CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

V-16 0345-toelichting_militair_erfgoed_concept_2.1.pdf

Commissie Fysiek Domein 12 oktober 2022, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 4. 20:15: Archeologische verwachting- en beleidskaart.11.173 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Gemeente Stichtse Vecht

Auteur: N.W.T. Warmerdam

Erfgoedkaart militair erfgoed Toelichting Status: concept BAAC Rapport V-16.0345

1

mei 2017

Archeologisch bureauonderzoek

Colofon ISSN: Auteur(s): Cartografie: Redactie: Copyright:

1873-9350 N.W.T. Warmerdam MA N.W.T. Warmerdam MA, drs. J. van Gestel drs. K. Leijnse, drs. J.F. van der Weerden Gemeente Stichtse Vecht te Maarssen / BAAC bv te ‘s-Hertogenbosch

Autorisatie (senior archeoloog):

drs. K. Leijnse

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de gemeente Stichtse Vecht te Maarssen en/of BAAC bv te ’s-Hertogenbosch.

BAAC bv Onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie Graaf van Solmsweg 103 5222 BS ‘s-Hertogenbosch Tel.: (073) 61 36 219 Fax: (073) 61 49 877 E-mail: denbosch@baac.nl

1

Postbus 2015 7420 AA Deventer

Archeologisch bureauonderzoek

2

Inhoud

Samenvatting

5

1

Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Ligging van het gebied 1.3 Gemeentelijk archeologiebeleid 1.4 Administratieve gegevens 1.4 Leeswijzer

6 6 6 7 7 8

2 Onderzoeksopzet 2.1 Inleiding 2.2 De erfgoedkaart 2.3 Beperkingen 2.4 De archeologische beleidsadvieskaart

9 9 9 10 12

3

De erfgoedkaart 3.1 Inleiding 3.2 Toelichting

13 13 13

4

De beleidsadvieskaart 4.1 Inleiding 4.2 Toelichting 4.3 Beleidsadviezen

25 25 25 26

5

Conclusies

30

6

Geraadpleegde bronnen

31

Bijlagen

3

35

Archeologisch bureauonderzoek

4

Samenvatting

In opdracht van Gemeente Stichtse Vecht heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv een erfgoedkaart vervaardigd voor het thema militair erfgoed/ conflictarcheologie voor het gehele grondgebied van de gemeente Stichtse Vecht. Op basis van deze kaart is vervolgens een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart opgesteld. De aanleiding hiervoor is de actualisatie van de gemeentelijke verwachtings- en beleidsadvieskaart en het feit dat een thematische kaart voor militair erfgoed tot op heden nog ontbrak binnen de gemeente. De beleidsadviezen kunnen worden gebruikt om de omgang met archeologisch erfgoed te sturen en bij geplande bodemingrepen en wijzigingen in bestemmingsplannen de archeologie al in een vroeg stadium bij de planvorming te kunnen betrekken. De archeologische verwachtingszones voor militair erfgoed in de gemeente zijn bepaald door middel van een inventarisatie van de binnen de gemeente aanwezige militaire objecten en structuren gebaseerd op historische bronnen (archiefbronnen, zoals luchtfoto’s en oude kaarten), cultuurhistorische waardenkaarten, (oud)archeologisch onderzoek, landschappelijke en geografische waarden en historisch geografisch onderzoek. Elke periode kent een vaste set aan structuurvormende elementen, zoals verdedigingswerken, inundatiewerken, stellingzones en steunpunten.

Per periode zijn deze structuurvormende elementen en de hierbij behorende verwachting gespecificeerd. Dit heeft geresulteerd in erfgoedkaart waarbinnen archeologische verwachtingen en waarden worden gecombineerd met bovengronds en bekend erfgoed. Door de sterke noodzaak om militair erfgoed integraal te benaderen en te onderzoeken is het niet mogelijk deze twee categorieën los van elkaar te zien. De archeologische beleidsadvieskaart haakt in op de geactualiseerde beleidscategorieën, zoals geformuleerd in het actualisatierapport van de archeologische beleidskaart door de Omgevingsdienst Utrecht, en kan als instrument worden gebruikt om bij de keuze van toekomstige bouwlocaties de archeologie zoveel mogelijk te ontzien en militair erfgoed waar nodig te beschermen en ontsluiten. In een oogopslag is zichtbaar waar de kans het hoogst is om archeologische resten die gelieerd zijn aan militair handelen in de bodem aan te treffen. Verder kan worden bepaald welke gebieden archeologisch dienen te worden onderzocht bij de aanvraag van vergunningen voor werkzaamheden die kunnen leiden tot verstoring van de bodem. Door de zeer duidelijke relatie tussen archeologie, cultuurhistorie, gebouwd erfgoed en de landschappelijke opbouw binnen de gemeente, is het aan te bevelen het erfgoed en de landschappelijke ontwikkeling niet los van elkaar te zien, maar als elkaar versterkende vakgebieden.

Alle verschillende aspecten maken namelijk onderdeel uit van een zeer sterk gelaagd militair landschap, waarbij het verhaal en de ontwikkeling alleen begrepen en inzichtelijk kan worden gemaakt door alle elementen als een geheel te beschouwen.

5

1

Inleiding

1.1

Onderzoekskader

In opdracht van Gemeente Stichtse Vecht heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv een erfgoedkaart vervaardigd voor het thema militair erfgoed/ conflictarcheologie binnen de gemeente Stichtse Vecht. De aanleiding hiervoor is de actualisatie van de gemeentelijke verwachtings- en beleidsadvieskaart en het feit dat een thematische kaart voor militair erfgoed tot op heden nog ontbrak voor het grondgebied van de gemeente Stichtse Vecht. Deze kaart dient als basis voor een beleidskaart met bijbehorende beleidsrichtlijnen waarin de gewenste omgang met de resten van conflictarcheologie worden vastgelegd. Zodoende is het mogelijk om onderzoek te kunnen sturen en bij geplande bodemingrepen en wijzigingen in bestemmingsplannen de archeologie al in een vroeg stadium bij de planvorming te kunnen betrekken. Door alle bekkende gegevens te verwerken en combineren tot een helder kaartbeeld, ontstaat er een sterk beleidsinstrument. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 1 versie 3.3 en het onderzoeksspecifieke Plan van Aanpak.

1.2

Ligging van het gebied

Het onderzoeksgebied betreft het grondgebied van de gemeente Stichtse Vecht en beslaat een oppervlak van totaal 107 km2. De gemeente is op 1 januari 2011 na een herindeling ontstaan uit de gemeenten Breukelen, Loenen en Maarssen. Onder de gemeente Stichtse Vecht vallen 12 bewoningskernen, te weten: Nigtevecht, Vreeland, Loenersloot, Loenen aan de Vecht, Nieuwersluis, Nieuwer ter Aa, Breukelen, Kockengen, Maarssen-Dorp, Maarssenbroek, Tienhoven/ (oud) Maarsseveen/Bethune- en Molenpolder, en Oud-Zuilen. Figuur 1.1 Ligging van het plangebied.

1

CCvD 2013.

Archeologisch bureauonderzoek

6

1.3

Gemeentelijk archeologiebeleid

Na de wijziging van de Monumentenwet 1988 in september 2007 zijn gemeenten zelf verantwoordelijk geworden voor het behoud en het beheer van het ondergrondse cultureel erfgoed. Iedere gemeente dient dus voldoende geïnformeerd te zijn over de archeologie op haar eigen grondgebied, voordat bodemverstorende werkzaamheden al dan niet kunnen worden toegestaan. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg beoogt dat gemeenten niet alleen de bekende archeologische waarden, maar ook de te verwachten archeologische waarden binnen hun gemeentelijke grenzen inventariseren. Gemeenten zijn namelijk bij bodemingrepen van enige omvang verplicht rekening te houden met en inzicht te verschaffen in zowel de bekende archeologische waarden als de te verwachten archeologische resten. Sinds 2010 beschikt de gemeente Stichtse Vecht over een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart.2 Deze kaart vormde het beleidsinstrument bij het invullen van de beleidskaders binnen de gemeente tot aan de actualisatie in 2016.

Met de inwerkingtreding van de nieuwe erfgoedwet in juli 2016, met onder andere de vervanging van de opgravingsvergunning in een wettelijke certificering, heeft de gemeente Stichtse Vecht opdracht gegeven een actualisatie uit te voeren van de beleidsadvieskaart en archeologische verwachting binnen de gemeente en een nieuwe verwachtings- en beleidsadvieskaart op te stellen, specifiek voor militair erfgoed. De actualisatie van de gemeentelijke archeologische beleidskaart is uitgevoerd door de Omgevingsdienst regio Utrecht en omvat niet alleen een de verwerking van nieuwe inzichten op het gebied van geo(morfo)logische, bodemkundige en archeologische data, maar ook een herziening en beperking van de in 2010 opgestelde beleidscategorieën.3 Hierdoor is de beleidsadvieskaart functioneler en inzichtelijker gemaakt. Als onderdeel van de actualisatie werd aan BAAC opdracht gegeven een specifieke verwachtings- en beleidsadvieskaart op te stellen voor het militaire erfgoed binnen de gemeente.

Op de gemeentelijke verwachtings- en beleidsadvieskaart uit 2010 is wel ingegaan op de vestingwerken en linies uit de tachtigjarige oorlog, de negenjarige oorlog en de Napoleontische oorlogen, maar de de conflicten uit de late 19 , gehele 20e eeuw en de hierbij behorende resten en structuren zijn niet in de kaartlagen en beleidsrichtlijnen meegenomen.4 Om onderzoek te kunnen sturen dient de gemeente te beschikken over een totaaloverzicht van de bestaande en te verwachten waarden met een bijbehorend beleid dat is samengebracht in een inzichtelijke verwachtings- en waardenkaart met beleidskaart en beleidsrichtlijnen. Mede in het kader hiervan heeft BAAC het onderhavige rapport en een archeologische waardenkaart en archeologische verwachtingskaart met beleidsadviezen gemaakt die bij de uitvoering van dit beleid als beleidsinstrumenten kunnen dienen. Zodra bekend is wat er binnen de gemeentelijke grenzen aan militair (ondergronds) erfgoed aanwezig is en verwacht kan worden, wordt het mogelijk een voor burgers en private partijen transparant beleid te formuleren met betrekking tot de inventarisatie, de selectie van te behouden archeologische waarden, het behoud en het beheer van archeologische waarden. De nieuw te maken verwachtings- en beleidsadvieskaart voor militair erfgoed en conflictarcheologie haakt op deze beleidscategorieën en actualisatie in.

1.4

Administratieve gegevens

Provincie: Gemeente: Plaats: 2

De Boer et al. 2010. Dütting 2016. 4 De Boer et al. 2010. 3

7

Utrecht Stichtse Vecht Stichtse Vecht

Datum rapportage: BAAC-projectnummer: Kaartblad: Oppervlakte: Onderzoeksmeldingsnummer: Onderzoeksnummer: Type onderzoek: Opdrachtgever:

00-00-2017 V-16.0345 31O/25O 107 km2 n.v.t. n.v.t. Bureauonderzoek Gemeente Stichtse Vecht Contactpersoon: mevr. V. van den Bergh

Bevoegde overheid:

Gemeente Stichtse Vecht

Uitvoerder:

BAAC bv, vestiging 's-Hertogenbosch Graaf van Solmsweg 103 5222 BS 's-Hertogenbosch tel. 073-6136219 drs. K. Leijnse

Projectleider:

1.4

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk volgt een hoofdstuk met de opzet van het onderzoek. Daarna volgt de toelichting op de erfgoedkaart in hoofdstuk 3 en de toelichting op de beleidskaart in hoofdstuk 4. Tenslotte worden in hoofdstuk 5 beleidsadviezen gegeven.

Archeologisch bureauonderzoek

8

2

Onderzoeksopzet

2.1

Inleiding

Om tot een erfgoedkaart te komen, die bruikbaar is bij ruimtelijke ontwikkelingen en kan leiden tot een beleidskaart met bijbehorend advies, is het onderzoek opgesplitst in twee fasen. Ten eerste is een inventarisatie gemaakt van de binnen de gemeente aanwezige militaire objecten en structuren gebaseerd op archiefbronnen (oude kaarten) en overige bronnen. Dit heeft geresulteerd in erfgoedkaart waarbinnen archeologische verwachtingen en waarden worden gecombineerd met bovengronds bekend erfgoed (zie bijlage ##). Op basis van de erfgoedkaart is in de volgende fase de archeologische beleidskaart opgesteld. In de navolgende paragrafen wordt een uitgebreide beschrijving van de werkwijze weergegeven.

2.2

De erfgoedkaart

Anders dan bij veel andere archeologische perioden, met uitzondering van nieuwe tijd complexen, is de scheidslijn tussen ondergronds en gebouwd, bovengronds erfgoed, in de conflictarcheologie niet hard te trekken. Beide zijn zeer nauw met elkaar verweven. Een voorbeeld vormen de vele betonnen groepsschuilplaatsen die tijdens de mobilisatie van 1939-1940 door het Nederlandse leger zijn aangelegd. De betonnen bouwwerken, waarin militairen konden schuilen, zijn nog in het landschap zichtbaar en beschermd als gebouwd erfgoed. Het hieromheen gelegen groepsnest, bestaande uit loopgraven en opstellingen voor schutters valt hier echter nog buiten, terwijl beide structuurvormende elementen vormen voor een dergelijk steunpunt en niet los van elkaar kunnen worden gezien. Door de sterke noodzaak om militair erfgoed integraal te benaderen en te onderzoeken is bij het opstellen van de erfgoedkaarten rekening gehouden met zowel zichtbaar erfgoed, als niet zichtbaar archeologisch erfgoed. De verwachtingskaart bestaat daarom uit de volgende kaartlagen: 1. Archeologische verwachtingslaag; 2. Terreinen en puntlocaties met nog aanwezig en zichtbaar erfgoed (erfgoedkaart) 3. Thematische (combinatie)kaart per periode/verdedigingslinie. De archeologische verwachtingslaag toont de gespecificeerde archeologische verwachting per catalogusnummer.

Bij de kaartlaag is onderscheid gemaakt in zones met een hoge verwachting, middelhoge verwachting en AMK-terreinen (Archeologische monumenten). De erfgoedkaart toont het nog visueel zichtbare militaire erfgoed binnen de gemeente Stichtse Vecht. Het gaat dan specifiek om terreinen en puntlocaties waar nog zichtbare elementen aanwezig zijn die bewust zijn aangelegd en zijn gebruikt voor militaire doeleinden en zodoende deel uitmaken van het militaire

9

erfgoed binnen de gemeente. Met symbolen is per element inzichtelijk gemaakt welke elementen nog volledig of voor een deel zichtbaar zijn in het landschap. De thematische kaarten vormen een combinatie van het bovengrondse- en ondergrondse militaire- en conflicterfgoed per periode/linie binnen de gemeente Stichtse Vecht. Op deze kaarten zijn zowel de aanwezige structuurvormende elementen aangegeven met de hierbij behorende archeologische verwachting, als informatie over de zichtbaarheid van deze elementen aan het maaiveld. Deze kaarten zijn noodzakelijk om de militaire ontwikkeling visueel, overzichtelijk en begrijpelijk te maken per belangrijke periode in de militaire vesting- en stellingbouw binnen de gemeente Stichtse Vecht.

2.3

Beperkingen

De erfgoedkaart is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid tot stand gekomen. Desondanks zijn bij beide hierin verenigde kaartlagen, archeologische verwachtingen- en waarden en bovengronds erfgoed, een aantal kanttekeningen te plaatsen. Door de grote hoeveelheid bestaande kennis en bronnen over de militaire objecten, moeten er voortdurend keuzes worden gemaakt welke bronnen wel of niet worden gebruikt en over wat er wordt afgebeeld op de kaart en op welke manier dit moet gebeuren om de kaart leesbaar te maken en te houden. Bij het opstellen van de verwachtingskaart is het grootste belang gehecht aan structuurvormende elementen van de verdedigingslinies in de gemeente die daadwerkelijk weerslag kunnen vinden in het archeologische bodemarchief. Zo zijn door de sterke wisseling en beperkte archeologische zichtbaarheid niet alle inkwartieringshuizen opgetekend uit de mobilisatie van 1939-1940 en de Tweede Wereldoorlog en zijn losse verzetsacties of niet permanente wegversperringen/blokkades niet op de kaart meegenomen. Voor de lokale geschiedenis en de ontwikkeling van het militaire gebruik van het gebied zijn deze gegevens wel relevant, maar voor het opstellen van een archeologische verwachting zijn ze ondergeschikt en daarom niet opgenomen. Een tweede probleem kan worden gevonden bij het opstellen van de kaart met bovengrondse bestaande elementen.

Deze kaart toont de nog zichtbare militaire objecten binnen de gemeente Stichtse Vecht. De gegevens over de aanwezigheid van militaire objecten en structuren zijn verzameld op basis van bestaande bronnen en cultuurhistorische inventarisaties. Bij het onderzoek behoorde geen veldinspectie of inventarisatie om de gekarteerde locaties te controleren op aanwezigheid, waardoor de erfgoedkaart in deze zin niet helemaal volledig kan zijn.

hett geraadpleegde archiefmateriaal Beperkingen van he Ook het geraadpleegde archiefmateriaal kent enkele beperkingen. Het onderhavige onderzoek omvat een bureauonderzoek met daarbij een archiefonderzoek. Dit betekent dat de gekarteerde gegevens afhankelijk zijn van de verzamelde bronnen. Door de grote hoeveelheid bronmateriaal in zowel binnenlandse- als buitenlandse archieven, kan het archiefonderzoek nooit volledig zijn en dient er al bij aanvang van het onderzoek een selectie te worden gemaakt tussen de te bezoeken archieven en de te raadplegen archiefstukken. Het is niet mogelijk alle bronnen te raadplegen door de kostbaarheid en zeer lange duur van een dergelijk project.

Individuele archiefstukken

Archeologisch bureauonderzoek

10

Niet alleen bij de voorselectie worden keuzes gemaakt en zijn beperkingen aanwezig. Ook de historische bronnen kennen beperkingen, afhankelijk van het soort bron en de herkomst. Bij het kunnen intekenen van zones op een verwachtingskaart, is het van belang helder te hebben wat de begrenzing en de aard van deze zone is. In de geraadpleegde archieven zijn de tekstuele bijlagen vaak van de gebruikte kaarten gescheiden, of refereerden ze naar stukken die niet in de archieftoepassing aanwezig waren. Bij bestudering van de inrichting van infanteriesteunpunten en batterijen in de Nieuwe Hollandse waterlinie tijdens de mobilisatie van 1914-1918, kon hierdoor niet van alle plannen worden aangegeven of ze daadwerkelijk waren gerealiseerd of enkel als plan waren ingediend. Niet elk afzonderlijk steunpunt kon dus individueel op de verwachtingskaart worden ingetekend. Wel werd uit de archiefbronnen duidelijk binnen welke zone deze verdediging werd aangelegd. De stellingzone kon hierdoor wel worden bepaald, maar kon slechts voor een beperkt deel per steunpunt worden gespecificeerd. Figuur 2.1 overzichtskaart van de geplande steunpunten binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie omstreeks 1915-1916, met een zeer beperkt detailniveau (NL-HaNA, 3.09.19. inv.nr. 32).

Een tweede probleem met de geraadpleegde archiefbronnen, is de schaal en de mate van detail van de geraadpleegde kaarten. Militaire plannen en kaarten geven in de basis vaak een overzicht van de geplande of gebouwde werken binnen een groot gebied, met daarbij behorende detailkaarten, zoals gedetailleerde blauwdrukken en stellingplannen. De overzichtskaarten van linies waren in de basis vaak te globaal om specifieke verdedigingswerken en/of militaire zones te kunnen begrenzen. Daarbij kwam dat niet in alle gevallen detailtekeningen aanwezig waren van de ontwerpen van delen van de werken op deze overzichtskaarten. Deze kaarten zijn mogelijk ooit apart opgeslagen of niet meer aanwezig. In deze gevallen is gewerkt met een bufferzone voor de verwachting die is vastgesteld op basis van de uiterste grens waar volgens de plannen verdedigingswerken zijn aangelegd. De detailplannen kennen echter zelf ook beperkingen. Tijdens het archiefonderzoek bleek dat, onder andere in het geval van de groepsnesten uit de meidagen van 1940, er wel blauwdrukken aanwezig waren van deze steunpunten, maar dat de kaart geen detail m.b.t. het omringende landschap (met toponiemen) toonde. Ondanks de globale bekende locatie zijn de contouren van deze objecten hierdoor niet nauwkeurig over te nemen, waardoor er met een buffer moet worden gewerkt.

Voor de groepsnesten uit mei 1940 kon dit probleem worden ondervangen door het gebruik van geallieerde luchtfoto's uit 1944 en 1945, gemaakt door de Engelse Royal Airforce (RAF).

De Tweede Wereldoorlog Voor het opstellen van de verwachting voor de Tweede Wereldoorlog, zijn hoofdzakelijk verzetsbronnen en geallieerde luchtfoto's uit 1945 gebruikt. Beiden leveren belangrijke informatie, maar kennen ook een beperking bij het gebruik. De verzetsbronnen zijn in de meeste gevallen in het geheim opgesteld, waarbij het in veelal niet mogelijk was om alle structuren nauwkeurig in te meten en zeer gedetailleerd te beschrijven. De kaarten geven wel goede inzichten in de meest kleine aangelegde structuren en de globale omvang van de werkzaamheden of militaire objecten, maar de schaal van de kaarten en de juistheid van de kaarten kan afwijken. De kaarten zijn hierdoor wel indicatief, maar slecht bruikbaar voor GIS-doeleinden. Militaire stafkaarten uit de jaren 30 en 40 bieden hierbij een deel van de oplossing.

11

Een tweede belangrijke bron bij het opstellen voor een archeologische verwachting voor de Tweede Wereldoorlog, waren luchtfoto's die door de Engelse Royal Airforce in 1944 en 1945 zijn genomen. De luchtfoto's tonen veel detail en zijn goed te georefereren in GIS. De beperking bij het gebruik wordt gevormd door het feit dat luchtfoto’s alleen structuren en objecten tonen die vanuit de lucht aan het maaiveld zichtbaar zijn. Objecten en structuren die zijn gecamoufleerd, onder een slagschaduw vallen, in beboste gebieden of ondergronds liggen, zijn daarom niet of slecht te herkennen. Daarnaast zijn er ook militaire structuren die zo klein en beperkt in omvang zijn, dat ze nauwelijks zichtbaar zijn op luchtfoto's. Figuur 2.2 overzichtskaart van de verdediging rondom het bruggenhoofd bij Maarssen, zoals opgetekend door het verzet in 1944 (NIMH, collectie 575, inv.nr 426).

2.4

De archeologische beleidsadvieskaart

De verwachtingszones en nog aanwezig zichtbaar erfgoed zijn vertaald naar een beleidskaart met daarop zones met bijbehorende specifieke beleidsmaatregelen. De beleidsadvieskaart is bedoeld als een schematisch ruimtelijk overzicht van maatregelen die nodig zijn ten behoeve van de zorg voor het militair erfgoed in bepaalde zones of op bepaalde locaties.

Archeologisch bureauonderzoek

12

3

De erfgoedkaart

3.1

Inleiding

Bij het opstellen van de archeologische verwachting is onderscheidt gemaakt in de volgende perioden: Versterkte huisplaatsen en kastelen -

De Oude Hollandse Waterlinie (1672-1815)

-

De Nieuwe Hollandse Waterlinie (1815-1914)

-

De Nieuwe Hollandse Waterlinie: De Eerste Wereldoorlog (1914-1918)

-

De Nieuwe Hollandse Waterlinie: De mobilisatie en de meidagen (19391940)

-

De Tweede Wereldoorlog en de Hintere Wasserstellung (1940-1945)

Elke periode kent een vaste set aan structuurvormende elementen, zoals verdedigingswerken, inundatiewerken, stellingzones en steunpunten. Per periode zijn deze structuurvormende elementen en de hierbij behorende verwachting gespecificeerd.

3.2

Toelichting

3.2 3.2.1 Versterkte huizen en ridderhofsteden In de gemeente Stichtse Vecht zijn tijdens de middeleeuwen, en dan vooral de late middeleeuwen, veel versterkte huizen en ridderhofsteden gebouwd. Tegenwoordig staan deze bouwwerken beter bekend als kastelen. In de periode waarin ze gebouwd werden, werd deze term echter nog niet gehanteerd. In de middeleeuwen woonde in deze versterkte bouwwerken adellijke families. De versterking van de woningen was noodzakelijk door de vele conflicten tussen het Sticht en de graven en edelen uit Holland en Gelderland. De Vecht, waarlangs de 'kastelen' werden aangelegd, was namelijk een belangrijke handelsroute richting de Oostzee.5 De versterkte huizen waren dan ook niet alleen bedoeld ter verdediging. De bouwwerken hadden ook een functie als lokaal bestuurscentrum, met in veel gevallen een economische functie. Dat de verdediging noodzakelijk was, blijkt ook wel uit de daadwerkelijk belegeringen en de oorlogen uit de late-middeleeuwen waarin de versterkte huizen een belangrijke rol spelen en onderdeel waren van de daadwerkelijke strijd. Verdedigingswerken: Versterkte huizen en ridderhofsteden. Verwachting: AMK- terrein of hoge archeologische verwachting. 5

Blijdenstijn 2015, 290.

13

Als we kijken naar het uiterlijk van de versterkte huizen, dan gaat het in de meeste gevallen om stenen bouwwerken (huizen of torens), met zware, dikke muren, zoals de muren van het versterkte huis Aastein. De muren van de toren waren hier 1,4 meter dik.6 Een van de belangrijkste kenmerken van een versterkt huis was dan ook dat deze bouwwerken verdedigd konden worden, of dat ze er verdedigbaar uitzagen.7 De versterkte huizen en ridderhofsteden in de gemeente Stichtse Vecht zijn, wanneer ze niet zijn gesloopt of vernietigd tijdens een periode van conflict, vanaf de de 17 eeuw omgebouwd tot buitenplaatsen. In het geval van versterkte huizen en ridderhofsteden, gaat het in alle gevallen om verdedigingswerken. Op de locaties van versterkte huizen en ridderhofsteden geldt een hoge archeologische verwachting, waarbij een groot deel al geregistreerd staat als beschermd archeologisch monument.

3.2 3.2.2 De Oude Hollandse Waterlinie In 1672 werd onder dreiging van de oprukkende Franse troepen tussen de voormalige Zuiderzee en de Biesbosch de Hollandse Waterlinie (de latere Oude Hollandse Waterlinie) aangelegd.8 Hoewel het eerste plan voor de aanleg van een waterlinie al in 1589 werd uitgewerkt, was het nooit tot een volledige uitvoering gekomen door de verbeterende situatie op militair gebied. In het rampjaar van 1672 was er echter geen keuze meer en moest een geïmproviseerde verdedigingslinie worden aangelegd om de oprukkende Franse troepen buiten het gewest Holland te houden. Bij de aanleg van deze waterlinie werd voornamelijk gekeken naar gebieden die snel en makkelijk onder water gezet konden worden. Aanvankelijk lag de linie toen nog alleen op Hollands grondgebied. Het belangrijkste element van de verdedigingslinie bestond uit zogenaamde inundaties, het onderwater zetten van delen van het landschap om de vijand een doorgang te beletten. In het onder water gezette gebied lagen vestingen en op hoger gelegen terreinen en langs acces en waterwegen werden kleine aardwerken aangelegd, zoals redoutes en schansen.9 De provisorisch aangelegde waterlinie bewees al snel haar nut. De Hollandse Waterlinie had ondanks de chaotische organisatie het economisch hart van Nederland beschermd en de Franse troepen na een felle strijd geweerd.

Door het succes van de waterlinie, werd er voor gekozen om de linie uit te bouwen tot een duurzame en permanente verdedigingslinie die ten tijden van oorlog het gewest Holland zou kunnen beschermen. In de periode 1673 tot 1796 werden er dan ook verschillende verbeteringen en versterkingen doorgevoerd die de verdediging ten goede moest komen. Na de aanleg van de Nieuwe Hollandse Waterlinie verloor de Oude Hollandse Waterlinie haar functie in 1816 vrijwel volledig.10

6

Olde Meierink et al. 1995, 94. Blijdenstijn 2015. 8 De Boer 2013, 17. 9 Blijdenstijn 2015, 114-122. 10 Will 2011, 58. 7

Archeologisch bureauonderzoek

14

3.2.2.1 Structuur vormende elementen Vestingsteden: Vesting Nieuwersluis. Verwachting: Hoge archeologische verwachting. In de Hollandse Waterlinie lagen verschillende vestingsteden, waaronder Woerden. De vesting Nieuwersluis vormt de enige vestingstad binnen de gemeente Stichtse Vecht. De vesting is in 1673 aangelegd als onderdeel van de nieuwe loop van de Oude Hollandse Waterlinie. Deze gebastioneerde vesting lag op beide oevers van de vecht en had een dubbele omwalling. Een deel van de oorspronkelijke omwalling en gracht is nog in het landschap zichtbaar. In het noordwesten is een deel van de vesting verloren gegaan door de aanleg van het de 19 eeuwse fort Nieuwersluis. Het nog aanwezige deel van de voormalige vestingstad kent een hoge archeologische verwachting door de mate van intactheid van het nog resterende deel van de vesting. Verdedigingswerken: Forten, redoutes, bastions, posten en schansen. Verwachting: Hoge archeologische verwachting. Op de accessen in het landschap en langs waterwegen zijn tussen 1672 en 1796 verschillende aarden, omgrachte verdedigingswerken aangelegd. Voor de gemeente Stichtse Vecht waren dit een schans, bastions, een post en een linie. Drie van deze werken, de Linie van ter Aa, Bastion de Waakzaamheid en de Post aan de galgenwaard werden in de laatste verbeteringsfase in 1796 aangelegd.

De Sterreschans en de redoute Joostendam waren al ten tijde van de Frans-Duitse oorlog (1672-1673) aangelegd en in gebruik genomen. Bovengenoemde verdedigingswerken verschillen in vorm en afmetingen, maar kennen wel een sterke gelijkenis wat betreft het gebruikte materiaal. Bij de aanleg is in alle gevallen gebruik gemaakt van aarde, zoden en hout. De verdedigingswerken zijn na 1816 geslecht en in onbruik geraakt. De daadwerkelijke wallichamen zijn daarom in het landschap niet meer als zodanig herkenbaar. Wel zijn de verdedigingswerken in de kadastrale grenzen nog zichtbaar. Aan de locaties van deze aarden verdedigingswerken is een hoge archeologische verwachting toegekend. Door de omvang van de structuren en de aanzienlijke ingrepen die de aanleg met zich mee bracht, is er een hoge kans op het aantreffen van restanten van de daadwerkelijke aardwerken, de gracht, samen met een mogelijke vondstspreiding. Daarnaast zijn de redoute Joostendam en de Sterreschans tijdens de Frans-Hollandse oorlog aangelegd en tijdens het conflict in gebruik geweest. Inundatiewerken: Inundatiegebied. Verwachting: Geen specifieke archeologische verwachting opgesteld. Aan de inundatiegebieden is geen specifieke archeologische verwachting toegekend.

Deze zone is enkel meegenomen om het verloop van de linie en de werking hiervan in relatie tot de verdedigingswerken en overig militair erfgoed inzichtelijk te krijgen.

15

3.2 3.2.3 De Nieuwe Hollandse Waterlinie In het voorjaar van 1815 werd door Koning Willem I opdracht gegeven tot het uitwerken van een plan voor de aanleg van een Nieuwe Waterlinie. Deze waterlinie moest ten oosten van de Oude Hollandse Waterlinie komen te liggen en omsloot zodoende ook de stad Utrecht.11 Het plan was niet helemaal nieuw, al onder keizer Napoleon waren er plannen uitgewerkt om de waterlinie uit te breiden en ook Utrecht in de verdediging op te nemen. Tot uitvoering kwam het toen alleen niet. In 1815 werd wel direct begonnen met de uitwerking en aanleg van een imposant inundatiestelsel en permanente forten en verdedigingswerken.12 In de basis kende deze nieuwe waterlinie gelijkenissen met de oude waterlinie. Net als de Oude Hollandse Waterlinie, vertrouwde en steunde ook de Nieuwe Hollandse Waterlinie op inundaties. De verdediging werd hier dan ook volledig op ingericht. De accessen en hoge delen in het landschap werden afgesloten door verdedigingswerken en ook de sluizen en waterkeringen werden beschermd door forten, batterijen en/of redoutes.

In de periode tussen 1815 en 1885 werd er in verschillende fases aan de uitbouw van de linie gewerkt, waarna deze uiteindelijk vanaf de Biesbosch naar Gorinchem, langs Culemborg, over Utrecht richting Naarden zou lopen en aansluiting vond met de Stelling van Amsterdam.13 Tot een daadwerkelijke bezetting zou het in de eerste jaren van de aanleg niet komen. Pas tijdens de mobilisatie bij de uitbraak van de Frans-Duitse oorlog in 1870, werd de linie voor het eerst echt in stelling gebracht. Na de mobilisatie van 1870 zou de stelling pas in 1914 weer een grote mobilisatie en uitbreiding kennen.

3.2.3.1 Structuurvormende elementen Verdedigingswerken: Forten en redoutes. Verwachting: Verwachting: Hoge archeologische verwachting. Kernelementen in de verdediging van de Waterlinie waren de forten en werken die binnen de waterlinie werden gebouwd. De forten en werken sloten de accessen en hogere delen in het landschap af en beveiligden overige belangrijke objecten en steden. In de gemeente Stichtse Vecht zijn drie forten en een redoute gebouwd als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het gaat hier om Fort Hinderham (enkel een lunet), Fort Nieuwersluis, Fort Maarsseveen en de redoute Tienhoven. Alle werken zijn nog aanwezig. De forten en redoutes kennen een hoge archeologische verwachting. Inundatiewerken: Inundatiegebied, sluizen en kanalen. Verwachting: Sluizen: hoge verwachting. Kanalen en inundatiegebied: geen specifieke verwachting. Zonder inundatiewerken zou de Nieuwe Hollandse Waterlinie haar werking verliezen. Een complex stelsel van waterwegen, sluizen en overige voorzieningen werd daarom aangelegd om het land gecontroleerd onder water te kunnen zetten en op een vooraf bepaald peil te krijgen.

11

Will 2011, 55. Blijdenstijn 2015 13 Will 2011, 58-59. 12

Archeologisch bureauonderzoek

16

Belangrijke elementen binnen het inundatiesysteem, waren de verschillende sluizen, stuwen en duikers. De aanlegde sluizen zijn vandaag de dag nog steeds aanwezig. Aan de inundatiegebieden is geen specifieke archeologische verwachting toegekend. Deze zone is enkel meegenomen om het verloop van de linie en de werking hiervan in relatie tot de verdedigingswerken en overig militair erfgoed inzichtelijk te krijgen.

3.2 3.2.4 De Nieuwe Hollandse Waterlinie: De eerste Wereldoorlog (1914(19141918) Na de mobilisatie gedurende de Frans-Duitse oorlog in 1870, moest de Nieuwe Hollandse Waterlinie in 1914 opnieuw in staat van verdediging worden gebracht. De mobilisatie kon volledig en groots plaatsvinden omdat het leger nu voor het eerst op volle oorlogssterkte was door de ingevoerde dienstplicht in 1898.14 De forten en redoutes werden bemand en er werden vele plannen gemaakt om de zones tussen, achter en voor deze forten verder te versterken en in te richten door middel van batterijen en (versterkte) infanterie steunpunten.15 Met alleen de inundaties en de forten was de kans te groot dat een eventuele vijand alsnog zou kunnen doorbreken. De eerder versterkte forten waren namelijk in 1914 alweer verouderd en kwetsbaar voor artillerievuur.

De nieuw aan te leggen verdediging moest de forten waar mogelijk ontzien.16 De eerste verdedigingsplannen werden al in 1914 gemaakt, waarna er gedurende de Eerste Wereldoorlog nog vele overleggen en plannen volgde om de verdediging van de Nieuwe Hollandse Waterlinie optimaal te krijgen in geval van een aanval.17 Figuur 3.1 Voorbeeld van een overzichtskaart van de omvangrijke verdedigingsplannen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie ten tijden van de Eerste Wereldoorlog nabij Vreeland, met hierop versperringen, (versterkte)infanteriesteunpunten, batterijen en onderkomens (NLHaNA, 3.09.19. inv.nr. 32).

Tussen, achter en voor de forten en al bestaande verdedigingswerken kwam een lint van (versterkte) veldversterkingen waaronder infanterieopstellingen, geschutbatterijen, loopgraven en munitieopslagplaatsen. Tussen de veldversterkingen werden (prikkeldraad)versperringen aangelegd om een vijand de doorgang te beletten. Deze werken waren in de eerste fase (1914-1915) van de versterking hoofdzakelijk opgebouwd uit aarde en hout.18 Pas tussen 1916 en 1918 werden er ook de eerste groepsschuilplaatsen uit beton gebouwd. Deze betonnen bouwwerken moesten de troepen een veilige schuilplaats bieden tijdens voorgevechten. Niet overal langs de linie werden grote aantallen van deze bouwwerken aangelegd. Ook boerderijen en woonhuizen werden ingericht als schuilplaats, zoals het geval was bij het grootste deel van de linie binnen de gemeente Stichtse Vecht. Tot een daadwerkelijke strijd zou het tijdens de Eerste Wereldoorlog niet komen. Nederland wist tijdens de Eerste Wereldoorlog haar neutraliteit te behouden en de waterlinie zou wederom niet gebruikt hoeven te worden. 14

Will 2011, 103 NL-HaNA, Genie-archieven, 2.13.45. 16 Koen 1995, 8. 17 zoals blijkt uit conversaties en uitgaande brieven van de staf van Vesting Holland en de genie, NL-HaNA, Hoofdkwartier Vesting Holland, 3.09.20 en NL-HaNA, Genie-archieven, 2.13.45. 18 Will 2011, 103-104. 15

17

3.2.4.1 Structuurvormende elementen Stellingzone: Stellingzone: Hoofdweerstandslijn. Verwachting: Hoge archeologische verwachting. Tussen de forten en bestaande verdedigingswerken werden in de periode 19141918 honderden infanteriesteunpunten, batterijen, loopgraven, posten en (prikkeldraad)versperringen aangelegd. Voor het deel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, dat ten oosten van de Vecht lag, is daarom een zone weergeven waarbinnen resten van deze veldversterkingen en verdediging kunnen worden verwacht. Deze zone geeft het gebied weer waarbinnen de hoofdweerstandslijn werd aangelegd. De hoofdweerstandslijn was het gebied waar de daadwerkelijke strijd zou worden gevoerd en waar de focus en het zwaartepunt van de verdediging moest komen te liggen. Binnen deze zone liggen zowel de prikkeldraadversperringen, als de daadwerkelijke onderkomens en de (versterkte) infanteriesteunpunten en geschutbatterijen. Voor de gehele loop van deze hoofdweerstandslijn geldt een hoge archeologische verwachting op structuren die in verband staan met de versterking van de Nieuwe Hollandse Waterlinie in de periode 1914-1918. Steunpunten: Infanteriesteunpunten en batterijen. Verwachting: Hoge archeologische verwachting. Tijdens de eerste Wereldoorlog zijn er vele kleine en grote versterkte infanteriesteunpunten (bedoeld voor een groep infanteristen) en batterijen (bedoeld voor geschut) aangelegd.

Al deze steunpunten hadden als taak de accessen in het geïnundeerde landschap te beschermen en de vijand te beletten de oversteek te maken over de Vecht. De steunpunten liggen hoofdzakelijk op de hoge delen van het landschap, waaronder de wegdijken, op erven of in de kanaaldijken. Deze (versterkte) infanteriesteunpunten bestonden overwegend uit veldversterkingen, zoals loopgraven en onderkomens. Vanaf 1916 werden er naast de veldversterkingen ook betonnen bouwwerken bijgebouwd. Veldversterkingen blijven echter de kern van de verdediging vormen. Naast de veldversterkingen die binnen de weergeven stellingzone liggen, lagen ook steunpunten op de westoever van Vecht en voor de hoofdweerstandslijn (voorposten). De aangelegde veldversterkingen konden zowel zijn ingegraven, als op het maaiveld zijn aangelegd. De opbouw is vrij uniform. De versterkingen werden uit aarde opgetrokken en versterkt met hout (waarbij ook zware balken). In enkele gevallen konden ook staal of stukken spoorrails worden gebruikt. De werken kregen uiteindelijk gronddekking (aarde wallichaam) ter bescherming van beschietingen en granaatscherven. Prikkeldraadversperringen verbonden de steunpunten en zorgden voor een passieve verdediging tussen de infanteriesteunpunten.

Resten van deze steunpunten en batterijen zijn na de mobilisatie grotendeels geslecht en geëgaliseerd.19 In het landschap zijn deze resten dan ook niet meer als 19

Koen 1995, 16.

Archeologisch bureauonderzoek

18

zodanig te herkennen. Doordat de restanten hoofdzakelijk aan het maaiveld zijn verwijderd, kunnen restanten van deze steunpunten archeologisch nog wel aanwezig zijn. De voormalige locaties van deze infanteriesteunpunten en batterijen kennen daarom een hoge archeologische verwachting op het aantreffen van veldversterkingen, met sporen van de aanleg en het daadwerkelijke gebruik. Verdedigingswerken: Betonnen groepsschuilplaatsen type 1916 I. Verwachting: Hoge archeologische verwachting. Een uitzondering op deze veldversterkingen, vormden de betonnen groepsschuilplaatsen. De eerste testen van de bouw in beton werden al in 1915 uitgevoerd. De aarden en houten schuilplaatsen bleken de zware beschietingen van de moderne artillerie namelijk niet te kunnen doorstaan.20 Ook in de NHW werden daarom betonnen werken aangelegd. In de gemeente Stichtse Vecht gaat het hoofdzakelijk om één scherfvrije schuilplaats van het type 1916 I. Deze schuilplaats was bedoeld om dekking te bieden aan manschappen en had geen actieve gevechtsfunctie. Rondom deze schuilplaats waren aarden verdedigingswerken aangelegd. Het bouwwerk vormt dan ook slechts een klein onderdeel van een infanteriesteunpunt. Verdedigingswerken: Verdedigingswerken: Forten en al bestaande elementen van de NHW. Verwachting: Hoge archeologische verwachting.

Tijdens de mobilisatie van 1914-1918 werden niet alleen nieuwe veldversterkingen aangelegd en bemand, ook de al bestaande verdedigingswerken werden in gebruik genomen en waar nodig verbeterd en versterkt. Voor de periode 1914-1918 geldt voor deze structuren daarom ook een hoge archeologische verwachting.

3.2 3.2.5 De Nieuwe Hollandse Waterlinie: De mobilisatie en meidagen (19 939(1 39-1940) Met de dreiging van de inval van Duitse troepen werd de kans op een nieuwe oorlog op Nederlands grondgebied reëel. De nieuwe Hollandse Waterlinie, sinds 1922 Oostfront Vesting Holland geheten, bleek alleen zeer sterk ondermaats te zijn om in een toen 'moderne' oorlogsvoering weerstand te bieden.21 De linie had nagenoeg geen luchtafweer en de forten en inundatiewerken waren makkelijke doelwitten voor bombardementen. Ook het geschut en overige bewapening waren sterk verouderd. Aanpassingen waren dus noodzakelijk om Nederlands hoofdverdedigingslinie volledig op defensieve sterkte te krijgen. Op korte termijnen waren deze aanpassingen niet meer mogelijk. Niet alleen de bouwwerken, maar het volledige verdedigingsconcept diende aangepast te worden. Toch werd vanaf de jaren 30 en in 1939 en 1940 met alle beschikbare middelen geprobeerd de verdediging zo efficiënt mogelijk in te richten. Net als tijdens de mobilisatie van 1914-1918, werd de verdediging tussen de forten en inundatiewerken opnieuw vormgegeven. Dit betekende voor het gebied tussen Utrecht en Nigtevecht dat er tussen de forten een lint van betonnen kazematten en groepsschuilplaatsen werden gebouwd. In totaal werden er honderden bouwwerken van beton aangelegd. Deze betonnen 20 21

Will 2011, 103. Will 2011, 107-108.

19

bouwwerken werden op hun beurt weer omsloten of verbonden door middel van loopgravenstelsels met daaraan mitrailleurposten en andere opstellingen.22 Het ensemble werd ook wel een groepsnest genoemd. Door de aanleg van vele, kleine en grote losse steunpunten, kan er worden gesproken van een gedecentraliseerde verdediging op kleine schaal. In plaats van een starre lijn, kwamen er nu losse steunpunten en een verdediging in de diepte op accessen in het landschap. Tot daadwerkelijke hevige gevechten nabij en rond de nieuw aangelegde groepsnesten kwam het echter niet in de gemeente Stichtse Vecht.

3.2.5.1 Structuurvormende elementen Verdedigingswerken: Groepsschuilplaatsen en kazematten. Verwachting: Hoge archeologische verwachting. Een belangrijk element in de versterking van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, vormen de in de mobilisatie aangelegde betonnen bouwwerken. Het meest voorkomend in de gemeente Stichtse Vecht, zijn de zogenaamde betonnen groepsschuilplaatsen van het type P. Deze bouwwerken hadden geen actieve gevechtsfunctie, maar boden alleen dekking aan een groep militairen. Een groepsschuilplaats vormde dan ook een onderdeel van grotere stellingen, zoals een groepsnest (een ensemble van verdedigingswerken, waaronder de groepsschuilplaats). Nagenoeg alle groepsschuilplaatsen zijn vandaag de dag nog aanwezig. Een tweede groep vormen de kazematten in de gemeente. Deze bouwwerken hadden, anders dan de groepsschuilplaatsen, wel een actieve gevechtsfunctie. Dit betekende concreet dat in deze bouwwerken waren bedoeld om vanuit te vuren met geschut of een ander wapen. De kazematten die zijn aangelegd, zijn zogenoemde gietstalen koepelkazematten en V.I.S. kazematten. De V.I.S. kazematten konden zijn ingericht voor een stuk geschut of mitrailleur(s).23 De naam V.I.S. staat hier niet zozeer voor de aard van het bouwwerk. Het staat hier voor Voorschrift Inrichten Stellingen, een reeks handboeken waarin wordt ingegaan om het inrichten van stellingen.

Hieronder viel ook het bouwen in beton. Deze kazematten werden langs belangrijke accessen en waterwegen aangelegd. Een voorbeeld binnen de gemeente Stichtse Vecht is de mitrailleurkazemat Vreeland, welke in 1935 is gebouwd. Deze V.I.S. kazemat werd hier aangelegd ter verdediging van de provinciale weg Haarlem-Hilversum.24 Een koepelkazemat dankt zijn naam aan de gietstalen koepel die in het beton was gegoten. De kazemat was bedoeld voor één mitrailleur. Het voordeel van deze kazematten was onder andere dat de constructie door het gebruikte staal kleiner kon worden en de bouwwerken dus minder zichtbaar waren dan de grote betonnen varianten. In het polderlandschap was dit een groot voordeel. Een ander voordeel was dat er een waterdichte variant kon worden gemaakt voor het gebruik in zeer natte omstandigheden.25

Steunpunten: Steunpunten Groepsnesten. 22

Koen 1995, 66-67. Koen 1995, 27-28. 24 https://www.monumenten.nl/monument/62972. 25 Koen 1995, 54-55 23

Archeologisch bureauonderzoek

20

Verwachting: Hoge archeologische verwachting. Rondom de tientallen aangelegde groepsschuilplaatsen werden in 1939 en 1940 steunpunten aangelegd. De betonnen bouwwerken waren namelijk niet bedoeld om vanuit te vuren. Het waren betonnen bouwwerken met een enkele ingang, die bedoeld waren als schuilplaats tijdens (artillerie)beschietingen. Deze steunpunten stonden ook wel bekend als groepsnesten. In de gemeente Stichtse Vecht zijn deze groepsnesten in veel gevallen ingericht voor lichte- of zware mitrailleurs. Figuur 3.2 Voorbeeld van een groepsnest rondom een betonnen groepsschuilplaats (rechthoek in het midden), zoals deze in de buurt van Breukelen is aangelegd, met daarop de loopgraven, schuilplaats en overzicht van de inpassing in het landschap (NL-HaNA, 3.09.28. inv.nr. 56).bom

Deze groepsnesten bestonden uit enkele vaste elementen. De groepsschuilplaats en/of kazemat vormde het centrum van het steunpunt. Rondom deze betonnen bouwwerken werden loopgraven aangelegd die naar mitrailleursnesten, uitkijkposten, opslagnissen en/of schuttersopstellingen leiden. Deze loopgraven en de opstellingen die hier aan vast lagen, waren opgebouwd uit aarde, hout en andere makkelijk voor handen zijnde materialen. In die zin waren het dus geen permanente of duurzame structuren. Een deel van deze veldversterkingen werd ingegraven, maar het grootste deel van de structuren lag bovengronds of voor de helft boven maaiveld (fig. 3.1). Door de hoge grondwaterstand en het feit dat de groepsschuilplaatsen op het maaiveld waren aangelegd, was dit ook noodzakelijk. Voor de aanleg werden grond en zoden van elders aangevoerd. In de meidagen van 1940 is de NHW op het grondgebied van de gemeente Stichtse Vecht wel in gebruik genomen, maar er hebben geen grote, aanhoudende gevechten plaatsgevonden. Na de meidagen van 1940 werden deze groepsnesten opgeheven en deels geëgaliseerd en afgebroken. Op de locatie van de groepsnesten zijn in de bodem buiten de betonnen groepsschuilplaatsen en/of kazematten mogelijk nog resten van de omringende veldversterkingen aanwezig.

Ook wanneer een groot deel van deze structuren boven het maaiveld zijn aangelegd, bestaat er een kans op het aantreffen van materiaal dat verband houd met de aanleg van deze stellingen. Zo kunnen er sporen en vondsten worden aangetroffen die in verband staan met de aanleg van de groepsschuilplaats en kan er ondanks de egalisatie en het wegwerken van de steunpunten mogelijk sprake zijn van een vondstspreiding. In het verleden is er nog geen archeologisch onderzoek uitgevoerd naar een groepsnest voor mitrailleurs. Over mogelijke conservering, gebruikte materialen en archeologische zichtbaarheid kunnen hierdoor verder geen uitspraken worden gedaan. Nader archeologisch onderzoek zou hier meer over kunnen vertellen. Verdedigingswerken: Verdedigingswerken: Forten en al bestaande elementen van de NHW Verwachting: Hoge archeologische verwachting De al bestaande verdedigingswerken van de NHW werden ook tijdens de mobilisatie in gebruik genomen en gemobiliseerd. Op de forten en redoutes werden onder andere schuilplaatsen wen kazematten aangelegd. Ook werden er noodzakelijke verbeteringen doorgevoerd.

21

3.2 3.2.6 De Tweede Wereldoorlog en de Hintere Wasserstellung (1940(1940-1945) Tijdens de Tweede Wereldoorlog vervulde de waterlinies en de hierbij behorende verdedigingswerken nog steeds een functie in de verdediging van Nederland, ook bij de Duitse bezetter. Zo werden losse elementen van deze linies gebruikt als luisterposten, opslagplaatsen en werd een deel van de oude linies daadwerkelijke opgenomen in de verdediging van het Derde Rijk. Een van de verdedigingslinies die werd aangelegd tijdens de oorlog, en voor een deel een oud tracé van de waterlinies volgde, was de zogenaamde Hintere Wasserstellung. Dit was vanuit de kust gezien de derde verdedigingslinie die erop was gericht om een vijand die richting het oosten wilde oprukken, te doen stoppen. De Hintere Wasserstellung was de meest oostelijk gelegen Duitse waterlinie. De linie liep vanaf Amsterdam langs het Amsterdam-Rijnkanaal, om Utrecht en door het Groene Hart naar Gorinchem, om vanaf hier verder te lopen richting Breda. De linie vertrouwde grotendeels op snel aangelegde veldversterkingen en inundaties.26 Tijdens de oorlog werd er niet alleen een verdedigingslinie aangelegd in de gemeente Stichtse Vecht. Ook de luchtoorlog, met bombardementen, luchtgevechten en bijbehorende vliegtuigcrashes lieten sporen na in het landschap en de bodem.

In de gemeente Stichtse Vecht zijn alleen al tien crashes gemeld tussen 1939 en 1945.

3.2.6.1 Structuurvormende elementen Stellingszone: Verloop van de Hintere Wasserstellung. Verwachting: Hoge archeologische verwachting. De inrichting van de Hintere Wasserstellung bestond hoofdzakelijk uit steunpunten die zijn ingericht op belangrijke in- en uitvalswegen, bruggen en overgangen over het Amsterdam-Rijnkanaal. Het omringende land werd in 1944 en 1945 geïnundeerd. In Duitse terminologie worden dit ook wel Uberflütungen genoemd. Alleen de hoger gelegen terreinen en militair strategische punten dienden hierdoor verdedigd te worden. In de lagere delen die bij inundatie onder water kwamen te staan, worden dan ook geen structuren uit de Tweede Wereldoorlog verwacht die in verband staan met de Hintere Wasserstellung. Van de ingegraven veldversterkingen zouden binnen de aangegeven stellingzone nog resten in de bodem aanwezig kunnen zijn van tijdens de oorlog aangelegde steunpunten en verdedigingswerken. Naast elementen van de opstellingen zelf, is het ook mogelijk hier materiaal aan te treffen dat hier tijdens de oorlog is achtergelaten of na de oorlog is gedumpt bij het opruimen van oorlogsmateriaal. Steunpunten: Bruggenhoofden. Verwachting: Hoge archeologische verwachting. De Hintere Wasserstellung bestond uit verschillende losse steunpunten, of Stützpunkte.

De steunpunten en verdedigingswerken lagen op en rondom de belangrijke bruggenhoofden van Maarssen, Breukelen, Loenersloot en Nigtevecht. Tijdens een eventuele aanval zouden deze locaties het meest kwetsbaar en strategisch belangrijk zijn. De bruggen waren namelijk belangrijk voor bevoorrading en het aan- en afvoeren van troepen.

26

Van der Valk 2011.

Archeologisch bureauonderzoek

22

De inrichting van deze steunpunten was vrij uniform (fig. #). Er werden geen zware betonnen- of stenen bouwwerken aangelegd. De verdediging bestond uit aarden en houten verdedigingswerken (veldversterkingen) en versperringen. De verdedigingswerken waren ingegraven en daarna versterkt met minder duurzame materialen, zoals vlechtwerk en planken. Voor een goed overzicht, dekking en bescherming tegen een hoge grondwaterstand of inundatie, werden deze veldversterkingen op de hogere delen van het landschap ingericht. In de praktijk betekende dit dat er voornamelijk verdedigingswerken in en op de dijk- en wegtaluds kwamen te liggen. De aard van deze verdedigingswerken konden nogal verschillen. Er waren mitrailleursnesten en opstellingen voor luchtafweerof veldgeschut. Van de ingegraven veldversterkingen zouden binnen de aangegeven bruggenhoofden nog resten in de bodem aanwezig kunnen zijn. Aan het maaiveld zijn ze vandaag de dag niet meer herkenbaar. Naast elementen van de opstellingen zelf, is het ook mogelijk hier materiaal aan te treffen dat hier tijdens de oorlog is achtergelaten of na de oorlog is gedumpt bij het opruimen van oorlogsmateriaal.

Vliegtuigcrashes Verwachting: Middelhoge archeologische verwachting. Boven Nederland zijn tijdens de tweede Wereldoorlog bijna 6000 toestellen neergestort. Binnen de gemeente Stichtse Vecht zijn al minimaal tien crashes gemeld, waarvan er twee relatief nauwkeurig op kaart gezet konden worden.27 Vliegtuigcrashes zijn vaak lastig op kaart te zetten en te begrenzen. De locaties waar de toestellen zijn gecrasht zijn namelijk vaak zeer globaal beschreven en bij een crash liggen de brokstukken vaak over een groot gebied verspreid. Daarom konden er slechts twee crashes worden ingetekend. Er geldt daarom voor de gehele gemeente een middel lage tot middelhoge verwachting op het aantreffen van vliegtuigwrakken. Meer en diepgaander onderzoek is noodzakelijk om alle crashlocaties juist op kaart te krijgen. Op de locatie van een vliegtuigcrash zijn zowel resten van het vliegtuig, als grondsporen aanwezig die meer kunnen vertellen over de crash. Daarnaast kan het wrak ook het stoffelijke overschot van de bemanning herbergen, waardoor het tevens een veldgraf is geworden. Onderzoek naar deze locaties is dus van belang. Vanwege het feit dat de locaties van deze sites lastig nauwkeurig op kaart zijn te zetten, en delen van de opgetekende wrakken al zijn geborgen, geldt voor deze locaties een middel hoge archeologische verwachting.

Bomkraters Verwachting: lage archeologische verwachting/verstoord. In de periode 1944-1945 waren objecten binnen de gemeente Stichtse Vecht meerdere malen het doelwit van geallieerde bombardementen.28 De belangrijkste doelen waren de bruggenhoofden over het Amsterdam-Rijnkanaal en de spoorweg die vanaf Utrecht naar Amsterdam liep. Zowel wegen, bruggen als spoorlijnen waren voor de Duitse bezetter van groot belang bij de bevoorrading van de troepen en het algemene transport. Bij de uitschakeling van deze infrastructurele werken zou het Duitse transport ontwricht worden. Een deel van

27 28

http://verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl/ NIMH, collectie 575, inv.nr. 509.

23

de bombardementen heeft uiteindelijk doel getroffen, waaronder die op het spoor nabij Breukelen. De bomkraters zijn tijdens en na de oorlog dichtgegooid en geëgaliseerd. In het landschap zijn deze structuren daarom niet als zodanig herkenbaar. Er bestaat een lage verwachting op het aantreffen van puin en militair materiaal dat hier bij de egalisatie is gedumpt.

Archeologisch bureauonderzoek

24

4

De beleidsadvieskaart

4.1

Inleiding

De militaire erfgoed- en conflictkaart laat terreinen zien waar archeologische waarden al bekend zijn en waar archeologische resten verwacht kunnen worden. Hieronder volgt per kaartcategorie een advies hoe met deze archeologische resten kan worden omgegaan in het kader van goed gemeentelijk archeologisch beleid. In tabel 1 staat het geheel bovendien kort samengevat. Aan elke categorie zijn bepaalde beleidsadviezen gekoppeld. Bij de indeling is rekening gehouden met de herziende beleidscategorieën zoals omschreven in het actualisatierapport van de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Stichtse Vecht.29 De beleidscategorieën zijn als volgt ingedeeld: Zeer Hoge Archeologische Waarde/ beschermd Rijksmonument Hoge Archeologische Waarde; Hoge verwachting; Middelhoge verwachting; Lage verwachting; Verstoord/onderzocht.

4.2

Toelichting 4.2.1 Beleidsadviezen voor militair erfgoed

De beleidskaart voor militair erfgoed wijkt lichtelijk af van een normale archeologische beleidsadvieskaart. Dit komt vooral door de aard van de objecten en aangegeven zones op de kaart. Waar de standaard archeologische beleids- en verwachtingskaarten zijn gebaseerd op de geo(morfo)logie, bodemkunde en archeologisch onderzoek, is de militaire kaart hoofdzakelijk gebaseerd op historische bronnen, archeologisch onderzoek en cultuurhistorische elementen. De ligging en aard van structuren zijn hierdoor voor het grootste deel al bekend waardoor de verwachting en begrenzing zeer specifiek vastgesteld kunnen worden. Hoewel de beleidscategorieën, zoals geformuleerd voor de geactualiseerde beleidskaart als richtlijn zijn aangehouden, zijn er op basis van de meer specifieke begrenzing en verwachting noodzakelijke uitzonderingen en lichte aanpassingen gemaakt. Zo is er wel een beleidscategorie middelhoog gedefinieerd en zijn onder andere uitzonderingen gemaakt voor groepsnesten en forten, die anderszins binnen de categorie Hoge verwachting aangetast zouden kunnen worden door een te hoge vrijstellingsgrens.

4.2.2 Gemeentelijk archeologiebeleid Na de wijziging van de Monumentenwet 1988 in september 2007 zijn gemeenten zelf verantwoordelijk geworden voor het behoud en het beheer van het ondergrondse cultureel erfgoed. Iedere gemeente dient dus voldoende geïnformeerd te zijn over de archeologie op haar eigen grondgebied, voordat

29

Dütting 2016.

25

bodemverstorende werkzaamheden al dan niet kunnen worden toegestaan. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg beoogt dat gemeenten niet alleen de bekende archeologische waarden, maar ook de te verwachten archeologische waarden binnen hun gemeentelijke grenzen inventariseren. Gemeenten zijn namelijk bij bodemingrepen van enige omvang verplicht rekening te houden met en inzicht te verschaffen in zowel de bekende archeologische waarden als de te verwachten archeologische resten. Sinds 2010 beschikt de gemeente Stichtse Vecht over een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart.30 Deze kaart vormde het beleidsinstrument bij het invullen van de beleidskaders binnen de gemeente tot aan de actualisatie in 2016. Met de inwerkingtreding van de nieuwe erfgoedwet in juli 2016, met onder andere de vervanging van de opgravingsvergunning in een wettelijke certificering, heeft de gemeente Stichtse Vecht opdracht gegeven een actualisatie uit te voeren van de beleidsadvieskaart en archeologische verwachting binnen de gemeente en een nieuwe verwachtings- en beleidsadvieskaart op te stellen.

De actualisatie van de gemeentelijke archeologische beleidskaart is uitgevoerd door de Omgevingsdienst regio Utrecht en omvat niet alleen een de verwerking van nieuwe inzichten op het gebied van geo(morfo)logische, bodemkundige en archeologische data, maar ook een herziening en beperking van de in 2010 opgestelde beleidscategorieën.31 Hierdoor is de beleidsadvieskaart functioneler en inzichtelijker gemaakt. Als onderdeel van de actualisatie werd aan BAAC opdracht gegeven een specifieke verwachtings- en beleidsadvieskaart op te stellen voor het militaire erfgoed binnen de gemeente. Op de gemeentelijke verwachtings- en beleidsadvieskaart uit 2010 is wel ingegaan op de vestingwerken en linies uit de tachtigjarige oorlog, de negenjarige oorlog en de Napoleontische oorlogen, maar de de conflicten uit de late 19 , gehele 20e eeuw en de hierbij behorende resten en structuren zijn niet in de kaartlagen en beleidsrichtlijnen meegenomen.32 Om onderzoek te kunnen sturen dient de gemeente te beschikken over een totaaloverzicht van de bestaande en te verwachten waarden met een bijbehorend beleid dat is samengebracht in een inzichtelijke verwachtings- en waardenkaart met beleidskaart en beleidsrichtlijnen.

Mede in het kader hiervan heeft BAAC het onderhavige rapport en een archeologische waardenkaart en archeologische verwachtingskaart met beleidsadviezen gemaakt die bij de uitvoering van dit beleid als beleidsinstrumenten kunnen dienen. Zodra bekend is wat er binnen de gemeentelijke grenzen aan militair (ondergronds) erfgoed aanwezig is en verwacht kan worden, wordt het mogelijk een voor burgers en private partijen transparant beleid te formuleren met betrekking tot de inventarisatie, de selectie van te behouden archeologische waarden, het behoud en het beheer van archeologische waarden. De nieuw te maken verwachtings- en beleidsadvieskaart voor militair erfgoed en conflictarcheologie haakt op deze beleidscategorieën en actualisatie in.

4.3

Beleidsadviezen 4.3.1 Beschermd Rijksmonument /Zeer Hoge Archeologische waarde/

Hieronder zijn begrepen: de rijksbeschermde archeologische monumententerreinen en terreinen van zeer hoge archeologische waarde. Voor de beschermde archeologische terreinen geldt dat niet de gemeente, maar het rijk de bevoegde overheid is en vaste beleidsregels heeft opgesteld voor deze terreinen. Dit houdt in dat op de aangewezen archeologische rijksmonumenten

30

De Boer et al. 2010. Dütting 2016. 32 De Boer et al. 2010. 31

Archeologisch bureauonderzoek

26

geen enkele bodem verstorende activiteit of grootschalige dan wel langdurige grondwaterpeilverlaging is toegestaan. Bodemingrepen zijn alleen toegestaan als de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) daarvoor een vergunning heeft afgegeven. Van het militaire erfgoed binnen de gemeente Stichtse Vecht, zijn enkel kasteelterreinen en versterkte huizen aangemerkt als beschermd rijksmonument of terrein van zeer hoge archeologische waarde. Het gaat hier om twee archeologische rijksmonumenten (Groot-Ruwiel en Cronenburg). De landelijke AMK wordt regelmatig geactualiseerd. Via de RCE (www.archis.nl) of de provincie is de meest recente versie op te vragen. Naast de beschermde AMK-terreinen, bevinden zich op het grondgebied van de gemeente Stichtse Vecht vijf terreinen van zeer hoge archeologische waarde die aan militair erfgoed en conflictarcheologie gerelateerd zijn, te weten: Kasteel Oudaen, Vreeland, Loenersloot, Bolenstein en Zuilen. Hoewel de AMK-terreinen op de archeologische Monumentenkaart staan vermeld, genieten deze terreinen geen wettelijke bescherming, zoals de archeologische rijksmonumenten deze wel genieten. Voor deze terreinen geldt wel, net als bij de beschermde archeologische monumenten, dat er geen grondingrepen zijn toegestaan. Toegestane maximale omvang bodemingreep: bodemingreep: oppervlakte 0 m2; diepte 0 m.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/1996/documents/43022