het is niet duidelijk of dezelfde maatregelen het risico op de geziene verhoogde longontstekingen beïnvloeden.
Longontstekingen In de aanmeldnotitie mer-beoordeling van Rombou wordt ingegaan op de onderzoeken ‘veehouderij en gezondheid omwonenden’. In deze beschrijvingen wordt het VGO-III-UGO onderzoek4 echter niet meegenomen. In dit onderzoek wijkt de associatie in een ander gebied (Utrecht, Gelderland en Overijssel) niet af van de eerder gevonden associatie in Limburg en Noord-Brabant. De onderzoekers stellen dat om deze reden het aannemelijk is dat dat deze associaties ook worden gevonden in andere Nederlandse provincies. Daarnaast wordt uitdrukkelijk genoemd dat de verhoogde kans op longontsteking bij omwonenden optreedt vanaf één geitenhouderij rondom de woning. Daarnaast is er gecorrigeerd voor beïnvloeding van de luchtkwaliteit door verkeer en andere type veehouderijen. Tot slot refereert Rombou aan een recente uitspraak van de Raad van State (Uitspraak 201904844Z1/R4). In deze uitspraak is het recentste VGO-III-UGO onderzoek niet gebruikt, omdat dit onderzoek destijds nog niet afgerond was. Momenteel zijn er, ten opzichte van het dossier in de uitspraak van de Raad van State, wel meer bewijzen voor het verband tussen geiten en een verhoogd aantal longontstekingen. Het besluit of dit risico aanvaardbaar is blijft een bestuurlijke afweging.
4 Smit, L.A.M, Huss, A., Jacobs, J., Baliatsas, C., Dückers, M., Boender, G.J., McCarthy, C., Hagenaars, T., IJzermans, J. en Heederik, D. (2019). Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III (2019). Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht. IRAS, NľVEL, Wageningen Bioveterinary Research.
Pagina 4 van 6
Aanvulling m.e.r-beoordeling door Rombou In de aanvulling aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling van Rombou, datum 02-06-2021, gebruikt Rombou het aantal extra gevallen van longontsteking uit het VGO-III-UGO onderzoek om een duiding te geven van de theoretische toename in aantal longontstekingen in het gebied 2 kilometer rondom de Hegedyk 10. In de VGO onderzoeken zijn verschillende statistische methodes gebruikt om jaarlijks het aantal longontstekingen rondom geitenhouderijen te onderzoeken. Hoewel deze methodes robuust en goed zijn gekozen, kunnen uitkomsten fluctueren en kunnen deze verschillend zijn per methode. De duiding van Rombou kan een vertekend beeld geven, omdat het geschatte aantal longontstekingen kan variëren afhankelijk van welke uitkomsten worden gebruikt. Daarom is het niet mogelijk om concrete uitspraken te doen over het aantal longontstekingen die op zullen treden in de omgeving van één geitenhouderij.5 Het risico op het krijgen van longontsteking in de nabije omgeving van een geitenhouderij is klein, ongeacht welke uitkomsten uit het VGO-onderzoek worden gebruikt voor het duiden van het risico. Echter, het is wel een vermijdbaar risico. Longontsteking is een ernstige (infectie)ziekte waarvoor medische behandeling nodig is. Vaak volstaat behandeling door de huisarts met een antibioticum en eventueel aanvullende medicatie.
Bij risicogroepen komen complicaties echter vaker voor en is behandeling in een ziekenhuis vaker nodig. Bij ouderen en mensen met een chronische aandoening is longontsteking een realistische doodsoorzaak. Het is aan het bevoegd gezag om af te wegen of dit risico aanvaardbaar wordt geacht in een bredere belangenafweging voor de huidige situatie en in de toekomst. In het tweede deel van de aanvulling m.e.r.-beoordeling worden maatregelen beschreven welke de uitstoot van fijnstof, geur en endotoxines en de overdracht van zoönosen (ziekten die over kunnen springen van dier tot mens) beperken. GGD Fryslân adviseert om de best beschikbare technieken te gebruiken die deze emissies zoveel mogelijk terugdringen. Gezien de tot dusver onbekende oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking bij geitenhouderijen is het niet met zekerheid te zeggen of deze maatregelen ook effectief zullen zijn om dit risico te verminderen.
Advies GGD Fryslân De GGD-richtlijn Veehouderij en Gezondheid omschrijft de GGD-advisering als volgt6: Bij geitenhouderijen is er tot een afstand van twee kilometer een verhoogde kans op longontsteking gevonden. GGD Fryslân adviseert daarom uit voorzorg, totdat er meer kennis beschikbaar is over de oorzaak: » » »
Geen uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen toe te staan in een straal van twee kilometer van gevoelige bestemmingen*; Geen nieuwe gevoelige bestemmingen binnen twee kilometer van een bestaande geitenhouderij te plaatsen; Goede informatie te geven over de gezondheidsrisico’s en over de motivering van een besluit, zowel richting ondernemers als omwonenden.
5 Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) onderzoek, 2020. https://www.rivm.nl/veehoudcrij-en-gezondheid/onderzoek-veehouderij-en-gezondhcid-omwonenden-vgo 6 GGD-richtlijn medische milieukunde: Veehouderij en gezondheid, 2020. https://www.rivm.nl/publicaties/ggd-riclitlijn-medischemilieukunde-veehouderij-en-gezondheid
Pagina 5 van 6
Daarnaast adviseert GGD Fryslân bij nieuwvestiging en uitbreiding van alle veehouderijen (dus niet alleen geitenhouderijen) om de best beschikbare technieken te gebruiken die de emissie van fijn stof, biologische agentia (waaronder endotoxine en zoönose), geur en geluid zoveel mogelijk terugdringen. Gezien de tot dusver onbekende oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking bij geitenhouderijen is het niet met zekerheid te zeggen welke (bron)maatregelen effectief zullen zijn om dit risico te reduceren. Verder is het mogelijk dat er gezondheidsrisico’s voor omwonenden zijn en dat deze omwonenden overlast ondervinden ondanks dat de uitstoot van een (toekomstig) bedrijf aan de wettelijke milieunormen voldoet. Hierdoor is het dus mogelijk dat de gevolgen van de uitstoot voor het milieu beperkt worden geacht, maar er wel kans op gezondheidseffecten is.
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Mocht u nog aanvullende vragen of behoefte aan een toelichtend gesprek hebben dan hoor ik het graag.
Met vriéndelijke groet, T. Sijbrandij,
,
T u "r—
v -- C***--
Adviseur Milieu Ă Gezondheid
Arts Maatschappij en Gezondheid InfectieziektenKNMG
* Gevoelige bestemmingen zijn woningen, scholen, kinderopvang, bejaardentehuizen, verzorgings-en verpleegtehuizen, ziekenhuizen. Ook voormalige bedrijfswoningen waarbij geen binding meer is met veehouderij-activìteiten beschouwt GGD Fryslân als gevoelige bestemming
Pagina 6 van 6
Oorspronkelijk advies GGD d.d. 5 maart 2021
GGD Fryslân
Dhr A. Wiarda Hegedyk10 9012DM Raerd
Harlingertfekweg 58 Leeuwarden Postbus 612 8901 Bk Leeuwarden 1 088 22 99 222 infcŵļçidf ryslan.nl www.ggdfryslan ni
Datum
Uw kenmerk
Uw brief van
05 maart 2021
Ons kenmerk /Osiris 134589 Behandeld door
Onderwerp Vergunningsomzetting Hegedyk 10, Raerd
T. Sijbrandij E-mail milieuenaezondheid®aadfrvslan nl
Bijlagen 0 Doorkìesnummer 088 - 22 99 222
Geachte heer Wiarda,
U bent de eigenaar van de melkveehouderij met 300 melkkoeien en 210 stuks jongvee aan de Hegedyk 10 te Raerd en u zit in een traject van een vergunningsomzetting naar een geitenhouderij met 1100 geiten en 800 opfokgeiten. In dit traject is naar voren gekomen dat een gezondheidskundig advies van de GGD wenselijk is voor verdere besluitvorming. Hoewel de gebruikelijke route van aanvraag van gezondheidskundig advies voor een vergunningsomzetting via de gemeente is, heeft u in overleg met de gemeente afgesproken dat u deze aanvraag bij ons doet. Normaliter adviseert de GGD de gemeente en inwoners op gebied van publieke gezondheid en geven wij geen advies rechtstreeks aan bedrijven. Wij benadrukken dat de gemeente als bevoegd gezag de uiteindelijke beslissing neemt over het wel of niet verlenen van de vergunning Veehouderijen en gezondheid De GGD adviseert bij nieuwvestiging, uitbreiding en omzetting van alle veehouderijen (dus niet alleen geitenhouderijen) om de best beschikbare technieken te gebruiken die de emissie van fijn stof, biologische agentia (waaronder endotoxine en zoönosen), geuren geluid zoveel mogelijk terugdringen. Omwonenden van veehouderijen hebben vaker een verminderde longfunctie, waarschijnlijk door blootstelling aan secundair fijnstof wat gevormd wordt door ammoniak.
Daarnaast zijn er ook andere gezondheidseffecten, zoals hinder en daaraan gerelateerde effecten. Wij adviseren bij veehouderijen om een minimale afstand van 250 meter aan te houden tussen veehouderijen en gevoelige bestemmingen, zoals woningen, scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, verzorgings-en verpleegtehuizen en ziekenhuizen. Opvallend is dat omwonenden van veehouderijen, net als mensen die zijn opgegroeid op veehouderijen, minder allergische klachten, astma en COPD hebben. De oorzaak hiervan is echter nog steeds onduidelijk. Mensen in deze omgeving die wel allergieën, astma en/of COPD hebben ondervinden meer klachten en hebben verhoogd medicijngebruik.'
1 https://www.rivm.nl/publicaties/ggd-richtlijn-medische-milieukunde-veehouderij-en-gezondheid
Pagina 1 van 3
Bij geitenhouderijen is een verhoogd risico op longontsteking aangetoond (zie hieronder), maar bij andere soorten veehouderijen niet. Door het verschil in gezondheidseffecten is het niet mogelijk om een vergelijking te maken tussen de gezondheidsrisico’s voor omwonenden van een melkrundveehouderij en van een geitenhouderij. Geitenhouderijen en gezondheid Met betrekking tot geitenhouderijen adviseert de GGD om terughoudend te zijn in de plaatsing hiervan binnen een straal van twee kilometer tot gevoelige bestemmingen. Uw bedrijf heeft een afstand van ongeveer 1,5 km tot de woonkern van het dorp Raerd en valt daarmee ook onder dit advies. Reden hiertoe is de herhaaldelijk gevonden relatie van een toename in aantal longontstekingen binnen een afstand van twee kilometer tot een geitenhouderij. In Noord-Brabant en Limburg zijn over de periode 2009 - 20132 gemiddeld 290Zo en over de periode 2014 - 20163 4gemiddeld 21X meer gevallen van longontstekingen binnen twee kilometer afstand van een geitenhouderij dan buiten een afstand van twee kilometer. Het onderzoek is herhaald voor gebieden in Utrecht, Gelderland en Overijssel over de periode 2014 20171 In deze gebieden zijn er 250A meer longontstekingen binnen een straal van twee kilometer rond een geitenhouderij. De extra kans op longontsteking neemt toe naarmate men dichterbij een geitenhouderij woont.
Ook neemt de kans op longontsteking toe naarmate er meer geitenhouderijen in de omgeving aanwezig zijn. De onderzoeken zijn gecorrigeerd voor omgevings- en leefstijlfactoren die ook te relateren zijn aan longontsteking, zoals fijnstof en roken. Daarnaast is ook uitgesloten dat Q-koorts de oorzaak is voor het herhaaldelijk voorkomen van een verhoogd aantal longontstekingen. Longontsteking is een ernstige infectie waarvoor medische behandeling nodig is. Vaak volstaat behandeling door de huisarts met een antibioticum en eventueel aanvullende medicatie. Bij risicogroepen komen complicaties echter vaker voor en is behandeling in een ziekenhuis nodig. Bij ouderen en mensen met een chronische aandoening is longontsteking een realistische doodsoorzaak. Gezien de tot dusver onbekende oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking bij geitenhouderijen is het niet met zekerheid te zeggen welke (bron)maatregelen effectief zullen zijn om dit risico te reduceren. De ernst van de aandoening geeft reden voor de GGD om te adviseren om onderzoeken af te wachten die verder inzicht bieden naar de oorzaak van longontstekingen rondom geitenhouderijen alvorens de plaatsing van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen toe te wijzen.
De komende járen zal het 'Veehouderij en gezondheid omwonden (VGO) llľ onderzoeksprogramma meer inzicht opleveren naar de mogelijke oorzaken van het verhoogde voorkomen van longontsteking in de buurt van geitenhouderijen. Naar verwachting worden de resultaten van de onderzoeken eind 2022 gepubliceerd.
2 Hagenaars, T., Hoeksma, P„ Roda Husman, A M. de, Swart, A. en Wouters, I. (2017). Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies): Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen (No. 20170062). RIVM. 3 IJzermans CJ, Smit L, Heederik D, Hagenaars T (2018). Veehouderij en gezondheid omwonenden lil. Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 2014-2016. NiVEL 4 Smit, L.A.M, Huss, A., Jacobs, J., Baliatsas, C., Dückers, M., Boender, G.J., McCarthy, C., Hagenaars, T., IJzermans, J. en Heederik, D. (2019). Veehouderij en Gezondheid Omwonenden lil (2019). Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht. IRAS, NIVEL, Wageningen Bioveterinary Research
Pagina 2 van 3
!k vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Mocht u aanvullende vragen hebben, dan kunt u contact met mij opnemen via telefoon of per e-mail.
Met vriendelijke groet,
^ çy
T. Sijbrandij, adviseur milieu S. gezondheid
T.H. Tan, arts maatschappij en gezondheid — infectieziekten KNMG
Pagina 3 van 3
Mts. Wiarda - Galama Hegedyk 10 9012 DM Raerd
Grou, 16 november 2020 Ons kenmerk Afdeling Behandeld door Uw kenmerk
2020-FUMO-0046427 Toetsing en Vergunningverlening Holwerda
Betreft
m.e.r.-beoordelingsbesluit
Geachte heer I mevrouw, Op «datum» heeft Rombou, namens u, middels een aanmeldingsnotitie (''Aanmeldingsnotitie m.e.r.beoordeling”, d.d. 30 oktober 2020) meegedeeld dat u het voornemen heeft om een aanvraag om een omgevingsvergunning in te dienen voor het veranderen van de inrichting gelegen aan Hegedyk 10 te Raerd. Op deze locatie exploiteert Maatschap Wiarda - Galama een melkveehouderij. De beoogde verandering ziet op beëindiging van de melkrundveehouderij en voortzetting van de exploitatie van bestaande inrichting als melkgeitenhouderij. Wij hebben beoordeeld of bij de voorbereiding van het besluit omtrent de aanvraag om omgevingsvergunning een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Hieronder treft u ons besluit aan. Besluit Op grond van onderstaande overwegingen en op basis van hetgeen is gesteld in artikel 7.17 van de Wet milieubeheer (Wm) hebben wij besloten dat bij de voorbereiding van het besluit op de voorgenomen aanvraag omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) betreffende de uitbreiding van de inrichting gelegen aan Hegedyk 10 te Raerd, geen MER behoeft te worden opgesteld. Wettelijke grondslag Het voorgenomen project zal in twee fasen worden uitgevoerd. De eerste fase voorziet in het wijzigen van de bestaande gebouwen (melkveestallen) ten behoeve van het huisvesten van in totaal 1975 geiten.
De tweede fase betreft het uitbreiden van de inrichting door realisering van een nieuwe stal voor het huisvesten van 890 geiten. De beoogde wijziging is aan te merken als wijziging van de inrichting door de oprichting van een nieuwe installatie als bedoeld in onderdeel A, onder 2, van de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Deze wijziging wordt genoemd in categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.
In kolom 2 van de desbetreffende categorie, onder 110, is als drempelwaarde vermeld: gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan 2.000 stuks geiten, Rav cat. C.1 t/m C.3. Bij het overschrijden van de drempelwaarden moet op grond van artikel 2, vijfde lid, onder a, van het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordeling worden gemaakt. Bij het niet overschrijden van de drempelwaarden is artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r. van toepassing en dient een zogenoemde vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. Daarbij dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Beide projectfases, afzonderlijk van elkaar beoordeeld, blijven onder de drempelwaarde. Het totale project, waarop de aanmeldnotitie ziet, komt boven de drempelwaarde. Het bevoegd gezag moet beoordelen of het voorgenomen project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben die reden qeven voor het opstellen van een MER als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wm. Procedure De in de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de Wm omschreven procedure is gevolgd.
Toetsingskader Bij de beslissing als bedoeld in artikel 7.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer, ínhoudende dat geen MER behoeft te worden gemaakt, dient het bevoegd gezag rekening te houden met de criteria als bedoeld in bijlage III bij Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (hierna: m.e.r.-richtlijn). De criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn hebben onder meer betrekking op: 1. Kenmerk van het project. Bij het kenmerk van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: - de omvang van het project; - de cumulatie met andere projecten; - het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; - de productie van afvalstoffen; - verontreiniging en hinder; - het risico van zware ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën; - de risico's voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling). 2. Plaats van het project. Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop projecten van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. het bestaande grondgebruik; b. de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; c.
het opname vermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: - wetlands; - kustgebieden; - berg- en bosgebieden; - reservaten en natuurparken; - gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden -2/9-
Ons kenmerk : 2020-FUMO-0Ũ46427
-
beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG ^Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG ^Habitatrichtlijn) gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; gebieden met hoge bevolkingsdichtheid; landschappen van historisch, cultureel of archeologische belang.
3. Kenmerken van het potentiële effect. Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project kunnen in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in overweging worden genomen: a. de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); b. de aard van het effect; c. het grensoverschrijdend karakter van het effect; d. de intensiteit en de complexiteit van het effect; e. de waarschijnlijkheid van het effect; f. de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; g. de cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; h. de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen. Daarnaast moet het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17, vierde lid Wm, indien aan de orde, verwijzen naar de kenmerken van de voorgenomen activiteit of van de door uw inrichting geplande maatregelen waarmee belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu vermeden of voorkomen worden. Overwegingen ten aanzien van artikel 7.17, derde lid Wm: De relevante belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn door ons als volgt beoordeeld: 1. Kenmerk van het project.
Omvanq van de activiteit De initiatiefnemer exploiteert op het perceel aan de Hegedyk 10 te Raerd een melkrundveehouderij met een omvang van 300 melk- en kalikoeien en 210 stuks jongvee. De vergunde rechten worden ontleend aan de oprichtingsvergunning Wm van 21 maart 2006, veranderingsvergunning Wm van 27 augustus 2008 en omgevingsvergunning (verandering) van 5 mei 2014. Het voorgenomen project voorziet in een omschakeling van een melkrundveehouderij naar een geitenhouderij. Het project wordt gefaseerd uitgevoerd. Vanwege de samenhang tussen de beide fasen van het project, zijn in de aanmeldingsnotitie de milieueffecten van beide fasen inzichtelijk gemaakt. In de eerste fase zullen de bestaande stallen geschikt worden gemaakt voor het huisvesten van 1.125 melkgeiten (vanaf 1 jaar oud), 500 opfokgeiten (61 dagen tot 1 jaar oud) en 350 jonge opfokgeitjes/bokjes (t/m 60 dagen oud). Voor het gewenste initiatief dient een aanvraag om een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) ingediend te worden. De tweede fase betreft de realisatie van een nieuwe stal, c.q. verlenging bestaande stal, voor het houden van melkgeiten. De totale bedrijfsomvang zal bestaan uit in totaal 1.800 melkgeiten (vanaf 1 jaar oud), 500 opfokgeiten (61 dagen tot 1 jaar oud) en 350 jonge opfokgeitjes/bokjes (t/m 60 dagen oud). Voor deze bedrijfsopzet is een omgevingsvergunning (oprichting) nodig.
Cumulatie met andere projecten
-3/9 -
Ons kenmerk : 2020-FUMO-0046427
Cumulatie met andere projecten kan optreden als twee of meer activiteiten op dusdanige afstand van elkaar worden gerealiseerd dat de milieueffecten van deze activiteiten elkaar verzwakken of versterken. Voorzover bekend zijn er in de directe omgeving geen andere initiatieven waarvan de milieueffecten meegenomen zouden moeten worden bij de beoordeling van deze activiteit. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Over het gebruik van natuurlijke hulpbronnen kan worden gemeld dat dit in hoofdzaak betrekking heeft op het gebruik van drinkwater voor de dieren en voor reinigingsdoeleinden. De verwachting is dat het gebruik niet zodanig is dat hierover een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Het energieverbruik binnen de inrichting is voornamelijk ten behoeve van de verlichting, ventilatie van de stallen en voerinstallatie. De inrichting wordt in de energiebehoefte voorzien door eigen geproduceerde duurzame energie middels zonnepanelen. Productie van afvalstoffen Als bedrijfseigen afvalstoffen kunnen mest, kadavers en overig bedrijfsafval aangemerkt worden. De mest wordt na elke mestronde verwijderd en afgevoerd. Kadavers worden opgehaald en verwerkt door een daartoe aangewezen destructiebedrijf. Het overige bedrijfsafval wordt via een erkende verwerker afgevoerd. Bedrijfsafvalwater wordt geloosd in de opvangputten en vervolgens uitgereden over het land.
Het hemelwater wordt via verharde oppervlakten afgevoerd naar de bodem c.q. het oppervlaktewater. De effecten op doelmatig beheer van afvalstoffen zijn niet zodanig dat in verband hiermee een milieueffectrapport dient te worden opgesteld. Verontreiniging en hinder Ten aanzien van verontreiniging en hinder zijn de thema’s lucht(kwaliteit), geluid en bodem naar verwachting relevant en zullen hierna nader worden beoordeeld. Hierbij is getoetst aan de van toepassing zijnde wettelijke criteria.
Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) vormen het toetsingskader voor geur. Geiten zijn dieren waarvoor geuremissiefactoren in de Rgv zijn opgenomen. De voorgenomen wijziging van de inrichting, zowel de eerste als de tweede fase, is getoetst aan de Wgv door middel van V-Stacks berekeningen. Door deze berekeningen kan worden bepaald wat de daadwerkelijke geurbelasting is op stankgevoelige objecten en of aan de geurnormen kan worden voldoen. Het aantal te houden dieren, het emissiepunt, de diameter en de uittreesnelheid zijn hiervoor bepalend. Uit de gegevens in de m.e.r.-beoordelingsnotitie (bijlage geurberekeningen fase 1 en fase 2) blijkt dat de geurbelasting na de voorgenomen wijziging van de inrichting op alle nabijgelegen woningen binnen de op grond van artikel 3, lid 1, onder d, van de Wgv geldende norm van 8 oUE/m3 blijft. Verder bedraagt de afstand tussen de woning Hegedyk 21 en de buitenzijde van stal A1 circa 160 m, zodat wordt voldaan aan de afstandseis van 25 m genoemd in artikel 5, eerste lid, van de Wgv. Het geuraspect vormt derhalve geen aanleiding tot het opstellen van een milieueffectrapport.
Ammoniak Voor de beoordeling van de gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt met betrekking tot het aspect ammoniak moet getoetst worden aan de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). De 419-
-
Ons kenmerk : 2020-FUMO-0046427
dierenverblijven liggen niet in een zeer kwetsbaar gebied, zoals bedoeld in de Wet ammoniak en veehouderij, dan wel in een zone van 250 meter daaromheen. Voor de berekening van de ammoniakemissie uit dierenverblijven worden de emissiefactoren toegepast die zijn opgenomen in bijlage 1 bij de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). Huidige ammoniakemissie: Stal
Emissiefactor kgNFO/dier/jr
Diersoort
Ravcode
Aantal dieren
Melkvee
A 1.100
300
13,0
Jongvee
A 3.100
210
4,4
Totaal Kg NH3
3.900 924 4.824
TOTAAL
Ammoniakemissie na uitbreiding: Emissiefactor* kgNHS/dier/jr
Totaal Kq NH3
1.125
1,9
2.137,5
C 3.100
350
0,2
70,0
C 2.100
500
0,8
400,0
Stal
Diersoort
Ravcode
A1
Geiten >^\ jaar
C 1.100
C
Opfokgeiten 0-61 dgn
Aantal dieren
Fase 1
Opfokgeiten 61 dgn - 1 jr.
2.607,5
TOTAAL Fase 2
1,9
1.729,0
890
1,9
1.691,0 70,0 400,0
A1
Geiten s-1 jaar
C 1.100
910
A2
Geiten >^ jaar
C 1.100
C
Opfokgeiten 0-61 dgn
C 3.100
350
0,2
Opfokgeiten 61 dgn - 1 jr.
C 2.100
500
0,8
3.890,0
TOTAAL
Zowel in eerste fase als in de tweede fase 2 van het project, neemt de totale ammoniakemissie in de voorgenomen situatie met 2.216,5 NHs/jaar, respectievelijk 934 kg NHs/jaar af ten opzichte van de totale ammoniakemissie van de reeds vergunde situatie. Als gevolg hiervan ontstaat een afname van de milieuverontreiniging. Besluit emissiearme huisvesting Het Besluit emissiearme huisvesting geeft geen maximale emissiewaarden voor diercategorie geiten. Voor een diercategorie waarvoor geen maximale emissiewaarde in het besluit is vastgesteld, is dit besluit niet van toepassing. Luchtkwaliteit Voor wat betreft dit initiatief zijn de vrijkomende concentraties van zwevende deeltjes (fijnstof) uit de stallen relevant. De voorgenomen wijziging van de inrichting leidt tot een afname van de concentraties fijnstof (zwevende deeltjes). De vergunde situatie (zie tabel vigerende situatie hieronder) heeft een totale emissie van 43.380 gram fijnstof (PM10) per jaar en de voorgenomen situatie (zie tabel gewenste -5/9 -