CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering 26 september 2024, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: Planologyske ynstimming wensoarchkompleks Oppenhuizerweg 17 yn Snits19.301 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Woningbouwprogramma 2020-2030 en Strategie woningbouw 2020-2030

Het college van burgemeester & wethouders van de gemeente Súdwest Fryslân heeft in december 2020 ingestemd met de woningbouwafspraken 2020-2030. Op 2 maart 2021 heeft het college van GS van de provincie Fryslân deze afspraken vastgesteld. Vervolgens zijn de afspraken ondertekend en in werking getreden. In april 2021 is de Strategie woningbouw 2020-2030 door het college van B&W vastgesteld. Het woningbouwprogramma 2020-2030 is op 16 november 2021 opnieuw vastgesteld om een actueel inzicht in de woningbouwplannen en woningbouwcapaciteit te hebben. Met de nieuwe woningbouwafspraken is er ruimte ontstaan om plannen aan het woningbouwprogramma toe te voegen. Dit komt doordat er in de kernen Sneek, Bolsward, Workum en Makkum binnenstedelijk vrij geprogrammeerd mag worden en omdat er voor een percentage van 300Zo overgeprogrammeerd mag worden. De woningbouwafspraken geven de gemeente een totale planningsruimte van circa 3000 woningen. Binnen deze ruimte kan ruimschoots worden voorzien in de behoefte. De grootste uitdaging met betrekking tot het invullen van de planningsruimte is het komen tot het juiste kwalitatieve aanbod. Gelet op het voorgaande valt het plan binnen de gemeentelijke beleidsruimte en past het binnen de huidige woningbouwafspraken met de provincie en regio. 3.3.5

Bomenbeleidsplan

De gemeente Súdwest-Fryslân heeft een bomenbeleid. Aan de hand van zeven beleidskaders is het bomenbeleid in Súdwest-Fryslân vormgegeven. De beleidskaders zijn: ^

Voor (her)inrichten

met behulp van

bomen

maakt de gemeente gebruik van

het

'Kwaliteitshandboek inrichting openbaar groen Súdwest-Fryslân'; •

De gemeente hanteert vuistregels om te komen tot een gevarieerd (zowel in soort als in leeftijd) gezond bomenbestand, wat afgestemd is op het landschapstype of de woonkern in SúdwestFryslân;

•

Veiligheid gaat voor alles;

Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Oppenhuizerweg 17 Z Maria Louisestraat 20

27

^

De gemeente beheert de bomen op een goed niveau voor een duurzaam bomenbestand;

^

De gemeente hanteert vuistregels om overlastsituaties te beheersen of te voorkomen;

^

De gemeente hanteert vuistregels om ziekten en plagen te beheersen of te voorkomen;

^

De gemeente beschermt beeldbepalende, bijzondere en monumentale bomen en lanen.

Voorliggend initiatief betreft de herontwikkeling van een bestaand bebouwd bedrijfsperceel. In de nadere uitwerking van de verschillende planfases wordt specifiek gekeken naar de (te planten) bomen in het plangebied. Hierbij zal het bomenbeleidsplan als uitgangspunt worden genomen. 3.3.6

Welstandsnota Súdwest Fryslân

De gemeente Súdwest-Fryslân heeft voor de toetsing van bouwwerken de welstandsnota SúdwestFryslân opgesteld. Hierin zijn welstandscriteria opgenomen waaraan nieuwe ontwikkelingen getoetst moeten worden. Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van Súdwest-Fryslân. Deze criteria zijn gebaseerd op de plaatselijke identiteit en het architectonisch vakmanschap en de ruimtelijke kwaliteit zoals die in de bestaande situatie worden gebruikt. Voor nieuw te ontwikkelen gebieden of gebieden die ingrijpend worden veranderd, zijn of worden specifieke welstandscriteria opgesteld. Dat kan in de vorm van een door de gemeenteraad vast te stellen beeldkwaliteitsplan. Omdat onderhavige ontwikkeling voorziet in een relevante verandering van de stedenbouwkundige structuur op een prominente locatie langs één van de stadsentrees van Sneek, is voor de ontwikkeling een apart beeldkwaliteitsplan opgesteld (bijlage 1). Bij de beoordeling van het definitieve bouwplan zal dit beeldkwaliteitsplan als toetsingskader gelden. 3.3.7

Erfgoednota 2021 -2026

Met het vaststellen van de 'Erfgoednota 2021-2026 Cultureel Erfgoed is geen keus' (april 2021) heeft de gemeente haar visie en missie op behoud en ontwikkeling van het erfgoed vastgesteld. De gemeente SWF zorgt samen met de mienskip dat cultureel erfgoed duurzaam behouden en ontsloten wordt en zichtbaar en beleefbaar is. Dit doen wij door erfgoed te waarderen en te beschermen, bewustwording en samenwerking te stimuleren en daardoor erfgoed te versterken en levend te houden. De mienskip heeft tijdens het 'Rondje Súdwest' in 2019 in het kader van de Omgevingsvisie 1.0 'Oars tinke yn Súdwest' (2021) cultureel erfgoed benoemt als wezenlijk onderdeel van thema 2 van de 5 thema's in de Omgevingsvisie 1.0: sterke kernwaarden: cultureel erfgoed, natuur, weids en waterrijk landschap. Ook het weidse en waterrijke landschap is eigenlijk erfgoed. Immers de meren, kanalen en sloten en weide- en akkergronden zijn allemaal onder menselijke invloed ontstaan en verder vormgegeven, oftewel cultuurlandschap. In die zin geldt hetzelfde voor thema 4: vitaal en aantrekkelijk landschap. Ook in thema 3: veerkrachtige en leefbare wijken, dorpen en steden en thema 5: duurzaam, energieneutraal en klimaatadaptief heeft cultureel erfgoed een rol als wezenlijk onderdeel van de bijzondere woonkwaliteiten.

Een zorgvuldige afweging van de cultuurhistorische waarden om de omgevingskwaliteit te kunnen waarborgen en te versterken is dus essentieel. Het is een gemeentelijke wettelijke taak om te komen tot een zorgvuldige planbehandeling en besluitvorming

voor wat

betreft

cultuurhistorie.

Als

gevolg

van

het

beleid

Modernisering

Monumentenzorg is per 1 januari 2012 in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.6.1) bepaald dat

Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Oppenhuizerweg 17 Z Maria Louisestraat 20

28

gemeenten verplicht zijn cultuurhistorie mee te wegen bij het opstellen van het bestemmingsplan. Niet alleen de cultuurhistorische waarden in de grond (archeologie) maar ook boven de grond moeten meegenomen worden. Zo stelt de gemeente bij bestemmingsplannen cultuurhistorische analyses op en gaat de gemeente bij de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden in bestemmingsplannen formeel uit van de gemeentelijke FAMKE (Friese Archeologische Monumentenkaart Extra), een uitsnede van de provinciale FAMKE. Voor de bekende en de te verwachten cultuurhistorische waarden gaat de gemeente

uit van

de

Cultuur Historische

kaart van

de

provincie

Fryslân

(CHK)

en

de

Landschapsbiografie Súdwesthoeke. Deze kaarten zijn daarmee onderlegger voor het in de Erfgoednota geformuleerde beleid. Niet alle op deze kaarten aangegeven waarden kunnen echter behouden blijven, hier komt een gemeentelijke afweging aan te pas. In een ruimtelijke onderbouwing moet beschreven worden hoe met deze waarden wordt omgegaan. Een nadere toetsing aan de Erfgoedvisie vindt plaats in paragraaf 4.2.

Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Oppenhuizerweg 17 I Maria Louisestraat 20

29

4

Uitvoeringsaspecten

In dit hoofdstuk worden de relevante uitvoeringsaspecten bij het plan besproken.

4.1

Flora- en fauna

4.1.1

Wettelijk kader

Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet vervangen. Het doel is om met één wet en minder regels de wet makkelijker te kunnen toepassen. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden (voorheen geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998). Ter bescherming van deze Natura 2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura 2000-gebied kunnen aantasten. Voorts voorziet de Wet natuurbescherming in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden (voorheen geregeld in de flora- en faunawet). Het uitgangspunt is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen.

Voor onder andere reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geldt een vrijstelling voor beschermde soorten op voorwaarde dat gehandeld wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Verder worden vrijstellingsregelingen op de nationaal beschermde soorten per provincie vastgesteld. Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de planten- en diersoorten die in het plangebied voorkomen. Zorgplicht Voorts geldt bij uitvoering van werkzaamheden te allen tijde de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden een algemeen beschermde soort als konijn, veldmuis of gewone pad wordt aangetroffen zij de ruimte en tijd moet krijgen om een veilig heenkomen te zoeken. Indien nodig kunnen aangetroffen exemplaren verplaatst worden naar een naastgelegen ruimte waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden. NNN Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden.

Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het NNN liggen onder andere bestaande natuurgebieden en alle Natura 2000gebieden. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt en middels ruimtelijke nota’s en verordeningen

Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Oppenhuizerweg 17 Z Maria Louisestraat 20

30

voorzien van juridische doorwerking. In sommige provincies bestaan er naast het NNN ook nog andere groene zones die een zekere mate van bescherming genieten. 4.1.2

Gebiedsbescherming

In het kader van de voorgenomen herontwikkeling is door BügelHajema een natuurtoets uitgevoerd (bijlage 2). Ten aanzien van gebiedsbescherming wordt aangeven dat de in het kader van de Wnb beschermde gebieden op geruime afstand van het plangebied liggen. Het meest nabij gelegen beschermde gebied betreft het Natura 2000-gebied ‘Witte en Zwarte Brekken’ op een afstand van circa 2 kilometer ten zuiden van het plangebied. Het meest nabijgelegen NNN-gebied ligt op ruim 1,5 kilometer ten zuiden van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als ‘Natuur buiten het NNN’ is op circa 1 kilometer ten zuiden van het plangebied gelegen. Gronden die zijn aangewezen als ‘ weidevogelkansgebied’ liggen op een afstand van ruim 2 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. In de natuurtoets wordt geconcludeerd dat gezien de grote afstand, de inrichting van het tussenliggende gebied met bebouwing, wegen en de aard van de ontwikkeling, veel potentiële effecten op Natura 2000gebieden op voorhand zijn uit te sluiten. Over deze afstand kan echter in potentie wel sprake zijn van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Daarom dient een AERIUS-berekening te worden gemaakt waaruit blijkt of tijdens de aanleg- en gebruiksfase al dan niet sprake is van stikstofdepositie boven 0.00 mol N/ha/jaar in stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden.

Gezien de grote afstand tot het NNN, natuur buiten het NNN, weidevogelkansgebied en de aard van het plan, zijn geen negatieve effecten te verwachten op provinciale natuurgebieden. Het project is niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid. Stikstofdepositie Sinds 2015 was het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) van kracht. Het programma bevatte een integrale beoordeling van de bron- en gebiedsgerichte maatregelen voor de aanpak van de stikstofproblematiek. Deze maatregelen werden getroffen in en nabij de Natura 2000-gebieden die onderdeel zijn van het PAS. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) geldt het PAS voor geen enkel Natura 2000-gebied meer. Dit betekent ook dat de collectieve passende beoordeling via het PAS door de uitspraak is komen te vervallen. Met de AERIUS Calculator kunnen de effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op Natura 2000-gebieden worden bepaald. Door de uitspraak is in het kader van onderhavige ontwikkeling ook gekeken naar de mogelijk te verwachten effecten. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura-2000 gebied betreft ‘Witte en Zwarte Brekken’. Dit gebied ligt op een afstand van circa 2 kilometer. Er is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator.

Hieruit blijkt dat de gewenste ontwikkeling zowel in de gebruiks- als bouwfase niet leidt tot een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee zijn er voor wat betreft het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. De stikstofdepositieberekening met bijbehorende bijlagen is opgenomen in bijlage 3 bij deze ruimtelijke onderbouwing.

Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Oppenhuizerweg 17 7 Maria Louisestraat 20

31

4.1.3

Soortenbescherming

Quick scan Wet natuurbescherming Om de effecten van de voorgenomen wijziging op de aanwezige flora en fauna te bepalen is door BügelHajema een natuurtoets uitgevoerd. Deze natuurtoets zoomt in op de (mogelijke) schadelijke effecten door de activiteiten en op welke wijze in het kader van de wet gehandeld kan worden. Uit de natuurtoets blijkt dat: ^

Bij de sloop van de bebouwing ten minste één jaarrond beschermde nestplaats van gierzwaluw verloren gaat. Daarom is een ontheffing van de Wnb nodig voor het plan. Het is niet uitgesloten dat meer nestplaatsen van gierzwaluw en ook van huismus aanwezig zijn. Daarom is nader onderzoek nodig naar deze soorten.

^

Verder is niet uit te sluiten dat met de sloop één of meerdere verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd, ook als deze tijdelijk niet in gebruik zijn. Nader onderzoek is nodig om vast te stellen of vleermuizen verblijfplaatsen in het pand hebben. Op basis van het nader onderzoek kan bepaald worden of negatieve effecten op de verwachtte soorten optreden en of een ontheffing van de Wnb voor vleermuizen moet worden aangevraagd.

^

Het plangebied vormt hooguit een klein onderdeel van het foerageergebied van vleermuizen. In de omgeving van het plangebied is bovendien in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig voor de te verwachten soorten. Negatieve effecten op vleermuizen door verlies van foerageergebied treden dan ook niet op.

^

Voor de overige vogelsoorten, ook die in de directe omgeving kunnen broeden geldt dat, indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, in gebruik zijnde nesten van vogels kunnen worden verstoord of vernietigd. Dit is bij wet verboden. Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt.

4.1.4

Nader onderzoek

Gelet op het voorgaande heeft er nader onderzoek plaatsgevonden voor wat betreft huismus, gierzwaluw en vleermuis (bijlage 4). Huismus Uit de twee veldbezoeken voor huismus komt naar voren dat binnen het plangebied geen jaarrond beschermde huismusnesten aanwezig zijn. Het plangebied vormt hooguit een klein onderdeel van het foerageergebied van huismussen die in de omgeving van het plangebied broeden. Gezien de ruime beschikbaarheid van foerageergebied in de directe omgeving van het plangebied, zal het plangebied geen essentieel onderdeel vormen van het foerageergebied van huismus. Gierzwaluw Uit de drie veldbezoeken voor gierzwaluw komt naar voren dat één jaarrond beschermde nestplaats van gierzwaluw in de dakkapel aan de noordzijde van het gebouw aanwezig is. Gierzwaluwen hebben grote foerageergebieden, waardoor het plangebied hooguit een klein onderdeel vormt van het foerageergebied van gierzwaluw.

Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Oppenhuizerweg 17 Z Maria Louisestraat 20

32

Vleermuis Bij vleermuizen wordt onderscheid gemaakt in de volgende functies: kraamverblijf, zomerverblijf, paarverblijf, winterverblijf, foerageergebied en vliegroute. Op basis van de inventarisatie kan worden geconcludeerd dat geen verblijfplaatsen van vleermuizen in de te slopen bebouwing aan de Oppenhuizerweg 17 zitten. Tevens vormt het plangebied een zeer klein onderdeel van het foerageergebied van gewone dwergvleermuis. Conclusie Tijdens de onderzoeksrondes zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen of jaarrond beschermde nesten van huismus vastgesteld in de te slopen bebouwing. Bij de sloop van de bebouwing aan de Oppenhuizerweg 17 gaat wel één jaarrond beschermde nestplaats van gierzwaluw in de dakkapel aan de noordzijde van het gebouw verloren. Daarom is een ontheffing van de Wet natuurbescherming (Wnb) nodig voor het aantasten van een gierzwaluw nest voordat de werkzaamheden mogen starten. 4.1.5

Ontheffing Wet natuurbescherming

Bij het nader onderzoek is één jaarrond beschermde nestplaats van gierzwaluw aangetroffen. Deze nestplaats zal door de sloop verdwijnen. Een aanvraag ontheffing in het kader van soortenbescherming opgenomen in de Wet natuurbescherming is noodzakelijk. Aan een ontheffing zijn voorwaarden verbonden, zoals het realiseren van compensatie voor de nestlocatie die verloren gaat. De benodigde ontheffing soortenbescherming wordt aangevraagd bij de provincie Fryslân. De aangetroffen verblijfplaatsen worden tijdelijk en vervolgens permanent gemitigeerd. 4.1.6

Conclusie

Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat onderhavig initiatief uitvoerbaar is vanuit de Wet natuurbescherming.

Initiatiefnemer conformeert zich aan de voorgeschreven voorzorgs­

maatregelen in het kader van de algemene zorgplicht. Daarnaast zal ten aanzien van gierzwaluw een ontheffing Wet natuurbescherming worden aangevraagd bij de provincie Fryslân. Door te voorzien in vervangende tijdelijke en permanente verblijfplaatsen is in redelijkheid te verwachten dat een eventuele ontheffing zal worden verleend en is het beoogde plan haalbaar in het licht van de Wet natuurbescherming.

4.2

Cultuurhistorie en archeologie

4.2.1

Wettelijk kader

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht geworden. De Monumentenwet 1988 is met ingang van 1 juli 2016 dan ook vervallen. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 zijn deels overgegaan naar de Erfgoedwet en - zodra die wet in werking treedt in 2022- deels naar de Omgevingswet. De bepalingen en vergunningen uit de Monumentenwet 1988 die overgaan naar de Omgevingswet blijven van toepassing tot de datum dat de Omgevingswet in werking treedt. Deze artikelen gelden tot dat moment als overgangsrecht op grond van de Erfgoedwet en tenzij expliciet vermeld, veranderen deze niet van inhoud. Tot die tijd blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) het wettelijke kader voor de omgang met gebouwde en aangelegde rijksmonumenten en de Monumentenwet 1988 voor de omgang met de archeologische rijksmonumenten.

Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Oppenhuizerweg 17 Z Maria Louisestraat 20

33

Tot cultuurhistorie worden gebouwde monumenten inclusief beschermde stads- en dorpsgezichten, archeologie en cultuurlandschap gerekend. In deze paragraaf wordt een analyse gemaakt van de cultuurhistorische (verwachtings)waarden en het eventueel noodzakelijke beschermingsregime. Bij deze analyse wordt volgens de gemeentelijke erfgoednota uitgegaan van de Landschapsbiografie Súdwesthoeke, de Cultuur Historisch kaart van de provincie Fryslân (CHK), waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt. 4.2.2

Archeologie

Algemeen Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met de bekende en de te verwachten archeologische waarden. Op welke plaatsen archeologisch onderzoek aan de orde is, wordt op grond van het gemeentelijk beleid bepaald. De gemeente volgt hiertoe de provinciale Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). Op deze kaart worden voor de perioden Steentijd Bronstijd en IJzertijd - Middeleeuwen adviezen gegeven over eventueel te verrichten onderzoeken (zie volgende figuren). Legenda FAMKE Advies steentijd-bronstijd

z

streven naar behoud - beschermd ^1

streven naar behoud \ \\ Ļ'WÿM \ \\ wļfl

waarderend onderzoek (vuursteenvindplaats) ^1

waarderend onderzoek (dobbe)

\\

^ waarderend onderzoek (kopje)

\

^ karterend onderzoek 1 (steentijd) í ^ karterend onderzoek 2 (steentijd) karterend onderzoek 3 (steentijd) quickscan ^ onderzoek bij grote ingrepen geen onderzoek noodzakelijk water

^ es o

'o '

OŴ\\

\

^ ^ ' ‘VvC Ta

Z Uitsnede van de FAMKE steentijd

Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Oppenhuizerweg 17 I Maria Louisestraat 20

34

Uitsnede van de FAMKE ijzertijd-middeleeuwen

Analyse Op basis van de gemeentelijke

uitsnedes van de

FAMKE is sprake van

archeologische

verwachtingszones voor zowel de steentijd-bronstijd als de ijzertijd-middeleeuwen. Voor de periode steentijd - bronstijd geldt dat op enige diepte archeologische lagen uit de steentijd aanwezig kunnen zijn, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. De provincie beveelt hiervoor aan om bij ingrepen van meer dan 5.000 m2 een karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren. In het plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 500 m2 een karterend archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Met het beoogde initiatief wordt de onderzoeksgrens van 500 m2 overschreden, maar blijft men binnen de vrijstellingsgrens van 5.000 m2. Daarmee is een archeologisch bureauonderzoek in combinatie met een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek noodzakelijk.

Archeologisch onderzoek Voor het plangebied is in 2023 een archeologisch bureauonderzoek in combinatie met een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek uitgevoerd (bijlage 5). Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied zoals omschreven in de vergunningsaanvraag geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd. In geen van de boringen zijn indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. De kans dat binnen het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig is, wordt daarom klein geacht. De verwachting is dat binnen het plangebied geen archeologische resten in situ aanwezig zijn, waardoor ook geen archeologische resten worden bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied.

Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Oppenhuizerweg 17 7 Maria Louisestraat 20

35

4.2.3

Cultuurhistorie

Algemeen In 2019 heeft de gemeente Súdwest-Fryslân (samen met de gemeente De Fryske Marren, provincie Fryslân en de stichting Mar en Klif) in 2019 een Landschapsbiografie van de Friese Súdwesthoeke laten opstellen. Vrijwel heel Súdwest-Fryslân maakt deel uit van het Nationaal Landschap ZuidwestFriesland. Dit gebied wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid aan landschapstypen, waaronder het stuwwallenlandschap in Gaasterland, de IJsselmeerkust van Makkum tot Lemmer, de kleizone met de wel bekende terpen en het veengebied van de Friese Meren. Ieder landschapstype kent een eigen ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische elementen die van grote waarde zijn voor de beleving van het landschap in de Súdwesthoeke. De waardevolle cultuurhistorische elementen in het buitengebied en het Nationale Landschap zijn op regionaal niveau geïnventariseerd en in kaart gebracht

in

de

landschapsbiografie.

Deze

vormt een

aanvulling

op de

reeds

bestaande

Cultuurhistorische kaart van Fryslân en sluit aan bij de door de provincie Fryslân uitgegeven “Wordingsgeschiedenis van Fryslân”. Hiermee is de feítelijke basis gelegd voor het ruimtelijk beleid en het “beter vertellen” van de historie van de Súdwesthoeke. Voor wat betreft met name het gebouwde erfgoed: in het hoofdlijnenakkoord 2018-2022 is aangegeven dat er gekozen is om een inventarisatie van het cultureel erfgoed in de kernen en het buitengebied per deelgebied uit te laten voeren. Op basis van deze inventarisatie kunnen in het bestemmingsplan karakteristieke panden en andersoortige objecten worden aangewezen. Analyse Op basis van de CHK van Provincie Fryslân liggen ter plaatse van het plangebied geen cultuurhistorische waarden, behalve dat er sprake is van onregelmatige blokverkaveling. Verder is er in het plangebied geen sprake van een beschermd stads- en/of dorpsgezicht, monumenten en/of karakteristieke panden. Vanuit cultuurhistorie zijn er geen aandachtspunten voor het plangebied. Voor wat betreft de cultuurhistorische waarde van het omliggende woongebied Sperkhem geldt dat het hoofduitgangspunt voor de herontwikkeling ter plaatse van het plangebied is om de tijdgeest afleesbaar te houden van het tuindorpachtige woonblok. 4.2.4

Conclusie

Op het gebied van cultuurhistorie en archeologie zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van het kleinschalige woonzorgcomplex ter plaatse van het plangebied. Uit het uitgevoerde archeologisch onderzoek is gebleken dat er binnen het plangebied naar verwachting geen archeologische resten in situ aanwezig zijn. In alle gevallen blijft de archeologische meldingsplicht van toevalvondsten van kracht (artikel 5.10, lid 1 Erfgoedwet). Concreet houdt dit in dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten worden aangetroffen waarvan de vinder redelijkerwijs moet kunnen weten dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd.

4.3

Verkeer en parkeren

Zowel vanuit de ruimtelijke ordening als vanuit verkeer en vervoer is een goede ontsluiting van belang. Daarnaast dient voorzien te worden in voldoende parkeerplaatsen. Onderstaand worden eerst de mobiliteitseffecten in beeld gebracht. Daarna volgt een overzicht van het parkeren.

Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Oppenhuizerweg 17 7 Maria Louisestraat 20

36

4.3.1

Verkeer

Het plangebied kent in de feitelijke situatie meerdere ontsluitingen op de Oppenhuizerweg. De voormalige werkplaats wordt ontsloten via de Maria Louisestraat. In de beoogde nieuwe situatie is er voor autoverkeer enkel nog een ontsluiting op de Maria Louisestraat. Vervolgens kan de Oppenhuizerweg worden bereikt. Dit betreft één van de hoofdwegen welke Sneek verbindt met haar omgeving. De verkeersaantrekkende werking van de 31 nieuwe onzelfstandige wooneenheden, is te bepalen aan de hand van de kencijfers 'CROW 381 toekomstbestendig parkeren' uit 2018. Hierbij wordt rekening gehouden met de kencijfers behorende bij 'weinig stedelijk' en 'schil centrum'. Voor de nieuwe onzelfstandige wooneenheden wordt aansluiting gezocht bij de kencijfers van ‘serviceflat’. De CROWkencijfers voor het berekenen van de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte kennen een bandbreedte 'minimaal-maximaal'. De gemeente Súdwest-Fryslân hanteert voor de kern Sneek de maximale kencijfers. Op basis van de planopzet is de volgende inschatting van de verkeersgeneratie te maken.

Omschrijving

Max.

Aantal (st)

Tot max.

Serviceflat

2,8

31

86,8

Totaal verkeersbewegingen/etmaal

86,8

Tabel verkeersgeneratie per dag nieuwe situatie

Op basis van bovenstaande berekening resulteert het aantal verkeersbewegingen per dag in de beoogde nieuwe situatie in maximaal 87 verkeersbewegingen als gevolg van de herontwikkeling. Hierbij is nog geen rekening gehouden met de verkeersaantrekkende werking van de huidige bedrijvigheid die ter plaatse van het plangebied mogelijk is. Conform de kencijfers van de CROW genereert een ‘arbeidsintensief/bezoekersextensief bedrijf’ per 100 m2 bvo maximaal 9,4 verkeersbewegingen. Nu er in de huidige situatie meer dan 1.000 m2 aan bedrijfsbebouwing aanwezig is, neemt het aantal verkeersbewegingen in de directe omgeving van het plangebied als gevolg van onderhavig initiatief af. Daarnaast heeft het vervallen van de ontsluitingen op de Oppenhuizerweg een positief effect op de doorstroming en verkeersveiligheid ter plaatse. Gelet op het voorgaande heeft de beoogde ontwikkeling dan ook een positief effect op de verkeerssituatie in de omgeving van het plangebied. 4.3.2

Parkeren

Aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen (Parkeernormennota Súdwest-Fryslân 2018) kan eveneens inzicht worden verkregen in de parkeerbehoefte. In onderstaande tabel is het benodigde aantal parkeerplaatsen weergegeven.

Omschrijving

Norm

Aantal (st)

Totaal

Zorgcomplex (per wooneenheid)

0,5

31

15,5

Totaal aantal parkeerplaatsen

15,5

Tabel parkeren nieuwe situatie

Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Oppenhuizerweg 17 7 Maria Louisestraat 20

37

Gelet op het bovenstaande zijn in totaal minimaal 15 parkeerplaatsen benodigd. Met de beoogde ontwikkeling wordt de parkeerbehoefte volledig op eigen terrein opgelost door het realiseren van 15 parkeerplaatsen op het binnenterrein. Hiermee wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen conform de Parkeernormennota Súdwest-Fryslân 2018. In de Parkeernormennota Súdwest-Fryslân 2018 is voorts opgenomen dat voor alle woningtypen geldt dat, als de parkeernorm op eigen terrein opgevangen kan worden, er nog 0,3 parkeerplaats voor bezoek in het openbaar gebied toegevoegd moet worden. In het onderhavige geval wordt bij de toekomstige herinrichting van de Oppenhuizerweg voor bezoek voldoende parkeergelegenheid in de openbare ruimte aangelegd. 4.3.3

Conclusie

Voorgenomen initiatief zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

Wet milieubeheer Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van de luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. In de Wet milieubeheer zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: ^

de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde;

^

de luchtkwaliteit tengevolge van de plannen (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft;

^

de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 30Zo van de grenswaarde verstaan;

^

het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL).

AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 307o van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 pg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. De AMvB en Regeling “niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd:

Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Oppenhuizerweg 17 Z Maria Louisestraat 20

38

^

Woningbouw: s 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en s 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

^

Kantoorlocaties: s 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en s 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

^

Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 s 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 s 1,2 bij één ontsluitingsweg.

Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.4.2

Onderzoek I beoordeling

Effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Daarnaast is in paragraaf 4.3.1 reeds geconcludeerd dat het aantal verkeersbewegingen in de directe omgeving van het plangebied afneemt als gevolg van onderhavig initiatief. Luchtkwaliteit ter plaatse Vanuit de wet milieubeheer gelden grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. Stof NO2 PM10 PM2,5

Jaar2021 9 gg/m3 14 gg/m3 7 gg/m3

Grenswaarde 40 gg/m3 40 gg/m3 20 gg/m3

Advieswaarde 10 gg/m3 15 gg/m3 5 gg/m3

Waarden in het plangebied, grenswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit

Op de planlocatie wordt op de planlocatie ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5. De advieswaarden van de WHO liggen ver beneden de wettelijke grenswaarden. In de huidige situatie liggen de concentraties NO2 en PM10 reeds onder de advieswaarde van de WHO. Voor wat betreft PM2,5 ligt de huidige waarde enigszins verder af van de advieswaarde. Met inachtneming van de verwachting dat de concentraties in de toekomst verder zullen afnemen, zijn de huidige waarden acceptabel voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.

Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Oppenhuizerweg 17 I Maria Louisestraat 20

39

4.4.3

Conclusie

Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. Daarnaast is de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg voor een goed woonen leefklimaat op de planlocatie.

4.5

Bodemkwaliteit

4.5.1

Wettelijk kader

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6) schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van een dergelijk onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Met voorliggend initiatief wordt een gebruik ten behoeve van het wonen toegestaan. In het verleden heeft op de locatie reeds bodemonderzoek plaatsgevonden en is bodemsanering uitgevoerd. Hier wordt in onderstaande nader op ingegaan. 4.5.2

Onderzoek

Evaluatierapport bodemsanering In de periode 2000-2001 is er ter plaatse van het plangebied een amovering/sanering uitgevoerd in verband met een voormalig verkooppunt van motorbrandstoffen aan de Oppenhuizerweg 17 in Sneek. In 2000 zijn de tanks verwijderd en is de grondsanering, met inbegrip van bouwputbemaling uitgevoerd. De grondwatersanering heeft in de periode 2000-2001 plaatsgevonden. Naar aanleiding van de sanering is een evaluatierapport opgesteld. Dit evaluatierapport is als bijlage 6 bij deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen Bij de sanering is restverontreiniging in de grond achtergebleven die ten tijde van de sanering nie toegankelijk was. Destijds is de restverontreiniging bepaald op een oppervlakte van circa 75 m2 en een omvang van circa 100 m3. Omdat het destijds bestaande terreingebruik geen beperkingen ondervond, zijn geen aanvullende maatregelen genomen. In het evaluatierapport staat aangegeven indien in de toekomst het terreingebruik wordt gewijzigd, alsnog moet worden bepaald of aanvullende maatregelen nodig zijn aan de hand van de verontreinigingssituatie op dat moment met inachtneming van de herinrichtingsplannen. Bij een eventuele wijziging van de bestemming is het mogelijk dat de verontreinigde grond beschikbaar komt en kan worden verwijderd.

Tot slot wordt in het evaluatierapport de aanbeveling gedaan om middels periodieke bemonstering van de peilbuizen te controleren of verspreiding optreedt. Beoordeling grondwatermonitoring In 2010 heeft het college van GS van de provincie Fryslân ingestemd met het verzoek om de grondwatermonitoring ter plaatse van de Oppenhuizerweg 17 in Sneek te beëindigen (bijlage 7). Uit de monitoringsrapportage volgde dat de concentraties in de jaren voor 2010 een dalende lijn lieten zien. Tijdens de laatste monitoringsronde waren de concentraties aan minerale olie en vluchtige aromaten in geen van de bemonsterde peilbuizen verhoogd vastgesteld ten opzichte van de streefwaarde.

Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Oppenhuizerweg 17 Z Maria Louisestraat 20

40

4.5.3

Vervolg

Uit voorgaande informatie volgt dat een nadere sanering noodzakelijk is om de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming te brengen met het gewenste nieuwe gebruik. De resterende verontreinigingssituatie kan pas op juiste wijze in beeld worden gebracht op het moment dat de bestaande bebouwing ter plaatse van het plangebied is gesloopt. De voorbereidingen hiervoor zijn reeds gaande en worden, in opdracht van de eigenaar van de gronden, uitgevoerd door Stichting Bodembeheer Nederland. De aanpak en daadwerkelijke sanering vindt in samenspraak met de provincie Fryslân plaats. 4.5.4

Conclusie

De resterende verontreinigingssituatie wordt nader in beeld gebracht nadat de bestaande bebouwing ter plaatse van het plangebied is gesloopt. Met het opstellen van een saneringsplan en na het uitvoeren van de daadwerkelijke sanering, zullen er geen risico’s voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de voorgenomen activiteit op het onderhavige perceel.

4.6

Geluidhinder

4.6.1

Wettelijk kader

Wegverkeer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km /h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd. 4.6.2

Onderzoek

Het plan voorziet in de mogelijkheid tot het realiseren van een kleinschalig woonzorgcomplex bestaande uit 31 onzelfstandige wooneenheden. De Wet geluidhinder (Wgh) beschouwt een woning als een zogenaamd geluidsgevoelig object. Onderzocht dient te worden of toetsing aan de Wet geluidhinder dient plaats te vinden. Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzone van een industrieterrein. Normstelling Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren

Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Oppenhuizerweg 17 Z Maria Louisestraat 20

41

ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarde niet te boven gaan. Voor de locatie Oppenhuizerweg 17 Z Maria Louisestraat 20 geldt, als stedelijk gebied, een voorkeursgrenswaarde van 48dB en een uiterste grenswaarde van 63 dB. De geluidswaarde binnen de geluidsgevoelige bestemming (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB. Onderzoek Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de Oppenhuizerweg en met voorgenomen ontwikkeling worden planologisch gezien nieuwe geluidsgevoelige functies in het kader van de Wet geluidhinder mogelijk gemaakt. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is in dat kader dan ook noodzakelijk. Zoals in het voorgaande aangegeven geldt voor wegen die zijn ondergebracht in een 30 km/uur-gebied geen wettelijke geluidszone en is langs deze wegen akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai in nieuwe situaties op grond van de Wgh niet verplicht. Verder is van belang dat zodanige gevelmaatregelen worden genomen dat de maximaal aanvaarde binnenwaarde op grond van het Bouwbesluit ten hoogste 33 dB bedraagt. Om de exacte geluidsbelasting, na aftrek artikel 110g Wet geluidhinder, op de nieuwe gevels te berekenen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door BügelHajema (bijlage 8).

De resultaten van het onderzoek luiden als volgt: ^

Uit het onderzoek blijkt dat de appartementen niet voldoen aan de wettelijke eisen wat betreft het wegverkeerslawaai. De overschrijding van de ten hoogste toelaatbare waarde van 48 dB bedraagt maximaal 14 dB vanwege de Oppenhuizerweg. Om de realisatie van deze appartementen mogelijk te maken dient het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân een hogere waarde vast te stellen.

^

Maatregelen aan de weg of in het overdrachtsgebied zijn niet mogelijk of wenselijk.

^

Mogelijk zijn voor het verlenen van een hogere waarde wel aanvullende geluidsisolerende maatregelen aan de betreffende gevels van de geluidsgevoelige bebouwing nodig, teneinde te voldoen aan de maximale binnenwaarde van 33 dB. Dit onderzoek dient bij de indiening van het bouwplan mede aangeleverd te worden.

4.6.3

Conclusie

Om de woning te kunnen realiseren moet de gemeente Súdwest Fryslân hogere waarden tot 62 dB vanwege het wegverkeerslawaai vaststellen en vastleggen in het kadaster. Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling, nadat er een procedure hogere grenswaarde is doorlopen voor de nieuw te bouwen wooneenheden. Omdat de gecumuleerde geluidbelasting meer bedraagt dan 53 dB, zal in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning een aanvullend onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevel worden uitgevoerd. Hiermee zal worden aangetoond dat voldaan wordt aan de eisen uit het Bouwbesluit (maximaal 33 dB binnenwaarde).

Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Oppenhuizerweg 17 I Maria Louisestraat 20

42

4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1

Wettelijk kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: ^

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

^

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied’.

Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk Richtafstand tot omgevingstype en rustig buitengebied gemengd gebied 1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Richtafstanden en omgevingstype

Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Oppenhuizerweg 17 Z Maria Louisestraat 20

43

Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder. 4.7.2

Beoordeling

Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. Bij de toetsing is de planologische situatie maatgevend. De bedrijvigheid die zich volgens het planologische regime mag vestigen komt aan de orde. Er wordt derhalve uitgegaan van de maximale planologische invulling van de toegekende bestemming. Onderhavig plangebied is gelegen in een gebied dat zich laat karakteriseren als een gemengd gebied. In de directe omgeving bevinden zich weliswaar hoofdzakelijk functies ten behoeve van het wonen, maar het plangebied grenst aan één van de stadsentrees van Sneek, de Oppenhuizerweg. Gelet op deze ligging is er sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied'. In de directe omgeving van het plangebied liggen een beperkt aantal milieubelastende functies. Ten zuidoosten van het plangebied ligt op circa 400 meter een bedrijfsbestemming waarbinnen een bedrijf in milieucategorie 3.2 aanwezig is (Cloetta). Voor bedrijvigheid in milieucategorie 3.2 geldt in gemengd gebied een richtafstand van 50 meter. Gelet op de afstand van circa 400 meter kan ten opzichte van de betreffende aanwezige bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd.

Op een afstand van ruim 15 meter ten noordoosten van het plangebied biedt het bestemmingsplan ‘Sneek - Flexaterrein’ de mogelijkheid tot het realiseren van een supermarkt. Een supermarkt betreft conform de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' een bedrijf in milieucategorie 1. Gelet op de afstand van ruim 15 meter kan ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Geluidsbelasting van een supermarkt vormt wel een specifiek aandachtspunt. De volgende paragraaf (4.8) gaat hier nader op in. Overige bedrijven bevinden zich op een zodanige afstand dat er geen sprake is van relevante milieuhinder. De bedrijfsactiviteiten in de directe omgeving van het plangebied leveren geen belemmering op voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom geldt dat er reeds bestaande woningen op kortere dan wel vergelijkbare afstand van omliggende milieubelastende functies zijn gelegen. Daarmee leidt het initiatief niet tot een (verdere) beperking van de activiteiten behorende bij de betreffende milieubelastende functies. 4.7.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom leidt het realiseren van een (kleinschalig) woonzorgcomplex bestaande uit 31 onzelfstandige wooneenheden niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieubelastende functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening.

4.8

Akoestisch onderzoek milieuzonering

In het kader van het bestemmingsplan ‘Sneek - Flexaterrein’ is een akoestisch onderzoek uitgevoerd waarin onder andere de geluidbelasting van de beoogde Jumbo is getoetst aan de normstelling van het Activiteitenbesluit. Hierin zijn tevens de akoestische aspecten in het kader van een goede ruimtelijke

Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Oppenhuizerweg 17 Z Maria Louisestraat 20

44

ordening beoordeeld. Het betreffende akoestisch onderzoek is als bijlage 9 opgenomen bij deze ruimtelijke onderbouwing. 4.8.1

Toetsingskaders

Activiteitenbesluit In het Activiteitenbesluit zijn algemene regels opgenomen voor inrichtingen met een beperkte hinderuitstraling. Er gelden onder andere regels voor de opslag van goederen, het lozen van afvalwater en

energiebesparing.

Voor het

aspect geluid

gelden

de

onderstaande

normen

voor het

langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (Lar,lt) en het maximale geluidsniveau (LAmax). Er gelden verschillende normen voor de dag-, avond- en nachtperiode. norm (clB(A))

periode (uur] 07-19

19-23

23-07

j op de gevel van gevoelige gebouwen

50

45

40

L^. j in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

35

30

25

Lima* 0P de gevel van gevoelige gebouwen

70

65

60

LAina!:in in-en aanpandige gevoelige gebouwen

55

50

45

Geluidsnormen Activiteitenbesluit

Het besluit biedt de mogelijkheid om in specifieke gevallen maatwerkvoorschriften op te leggen. Akoestisch planologische aspecten Bij de toetsing aan de normen van het Activiteitenbesluit worden verschillende aspecten buiten beschouwing gelaten die in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel van belang zijn. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de volgende aspecten wel getoetst: ^

het rijden met winkelwagens;

^

het in- en uit elkaar schuiven van de winkelwagens;

^

het dichtslaan van autoportieren;

^

het rijden van personenauto's op het terrein;

^

het rijden van vrachtwagens op het terrein.

Voor deze aspecten geldt geen wettelijke norm. Daarom wordt er indicatief getoetst aan de normen uit het Activiteitenbesluit. 4.8.2

Toetsing en uitgangspunten

Activiteitenbesluit Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau is de geluidsbelasting op geluidsgevoelige objecten binnen de invloedsfeer van de beoogde supermarkt berekend. Deze zijn weergeven in paragraaf 6.1 van het onderzoek. Geconcludeerd is dat voor alle beoordelingspunten wordt voldaan aan de geluidsvoorschriften van het Activiteitenbesluit. Ook de maximale geluidsniveaus zijn berekend. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 6.2 van het onderzoek. Ook voor de maximale geluidsniveaus wordt voldaan aan de normen.

Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Oppenhuizerweg 17 7 Maria Louisestraat 20

45

Nu de beoordelingspunten onder meer de geluidsgevoelige objecten Oppenhuizerweg 19, Maria Louisestraat 7 en Maria Louisestraat 20 betreffen, is aannemelijk dat ook ter plaatse van het beoogde nieuwe woonzorgcomplex wordt voldaan aan de normen. Akoestisch planologische aspecten (goede ruimtelijke ordening) In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden ook geluidsbronnen beschouwd die in het kader van het Activiteitenbesluit niet worden getoetst (laden en lossen, winkelwagens en personenauto's). Hoofdstuk 5 van het onderzoek gaat hierop in. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het langtijdgemiddeld Z maximale beoordelingsniveau (piekgeluiden). Voor de toetsing in het kader van een goede ruimtelijke ordening gelden geen wettelijke grenswaarden. Er wordt getoetst aan de stappen uit de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering'. Daarbij worden de richtlijnen voor gemengd gebied gehanteerd (etmaalwaarde 50 dB(A) en maximaal geluidsniveau 70 dB(A)). Daarnaast wordt gekeken naar de wettelijk vereiste binnenwaarde die op basis van het Bouwbesluit moet worden gehaald. Bij de beoordelingspunten Oppenhuizerweg 19 en Maria Louisestraat 20 is er geen sprake van overschrijdingen van bovengenoemde richtlijnen. Voor de langtijdgemiddeld beoordelingsniveau geldt ter plaatse van de woning Maria Louisestraat 7 een kleine overschrijding ten opzichte van de streefwaarde.

Het gaat om ten hoogste 3 dB (A) en in de dag- en avondperiode. Voor een dergelijke overschrijding is vrijstelling mogelijk, mits gemotiveerd kan worden dat de gemeente deze geluidsbelasting acceptabel vindt. Omdat de Oppenhuizerweg tussen de parkeerplaatsen en de betreffende woningen ligt, is een overschrijding van 3 dB (A) ten gevolge van het rijden van de personenauto’s op de parkeerplaatsen niet significant te noemen. Een dergelijke overschrijding zal in deze stedelijke omgeving niet tot ontoelaatbare hinder leiden en wordt zodoende acceptabel geacht. Gelet op voorgaande resultaten en gelet op het feit dat het plangebied Oppenhuizerweg 17 / Maria Louisestraat 20 niet direct tegenover de beoogde parkeervoorzieningen van de supermarkt / appartementen is gelegen, is aannemelijk dat er ook ter plaatse van het plangebied geen sprake zal zijn van ontoelaatbare hinder. Indirecte hinder Ten aanzien van indirecte hinder wordt getoetst aan de circulaire 'Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer'. Met betrekking tot indirecte hinder geldt een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en een maximale grenswaarde van 65 dB(A).

Ten aanzien van de indirecte hinder van verkeersbewegingen van en naar het plangebied is op een aantal objecten (zie hiervoor paragraaf 7.3 van het onderzoek) een geluidsbelasting van meer dan 50 dB(A) berekend (ten hoogste 53 dB(A)), waaronder ter plaatse van Oppenhuizerweg 19. In deze situatie zijn bron- en overdrachtsmaatregelen niet doelmatig zijn. Daarom kan een hogere geluidsbelasting acceptabel worden geacht indien een binnenniveau van 35 dB(A) (etmaalwaarde) wordt gewaarborgd. De geluidwering van de gevels van de maatgevende woningen dient dan tenminste 53 - 35 s 18 dB te bedragen. Het ligt in de verwachting dat de geluidwering van de woningen toereikend zal zijn.

Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Oppenhuizerweg 17 I Maria Louisestraat 20

46

Door de bijdrage van het verkeer van en naar de ontwikkellocatie ‘Flexaterrein’ zal de geluidsbelasting met circa 0,3 dB (A) toe gaan nemen en is er geen sprake van akoestische herkenbaarheid. 4.8.3

Conclusie

Uit het onderzoek blijkt dat aannemelijk is dat ter plaatse van het plangebied Oppenhuizerweg 17 Z Maria Louisestraat 20 eveneens wordt voldaan aan de normen uit het Activiteitenbesluit. Voor de nieuwe woonzorgeenheden worden de streefwaarden voor 'een goede ruimtelijke ordening' mogelijk licht overschreden. Deze eventuele overschrijdingen zijn aanvaardbaar, mits de woonzorgeenheden voldoende worden geïsoleerd. Vanuit indirecte hinder van extra verkeersbewegingen is geen significante toename van geluid aan de orde.

4.9

Geurhinder

Rond het bedrijf Cloetta aan de Oppenhuizerweg is een geurcontour van toepassing. Het plangebied ligt voor een klein deel in het gebied met een geurwaarde van 3 geureenheden/m3. Dit betekent dat er wel sprake is van

enige

mate van

geurhinder,

maar dat de

beleidsmatige grenswaarde

(10 geureenheden/m3) zeker niet wordt overschreden. Nader onderzoek naar dit aspect is niet aan de orde.

Geurhindercontouren rondom het bedrijf Cloetta

Ruimtelijke onderbouwing Sneek - Oppenhuizerweg 17 7 Maria Louisestraat 20

47

4.10

Externe veiligheid

4.10.1 Wettelijk kader

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: ^

risicovolle (Bevi-)inrichtingen;

^

vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;

^

vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (H.500 m2). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.

In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14471723/1