verstedelijkingsstrategie U16.pdf
Tekst van het document
Het creëren van een andere ontsluitingsstructuur rond de A12 (parallelstructuur) waardoor het aantal afslagen wordt verminderd en het ruimtebeslag van de infrastructuur kan worden verminderd. Het opwaarderen van de OV-as Utrecht-Nieuwegein, waardoor Westraven sneller bereikbaar is vanaf Utrecht CS en Nieuwegein centrum De aanleg van het wiel, waardoor de verbinding met enerzijds Leidsche Rijn en anderzijds Lunetten/USP direct, snel en frequent wordt. Westraven wordt daarmee een belangrijk knooppunt in het regionale OV-net
Het ontwikkelen van de A12-zone hangt samen met de mogelijke ontwikkeling van andere gebieden langs de A12. Het toevoegen van een parallelle wegstructuur voor regionaal verkeer kan bijvoorbeeld ook invloed hebben op de mogelijke ontsluiting van uitleglocaties als Rijnenburg en Bunnik-Zuid. Het is belangrijk om bij de ontwikkeling van de A12-zone rekening te houden met deze mogelijke toekomstige verbindingen.
De A12-zone bestaat uit verschillende deelgebieden die elk ook een ander karakter en opgave kennen. Westraven Op termijn kan deze plek transformeren tot het hart van de A12-zone en de plek waar de stadsas Utrecht-Nieuwegein de A12-zone kruist. Westraven heeft de potentie om een bijzonder gelegen stedelijk woonwerkgebied te worden op een uitstekend bereikbare plek in de regio. In hoge dichtheid wonen en werken wordt hier mogelijk doordat het centraal ligt in het regionale OV netwerk. Utrecht Woonboulevard en Merwedekanaalzone deelgebied 6 Door verdichting met werken en menging met wonen kan dit gebied de schakel vormen tussen de Merwerdekanaalzone en Westraven. Werkgelegenheid en het type bedrijvigheid kan behouden worden in een hogere dichtheid en gemengd stedelijk gebied. De Liesbosch Rond de Liesboschbrug bestaat al een vrij stedelijk milieu dat naar het oosten en zuiden snel wegloopt in een gebied met grote schaal en veel infrastructuur. Het verdichten, herschikken en mogelijk op termijn ook transformeren van dit gebied biedt ruimte. Het is belangrijk om dit te doen op een manier die past bij het gebied en start vanuit Westraven. De kanalen, bruggen, de Bernardushaven en de sluis bieden landschappelijke aanleidingen om langs te ontwikkelen. De verbindingen met de rest van Nieuwegein zijn hierin ook van belang.
De Liesbosch heeft tegelijkertijd een belangrijke functie in (stads) distributie en voedselvoorziening in de regio. Welke functies kunnen hier gecombineerd worden is een belangrijke vraag in de planvorming voor de A12. Galecopperzoom Als onbebouwde strook tussen Nieuwegein en de A12 liggen hier kansen om enerzijds wonen en werken toe te voegen, maar tegelijkertijd ligt hier ook de schakel om de toekomstige stedelijke ontwikkeling van de A12-zone goed landschappelijk te verbinden met het buitengebied (groene scheg). Hiermee kan een mooie route ontstaan van Westraven en de Merwedekanaalzone naar de Polder Rijnenburg en het landschap van de Hollandsche Ijssel.
37
Papendorp Ontwikkeld als kantorenlocatie biedt papendorp genoeg ruimte voor verdichting en het toevoegen van woningen. De locatie ligt aan het wiel en aan een spaak, waardoor het regionaal goed ontsloten is. Laagraven Tussen de Laagravenseweg en Houten ligt een groen gebied dat onderdeel is van de Nieuwe Hollandsche Waterlinie en met o.a. een recreatieplas en veel fruitteelt onderdeel is van de toekomstige groene scheg die vanuit de Kromme Rijnzone de stad in steekt.
Rijnsweerd/USP Voor Rijnsweerd en het USP zijn visies gemaakt voor verdere verdichting en menging. Dit zijn de plekken in de regio waar binnen de bestaande stedelijke structuur ruimte ligt om programma toe te voegen. Het accent ligt op de life science en campus economie, gecombineerd met voorzieningen en wonen.
Rijnsweerd
A12-zone, Rijnenburg en Houten/Bunnik De verstedelijking van de A12-zone wordt gedragen door een aantal ingrepen in het OV. Enerzijds hangt het aan de Centrale As (Noord-Zuid) met het knooppunt Westraven, anderzijds haakt het aan op knooppunten Lunetten/Koningsweg en. Leidsche Rijn Centrum via het OV-wiel. Beide zijn voorwaardelijk voor de goed invulling van het gebied. Tegelijkertijd moet de weginfrastructuur op de schop, waarbij wordt gestudeerd op een parallelle weg voor regional verkeer dat de A12 moet ontlasten en nieuwe plekken voor verstedelijking kan ontsluiten. Studies laten deze regionale parallelweg aansluiten op de A12 bij De Meern in het Westen en bij Bunnik in het Oosten. De ontwikkeling en ontsluiting van de A12-zone heeft daarmee tegelijkertijd iets te maken met de ontwikkeling, ontsluiting en invulling van Rijnenburg aan de ene kant en Houten-Noord en Bunnik-Zuid aan de andere kant. Ook programmatisch hangen deze locatie samen. Hoe groter het laadvermogen van de A12 zone, hoe kleiner de druk op stedelijke ontwikkeling van buitenstedelijke locaties wordt, maar hoe groter de druk voor landschap, recreatie en groen van het direct omliggende buitengebied is. De samenhang tussen deze gebieden moet in de IRP fase van het REP verder worden verdiept 38
Overvecht Binnen de stedelijke structuur van Overvecht ligt ruimte om woningen en arbeidsplaatsen toe te voegen en tegelijkertijd de ruimtelijke structuur te verbeteren. Binnen de RSU wordt gewerkt aan verschillende modellen om hier invulling aan te geven. Daarbij zijn het station Overvecht en het winkelcentrum Overvecht de meest kansrijke locaties om functies toe te voegen, in combinatie met verdichting binnen de stedenbouwkundige opbouw van de wijk.
Overvecht
Multi-Criteria Analyse Redeneerlijn 5
Samengevat • Verbeteren ruimtelijke structuur en verbinding stad – uitbreidingswijken • Verdichting, menging en transformatie binnen stedelijk gebied nabij OV knopen • Verbinding knopen door OV-wiel (MIRT) • Inpassing groen, water en energieopgave onderdeel van uitwerking • Precieze keuzes en uitwerking volgen o.a. uit de RSU
De woningbouwlocaties die afhankelijk zijn van grote ingrepen zoals in de redeneerlijnen 3, 4 en 5 worden voorgesteld tellen op tot een bandbreedte van 45.500 – 97.000 woningen. Dit is afhankelijk van aan welke woningbouwopgave het wordt gekoppeld een aandeel van 29% tot 93% van de totale opgave. Dit betekent dat het laadvermogen van deze binnenstedelijke knopen in zeer sterke mate bepalend is voor welke opgave er voor overige locaties in de regio is.
Bandbreedte woningaantallen redeneerlijnen 3+4+5
Bandbreedte woningaantallen als percentage van de opgave
39
Redeneerlijn 6 Intensiveren vier regioknopen Vanuit Utrecht Centraal strekken zich in alle richtingen spoorlijnen uit. Aan deze spoorlijnen liggen kernen met strategische ontwikkellocaties dichtbij (potentieel) hoogwaardige OV knopen. Vier van deze knopen bieden ruimte om honderden woningen en mogelijk ook nieuwe werkmilieus toe te voegen binnen bestaand stedelijk gebied en op korte afstand van bestaande stations. Verder verdichten van deze milieus vlakbij de stations ligt voor de hand en ondersteunt de ingeslagen richting in de REK en de Contour. De belangrijkste vier regioknopen zijn: Woerden, Houten, Bunnik en Breukelen Woerden Nabij station Woerden liggen verschillende projecten en ontwikkellocaties die in verschillende stadia van ontwikkeling zijn. Binnen de invloedssfeer van het station liggen mogelijkheden om aanvullende woningbouwlocaties en werklocaties toe te voegen of verder te intensiveren. Woerden is een aantrekkelijke stad die niet alleen goed is verbonden met Utrecht, maar ook directe treinverbindingen heeft met Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Leiden. Met het historische centrum en verbondenheid met de landschappen van het Groene Hart is Woerden daarmee een populaire plaats om te wonen. Op loopafstand van het station Woerden wordt de komende jaren een nieuw stedelijk gebied gecreëerd.
Deels op stedelijke inbreidingslocaties, en voor een deel in transformatielocaties langs het spoor. Bovenop de bestaande plannen is het mogelijk om in en rond dit gebied meer verdichting en transformatielocaties te vinden, waarmee Woerden een grotere bijdrage kan leveren aan de lokale en regionale woningvraag. Een sleutel daarin zou kunnen liggen in het verplaatsen van binnenstedelijke bedrijventerreinen naar de rand van Woerden.
40
Redeneerlijn 6: Intensiveren vier regioknopen
Houten Houten heeft in een stedenbouwkundige studie in kaart gebracht hoeveel woningen toegevoegd kunnen worden binnen de invloedssfeer van de stations. Voor een deel gaat het om transformatie van verouderde kantoorpanden, deels gaat het over verdere verdichting binnen de bestaande stedelijke structuur, maar ook over het transformeren van een aantal bedrijfslocaties. In de verschillende scenario’s die er zijn ontwikkeld sorteert Houten voor op een keuze voor een scenario waarbij 6.000 woningen worden toegevoegd.
Bunnik Het treinstation dat het dichtste bij het USP ligt is station Bunnik. Bunnik ligt daarmee gunstig als woonlocatie ten opzichte van het economische kerngebied van de regio. Ook ten opzichte van de waardevolle landschappen langs de Kromme Rijn en de Utrechtse Heuvelrug ligt Bunnik gunstig. De directe stationsomgeving van Bunnik is een gebied dat al in transformatie is. Voor een deel bestaat het uit kantoorpanden die getransformeerd worden. Ten zuiden van het spoor ligt een bedrijventerrein, waar ook verder verdichting en ook menging met andere functies voor de hand ligt. Het station van Bunnik wordt op dit moment nog beperkt bediend door treinen (iedere 30 minuten) en door de beperkte spoorcapaciteit op het spoor naar Arnhem is het complex om de sprinterfrequentie hier te verhogen. Het verdichten van de knoop en het opwaarderen van de vervoerswaarde van het station zou echter hand in hand moeten gaan. Hierin speelt mee dat ten zuiden van de A12 ook Bunnik-Zuid ontwikkeld zou kunnen worden. De mate waarin het stationsgebied van Bunnik zich ontwikkeld zal hiermee samenhangen. Met meer treinen en als voorportaal van een grotere ontwikkeling zal het knooppunt zelf ook grotere potentie hebben als ontwikkellocatie voor wonen en werken. (zie denklijn 5)
modern ondernemen en de grote behoefte aan woningen. Juist deze locatie heeft de potentie om uit te groeien tot een hoogwaardig stedelijk woon- en werkmilieu. Een plek met een gezonde mix van wonen en werken. Een plek waar de overstap gemaakt wordt naar het OV richting Amsterdam of Utrecht. En die in directe verbinding staat met ruimte voor recreatie en ontspanning in het groene achterland of langs de lommerrijke lustoorden van de Vecht. Gedacht kan worden aan transformatie en intensivering van werkmilieus naar gemengde milieus, het anders gebruiken en inrichtingen van de P+R voorzieningen en het creëren van ontwikkelruimte door de functies efficiënter en in hogere dichtheid te ordenen. Het station wordt beperkt bediend door treinen naar Utrecht, maar kent daarnaast ook verbindingen met Amsterdam en Rotterdam . Een opwaardering van de spoorcapaciteit richting Bunnik zorgt ervoor dat ook Breukelen een meer frequente verbinding met Utrecht kan krijgen, wat het regionale spoornet verder versterkt. Net zoals bij Bunnik, is het mogelijk om aan de Westzijde van de A2 een uitleglocatie te realiseren, die de centraliteit van het station in een ander daglicht zou zetten. (zie denklijn 5)
Breukelen Het NS station Breukelen ligt halverwege het tracé Amsterdam – Utrecht, naast de afrit van A2 die de steden verbindt en een belangrijke verkeersader is in Nederland. Het is daarmee een strategische P&R locatie voor de bereikbaarheid in de metropoolregio Amsterdam en regio Utrecht. De locatie heeft hiermee een grote aantrekkingskracht op ondernemers, werknemers en reizigers. Dit heeft er toe geleid dat er een gebied is ontstaan met meerdere parkeer en bedrijfsterreinen, die intensief worden gebruikt. Het aangezicht is minder aantrekkelijk door het eenzijdig gebruik van de plek: veel grote bedrijfsgebouwen en een vrij uitgebreide infrastructuur om deze zo snel mogelijk te bereiken en te verlaten. Hiermee worden de kracht en de mogelijkheden van de stationsomgeving Breukelen niet goed benut. Zeker niet vanuit het perspectief van verstedelijking, 41
Multi-Criteria Analyse Redeneerlijn 6
Samengevat • Binnenstedelijke verdichting (wonen en werken) en transformatie rond vier regioknopen: Houten, Woerden, Bunnik, Breukelen • Verbeteren treinbediening stations (MIRT) • Voor m.n. Bunnik is hier nieuwe infra nodig (MIRT) • Inpassing groen, water en energieopgave onderdeel van uitwerking De woningbouwlocaties die afhankelijk zijn van deze regioknopen tellen op tot een bandbreedte van 8.450 – 23.450 woningen. Dit is afhankelijk van aan welke woningbouwopgave het wordt gekoppeld een aandeel van 5% tot 23% van de totale opgave. Daarbij zit de bandbreedte voor een groot deel in Houten, waar vanuit een eigen ruimtelijke verkenning wordt gestuurd op een totale opgave van ca. 6.000 woningen. Indien dit als maximum wordt genomen is de bandbreedte 8.450 – 12.550.
Bandbreedte woningaantallen redeneerlijn 6 * Voor de Gemeente Stichtse Vecht stond in de Contour in de kaart van Altijd 1.750 woningen en in de kaart van alles 11.850 woningen. Hier is aangenomen dat in de kaart van alles 5.100 woningen bij Knooppunt Breukelen en Maarssen extra gebouwd kunnen worden. Het getal 6.850 omvat de volledige opgave voor Stichtse Vecht, m.u.v. de uitleglocatie Breukelen-West ** Voor de Gemeente Houten stond in de Kaart van Alles een potentie van 15.550 woningen. De Gemeente kiest in haar visie voor een groei met 6.100 woningen. Om de getallen niet te veel te laten vertekenen is dit aantal opgenomen in deze tabel.
Bandbreedte woningaantallen als % van de opgave
42
43
Redeneerlijn 7 Nieuwe uitleglocatie(s) bij knopen beperkt nodig In de vorige vier denklijnen zijn de binnenstedelijke ontwikkellocaties benoemd waarmee de regio volgens haar eigen keuzes in REK en Contour prioriteit aan geeft (binnenstedelijk voor buitenstedelijk). Maar volgens het laadvermogen van deze plekken volgens de contour is hiermee nog niet voldoende capaciteit gevonden om de woningbouwen banengroei opgave volledig mee op te vangen. Het is daarmee nodig om ook één of meerdere buitenstedelijke locaties toe te voegen. In de contour REP is een aantal buitenstedelijke locaties in beeld gebracht, die elk hun eigen uitdagingen met zich meebrengen. In de REK is ervoor gekozen om uitleglocaties in eerste instantie te zoeken nabij OV-knopen. Daarnaast is het ontwikkelen van uitleglocaties ook nodig om aan te sluiten bij de kwalitatieve opgave voor wonen in de regio, zoals uitgewerkt in het kwalitatieve woningmarktonderzoek van Companen. Naast vraag naar stedelijke woonvormen is er ook een grote behoefte aan met name eengezinswoningen, waar in stedelijke gebieden minder ruimte voor is. In de contour wordt een aantal mogelijke uitleglocaties voorgesteld: • • • • •
44
Bunnik-Zuid Breukelen-West Woerden Loenersloot Rijnenburg
Redeneerlijn 7: Mogelijke uitleglocaties, waartussen keuzes nodig zijn
Bunnik-Zuid Ten zuiden van de A12 biedt Bunnik-Zuid plek aan zo’n 6.300 woningen en een werklocatie. De ligging nabij het economische cluster van life sciences van het USP en de mogelijke toekomstige stedelijke knoop Lunetten-Koningsweg maakt dit een aantrekkelijke plek voor verstedelijking. Het landschap van de Kromme Rijn en de Utrechtse Heuvelrug maken het plaatje af. De uitleglocatie ligt binnen korte loop- en fietsafstand van het station Bunnik, maar is daar nog wel van gescheiden door infrastructurele barrières. Het verbinden van de stationsomgeving en het centrum van Bunnik met Bunnik-Zuid vormt een flinke uitdaging en ook voor het autoverkeer moeten er de nodige aanpassingen worden gedaan, zoals de gewenste omlegging van de N229, mogelijk in combinatie met een verandering van de parallelle wegstructuur langs de A12 die bij Bunnik op de A12 aansluit. De ontwikkeling van het gebied vereist dus een flinke infraknoop, en ook voor de ruimtelijke verbinding van Bunnik met Bunnik-Zuid is een behoorlijke ingreep nodig. Het woonmilieu van Bunnik-Zuid zou na infrastructurele aanpassingen op ca. 10 minuten fietsen van het USP liggen. Vanuit landschap geredeneerd ligt Bunnik-Zuid in één van de groene scheggen die vanuit de het Kromme Rijnzone de stad insteekt, wat een goede inpassing noodzakelijk maakt.
De vraag is of BunnikZuid zo te ontwerpen is dat het zowel de landschappelijke kwaliteit versterkt, het juiste woon en werkmilieu toevoegt, het station Bunnik voedt en de voorzieningenstructuur van Bunnik en Odijk versterkt. De plannen voor Bunnik-Zuid worden lokaal politiek en maatschappelijk gedragen en daarmee is een relatief snelle aanpak mogelijk. De ligging op wat hogere gronden maakt het vanuit optiek van water een relatief aantrekkelijke plek om te bouwen. Breukelen-West De mogelijkheid om een uitleglocatie bij Breukelen-West te realiseren tot ca. 4.000 a 5.000 woningen is geïntroduceerd in de Contour REP. De situatie lijkt op die bij Bunnik waarbij het stationsgebied zich leent voor verdichting, maar ook een grotere uitbreiding mogelijk is door een sprong over de snelweg, de A2 in het geval van Breukelen. Er zijn ook verschillen tussen Bunnik en Breukelen. Zo ligt BreukelenWest niet op korte afstand van een groot stedelijk werkmilieu (zoals het Science Park). De groei van het aantal arbeidsplaatsen in
Bunnik-Zuid: Voor de gemeenten in de Kromme Rijnzone biedt de combinatie van OV-knooppuntontwikkeling, benodigde ingrepen in de weginfrastructuur, stedelijke uitleg, landschapsontwikkeling in een groene scheg, inpassing cultuurhistorie en de energieopgave een integrale gebiedsgerichte opgave waar de gemeenten in deze zone elkaar in kunnen versterken.
de directe omgeving van Breukelen is beperkter, en daarmee zal uitbreiding bij Breukelen leiden tot meer automobiliteit dan bij Bunnik. Ook is de verbinding met de bestaande kern Breukelen ingewikkelder, doordat ook het Amsterdam-Rijnkanaal als barrière overbrugd moet worden. Vanuit Breukelen-West moet de A2, het spoor en het kanaal overgestoken worden voordat je in het centrum bent. Dit maakt de kans dat Breukelen-West de bestaande voorzieningen in Breukelen versterkt kleiner en zorgt voor een grotere druk op de bestaande brug over het kanaal of voor de behoefte aan een nieuw voorzieningencluster voor deze nieuwe ontwikkeling. Het landschap van Breukelen-West ligt in het lage veenweide gebied in het groene hart. Vanuit water geredeneerd ligt het minder voor de hand om hier te bouwen, tenzij op een bijzondere en waterinclusieve manier invulling wordt gegeven aan de opgave, zoals ook in de contour is beschreven. Vanuit landschap geredeneerd ligt BreukelenWest in het open landschap van het Groene Hart. Breukelen-West zou een trendbreuk betekenen in de bescherming van dit open landschap. Tenslotte is er voor Breukelen-West politiek en maatschappelijk nog geen draagvlak voor deze mogelijke ontwikkeling. De mogelijkheid van realisatie van Breukelen-West is daarom een onzekere denkrichting die niet op korte termijn speelt. Het is daarom de vraag 45
Breukelen-West
Woerden uitleg
of deze locatie moet worden ingezet om te voldoen aan de woon- en werkopgave tot 2040.
scenario’s van beperkte toevoeging aan het dorp Loenersloot tot een scenario met ca. 10.000 woningen.
Woerden uitleg Woerden groeit de komende jaren vooral binnenstedelijk, maar op termijn is het denkbaar dat er een uitleglocatie nodig is om de groei van Woerden te accommoderen en de vraag naar andere woonmilieus op te vangen of om nieuwe locaties te vinden voor bedrijventerreinen.
De locatie sluit niet aan op een bestaande kern met voorzieningen. Deze zouden dus in de locatie zelf ontwikkeld moeten worden. Er is geen werklocatie nabij, waardoor hier een plek wordt gerealiseerd waarbij bewoners voor veel van hun dagelijkse activiteiten moeten reizen. Ook deze plek ligt in het relatief open landschap van het Groene Hart en is vanuit water geredeneerd niet de meest gewenste locatie voor woningbouw. Ook het toevoegen van een nieuw station stuit op complexe opgaven voor deze plek.
Op fietsafstand van het station van Woerden is het mogelijk nog een aantal uitleglocaties te benoemen rond de stad. In de MIRT verkenning en in eerdere fases in de Contour REP zijn hiervoor locaties in beeld geweest die vooral zijn gericht op de nabijheid van het Station Woerden. De Gemeente ziet uitleg met name als een mogelijkheid op langere termijn. Aan de Westkant van Woerden wordt in het MIRT onderzoek P+R locatie Molenvliet geïntroduceerd als plek waar een goede overstap tussen auto en OV gerealiseerd kan worden door het maken van een nieuw station Woerden-Molenvliet. Deze functie kan los van stedelijke ontwikkeling gerealiseerd worden, maar kan ook gezien worden als aanleiding om deze locatie te bestuderen als plek voor verstedelijking. Loenersloot Het toevoegen van een P+R en transferiumstation aan de spoorlijn Amsterdam-Utrecht in Loenersloot is een mogelijkheid die in de contour is opgenomen. In de contour is deze locatie ook opgenomen als een potentiële uitleglocatie voor woningbouw in verschillende 46
Vanuit de MCA kan worden geconcludeerd dat Loenersloot niet optimaal bijdraagt aan de doelstellingen voor gezond stedelijk leven in de regio. Andere uitleglocaties die sterker de bestaande knopen en kernen ondersteunen liggen daarmee meer voor de hand om invulling te geven aan de behoefte. Rijnenburg Rijnenburg kent een rijke geschiedenis van planvorming. Deze locatie in de oksel van de A2 en de A12 biedt potentieel ruimte aan veel woningen en is ook onderdeel van de studies in de RSU. Vanuit de markt is een lobby gaande om deze locatie als ontwikkellocatie van de grond te krijgen. De gemeenteraad van Utrecht heeft besloten om op een deel van het gebied een energielandschap te realiseren. In de ruimtelijke uitwerking in de RSU betekent dit niet persé dat er geen ruimte is voor wonen en werken. Het energielandschap concentreert zich aan de
Loenersloot
Rijnenburg
noordkant van het gebied, waar de grond slechter en lager gelegen is. Dit laat ruimte voor verstedelijking aan de zuidkant van Rijnenburg.
Ijsselstein en Nieuwegein zijn aangewezen.
Deze zuidkant van Rijnenburg zou in hoge stedelijke dichtheid nog altijd een aanzienlijk aantal woningen kunnen omvatten, tot 25.000. De invulling van Rijnenburg is echter een ingewikkelde puzzel. Rijnenburg ligt aan de Zuidkant van het stedelijke kerngebied van Utrecht, grenzend aan Ijsselstein en Nieuwegein. Samen hebben deze twee steden zo’n 100.000 inwoners die alleen via een langzame tram en buslijnen via Utrecht-Centraal aan het OV-net van de rest van Nederland zijn verbonden. Het toevoegen van Rijnenburg aan deze kant van de regio vergroot dat probleem. Vanuit de ambitie om gezond stedelijk leven te faciliteren en bij te dragen is het nodig om woonmilieus te creëren waarbij de auto niet het vanzelfsprekende vervoermiddel is en waarbij de weginfrastructuur in deze hoek van de regio niet nog veel sterker wordt belast. Dit vraagt om een ingrijpende visie op de invulling van Rijnenburg waarbij de aanleg van een zware OV-verbinding of een alternatieve benadering van mobiliteit essentieel zijn. Zo’n benadering van Rijnenburg zou idealiter ook de mobiliteitsproblemen van Nieuwegein en Ijsselstein aanpakken. Deze oplossing is er nog niet. In de RSU wordt gestudeerd op een OV-lijn via Papendorp naar Utrecht Centraal. Of op verbindingen naar Leidsche Rijn en Nieuwegein. Door de zuidkant van Rijnenburg te bebouwen ligt het los van de bestaande stad Utrecht.
Het zal daarmee op het gebied van voorzieningen en werken ook sterk op zichzelf en op de buren in
Er ontstaat daarmee een woonmilieu dat enerzijds wat excentrisch gelegen is en landschappelijk interessant kan zijn, maar anderzijds vanuit mobiliteitsoogpunt een sterke stedelijkheid en centraliteit nodig heeft. Geredeneerd vanuit landschap kan Rijnenburg gezien worden als kans om de groene scheg vanuit de zuidwestkant van de regio mee vorm te geven. Een verbinding tussen de stad en het landschap langs de Hollandse Ijssel en de grootschalige polder en rivierlandschappen. De mogelijke ontwikkeling van Rijnenburg brengt dus veel hoofdbrekers met zich mee. Enerzijds kan een ambitieuze aanpak ook Nieuwegein en Ijsselstein versterken op het gebied van mobiliteit en het draagvlak voor voorzieningen, maar hiervoor zijn grote investeringen, ingrepen en visie nodig. Anderzijds is een meer ontspannen benadering mogelijk die vooral vanuit landschappelijke kwaliteit een bijdrage levert aan de regio, waarbij het de vraag is in hoeverre Rijnenburg nog bij kan dragen aan de woningbouwopgave van de regio. De balans tussen benodigde investeringen en bijdrage aan de doelstellingen van de regio zal in de vervolgfase van het IRP verder moeten worden verkend.
47
AFWEGING UITLEGLOCATIES Wanneer een keuze gemaakt moet worden tussen verschillende uitleglocaties is het afhankelijk welke opgave met deze locaties moet worden ingevuld. Hoeveel woningen zijn er nodig in deze uitleglocaties bovenop de binnenstedelijke opgaven in de redeneerlijnen 1-6? Hiervoor bieden de scenario’s uit hst 2 (opgave wonen) een eerste beeld. Daarbij is het belangrijk om ook in beeld te brengen wat een grotere opgave (119.000 woningen uit aangepaste prognoses) is of voor 130% programmeren zou betekenen voor de behoefte aan uitleglocaties. Voorlopige conclusies uit de botssessies en MCA zijn: • Loenersloot is de minst geschikte locatie voor verstedelijking en zou daarmee als potentiële locatie tot 2040 geschrapt kunnen worden • Breukelen-West lijkt minder geschikt dan de overige locaties, vanwege de landschappelijke waarden, de wateropgave, de beperkte aanwezigheid van nabije werklocaties en het vraagstuk van aanhaking op het centrum van Breukelen • Uitleg bij Woerden is nog niet uitgewerkt, maar is mogelijk op verschillende locaties, bijvoorbeeld in combinatie met een nieuwe P+R locatie en/of een goede aansluiting op het bestaande station • Bunnik-Zuid scoort vanuit de MCA beter dan de andere uitleglocaties, hoewel er met name in de regionale weginfrastructuur een complexe knoop moet worden opgelost • Rijnenburg is mogelijk, maar uitsluitend in combinatie met een
strategische keuze voor de ontsluiting gerelateerd aan de schaal en intensiteit van de ontwikkeling Bij het publiek maken van een aantal mogelijke nieuwe uitleglocaties (Loenersloot en Breukelen-West) in de contour REP bestaat het risico dat marktpartijen strategische grondaankopen doen op deze plekken. Indien deze locaties als niet kansrijk worden beschouwd is het belangrijk deze niet langer in de lucht te houden.
48
De woningbouwlocaties die in beeld zijn voor uitleg tellen op tot een bandbreedte van 0 – 54.400 woningen. Dit is afhankelijk van aan welke woningbouwopgave het wordt gekoppeld een aandeel van 0% tot 52% van de totale opgave. Of en hoeveel van deze uitleglocaties nodig zijn hangt in kwantitatieve zin samen met welke ambities waargemaakt kunnen worden binnenstedelijk. In kwalitatieve zin is het afhankelijk naar de behoefte van het type woonmilieus dat in uitleglocaties gemaakt kan worden.
Bandbreedte woningaantallen redeneerlijn 7
Bandbreedte woningaantallen als % van de opgave
49
Redeneerlijn 8 Verdichten en (niet) mengen werklocaties De verstedelijkingslocaties in redeneerlijnen 1-5 zijn gemengde gebieden waar wonen, werken en voorzieningen samen komen in een groene en energiepositieve omgeving. Het werken speelt in de verschillende locaties een andere rol met een grotere rol voor werken in hoogstedelijke knopen en de minder in uitleglocaties. In de uitwerking zal per knoop een specifiek profiel voor het woon- en werkmilieu moeten worden gemaakt. De totale opgave van 80.000 banen die in de regio gecreëerd moeten worden is verdeeld in verschillende sectoren en typen locaties: 1. Werken aan huis 2. Werken binnen woonwijken 3. Werken in campusgebieden / wetenschap 4. Werken in stedelijke kantoorlocaties 5. Werken op bedrijventerreinen o Stedelijke gemengde bedrijventerreinen o Niet-gemengde bedrijventerreinen in verschillende schalen en milieucategorieën 59.000 van de 80.000 nieuwe banen in de regio moeten worden gecreëerd binnen de stad Utrecht, op locatietypen 1-4 en op gemengde terreinen. De opgave om ruimte voor deze banen te creëren zit daarmee in de verstedelijkingslocaties die zijn benoemd in de eerste drie redeneerlijnen. Het gaat om nieuwe kwalitatief hoogwaardig kantoorlocaties, om bedrijvigheid in de wijk, creatieve bedrijvigheid, overheid, zorg, onderwijs, etc. etc.
Tussen de verschillende binnenstedelijke verdichtingslocaties zitten grote accentverschillen wanneer het gaat om de rol van werken. Utrecht Centraal, USP en mogelijk ook Lunetten-Koningsweg zijn plekken die meedoen in de toplocaties voor werken in het land. Hoogwaardige hoogstedelijke werklocaties die vooral meedoen in de life science economie waar Utrecht sterk in is. In de overige locaties is het werken ook sterk vertegenwoordigd, maar deze kan een ander profiel hebben. De A12-zone kan een interessant gemengd woon50
werk gebied worden waar bijvoorbeeld ook nieuwe vormen van lichte maakindustrie gemengd worden met wonen. Van de overige 21.000 banen worden er 11.000 gecreëerd binnen de stad Utrecht op bedrijventerreinen en 10.000 in de regio. Om ervoor te zorgen dat ook voor deze banen ruimte is, is het zaak om de bestaande en nieuwe werklocaties steeds efficiënter te gebruiken. Voor een deel kan dat gebeuren in gemengde woonwerkgebieden, maar voor een deel zullen ook werkgebieden juist NIET gemengd moeten worden om optimaal te kunnen functioneren. Door het totaal areaal aan bedrijventerreinen te beperken ontstaat er druk op de markt waardoor het kansrijker is om bestaande terreinen te verdichten. De groei van bedrijvigheid zou in samenhang opgevangen moeten worden door bestaande en nieuwe terreinen in een specifiek profiel door te ontwikkelen. Hiervoor is het nodig dat er per bedrijventerrein een heldere visie en profiel wordt uitgewerkt, waarvoor binnen het STEC onderzoek al een eerste stap is gezet, en dat er een regionaal uitgifteprotocol komt waarbij bedrijfsvestigingen en uitbreidingen worden afgestemd. Daarmee moet concurrentie tussen gemeenten bij het aantrekken van bedrijven plaats maken voor het groeien per terrein in een specifiek profiel. Met het AO Economie is een eerste inventarisatie gedaan naar welke werklocaties zich lenen voor verdichting, transformatie en uitbreiding.
Deze staan op onderstaande kaarten samengevat. Een aantal uitgangspunten bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen: • Nog uit te geven bedrijventerreinen worden in hogere dichtheid ontwikkeld, waardoor het aantal banen per ha bedrijventerrein groter wordt; • Bestaande bedrijventerreinen worden waar mogelijk verdicht; • Per bedrijventerrein wordt onderzocht wat de verdichtingsmogelijkheden zijn en wat het toekomstperspectief, de visie en de profilering van het terrein is;
Bedrijventerreinen in de regio
• •
•
Uitgifte van bedrijventerrein wordt gedaan via een regionaal uitgifteprotocol; In principe worden bedrijventerreinen niet getransformeerd, tenzij er onderbouwd kan worden dat transformatie en/of menging leidt tot een toename van arbeidsplaatsen en dat een eventueel verdringend effect voorkomen of (elders) geaccommodeerd kan worden; Indien er aanvullende bedrijventerreinen nodig zijn ligt termijn een keuze voor of (1) in deze vraag voorzien kan worden door uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen of dat (2) er nieuwe (regionale) bedrijventerreinen nodig zijn of dat (3) niet alle vraag naar bedrijventerreinen wordt geaccommodeerd in de regio. 51
Redeneerlijn 9 Energie is een gezamenlijke opgave Om te komen tot een breed gedragen invulling van deze energieopgave voeren gemeenten in in het RES-traject onderzoek uit naar hun vermogen om bij te dragen aan de regionale energiebehoefte. Gemeenten werken volop aan participatie en draagvlak om ervoor te zorgen dat de te kiezen oplossingsrichtingen realistisch zijn en passen bij de lokale situatie. In de volgende fase van het IRP worden deze keuzes ingebracht en meegenomen en geïntegreerd in de ruimtelijke opgaven van de regio. Koppeling van opgaven is daarbij kansrijk (bijvoorbeeld koppeling van het verdichten bedrijventerreinen en energieopwekking, of koppeling transitie landbouw en energieopwekking).
52
Redeneerlijn 10 Gezond stedelijk bewegen vereist scherpe keuzes Bij dit verstedelijkingsperspectief op hoofdlijnen hoort een systeemsprong in de infrastructuur. De grootste systeemsprong heeft te maken met een nieuwe manier van inrichten van het regionale OV door het aanleggen van het wiel met spaken. Dit vormt de belangrijkste input van de regio aan het MIRT en UNED traject. De voorgestelde ingrepen worden gekoppeld aan de verschillende redeneerlijnen. Generiek Fijnmazig non-stop fietsnetwerk dat verbindt en knopen ontsluit, vooral voor fietsafstanden tot 15 kilometer en ter ontsluiting van OVknooppunten Verminderen autoverkeer door: • Plannen voor nabijheid en functiemenging • Stimuleren van deelmobiliteit • Instellen van wegbeprijzing / cordonheffing in relatie tot landelijke maatregelen • Restrictief en afgestemd parkeerbeleid binnen de regio • Nieuwe overstappunten (P+R) aan rand van de regio Toegankelijk maken landschap voor recreatie
Redeneerlijn 10
Redeneerlijn 3 Verzwaren en versnellen OV-lijn Utrecht CS – Nieuwegein Redeneerlijn 4 Toevoegen hoogfrequente IC-stations (Leidsche Rijn en Lunetten/ Koningsweg) Redeneerlijn 5 Verbinden van nevenknopen (OV-wiel) voor regionaal OV verkeer: (Zuilen -) Leidsche Rijn – Westraven – Lunetten/Koningsweg – USP/ Rijnsweerd – Overvecht (- Zuilen) Redeneerlijn 6 Verhogen treinfrequenties regioknopen (Houten, Breukelen, Woerden,
Bunnik) en het aanleggen van de benodigde infrastructuur hiervoor (deels spoorverdubbeling) Redeneerlijn 7 Oplossing op maat voor infrastructuur (OV, fiets en weg) bij uitleglocaties indien deze ontwikkeld worden Optelsom A12+ Nieuwe en heldere oplossing voor (regionaal) wegverkeer A12-zone nodig in de vorm van een regionale bypass ter ontsluiting A12 zone en mogelijk ook andere A12 locaties (van Rijnenburg tot Bunnik) 53
CONCLUSIES, STRATEGIE EN VERVOLG
6.
Conclusies, strategie en vervolg Deze verstedelijkingsstrategie op hoofdlijnen is een tussenstap onderweg naar het Integraal Regionaal Perspectief. De tien redeneerlijnen geven richting en laten tegelijk zien waar de behoefte aan verdere uitwerking nog zit.
als strategische reserve. De regio kan deze projecten benoemen als pauzelandschappen. Deze projecten kunnen ingezet worden op het moment dat ze wel nodig blijken te zijn door veranderende omstandigheden.
Het is op dit moment nog niet nodig om nadere keuzes te maken, tenzij deze nodig zijn voor een regionale inzet in het BO MIRT.
Vanaf oktober wordt gewerkt aan het proces om tot een Integraal Ruimtelijk Perspectief te komen. Hiervoor zal ca. 6 maanden worden uitgetrokken en intensief worden samengewerkt tussen de regio en de gemeenten om te komen tot de benodigde keuzes.
Daarbij wordt voorgesteld om de keuzes in te delen in verschillende categorieën: 1. Keuzes voor de hoofdlijnen Deze keuzes zijn voor het grootste deel al gemaakt in de RuimtelijkEconomische Koers en in de Contour. Het gaat om de hoofdlijnen zoals de keuze voor Gezond Stedelijk Leven, de keuze voor Nabijheid en de keuze voor een accent op binnenstedelijke verdichting nabij knooppunten voor de grote stedelijke opgave. 2. Keuzes voor majeure projecten Voor grote projecten waar de regio elkaar nodig heeft en waarvoor de regio als geheel samenwerking met andere bestuurslagen nodig heeft moeten keuzes worden gemaakt in het proces om te komen tot het IRP. Het gaat om de grote locaties voor verstedelijking, maar ook over mobiliteitsingrepen, landschappelijke opgaven, waar mogelijk in integraliteit tussen verschillende opgaven. 3. Ambities per gemeente Gemeenten hebben voor veel plannen en projecten de regio niet nodig. Naast de grote lijnen uit de majeure projecten is er dus flexibiliteit nodig waarmee gemeenten hun eigen opgaven kunnen invullen. Deze ruimte voor flexibiliteit zou de regio wel gezamenlijk (en in afstemming met de provincie) moeten definiëren, vooral als het gaat over een opgave voor woningbouw en werklocaties. 4. Pauzelandschappen Mogelijk zijn niet alle projecten nu nodig, maar zijn ze wel belangrijk
55
Woningaantallen en keuzes voor locaties De bandbreedte tussen het aantal te bouwen woningen in de Kaart van Altijd en de Kaart van Alles is afgepeld tot de bandbreedte per redeneerlijn. Per redeneerlijn kan in de vervolgfase (het IRP) een meer precieze inschatting gemaakt worden wat realistisch is. Naast de Kaart van Alles en de Kaart van Altijd is een kolom toegevoegd met een laatste inzicht. Dit is deels gebaseerd op keuzes die gemeenten zelf gemaakt hebben (De Ronde Venen en Houten) of op basis van nieuwe inzichten over laadvermogen van locaties. Daarbij kan geconstateerd worden dat: •
•
•
De woningaantallen onder redeneerlijn 3 (vitaliteit) blijven binnen een aan te scherpen bandbreedte vallen waar gemeenten zelf invulling aan kunnen geven. De opgave wordt benaderd vanuit de lokale behoefte, onafhankelijk van grote keuzes over de regionale structuur. Daarbij is het wel nodig om keuzes te maken t.a.v. de middelgrote kernen en de daarbij behorende investeringsopgave inzichtelijk te maken. De bandbreedte in woningaantallen onder redeneerlijn 6 (regioknopen) is relatief beperkt wanneer de ingezette ontwikkelrichting van Houten als gegeven wordt meegenomen. Deze opgave vereist nog altijd flinke ingrepen in infrastructuur, maar zijn ontwikkelingen die je sowieso zou moeten doen.
Bandbreedte woningaantallen redeneerlijn 2
Bandbreedte woningaantallen redeneerlijnen 3+4+5
Bandbreedte woningaantallen redeneerlijn 6
De grootste variabelen zitten in het laadvermogen van de binnenstedelijke locaties in Utrecht en de A12 zone (redeneerlijnen 3, 4 en 5). De mate waarin deze binnenstedelijke ambities zijn waar te maken bepalen in kwantitatieve zin de opgave voor uitleglocaties (redeneerlijn 7). Bandbreedte woningaantallen redeneerlijn 7
N.B. De kolom Laatste Inzicht wordt nader ingevuld met input vanuit gemeenten en andere te trekken conclusies
56
COLOFON Team SITE Geurt van Randeraat Wouter Onclin Tuur Pluijmen Copyright SITE urban development bv, oktober 2020
SITE urban development Gedempt Hamerkanaal 91 1021 KP Amsterdam www.site-ud.nl 57
SITE urban development Gedempt Hamerkanaal 91 1021 KP Amsterdam www.site-ud.nl