verstedelijkingsstrategie U16.pdf
Tekst van het document
VERSTEDELIJKINGSSTRATEGIE OP HOOFDLIJNEN U16 CONCEPT
12-10-2020
INHOUDSOPGAVE
2
1.
Inleiding
4
2.
De opgave: Waar zoeken we ruimte voor?
6
3.
De visie op de regio: De koers is bepaald
16
4.
Analyse en afwegingen
20
5.
Redeneerlijnen: Eerste stappen naar keuzes voor de regio
24
6.
Conclusies, strategie en vervolg
54
De kaart van Alles uit de Contour REP: In voorliggende verstedelijkingsstrategie wordt een aantal redeneerlijnen opgesteld waarmee in de vervolgfase (IRP) de kaart uit de Contour verder uitgewerkt kan worden. 3
INLEIDING
1.
Verstedelijkingsstrategie als opstap van contour naar Integraal Ruimtelijk Perspectief Verstedelijkingsstrategie Deze nu voorliggende Verstedelijkingsstrategie op hoofdlijnen is een tussenstap om te komen tot een Integraal Ruimtelijk Perspectief. Het is de de start van Fase 3. De Verstedelijkingsstrategie heeft als doel: • • •
Beantwoorden van een aantal belangrijke onderzoeksvragen voor wonen, werken en bereikbaarheid uit de Contour die het meest bepalend zijn voor de hoofdkeuzes in de verstedelijkingsstrategie; Een aantal richtinggevende keuzes inzichtelijk maken en samenhangende redeneerlijnen opstellen; De inhoudelijke basis leggen voor het te maken ruimtelijke perspectief en de regionale inzet in Uned ten behoeve van het BO MIRT in november 2020
Integrale regionale opgaven De Metropoolregio Utrecht (MRU) is de snelst groeiende regio van Nederland en een van de meest competitieve regio’s van Europa. Dit succes is niet vanzelfsprekend en moet gekoesterd worden, maar zorgt ook voor uitdagingen. De woningbehoefte groeit tot 2040 met 104.000 woningen en er is een tekort aan woningen in alle segmenten, er zijn wachtlijsten en woningprijzen blijven oplopen. Bedrijventerreinen lopen vol en de verwachting is dat tot 2040 er ten minste 80.000 banen bij komen in de U16. De populariteit van deze regio zorgt ook voor toenemende knelpunten in het mobiliteitssysteem. Dit systeem is nu al overbelast en loopt nog verder vast als er geen actie wordt ondernomen. Deze groei wil de regio op een duurzame wijze opvangen. Dat betekent dat landschap moet worden versterkt en ‘Gezondheid’ is een integraal onderdeel van alle vraagstukken in de regio. Ook werkt de regio aan een Regionale energiestrategie (RES) die inzichtelijk maakt wat de energievraag van de regio is en hoe de regio zelf op een duurzame manier in deze energievraag gaat voorzien.
schaalniveaus en belangen (lokaal, regionaal, provinciaal en tussen publiek en privaat) en in de tijd (korte, middellange en lange termijn). Naar een Integraal ruimtelijk perspectief Om deze integrale regionale opgaven het hoofd te bieden, wordt door de Opgavetafel Ruimtelijk Economisch Programma (REP) een Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP) opgesteld. Dit is het regionale kader om de groei in goede banen te leiden, met gezondheid als leidmotief en slimme combinaties en keuzes tussen de pijlers wonen, werken, bereikbaarheid, groen en energie. Om de groei in goede banen te leiden is door de regio U10/U16 in 2018 een Ruimtelijk-economische koers opgesteld. In deze koers zijn principes geformuleerd die richting geven aan de duurzame ontwikkeling van deze regio tot een ‘Ontmoetingsplaats voor gezond leven in een stedelijke regio’. Op basis van deze REK is de ambitie om in vier fases te komen tot een regionaal programma en uitvoeringsstrategie: Fase 1: Stip op de horizon tot 2040 (2018 - 2019) Fase 2: Een ruimtelijke contour (2019 – 2020) Fase 3: Een verstedelijkingsstrategie en integraal ruimtelijk perspectief (2020 en 2021) Fase 4: Een integraal programma en uitvoeringsstrategie Vervolgproces Uitwerking Integraal Ruimtelijk Perspectief van oktober 2020 – maart 2021.
Deze opgaven zijn urgent, complex en omvangrijk. Ze hangen bovendien nauw met elkaar samen en ze beïnvloeden elkaar. Ze vragen daarom om een integraal perspectief. Een perspectief dat de samenhang duidt tussen verschillende inhoudelijke opgaven (wonen, werken, bereikbaarheid, groen en energie), tussen de verschillende 5
DE OPGAVE
2. 6
Waar zoeken we ruimte voor? De regio Utrecht groeit en verandert. In deze verstedelijkingsstrategie op hoofdlijnen wordt gezocht naar de ruimte voor deze groei en verandering. Om te bepalen welke ruimte er nodig is, moet het helder zijn wat er precies bereikt moet worden: de opgave. Deze opgave is in verschillende sectorale onderzoeken verkend, maar wordt hier kort samengevat. De opgave bestaat uit: • Groen, landschap, water • Wonen • Werken • Mobiliteit • Energie
Op het moment van schrijven wordt gewerkt aan het sectorale opgaverapport voor groen en landschap. De uitwerking en de definitie van deze opgave loopt hiermee in de tijd iets achter op andere sectoren zoals wonen en werken, maar vormt tegelijkertijd het cement dat de regio en al haar locaties aan elkaar verbindt. Op verschillende bestuurlijke niveaus wordt ook al gewerkt aan de invulling van de landschappelijke opgave. Het Natuurnetwerk Nederland, de aanvraag voor werelderfgoedstatus van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en programma’s als “groen groeit mee” zijn hier voorbeelden van. De provincie neemt in veel van deze processen een centrale rol in en in de POVI wordt de opgave voor het landschap integraal meegenomen.
OPGAVE GROEN, LANDSCHAP EN WATER Het landschap en de daarin gewortelde cultuurhistorie is de basis die van de regio één geheel maakt. Bij de schaalsprong die de regio maakt op het gebied van verstedelijking hoort een schaalsprong in het landschap die wordt gevat onder de titel Utrechtse trots als basis. De landschappelijke kwaliteit en de bijbehorende natuurwaarden vinden we als regio zo leidend, dat we ervoor kiezen om de groei van de regionale bevolking en economie zoveel mogelijk te concentreren. We doen dit om het landschap te ontzien en perspectief te geven. Op het gebied van groen, landschap en water tekent zich voor de toekomst een omvangrijke opgave af. Deze opgave komt voort uit: - De realisatie van het Natuurnetwerk Nederland - De toenemende druk op recreatief groen door groei van het aantal bewoners en bezoekers - Het integreren van groen in de stedelijke ontwikkelingsopgave, ingegeven vanuit de kwaliteit, klimaatadaptiviteit en natuurinclusiviteit van de woonomgeving - Het vormgeven van de transitie van de landbouw in de regio - Het integreren van de wateropgave in de ontwikkeling van de regio - Het vinden van ruimte voor de opwekking van duurzame energie
Landschap & waterstructuren Utrecht
7
Schaalsprong landschap: Utrechtse trots als basis De schaalsprong in het landschap wordt gemaakt door de introductie van: • Een netwerk van groenblauwe routes en verbindingen voor recreatie en natuur, met name langs de oude stromen in de U16 zoals Kromme Rijn of Vecht. • Een reeks groene scheggen; landschapsparken die stedelijke kernen verbinden met het buitengebied en die groene buffers vormen om te voorkomen dat kernen aan elkaar groeien. In de groene scheggen is een combinatie van recreatie, natuur, cultuurhistorie en (aangepaste) landbouw te vinden. • Het landschap van de toekomst; buitengebieden waar een nieuwe mix ontstaat van gebruiksfuncties zoals landbouw, energiewinning, recreatie, waterberging etc. • Landbouwkerngebieden; de grote eenheden waar landbouwkundige functie de ruimte heeft en houdt. Verschillende schaalniveaus Om de relatie tussen groen en landschap en verstedelijking te duiden delen we de opgave voor groen en landschap in in drie niveaus: 1. Grote landschapsstructuren: Dit zijn de structuren die de kwaliteit en de identiteit van de regio bepalen. Grote landschappen en lijnen die versterkt, verbeterd en beschermd moeten worden.
Onderdeel van deze laag zijn ten minste: • Lek, rivier met uiterwaarden • Kromme Rijngebied • Oude Rijnzone • Limes • Hollandsche IJsselzone • Oude Hollandse waterlinie (vestingen) • Nieuwe Hollandse Waterlinie • Stelling van Amsterdam • Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug • Stichtse Lustwarande en Vechtstreek met landgoederen • Veenweidelandschap • Lopikerwaard en Vijfheerenlanden 8
2. Groene scheggen: Landschappen waar de grote landschapsstructuren (hierboven) het stedelijk gebied raken worden in deze strategie benoemd in een aantal groene scheggen. Op dit snijvlak van landschap en stad buitelen ruimteclaims over elkaar heen. Juist hier is het uitdaging en een complexe ontwerpopgave om ruimte voor verstedelijking, voor groen, landschap en recreatie, water en ruimte voor energieopwekking elkaar te laten versterken. Deze dynamiek is met name te vinden aan de randen van de stad Utrecht. 3. Groene verstedelijking: De groeiopgave voor wonen, werken en mobiliteit in de regio zorgt ervoor dat we nieuwe woon- en werkmilieus moeten inrichten. Binnen deze nieuw te verstedelijken gebieden is het een opgave om groen, recreatie, natuurinclusiviteit, waterretentie en klimaatadaptatie mee te nemen in de bebouwde en onbebouwde ruimte. Verbinden als opgave Door het verbinden van deze schaalniveaus ontstaat een regio waarin natuur en mens in verbinding met elkaar leven. De grote groenstructuren zijn verbonden met de haarvaten van de verstedelijking en zorgen voor beweging en ruimte voor mens en natuur. Water Door de participatie van de waterschappen in het proces van het REP komt ook de wateropgave van de regio steeds scherper in beeld.
De opgave is om op korte en op lange termijn te zorgen ervoor te zorgen dat regenwater opgevangen, geborgen en uiteindelijk afgevoerd kan worden. Daarnaast speelt water een grote rol in het klimaatadaptief maken van de regio, vooral als het gaat om bodemdaling en het tegengaan van droogte. Het gebied van de U16 gemeenten valt onder de verantwoordelijkheid van verschillende waterschappen. Het grootste deel van de regio valt onder De Stichtse Rijnlanden, terwijl het Noorden onder Amstel, Gooi en Vecht valt en het gebied ten zuiden van de Lek bij waterschap Rivierenland hoort. Vanuit de inbreng van de waterschappen is een aantal algemene uitspraken geformuleerd die richting geven aan het perspectief van landschap en verstedelijking:
• Binnenstedelijke verstedelijking draagt beter bij aan de wateropgave dan het ontwikkelen van uitleglocaties • Bouwen op hogere gronden is in het algemeen beter dan het bebouwen van laaggelegen en natte gronden • Integreer de wateropgave (berging, infiltratie) in het ontwerp van het stedelijk gebied • Als waterberging goed ingebed wordt in de verstedelijkingsopgave is het niet nodig om aanvullende waterbergingslocaties te creëren • De afvoer van oppervlaktewater voor het grootste deel van de regio gebeurt via het Amsterdam-Rijnkanaal, waar op termijn gekeken moet worden naar capaciteit en robuustheid. Daarnaast speelt de opgave om in de lager gelegen gebieden van de regio bodemdaling, verdroging en verzilting tegen te gaan. Daarbij gaat het o.a. over het bodemwaterpeil, wat een directe relatie heeft met de hierboven genoemde waterbeheeropgave, maar ook met de landbouwtransitie. Indicatieve omvang opgave uit bouwsteen Groen en Landschap (in ontwikkeling)
9
OPGAVE WONEN Kwantitatieve opgave wonen Tot 2040 is er behoefte aan 104.000 nieuwe woningen in de regio U16. Deze woningbehoefte volgt uit eerder regionaal onderzoek in 2018 en is de door de bestuurstafel wonen vastgestelde woningbehoefte. Sinds het vaststellen van deze behoefte is daar een aantal zaken aan toegevoegd: • Door nieuwe bevolkingsprognoses (2019) en een afspraak met het Rijk dat het woningtekort wordt teruggebracht naar 2% stijgt de opgave voor 2040 naar 119.000 woningen • In de woondeal is opgenomen dat er 30% overprogrammering nodig is om te komen tot de juiste woningproductie. Dit zou betekenen dat er 30% extra planaanbod gecreëerd zou moeten worden.
Voor deze verstedelijkingsstrategie op hoofdlijnen wordt tot nu toe uitgegaan van de bestuurlijk vastgestelde opgave van 104.000 woningen, en wordt tegelijkertijd inzichtelijk gemaakt wat een grotere opgave zou betekenen. Deze opgave is gespiegeld aan de planvoorraad in de regio. Deze bestaat uit een relatief harde planvoorraad van 67.000 woningen die in de Contour REP is vastgelegd in de “Kaart van Altijd”. Daarnaast is er een mogelijke aanvullende planvoorraad die in de Contour REP in de “Kaart van Alles” staat. Daarmee groeit het totaal aantal mogelijk te bouwen woningen tot ver boven de behoefte met in totaal 204.000 woningen. Er lijkt dus voldoende planvoorraad, maar in de grootte van deze aantallen zit ook een risico. Ten eerste is de overcapaciteit minder groot wanneer uitgegaan wordt van een grotere opgave en van een behoefte aan overprogrammering. Ten tweede staat in de Kaart van Alles een aantal omvangrijke mogelijke woningbouwlocaties waarvan het de vraag is of ze in die mate realistisch zijn. 10
Woningaantallen in kaart van alles: • Utrecht stad (muv A12-zone en Rijnenburg): 66.500 • A12-zone: 25.000 woningen • Rijnenburg: 25.000 woningen • Houten: 15.550 • Loenersloot: 10.000 • Breukelen-West: 4.000 • Bunnik-Zuid: 6.300 Een aantal van deze locaties zal niet in deze mate ontwikkeld kunnen worden. Zo wordt in de RSU een lager aantal woningen voor de stad Utrecht aangehouden, wordt in Houten besluitvorming voorbereid om met ca. 6.100 woningen te groeien en is het de vraag of de A12zone in een dergelijke intensiteit mogelijk is in combinatie met de andere doelstellingen voor het gebied. Veel van de uitleglocaties zijn controversieel en vereisen aanzienlijke ingrepen in de infrastructuur. En indien dan kwantitatief een sluitend scenario ontwikkeld wordt, betekent het ook dat alle andere locaties in de Kaart van Altijd ook zullen moeten worden gerealiseerd. Kwalitatieve opgave wonen Naast de kwantitatieve opgave is ook de kwalitatieve opgave onderzocht in een kwalitatief woningmarktonderzoek uit 2020 door Companen. Het advies uit dit onderzoek is uitgesplitst naar woningbouwprogrammering en naar woonmilieus. Voor de locatiekeuze is met name het woonmilieu van belang, omdat binnen deze woonmilieus het programma nog te sturen is.
Het advies per subregio is kort samengevat: • Stad Utrecht: grote behoefte aan centrumstedelijke woonmilieus en in mindere mate aan groenstedelijke woomilieus • Agglomeratie Utrecht (excl. Stad): behoefte aan centrum woonmilieus (in centra van suburbane kernen) en buiten-centrum woonmilieus rondom vervoersknopen • Zuidoost: grote behoefte aan buiten-centrum woonmilieus nabij knooppunten en in mindere mate centrum woonmilieus (centra dorpskernen) • Noord: Met name vraag nar buiten-centrum milieus
• Zuidwest: Met name vraag naar buiten-centrum woonmilieus nabij knooppunten en in mindere mate centrummilieus en landelijke milieus In onderstaande figuur heeft Companen de behoefte per woonmilieu in 2040 (roze balk) afgezet tegen de bestaande harde planvoorraad (oranje vak) voor de agglomeratie Utrecht. Hieruit blijkt dat er met name behoefte is aan extra woningen in centrum-stedelijke milieus:
Indeling deelgebieden Companen
De kwalitatieve opgave van het woonprogramma is buiten het stedelijk kerngebied van Utrecht met name belangrijk in de kleine en middelgrote kernen. Daar is de ontwikkeling van de woningvoorraad met name van belang om kernen vitaal en dynamisch te houden.
11
OPGAVE WERKEN
wachting ook plaats op deze bedrijventerreinen (ca. 20.000 banen).
Tot 2040 heeft de regio U16 een opgave om zich verder te ontwikkelen als sterke economische regio. Hoe ontwikkelt de regio zich als hub voor de domeinen life sciences, smart industry en circulariteit/bouw, en hoe kunnen gemeenten hierin beter complementair worden?
Tot 2030 is vraag naar 196 ha nieuw bedrijventerrein en is er een vervangingsvraag van 13 ha vanwege het transformeren van bestaande bedrijventerreinen. De totale opgave tot 2030 is daarmee 209 ha. Tussen 2030 en 2040 is nog eens 93 ha bedrijventerrein nodig, waarmee de totale opgave op 302 ha komt.
De kwalitatieve doelstelling wordt vertaald in een kwantitatieve doelstelling: Het creëren van 80.000 banen. Deze 80.000 arbeidsplaatsen zijn als volgt opgebouwd: • Van deze banen moeten ca. 70.000 banen worden gecreëerd in de stad Utrecht • Van deze banen moeten ca. 59.000 banen worden gecreëerd in gemengde stedelijke ontwikkellocaties: - kantoorlocaties - locaties voor wetenschap/campus - informele werklocaties die gemengd zijn in woonmilieus - thuiswerken Gemengde woon-werklocaties onderdeel van verstedelijkingsopgave Voor deze 59.000 banen is de opgave om hier ruimte voor te creëren een onderdeel van de verstedelijkingslocaties die ook voor wonen in beeld zijn. Het gaat voor deze locaties dus om gemengde stedelijke woon-werklocaties. Per verstedelijkingslocatie is een specifieke mix van wonen en werken te benoemen die past bij de locatie. De stedelijke ontwikkelingsopgave is daarmee dus ook een werkopgave. Binnen de RSU wordt deze werkgelegenheidsopgave integraal meegenomen in de gehanteerde barcode methodiek. Deze werklocaties zijn met name belangrijk in het versterken van het economische profiel van de regio als plek voor life sciences en voor de zakelijke dienstverlening. Voor een groot deel landt deze opgave in de stad Utrecht, maar ook op andere (knooppunt) locaties en in andere stedelijke ontwikkelingen wordt gewerkt aan deze (gemengde) stedelijke gebieden.
Bedrijventerreinen: verdichting en uitleg nodig 25% van de werkgelegenheid in de regio is gesitueerd op bedrijventerreinen. Een vergelijkbaar deel van de banengroei vindt naar ver12
In de regio is op dit moment 60 ha aan hard planaanbod en uitgeefbaar bedrijventerrein beschikbaar. Na uitvraag bij gemeenten worden kansen gezien voor een aanvullend planaanbod van nog eens 87 ha, opgeteld dus 147 ha. Het verschil tussen de uitbreidingsvraag en het planaanbod kan gezien worden als de opgave voor het REP om nieuwe bedrijventerreinen te vinden. Dit verschil is afhankelijk van in hoeverre potentiële plancapaciteit ook daadwerkelijk harde plancapaciteit kan worden. De vraag en het (potentiële) planaanbod is vertaald in verschillende typen bedrijventerreinen: Verdichting verkleint vraag naar bedrijventerreinen
Een belangrijke variabele in de vraag naar bedrijventerreinen ligt echter in de invulling van deze bedrijventerreinen en de dichtheid van het gebruik. De vraagraming is gedaan volgens een traditionele methode voor vraag naar bedrijventerreinen. Tegelijkertijd zien we in praktijk dat bestaande bedrijventerreinen vaak niet optimaal worden gebruikt. Het principe van het juiste bedrijf op de juiste plek kan veel ruimte opleveren, maar vereist een sterkere sturing en afstemming. De opgave voor de vraag naar bedrijventerreinen kan bijvoorbeeld verkleind worden door: •
Het in hogere dichtheid ontwikkelen van nog uit te geven bedrijventerreinen o Bijvoorbeeld: de harde + potentiële planvoorraad is 147ha. Als deze 30% intensiever gebruikt zou worden zou dit de overgebleven vraag aanzienlijk verkleinen en zou er tot 2030 nog 18 ha nodig zijn.
•
Verdichten van bestaande bedrijventerreinen.
•
Kiezen om niet alle vraag naar bedrijventerreinen in te vullen (bijvoorbeeld XXL logistiek)
• • • •
• • •
Kwalitatieve sturing werklocaties vereist regionale afstemming Welke locaties lenen zich voor menging en/of transformatie? Hoe wordt voorkomen dat transformatie en verdichting leidt tot verdringing van kwetsbare werkgelegenheid? Verdichting van bedrijventerreinen is een complexe en kostbare opgave waarvoor middelen (financieel), instrumenten en schuifruimte voor nodig is. Het zonder meer uitgaan van deze verdichting brengt een risico met zich mee. OV-bereikbaarheid van werklocaties en bedrijventerreinen is net zo belangrijk als die van woonlocaties. Als het werk niet bereikbaar is, blijft een auto nodig. Kwalitatieve invulling van bedrijventerreinen, profilering en regionale afstemming Invulling geven aan de circulaire economie en de ruimtevraag die dit meebrengt
Voor de overgebleven vraag naar bedrijventerreinen is het nodig om aanvullende plancapaciteit te vinden. De Provincie Utrecht heeft in de POVI uitgesproken dat daarvoor uitbreiding van bestaande terreinen de voorkeur heeft boven het creëren van nieuwe regionale bedrijventerreinen. Afhankelijk van wat de overgebleven vraag precies is zal in het IRP een keuze gemaakt moeten worden over wat de beste manier is om aan deze vraag te voldoen en welke voorwaarden hiervoor nodig zijn. De kwalitatieve ontwikkeling van bedrijventerreinen kan als kans worden aangegrepen om invulling te geven aan de circulaire economie waarmee de regio zich verder ontwikkelt als regio voor gezond stedelijk leven. Kanttekening daarbij is dat circulaire economische activiteiten vaak juist ook grote ruimtevragers zijn met beperkte bijdrage aan de werkgelegenheid.
Aandachtspunten bij de opgave bedrijventerreinen: 13
OPGAVE ENERGIE De regio heeft een opgave om over te stappen op duurzaam opgewekte energie. Hiervoor is een regionale doelstelling opgesteld die bestuurlijk omarmd is. De manier waarop deze energie opgewekt wordt, en welke locaties daarbij horen is onderwerp van uitwerking in de Regionale Energie Strategie. Op het moment van schrijven inventariseren gemeenten hun mogelijkheden om bij te dragen aan deze gezamenlijke opgave. Hierover zijn nog geen richtinggevende uitspraken gedaan als het gaat om locaties en het type opwekking. Daarom wordt hier een aantal algemene uitgangspunten benoemd die in de vervolgfase van het IRP na goede input van de RES goed uitgewerkt moet worden:
14
•
Er is 1,8 TWH duurzame energie nodig in 2030, dit is ruim 7 keer de hoeveelheid die in de afgelopen 15 jaar is gerealiseerd in de regio. De opgave voor 2040 en 2050 is nog veel groter.
•
Voor de verstedelijkingsstrategie is het niet eenvoudig om de ruimtelijke implicaties van de energieopgave te overzien. Er kan slechts een beperkt een aantal generieke uitspraken gedaan worden zolang er geen concrete locaties voor energieopwekking in beeld zijn.
•
Concentreren van energieopwekking is beter dan spreiden, maar opwekking in het buitengebied is kansrijker en effectiever dan binnenstedelijk
•
Windmolens zijn effectiever dan zonnepanelen, maar tegelijkertijd ook sterker politiek beladen. Windmolens raken de landschapsbeleving en kan verstedelijking beperken door bijbehorende hindercontouren.
•
Om de energieopgave te beperken lijkt het logisch om principes te ontwikkelen die de impact van verstedelijking op de energievraag zo klein mogelijk maken. Nieuwe wijken en bedrijventerreinen zouden bijvoorbeeld energieneutraal/ positief moeten zijn om de opwekkingsopgave te verkleinen
•
De toepasbaarheid van warmteoplossingen zoals geothermie zijn nog onzeker. Warmteoplossingen kunnen echter de vraag naar elektriciteit aanzienlijk verkleinen. Warmte laat zich minder goed
vervoeren dan elektriciteit, waardoor en een sterke relatie is tussen locaties voor warmte en verstedelijking. •
Energie en landschapsontwikkeling botsen met elkaar, terwijl er ook kansen zijn om de landschappelijke opgave te koppelen aan de energieopgave. Mogelijk kan de energieopgave een aanleiding of een financiële drager zijn voor landschapsontwikkeling.
•
Ook in stedelijke omgeving is de energieopgave (deels) op te lossen. Een opgave in het IRP is om te voorkomen dat er een tegenstelling stad-platteland ontstaat als resultaat van de energieopgave. Verstedelijkingslocaties zullen hun bijdrage moeten leveren aan de opwekking van duurzame energie.
•
Botsing tussen energie en verstedelijking op locatieniveau lijkt nog beperkt en is niet scherp in beeld doordat locaties voor energieopwekking nog niet in beeld zijn. Het conflict (bijvoorbeeld tussen woningbouw en windmolens) ligt echter op de loer.
15
DE VISIE OP DE REGIO
3.
De koers is bepaald In de Ruimtelijk-Economische Koers is door de regio gekozen voor een regio waar gezond stedelijk leven centraal staat. De zes geformuleerde toekomstbeelden vormen de principes die ten grondslag liggen aan alle te maken verstedelijkingskeuzes in de regio. De zes toekomstbeelden zijn: 1. Utrecht is in 2040 de Internationaal erkende regio voor life sciences, gezondheid en duurzaamheid; 2. Gemeenten in de regio zijn economisch complementair; 3. We kiezen voor een ongedeelde regio met voldoende woningen voor alle doelgroepen; 4. We groeien, met voorrang, op binnenstedelijke locaties, dat leidt tot kwaliteit en interactie; 5. We geven voorrang aan duurzame mobiliteit; 6. Groen, landschap en cultuurhistorie leveren een onmisbare bijdrage aan de stedelijke regio.
slimme en toekomst vaste mobiliteit, zijn naast de bovengenoemde ladder ook als belangrijke uitgangspunten uit het beoordelingskader te distilleren: • • • • •
Het maken van gemengde gebieden; Nabijheid van wonen, werken, voorzieningen, groen en landschap; Het juist niet mengen met woningbouw van cruciale en potentievolle werkgebieden; Nieuwe woongebieden nabij de belangrijke werkgebieden van de toekomst; Het ontlasten van Utrecht Centraal door kwalitatief en kwantitatief goede alternatieve knopen te maken.
Een belangrijk uitgangspunt voor de Verstedelijkingsstrategie, vormt de door de regio gehanteerde ladder van te maken verstedelijkingskeuzes (waar laten we de opgaven voor wonen, werken en voorzieningen fysiek landen in de regio): 1. Op binnenstedelijke locaties en op binnenstedelijke locaties nabij bestaande OV knooppunten 2. Buitenstedelijk nabij bestaande OV knooppunten 3. Ontwikkelkansen nabij nieuwe OV knooppunten en buitenstedelijk met hoogwaardig OV In het kader van de Contour is door de regio een beoordelingskader gemaakt, om verstedelijkingskeuzes af te wegen. Dit beoordelingskader is in hoofdlijnen ook geschikt om in deze Verstedelijkingsstrategie een aantal hoofdkeuzes te beoordelen. Enkele subdoelen en kernindicatoren zijn echter voor deze fase nog te gedetailleerd en zullen eerder in het vervolg bij het perspectief en het programma een rol gaan spelen. Vanuit de inhoudelijke hoofddoelen: bevorderen van een gezonde, duurzame energieke regio; versterken economie; faciliteren verstedelijkingsopgave; verhogen ruimtelijke kwaliteit; en faciliteren 17
Het beoordelingskader
18
19
ANALYSE EN AFWEGINGEN
4.
Analyse en afwegingen Voor deze verstedelijkingsstrategie op hoofdlijnen is op basis van een aantal ingrediënten een analyse gemaakt van de verschillende mogelijke verstedelijkingslocaties. Deze ingrediënten zijn: 1. De samenvatting van de opgaven 2. De visie en richtinggevende keuzes uit de REK, de Contour en het beoordelingskader 3. De ontwikkellocaties in de contour (kaart van altijd en alles) en de MIRT-verkenningen Deze analyse is gedaan in twee ronden: 1. In een aantal botssessies met het opgaveteam en de inhoudelijke experts en trekkers per thema, waarin de verschillende thema’s (wonen, werken, mobiliteit, groen/landschap/water, energie) over elkaar zijn gelegd en is verkend op welke plekken de verschillende opgaven elkaar versterken en waar zij met elkaar botsen.
Afwegingen van prioriteiten en logica
2. Op basis van de resultaten van deze sessie hebben wij het opgaveteam en de inhoudelijke trekkers gevraagd de verschillende mogelijke verstedelijkingslocaties te beoordelen op een aantal inhoudelijke en strategische parameters in een multicriteria-analyse. Van botssessies naar prioriteiten De botssessies hebben geleid tot een logica en opbouw van prioriteiten per thema. Een aantal van deze prioriteiten ondersteunen en versterken elkaar, zoals bijvoorbeeld de noodzaak van het toevoegen van een nieuwe IC-knoop geredeneerd vanuit mobiliteit en het zoeken naar nieuwe hoogstedelijke werkmilieus nabij IC stations. Andere prioriteiten zijn tegenstrijdig met elkaar, zoals de signalering dat er buitenstedelijke locaties nodig zijn en dat waardevolle landschappen beschermd moeten worden. Dit betekent dus dat tussen deze verschillende tegenstrijdige keuzes een afweging gemaakt moet worden.
21
Discussie scherper in beeld via MCA Om te helpen deze discussie scherper te voeren is een beperkte groep deelnemers uit het opgaveteam REP en de trekkers van de verschillende thema’s gevraagd in meer detail de verschillende mogelijke ontwikkellocaties te scoren op een aantal criteria. Het gaat daarmee niet om een beoordeling, maar om in beeld te brengen hoe de prioriteiten uit de bovenstaande tabel zich vertalen naar prioriteiten voor specifieke locaties en welke voor- en nadelen aan deze locaties zitten. Voor deze analyse hebben wij delen van het beoordelingskader gebruikt, maar alleen voor zover dat in deze fase zinvol en nog niet te gedetailleerd is. Daarnaast hebben wij een aantal strategische vragen opgenomen in de analyse. De uitkomsten van deze MCA geven verder richting aan de keuzes die gemaakt moeten worden en brengen in beeld waar de conflicten en problemen per locatie zitten. Het kan een instrument zijn als er verschillende ontwikkellocaties tegen elkaar moeten worden afgewogen. Als er bijvoorbeeld een afweging gemaakt moet worden tussen Bunnik-Zuid en Breukelen-West dan geeft de tabel aanleiding voor een discussie hierover. Ook brengt het per locatie in beeld waar de grootste knelpunten en krachten zitten. Toelichting op de tabel: De verschillende locaties zijn op onderstaande criteria gescoord.
Op de eerste criteria (must have – no regret) is gevraagd of ontwikkeling van de locatie in deze categorie zit. Het aantal keren dat een locatie op deze manier is beoordeeld is geteld en correspondeert met een donkerder kleur paars in de tabel. Bijvoorbeeld, Woerden Spoorzone en Westraven scoren hoog als “must have”. De overige criteria zijn gescoord op een schaal van -2 tot +2, waarbij een hogere score groen kleurt en een lagere score rood.
22
Toelichting criteria Multi-Criteria Analyse
Intersubjectieve scores mogelijke ontwikkellocaties 23
REDENEERLIJNEN
5.
Voorsorteren op keuzes voor de regio De analyse van de opgaven en oplossingsrichtingen voor de regio worden in de volgende fase (het IRP) vertaald in keuzes. In 10 redeneerlijnen sorteren we voor op en trechteren we nu al deels, de keuzes die straks gemaakt zullen moeten worden. Welke locaties komen voort uit de al ingezette richtingen, en welke keuzes en discussies liggen er nog voor?
Regio Utrecht
25
Redeneerlijn 1
De Utrechtse Trots: Landschap als basis voor de ontwikkeling van de regio DE UTRECHTSE TROTS: LANDSCHAP ALS BASIS VOOR DE ONTWIKKELING VAN DE REGIO In de REP Contour is het landschap als basis genomen. Ook de keuzes die in het IRP gemaakt zullen moeten worden zijn uiteindelijk terug te voeren naar de basis die de regio verbindt: het landschap als De Utrechtse Trots. De keuze voor compacte verstedelijking komt voort uit de wens dit landschap te beschermen en te versterken. Daarmee zijn uiteindelijk de verschillende redeneerlijnen in deze verstedelijkingsstrategie terug te voeren op deze landschappelijke basis. Tegelijkertijd kent het landschap de komende jaren een grote dynamiek en moet er een nieuw perspectief gegeven worden aan het landschap, de landschappelijke schaalsprong:
Groene scheggen als ontwerpopgave in samenhang met verstedelijking De verbinding tussen de grote landschappelijke structuren en het stedelijk kerngebied is van essentieel belang voor de kwaliteit van het leven in de regio en het invullen van de opgave voor klimaatadaptatie. Om stad en landschap bij elkaar te brengen wordt het landschap op een aantal plekken zo ver mogelijk het stedelijk gebied in getrokken door het aanleggen van groene scheggen. De randen van deze scheggen zijn vaak de plekken waar de opgave voor verstedelijking het grootst is. Het ontwerp en de aanleg van deze groene scheggen kan daarmee gekoppeld worden aan de verstedelijking. Deze groene scheggen vormen een verbinding tussen stad en landschap die voor mens en natuur van belang is.
- Versterken en aanleggen van een U16 natuur netwerk parken en groenblauwe routes - Ontwikkelen van reeks groene scheggen die stad en landschap verbinden - Introduceren van landschappen van de toekomst - Ontwikkelen van landbouwkerngebieden Deze opgave wordt ingevuld op verschillende schaalniveaus: Grote groengebieden en landschappelijke structuren versterken en verbinden De kernkwaliteit van de regio wordt gevormd door aan een aantal grote landschappelijke structuren die verder versterkt en met elkaar verbonden moeten worden. Het gaat om groenblauwe routes, recreatieve netwerken en ecologische netwerken. Deze moeten met elkaar verbonden worden en ontsloten worden voor mens en natuur. Waar mogelijk kunnen opgaven aan elkaar gekoppeld worden.
26
Ontwikkelbeeld Landschap (BVR)
Integratie groene en wateropgave in verstedelijking Het derde niveau waarop de groene en wateropgave ingevuld wordt is het de integratie van groen en water in de verstedelijkingsopgave. Binnen de woon- en werkomgeving en in het ontwerp van gebouwen moeten principes als natuurinclusiviteit, hittestress en waterberging een belangrijke rol spelen. Dit is essentieel in het creëren van gezond stedelijk leven, waarin de verbinding met groen en natuur een belangrijke rol speelt.
Perspectief landelijk gebied De hierboven beschreven veranderingen voor natuur en landschap betekenen dat het perspectief van het landelijk gebied gaat veranderen. Dit heeft onder meer gevolgen voor de toekomst van de agrarische sector in (delen van) de regio. Het gaat om de transitie naar economisch rendabele kringlooplandbouw in landbouwkern gebieden en de transitie naar verbrede landbouw in scheggen en de landschappen van de toekomst.
Specifieke wateropgave voor de regio Vanuit deze opgave geven een aantal algemene uitspraken richting aan het perspectief van landschap en verstedelijking: • Binnenstedelijke verstedelijking draagt beter bij aan de wateropgave dan het ontwikkelen van uitleglocaties • Bouwen op hogere gronden is in het algemeen beter dan het bebouwen van laaggelegen en natte gronden • Integreer de wateropgave (berging, infiltratie) in het ontwerp van het stedelijk gebied • Als waterberging goed ingebed wordt in de verstedelijkingsopgave is het niet nodig om aanvullende waterbergingslocaties te creëren • De afvoer van oppervlaktewater gebeurt voor een groot deel van de regio via het Amsterdam-Rijnkanaal, waar op termijn gekeken moet worden naar capaciteit en robuustheid
Het is daarom ook belangrijk om de kostenkant hiervan en mogelijke oplossingsrichtingen te verkennen. Dit kan bijvoorbeeld bestaan uit het koppelen van de verstedelijkingsopgaven aan de invulling van de scheggen. Of aan het geven van meer ruimte aan ontwikkeling voor recreatie in landbouwgebieden.
Daarnaast is het met name in het lager gelegen landelijk gebied noodzakelijk om anders om te gaan met waterbeheer om bodemdaling en verdroging en verzilting tegen te gaan. Dit heeft invloed op de agrarische invulling van deze laaggelegen gebieden.
Landschappelijke opgave verbinden en prioriteren De landschapsopgave wordt op dit moment door het bureau BVR concreter gemaakt. De opgaven zullen moeten worden vertaald in concrete projecten net zoals verstedelijkingsopgaven vertaald worden in de ontwikkeling van locaties. Deze projecten staan in het teken van verbinden. Enerzijds kan de landschappelijke opgave worden vertaald in een aantal gemeente-overschrijdende gebiedsopgaven. Deze gebiedsopgaven verbinden de verschillende schaalniveaus van het groen en zorgen samen voor de schaalsprong in het landschap die past bij de verstedelijkingsopgave. De vertaling in gebiedsopgaven geeft handvaten voor concrete projecten waar ook budgetten en uitvoeringstrajecten aan gekoppeld moeten worden. Anderzijds moet de landschappelijke opgave op een aantal plekken worden verbonden aan de opgaven voor verstedelijking, energie, vitaliteit en mobiliteit. Het kwalitatief verbeteren van landschap en scheggen kost geld, waarop vooralsnog onvoldoende zicht is. Naast het gezamenlijk zoeken naar middelen op lokaal, regionaal, provinciaal en rijksniveau moet er werk gemaakt worden van het koppelen van opgaven. Door opgaven te koppelen kan er inversteringskracht ontstaan om met bijvoorbeeld een water- energieof recreatieopgave ook direct landschapsverbetering te doen.
Kaart uit bouwsteen Landschap: indicatieve ligging groene scheggen
Dit is de opgave voor het IRP als geheel, maar door het ook op gebieds- of projectniveau te koppelen van opgaven kunnen landschappelijke doelen hand in hand gaan met andere ontwikkelingen.
27
Redeneerlijn 2 Een gezonde regio begint met vitale kernen In dit Utrechtse landschap ligt een palet aan grote, middelgrote en kleine kernen. De grote verstedelijkingsopgave van de regio wordt ingezet om steden en knooppunten te versterken en het landschap zoveel mogelijk ruimte te geven. Tegelijkertijd is het voor het perspectief van de regio als geheel voorwaardelijk dat alle kernen in de regio een vitaal toekomstperspectief hebben. Daarmee is er naast een landschappelijke basis voor de regio dus ook een basis nodig voor de vitaliteit van alle kernen in de regio. Het is daarom nodig om afspraken te maken over dit perspectief van kleine en middelgrote kernen. Deze afspraken krijgen een plek in de volgende fase (Integraal Ruimtelijk Perspectief) en in het regionaal programmeren in samenwerking met de provincie. De definitie van ‘vitale kernen’ is nog niet scherp afgebakend, maar het gaat om middelgrote en kleine kernen waar niet de grote verstedelijkingsopgave landt waarvoor in regioverband afspraken gemaakt moeten worden. De opgave voor middelgrote en kleine kernen is aanzienlijk en integraal (wonen, werken, voorzieningen, mobiliteit, landschap, energie). In vitaliteit voor kleine en middelgrote kernen spelen bevolkingsopbouw, woningvoorraad, economie, voorzieningenaanbod, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid een rol.
Kleine en middelgrote kernen zijn allemaal verschillend en deze aspecten zullen dus in iedere kern in een andere mate spelen. De grootte van een kern speelt daarbij een belangrijke rol. Niet iedere kern kan een volledig voorzieningenprogramma ondersteunen en daarom wordt door de werkgroep vitale kernen onderscheid gemaakt in twee soorten vitaliteit: • •
28
Zelfstandige vitaliteit: de mate waarin een kern zelf vitaal is en de aspecten als wonen, werken en voorzieningen in balans zijn. Verbonden vitaliteit: Voorzieningen en werk zijn niet in dezelfde omvang in elke kern aanwezig, maar een kern kan toch vitaal zijn als deze zaken in de omgeving goed toegankelijk zijn met openbaar of eigen vervoer.
Dit betekent ook dat vitale kernen wel degelijk een rol spelen in de regionale benadering van OV en knooppunten, bijvoorbeeld doordat een kern goed verbonden is met een OV-knooppunt via een fietsroute of een P+R locatie. Dit alles betekent dat er geen eenduidig antwoord is op het vitaliteitsvraagstuk, maar dat er per kern gekeken moet worden naar zelfstandige en verbonden vitaliteit. Uitgangspunt is dat deze kernen zich kunnen ontwikkelen om te voorzien in de lokale behoefte. Daarbij volgen uit de REK, de contour en het werk van de werkgroep vitale kernen wel een aantal uitgangspunten: 1. De opgave voor vitaliteit is integraal: wonen, werken, voorzieningen, mobiliteit, landschap en energie De integraliteit van opgaven speelt op ieder schaalniveau en dus ook in de vitale kernen. Bevolkingsopbouw, leefbaarheid, economie en woningmarkt hangen met elkaar samen en het perspectief voor vitale kernen moet dus ook integraal zijn. •
•
•
•
Wonen: om de bevolkingsopbouw van kernen in balans te houden is met name aandacht nodig voor de toegankelijkheid van de woningmarkt voor jongeren en de mogelijkheden voor doorstroming van senioren. Voorzieningen: een balans in de bevolkingsopbouw is met name belangrijk voor het draagvlak van voorzieningen, zoals scholen en (sport)verenigingen die het sociale weefsel van de kernen vormen. Werken: vitaliteit betekent ook dat kernen ruimte hebben voor economische dynamiek en dat werkgelegenheid ook in kleine en middelgrote kernen wordt behouden en kan groeien. Nabijheid is ook op dit schaalniveau een leidend principe. De middelgrote kernen spelen een rol in het opvangen van de vraag naar regionale bedrijventerreinen. Mobiliteit: De manier waarop een kern is verbonden met andere
•
kernen of knooppunten is belangrijk voor de toegankelijkheid van werk en voorzieningen vanuit deze kern. Voor kleine en middelgrote kernen spelen de auto, (snel)fietsroutes en overstapmogelijkheden op het OV een relatief grote rol. Energie en duurzaamheid: Ook binnen de kleine en middelgrote kernen is de opgave op het gebied van duurzaamheid een belangrijk thema. De schaal die in grote steden het verduurzamen van o.a. de woningvoorraad mogelijk maakt ontbreekt vaak in deze kernen, wat de transitie complex maakt. In het IRP zal hier verder invulling aan worden gegeven.
Bij de uitwerking in het IRP zal ook scherp worden welke kwalitatieve afwegingen een rol spelen bij de keuze voor ontwikkeling van de kernen.
voor de invulling van de overige kernen. In samenwerking met de Provincie zullen deze uitkomsten worden meegenomen worden in het regionaal programmeren en specifieker gemaakt worden per kern. In het IRP wordt onderscheid gemaakt tussen de kleine kernen, die meer kwalitatief worden uitgewerkt, en een aantal middelgrote kernen, waarover in het IRP meer richting wordt gegeven.. De woningbouwlocaties die niet direct afhankelijk zijn van grote ingrepen zoals in de volgende redeneerlijnen tellen op tot een bandbreedte van 12.650 – 28.900 woningen. Dit is afhankelijk van aan welke woningbouwopgave het wordt gekoppeld een aandeel van 8% tot 28% van de totale opgave.
2. De opgave voor vitaliteit is koppelbaar met landschap, recreatie en energie Kleine en middelgrote kernen liggen vaak ingebed in waardevolle landschappen. Er liggen daarom kansen om de opgave voor vitaliteit van kernen te koppelen aan het perspectief van de directe omgeving. Bescherming of ontwikkeling van landschap en cultuurhistorie, ruimte voor klimaatadaptatie, kansen voor recreatie en duurzame energieopwekking kunnen gekoppeld worden aan het scheppen van een toekomstperspectief voor een vitale kern. 3. Woningaantallen: flexibiliteit binnen een bandbreedte De opgave voor groei van vitale kernen wordt benaderd vanuit de lokale behoefte. De lokale behoefte is daarmee bepalend voor de toe te voegen aantallen. Dit betekent dat er flexibiliteit nodig is in het toerekenen van woningaantallen aan kleine en middelgrote kernen en de gemeenten waarin zij liggen. Deze aantallen worden nu niet vastgelegd, maar zullen in een bandbreedte liggen. Deze bandbreedte ligt voor nu tussen de woningaantallen in de “kaart van altijd” en de “kaart van alles” uit de contour REP. In de volgende fase van het IRP zal deze bandbreedte worden uitgewerkt tot een meer specifieke opgave per kern en/of gemeente en/of deelregio In het vervolgproces wordt onder begeleiding van de werkgroep vitale kernen een aantal cases uitgewerkt waaruit lessen worden getrokken
Illustratieve schetsen vitale kernen en illustratieve uitwerking Linschoten uit de Contour REP
Sinds het locatieonderzoek woningbouw en het opstellen van de contour hebben veel gemeenten doorgewerkt aan hun ruimtelijke strategie en plannen, waardoor nieuwe inzichten zijn ontstaan op mogelijkheden en onmogelijkheden om in de kernen woningen te realiseren. Niet alle inzichten zijn al verwerkt in onderstaande getallen, waar de bandbreedte wordt gehanteerd uit de Kaart van Altijd.
Bandbreedte woningaantallen
Bandbreedte woningaantallen als percentage van de opgave 29
Redeneerlijn 3 Stadsas Utrecht-Nieuwegein versterken en verzwaren Binnen deze structuur van landschap en kernen ligt de stad Utrecht en een aantal belangrijke knooppunten waar de grootste oplossingen voor de verstedelijkingsopgaven kunnen worden gevonden. Deze worden verkend in de redeneerlijnen 3, 4, 5, 6 en 7, met als uitgangspunt dat de keuzes die hier voorliggen steeds zijn verbonden aan de opgaven voor landschap en vitale kernen. Centraal in deze stedelijke dynamiek ontwikkelt Utrecht zich de komende jaren sterk aan de westkant van het centrum. Na de sprong over het Amsterdam-Rijnkanaal en de A2 door het ontwikkelen van Leidsche Rijn is het zwaartepunt van de stad naar het westen verschoven. Dit heeft geleid tot een grote stedelijke druk op de as die loopt van de Cartesiusdriehoek, via Utrecht Centraal, het Jaarbeurskwartier, de Merwedekanaalzone, Westraven richting het centrum van Nieuwegein, waar eveneens aan grote verdichtings- en transformatieopgaven wordt gewerkt (o.a. het stadscentrum en Rijnhuizen). Deze stadsas ligt in het hart van de stedelijke agglomeratie en heeft de potentie om zich verder te verdichten en te verstedelijken. Deze stadsas is al volop in ontwikkeling en er is gebleken dat deze grote aantallen binnenstedelijke woningbouwplannen niet zonder stevige nieuwe OV oplossingen gerealiseerd kunnen worden.
Daarom wordt hierover ook met het Rijk gesproken over de bijbehorende investeringen (zoals HOV Europalaan en verbeteren van de SUNIJ tramlijn). Tussen de bestaande plannen langs deze as ligt een zone waarin rommelige ruimtelijke inrichting, infrastructuur en bedrijventerreinen die Utrecht en Nieuwegein van elkaar scheiden. De aanhechting van Utrecht met haar grootste buur is nooit goed ingevuld. Veel van de plannen op deze as zijn al in voorbereiding of uitvoering, maar de afgelopen jaren kwamen er steeds initiatieven bij (o.a. Jaarbeursterrein) en vindt er discussie plaats over de potentie van deze zone in relatie tot de draagkracht van het mobiliteitssysteem. Een snelle en hoogwaardige OV-verbinding langs deze as ontbreekt. De SUNIJ tram slingert door en langs het gebied, maar is kwalitatief on30
Redeneerlijn 3: Stadsas Utrecht-Nieuwegein versterken en verzwaren
voldoende om deze grote ontwikkelingen te dragen. Er is meer nodig. Het inzetten op het volop stimuleren en accommoderen van ontwikkeling en verdichting van wonen en werken langs deze as, gekoppeld aan een hoogwaardige OV-spaak kan snel zorgen voor grote impact. Door deze ontwikkelas als een integraal geheel te benaderen kunnen ook de argumenten gevonden worden door hier een schaalsprong in mobiliteit te organiseren.
De ontwikkellocaties die aan deze as liggen zijn onder meer: • • • • • • • •
Utrecht Centraal e.o. Jaarbeurs kwartier en Jaarbeursterrein Merwedekanaalzone Woonboulevard Utrecht (A12-zone) Westraven (A12-zone) De Liesbosch (A12-zone) Rijnhuizen / Plettenburg Nieuwegein binnenstad
Samengevat: • Doorontwikkelen en integraal benaderen stedelijke ontwikkelas, met name vanuit wonen • Zwaardere OV-verbinding nodig dan bestaande SUNIJ lijn (MIRT) • Inpassing groen, water en energieopgave onderdeel van uitwerking
De invulling van deze ontwikkellocaties kenmerken zich door verdichting en efficiënter gebruik van de stedelijke ruimte. Dit kan gaan om wonen, maar ook voor de werkfunctie en voor voorzieningen is hier volop potentie voor verdere verdichting. Het Merwedekanaal (en in Nieuwegein de Doorslag) vormt een sterke landschappelijke drager waarlangs het fietsen op de meeste plekken al aangenaam en goed georganiseerd is. Hoewel er al volop aan deze as wordt gewerkt is het nog geen gelopen race en zal er de komende jaren blijvende aandacht nodig zijn om deze stadsas tot ontwikkeling te brengen en verder te versterken. Ook aan de Nieuwegeinse kant van deze as liggen nog mogelijkheden om aanvullend programma te ontwikkelen en de samenhang tussen Utrecht en Nieuwegein sterk te verbeteren. Deze eerste redeneerlijn is hiermee geen koerswijziging, maar maakt zich sterk om de ingezette ontwikkelrichting tot een goede uitwerking te brengen en de aandacht niet te laten afleiden door andere ontwikkelrichtingen. Voor met name het Nieuwegeinse deel van deze as is het nodig dat naast het verbeteren van de SUNIJ lijn ook de OV-verbinding met andere delen van Utrecht wordt verbeterd. Met name richting USP en Leidsche Rijn. Voor het ontwikkelen van deze stadsas is dus de verbinding met andere Utrechtse knopen (redeneerlijnen 4 en 5) voorwaardelijk.
31
Redeneerlijn 4 Nieuwe hoogstedelijke nevenknopen in Utrecht nodig Het centrum van Utrecht is het hart van de regio. De komende jaren wordt het centrummilieu vergroot en omgeklapt naar de westkant van het spoor. De omgeving van het Centraal station is in steeds sterkere mate het brandpunt van de ontwikkeling van de stad: nieuwe banen, nieuwe voorzieningen en nieuwe stedelijke woonvormen. Tegelijkertijd is CS het punt waar alle OV lijnen in de regio samenkomen met het hart van het Nederlandse spoorwegnet. Groei van de regio leidt tot meer vervoersstromen naar CS en overstappers tussen de nationale en regionale systemen. De knoopwaarde van Utrecht Centraal en daarmee de nabijheid voor mensen neemt steeds verder toe, waarmee het nóg interessanter wordt voor bedrijven en mensen om zich hier te vestigen. De toenemende centraliteit en focus op deze plek heeft echter ook een keerzijde. Verkeersstromen zitten elkaar steeds meer in de weg, met name door het toeleidende verkeer naar het Centraal Station (bus, tram, fiets, wandelaar en auto). Het is daarom nodig om naast Utrecht CS nevenknopen te organiseren die qua centraliteit, verbinding en kwaliteit kunnen concurreren met CS.
Deze nevenknopen kunnen de programmatische druk op Utrecht CS doen verminderen en daarmee verkeersstromen afvangen en spreiden, vooral wanneer dit wordt gecombineerd met het veranderen van de structuur van het regionale OV-systeem. Verschillende nevenknopen in Utrecht kunnen een verschillende betekenis hebben voor de stad. Om knopen toe te voegen die daadwerkelijk de druk op CS kunnen verlichten, moet de mate van verbondenheid in combinatie met de ruimte voor ontwikkeling en de aantrekkelijkheid voor de markt optimaal zijn. In het Utrechtse systeem is na onderzoek en analyse gebleken dat de knopen met de grootste potentie om Utrecht Centraal te ontlasten zijn: 32
Redeneerlijn 4: Nieuwe hoogstedelijke nevenknopen in Utrecht nodig
- Lunetten/Koningsweg - Leidsche Rijn Centrum Overige nevenknopen, zoals Overvecht, Westraven of knopen buiten de stad Utrecht hebben minder de potentie om goed verbonden te worden met betekenisvolle IC-lijnen en/of minder ruimte om aantrekkelijke gemengde stedelijke milieus te ontwikkelen die tegelijkertijd door de markt ook aantrekkelijk gevonden worden. De argumentatie om een aantal nieuwe hoogstedelijke knopen in Utrecht te maken ligt dus enerzijds in het ontlasten van Utrecht CS, maar ook in het maken van alternatieve knopen die vanuit met name
de economische agenda de concurrentie met Utrecht CS aan kunnen. Het gaat daarbij om het creëren van werkgelegenheid in de sectoren waarin Utrecht sterk is: het life science en health cluster, dat sterk kleeft aan het USP en de zakelijke dienstverlening, die zich nu met name rond Utrecht Centraal sterk ontwikkelt.
Het gebied heeft potentie om een hoogstedelijke knoop te worden waar werken, wonen en voorzieningen gemengd worden. De mate waarin verstedelijking in de verschillende deelgebieden plaats vindt is onderwerp van uitwerking en keuzes die ook in de RSU gemaakt worden.
Utrecht – Lunetten/Koningsweg Lunetten/Koningsweg is vanuit de ligging langs belangrijke IC lijnen de meest kansrijke knoop in de regio Utrecht om daadwerkelijk een hoogwaardig en competitief alternatief voor Utrecht-Centraal te worden. Het is een complex knooppunt waarvoor het nodig is dat op de spoorlijn Utrecht-Arnhem een station wordt toegevoegd (Koningsweg) dat samen met het bestaande station Lunetten een dubbelstation kan vormen, waar ook de Uithof tramlijn een halte zal moeten krijgen en waar de OV-verbinding Westraven-USP (het wiel) aanhaakt.
Kans en tegelijkertijd uitdaging voor het gebied is de inpassing van de landschappelijke kwaliteiten die deze plek biedt in de verbinding tussen stad en platteland. Het verbeteren van de landschappelijke kwaliteit, het integreren en respecteren van het culturele erfgoed van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en het tegelijkertijd verdichten als ook het creëren van ruimte voor de al aanwezige sportvoorzieningen is een flinke uitdaging. Uitgangspunt is dat door het ontwikkelen van deze locatie de kwaliteit van al deze elementen een impuls krijgt en de rommeligheid die het gebied nu kenmerkt wordt verbeterd.
Lunetten/Koningsweg is zo kansrijk vanuit met name het werken gezien, omdat het dichtbij het USP en de economische activiteit rond life science is gelegen. Daarnaast is de ligging bijzonder aantrekkelijk ten opzichte van het Centrum (2km) en aan de groene routes langs de Kromme Rijn, vlakbij de landgoederen rond Amelsweerd en geven de forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie deze locatie extra karakter. Voor de werkfunctie kan dit knooppunt alleen een sterk alternatief als bestemming voor CS vormen indien de verbindingen met andere locaties in het land wordt verbeterd. IC’s uit Schiphol, Amsterdam, Eindhoven en Arnhem zoeven nu door het knooppunt, maar stoppen er niet. Als goede nevenknoop zouden hier hoogfrequente IC’s moeten stoppen die deze plek met het land verbinden. Nabijheid van de stad, de regio en het USP zijn belangrijk, maar voor een hoogstedelijke werkknoop is toegankelijkheid voor de groep mobiele hoogopgeleide werknemers nog belangrijker. De ontwikkelpotentie van Lunetten-Koningsweg bestaat uit een aantal onderdelen: • Het stationsgebied Lunetten, mogelijk in relatie tot verbetering en verdichting in het centrumgebied van de wijk Lunetten • De spoordriehoek tussen de beide spoorlijnen • Het gebied Maarschalkerweerd • Het uitloopgebied over de A27 naar de golfbaan en de Nieuwe Houtenseweg
Knooppunt Lunetten/Koningsweg
33
Utrecht – Leidsche Rijn Centrum Leidsche Rijn Centrum is de andere knoop die het in zich heeft om door te ontwikkelen tot hoogstedelijke alternatief voor Utrecht Centraal. Deze ontwikkeling is al ingezet met de ontwikkeling van het centrumgebied, werklocaties langs de A2 (o.a. CapGemini), het ziekenhuis en met plannen voor het toevoegen van een groot aantal woningen, zoals in de woontorens MARK (tot 140 meter). Alles bij elkaar is het daarmee al een hoogstedelijk en gemengd centrum, en met de voorgenomen verhoging van de frequentie van sprinters is deze ook steeds beter verbonden.
sterk aangezet. De Gemeente Utrecht en het RSU zetten juist in op het doorontwikkelen van Werkspoor als gebied voor werken, dus zonder menging met wonen.
De potentie is echter nog groter, met name wanneer ook Leidsche Rijn beter verbonden zou zijn met het nationale spoornet. Op dit moment is voor iedere bovenregionale verbinding een overstap nodig en zijn reistijden naar bestemmingen buiten de regio een stuk langer. Door het station rijden de IC’s vanuit Rotterdam, Den Haag en Leiden naar Utrecht, Amersfoort en verder (Zwolle, Groningen, Deventer, Enschede) zonder er te stoppen. Leidsche Rijn kan ook een nevenknoop zijn om het OV-wiel te voeden en mensen met bestemming Leidsche Rijn uit de auto en uit Utrecht CS te houden. Rond het station ligt ontwikkelruimte om de knoop verder te intensiveren. Deze ruimte zit in het verdichten van nog te maken plannen, maar kan ook gevonden worden richting het bedrijventerrein Lage Weide. Met name in Lage Weide vierde kwadrant, rond de energiehaven is verdichting kansrijk op loopafstand van station Leidsche Rijn. Dit gebied kan verdicht worden met werken en zo bijdragen aan de werkgelegenheidsgroei danwel gemengd worden met wonen. Een mogelijke ontwikkelrichting is het verder ontwikkelen van Leidsche Rijn en Zuilen als dubbelknooppunt, waarbij Zuilen een rol kan spelen bij een betere OV verbinding richting Amsterdam en Schiphol.
Bij het station Zuilen wordt de Cartesiusdriehoek ontwikkeld en in de zone tussen Leidsche Rijn en Zuilen is met name rond de Energiehaven en de Industriehaven ruimte voor intensivering van de werkfunctie en mogelijk functiemenging met wonen. Belangrijk is om daarbij de betekenis van de werkmilieus van het gebied Werkspoor en Lage Weide goed te beschermen. In het MIRT wordt deze koppeling als zeer kansrijk gezien en wordt de ontwikkelpotentie van Werkspoor als gemengd woon-werkgebied 34
Knooppunt Utrecht-Leidsche Rijn
Samengevat • • • • •
Twee nieuwe hoogstedelijke IC knopen: Lunetten/Koningsweg en Leidsche Rijn Ondersteunen economische ontwikkeling Utrecht en ontlasten Utrecht CS Nieuwe IC stations nodig met goede bediening en verbindingen (MIRT) Inpassing groen, water en energieopgave onderdeel van uitwerking Precieze keuzes en uitwerking volgen o.a. uit de RSU
Multi-Criteria Analyse Redeneerlijn 4
35
Redeneerlijn 5 Verbinden stad en buitenwijk door verdichten binnenstadsranden De groei van de regio Utrecht is in sprongen gegaan. Sinds de tijd van de groeikernen waren dit ook letterlijk ruimtelijke sprongen: een sprong over de A12 en het ARK voor de ontwikkeling van Nieuwgein, een sprong over het landschap voor de ontwikkeling van Houten, een sprong over de haven naar Maarssenbroek, een sprong over de A2 en het ARK naar Leidsche Rijn. Het resultaat van deze sprongen is dat er in de zones tussen de stad en haar uitleglocaties op veel plekken restruimtes liggen die potentie hebben voor een stevige kwaliteitsverbetering en het toevoegen van stedelijke woon- en werkmilieus. Deze opgaven zijn erg specifiek per geval, maar hebben de potentie om veel ruimte te bieden voor verstedelijking en tegelijkertijd een kwaliteitsslag te maken in de ruimtelijke structuur van stad en regio zonder teveel open ruimte op te offeren. In de MIRT verkenning wordt deze ruimte “De Grote U” genoemd. Een U-vormige zone rond de Ring Utrecht die grofweg loopt van Leidsche Rijn Centrum, via Papendorp naar Westraven, Lunetten/Koningsweg, Rijnsweerd/USP naar Overvecht. In de RSU zijn het ook deze knopen waar het grootste deel van het nieuwe programma voor wonen en werken kunnen landen.
De knopen uit Denklijn 2 zijn onderdeel van deze grote U, maar zijn daar apart uitgelicht omdat zij ook vooral nieuwe stedelijke bestemmingen op zich zullen moeten worden. Een aantal van de ontwikkelzones in de binnenstadsranden benoemen we specifiek: A12-Zone De A12-zone is enerzijds onderdeel van de stadsas UtrechtNieuwegein (Noord-Zuid) en tegelijkertijd een te verdichten stadsrand (Oost-West). Het gebied tussen Utrecht en Nieuwegein/ Houten is nooit ingericht met een visie als een verbindend stuk stad, maar eerder als overloopgebied, waardoor het rommelig en onsamenhangend is. De mentale afstand tussen Utrecht en Nieuwegein is door deze inrichting groter dan de daadwerkelijke 36
Redeneerlijn 5: Verbinden stad en buitenwijk door verdichten binnenstadsranden
afstand. Het tussengebied voelt sociaal onveilig en kent een infrastructurele schaal die op de meeste plekken niet aansluit bij de menselijke maat. Het gebied wordt doorkruist door weg- en waterinfrastructuur, waardoor er veel bruggen en taluds liggen. Tegelijkertijd geeft het water juist ook karakter, structuur en beleving aan het gebied, bijvoorbeeld bij de Liesboschbrug en de naastgelegen sluis en haven. Voor de A12-zone worden plannen gemaakt in een separaat projectteam van de Provincie Utrecht met de Gemeenten Utrecht, Nieuwegein en Houten. Tegelijkertijd doet ook de Utrechtse RSU uitspraken over het Utrechtse deel van deze zone, en hebben de
ingrepen in de MIRT verkenning (m.n. het wiel) grote invloed op de mogelijkheden in het gebied. De A12 die het gebied haar naam geeft is op deze plek één van de bottlenecks in de landelijke infrastructuur, onder meer door de hoge afslagendichtheid, waardoor regionaal en doorgaand verkeer elkaar hier steeds in de weg zitten en er veel ruimte wordt gebruikt door afritten. Het toekomstperspectief van de A12-zone is niet van het niveau van bijvoorbeeld Utrecht Centraal, Lunetten Koningsweg of de Amsterdamse Zuidas, waar hoogwaardige werkmilieus kansrijk zijn. De A12-zone heeft geen IC station en zal er ook geen krijgen. De best mogelijke OV ontsluiting zal ontstaan als een opgewaardeerde stadsas Utrecht-Nieuwegein hier het Wiel kruist. Een goed verbonden plek, maar vooral op het regionale schaalniveau. Het is daarmee eerder een spannende gemengd stedelijke plek met als referentie de Binckhost in Den Haag, Amstelcorridor en het Hamerkwartier in Amsterdam of de toekomstige Kanaalzone in Nijmegen. Een plek waar intensivering in een mix van wonen en werken in allerlei nieuwe vormen en samenstellingen mogelijk wordt. Voor de ontwikkeling van het gebied is het nodig dat de complexe knoop van infrastructuur wordt ontward en dat de OV aansluitingen verbeteren. Het gaat dan om: • • • •