Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing woningbouwontwikkeling Zoutepoel te Sneek
Tekst van het document
omgevingsvergunning
Sneek - Zoutepoel 4 en 4a Súdwest-Fryslân
DATUM IMRO IDN
19-10-2023 NL.IMRO.1900.20221029-0001
PROJECT PROJECTLEIDER
Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Zoutepoel 4 en 4a T. de Jong
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
Zoutepoel Exploitatie b.v. 20221029
AUTEUR STATUS
Y. Meestra ontwerp
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Ligging projectgebied
6
1.3
Planologische regeling
7
1.4
Leeswijzer
9
Hoofdstuk 2
Projectbeschrijving
10
2.1
De huidige situatie
10
2.2
Voorgenomen situatie
11
2.3
Beeldkwaliteit
13
2.4
Verkeer en parkeren
13
Hoofdstuk 3
Beleidskader
16
3.1
Rijksbeleid
16
3.2
Provinciaal beleid
17
3.3
Gemeentelijk beleid
19
Milieu- en omgevingsaspecten
21
4.1
Milieuzonering
21
4.2
Archeologie
21
4.3
Cultuurhistorie
23
4.4
Ecologie
23
4.5
Bodem
26
4.6
Luchtkwaliteit
26
4.7
Geluid
27
4.8
Water
29
4.9
Kabels en leidingen
31
4.10
Externe veiligheid
31
4.11
Vormvrije mer-beoordeling
32
Uitvoerbaarheid
33
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
33
5.2
Economische uitvoerbaarheid
35
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
3/306
Hoofdstuk 6
Conclusie
36
6.1
Aanleiding
36
6.2
Afweging
36
6.3
Conclusie
36
Bijlagen
37
Bijlage 1
Terreininrichting
39
Bijlage 2
Beeldkwaliteitsplan
41
Bijlage 3
Archeologisch onderzoek
65
Bijlage 4
Stikstofonderzoek
101
Bijlage 5
Ecologisch onderzoek
113
Bijlage 6
Ecologisch vervolgonderzoek
147
Bijlage 7
Bodemonderzoek
191
Bijlage 8
Akoestisch onderzoek warmptepompen
257
Bijlage 9
Vormvrije mer-beoordeling
273
Bijlage 10
Watertoets
289
Bijlage 11
Overlegreacties
297
4/306
Ruimtelijke onderbouwing
5/306
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Aan de Zoutepoel 4 en 4a te Sneek zijn in de huidige situatie een jachtverhuurbedrijf (Zoutepoel 4) met een bedrijfswoning (Zoutepoel 4a) aanwezig. De initiatiefnemer wil na de sloop van de bestaande bebouwing een hoogwaardig appartementengebouw realiseren met 32 appartementen. Het appartementengebouw wordt grotendeels gerealiseerd op de locatie van het jachtverhuurbedrijf, het bijbehorende parkeerterrein ook op de locatie van de bedrijfswoning. De voorgenomen ontwikkeling is niet in overeenstemming met de mogelijkheden zoals opgenomen in het geldende bestemmingsplan. De gemeente is echter bereid om af te wijken van het bestemmingsplan door middel van een uitgebreide omgevingsvergunning, conform artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 30 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Deze afwijking van het bestemmingsplan moet gemotiveerd worden met een ruimtelijke onderbouwing, waarin wordt aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met 'een goede ruimtelijke ordening'. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.
1.2
Ligging projectgebied
Het projectgebied ligt aan de Zoutepoel 4 en 4a, aan de Snitser Aldfeart en De Domp II. Het perceel waar zich in de huidige situatie groen bevindt, is kadastraal bekend als SNE00-D-3976. Een deel van dit perceel (dat grenst aan het bestaande bedrijfsperceel) maakt deel uit van het projectgebied, het deel dat grenst aan het water niet. Dit deel aan het water is en blijft in eigendom van de gemeente. Het perceel waar zich in de huidige situatie het jachtverhuurbedrijf bevindt, is kadastraal bekend als SNE00-D-2919. Het perceel waar zich in de huidige situatie de bedrijfswoning bevindt is kadastraal bekend als SNE00-D-2920. In figuur 1.1 is de ligging van het projectgebied weergegeven.
6/306
Figuur 1.1
1.3
Ligging van het projectgebied in Sneek aangegeven met een rood kader
Planologische regeling
1.3.1 Algemeen Het projectgebied ligt in het bestemmingsplan 'Eiland - De Domp', dat is vastgesteld op 31 maart 2011 door de gemeente Súdwest-Fryslân. Op basis van het bestemmingsplan heeft het projectgebied de bestemmingen 'Groen', 'Bedrijf - Jachtverhuur', 'Wonen' en 'Tuin'. In figuur 1.2 is een uitsnede van het geldende bestemmingsplan weergegeven.
7/306
Figuur 1.2 1.3.2
Uitsnede bestemmingsplan 'Eiland - De Domp'
Beschrijving bestemmingen
In deze bestemmingen is het volgende toegestaan: Bestemming Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting, paden, speelvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen en nutsvoorzieningen. Bestemming Bedrijf - Jachtverhuur De voor 'Bedrijf - Jachtverhuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor jachtverhuurbedrijven, waarbij hoofdgebouwen gebouwd moeten worden binnen een bouwvlak. Bestemming Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in woningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, waarbij hoofdgebouwen gebouwd moeten worden binnen een bouwvlak. Bestemming Tuin De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen woningen, wegen en paden en groenvoorzieningen. Hier mogen geen gebouwen worden gebouwd met uitzondering van erkers of tochtportalen.
8/306
1.3.3 Strijdigheid Het realiseren van een appartementengebouw op de beoogde locatie is niet in overeenstemming met de bestemming 'Groen' en 'Bedrijf - Jachtverhuur'. Het realiseren van parkeervoorzieningen bij het appartementengebouw op de beoogde locatie is niet in overeenstemming met de bestemmingen 'Tuin' en 'Wonen'. Verder ontbreekt binnen het projectgebied een bouwvlak voor de voorgenomen ontwikkeling. Door middel van een omgevingsvergunning conform artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 30 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wordt afgeweken van het bestemmingsplan waarmee de voorliggende ontwikkeling mogelijk gemaakt wordt.
1.4
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in Hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige situatie en de gewenste ontwikkeling. In Hoofdstuk 3 worden de uitgangspunten getoetst aan het, voor het project relevante, beleid op de verschillende niveaus. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten. Ten slotte worden in Hoofdstuk 5 de maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid van het project besproken. De ruimtelijke onderbouwing sluit af met een conclusie in Hoofdstuk 6.
9/306
Hoofdstuk 2 2.1
Projectbeschrijving
De huidige situatie
Het projectgebied ligt in het oosten van Sneek aan de Zoutepoel 4 en 4a. In de huidige situatie betreft het projectgebied een jachtverhuurbedrijf met een bijbehorende bedrijfswoning. De huidige oppervlakte aan bebouwing bedroeg 1.325 m2, tevens is het bedrijfsperceel grotendeels verhard. Aan de westzijde bevindt zich een groenstrook langs het water. De bedrijfsgebouwen zijn recentelijk gesloopt. Het projectgebied is gelegen op een markante plek in het westelijke deel van woonwijk De Domp. De woonwijk maakt deel uit van een 30 km/uur-gebied. In de woonwijk bevinden zich ook enkele niet-woonfuncties. Het projectgebied wordt aan de noord-, oost- en westkant begrensd door water van de Domp II (dat deel uitmaakt van de ten noorden gelegen jachthaven) en de Snitser Aldfeart. Aan de overzijde van de Snitser Aldfeart zijn eveneens jachthavens aanwezig. De nadrukkelijke ligging aan het water is een onderscheiden kenmerk van het projectgebied. Aan de zuidkant wordt het projectgebied begrensd door de straat de Zoutepoel. In figuur 2.1 is een luchtfoto van de huidige situatie weergegeven.
Figuur 2.1
10/306
Luchtfoto huidige situatie
2.2
Voorgenomen situatie
Het project voorziet in de realisatie van een appartementengebouw met 32 appartementen met de daarbijbehorende (parkeer)voorzieningen. Om plaats te maken voor het appartementengebouw, is de bestaande bedrijfsbebouwing gesloopt en wordt de verharding op het perceel verwijderd. De sloop van de bedrijfswoning wordt in later stadium uitgevoerd en is nodig om ruimte te bieden aan de benodigde parkeerruimte aan de oostzijde van het nieuwe gebouw. Voor het planvoornemen wordt geen water gedempt of bomen gekapt. In figuur 2.2 en is de inrichting van het perceel weergegeven, in figuur 2.3 een gevelaanzicht.
11/306
Figuur 2.2
Inrichting perceel
van circa 15,5 meter. Het gebouw heeft een oppervlakte (footprint) van circa 1.115 m2. De markante locatie van het projectgebied aan het water vraagt om een dergelijk hoog gebouw. In het gebouw worden 32 appartementen gerealiseerd van 131 tot 137 m2 . Ieder appartement krijgt standaard een balkon (op de etages) en 2 slaapkamers met een derde slaapkamer als optie. De bergingen bij de appartementen -worden inpandig uitgevoerd op de begane grond.
12/306
Het parkeerterrein aan de oostzijde biedt ruimte aan 64 parkeerplaatsen, waarmee voldaan wordt aan de gemeentelijke parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per woning. Zie hiervoor ook paragraaf 2.4. De nu nog voor het jachtverhuurbedrijf in gebruik zijnde aanleggelegenheid aan de noordoostzijde van het projectgebied komt te vervallen. Langs de waterzijde wordt het gebouw in een openbaar karakter gesitueerd. Een meer uitgewerkte tekening van de terreininrichting is opgenomen in bijlage 1. De gronden tussen het water en het projectgebied zijn en blijven in eigendom van de gemeente.
2.3
Beeldkwaliteit
Omdat de bestaande gemeentelijke welstandsregels niet toereikend zijn voor dit project is een nieuw specifiek welstandskader opgesteld voor dit gebied in de vorm van een beelkwaliteitsplan. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen als bijlage 2. In dit beeldkwaliteitsplan zijn eisen opgenomen ten aanzien van de beeldkwaliteit voor de bebouwing en het te bebouwen perceel. Dit beeldkwaliteitsplan vervangt voor het grondgebied van het projectgebied de bestaande welstandsnota en wordt ook als zodanig vastgesteld. In het beeldkwaliteitsplan is ook gemotiveerd in hoeverre het project aansluit in de omgeving en hoe wordt omgegaan met de duurzaamheidsdoelstellingen. In de uitwerking van de bouwplannen wordt hier rekening mee gehouden.
2.4
Verkeer en parkeren
Verkeersstructuur De verkeersstructuur voor het projectgebied zal met de wijziging in functie en realisatie van woningen wijzigen. De bestaande bedrijfsbebouwing zal worden gesloopt en ter plaatse zal een hoogwaardig appartementengebouw gerealiseerd worden, waarin 32 appartementen worden gerealiseerd. Op basis van kencijfers van het kenniscentrum CROW (publicatie 381) zal de verkeersgeneratie worden berekend. De gemeente Súdwest-Fryslân betreft een 'weinig stedelijke' gemeente en het projectgebied ligt in 'de rest van de bebouwde kom'. Bij 32 appartementen in het koopsegment duur (met een verkeersgeneratie van 7 motorvoertuigen per appartementen per etmaal) leidt dit tot een verkeersgeneratie van 224 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Ook in de huidige (planologische) situatie is er sprake van een verkeersaantrekkende werking voor het jachtverhuurbedrijf en de woning. Voor de woning is dit 7 motorvoertuigen per etmaal. Voor het jachtverhuurbedijf zijn geen precieze kencijfers bekend. Voor deze functie kan aangesloten worden bij de kencijfers voor de meer algemenere categorie van arbeids- en bezoekersextensieve bedrijven. Het kencijfer voor de verkeersaantrekkende werking hiervan bedraagt 4,8 motorvoertuigen per etmaal per 100 m2 bruto vloeroppervlak.
Bij de huidige oppervlakte van het bestemmingsvlak voor het jachtverhuurbedrijf (3.050 m2) is er sprake van een verkeerksaantrekkende werking van 147 motorvoertuigen per etmaal. De totale verkeersgeneratie in de huidige situatie bedraagt daarmee voor de woning en het jachtverhuurbedrijf gezamenlijk 154 motorvoertuigen per etmaal. Per saldo ontstaat er door het project een extra verkeersgeneratie van 70 motorvoertuigen per etmaal. Om te onderzoeken of deze verkeersgeneratie leidt tot eventuele knelpunten, kan gebruik worden gemaakt van verkeerstellingen die door de gemeente in het verleden zijn uitgevoerd. Aan de Gravinneweg (tussen de
13/306
Groendijksterzijl en de Groenedijk) zijn in 2012 2.833 motorvoertuigen voor beide rijrichtingen geteld. Met een jaarlijkse groei van verkeer van 1% per jaar is dit naar 2033 (10 jaar na verlening omgevingsvergunning) omgerekend een verkeersintensiteit van 3.161 motorvoertuigen per etmaal. Op basis van het verkeersverdelingsmodel van de gemeente (zie figuur 2.3) wikkelt 12,5% van deze hoeveelheid verkeer zich af in zuidelijke richting op het deel van de Gravinneweg tussen de Horseweg en de Zoutepoel. Op het deel van de Zoutepoel ter hoogte van het projectgebied blijft uiteindelijk 5% van het verkeer over.
Figuur 2.3
Verkeersverdelingsmodel Zoutepoel en omgeving
In de huidige situatie is er op de Zoutepoel ter hoogte van het projectgebied sprake van een verkeersintensiteit van 158 motorvoertuigen per etmaal (5% van 3.161). Dit is een erg lage verkeersintensiteit, die verreweg onder de maximale capaciteit van een 30 km/uur weg ligt. Deze ligt voor een straat als de Zoutepoel op basis van het Handboek Wegontwerp van de CROW tussen de 4.000 - 6.000 motorvoertuigen per etmaal. Afhankelijk van de inrichting van de straat kunnen boven deze verkeersintensiteit verkeersonveilige situaties ontstaan. Met verkeersaantrekkende werking van het project erbij, bedraagt de totale verkeersintensiteit in de toekomstige situatie aan de Zoutepoel 228 motorvoertuigen per etmaal. Ook dit aantal ligt verreweg onder de maximale capaciteit van de Zoutepoel waardoor verkeersonveilige situaties kunnen ontstaan. De inrichting van de Zoutepoel (met aan beide zijden trottoir en een brede groenstrook langs de waterkant) is ook zodanig dat het zicht voor de verschillende verkeersdeelnemers goed is. Al met al kan met betrekking tot de verkeersstructuur en de verkeersaantrekkende werking worden
14/306
geconcludeerd dat het verkeer vanuit het projectgebied op een goede en verkeersveilige manier afgewikkeld kan worden en dat er met betrekking tot de capaciteit en de verkeersveiligheid geen ongewenste situatie zullen ontstaan. Parkeren Op 5 juni 2018 heeft de gemeente Súdwest-Fryslân de Parkeernormennota Súdwest-Fryslân 2018 gepubliceerd. De parkeerregels gaan uit van de gemiddelde parkeerkencijfers van het kenniscentrum CROW. Of sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van deze regeling en de normen die daarin zijn opgenomen. In de voorgenomen situatie zal een toename in woningen plaatsvinden, waarbij 32 appartementen worden gerealiseerd. Conform de Parkeernormennota Súdwest-Fryslân 2018 kan worden uitgegaan van 2 parkeerplaatsen per woning. In totaal dient daarom rekening gehouden te worden met een totale parkeerbehoefte van 64 parkeerplaatsen. In paragraaf 2.2 is aangetoond dat hier aan wordt voldaan.
15/306
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het is de bedoeling er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren. Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.
Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie; 2. de economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden; 3. steden en regio's sterker en leefbaarder maken; 4. een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Realiseren opgaven In de NOVI zijn twee instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren: 1. De Omgevingsagenda In de Omgevingsagenda agenderen het Rijk en regio de gezamenlijke vraagstukken en de gewenste aanpak daarvan. De Omgevingsagenda biedt een basis voor uitvoeringsafspraken en inzet van programma's en projectbesluiten van Rijk en regio. 2. De NOVI-gebieden Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regio Deal en een verstedelijkingsstrategie. De regio waarvan de gemeente Súdwest-Fryslân deel uitmaakt is niet aangewezen als NOVI-gebied. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de NOVI.
16/306
3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de ladder is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Toetsing In dit geval wordt binnen het bestaand stedelijk gebied een hoogwaardig appartementengebouw met 32 appartementen gerealiseerd. Momenteel is in jurisprudentie de lijn aanwezig dat een woningbouwproject vanaf 12 woningen wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Er worden in de voorgenomen ontwikkeling 32 woningen gerealiseerd, waarbij de voorgenomen ontwikkeling kan worden beschouwd als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Uit de gemeentelijke woonvisie van Súdwest-Fryslân blijkt dat de gemeente behoefte heeft aan de bouw van duurzame woningen op inbreidingslocaties (zie paragraaf 3.3.2). Daarmee kan worden gesteld dat behoefte is aan de voorgenomen ontwikkeling.
Verder wordt het appartementengebouw gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied, namelijk op een inbreidingslocatie. Gezien dat er behoefte is aan deze ontwikkeling en deze ontwikkeling wordt gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied wordt voldaan aan de Ladder.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Fryslân - De romte diele Op 23 september 2020 is de omgevingsvisie Fryslân - De romte diele vastgesteld waarin de ambitie voor de provincie voor 2030-2050 wordt uitgesproken. Hierbij wordt gewerkt met negen principes die richting geven bij het maken van keuzes. Enerzijds zijn de principes inhoudelijk van aard, zoals zuinig ruimtegebruik, omgevingskwaliteit als ontwerpbasis, koppelen van ambities, gezondheid en veilig. Anderzijds zijn er samenwerkingsprincipes, zoals rolbewust, decentraal wat kan, het ja, mits principe, aansluiting zoeken en sturen op proces, ruimer op inhoud. De insteek om de ambities te realiseren, is niet door verandering tegen te houden, maar door de gewenste nieuwe ontwikkelingen te laten aansluiten bij bestaande kwaliteiten. Toetsing De planontwikkeling past binnen het principe van zuinig ruimtegebruik, omdat het een inbreidingslocatie betreft waarbij ter plaatse van een jachtverhuurbedrijf 32 appartementen worden gerealiseerd. 3.2.2 Verordening Romte Fryslân 2014 Op 25 juni 2014 is de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld, deze is daarna een aantal keren partieel herzien. In de verordening zijn regels opgenomen die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. In artikel 1 van de verordening worden regels gegeven gericht op het bundelen van stedelijke functies in
17/306
stedelijk gebied. Indien dit niet mogelijk is, kan aansluitend op bestaand stedelijk gebied een uitbreidingslocatie worden toegestaan. Tot het bestaand stedelijk gebied van een kern rekent de provincie het (aaneengesloten) gebied met stedelijke functies (woonbebouwing, bedrijfsbebouwing in brede zin en maatschappelijke functies), waaronder mede begrepen de daarbij behorende voorzieningen (inclusief groenvoorzieningen) en verkeersinfrastructuur. Volgens de verordening valt de locatie binnen het bestaand stedelijk gebied. Hier kunnen stedelijke functies, zoals uitbreidingen bij bestaande bedrijven, toegevoegd worden. Artikel 3.1.1 van de provinciale verordening stelt dat een ruimtelijk plan mogelijkheden kan bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft. In afwijking hiervan kan een ruimtelijk plan een woningbouwproject bevatten dat niet is opgenomen in een woonplan, indien: a. het woningbouwproject niet meer dan 3 woningen bevat dan wel, voor zover gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied, niet meer dan 11 woningen bevat, en b. in de plantoelichting is gemotiveerd dat en op welke wijze overschrijding van het woningbouwprogramma van het woonplan kan worden voorkomen door uitwisseling of fasering van projecten.
Artikel 3.1.2 van de provinciale verordening stelt dat een ruimtelijk plan een woningbouwproject kan bevatten dat niet past in een woonplan, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de woningbouwcapaciteit van het ruimtelijk plan wordt ingepast in het regionale woningbouwprogramma, via uitwisseling van woningbouwcapaciteit op gemeentelijk of regionaal niveau, of door fasering van plannen; b. de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw passen bij aard en schaal van de overige, het regionaal centrum of het stedelijk centrum; c. voorafgaand aan het voorgeschreven wettelijk overleg over het ruimtelijk plan, is met Gedeputeerde Staten overleg gevoerd over de noodzaak van toevoeging van het project aan het woningaanbod in de gemeente. Toetsing Het plan is niet opgenomen in het woonplan en betreft een ontwikkeling met meer dan 11 woningen binnen bestaand stedelijk gebied, waardoor het niet voldoet aan artikel 3.1.1 van de provinciale verordening. Echter kan hier via artikel 3.1.2 van worden afgeweken als de woningbouwcapaciteit van het ruimtelijk plan wordt ingepast in het regionale woningbouwcapaciteit. De voorgenomen ontwikkeling zal worden ingepast in het gemeentelijke woningbouwprogramma. Daarmee wordt voldaan aan het provinciale beleid.
3.2.3 Vaarwegenverordening Op het water aan de westzijde van het projectgebied is de Vaarwegenverordening Fryslân 2014 van toepassing. Dit houdt in dat er aan de waterkant sprake is van een vrijwaringszone van 5 meter die vrij moet blijven voor onderhoud en beheer. Het projectgebied en het te bouwen appartementengebouw liggen buiten deze afstand waardoor de vaarwegenverordening niet van toepassing is op dit project.
18/306
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie 1.0 'Oars tinke yn Súdwest' (2021) De gemeenteraad heeft op 29 april 2021 de Omgevingsvisie 1.0 'Oars tinke yn Súdwest': samenwerken aan een gezonde leefomgeving' vastgesteld. De Omgevingsvisie 1.0 voldoet aan de artikelen 4.9 en 4.10 van de Invoeringswet Omgevingswet. In de overgangswetgeving Omgevingswet, krijgt een structuurvisie op basis van de Wro automatisch de status van een Omgevingsvisie op basis van de Omgevingswet wanneer deze van kracht wordt. Deze visie is tot stand gekomen met de inwoners en ketenpartners van Súdwest Fryslân. De Omgevingsvisie 1.0 schetst de hoofdlijnen van de ontwikkelingsrichting voor de woon- werk- en leefomgeving op de langere termijn. De Omgevingsvisie helpt om keuzes te maken bij ontwikkelingen die de fysieke leefomgeving beïnvloeden en nodigt uit tot ontwikkelingen. Met deze Omgevingsvisie kan de gemeente beoordelen of ontwikkelingen en projecten bij Súdwest-Fryslân passen. De Omgevingsvisie 1.0 bestaat uit vijf thema's: 1. Gezonde vitale mensen in een gezonde en veilige omgeving; 2. Sterke kernwaarden: cultureel erfgoed, natuur, weids en waterrijk landschap; 3. Veerkrachtige en leefbare wijken, dorpen en steden; 4. Vitaal en aantrekkelijk landschap; 5. Duurzaam, energieneutraal en klimaatadaptief.
In de Omgevingsvisie 1.0 is een koppeling gelegd met de 17 duurzame ontwikkeldoelen (Sustainable Development Goals) zoals die wereldwijd worden gehanteerd. De gemeenteraad heeft in de Omgevingsvisie 1.0 de kaders op hoofdlijnen voor toekomstige ontwikkelingen vastgesteld. De maatregelen om de vastgestelde thema uit te kunnen werken worden beschreven in, samen met de ketenpartners, op te stellen omgevingsprogramma's. Dit om de ambities uit de Omgevingsvisie 1.0 dichterbij te brengen. Het College van B&W stelt de omgevingsprogramma's vast. Zoals in de thema-onderdelen van de Omgevingsvisie benoemd, worden de volgende omgevingsprogramma's opgesteld: Gezond Wonen; Omgevingskwaliteit; Vitaal landschap; Klimaatmitigatie; Klimaatadaptatie. Toetsing Het voorliggend plan sluit aan op de omgevingsvisie. Doordat de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied van Sneek wordt gerealiseerd vindt er geen toename van ruimtebeslag op het buitengebied plaats. Daarnaast gaat het om een gasloos appartementengebouw wat aansluit op duurzaam en energieneutraal. Gelet hierop past de ontwikkeling dan ook binnen de Omgevingsvisie Súdwest-Fryslân.
19/306
3.3.2 Woonvisie en Woningbouwprogramma 2017-2022 Op 20 juli 2017 is de Woonvisie vastgesteld door de gemeenteraad. Deze visie vormt het uitgangspunt voor het woonbeleid. In dit visiedocument wordt onder meer ingaan op de kwantitatieve woningbouwopgave en de kwalitatieve focus. De Woonvisie gaat vooraf aan het Woningbouwprogramma 2017-2022, dat door de gemeenteraad op 31 oktober 2017 is vastgesteld. De kwantitatieve opgave is bepaald aan de hand van huishoudenprognoses. In de gemeente is sprake van een stuwmeer van plannen als gevolg van het stilvallen van de woningmarkt. De verwachting is dat woningbouwprojecten een impuls krijgen wanneer er meer schaarste op de woningmarkt is. In het woningbouwprogramma ligt het accent op seniorenhuisvesting, starters, betaalbaarheid en duurzaamheid. Verder ligt vanuit de beleidsmatige ontwikkelingen en de nieuwe koers de kwalitatieve focus onder andere op de herstructureringsopgave van de verouderde voorraad. De gemeente geeft de voorkeur aan inbreidingslocaties; ofwel het benutten van de fysieke mogelijkheden binnen de bestaande bebouwde omgeving.
Mocht uitbreiding van de bebouwde omgeving aan de orde zijn, dan hanteert de gemeente het uitgangspunt dat deze plaats moet vinden op de huidige, vastgestelde ontwikkelingslocaties en/of locaties waar al in is geïnvesteerd en/ of afspraken over zijn gemaakt waarmee de gemeente verplichtingen is aangegaan. Toetsing Het voorliggend plan betreft een inbreidingslocatie in Sneek voor een hoogwaardig appartementengebouw met 32 appartementen. Dit betreft een gasloos gebouw. Hiermee sluit de ontwikkeling aan op de woonvisie om de aanbod van duurzame woningen te vergroten. 3.3.3 Welstandsnota Súdwest-Fryslân De gemeente Súdwest-Fryslân heeft voor de toetsing van bouwwerken de welstandsnota Súdwest-Fryslân opgesteld. Hierin zijn welstandscriteria opgenomen waaraan nieuwe ontwikkelingen getoetst moeten worden. Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van Súdwest-Fryslân. Deze criteria zijn gebaseerd op de plaatselijke identiteit en het architectonisch vakmanschap en de ruimtelijke kwaliteit zoals die in de bestaande situatie worden gebruikt.
Voor nieuw te ontwikkelen gebieden of gebieden die ingrijpend worden veranderd, kunnen specifieke welstandscriteria opgesteld in de vorm van een door de gemeenteraad vast te stellen beeldkwaliteitsplan. Toetsing Omdat het plan niet past binnen de welstandsregels van het gebied, is zoals in paragraaf 2.3 is aangegeven een nieuwe beeldkwaliteitsplan opgesteld. Deze vormt na vaststelling het welstandskader voor het projectgebied en vervangt daarmee de welstandsnota. Op basis van een eerdere voorbespreking met de welstandsorganisatie positieve welstandsadvisering. Bij de aanvraag omgevingsvergunning zal ten einde een definitief advies worden gegeven. Gelet op het vorenstaande is de ontwikkeling passend binnen het welstandsbeleid van de gemeente.
20/306
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Onderzoek De beoogde ontwikkeling betreft een milieugevoelige functie (een appartementengebouw). De huidige milieubelastende functie (het jachtverhuurbedrijf) komt hiermee te vervallen. Dit is een verbetering in de milieusituatie voor de omliggende wonen. Alhoewel er in de omgeving van het projectgebied enkele jachthavens aanwezig zijn, kan de omgeving van het projectgebied worden gedefinieerd als omgevingstype 'rustige woonwijk'.
Bij een jachthaven hoort een milieucategorie van 3.1, waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter. Binnen deze afstand is een deel van de aanlegsteiger van de jachthaven aanwezig. De verkeersbewegingen bij deze jachthaven spelen zich af aan de noordzijde, op circa 300 meter van het projectgebied. Dit betreft het milieubelastende deel van de jachthaven, waar zich ook de voorzieningengebouwen bevinden. On deze redenen is er sprake van een verantwoorde milieuzonering en een goed woon- en leefklimaat bij de appartementen. De jachthavens aan de overzijde van het water liggen op meer dan 50 meter afstand, hierbij wordt voldaan aan de richtafstand. In de huidige situatie liggen op een kleinere afstand dan de geldende richtafstand ook al bestaande woningen naast de jachthaven. Daarom kan worden gesteld dat de realisatie van het appartementengebouw geen extra beperkingen op zal leveren op de jachthaven. Conclusie Ter plaatse van de beoogde ontwikkeling is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect milieuzonering staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.2
Archeologie
Toetsingskader Rijk en provincie stellen zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologisch
21/306
erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In de provincie Fryslân wordt gebruik gemaakt van de archeologische kaart FAMKE. FAMKE staat voor Friese Archeologische Monumentenkaart Extra. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.). Voor deze indeling in twee perioden is gekozen omdat de adviezen voor mogelijke vindplaatsen uit de steentijd vaak verschillen van die voor mogelijke jongere vindplaatsen. Onderzoek Volgens de FAMKE-kaart voor de steentijd - bronstijd is een archeologisch onderzoek nodig bij ingrepen van meer dan 5.000 m2, voor de ijzertijd - middeleeuwen bedraagt deze oppervlakte meer dan 500 m2.
Bij het beleid van de FAMKE is aangegeven dat in geval van een projectgebied binnen de bebouwde kom ook rekening gehouden moet worden met recente verstoringen die zich hebben voorgedaan. Alhoewel het appartementengebouw groter is dan 500 m2, hebben zich ter plaatse van het huidige jachtverhuurbedrijf recente verstoringen voorgedaan in de vorm van de bestaande gebouwen en de bestaande verharding in het projectgebied. In de huidige situatie is er 1.325 m2 aan gebouwen aanwezig en is het bedrijfsperceel grotendeels verhard. Het nieuwe appartementengebouw heeft een kleinere oppervlakte, de footprint hiervan is 1.125 m2. Desalniettemin is er voor het project een archeologisch onderzoek uitgevoerd, dat als concept is opgenomen in bijlage 3. Uit het onderzoek blijkt dat wordt geadviseerd om het projectgebied vrij te geven voor graafwerkzaamheden tot een diepte van 400 centimeter onder het maaiveld (-4 meter NAP). Bij diepere graafwerkzaamheden tot in het dekzand is verder archeologisch onderzoek nodig. Hier wordt voor dit project aan voldaan, omdat er geen sprake is van diepere graafwerkzaamheden. Alleen voor de palenfundering van het gebouw is het nodig om dieper te heien. Er zijn circa 150 heipalen nodig, die per stuk een diameter hebben van 41 centimeter. De totale oppervlakte die de heipalen in beslag nemen, is daarmee circa 20 m2.
In het archeologisch onderzoek is opgenomen dat er voor het aanbrengen van de plalenfundering een uitzondering geldt om dieper dan -4 meter NAP grondwerkzaamheden uit te voeren, mits het een gering verstoringsoppervlak betreft hebben (maximaal 2% van het projectgebied). Ook hier wordt aan voldaan. Conclusie Ten aanzien van archeologie zijn er geen belemmeringen voor het project. Mochten er tijdens de werkzaamheden archeologische grondsporen en/of vondsten worden gedaan, dan dient daarvan direct melding te worden gemaakt bij de gemeente.
22/306
4.3
Cultuurhistorie
Toetsingskader De regering heeft in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgelegd dat gemeenten vanaf 1 januari 2012 in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Burgers krijgen hiermee het recht om bij de planning van bouwwerkzaamheden aan te geven of er cultureel erfgoed wordt geraakt. Conclusie In het projectgebied komen geen specifieke cultuurhistorische waarden voor, cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het project. Wel wordt bij de invulling van het projectgebied rekening gehouden met de historische ontwikkeling van de omgeving, zoals in bijlage 2 is aangegeven.
4.4
Ecologie
Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale
23/306
verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod.
De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk project moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Onderzoek Gebiedsbescherming Het projectgebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het projectgebied maakt ook geen deel uit van het natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in het projectgebied of directe omgeving geen beschermde landschapselementen aanwezig zijn. Het projectgebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied.
De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn gelegen op een afstand van circa 2,5 km en betreft de gebieden Sneekermeergebied en Witte en Zwarte Brekken. De dichtstbijzijden stiktsofgevoelige Natura 2000-gebieden (de Alde Feanen, Van Oordt's Mersken en de Oudegaasterbrekken) liggen op meer dan 10 km afstand. Directe effecten, zoals verstoring, verontreiniging, versnippering et cetera, zijn op deze afstand uit te sluiten. Indirecte hinder als gevolg van verkeersbewegingen zijn ook niet aan de orde, omdat autoverkeer de natuurgebieden niet hoeft te kruisen om het projectgebied te kunnen bereiken. Het projectgebied maakt geen deel uit van het NNN. Er worden daarom geen ingrepen voorgesteld.
24/306
Gezien de karakteristieken van het project worden ten aanzien van stikstofdepositie op voorhand geen negatieve effecten verwacht op Natura 2000-gebieden. De voorgenomen ontwikkeling betreft namelijk de realisatie van gasloze bebouwing, waardoor eventuele stikstofemissie van gasverbruik met mogelijk een significant effect niet aan de orde is. Om vanuit een goede ruimtelijke ordening uit te sluiten dat de verkeersgeneratie in zowel de aanleg- als exploitatiefase zou leiden tot een toename van stikstofdepositie binnen de omliggende Natura 2000-gebieden, is de stikstofdepositie berekend met behulp van AERIUS calculator. Dit stikstofonderzoek is opgenomen in bijlage 4. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Soortenbescherming Voor het project in een ecologisch onderzoek uitgevoerd (zie hiervoor bijlage 5). Dit onderzoek is opgenomen als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing. Hieruit blijkt er mogelijk jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw, algemene broedvogels en verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. Het slopen van de loodsen, in een eerder stadium dan de woning, kan gebeuren zonder dat er belemmering vanuit de Wet natuurbescherming plaatsvindt. Dit heeft inmiddels plaatsgevonden.
Voor algemene broedvogels heeft het de voorkeur om buiten het vogelbroedseizoen te werken. Indien toch gestart wordt met de werkzaamheden aan het begin of te midden van het vogelbroedseizoen, dienen de maatregelen gevolg te worden zoals in het onderzoek zijn genoemd. Voor vleermuizen in de omgeving van het projectgebied dient lichtverstoring tijdens de actieve periode voorkomen te worden. Voor het verstoren of vernietigen van nest- of verblijfsplaatsen van beschermde diersoorten dient een ontheffing te worden aangevraagd. Om deze ontheffing te verkrijgen, dient er in ieder geval gemitigeerd te worden voor het verlies aan nest- of verblijfsplaatsen, die mogelijk door middel van het nader onderzoek zullen worden aangetoond. Bij het aanbieden van deze mitigatie dient tevens rekening gehouden te worden met soort-specifieke eisen en aanvullende voorschriften vanuit de ontheffing. Met name de vaak verplichte gewenningsperiode kan ervoor zorgen dat het planvoornemen langer uitgesteld moet worden dan vooraf gedacht, de vertraging kan hierbij oplopen tot een jaar. Wanneer men echter de alternatieve verblijfplaatsen aanbiedt, voordat het nader onderzoek heeft plaatsgevonden, kan de gewenningsperiode alvast beginnen en kunnen de werkzaamheden mogelijk eerder worden uitgevoerd.
De adviezen uit het ecologisch onderzoek worden bij de verdere uitwerking van het project opgevolgd en het nader onderzoek naar de gierzwaluw en vleermuizen ten behoeve van de beoogde sloop van de woning zijn uitgezet. Dit vervolgonderzoek is opgenomen in bijlage 6. Hieruit blijkt dat in het projectgebied geen verblijvende gierzwaluwen of sporen daarvan waargenomen. In het projectgebied zijn wel vier vleermuizensoorten vastgesteld. Omdat de woning wordt gesloopt, dient een plan van aanpak gemaakt te worden waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden teniet worden gedaan. Dit plan dient te worden ingediend in het kader van de ontheffingsaanvraag Wnb. Op basis hiervan kan door de provincie een ontheffing worden verleend. De Wnb waarborgt een adequate omgang met de beschermde soorten in het gebied. Conclusie
25/306
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten indien de aanbevelingen uit het ecologisch onderzoek worden opgevolgd en ten aanzien van vleermuizen een ontheffingsaanvraag aan de hand van een plan met compenserende en/of mitigerende maatregelen wordt ingediend en wordt verkregen. De bouw van het appartementengebouw hoeft hier niet op te wachten, de ingebruikname en de realisatie van het bijbehorende parkeerterrein wel.
4.5
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Omdat het projectgebied van een minder kwetsbare functie naar een kwetsbare functie wijzigt, is een bodemonderzoek uitgevoerd. Dit is opgenomen als bijlage 7. Uit het onderzoek blijkt dat er vanuit milieukundig oogpunt geen bezwaren zijn voor de voorgestelde woonfunctie.
Nader onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect bodem levert geen belemmeringen op voor de ontwikkeling.
4.6
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van
26/306
Grenswaarde
stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10) fijn stof (PM2,5)
jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/ m³ 25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek In Fryslân zijn geen knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit. Op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten blijkt dat er in Sneek en omgeving sprake is van een goede luchtkwaliteit.
De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van een jachtverhuurbedrijf naar een appartementengebouw met 32 woningen. Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het projectgebied. Ter plaatse van het projectgebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.7
Geluid
4.7.1 Wet geluidhinder Toetsingskader Het aspect 'geluid' gaat over geluidhinder op geluidgevoelige objecten als gevolg van verkeer en industrie. De Wet geluidhinder (Wgh) is hiervoor het toetsingskader. Rondom wegen met een maximumsnelheid van meer dan 30 km/uur, spoorwegen en aangewezen bedrijven(terreinen) zijn geluidzones van toepassing. Als er geluidgevoelige objecten, zoals woningen, binnen deze zones worden toegevoegd, dan moet geluidsbelasting op de gevels hiervan worden bepaald en getoetst aan de normen. Onderzoek is alleen noodzakelijk als de geluidgevoelige bestemming binnen de wettelijke geluidzone van de weg gelegen is. In artikel 74.1 van de Wgh is aangegeven dat een weg een zone heeft die zich uitstrekt vanaf de
27/306
as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg:
De hiervoor geldende zones gelden niet voor: wegen die zijn aangeduid als woonerf (art. 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (artikel 74.2). Onderzoek De afstand tot de dichtstbijzijnde zoneplichtige weg bedraagt meer dan 200 meter. In de omgeving van het projectgebied liggen alleen wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur. Op deze wegen is sprake van een lage verkeersintensiteit aangezien de wegen met name gebruikt wordt door bestemmingsverkeer. Gelet op de lage verkeersintensiteit, de afstand van het projectgebied tot de geluidgezoneerde wegen wordt gesteld dat de Wgh geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het initiatief en dat nader onderzoek niet nodig is. Ook ligt het projectgebied niet binnen geen geluidzone van een spoorweg of een gezoneerd industrieterrein. Conclusie De Wgh vormt geen belemmering voor de nieuwbouw van de appartementen. 4.7.2 Warmtepompen Toetsingskader Warmtepompen, en dan met name lucht-/water warmtepompen, kunnen geluid produceren. In artikel 3.8, lid 2 van het Bouwbesluit 2012 worden eisen gesteld aan buiten opgestelde installaties voor warmte- of koudeopwekking (dus ook airco's). Op de perceelsgrens mag het geluidniveau niet meer bedragen dan 40 dB(A), bepaald volgens de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai en het gestelde in bijlage VIII bij de Regeling Bouwbesluit 2012.
Op basis daarvan geldt dat indien een installatie een afzonderlijke instelling heeft voor de avond- en nachtperiode (19:00 - 7:00 uur), wordt het gemeten geluidsniveau in de dagperiode (7:00 - 19:00 uur) gecorrigeerd met -5 dB, wat betekent dat 45 dB(A) is toegestaan. Onderzoek In of rond meerdere nieuwe woningen/appartementen kan er een cumulatief effect ontstaan vanwege alle individuele warmtepompen. Dit effect is locatiespecifiek en afhankelijk van de per woning/appartementengebouw te installeren installatie(s). Gezien de eisen op de perceelsgrens wordt er geen relevant cumulatief effect verwacht. Dit blijkt ook uit een akoestisch onderzoek dat voor warmtepompen is uitgevoerd. Conclusie Ten aanzien van de warmtepompen zal er sprake zijn van een akoestisch aanvaardbare situatie voor de omgeving en het projectgebied zelf.
28/306
4.8
Water
Deze 'waterparagraaf' gaat in op de watertoets. Hierin wordt beoordeeld wat de effecten van het bestemmingsplan op de waterhuishouding zijn en of er water- schapsbelangen spelen. De belangrijkste thema's zijn waterveiligheid, de afvoer van schoon hemelwater en afvalwater en de waterkwaliteit. Toetsingskader De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het projectgebied ligt binnen het beheergebied van het Wetterskip Fryslân, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Voor het project dient de digitale watertoets doorlopen te worden. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). De volgende beleidsstukken zijn voor het projectgebied relevant: Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte Waterschapsbeleid Het beleid van Wetterskip Fryslân is verwoord in het Waterbeheerprogramma 2016-2021.
In het Waterbeheerplan 2016-2021 beschrijft Wetterskip Fryslân de doelen ten aanzien van waterveiligheid, voldoende water, schoon water en water in de samenleving voor de komende jaren. Het Wetterskip beschikt over een leidraad watertoets. Het doel van de leidraad is dat alle aspecten meegenomen worden, hiermee wordt voldaan aan de thema's voldoende veilig en schoon water. Hiernaast zorgt de leidraad voor een betere samenwerking doordat het duidelijkheid geeft over de juridische status van het wateradvies. De leidraad bevat een overzicht van onderwerpen die vanuit het oogpunt van water belangrijk zijn bij ruimtelijke plannen. Onderzoek Algemeen In de huidige situatie is er 1.325 m2 aan gebouwen aanwezig en is het terrein op het bedrijfsperceel grotendeels verhard. Door het project neemt het verhard oppervlak niet toe. Het appartementengebouw heeft een
29/306
oppervlakte van 1.115 m2, en het parkeerterrein wordt met waterdoorlatende verharding uitgevoerd. Er is dus geen sprake van een toename van verhard oppervlak. Digitale watertoets Voor het project is de digitale watertoets doorlopen (aanvraagnummer 00009430). Deze is als bijlage opgenomen in de toelichting van dit bestemmingsplan. Uit de digitale watertoets blijkt dat er geen belangen van het waterschap in het geding zijn en dat de 'korte procedure' van toepassing is. Waterkwantiteit In het projectgebied zelf is geen water aanwezig. Wel grenst het projectgebied aan hoofdwatergangen. Deze blijven voor beheer en onderhoud toegankelijk in de groenzone tussen het appartementengebouw en het water. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI; Schoon regenwater kan binnen het projectgebied deels in de bodem infiltreren en daarnaast op het oppervlaktewater worden geloosd naar de omliggende vaarten.
De vuilwaterafvoer van de woningen wordt aangesloten op het gemeentelijke riool. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Hier wordt in de uitvoeringsfase rekening mee gehouden. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Met het peil wordt aangesloten bij de bestaande situatie, hier is geen wateroverlast bekend. Bij de realisatie van het appartementengebouw wordt voldoende hoog gebouwd zodat wateroverlast wordt voorkomen. Ruimtelijke adaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is belangrijk kansen te benutten om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het planvormingsproces worden meegenomen. Bij de inrichting van het projectgebied en de verdere uitwerking hiervan is rekening gehouden met ruimtelijke
30/306
adaptatie door niet meer verstening te realiseren dan nodig is. In dit geval worden wordt het projectgebied zo groen mogelijke ingericht, waarmee zoveel mogelijk wordt ingespeeld op de ruimtelijke adaptatie. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. De watertoets is hiermee afgerond.
4.9
Kabels en leidingen
Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). Onderzoek Binnen het projectgebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Conclusie Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.10 Externe veiligheid Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Onderzoek Aan de hand van de risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied.
Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Uit de inventarisatie blijkt dat het projectgebied:
31/306
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Dit is ook bevestigd door Brandweer Fryslân (zie bijlage 11).
4.11 Vormvrije mer-beoordeling Beleid en Normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r.-drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Onderzoek Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling maakt de bouw van een appartementengebouw met 32 woningen mogelijk mogelijk. Dit betekent dat de voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, omdat deze acitiviteit is genoemd in onderdeel C en D van het Besluit m.e.r. Omdat de daarin opgenomen drempelwaarden niet worden overschreden, dient alleen een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden.