CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Ruimtelijke Onderbouwing Menniste Skil Bolsward

Raadsvergadering 18 december 2025, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Planologyske ynstimming realisaasje ‘Woonzorgcentrum Menniste Skil’ op it perseel Skilwyk 15 yn Boalsert19.850 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

omgevingsvergunning

Bolsward - Menniste Skil Súdwest-Fryslân

RHO ADVISEURS

RHO ADVISEURS DATUM IMRO IDN

09-09-2024 NL.IMRO.1900.20220448-0001

PROJECT PROJECTLEIDER OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

20220448

AUTEUR STATUS

ontwerp

DISCLAIMER © Rho Adviseurs B.V. Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs B.V., behoudens voor zover dit drukwerk wettelijk een op* voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

Onze producten worden vrijgegeven conform het protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem van Rho Ac worden, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, persoonsgegevens van derden in onze van Rho Adviseurs B.V., namen, e-mailadres(sen) en telefoonnummer(s) van adviseur(s), zijnde auteur(s)

Inhoudsopgave

Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1.

Aanleiding

1.2.

Ligging van het projectgebied

1.3.

Planologische regeling

1.4.

Leeswijzer

Hoofdstuk 2

Beschrijving van het project

2.1.

Huidige situatie

2.2.

Toekomstige situatie

2.3.

Beeldkwaliteitsplan

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1.

Rijksbeleid

3.2.

Provinciaal beleid

3.3.

Gemeentelijk beleid

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

4.1.

Cultuurhistorie en archeologie

4.2.

Ecologie

4.3.

Bodem

4.4.

Luchtkwaliteit

4.5.

Geluid

4.6.

Water

4.7.

Bedrijven- en milieuzonering

4.8.

Kabels en leidingen

4.9.

Externe veiligheid

4.10.

Vormvrije mer-beoordeling

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

5.1.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.

Economische uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 6

Conclusie

6.1.

Aanleiding

3/211

5 7

11

15

19

31

33

6.2.

Afweging

6.3.

Conclusie

Bijlagen

35

Bijlage 1

Beeldkwaliteitsplan

37

Bijlage 2

Archeologisch onderzoek

49

Bijlage 3

Stikstofonderzoek

83

Bijlage 4

Quickscan flora en fauna

101

Bijlage 5

Nader ecologisch onderzoek

129

Bijlage 6

Verkennend bodemonderzoek

145

Bijlage 7

Watertoets

205

4/211

Ruimtelijke onderbouwing

5/211

6/211

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1. Aanleiding De panden van de voormalige Rabobank aan de Skilwyk in het centrum van Bolsward staan momenteel leeg. Vanuit de markt is geen passende functie gevonden voor het gebouw na het vertrek na de Rabobank. Momenteel worden de mogelijkheden verkend om de panden en de achterliggende gebouwen te herontwikkelen tot een nieuw woonzorgcentrum. De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch toch te kunnen regelen, is het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning noodzakelijk. Voorliggende onderbouwing voorziet hierin.

1.2.

Ligging van het projectgebied

Het projectgebied ligt tussen de Skilwyk en het Laag Bolwerk, in het westelijke deel van het centrum van Bolsward. In figuur 1.1 is de ligging van het projectgebied weergegeven.

Figuur 1.1

Ligging projectgebied

1.3. Planologische regeling Bolsward Binnenstad Het projectgebied is geregeld in het bestemmingsplan Bolsward Binnenstad, dat is vastgesteld op 10 maart 2009.

7/211

In figuur 1.2 is een uitsnede van het bestemmingsplan ter plaatse opgenomen.

Figuur 1.2

Uitsnede bestemmingsplan Bolsward Binnenstad (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Het projectgebied is bestemd als 'Gemengd - 1'. Daarnaast gelden de dubbelbestemmingen 'Archeologisch, cultuurhistorisch

en

(cultuur)landschappelijk waardevol

gebied'

en

'Beschermd

stadsgezicht'

en

de

gebiedsaanduiding 'wijziging naar detailhandel van toepassing'. Ter plaatse van de bouwvlakken die grenzen aan de Skilwyk geldt ook de lettertekenaanduiding 'beschermde gevelwand klasse 2'. Ten aanzien van de verschillende bouwvlakken gelden verschillende maatvoeringen voor de goot- en bouwhoogte. Ter plaatse van de bestemming 'Gemengd - 1' zijn de gronden bestemd voor ambachtelijke bedrijven, dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen, horecabedrijven uit categorie 1 en 2, maatschappelijke voorzieningen, bedrijven die zijn genoemd in de bijlage bij het bestemmingsplan en wonen. Binnen de dubbelbestemming 'Archeologisch, cultuurhistorisch en (cultuur)landschappelijk waardevol gebied' zijn

de

gronden

mede

bestemd

voor

het

behoud

van

archeologische,

cultuurhistorische

en

(cultuur)landschappelijke waarden. Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Beschermd Stadsgezicht' zijn de gronden mede bestemd voor het behoud, herstel en uitbouw van de in de toelichting aangegeven cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing.

8/211

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'wijziging naar detailhandel van toepassing'

is het mogelijk de

bestemming ter plaatse te wijzigen naar 'Detailhandel'. Ter plaatse van de lettertekenaanduiding 'beschermde gevelwand klasse 2' gelden aanvullende regels op de dubbelbestemming 'Beschermd Stadsgezicht'. Dit betreffen: *

indien een voorbouwgrens is aangegeven, zal de gevel van een gebouw in de aangegeven voorbouwgrens worden gebouwd;

«

een gebouw zal vrijstaand dan wel individueel aaneen worden gebouwd, waarbij de aangegeven parcellering maatgevend is;

*

van gebouwen met een dwarskap zal de breedte van de in de aangegeven voorbouwgrens gebouwde gevel ten hoogste 10 m bedragen, tenzij in het bouwvlak een maximale gevelbreedte is aangegeven, in welk geval de breedte van de in de aangegeven voorbouwgrens gebouwde gevel(s) ten hoogste de in het bouwvlak aangegeven gevelbreedte zal bedragen;

«

van gebouwen met een langskap zal de breedte van de in de aangegeven voorbouwgrens gebouwde gevel ten hoogste 18 m bedragen, tenzij in het bouwvlak een maximale gevelbreedte is aangegeven, in welk geval de breedte van de in de aangegeven voorbouwgrens gebouwde gevel(s) ten minste 18 m en ten hoogste de in het bouwvlak aangegeven gevelbreedte zal bedragen;

*

van gebouwen met een dwarskap zullen de onderlinge goothoogten over een gevelbreedte van meer dan 20 m tenminste 0,3 m van elkaar verschillen;

«

en gebouw zal worden voorzien van een kap, zoals een zadelkap, schildkap, afgeknotte schildkap of mansardekap dan wel samengestelde delen van deze kapvorm dan wel een afwijkende bestaande kapvorm, waarvan de dakhelling ten minste 30° en ten hoogste 80° zal bedragen, tenzij: 1.

de gronden zijn voorzien van de aanduiding "plat dak" in welk geval is toegestaan dat een gebouw (gedeeltelijk) zal worden voorzien van een dak, waarvan de dakhelling minder dan 30° bedraagt;

Het voorgenomen woonzorgcentrum past niet binnen de juridisch-planologische regeling. Daarom wordt door middel van een uitgebreide omgevingsvergunningsprocedure afgeweken van het bestemmingsplan.

Parapluplan parkeernormen Súdwest Fryslân Naast bestemmingsplan Bolsward Binnenstad geldt ook het parapluplan Parkeernormen Súdwest Fryslân. In dit bestemmingsplan worden alle onderliggende bestemmingsplannen voorzien van een goede parkeerregeling. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de parkeerbepalingen die sinds kort in alle nieuwe bestemmingsplannen zijn opgenomen.

1.4. Leeswijzer Na deze inleiding wordt in Hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige situatie en de gewenste ontwikkeling. In Hoofdstuk 3 worden de uitgangspunten getoetst aan het voor het project relevante beleid op de verschillende niveaus van de overheid. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten. In Hoofdstuk 5 wordt de maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid van het project besproken. Tot slot volgt in Hoofdstuk 6 een afweging en conclusie.

9/211

10/211

Hoofdstuk 2

Beschrijving van het project

2.1. Huidige situatie Het projectgebied ligt in het westelijke deel van de binnenstad van Bolsward, tussen de Skilwyk en het Laag Bolwerk. Het betreft de voormalige locatie van de Rabobank. Aan de Skilwyk bestaat het projectgebied uit meerdere panden die bestaan uit één bouwlaag met kap. De gevelwand in deze straat, en daarmee ook in het projectgebied, kent verschillende kapvormen en materiaalgebruik. Hier staan herkenbare afzonderlijke panden. Op de gronden ten westen hiervan staat de overige bebouwing van de voormalige Rabobank. Dit gedeelte bestaat uit twee bouwlagen, deels met kap en deels met plat dak. Aan de achterzijde van het gebouw is een verhard parkeerterrein aanwezig, die wordt ontsloten op het Laag Bolwerk. In figuur 2.1 is een luchtfoto van de huidige situatie weergegeven.

Figuur 2.1

Luchtfoto van de huidige situatie

2.2. Toekomstige situatie Het voornemen is om ter plaatse van het voormalige Rabobankgebouw een nieuw woonzorgcentrum te realiseren. In het woonzorgcentrum moeten 32 zorgplaatsen komen, verdeeld over 4 groepen van elk 8 bewoners. Het gaat hierbij om intramurale zorgeenheden, die volledig in bezit zijn van een corporatie.

11/211

Ten behoeve van deze ontwikkeling wordt de huidige bebouwing gefaseerd gesloopt, om vervolgens een nieuwbouwcomplex te ontwikkelen. Aan de zijde van de Skilwyk wordt daarbij rekening gehouden met het beschermd stadsgezicht, door een gevelwand te realiseren die past bij de uitgangspunten van het beschermd stadsgezicht. Hets centrale gedeelte bestaat ook in de toekomstige situatie uit twee lagen met een plat dak. De binnenruimte wordt niet bebouwd, hier wordt een binnentuin aangelegd. In figuur 2.2 is de voorgenomen inrichting van het projectgebied schetsmatig weergegeven. In figuur 2.3 is het voorgenomen gevelbeeld aan de Skilwyk schetsmatig weergegeven.

Figuur 2.2

Voorgenomen inrichting van het projectgebied

Figuur 2.3

Gevelbeeld aan de Skilwyk

Verkeer en parkeren Om de verkeersgeneratie van de voorgenomen ontwikkeling te berekenen is gebruik gemaakt van CROW-kencijfers van publicatie 381. De verkeersgeneratie op basis van de CROW-kencijfers is deels gebaseerd op de omgevingseigenschappen van de locatie en de directe omgeving. Gemeente Súdwest-Fryslân betreft een

12/211

'weinig stedelijke gemeente' en de locatie ligt in 'het centrum'. Omdat de CROW-publicatie geen kengetallen voor het aantal motorvoertuigbewegingen van en naar een woonzorgcentrum biedt, is aangesloten bij de kengetallen van een serviceflat/aanleunwoning. Het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal betreft 76 mvt/etmaal. Gezien dit lage aantal wordt niet verwacht dat de verkeersgeneratie knelpunten voor het heersende verkeersbeeld zal opleveren. De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de Parkeernormennota Súdwest-Fryslân 2018. In deze nota staat dat een zorgcomplex een parkeerbehoefte heeft van 0,5 parkeerplaatsen per wooneenheid. Voor de voorgenomen ontwikkeling komt dit neer op 16 parkeerplaatsen, wat binnen het projectgebied grotendeels kan worden opgevangen. Aan de achterzijde van het pand is ruimte voor circa 10 auto's. De overige parkeerplaatsen worden opgevangen in de openbare ruimte in de omgeving van het projectgebied. Dit is ook in de huidige situatie het geval. Er ontstaat geen extra parkeerdruk op de omgeving.

2.3. Beeldkwaliteitsplan Gezien de ligging van het projectgebied in het oude centrum van Bolsward, is sprake van een hoge cultuurhistorische waarde in en rondom het projectgebied. Dit komt onder meer tot uiting in het beschermd stadsgezicht. Om tot een zorgvuldige inpassing te komen, zal extra aandacht moeten worden besteed aan een goede beeldkwaliteit. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is daarom een specifiek beeldkwaliteitsplan opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 1.

Het in het beeldkwaliteitsplan vastgelegde

beeldkader sluit daarom op grote lijnen aan bij het welstandskader voor de binnenstad van Bolsward, met specifieke aanvullende regels voor deze herontwikkelingslocatie. Het beeldkwaliteitsplan is een aanvulling op de bestaande welstandsnota.

13/211

14/211

Hoofdstuk 3 3.1.

Beleidskader

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. De NOVI helpt hier nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn acht voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. Regio Groningen is aangewezen als voorlopig NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren. Voor de voorgenomen ontwikkeling biedt de NOVI geen concrete aandachtspunten.

Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting op een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voorzien in duurzame verstedelijking. Dit artikel is op 12 mei 2017 gewijzigd en op 1 juli 2017 in werking getreden. De nieuwe regeling houdt in dat de toelichting op een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling bevat. Indien het ruimtelijk plan de ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet tevens gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De voorgenomen ontwikkeling valt onder de definitie van een stedelijke ontwikkeling. De betrokken corporaties hebben behoefte aan extra woningen in de intramurale zorgvoorziening. Daarmee is de behoefte voldoende aangetoond. De locatie valt binnen bestaand stedelijk gebied. Het voorgenomen project is niet in strijd met het Rijksbeleid.

3.2.

Provinciaal beleid

Verordening Romte Fryslân 2014 Op 25 juni 2014 is de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld en is daarna een aantal keren partieel herzien. In de verordening zijn regels opgenomen die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. De provinciale verordening stelt met name regels voor het buitengebied, binnenstedelijke gebieden vallen meer onder de bevoegdheid van gemeenten. Desondanks is artikel 2.2 van de verordening relevant voor dit

15/211

project. Artikel 2.2 Archeologie 1. In de plantoelichting van een ruimtelijk plan wordt aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de wijze van onderzoek naar en bescherming van archeologische waarden en verwachtingswaarden zoals aangegeven op de FAMKE. In dit geval wordt een archeologisch onderzoek uitgevoerd om te onderzoeken in hoeverre sprake is van archeologische waarden waar rekening mee gehouden dient te worden bij de uitvoering van het project. De resultaten worden te zijner tijd verwerkt in deze ruimtelijke onderbouwing. Met de uitvoering van het archeologisch onderzoek is het project in overeenstemming met de Verordening Romte Fryslân 2014.

Omgevingsvisie Fryslân - De romte diele Op 23 september 2020 is de omgevingsvisie Fryslân - De romte diele vastgesteld, waarin de ambitie voor de provincie voor 2030 - 2050 is uitgesproken. De hoofdambitie van de provincie voor de Friese leefomgeving is brede welvaart in een vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond Fryslân. In de Omgevingsvisie werkt de provincie de provinciale ambities, opgaven, doelen en werkwijze voor de komende jaren uit. De werkwijze is gestoeld op negen principes: Inhoudelijke principes 1. 2.

Zuinig ruimtegebruik; Omgevingskwaliteit als ontwerpbasis;

3. 4.

Koppelen van ambities; Gezondheid en veiligheid;

Samen werkingsprincipes 5.

Rolbewust;

6.

Decentraal wat kan;

7.

Ja, mits;

8.

Aansluiting zoeken;

9.

Sturen op proces, ruimer op inhoud.

Dit is vertaald naar vier urgente opgaven die de provincie wil aanpakken: 1.

Fryslân houdt de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar;

2.

Fryslân zet de energietransitie met kracht voort;

3.

Fryslân wordt klimaat-adaptief ingericht;

4.

Fryslân versterkt de biodiversiteit.

In de voorgenomen ontwikkeling is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik doordat een locatie binnen bestaand stedelijk gebied wordt herontwikkeld. De locatie werd niet meer gebruikt conform de bestaande functie, waardoor een

nieuwe

invulling

noodzakelijk

was.

Daarin

wordt

voorzien

met

het

voorgenomen

woonzorgcentrum. Ook wordt aangesloten bij het principe Omgevingskwaliteit als ontwerpbasis, doordat een beeldkwaliteitsplan is opgesteld waarin rekening is gehouden met de cultuurhistorische waarden in de

16/211

omgeving van het projectgebied. De nieuwe bebouwing dient hierbij aan te sluiten. Verder sluit de ontwikkeling aan bij de opgave om de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar te houden, doordat wordt voorzien in een bijzondere woonfunctie.

3.3. Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Súdwest-Fryslân - Oars tinke yn Súdwest De gemeenteraad heeft op 29 april 2021 de Omgevingsvisie 1.0 Oars tinke yn Súdwest: samenwerken aan een gezonde leefomgeving vastgesteld. De Omgevingsvisie 1.0 voldoet aan de artikelen 4.9 en 4.10 van de Invoeringswet Omgevingswet. In de overgangswetgeving Omgevingswet krijgt een structuurvisie op basis van de Wro automatisch de status van een Omgevingsvisie op basis van de Omgevingswet, wanneer dit laatste van kracht wordt. Deze visie is tot stand gekomen in samenwerking met de inwoners en ketenpartners van Súdwest-Fryslân. De Omgevingsvisie 1.0 schetst de hoofdlijnen van de ontwikkelingsrichting voor de woon-, werk- en leefomgeving op de langere termijn. De Omgevingsvisie helpt om keuzes te maken voor ontwikkelingen die de fysieke leefomgeving beïnvloeden en nodigt uit tot ontwikkelingen. Met deze Omgevingsvisie kan de gemeente beoordelen of ontwikkelingen en projecten bij Súdwest-Fryslân passen. De Omgevingsvisie 1.0 bestaat uit vijf thema's: 1.

Gezonde vitale mensen in een gezonde en veilige omgeving;

2.

Sterke kernwaarden: cultureel erfgoed, natuur, weids en waterrijk landschap;

3.

Veerkrachtige en leefbare wijken, dorpen en steden;

4.

Vitaal en aantrekkelijk landschap;

5.

Duurzaam, energieneutraal en klimaatadaptief.

In de Omgevingsvisie 1.0 is een koppeling gelegd met de 17 Duurzame Ontwikkelingsdoelen ('Sustainable Development Goals') zoals die wereldwijd worden gehanteerd. De gemeenteraad heeft in de Omgevingsvisie 1.0 de kaders op hoofdlijnen voor toekomstige ontwikkelingen vastgesteld. De maatregelen om de vastgestelde thema's uit te kunnen werken, worden samen met de ketenpartners beschreven in de op te stellen omgevingsprogramma's. Dit om de ambities uit de Omgevingsvisie 1.0 dichterbij te brengen. Het college van B&W stelt de omgevingsprogramma's vast. Zoals in de thema-onderdelen van de Omgevingsvisie benoemd, worden de volgende omgevingsprogramma's opgesteld: »

Gezond wonen;

*

Omgevingskwaliteit;

«

Vitaal landschap;

»

Klimaatmitigatie;

*

Klimaatadaptatie.

De gemeente zet in op een inclusieve en toegankelijke woonomgeving. In het woonbeleid ligt de nadruk op het herbestemmen van gebouwen en gaat inbreiding boven uitbreiding. Ook moeten er woningen komen voor alle doelgroepen, bijvoorbeeld voor kwetsbare mensen. De voorgenomen ontwikkeling sluit hier op aan, door de realisering van intramurale zorgeenheden.

17/211

Op het gebied van cultuurhistorie is Bolsward een stad met relatief veel authentieke gebouwen. De binnenstad dient gekoesterd en beschermd te worden. Door in het projectvoornemen te voldoen aan de criteria uit het beeldkwaliteitsplan (bijlage 1), wordt hieraan voldaan.

Woonvisie Súdwest-Fryslân De gemeente geeft in de woonvisie, vanuit haar strategische ambities, richting aan de keuzes en inspanningen voor de woningmarkt. Uitgangspunt is dat alle bewoners kunnen beschikken over een woning die past bij de specifieke situatie en behoeftes. Specifiek op het gebied van wonen, participatie en zorg, wil de gemeente dat zoveel mogelijk inwoners die zorg en begeleiding nodig hebben, zelfstandig in de gemeente kunnen wonen en dat zij kunnen beschikken over een woning en woonomgeving die daar het beste bij past. De gemeente erkent dat de vraag naar intra- en extramurale zorg toeneemt. Hierbij gaat het om zelfstandig wonen of geclusterd wonen. Het aanbod en de vraag is afgestemd op de corporaties die hierin voorzien. In dit geval worden intramurale zorgeenheden gerealiseerd, die 100 % in bezit zijn van een corporatie. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het gemeentelijk beleid.

18/211

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

4.1. Cultuurhistorie en archeologie Toetsingskader Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht geworden. De Monumentenwet 1988 is met ingang van 1 juli 2016 dan ook vervallen. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 zijn deels overgegaan naar de Erfgoedwet en - zodra die wet in werking treedt in 2022- deels naar de Omgevingswet. De bepalingen en vergunningen uit de Monumentenwet 1988 die overgaan naar de Omgevingswet blijven van toepassing tot de datum dat de Omgevingswet in werking treedt. Deze artikelen gelden tot dat moment als overgangsrecht op grond van de Erfgoedwet en tenzij expliciet vermeld, veranderen deze niet van inhoud. Tot die tijd blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) het wettelijke kader voor de omgang met gebouwde en aangelegde rijksmonumenten en de Monumentenwet 1988 voor de omgang met de archeologische rijksmonumenten. Tot cultuurhistorie worden voor dit project gebouwde monumenten inclusief beschermde stads- en dorpsgezichten, archeologie en cultuurlandschap gerekend. In deze paragraaf wordt een analyse gemaakt van de cultuurhistorische (verwachtings)waarden en het eventueel noodzakelijke beschermingsregime.

Bij deze analyse wordt volgens de gemeentelijke erfgoednota uitgegaan van de Landschapsbiografie Súdwesthoeke, de Cultuur Historische kaart van de provincie Fryslân (CHK), waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt.

4.1.1 Archeologie Algemeen Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met de bekende en de te verwachten archeologische waarden. Op welke plaatsen archeologisch onderzoek aan de orde is, wordt op grond van het gemeentelijk beleid bepaald. De gemeente volgt hiertoe de provinciale Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). Op deze kaart worden voor de perioden Steentijd - Bronstijd en Ijzertijd Middeleeuwen adviezen gegeven over eventueel te verrichten onderzoeken.

Toetsing Het projectgebied heeft in het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch, cultuurhistorisch en (cultuur)landschappelijk waardevol gebied'. Dit betekent dat bij ingrepen met een oppervlakte groter dan 50 m2 en dieper dan 0,3 meter in de bodem onderzoek nodig is. De FAMKE heeft eenzelfde regeling ten aanzien van archeologische waarden. In het kader van dit project is om die reden een archeologisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 2). Uit de resultaten van het veldwerk blijkt de hoge archeologische verwachting voor historische bewoningsresten in het projectgebied terecht. Bij het veldonderzoek zijn op een diepte vanaf 20 tot 80 centimeter onder het maaiveld intacte terplagen aangetroffen met vondsten die niet later dan de late middeleeuwen dateren. Hoewel een aantal boringen vanwege een ondoordringbare laag moesten worden gestaakt, zijn er sterke aanwijzingen dat hier sprake is van oude bakstenen funderingen.

19/211

De exacte diepte van de toekomstige bodemingrepen is nog niet bekend. Omdat het intacte archeologische niveau al vanaf 20 centimeter onder het maaiveld kan worden aangetroffen is de kans groot dat dit door de bodemingrepen wordt aangetast. Vanwege bovenstaande redenen wordt een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van proefsleuven. Het doel van dit proefsleuvenonderzoek is het waarderen en in kaart brengen van de aard en dateringen van de verschillende archeologische niveaus. Dit proefsleuvenonderzoek kan echter pas plaatsvinden na de sloop van de bovengrondse bebouwing. Voor de bovengrondse sloop is geen verder archeologisch onderzoek noodzakelijk. Ondergrondse sloopwerkzaamheden, onder het maaiveld, dienen pas na het proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van de resultaten van de proefsleuven dient te worden vastgesteld of de ondergrondse sloopwerkzaamheden al dan niet onder archeologische begeleiding dienen te worden uitgevoerd.

4.1.2

Cultuurhistorie

Algemeen In 2019 heeft de gemeente Súdwest-Fryslân (samen met de gemeente De Fryske Marren, provincie Fryslân en de stichting Mar en Klif) een Landschapsbiografie van de Friese Súdwesthoeke laten opstellen. Vrijwel heel Súdwest-Fryslân maakt deel uit van het Nationaal Landschap Zuidwest-Friesland. Dit gebied wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid aan landschapstypen, waaronder het stuwwallenlandschap in Gaasterland, de IJsselmeerkust van Makkum tot Lemmer, de kleizone met de wel bekende terpen en het veengebied van de Friese Meren. Ieder landschapstype kent een eigen ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische elementen die van grote waarde zijn voor de beleving van het landschap in de Súdwesthoeke. De waardevolle cultuurhistorische elementen in het buitengebied en het Nationale Landschap zijn op regionaal niveau geïnventariseerd en in kaart gebracht in de landschapsbiografie. Deze vormt een aanvulling op de reeds bestaande Cultuurhistorische kaart van Fryslân en sluit aan bij de door de provincie Fryslân uitgegeven "Wordingsgeschiedenis van Fryslân". Hiermee is de feitelijke basis gelegd voor het ruimtelijk beleid en het "beter vertellen" van de historie van de Súdwesthoeke.

Voor wat betreft met name het gebouwde erfgoed: in het hoofdlijnenakkoord 2018-2022 is aangegeven dat er gekozen is om een inventarisatie van het cultureel erfgoed in de kernen en het buitengebied per deelgebied uit te laten voeren. Op basis van deze inventarisatie kunnen in het bestemmingsplan karakteristieke panden en andersoortige objecten worden aangewezen.

Analyse Ter plaatse van het projectgebied geldt op basis van het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd Stadsgezicht'. Het behoud, herstel en de uitbouw van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied zijn met deze dubbelbestemming geborgd. Aan deze dubbelbestemming is de lettertekenaanduiding 'beschermde gevelwand klasse 2' gegeven. Ter plaatse van deze lettertekenaanduiding geldt: *

indien een voorbouwgrens is aangegeven, zal de gevel van een gebouw in de aangegeven voorbouwgrens worden gebouwd;

*

een gebouw zal vrijstaand dan wel individueel aaneen worden gebouwd, waarbij de aangegeven

20/211

parcellering maatgevend is; *

van gebouwen met een dwarskap zal de breedte van de in de aangegeven voorbouwgrens gebouwde gevel ten hoogste 10 m bedragen, tenzij in het bouwvlak een maximale gevelbreedte is aangegeven, in welk geval de breedte van de in de aangegeven voorbouwgrens gebouwde gevel(s) ten hoogste de in het bouwvlak aangegeven gevelbreedte zal bedragen;

*

van gebouwen met een langskap zal de breedte van de in de aangegeven voorbouwgrens gebouwde gevel ten hoogste 18 m bedragen, tenzij in het bouwvlak een maximale gevelbreedte is aangegeven, in welk geval de breedte van de in de aangegeven voorbouwgrens gebouwde gevel(s) ten minste 18 m en ten hoogste de in het bouwvlak aangegeven gevelbreedte zal bedragen;

*

van gebouwen met een dwarskap zullen de onderlinge goothoogten over een gevelbreedte van meer dan 20 m tenminste 0,3 m van elkaar verschillen;

*

en gebouw zal worden voorzien van een kap, zoals een zadelkap, schildkap, afgeknotte schildkap of mansardekap dan wel samengestelde delen van deze kapvorm dan wel een afwijkende bestaande kapvorm, waarvan de dakhelling ten minste 30° en ten hoogste 80° zal bedragen, tenzij: 1.

de gronden zijn voorzien van de aanduiding "plat dak" in welk geval is toegestaan dat een gebouw (gedeeltelijk) zal worden voorzien van een dak, waarvan de dakhelling minder dan 30° bedraagt.

Op de Cultuurhistorische Kaart Fryslân is het projectgebied aangemerkt als een deel van het beschermd stadsgezicht van Bolsward. Verder is het pand aan de Skilwyk 11 aangewezen als Rijksmonument. Aan de Skilwyk 27 staat een pand dat is aangeduid als 'Jongere bouwkunst 1850-1945' en bovendien is aangewezen al gemeentelijk monument. Aan de Skilwyk 29 staat een kerk die is aangewezen als Rijksmonument

Toetsing Binnen het projectgebied wordt de bestaande bebouwing gesloopt en wordt nieuwbouw ontwikkeld. Het welstandsbeleid ter plaatse is gericht op het handhaven van de historische structuur en het monumentale bebouwingsbeeld, inclusief behoud van de differentiatie die in de gevels van de binnenstad voorkomt. Het bestaande ruimtelijk beeld wordt gezien als een te handhaven leidraad voor de verdere ontwikkeling, waarbij het accent ligt op herstel en restauratie. Ten behoeve van de ontwikkeling is voor het projectgebied een beeldkwaliteitsplan opgesteld, dat is opgenomen in bijlage 1. Voor het opstellen van beeldkwaliteitsregels is onderscheid gemaakt in twee deelgebieden: *

de voorzijde van de ontwikkeling aan de Skilwyk; en

*

het terrein aan de binnenzijde van het bouwblok.

De voorzijde van de ontwikkeling aan Skilwyk Om aan te sluiten bij het oorspronkelijke, historische stadsbeeld, wordt uitgegaan van een wisselend en divers gevelbeeld met onderling herkenbare panden. De individuele, historische pandenstructuur komt tot uiting door te variëren in goothoogte, bouwhoogte, kapvorm en de kleurstelling van de bakstenen gevels. Iedere gevel krijgt een individuele uitstraling, maar samen vormen ze een samenhangend straatbeeld. Daarbij komt er variatie in de gevelopeningen en de hoogteplaatsing van met name de vensters op de verdieping. Om entrees naar de achterliggende bebouwing mogelijk te maken zijn ruimtes tussen de panden mogelijk in een afwijkend materiaal, waardoor de achterliggende functie wordt benadrukt en een contrast ontstaat met de historische

21/211

pandenstructuur. Het terrein aan de binnenzijde van het bouwblok De achterzijde van het complex zal één geheel vormen en een eenduidige uitstraling krijgen, met als doel een rustig totaalbeeld te creëren aan de binnenzijde van het bouwblok. Het gevelbeeld hoeft niet te worden afgestemd op de historische kwaliteiten van de omgeving, maar dit is wel toegestaan. Het gebouwdeel mag plat worden afgedekt of een kap krijgen, waarbij het van belang is dat het gebouwdeel niet zichtbaar is vanaf de Skilwyk. Doordat de ontwikkeling moet voldoen aan de criteria uit het beeldkwaliteitsplan, wordt voldaan aan de waarden die van belang zijn in het kader van het beschermd stadsgezicht. Daarmee wordt voldoende rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden ter plaatse. Ten aanzien van de rijksmonumenten aan de Skilwyk 11 en aan de Skilwyk 29 en het gemeentelijk monument aan de Skilwyk 27, geldt dat deze panden niet worden betrokken bij de projectvorming en daarmee dus ook niet worden aangetast. De cultuurhistorische waarden van deze panden blijven daarmee behouden.

4.2. Ecologie Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: »

Natura 2000-gebieden;

*

Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: «

soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;

»

soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;

*

overige soorten.

Toetsing In het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestaande bebouwing in het projectgebied gesloopt en nieuwbouw gerealiseerd. Vanwege deze activiteiten wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de natuurwetgeving door middel van het uitvoeren van een ecologische quickscan naar de (mogelijk) binnen de invloedssfeer aanwezige beschermde natuurwaarden (flora en fauna). Daarnaast wordt gekeken of sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.

22/211

Gebiedsbescherming Het projectgebied is geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS) of Natura 2000 en is niet aangewezen als weidevogel- of ganzenfoerageergebied. Negatieve effecten op deze gebieden als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. Effecten als gevolg van stikstofuitstoot zijn hierbij niet meegenomen. De Natura 2000-gebieden die binnen 25 kilometer van het projectgebied zijn gelegen betreffen onder andere het IJsselmeer, Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving, en de Waddenzee. Om te toetsen of een dergelijke ontwikkeling een significant negatief effect heeft op onder andere bovengenoemde gebieden door stiktofdepositie, is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Het rapport en de berekeningen zijn opgenomen als bijlage 3. Uit het stikstofonderzoek komt naar voren dat er geen sprake is van significante stikstofdepositie als gevolg van zowel de aanleg- als de gebruiksfase. De stikstofdepositie vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoering van dit project. Het aspect ecologie-gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Soortenbescherming Gelet op de voorgenomen activiteiten, zoals het slopen van de bestaande bebouwing, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het volledige rapport hiervan is opgenomen in bijlage 4.

In het rapport komen de volgende conclusies naar voren: Algemene broedvogels Binnen en vlak buiten het projectgebied kunnen enkele vogelsoorten tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, maar die wel beschermd zijn tijdens het broedproces. Geadviseerd wordt om de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Huismus De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van huismussen in de bebouwing van het projectgebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Omdat de bebouwing wordt gesloopt kunnen nestplaatsen verloren gaan. Geadviseerd wordt om nader onderzoek uit te voeren om de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van huismussen vast te stellen dan wel uit te sluiten. Gierzwaluw De bebouwing in het projectgebied biedt broedmogelijkheden voor de gierzwaluw. Eventuele nestplaatsen genieten jaarronde bescherming en kunnen als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden verloren gaan. Geadviseerd wordt om nader onderzoek uit te voeren om de aanwezigheid hiervan vast te stellen dan wel uit te sluiten. Vleermuizen De aanwezigheid van kraam-, zomer-, paar- en winterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis in de bebouwing van het projectgebied kan niet op voorhand worden uitgesloten.

Geadviseerd wordt om de aanwezigheid van vleermuizen vast te stellen of uit te sluiten door middel van nader onderzoek.

23/211

Zorgplicht In het projectgebied kunnen soorten voorkomen waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ingrepen. De zorgplicht van de Wnb schrijft voor dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijs mogelijk is te doen of juist na te laten, om schade aan wilde planten en dieren zoveel mogelijk te voorkomen. Op basis van de resultaten van de quickscan flora en fauna is een nader onderzoek naar de huismus, gierzwaluw en vleermuizen in werking gezet. Het onderzoeksrapport hiervan is opgenomen als bijlage 5. Hieruit komen de volgende conclusies: Jaarrond beschermde nesten (huismus) Tijdens het nader onderzoek is één jaarrond beschermd nest van een paartje huismussen aangetroffen. Jaarrond beschermde nesten (gierzwaluw) Er zijn geen jaarrond beschermde nesten van een gierzwaluw aangetroffen. Verblijfplaatsen vleermuizen Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Generieke ontheffing Elkien Elkien beschikt over een door de provincie afgegeven generieke ontheffing ten aanzien van de huismus, gierzwaluw, huiszwaluw, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Nu de huismus is aangetroffen zal hier gebruk van worden gemaakt. Er wordt in het kader hiervan een melding gedaan bij de provincie. Naar aanleiding van de resultaten van het nader onderzoek wordt de benodigde ontheffing bij de provincie aangevraagd.

4.3. Bodem Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.

Toetsing Het woonzorgcentrum is een bodemgevoelige functie. Daarom is ten behoeve van dit project een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in bijlage 6. Uit het onderzoek is geconcludeerd dat vanuit milieuhygiënisch oogpunt er geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen nieuwbouwplannen. Het aspect bodem vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling.

24/211

In het kader van de voorgenomen sloop dient wel rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van asbesthoudende elementen. Aanbevolen wordt om voorafgaande aan de sloop, een asbestinventarisatie te verrichten. Deze asbestinventarisatie zal voorafgaand aan de sloop worden uitgevoerd en worden voorgelegd aan de gemeente.

4.4.

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In de Wet milieubeheer zijn normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze normen zijn bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, tegen te gaan. Als maatgevend voor de luchtkwaliteit worden de gehalten fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) gehanteerd. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan luchtverontreiniging, zijn op grond van het Besluit 'niet in betekenende mate' (NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Een project voldoet hieraan als het een toename van minder dan 3 procent van de grenswaarden tot gevolg heeft. Bij woningbouwprojecten van minder dan 1.500 woningen is hiervan sprake.

Toetsing Uit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland blijkt dat de grenswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide in (de omgeving van) het projectgebied ruimschoots onder de grenswaarden liggen. Het woonzorgcentrum bestaat uit slechts 32 eenheden en heeft een dermate beperkte werking op de luchtkwaliteit dat de bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit ruimschoots onder de grenswaarden van het Besluit NIBM blijft. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

4.5.

Geluid

Toetsingskader In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft waarin aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. Daarbij onderscheidt de Wgh geluidsgevoelige gebouwen enerzijds en niet-geluidsgevoelige functies anderzijds. Uitgangspunt is dat op de gevels van geluidsgevoelige functies voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Indien hier niet aan wordt voldaan, kan een hogere grenswaarde worden vastgesteld. Deze hogere waarde is te verlenen tot 63 dB in de bebouwde kom. Wegen waarvoor de zoneplicht niet geldt, zijn woonerven en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

Toetsing Een woonzorgcentrum betreft een geluidgevoelig object. Het projectgebied ligt niet in de geluidszone van een geluidzoneringsplichtige weg. Daarom is op voorhand geen akoestisch onderzoek noodzakelijk. Wegverkeerslawaai van 30 km/u-wegen valt niet onder de Wgh, maar dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel beoordeeld te worden. Uit een indicatieve berekening in het milieumodel (2030) van de gemeente Súdwest-Fryslân blijkt dat de gecumuleerde geluidsbelasting van wegverkeerslawaai op z'n hoogst 56 dB is op de gevel aan de zijde van de Skilwyk. De karakteristieke geluidwering van die gevel dient minimaal 23

25/211

dB te zijn, zodat daarmee voldaan wordt aan een binnenniveau van 33 dB voor wegverkeer. Ten behoeve hiervan worden nog gevelberekeningen uitgevoerd, maar op voorhand kan door de gekozen gevelopbouw al gesteld worden dat hier aan wordt voldaan. Het aspect geluid staat de ontwikkeling van het project niet in de weg.

4.6. Water Toetsingskader Een belangrijk onderdeel van de projectvorming is de watertoets. Het doel van deze watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen meer expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het projectgebied is gelegen in het beheergebied van het Wetterskip Fryslân, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer.

Toetsing De ontwikkeling is op 2 november 2022 aan Wetterskip Fryslân kenbaar gemaakt via de digitale watertoets. Hieruit blijkt dat de korte watertoetsprocedure van toepassing is. Dit houdt in dat de aanwezige wateraspecten beperkt van invloed zijn op het project. De watertoets is opgenomen in bijlage 7. De watertoets is een belangrijk instrument bij het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. Het zorgt ervoor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan de veiligheid, kwaliteit en kwantiteit van het water. Bij het beoordelen van ruimtelijke plannen werkt het Wetterskip met de Leidraad Watertoets. Hierin staan voor alle wateraspecten uitgangspunten omschreven waarmee rekening moet worden gehouden. In deze paragraaf wordt aangegeven hoe de waterbelangen in het project zijn geborgd. De beschrijving van de wateraspecten sluit zoveel mogelijk aan bij de indeling van het Waterbeheerplan en de Leidraad Watertoets met betrekking tot de thema's 'veilig', 'voldoende' en 'schoon'. Veilig Het projectgebied ligt vrij voor de boezem, wat inhoudt dat het gebied niet door middel van een boezemkade is beschermd tegen hoge waterstanden in de Friese boezem. Om die reden moet rekening worden gehouden met hoog water in het kader van regionale wateroverlast.

Voldoende In het kader van klimaatadaptie adviseert het Wetterskip om bij de inrichting van het projectgebied te anticiperen op hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en mogelijke overstroming, door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het projectgebied groener in te richten. In dit geval wordt hierop ingespeeld door op het binnenterrein een binnentuin aan te leggen. In de huidige situatie is het gehele gebied verhard. Door het aanleggen van groen wordt het verhard oppervlak binnen het

26/211

projectgebied verminderd. Schoon De aanlegwijze en onderhoudstechniek moeten emissievrij zijn om verontreiniging van het water te voorkomen. Vanuit het projectgebied mogen geen verontreinigde stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. Hier wordt in de uitvoeringsfase van het project rekening mee gehouden door geen uitlogende materialen te gebruiken.

4.7. Bedrijven- en milieuzonering Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarmee onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Voor het bepalen van de richtafstanden wordt onderscheid gemaakt tussen rustige woonomgevingen en gemengde gebieden.

Toetsing Het projectgebied ligt in het centrum van Bolsward, waar een relatief hoge mate van functiemenging is. Daarom kan het gebied worden bestempeld als gemengd gebied. Een woonzorgcentrum is gelijk te stellen aan een verpleegtehuis voor wat betreft milieucategorisering. Daarmee geldt in principe milieucategorie 2, met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Gezien de zeer geringe omvang van het woonzorgcentrum is het hierbij gerechtvaardigd dat de direct aangrenzende percelen binnen deze richtafstand vallen. De zorg vindt binnen plaats en cliënten zullen zich ter plaatse van de afgeschermde binnentuin bevinden. Daarvan zal in het gemengde gebied geen hinder worden ondervonden. Voor de overige percelen in de omgeving wordt voldaan aan de richtafstand. Andersom is een woonzorgcentrum, gezien de woonfunctie die het betreft, ook geluidgevoelig. Gezien de ligging in het centrum van Bolsward is rondom het plangebied sprake van een grote verscheidenheid aan functies. Deze worden binnen het bestemmingsplan mogelijk gemaakt in centrum- en gemengde bestemmingen en horecabestemmingen. Binnen de centrum- en gemengde bestemmingen zijn functies mogelijk tot en met milieucategorie 2. Voor deze functies geldt in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter. Deze functies komen binnen 10 meter van het plangebied niet voor.

Aan de Dijkstraat, op enige afstand ten zuiden van het plangebied zijn een aantal horecabedrijven gevestigd. Hier zijn horecabedrijven uit maximaal categorie 3.1 toegestaan. Deze locaties liggen op minimaal 30 meter afstand van het nieuwe woonzorgcentrum, waarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Tot slot staat direct ten noorden van het plangebied een kerk. Voor een kerk geldt milieucategorie 2, met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. De richtafstand van de kerk valt daarmee voor een klein deel over

27/211

de gronden die bij het woonzorgcentrum horen, maar het gebouw zelf komt wel op meer dan 10 meter van de kerk te staan. Daarmee wordt dit aanvaardbaar geacht.

4.8.

Kabels en leidingen

Toetsingskader Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteits- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de

bodem.

Daarnaast zijn

zones,

bijvoorbeeld

rondom

hoogspanningsverbindingen,

straalpaden

en

radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of om het beperken van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een KLIC-melding in kaart gebracht.

Toetsing Er lopen geen relevante kabels en leidingen in of nabij het projectgebied.

4.9.

Externe veiligheid

Toetsingskader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Het toetsingskader wordt gevormd door verschillende besluiten en documenten (Bevi, Bevb, Bevt). Risico's zijn inzichtelijk gemaakt op de risicokaart die per provincie wordt bijgehouden.

Toetsing Ten behoeve van de externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in de directe omgeving geen sprake is van risicovolle inrichtingen, transportroutes en/of buisleidingen die invloed hebben op het projectgebied. Daarmee is geen onderzoek noodzakelijk en vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor dit project.

4.10. Vormvrije mer-beoordeling Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen.

Indien een activiteit onder de

drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd, met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. *

Voor de ontwerpbestemmingsplanfase moet een m.e.r.-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of een MER wel of niet benodigd is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijk mitigerende maatregelen.

28/211

Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. «

Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt, moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen. Hierin mogen mitigerende maatregelen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indiening een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.

Toetsing Voor dit project wordt een vormvrije m.e.r.-notitie opgesteld, onder andere op basis van de motivering van de milieuaspecten in deze onderbouwing. Deze notitie wordt opgenomen als bijlage. Naar verwachting komt hieruit naar voren dat geen volledige m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden.

29/211

30/211

Hoofdstuk 5 5.1.

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De ontwerp-omgevingsvergunning met bijbehorende stukken wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode bestaat de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen. Een ieder wordt op deze wijze in de gelegenheid gesteld om bedenkingen tegen het initiatief kenbaar te maken. Eventuele zienswijzen worden door de gemeente beantwoord en meegewogen in de besluitvorming omtrent het verlenen van de omgevingsvergunning. Tegen dit besluit staat de mogelijkheid van beroep en hoger beroep open. Voorgenoemde procedure toont de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project aan.

5.2.

Economische uitvoerbaarheid

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het project is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het project (financiële haalbaarheid), anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Financiële haalbaarheid De ontwikkeling betreft een particulier initiatief waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. De initiatiefnemer draagt de kosten voor de ontwikkeling van het woonzorgcentrum.

31/211

32/211

Hoofdstuk 6 6.1.

Conclusie

Aanleiding

Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter afweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo, waarmee de realisatie van een woonzorgcentrum mogelijk wordt gemaakt.

6.2.

Afweging

De voorgenomen ontwikkeling is stedenbouwkundig en functioneel inpasbaar. Verder is het project niet in strijd met beleidspunten op provinciaal en gemeentelijk niveau en veroorzaakt het geen conflicten met de sectorale wet- en regelgeving.

6.3.

Conclusie

Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project is in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.

33/211

34/211

Bijlagen

35/211

36/211

Bijlage 1

37/211

Beeldkwaliteitsplan

BOLSWARD - MENNISTE SKIL BEELDKWALITEITSPLAN

DATUM 20-09-2022 PROJECTNR 20211164.001

RHO ADVISEURS

1 Inleiding Aanleiding De panden van de voormalige Rabobank aan de Skilwyk in het centrum van Bolsward staan momenteel leeg. Vanuit de markt is er geen passende functie gevonden, die het gebouw na het vertrek van de bank weer in gebruik wil nemen. Momenteel worden de mogelijkheden verkend om de panden en de achterliggende gebouwen te herontwikkelen. Op de luchtfoto is de begrenzing van de ontwikkellocatie weergegeven.

Juridisch kader Het plangebied is onderdeel van het door de gemeente aangewezen ‘historisch stadsgebied’. Om tot een zorgvuldige inpassing te komen, zal er extra aandacht moeten zijn voor een goede beeldkwaliteit. De welstandsnota ‘Welstandsnota gemeente Súdwest - Fryslân’ geeft aan dat vanuit cultuurhistorisch oogpunt de nadruk ligt op het handhaven en herstellen van de ruimtelijke kenmerken binnen de historische context. Het in dit document vastgelegde beeldkader sluit daarom op grote lijnen aan op het welstandskader voor de binnenstad van Bolsward, met specifieke aanvullende regels voor deze herontwikkelingslocatie. Dit beeldkwaliteitplan is een aanvulling op de bestaande welstandnota en wordt ook als zodanig vastgesteld. Op basis van dit beeldkwaliteitplan kan de toekomstige welstandsbeoordeling van de bouwplannen plaatsvinden.

/m .ĵraļ

HO ADVISEURS

I BeeldkWaliteitpįán I -

i

-a

/fln u

i

i

‘'i,.V7 műEį vJBot Jl ft ľ ļ ļ # » f ' ĮĒSĒ ľ

)

n w ĮĒ

jļy

i vik. k

,t

Hr

' Hr

'[Į I

/■j zľ” 'f

0—5 K schaal 1:500 7 A3

jļ

2 Plangebie Huidige situatieļļU

, J

N

Op de luchtfoto is de plangrens weergegeven, met daarin de te herontwikkelen bebouWing. Het gaat om het voormalige rabobank;ebouw, met aangrenzend drie panden aan de Skilwyk en de later ;ereąļ.iseelde bebouwing op het achterterrein.

2 Historische context Het plangebied maakt onderdeel uit van het historische centrum van Bolsward. Bolsward is één van de elf steden van Friesland. De naam Bolsward komt van Bodelswerd, waarbij ‘werd’ net als ‘wierd(e)’ of ‘ward(en)’, wat terp betekent, verwijst naar de ontstaansgeschiedenis. De stad is ontstaan op drie terpen die ten noorden lagen van het punt waar de oude zeeverbindingen Marne en Middelzee met elkaar verbonden waren. Bolsward lag toen in het zuiden van Westergo. Aan het begin van de Middeleeuwen groeide Bolsward uit tot geesteelijk centrum van Westergo. Pas tegen het einde van de Middeleeuwen, in 1455, verkreeg Bolsward officieel stadsrechten. De stad als vesting begon toen vorm te krijgen, met een dubbele gracht met landweer en houten poorten. Pas aan het begin van de 17e eeuw werden deze houten poorten vervangen door stenen poorten. Het grootste deel van het bolwerk werd afgebroken in de 19e eeuw, maar de historie klinkt nog door in de naamgeving en ruimtelijke structuur. Het plangebied ligt aan de Skilwyk en het Laag Bolwerk en is hieronder te zien op de historische kaart van 1664.

Historische Plattegrond Bolsward (Bernardus Schotanus, 1664)

Door de jaren heen is de bebouwing op locatie aan de zijde vanaf de Skilwyk vanaf 1850 op verschillende manieren aangepast en herontwikkeld. Dit is schetsmatig verbeeld op de afbeelding hiernaast. Om de nodige kwaliteitsverbetering te bereiken zal onder andere het 1968 gerealiseerde gedeelte van de Rabobank worden gesloopt, evenals de in een latere fase gerealiseerde aanbouwen. Daarvoor in de plaats komt een nieuw bouwvolume wat qua schaal en maat zal moeten aansluiten bij het historische straatbeeld van de Skilwyk.

RHO ADVISEURS

I Beeldkwaliteitplan I Menniste Skil Bolsward I 20-09-2022

4 I 11

4 Huidige situatie De binnenstad van Bolsward wordt gekenmerkt door veelal gesloten gevelwanden. Deze gevelwanden zijn opgebouwd uit afzonderlijk goed herkenbare panden dankzij hun verspringende nok- en goothoogten, variatie in gevelindeling, verschillende kapvormen en materiaalgebruik zoals baksteen in verschillende aardetinten (en hier en daar witgekeimde gevels).

Ook de straat Skilwyk is opgebouwd uit herkenbare afzonderlijke panden. In deze straat staan oudere historische panden en nieuwere panden zoals het voormalige bankgebouw. Vernieuwingen in de binnenstad zijn duidelijk herkenbaar door afwijkende (grotere) massa en bouwhoogte. Ook is de detaillering vaak minder fijn in vergelijking met de historische panden. Dit is onder andere het geval met het Rabobank gebouw. Het is nadrukkelijk de wens van de gemeente om op deze locatie het beeld weer te laten aansluiten op het historische karakter van de binnenstad. Dus niet het beeld van de grotere massa, maar dat van de indivudele, historische panden.

Deze panden staan nagenoeg allemaal in historisch bepaalde rooilijnen, met enkele uitzonderingen door een verspringing of bijvoorbeeld een uitgebouwde markante voorruimte. Het overheersend gevelbeeld heeft hierdoor een gesloten karakter. Desondanks zijn er tussen de verschillende panden tussenruimten aanwezig die als doorgang naar de achtergelegen ruimten hebben gefungeerd, van panden aan de, inmiddels gedempte, vaart. De hoofdrichting van de bebouwing is dwars op de openbare ruimte; bredere gebouwen (langsgerichte bebouwing) hebben vanuit historisch perspectief steeds een bijzonder karakter of prominente functie. De bebouwingscontouren zijn individueel wisselend in 1 tot 3 lagen met een kap. Kappen bestaan vooral uit schilddaken en zadeldaken. De gevels in de binnenstad zijn vaak symmetrisch opgebouwd.

n

Mltakr-

Op onderstaande fotomontage is het straatbeeld van de te ontwikkelen bebouwing aan de Skilwyk weergegeven.

íŕ.

■UI '

Voormalige Rabobank

Plangrens

RHO ADVISEURS

I Beeldkwaliteitplan I Menniste Skil Bolsward I 20-09-2022

Plangrens

5 I 11

5 Beeldkwaliteit: Visie op hoofdlijnen Algemeen Het welstandsbeleid is gericht op het handhaven van de historische structuur en het monumentale bebouwingbeeld. Inclusief behoud van de differentiatie die in de gevels van de binnenstad voorkomt. De vernieuwing is gericht op het functioneren van de binnenstad: verzorgingscentrum en versterking en/of behoud in de woonfunctie met instandhouding en/of versterking van de bestaande ruimtelijke kwaliteit. Het plangebied is onderdeel van het door de gemeente aangewezen ‘historisch stadsgebied’. Het welstandsniveau wat hier geldt betreft: HR - het bestaande ruimtelijk beeld wordt gezien als te handhaven leidraad voor de verdere ontwikkeling, met het accent op herstel en restauratie; In hoofdstuk 6.1 zijn de welstandscriteria uit de welstandsnota, van toepassing op deze ontwikkeling, beschreven. Daarnaast zijn er specifiek voor deze ontwikkeling aanvullende welstandscriteria opgesteld.

Beschrijving deelgebieden Uitgangspunt is zowel nieuwbouw als herontwikkeling van de bestaande panden Voor het opstellen van de beeldkwaliteitregels wordt een onderscheid gemaakt tussen twee deelgebieden: Zone A: de voorzijde van de ontwikkeling aan Skilwyk Om aan te sluiten bij het oorspronkelijke, historische stadsbeeld wordt uitgegaan van een wisselend en divers gevelbeeld met onderling herkenbare panden. De individuele, historische pandenstructuur komt tot uiting door te varieren in goothoogte, nokhoogte, kapvorm en de kleurstelling van de bakstenen gevels. Iedere gevel krijgt een eigen, individuele uitstraling, maar ze vormen samen een samenhangend straatbeeld. Om entrees naar de achterliggende bebouwing mogelijk te maken zijn ‘spaties’ tussen de panden mogelijk in een afwijkend materiaal waardoor de achterliggende functie wordt benadrukt en een contrast ontstaat met de historische pandenstructuur.

u-27

rŗs^

1 1 Ij

ì

Ir

Oř~-C; ļ

7^0r^L7^r7

ļ

1

j j I

-įc/

Zone B Zone.

Zone B: het terrein aan de binnenzijde van het bouwblok De achterzijde van het complex zal één geheel vormen en een eenduidige uitstraling krijgen. Met als doel om een rustig totaalbeeld te creeren aan de binnenzijde van het bouwblok. Het gevelbeeld hoeft niet afgestemd te worden op de historische kwaliteiten van de omgeving, maar dit is wel toegestaan. Dit gebouwdeel mag plat afgedekt worden of een kap krijgen, waarbij het van belang is dat het gebouwdeel niet zichtbaar is vanaf de Skilwyk.

Beeldkwalitąirnlan I Menni e Skil Bolsward I 20-0

0

5

15

6.1 Welstandscriteria uit de gemeentelijke Welstandsnota DEELGEBIED HISTORISCH STADSGEBIED Algemeen: ^ ^

^

Bouwinitiatieven houden de bestaande stedenbouwkundigestructuur en waterlopen herkenbaar. De specifieke historische kenmerken van de openbare ruimte en de ruimtelijke structuur van het gebied vormen de uitgangspunten voor herstel, vernieuwing en nieuwbouw. Op pandniveau is het individuele karakter het uitgangspunt. Contrastrijke en eigentijdse toevoegingen zijn mogelijk mits zij een verrijking vormen en zich voegen in de stedenbouwkundige structuur; zij voegen zich naar het geheel van de betreffende gevelwand.

^ ^ ^ ^

Plaatsing: ^ ^ ^ ^

De bebouwing is geënt op de historische indeling in percelen en kent een sterke onderlinge rooilijn. De plaatselijke situatie kan aanleiding geven voor een afwijkende plaatsing. Bijzondere functies kunnen een afwijkende ligging hebben maar zijn nadrukkelijk gericht op het openbaar gebied. Stedelijke situaties kennen meestal een gesloten bebouwing. In de dorpen is de bebouwing gesloten tot half-open, afhankelijk van de plaatselijke situatie. In de steden heeft de bebouwing vooral dwarskappen, in voorkomende gevallen hebben (vaak bredere) panden een langskap. In de dorpen staan gebouwen haaks op of evenwijdig aan de weg, afhankelijk van de plaatselijke situatie, De bouwwerken zijn georiënteerd op het openbaar gebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16257279/1