Bijlage 1 - Businesscase versie 22-11-2021
Tekst van het document
Die verschillen zijn in de regel terug te leiden tot de aard van de bedrijfsvoering (type opdrachten) en het gehanteerde sociaal beleid. Daarnaast kwam het in het verleden ook wel voor dat de instroom van reguliere krachten, weliswaar in een andere CAO, tot een opwaartse druk van het loongebouw van de Wsw-functies leidde. Voor Wsw-bedrijven is het subsidieresultaat een gegeven. Een Wsw-bedrijf met een hoog negatief subsidieresultaat, kan de lonen niet neerwaarts aanpassen. Het bedrijfsresultaat is het saldo van de Netto toegevoegde waarde (NTW) en de bedrijfskosten bestaande uit de kosten van ongesubsidieerd personeel en de overige bedrijfskosten. De NTW is het saldo van de omzet en de inkoopwaarde van de omzet. De bedrijfsvoering van Wsw-bedrijven, was en is erop gericht om door het uitvoeren van opdrachten een bedrijfsresultaat te boeken waarmee het negatieve subsidieresultaat wordt ‘goed’ gemaakt. Jarenlang waren de meeste Wsw-bedrijven daar goed toe in staat. Veel bedrijven hadden een positief resultaat. De laatste jaren staan de resultaten onder druk omdat het Rijk de subsidie heeft verlaagd en er sinds 1 januari 2015 geen nieuwe medewerkers meer instromen. Daarmee staan alle Wsw-bedrijven onder financiële druk. Voor bedrijven met een hoog negatief subsidieresultaat. is het niet mogelijk om met een positief bedrijfsresultaat het negatieve subsidieresultaat te compenseren.
Dit wordt versterkt wanneer de infrastructuur van het Wsw-bedrijf door gemeenten niet wordt benut voor taken voor de Participatiewet. Voor de meeste gemeenten in Nederland betekent dit dat zij de Wsw niet kunnen uitvoeren binnen de door het Rijk beschikbaar gestelde subsidies en dat de veel Wsw-bedrijven aanvullende gemeentelijke bijdragen nodig hebben 7.2
Benchmarkvergelijking
In de gepresenteerde cijfers voor Fryslân-West zijn de kosten bij Pastiel en Wurkjouwer niet meegenomen. Ook in de benchmark is dit het geval. 7.2.1
Subsidieresultaat per Wsw-arbeidsjaar
De tabel in deze paragraaf toont het subsidieresultaat Wsw per Wsw-plek (arbeidsjaar). De arbeidsplaatsgebonden subsidie (Rijksbijdrage Wsw) per arbeidsjaar is in de GR Fryslân-West per arbeidsjaar lager dan landelijk gemiddeld. De gemiddelde arbeidskosten per Wsw-plek zijn ongeveer 3.000 euro lager dan landelijk gemiddeld. Dit betekent dat het subsidieresultaat Wsw circa 2.500 euro gunstiger is dan landelijk gemiddeld. Dit heeft twee oorzaken: het relatief grote aantal begeleid werkende Wsw-
Businesscase 22 november 2021
22
medewerkers in Fryslân-West (hiervan zijn de kosten aanmerkelijk lager dan voor medewerkers in dienst van de GR) en een juiste toepassing van de cao voor de Wsw-medewerkers in dienst bij de GR.
Per arbeidsjaar Wsw
Arbeidsplaatsgebonden subsidies Rijk Arbeidskosten Wsw Subsidieresultaat Wsw 7.2.2
Cedris 2018 25.800 30.100 -4.300
2019
2020
26.200 30.900 -4.700
27.000 31.500 -4.500
GR Fryslan/Empatec 2018 2019 2020 25.629 27.267 -1.638
25.889 27.926 -2.037
26.579 28.540 -1.960
Bedrijfsresultaat
In de tabel van deze paragraaf is de benchmark van het bedrijfsresultaat opgenomen. Voor het jaar 2020 is de extra coronasteun voor sociaal werkbedrijven meegenomen in het bedrijfsresultaat omdat deze steun een compensatie is voor (mogelijk) weggevallen van netto toegevoegde waarde8. De netto toegevoegde waarde per Wsw-plek is hoger dan landelijk gemiddeld. In 2018 ongeveer 1.000 euro en in 2019 ongeveer 2.500 euro. In 2020 is het voordelige verschil ongeveer 2.100 euro per Wswplek. Aan de kostenkant zijn de kosten voor ongesubsidieerd personeel (vanaf 2019) en de overige bedrijfskosten per Wsw-plek hoger dan landelijk gemiddeld. De toename van de kosten voor het ongesubsidieerd personeel van 2018 op 2019 wordt veroorzaakt doordat de uitzendkrachten met ingang van 2019 opgenomen zijn in de kosten ongesubsidieerd personeel. Tot en met 2018 waren de kosten voor uitzendkrachten opgenomen in het uitbesteed werk. Met ingang van 2020 zijn de kosten van inhuur gehalveerd. De overige bedrijfskosten waren in 2018 en 2019 in Fryslân-West ongeveer twee keer zo hoog als landelijk gemiddeld. Het verschil is in 2018 ongeveer 4.000 euro per Wsw-plek en in 2019 ongeveer 4.250 euro per Wsw-plek. In 2018 en 2019 heeft dit te maken met de transitiekosten in die jaren. In 2020 zien we een behoorlijke afname van de overige bedrijfskosten.
Ondanks de hogere netto toegevoegde waarde leiden de hogere bedrijfskosten tot een bedrijfsresultaat dat lager is dan het landelijk gemiddelde. Circa € 1.000 lager in 2018 (€ 1.400 minus € 419) en circa € 1.900 in 2019 (€ 1.450 minus -€ 410). In 2020 is het verschil circa € 2.060 per Wsw-plek (€ 2.300 minus € 241).
Per arbeidsjaar Wsw
Cedris 2018
2019
2020
GR Fryslan/Empatec 2018 2019 2020
Netto toegevoegde waarde Overige bedrijfsopbrengsten Coronasteun 2020
11.100 500
11.100 750
10.700 500 2.100
12.149 1.451
13.628 1.396
12.832 390 2.100
Kosten ongesubsidieerd personeel Overige bedrijfskosten
6.600 3.600
6.700 3.700
7.200 3.800
5.595 7.586
7.475 7.960
8.055 7.025
Bedrijfsresultaat
1.400
1.450
2.300
419
-410
241
7.2.3
Totaal resultaat
De tabel in deze paragraaf bevat het totaal resultaat. De tabel laat zien dat het relatief gunstige subsidieresultaat het gemiddeld lagere bedrijfsresultaat compenseert. Hierdoor is het totaalresultaat per Wsw-
8
De netto toegevoegde waarde bestaat uit de omzet minus het uitbesteed werk en de inkoop van materialen ten behoeve van de productie.
Businesscase 22 november 2021
23
plek positiever dan landelijk gemiddeld. Dit leidt ook tot een lagere gemeentelijke bijdrage dan landelijk gemiddeld.
Per arbeidsjaar Wsw
Cedris 2018
2019
2020
GR Fryslan/Empatec 2018 2019 2020
Subsidieresultaat Wsw Bedrijfsresultaat Totaal resultaat
-4.300 1.400 -2.900
-4.700 1.450 -3.250
-4.500 2.300 -2.200
-1.638 419 -1.219
-2.037 -410 -2.447
-1.960 241 -1.720
Gemeentelijke bijdrage
2.094
2.815
2.262
528
1.546
2.113
Conclusies Subsidietekort beter dan landelijk gemiddelde Netto toegevoegde waarde per Wsw-plek hoger dan landelijk gemiddelde Echter, kosten hoger dan landelijk gemiddeld Waardoor bedrijfsresultaat ongunstiger dan landelijk gemiddelde Gemeentelijk bijdrage lager dan landelijk gemiddelde door lagere subsidietekort
7.3
Ontwikkeling uitkeringen gemeenten
In bijlage 2 van deze businesscase is een overzicht opgenomen van de ontwikkelingen van de uitkeringen in de vier gemeenten. Hieronder volgt puntsgewijs een korte samenvatting van deze bijlage. -
-
-
9
Na 2015 is de ontwikkeling van de bijstandspopulatie het meest gunstig geweest in De Fryske Marren. Waadhoeke kent een ongunstiger ontwikkeling. Súdwest-Fryslân en Harlingen zitten daar tussenin, waarbij Súdwest-Fryslân een iets gunstigere ontwikkeling kent dan de provinciale ontwikkeling. De gemeente Harlingen heeft een relatief hoge bijstandsdichtheid9. Uit cijfers over de jaren 2015 – 2017 (recentere cijfers heeft het CBS niet) blijkt dat Harlingen een relatief lage instroom in de bijstand combineert met een relatief lage uitstroom. In Harlingen is daardoor sprake van een bestand met relatief weinig dynamiek. De Fryske Marren heeft een relatief lage bijstandsdichtheid. In 2015 en 2016 was het instroompercentage relatief hoog. Het uitstroompercentage was in 2015 – 2017 ongeveer gelijk aan het nationale en provinciale percentage. De uitstroom naar werk is in De Fryske Marren relatief hoog. Súdwest-Fryslân zit in veel gevallen dicht bij de landelijke en provinciale ontwikkelingen en percentages. In 2015 en 2017 was alleen sprake van een relatief lage uitstroom uit de bijstand. De uitstroom naar werk is vergelijkbaar met het provinciale percentage. De Fryske Marren heeft minder bijstandsuitkeringen dan wordt voorspeld door het objectieve verdeelmodel Participatiewet. De gemeenten Harlingen, Waadhoeke en Súdwest-Fryslân hebben juist meer uitkeringen dan voorspeld door het model.
De laatste jaren is het ongunstige verschil echter wel kleiner geworden, vooral in Súdwest-Fryslân en Waadhoeke. In De Fryske Marren is het ongunstige verschil omgeslagen in een gunstig verschil.
Met relatief wordt bedoeld ten opzichte van de andere gemeenten en/of de provincie Friesland.
Businesscase 22 november 2021
24
-
Het objectieve verdeelmodel laat ook zien dat Harlingen een hogere voorspelde bijstandsdichtheid heeft dan de gemeenten Waadhoeke, De Fryske Marren en Súdwest-Fryslân. De Fryske Marren heeft de laagste voorspelde bijstandsdichtheid. Harlingen kent dan ook relatief hoge aandelen van huishoudenstypen die op zichzelf een hogere kans op bijstand hebben en een hoog aandeel van de bevolking die woont in buurten waar veel uitkeringsgerechtigden wonen. Voor De Fryske Marren geldt het omgekeerde: deze gemeente heeft juist relatief weinig huishoudenstypen die een relatief hoge kans op bijstand hebben. De gemeenten Súdwest-Fryslân en Waadhoeke nemen een tussenpositie in.
Businesscase 22 november 2021
25
8
Financiële uitwerking
8.1
Uitkomst Businesscase In dit hoofdstuk worden de resultaten voor de GR en de NV gepresenteerd. Omdat het subsidieresultaat en het bedrijfsresultaat beide verbeteren, kan de gemeentelijke bijdrage in de jaren 2022 tot en met 2026 tot nagenoeg nihil dalen. De verbetering van het subsidieresultaat vloeit voort uit de meerjarencijfers van de toekenning van subsidie door het Rijk. De verbetering van het bedrijfsresultaat is gebaseerd op de ambitie van de directie van Empatec. Daarbij heeft de directie aangegeven dat zij, onder voorwaarden, een inspanningsverplichting op zich neemt om voor de jaren 2022 tot en met 2026 op een nuloptie uit te komen voor het resultaat van de NV. Dit hoofdstuk laat in paragraaf 8.3 zien wat de uitkomst van de businesscase is zonder deze ambitie. De paragrafen 8.4 en 8.5 laten zien wat het effect van de inspanningsverplichting van de directie Empatec is. .
8.2
Inleiding en toelichting op gebruikte begrippen
De financiële uitwerking van de businesscase is openomen in bijlage 3. In dit hoofdstuk zijn de hoofdlijnen en conclusies opgenomen. Achtereenvolgens komen aan de orde: 1) Een aantal in dit hoofdstuk en bijlage 3 gebruikte begrippen. 2) De uitkomst van de businesscase voor de NV en de GR. 3) De ambitie van de directie van de NV ten aanzien van het resultaat van de NV. 4) De benodigde gemeentelijke bijdrage. 5) Het effect van het evenredig deel Perspectiefrijk op de businesscase. 6) Vier aanvullende opties en het effect van deze opties op de businesscase. 7) Belangrijkste conclusies en adviezen. De financiële uitwerking is gebaseerd op een basisscenario waarin het Werkleerbedrijf de Wsw, Nieuw Beschut werken en reintegratie voor de categorie Perspectiefrijk uitvoert. Ook is het pluspakket voor de categorieën Van Waarde en Kansrijk meegenomen. Er is uitgegaan van inzichten uit de jaren 2019 – 2021.
De vier onderdelen van de businesscase Onderdeel
Opbrengsten
Kosten
Subsidieresultaat Wsw
Rijksbijdrage Wsw
Arbeidskosten Wsw
Subsidieresultaat NBW en LKS
Loonkosten- en begeleidingssubsidies
Arbeidskosten medewerkers doelgroepen (-)
Bedrijfsresultaat Werkleerbedrijf
Netto toegevoegde waarde
Personeelskosten ongesubsidieerd personeel Overige bedrijfskosten
Resultaat op reintegratie
Vergoedingen voor uitvoeren re-integratie
Personeelskosten OG Overige bedrijfskosten
In de businesscase wordt voor het inzichtelijk maken van het financieel meerjarenbeeld van het Werkleerbedrijf een model met vier onderdelen gebruikt.
Deze vier onderdelen zijn: - Subsidieresultaat Wsw; - Subsidieresultaat Nieuw Beschut werk en LKS-medewerkers; - Bedrijfsresultaat Werkleerbedrijf; - Resultaat re-integratie. De resultaten per onderdeel zelf niet in dit hoofdstuk opgenomen, maar in bijlage 3. 8.3
Uitkomst businesscase zonder nuloptie
In onderstaande tabel A worden de resultaten van de GR en de NV in de businesscase gepresenteerd. Daarbij zijn de bestaande afspraken over de toedeling van kosten tussen GR en NV gehanteerd. Gegeven het nu bekende meerjarenbeeld van de Rijksbijdrage Wsw, gaat het tekort in de GR stapsgewijs omlaag van bijna 2,2 miljoen euro naar 27.000 euro in 2026. Deze verbetering wordt grotendeels
Businesscase 22 november 2021
26
veroorzaakt door de verbetering van het subsidieresultaat Wsw. In de tabel is de gemeentelijke bijdrage niet opgenomen. Het resultaat van de NV verbetert in de jaren 2022 – 2025 tot bijna 145.000 euro nadelig in 2025. In 2026 neemt het nadelige saldo toe tot bijna 460.000 euro. Daarbij is dus nog geen rekening gehouden met de ambitie van de directie Empatec om in de jaren 2022 tot en met 2026 op ‘nul’ uit te komen. Het totaal resultaat verbetert van bijna 2,5 miljoen euro negatief naar bijna 500.000 euro negatief. Resultaat (in euro 1.000) GR
2022 -2.167
2023 -1.761
2024 -1.325
2025 -670
2026 -27
NV Werkleerbedrijf
-332
-284
-234
-144
-459
Totaal GR en NV
-2.499
-2.045
-1.559
-814
-486
Tabel A (zonder rekening te houden met nuloptie) 8.4
Ambitie nuloptie directie Empatec
In paragraaf 7.2 (benchmarkvergelijking) en bijlage 3 wordt toegelicht dat het bedrijfsresultaat voor de GR en NV samen de afgelopen jaren lager was dan het landelijk gemiddelde. Het beeld wijkt ook af van andere soortgelijke bedrijven. Door in te zetten op de verbetering van het bedrijfsresultaat kan het Werkleerbedrijf het totaal resultaat verbeteren. Die lijn volgt de directie van Empatec. Daarbij werkt de directie aan een dubbele opgave. Naast het verbeteren van het resultaat, worden ook de gevolgen van de krimp van de Wsw opgevangen. Het effect van de ingezette lijn wordt al zichtbaar in het resultaat van 2021. Een voorlopige prognose voor 2021 wijst namelijk uit dat het resultaat van de NV, zonder rekening te houden met Coronasteun, beperkt negatief zal zijn. De directie meldt dat die lijn van verbeteringen ook zichtbaar zal zijn in de begroting 2022 van de NV10. De directie van Empatec heeft tijdens het opstellen van de businesscase aangegeven dat voor de NV (inclusief re-integratie) een zogenoemde nuloptie realistisch is voor de periode 2022 - 2026. De directie gaat daarvoor een inspanningsverplichting aan.
Dat betekent dat de bedrijfskosten (kosten ongesubsidieerd personeel en overige bedrijfskosten) van de NV volledig worden gedekt uit de opbrengsten uit de inzet van de gesubsidieerde medewerkers en uit de vergoedingen van de gemeenten voor de reintegratie activiteiten. Voor de NV is géén gemeentelijke bijdrage nodig. Gezien de cijfers voor de NV in tabel A is hier nog een inspanning voor nodig. Daarbij hanteert de directie de volgende voorwaarden: -
-
Het jaarlijkse tekort in de GR komt voor rekening van de aan de GR deelnemende gemeenten. Daarbij wordt uitgegaan van de kostenverdeling tussen GR en NV zoals die nu wordt gehanteerd. De afgesproken volumes aan re-integratie worden gerealiseerd. De dubbele opgave van het Werkleerbedrijf (verbeteren bedrijfsresultaat en opvangen krimp Wsw), kan het Werkleerbedrijf alleen uitvoeren als het werkvolume van de Participatiewet de komende jaren toeneemt. Daarmee wordt niet de totale afname van de Wsw gecompenseerd, maar is wel sprake van een voldoende omvangrijk werkpakket voor het totale Werkleerbedrijf. De opdrachten worden toegekend op basis van een dienstverleningsovereenkomst zonder aanbesteding. Gemeenten continueren de overige opdrachten die op dit moment aan Empatec worden verstrekt (groen, brugwachters, enzovoort). Er is gedurende vier jaar (2022 tot en met 2025) een budget van € 500.000 per jaar beschikbaar voor transitiekosten.
In het implementatieplan wordt uitgewerkt op welke wijze de nuloptie voor de NV wordt gerealiseerd. In de volgende paragraaf wordt zichtbaar wat de nuloptie voor de NV betekent voor de gemeentelijke bijdragen.
10
Op het moment van verschijnen van deze businesscase is deze echter nog niet beschikbaar.
.
Businesscase 22 november 2021
27
Investeren in duurzaamheid
De directie van Empatec acht het aannemelijk het Werkleerbedrijf de komende jaren wil en moet investeren in duurzaamheid. Het hieruit voortvloeiende investeringsvraagstuk zal bij het opstellen van het implementatieplan worden meegenomen. 8.5
Gemeentelijke bijdrage met nuloptie NV
Door de inzet op de nuloptie, heeft de NV in de jaren 2022 – 2026 geen aanvullende bijdrage van de gemeente nodig omdat opbrengsten en kosten van de NV minimaal in evenwicht zijn. Er wordt geen winst nagestreefd. Mocht in enig jaar wel winst worden gemaakt, dan wordt conform de daarvoor geldende regels dividend uitgekeerd aan de aandeelhouder (dus de GR). De gemeentelijke bijdrage is alleen nodig voor de aanzuivering van het tekort in de GR. In tabel B is de ontwikkeling van de gemeentelijke bijdrage opgenomen. Deze loopt terug van bijna 2,2 miljoen euro in 2022 naar 27.000 euro in 2026. Per arbeidsjaar Wsw (ook wel SE genoemd) betekent dit een bijdrage van bijna 2.560 euro in 2022 en van circa 40 euro in 2026.
Tabel B (met daarin de nuloptie verwerkt) 8.5.1
Overige mogelijkheden om het resultaat van de GR te verbeteren
Het subsidieresultaat voor Nieuw Beschut werk (NBW) en LKS-medewerkers is negatief. Het tekort loopt langzaam op. Dit kan worden beperkt wanneer gemeenten voor Nieuw Beschut medewerkers standaard 70% van het wettelijk minimumloon als loonkostensubsidie aan de GR betalen. De gemiddelde loonkostensubsidie is nu 58% van het wettelijk minimumloon. In veel Participatiebedrijven wordt standaard 70% aangehouden. Dit maakt ook dat de kosten worden gedragen door de gemeente die de plek realiseert. Het vermindert het nadelige subsidietekort NBW/LKS met 165.000 euro (in 2022) en 240.000 euro (in 2026). De gemeenten gaan hierdoor wel meer loonkostensubsidie betalen aan de GR. In de periode van het implementatieplan wordt bezien of deze werkwijze ook in Fryslân-West kan worden gehanteerd. Indien dit het geval is, heeft dit effect in de jaren 2023 en later. 8.6 8.6.1
Evenredig deel Perspectiefrijk Ambtelijk advies evenredig deel en boven-evenredig deel
In de aanloop naar de businesscase hebben de vier gemeenten hun inzet op Perspectiefrijk afgestemd en is het evenredig deel besproken. Dit heeft geleid tot het in deze paragraaf opgenomen ambtelijk advies. In deze paragraaf wordt toegelicht hoe het advies tot stand is gekomen. In het keuzedocument11 is aangegeven dat de gemeenten individueel bepalen welk budget beschikbaar is voor het behalen van de gewenste plaatsingsdoelen voor de categorie Perspectiefrijk. Daarbij is ook afgesproken dat in het verband van de GR Fryslân-West een evenredige bijdrage van gemeenten wordt afgesproken, zodat de continuïteit van de basisactiviteiten van het Werkleerbedrijf is gewaarborgd. In de aanloop van de businesscase is ambtelijk afgestemd wat het evenredig deel zou moeten zijn. Dit ambtelijk advies is in de businesscase als basis aangehouden. Het advies luidt: 11
Keuzedocument, bladzijde 13.
Businesscase 22 november 2021
28
1. Stel het evenredig deel vast op het gemiddeld uitgavenniveau per bijstandsuitkering 2019-2021 van de gemeenten bij Pastiel/Wurkjouwer en neem dit uitgavenniveau vanaf 2022 als basis. 2. De gemeenten die daaronder zitten, groeien in de jaren 2022 tot 2025 naar het evenredig deel toe. Als de gemeente in de eigen begroting een lager bedrag heeft opgenomen, zal in die gemeente het besluit worden voorgelegd om conform de in het advies opgenomen lijn het bedrag te verhogen. Boven-evenredig deel Het is ook mogelijk dat een gemeenten in het basispakket een hoger bedrag dan het evenredig deel voor de categorie Perspectiefrijk ter beschikking stelt. In dat geval wordt gesproken van een bovenevenredig deel. 8.6.2
Effect evenredig deel op basisscenario
Het ingroeimodel heeft een nadelig effect op de businesscase. Omdat gemeente De Fryske Marren een boven-evenredig deel voor re-integratie Perspectiefrijk inbrengt en De Fryske Marren en Súdwest-Fryslân een pluspakket12 inbrengen, doet dit nadelige effect zich in de praktijk niet voor. De businesscase is gebaseerd op het door gemeenten voorgestelde budget voor de re-integratie van de categorie Perspectiefrijk, dus evenredig én boven-evenredig deel samen, en het budget voor het Pluspakket. Voor de check of er met het evenredig deel Perspectief een duurzame levensvatbare organisatie ontstaat, laat bijlage 3 zien wat het effect van het evenredig deel is zonder ingroei-scenario. Dat leidt tot de conclusie dat het Werkleerbedrijf een solide basis heeft en de doelgroep en de gemeenten continuïteit kan bieden. 8.7 8.7.1
Aanvullende opties Overzicht aanvullende opties
Er zijn vier aanvullende opties opgesteld. Deze opties maken geen onderdeel uit van het basisscenario en de huidige businesscase. Voor deze opties is doorgerekend welk effect deze kunnen hebben op de businesscase van het Werkleerbedrijf. 1. Extra Nieuw Beschut werkplekken. 2. Extra instroom kandidaten Participatiewet in tijdelijk dienstverband voor detachering. 3. Extra instroom kandidaten Participatiewet in tijdelijk dienstverband, werkzaam in vakbedrijven. 4. Een verhoging van de re-integratieactiviteiten voor de categorie Perspectiefrijk. 1. Extra Nieuw Beschut werkplekken In deze optie wordt zichtbaar wat het effect is als het volume Nieuw Beschut wordt verhoogd, bijvoorbeeld op basis van wijzigingen in landelijk beleid als gevolg van het initiatiefvoorstel ‘Aan de slag in het Sociaal Ontwikkelbedrijf’. Uitgegaan is van een verdubbeling van het aantal plekken Nieuw Beschut werk t.o.v. de taakstelling die door de Rijksoverheid wordt opgelegd. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de extra inzet van 10 plekken van De Fryske Marren in dat geval komt te vervallen. 2.
Extra instroom kandidaten PW in tijdelijk dienstverband voor detachering De optie laat zien wat het effect is als gemeenten meer andere kwetsbare kandidaten uit de doelgroep P-wet een tijdelijk dienstverband bieden bij het Werkleerbedrijf en via een detacheringsfaciliteit detacheren bij reguliere werkgevers (route 2 beschreven bij de dienstverlening Perspectiefrijk). We hebben in het scenario 10 van deze dienstverbanden opgenomen in 2022 en dat loopt met 10 per jaar op tot 50 in 2026. 3. Extra instroom kandidaten PW in tijdelijk dienstverband, werkzaam in de vakbedrijven De derde optie toont wat het effect is als gemeenten meer andere kwetsbare kandidaten uit de doelgroep Pwet een tijdelijk dienstverband bieden bij het Werkleerbedrijf en tijdelijk laten werken bij de vakbedrijven met als doel om zo snel mogelijk door te stromen naar een betaalde baan bij een werkgever (route 3 beschreven bij de dienstverlening Perspectiefrijk). In deze optie zijn 5 van zulke dienstverbanden opgenomen in 2022 en dat loopt met 5 per jaar op tot 25 in 2026. 12
Dit heeft met name betrekking op de Wurkjouwer. Bij de Wurkjouwer worden trajecten ingezet voor de categorie Van Waarde.
Businesscase 22 november 2021
29
4. Een verhoging van de re-integratieactiviteiten voor de categorie Perspectiefrijk De vierde en laatste optie toont wat het effect is op de businesscase van het Werkleerbedrijf als een verhoging voor de categorie Perspectiefrijk van 750.000 euro wordt ingezet. Deze inzet kan resultaten bieden voor inwoners en gemeenten (bijstandsbudget). 8.7.2
Uitgangspunten en effecten aanvullende opties
In bijlage 3 zijn de uitgangspunten van de aanvullende scenario’s en de effecten op de vier onderdelen van de businesscase uitgewerkt. In onderstaande tabel C zijn de effecten samengevat. Tabel C Indicatie van de effecten van de verschillende opties t.o.v. het basisscenario Subsidieresultaat Wsw
Subsidieresultaat NBW en LKS
Bedrijfsresultaat Werkleerbedrijf
Optie 1: meer nieuw beschut werk
-
+
0/+
+
Optie 2: LKS detafaciliteit
-
++
+
+
Optie 3: LKS werken in vakbedrijf
-
+
Optie 4: verhoogd niveau re-integratie Perspectiefrijk
++
Resultaat reintegratie
Totaal Maatschapfinanpelijke cieel opbrengst resultaat
+ ++
+
Een plus (+) betekent een verbetering van het resultaat ten opzichte van het basisscenario, een min (-) betekent een verslechtering van het resultaat ten opzichte van het basisscenario.
De tabel laat het volgende zien: o De vier aanvullende opties hebben geen effect op het subsidieresultaat Wsw en het financieel resultaat op re-integratie Perspectiefrijk. o De opties 1, 2 en 3 hebben een ongunstig effect op het subsidieresultaat Nieuw Beschut Werk en LKS. Alle scenario’s hebben een positief effect op het bedrijfsresultaat. o Het effect op het totaal resultaat is het meest gunstig voor de opties 2 en 4. Het effect van optie 3 op het totaal financieel resultaat is zeer beperkt. Dit geldt ook voor optie 1. o De maatschappelijke opbrengst is in alle gevallen positief. De mate waarin is afhankelijk van het aantal kandidaten dat aan het werk komt en blijft. Het effect op het totaal resultaat in 2026 is voor optie 2 ruim 300.000 euro positief en voor optie 4 ruim 400.000 euro positief. Wanneer deze opties tegelijk worden ingezet kunnen deze effecten niet zonder meer bij elkaar worden opgeteld omdat er dan ook sprake zal zijn van een grotere mate van kostenuitzetting in de organisatie. Ook bij de aanvullende opties geldt dat het effect voor inwoners (meer mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk) uiteraard belangrijker is dan het financieel-economisch effect van deze scenario’s. Voor de aanvullende opties zijn separate businesscases opgesteld. Deze zijn als bijlage 4 bijgevoegd.
Hierin is ook gekeken naar de lange termijn effecten voor de gemeenten (bijvoorbeeld vermindering uitkeringen, vermindering uitvoeringskosten werk en inkomen, lagere kosten op andere domeinen). Deze lange termijn effecten zijn afhankelijk van de vraag hoeveel meer mensen er aan het werk komen door de inzet van bijvoorbeeld de opties 2 en 3. Zelfs bij geringe effecten van deze opties op de baankans en het baanbehoud voor kandidaten, kan het gemeenten substantiële besparingen opleveren. Dit zou een reden kunnen zijn om pilots of experimenten op kleine schaal te doen zodat de effecten (ook op langere termijn) kunnen worden gevolgd. Om de effecten echt te kunnen bepalen is een nulmeting nodig van baankansen en de lengte van de gevonden banen van mensen uit de doelgroep Perspectiefrijk.
Businesscase 22 november 2021
30
8.8
Opdrachtverlening en financiering Pluspakket
De afspraken tussen het Werkleerbedrijf en een gemeente worden voor het Pluspakket in een afzonderlijke overeenkomst vastgelegd. Daarvoor wordt een gestandaardiseerd model gebruikt. In de overeenkomst worden afspraken gemaakt over de te verrichten taken, de te behalen resultaten en de aan het pluspakket verbonden kosten, totaal en/of per deelnemer. Daarin worden ook afspraken gemaakt over de duur van de dienstverlening en de financiële afspraken als een opdracht wordt ingetrokken. 8.9
Belangrijkste conclusies en adviezen
De gemeentelijke bijdrage neemt af doordat de Rijksbijdrage Wsw per Wsw-plek toeneemt. Dit komt omdat de uitstroom uit de Wsw sneller gaat dan verwacht bij de voorbereiding van de Participatiewet en het landelijke macrobudget daarop tot dusver niet is aangepast. Dit wordt niet beïnvloed door het resultaat van de NV. Met de door de directie van Empatec voorgestelde nuloptie voor de NV met bijbehorende voorwaarden, neemt de benodigde gemeentelijke bijdrage in de periode 2022 – 2026 sterk af. Tot bijna ‘nul’ in 2026. De gemeentelijke bijdrage is alleen bestemd voor het aanzuiveren van het tekort in de GR. De nuloptie voor de NV die een inspanningsverplichting voor de NV inhoudt, wordt verder uitgewerkt in het implementatieplan. Wat betreft de aanvullende opties is het advies van het Kernteam om in 2022 te starten met kleinschalige experimenten voor de opties 2 en 3. Er dient in de experimenten goed te worden gevolgd wat de effecten zijn voor de kandidaten, de gemeenten en het Werkleerbedrijf. Naar aanleiding van deze experimenten kan op termijn (na de tijdelijke dienstverbanden van maximaal 2 jaar) worden bekeken of het een optie is om met medewerkers met LKS ook een vast dienstverband bij het Werkleerbedrijf aan te gaan.
Businesscase 22 november 2021
31
9
Is er continuïteit van de dienstverlening aan inwoners?
9.1
Criteria
De vraag van dit hoofdstuk komt voort uit het gegeven dat de Wsw-medewerkers geleidelijk uitstromen. Tegelijk blijft de infrastructuur nodig voor inwoners met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Met de instelling van het Werkleerbedrijf en het toekennen van het basispakket willen de gemeente een duurzame en levensvatbare organisatie realiseren, om die inwoners blijvend kansen te bieden om in werk mee te doen. Om dit te realiseren moet de organisatie duurzaam en levensvatbaar zijn. Deze paragraaf geeft antwoord op de vraag of de businesscase daarin voorziet. Er zijn geen objectieve harde criteria waaraan kan worden getoetst. Meer in zijn algemeenheid kan worden gesteld dat het Werkleerbedrijf doeltreffend en doelmatig zal moeten zijn. Met andere woorden: het boeken van de gewenste resultaten, met de afgesproken kwaliteit en tegen een aanvaardbaar kostenniveau. Door de eigen resultaten en kosten te evalueren en te vergelijken met andere soortgelijke organisaties in vergelijkbare regio’s, kunnen gemeenten en Werkleerbedrijf periodiek nagaan of het Werkleerbedrijf een duurzame en levensvatbare organisatie is.
Daarbij zouden de volgende aspecten kunnen worden meegenomen: De medewerkers die de beschutte werkomgeving nodig hebben, krijgen passend werk en de medewerkerstevredenheid is goed; De kosten en opbrengsten van de beschutte werkomgeving zijn vergelijkbaar met soortgelijke bedrijven; De uitvoering van de re-integratie is qua resultaat en kosten vergelijkbaar met soortgelijke organisaties; De gemeentelijke bijdragen en budgetten zijn vergelijkbaar met vergelijkbare gemeenten in andere regio’s; De ontwikkeling van het volume van het pluspakket. 9.2
Weging in deze businesscase
De gemeenten in de gemeenschappelijke regeling Fryslân-West hebben in het keuzedocument uitgesproken dat de kennis van NV Empatec zoveel mogelijk behouden moet blijven voor begeleiding naar werk, waarbij een nieuwe balans moet worden gevonden voor de taken van de gemeenten op het gebied van participatie. Om die reden willen de gemeente Empatec omvormen tot een Werkleerbedrijf met drie basistaken en de mogelijkheid voor gemeenten om extra taken toe te kennen in een pluspakket. In deze businesscase zijn de dienstverleningsprocessen en het financieel meerjarenbeeld 2022-2026 uitgewerkt. Deze uitwerking laat, volgens het kernteam dat de businesscase heeft opgesteld, voor in elk geval de komende vijf jaren, een organisatie zien van voldoende omvang. Een organisatie die in staat is om, naast de twee andere basistaken, werk te blijven bieden aan de in omvang afnemende doelgroep Wsw-medewerkers. Daarbij geeft de directie van Empatec aan, dat er ook de komende jaren sprake zal zijn van diversiteit in de werksoorten van de vakbedrijven. Omdat de instroom van Nieuw Beschut medewerkers geringer is dan de afname van het aantal Wswmedewerkers en de Nieuw Beschut-medewerkers gemiddeld genomen een grotere afstand tot de arbeidsmarkt hebben, is de verwachting dat in de jaren daarna de diversiteit van werksoorten van de vakbedrijven in een geleidelijk proces zal afnemen.
Dit zou anders kunnen zijn als landelijke initiatieven worden genomen die tot een grotere instroom van gesubsidieerde medewerkers leiden. Ook als dat laatste niet plaatsvindt, betekent dit niet per definitie dat er na 2026, geen sprake meer is van een levensvatbare organisatie. De organisatie neemt dan weliswaar verder in omvang af, maar het verzorgingsgebied en de toegekende taken leiden tot een schaal die in meerdere regio’s in Nederland levensvatbaar is gebleken. Naast het basispakket heeft het Werkleerbedrijf bovendien met deze infrastructuur de potentie om in het pluspakket werkzaamheden te verrichten voor gemeenten (WMO-dagbesteding, PrO/VSO scholen, Halt-werkzaamheden etc.) en ook het UWV. Bij de dienstverlening voor het UWW kan gedacht worden aan de re-integratie van inwoners met een Wajong- of WIA-uitkering en jobcoaching wanneer zij een baan hebben gevonden. Als gemeenten en het Werkleerbedrijf daar gezamenlijk op inzetten, kan het Werkleerbedrijf de basis van de organisatie vergroten en kunnen gemeenten efficiencyvoordelen realiseren bij de uitvoering van het basispakket.
Businesscase 22 november 2021
32
9.3
Duurzame inbesteding van opdrachten voor de Vakbedrijven
Ook de duurzame toekenning door gemeenten van opdrachten aan de vakbedrijven van het Werkleerbedrijf is een belangrijk aspect van het vraagstuk van dit hoofdstuk. Ongeveer 30% van de opdrachten van de vakbedrijven komt van de vier gemeenten. De overige circa 70% komt van private bedrijven, in hoofdzaak uit de regio Friesland. De gemeentelijke opdrachten zijn belangrijk voor het Werkleerbedrijf. In de eerste plaats omdat de gemeenten daarmee het eigen Werkleerbedrijf ondersteunt: met het gunnen van deze opdrachten aan de vakbedrijven wordt de verbondenheid bevestigd. In de tweede plaats omdat gemeenten met deze toekenning hun maatschappelijke verantwoordelijkheid voor de inclusieve arbeidsmarkt bevestigen en een voorbeeld zijn voor private opdrachtgevers. Daarbij is het een belangrijk voordeel, dat gemeentelijke opdrachten minder conjunctuurgevoelig zijn. Het Werkleerbedrijf is er bij gebaat dat de opdrachten van gemeenten meerjarig worden bevestigd en daar waar mogelijk worden uitgebreid.
Businesscase 22 november 2021
33
10 Mogelijkheden voor de governance 10.1 Kernvragen governance Werkleerbedrijf Bij de governance van het Werkleerbedrijf spelen er twee kernvragen: 1. Welke aandachtspunten zijn er voor de governance en sturing, zodanig dat het Werkleerbedrijf dichter bij de gemeenten komt te staan? 2. Welke aandachtspunten zijn er voor de rechtsvorm van de organisatie en de governance, opdat de betrokken gemeenten via inbesteding opdrachten kunnen neerleggen bij het Werkleerbedrijf? In dit hoofdstuk worden de aandachtspunten benoemd voor deze twee kernvragen en is een aantal daarmee samenhangende opties voor de governance opgenomen. Naast de aandachtspunten voor deze twee kernvragen, zijn in paragraaf 10.5 ook overige aandachtspunten van de governance opgesomd. 10.2 Werkleerbedrijf dichter bij gemeenten In het keuzedocument is opgenomen dat de governance zodanig wordt ingericht dat het Werkleerbedrijf dichter bij de gemeente komt te staan en dat het Werkleerbedrijf een organisatie is die samen met de gemeenten aan het werk is om zoveel mogelijk mensen een plek op de reguliere arbeidsmarkt te geven. Daarbij is aangegeven dat de conclusies en adviezen uit het onderzoek van KokxDeVoogd een prominente plek in de uitwerking moeten hebben.
In dit onderzoek is onderzocht in welke mate de deelnemende gemeenten van de GR Fryslân-West in staat zijn om adequate sturing te verlenen, publiek (inclusief financiële) verantwoording af te leggen en democratische controle te voeren over de SW-taken die door de GR en NV Empatec worden uitgevoerd. 10.3 Voorwaarden voor quasi-inbesteding In het keuzedocument is op het vlak van inbesteding een kader opgenomen: de rechtsvorm van de organisatie en de governance moeten zodanig worden ingericht dat de betrokken gemeenten via inbesteding opdrachten kunnen neerleggen bij het Werkleerbedrijf. Daarbij zijn meerdere criteria van belang, waaronder het toezichtcriterium en het merendeel-criterium. De criteria zijn de afgelopen jaren door juridische adviseurs van gemeenten, de GR en de NV onderzocht. Alle deskundigen trekken vergelijkbare conclusies. Aan het toezichtcriterium wordt niet voldaan. De gemeenten hebben via de GR gezamenlijk onvoldoende effectief toezicht op de N.V. en de B.V.’s.
Voorwaarden voor quasi-inbesteding Voorwaarden
Check op grond van verschillende juridische adviezen (2015 – 2020)
o Toezichtcriterium, de controlerende aanbestedende dienst houdt toezicht op de entiteit als ware het een eigen dienst
×
o Merendeelcriterium, >80% van de omzet van de entiteit wordt behaald in het kader van de opdracht van de controlerende diensten
√
o De entiteit kent geen deelname van privaat kapitaal
√
Aan de overige criteria wordt wel volo De entiteit bezit rechtspersoonlijkheid √ daan, ook aan het zogenoemde merendeel-criterium. Dit criterium stelt dat meer dan 80% van de omzet moet worden gerealiseerd in het kader van de opdracht van de toezichthoudende gemeenten. Het merendeel-criterium heeft overigens niet alleen betrekking op de inbesteding van re-integratieactiviteiten bij Pastiel (Empaselect BV), maar ook de inbesteding van groen, schoonmaak en andere dienstverlening door de gemeenten bij Empatec NV.
Businesscase 22 november 2021
34
10.4 Vier opties voor versterken toezicht door de gemeenten/GR Er zijn minimaal vier opties die het mogelijk maken dat gemeenten zonder Europese aanbesteding via quasi-inbesteden opdrachten kunnen neerleggen bij het Werkleerbedrijf: 1. Aanpassen van de statuten van Empatec N.V., Empaselect B.V. en Empathiek B.V. zodanig dat in voldoende mate wordt voldaan aan het toezichtcriterium voor quasi-inbesteding. 2. Het opheffen van de N.V. en het Werkleerbedrijf in de GR brengen. De B.V.’s ook in de GR laten opgaan of direct onder de GR (als aandeelhouder) plaatsen. 3. Het opheffen van de GR en de gemeenten direct aandeelhouders maken van de N.V. Ook in deze optie moeten overigens de statuten van de N.V. en de B.V.’s worden aangepast. 4. In het geval bij optie 1 en 3 een statutenwijziging voor de betreffende B.V.’s niet voldoende is: Empaselect BV en Empathiek BV direct onder de GR (bij optie 1) of de gemeenten (bij optie 3) brengen en niet meer als dochters van de N.V. De B.V.’s krijgen een eigen RvC (die bestaat uit dezelfde personen als de RvC van de N.V.). Bij een BV kan ook de keus worden gemaakt om geen RvC in te stellen. Hierna zijn de huidige situatie en de vier opties in een figuren weergegeven. 10.4.1 Huidige situatie en optie 1 In Empaselect B.V. zijn de activiteiten van Pastiel en de Wurkjouwer ondergebracht. Empathiek B.V.
is opgericht voor de dienstverbanden en de verloning van de Nieuw Beschut medewerkers. Grienskip is een samenwerking tussen Empatec, Caparis en Wetterskip Fryslân. De gemeenten zijn geen opdrachtgever voor Grienskip. Huidige situatie
Optie 1 Statuten N.V.en B.V.’s aanpassen
De Fryske Marren
Harlingen
Súdwest-Fryslân
Waadhoeke
De Fryske Marren
Harlingen
Súdwest-Fryslân
Waadhoeke
Gemeenteraad College
Gemeenteraad College
Gemeenteraad College
Gemeenteraad College
Gemeenteraad College
Gemeenteraad College
Gemeenteraad College
Gemeenteraad College
Delegatie (Wgr)
Delegatie (Wgr)
GR Fryslân-W
GR Fryslân-w
Wijziging statuten NV en twee 100% BV’s
100%
100%
Empatec NV 100%
Empaselect BV
100%
Empathiek BV
Empatec NV 24%
100%
Grienskip BV
Empaselect BV
100%
Empathiek BV
24%
Grienskip BV
10.4.2 Optie 2 en 3 Optie 2 Opheffen van de NV Werkleerbedrijf onderbrengen in GR
Optie 3 Opheffen van de GR Gemeenten aandeelhouders van de NV
De Fryske Marren
Harlingen
Súdwest-Fryslân
Waadhoeke
De Fryske Marren
Harlingen
Súdwest-Fryslân
Waadhoeke
Gemeenteraad College
Gemeenteraad College
Gemeenteraad College
Gemeenteraad College
Gemeenteraad College
Gemeenteraad College
Gemeenteraad College
Gemeenteraad College
Gemeenten aandeelhouder naar rato: samen 100%
Delegatie (Wgr)
Empatec NV
GR Fryslân-w Uitvoering door openbaar lichaam
Wijziging statuten twee 100% BV’s 100%
Empaselect BV
100%
Empathiek BV
Businesscase 22 november 2021
100%
Empaselect BV
100%
Empathiek BV
24%
Grienskip BV
24%
Grienskip BV
Wijziging statuten NV en twee 100% BV’s
35
10.4.3 Optie 4a en 4b Optie 4a (variant op optie 1)
Optie 4b (variant op optie 3) Opheffen van de GR Gemeenten aandeelhouders van de NV
De Fryske Marren
Harlingen
Súdwest-Fryslân
Waadhoeke
De Fryske Marren
Harlingen
Súdwest-Fryslân
Waadhoeke
Gemeenteraad College
Gemeenteraad College
Gemeenteraad College
Gemeenteraad College
Gemeenteraad College
Gemeenteraad College
Gemeenteraad College
Gemeenteraad College
Gemeenten aandeelhouder naar rato, samen 100%
Delegatie (Wgr)
GR Fryslân-w 100%
Empaselect BV
100%
Empatec NV
Empaselect BV 100%
Empathiek BV
24% Wijziging statuten NV en twee 100% BV’s
Empatec NV
Empathiek BV
24%
Grienskip BV
Grienskip BV
Indien in de opties 1 en 3 de statutenwijziging niet voldoende is voor de betreffende B.V.’s, worden Empaselect B.V. en Empathiek B.V. direct onder de GR (variant 4a) of direct onder de gemeenten (variant 4b) gebracht. In bijlage 5 zijn door het kernteam de voor- en nadelen van de opties in beeld gebracht. Zowel voor de GR/gemeenten als ook voor Empatec. 10.5 Overige aandachtspunten Naast de aandachtspunten die verband houden met het toezichtcriterium, zijn de volgende andere aandachtpunten geïdentificeerd: 1. De op handen zijnde wetswijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) en de gevolgen die dat heeft of kan hebben voor de GR Fryslân-West. Een deel van de wijzigingen in de Wgr betreft zaken die in een GR ingevuld kunnen worden, maar niet verplicht zijn. 2. Naast de noodzaak om het toezicht te versterken om quasi te kunnen inbesteden, hebben ook de colleges en gemeenteraden de wens geuit dat de organisatie dichter bij de gemeente komt te staan. 3. Het onderzoek van KokxDeVoogd heeft verschillende conclusies en aandachtspunten opgeleverd en op verschillende punten zijn voorstellen in voorbereiding: - De secretaris van de GR niet langer onder leiding staat van de directeur van de NV. - Het hebben van een eigen controller voor de GR. - Het splitsen van het AB/DB of het aanstellen van een adviescommissie.
10.6 Externe advisering Het kernteam heeft de in dit hoofdstuk opgenomen uitwerking voorgelegd aan de stuurgroep en geadviseerd om de drie opties (optie 4 is variant van opties 1 en 3) juridisch te laten beoordelen. De stuurgroep heeft kennisgenomen van de uitwerking en het kernteam verzocht om de opties voor advies voor te leggen aan Advocatenkantoor Rotshuizen Geense. Medio augustus 2021 heeft dit kantoor het advies opgeleverd. De samenvatting van het advies en de reactie en het advies van het kernteam zijn in het volgende hoofdstuk opgenomen.
Businesscase 22 november 2021
36
11 Advies inzake de governance 11.1 Vraagstelling Aan het advocatenkantoor Rotshuizen Geense is gevraagd om de door het kernteam genoemde opties te onderzoeken. Daarbij zijn drie sub-vragen gesteld: 1. Een toetsingskader op te stellen voor de opties. 2. Na te gaan of de opties volledig zijn. 3. De verschillende opties te toetsen aan het kader en te komen tot een advies. Het advies van Rotshuizen Geense is als bijlage 6 bij de businesscase gevoegd. Aan het einde van dit hoofdstuk zijn de reactie en het advies van het kernteam opgenomen. 11.2 Samenvatting advies Het advocatenkantoor komt tot de conclusie dat optie 1: het handhaven van de huidige juridische structuur met aanpassing van de statuten van de N.V. en dochtermaatschappijen (B.V.’s) het meest passend en voor de hand ligt. Daarbij wijst het advocatenkantoor op een variant waarbij de twee dochtervennootschappen van de N.V. worden opgeheven. Het advies is puntsgewijs toegelicht: - De Wet gemeenschappelijke regelingen (met recent gewijzigde teksten die de legitimatie van de GR en het toezicht door gemeenteraden versterken) biedt een duidelijk toetsingskader van invloed en controle. - De GR kent een grote mate van eenvoud voor wat betreft toe- en uittreding. - Wijzigingen in regelgeving, toe-en uittreding en wijzigingen in aantallen SW-medewerkers kunnen makkelijker in een GR worden gewijzigd dan in een N.V.
- Er is geen noodzaak en het heeft geen toegevoegde waarde om de N.V. op te heffen. Ook in de huidige structuur, met aanpassing van de statuten (zie paragraaf 11.4) en de tekst van de GR (zie paragraaf 11.5) kan worden voldaan aan de regelgeving en de wensen die gemeenten hebben op het terrein van de governance. - Het opheffen van de N.V. en het inbrengen van het Werkleerbedrijf in de GR heeft consequenties voor activa, overeenkomsten en met name personeel en lijkt ook fiscale consequenties te hebben. - Het probleem dat in optie 1 de dochterondernemingen mogelijk te ver afstaan van de gemeenten kan in juridische zin worden opgelost door de statuten van de B.V.’s aan te passen of de B.V.’s op te heffen c.q. te fuseren met de NV. Het advocatenkantoor geeft aan dat voor deze tweede optie nader onderzoek nodig is. - Het aanpassen van de statuten van de N.V. (en als de dochterondernemingen blijven bestaan, de statuten van de B.V.’s) en het aanpassen van de tekst van de gemeenschappelijke regeling zijn relatief eenvoudig uit te voeren. Het vraagt een gecoördineerde voorafgaande besluitvorming, maar het heeft geen gevolgen voor de overdracht van goederen of andere activa. Er zijn ook geen fiscale consequenties. - Naast het aanpassen van de statuten en de tekst van de GR moeten er voor de uitvoering van de Wsw een samenwerkingsovereenkomst en een jaarovereenkomst worden opgesteld.
Over de uitvoering van de overeenkomsten moet worden gerapporteerd aan de GR. In de tekst van de overeenkomst zijn termijnen opgenomen voor het sluiten van de jaarovereenkomst voor het daaropvolgende jaar. - Ten behoeve van de uitvoering van de Participatiewet verstrekken de deelnemende gemeenten de opdracht rechtstreeks aan de N.V. middels een dienstverleningsovereenkomst (DVO). Daarin is vastgelegd op welke wijze periodiek wordt gerapporteerd. In de DVO staan de KPI’s (key performance indicatoren) en ook deze dienen tijdig voor een komende periode (jaarplan) te worden herzien. - Het vastleggen van afspraken en KPI’s, alsmede de rapportage erover en de sturing erop zijn essentieel voor een goed functionerend toezicht en volgen ook uit de conclusies van KokxDeVoogd. 11.3 Wat is het effect op de invloed van de gemeenteraden? Rotshuizen Geense beschrijft in het advies (bijlage 6) wat het effect is van de voorgestelde wijzigingen op de invloed van de gemeenteraden. Deze beschrijving is integraal overgenomen in dit samenvattende hoofdstuk.
Businesscase 22 november 2021
37
Het advocatenkantoor stelt voorop dat de GR opgericht is door de colleges van de deelnemende gemeentes. Bij het aangaan van een gemeenschappelijke regeling komen gemeenteraden meer op afstand te staan, dat is inherent aan het huidig kader van verlengd lokaal bestuur. Dit is ook het standpunt van de regering, zoals neergelegd in de Memorie van Toelichting bij de wetswijziging van de Wgr. Als de GR meer invloed krijgt op de N.V. (en haar dochters), dan hebben de deelnemende gemeentes daarmee meer invloed. Immers is de GR in feite een afvaardiging van de deelnemende gemeentes. Voor de deelnemende gemeentes is het dan ook van belang om stil te staan en te blijven staan bij de invulling van (zowel het AB als het DB van) de GR. Op het moment dat de GR meer grip krijgt op de N.V., zal de GR ook beter geïnformeerd moeten worden over hetgeen speelt binnen de N.V. en zal er derhalve ook sprake zijn van meer transparantie. Daarnaast worden in de beoogde wetswijziging de mogelijkheden voor de gemeenteraad om meer informatie te verkrijgen van, kaders te stellen aan en controle uit te oefenen op de gemeenschappelijke regeling vergroot. Los van voorgaande is vanzelfsprekend een coöperatieve houding en goede informatievoorziening tussen alle betrokken partijen te allen tijde van groot belang.
De combinatie van juridische herstructurering en wijzigingen in de governance, zullen er zeker met de aanhangige wetswijziging voor zorgen dat de diverse betrokken gemeenteraden meer invloed op de NV zullen krijgen, dan ze thans hebben. 11.4 Belangrijkste wijzigingen in de statuten van de N.V. Rotshuizen Geense geeft aan dat de GR in staat moet zijn om een doorslaggevende invloed uit te oefenen omtrent strategische doelstellingen en belangrijk beslissingen. De GR moet toezicht houden op de NV al was het een eigen organisatie. Rotshuizen Geense adviseert onder anderen de volgende wijzigingen in de statuten van de NV aan te brengen: - Het benoemen, schorsen en ontslaan van de bestuurder door de algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) in plaats van de raad van commissarissen (RvC). - Het benoemen, schorsen en ontslaan van de leden van de RvC door de AVA in plaats van de RvC. Om de onafhankelijkheid te waarborgen kunnen leden van de RvC geen functie hebben bij één van de deelnemende gemeenten. - Uitbreiden van het aantal besluiten dat naast voorafgaande goedkeuring van de RvC ook voorafgaande goedkeuring van de AVA behoeft. Voor wat betreft de statutenwijziging van de B.V.’s stelt het advocatenkantoor voor om ook bij de B.V.’s het aantal besluiten uit te breiden dat naast voorafgaande goedkeuring door de RvC, ook voorafgaande goedkeuring van de AVA behoeft.
11.5 Belangrijkste wijzigingen in de tekst van de GR Het advocatenkantoor gaat in op de noodzaak om aandacht te besteden aan de samenstelling van het algemeen bestuur (AB) en het dagelijks bestuur (DB) van de GR. Daarnaast vereist de aanstaande wetswijziging van de Wgr dat er uitgebreidere regels moeten worden geformuleerd over de voorwaarden waaronder een deelnemer mag uittreden, wat de gevolgen daarvan moeten zijn, onder meer met betrekking tot het instandhouden van het eigen vermogen van de GR. Naast deze elementen geeft Rotshuizen Geense nog aan dat de GR een eigen secretaris moet hebben die het AB en DB kan ondersteunen, geeft hij aan dat de Wgr de mogelijkheid kent om ingezetenen te betrekken bij de uitvoering van beleid en de evaluatie daarvan en maakt hij er melding van dat de gezamenlijke raden, na de wetswijziging, de mogelijkheid hebben om het algemeen bestuur op te dragen een gemeenschappelijke adviescommissie in te stellen. Een dergelijke commissie adviseert de gemeenteraden bij de besluitvorming over de GR en kan het algemeen bestuur adviseren. Deze mogelijkheid versterkt de informatievoorziening aan de gemeenteraden en de controllfunctie.
Businesscase 22 november 2021
38
11.6 Welke route moet worden gevolgd om tot statutenwijziging te komen? Zie voor de volledige uitwerking van de route de tekst van bijlage 6. De directie van de N.V. bespreekt met een notaris wat de gewenste wijzigingen zijn en de notaris stelt gewijzigde concept statuten op. Het voorstel tot wijziging wordt vervolgens ter goedkeuring aan de Raad van Commissarissen voorgelegd. Nadat de RvC heeft ingestemd met het wijzigingsvoorstel, dient het voorstel aan de algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) ter stemming te worden voorgelegd. Bij de oproeping voor de AVA moeten de concept-statuten, althans de voorgestelde wijzigingen, gevoegd worden en deze moeten ter inzage worden gelegd voor de aandeelhouders ten kantore van de N.V. De GR is als enig aandeelhouder van de N.V. en in die hoedanigheid bevoegd om een besluit tot statutenwijziging te nemen. Binnen de GR is het DB het bevoegde orgaan. Op grond van artikel 31a Wgr besluit het AB over de oprichting van en deelname in rechtspersonen. Artikel 33b geeft het DB de bevoegdheid tot privaatrechtelijke rechtshandelingen, met uitzondering van de handelingen als bedoeld in artikel 31a Wgr. Het wijzigen van statuten is iets anders dan oprichting van of deelnemen in een rechtspersoon en valt daarmee onder de bevoegdheid van het DB als bedoeld in artikel 33b Wgr.
Dit betekent dat besluitvorming kan plaatsvinden zonder dat de gemeenteraden ex artikel 31a Wgr het voorgenomen besluit toegezonden krijgen en daarop wensen en bedenkingen ter kennis kunnen brengen. Voor de twee B.V.’s geldt het voorgaande in grote lijnen ook. Praktisch gezien betekent dit dat door de directie van de N.V. opdracht gegeven moet worden aan een notaris om concept-statuten voor de N.V. en voor de B.V.’s uit te werken, zoals de GR die zou willen zien. 11.7 Reactie en advies kernteam Het kernteam heeft het advies van Rotshuizen Geense besproken. Het advies sluit aan op en is in lijn met al eerder opgestelde adviezen, waaronder het advies van KokxDeVoogd. Het kernteam onderschrijft de geformuleerde lijn van Rotshuizen Geense. In het advies van Rotshuizen Geense om de huidige juridische structuur te handhaven, wijst het advocatenkantoor nog op een variant, waarbij de twee dochtervennootschappen van de N.V. worden opgeheven. Hiervoor is nader onderzoek nodig in de fase van het implementatieplan omdat er sprake is van een pensioenvraagstuk. Als er vanuit dat perspectief geen bezwaren (meer) zijn, kunnen de B.V.’s worden opgeheven.
Businesscase 22 november 2021
39
12 Transitie en transitiekosten 12.1 Impact van de doorontwikkeling van Empatec tot Werkleerbedrijf De doorontwikkeling van Empatec tot Werkleerbedrijf Fryslân-West, heeft vooral gevolgen voor de organisatie van Empatec. De beschrijving van de werkprocessen en het toegekende werkpakket hebben geen of maar beperkt effect op de inrichting van de gemeentelijke organisaties en de Dienst NWF. De wijzigingen in de werkprocessen bij de gemeenten en de Dienst NWF kunnen binnen de bestaande structuren en werkwijzen worden ingepast en kunnen worden opgevangen in de reguliere bedrijfsvoering. Dit betekent dat dit hoofdstuk zich concentreert op de transitie van Empatec. 12.2 Permanente transitie In het implementatieplan wordt de impact van de transitie uitgewerkt in structuur, formatie en de organisatieontwikkeling van het nieuwe bedrijf. Daarbij moet het Werkleerbedrijf inspelen op twee bewegingen tegelijk: - De krimp van de Wsw als gevolg van de afname van het aantal Wsw-medewerkers. - De groei van de opdracht voor de Participatiewet. Daarbij staat de omvang van de afname van de Wsw vast, maar is de groei afhankelijk van de omstandigheden: - Van het budget dat gemeenten beschikbaar stellen voor het basispakket; - Van de omvang van het pluspakket; - Van de landelijke ontwikkelingen in beleid en wet- en regelgeving.
Voor het Werkleerbedrijf betekent dit dat er niet alleen sprake is van een startmoment voor het nieuwe bedrijf, maar dat het bedrijf een periode van circa 4 jaar in een proces van constante transitie zal zijn. In het implementatieplan wordt beschreven op welke wijze het Werkleerbedrijf die uitdaging tegemoet treedt en de nuloptie voor de NV gaat realiseren. 12.3 Transitiekosten De directie van Empatec heeft berekend wat de transitiekosten zijn van deze businesscase. De directie van Empatec schat in dat de transitiekosten gedurende de komende vier jaar circa € 500.000 per jaar zijn. Daarbij onderscheidt de directie twee elementen: o
De verwachte transitiekosten voor personeel. Dit zijn transitiekosten gebaseerd op de vermindering van personeel. Een gedeelte van de vermindering kan via verloop worden gerealiseerd. Een ander deel mogelijk niet. Dit laatste leidt dan tot transitiekosten. Het gaat hier om gealloceerde gelden. Indien de middelen niet nodig zijn, worden de middelen niet voor een ander doel gebruikt. Toelichting De personele formatie van het huidige bedrijf Empatec is afgezet tegen de te realiseren taakstelling. Empatec heeft de huidige verhouding van ongesubsidieerd personeel en gesubsidieerd personeel aangehouden. Empatec heeft in 2020 en 2021 al een reductie van personeel gerealiseerd en de inhuur sterk teruggebracht (meer dan gehalveerd). Vanuit de benodigde fte’s heeft Empatec de daarbij behorende totale loonsom berekend. Daarna heeft een vertaling plaatsgevonden naar fte en is een inschatting gemaakt van de vermindering van het aantal fte en wat dit betekent voor de transitiekosten die gepaard gaan met boventalligheid. Empatec heeft op basis van ervaringscijfers een inschatting gemaakt van deze kosten waarbij geen rekening is gehouden met andere bedrijfsinvloeden. Hierbij is de rekenmethode van de financiële werkgroep gehanteerd gebaseerd op een elasticiteit van 0,5.13 Op basis van de reeds ingezette optimalisaties bedraagt de formatie ongesubsidieerd inmiddels 128 fte.
De elasticiteit van 0,5 zorgt voor een goede balans tussen enerzijds het anticiperen op de
13
Dit houdt in dat de afname van het aantal ongesubsidieerde medewerkers de helft is van de afname van het aantal gesubsidieerde medewerkers.
Businesscase 22 november 2021
40
doelgroep die ouder wordt (Wsw) en meer zorg/begeleiding nodig heeft (Beschut Werk), de terugloop van de doelgroep Wsw, de lastige problematiek van vertrekkende gesubsidieerde medewerkers/Sw-ers in staf/kader functies (14 fte 2022-2026) waar creatieve oplossingen voor moeten worden gevonden (minimaal 9 fte nieuwe medewerkers ongesubsidieerd erbij in die periode). Aan de andere kant zijn er de kansen die pensionering biedt. Dit is lastig exact te berekenen maar gezien de al in gang gezette acties geeft dit vertrouwen dat Empatec ultimo 2026 op circa 115 fte kan uitkomen. o
Transitiekosten om de daling van de omzet op te vangen. Ook hier gaat het om gealloceerde gelden. Indien de middelen niet nodig zijn, worden de middelen niet voor een ander doel gebruikt.
12.4 Verdeling transitiekosten Er moet gedurende vier jaar (2022 tot en met 2025) een budget van € 500.000 per jaar beschikbaar zijn voor de dekking van mogelijke transitiekosten. In totaal gaat het om maximaal € 2.000.000. Het gaat om gealloceerde gelden. De begrote bedragen voor de transitiekosten worden uitsluitend aangewend om eventuele boventalligheid van ongesubsidieerd personeel op te lossen voor zover dat niet via natuurlijk verloop kan worden opgevangen. Indien er geen transitiekosten zijn, worden de middelen niet voor andere doeleinden gebruikt. De transitiekosten worden vanuit het oogpunt van gezamenlijkheid en commitment 50/50 verdeeld over Empatec NV en de GR. De 50% die ten laste komt van de gemeenschappelijke regeling wordt opgenomen in de begroting van de GR. Het gaat om € 250.000 euro in de jaren 2022 tot en met 2025. De kosten worden gedekt door een extra gemeentelijke bijdrage naar rato van het aantal arbeidsjaren Wsw (of SE). Per arbeidsjaar gaat om gemiddeld circa € 325 over de jaren 2022-2025. Binnen de vastgestelde (meerjaren-) begroting 2022 van de GR is ruimte beschikbaar om de reservering voor 2022 te realiseren. Inclusief reservering blijft de bijdrage per SE ook de meerjarenraming van de GR FW binnen het kader van € 3.000 per arbeidsjaar. De 50% die ten laste komt van N.V. Empatec is niet opgenomen in de financiële doorrekening van hoofdstuk 8
Businesscase 22 november 2021
41
13 Besluitvorming businesscase en implementatieplan In onderstaand overzicht, is opgenomen wie bij de besluitvorming van de Businesscase en het Implementatieplan betrokken zijn. Businesscase
Implementatieplan
Stuurgroep
Besluit of businesscase voor besluitvorming door kan naar bestuur GR en gemeenten.
Directie Empatec
Advies aan bestuur GR.
Verantwoordelijk voor opstellen implementatieplan in gezamenlijkheid met GR en gemeenten.
RvC Empatec
Advies aan bestuur GR.
Goedkeuren opgestelde implementatieplan.
Bestuur GR/AvA
Besluit over businesscase.
Besluit over implementatieplan.
Colleges
Besluit over businesscase en besluit om de businesscase aan de raad aan te bieden.
Besluit of zienswijze.
Gemeenteraden
Conform raadsvoorstel.
Conform raadsvoorstel.
Ondernemingsraad Empatec
Adviesaanvraag.
Adviesaanvraag.
Adviesraden sociaal domein
Advies aan het college
Advies aan het college, indien inhoud implementatieplan aspecten bevat die om advies vragen.
Businesscase 22 november 2021
42
14 Risico’s en maatregelen In dit hoofdstuk zijn de risico’s opgesomd die zich kunnen voordoen als gevolg van of bij het vormen van het Werkleerbedrijf. Daarbij is de volgende vraag gesteld: zijn er omstandigheden, gebeurtenissen, situaties die een risico vormen voor een succesvolle implementatie van het Werkleerbedrijf en welke maatregelen kunnen in dat geval worden genomen? Risico
a) De instroom van kandidaten Perspectiefrijk in het Werkleerbedrijf blijft achter bij de planning.
b) Afname van het aantal uitkeringsgerechtigden en effecten op de omvang van de opdracht voor de categorie Perspectiefrijk
c) Toename van het aantal uitkeringsgerechtigden.
d) Afname opdrachten vakbedrijven en verminderde detacheringsmogelijkheden in tijden van laagconjunctuur
e) Tegenvallers op de andere twee domeinen (Jeugd en Wmo) binnen het ontschot budget sociaal
Businesscase 22 november 2021
Toelichting/weging/maatregelen
De kandidaten uit de categorie Perspectiefrijk hebben een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Sommigen van hen verblijven al jaren in de uitkering. De praktijk, ook elders, laat zien dat het veel moeite kost om bijstandsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, naar werk te begeleiden. Gemeenten en Werkleerbedrijf moeten nauw samenwerken om de belemmeringen voor deze doelgroep weg te nemen en ook waar nodig stevig sturen op de (gedeeltelijke) uitstroom uit de uitkering naar werk. Dit vergt veel gezamenlijke kennis van de doelgroep, nauwe samenwerking en een behoorlijk doorzettingsvermogen. In de businesscase leggen de gemeenten, naast de uitvoering van de Wsw en Nieuw Beschut, naar evenredigheid de re-integratie van kandidaten uit de categorie Perspectief neer bij het Werkbedrijf. Deze taak is een belangrijk pijler van de organisatie. Als de instroom van deze categorie kandidaten richting het Werkleerbedrijf, in tijden van hoogconjunctuur afneemt, bestaat het risico dat de organisatie te klein wordt. Het Werkleerbedrijf zal altijd te maken hebben met schommelingen in de conjunctuur. Door in tijden van hoogconjunctuur in te zetten op het behoud van kennis en infrastructuur, door bijvoorbeeld extra taken in het pluspakket onder te brengen, kunnen gemeenten hieraan bijdragen.