CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting ontwerpbestemmingsplan Griendweg 1 in Tienhoven.pdf

Commissie Fysiek Domein 31 mei 2022, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: b.: Ontwerpbestemmingsplan Griendweg 1 in Tienhoven.29.364 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Uitvoering van deze activiteiten leiden niet tot een meetbaar negatief effect op het foerageergebied van de steenuil. Het duurzaam behoud van de verblijfplaats wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Er blijft in de directe omgeving van het plangebied voldoende geschikt foerageergebied behouden. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Door het rooien van bomen, struiken en dichte vegetatie kunnen vogelnesten beschadigd en vernield worden. Grondgebonden zoogdieren Er zijn tijdens het veldbezoek geen grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar mogelijk behoort het plangebied tot het functionele leefgebied van sommige algemene- en weinig kritische soorten als ree, bruine rat, egel, huisspitsmuis, dwergmuis, veldmuis, vos, haas en aardmuis. Op basis van het gevoerde beheer en inrichting, wordt het plangebied als een ongeschikte habitat voor de waterspitsmuis beschouwd. Voorgenoemde soorten benutten de buitenruimte van het plangebied als foerageergebied terwijl soorten als bruine rat, huisspitsmuis, dwergmuis, veldmuis en mogelijk ook rust- en voorplantingslocaties bezetten in het plangebied. Deze soorten kunnen een rust- en voortplantingslocatie bezetten in holen in de grond, in de vegetatie (dwergmuis) en onder afval/groen.

Door het bouwrijp maken van het plangebied kunnen grondgebonden zoogdieren verwond en gedood worden en kunnen rust- en voortplantingslocaties beschadigd en vernield worden. Het plangebied wordt als een ongeschikte habitat voor de noordse woelmuis beschouwd. 14

Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Door het bouwrijp maken van het plangebied kunnen grondgebonden zoogdieren verwond en gedood worden en kunnen rust- en voortplantingslocaties beschadigd en vernield worden. Vleermuizen Verblijfplaatsen Er zijn geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen of bewijzen gevonden dat vleermuizen een verblijfplaats in het plangebied bezetten. Potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen, zoals holenbomen, gebouwen of andere bouwwerken ontbreken in het plangebied. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen verblijfplaatsen van vleermuizen beschadigd of vernield en worden geen vleermuizen verwond of gedood. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen. Foerageergebied Het veldonderzoek is uitgevoerd buiten de actieve periode van de dag waarop vleermuizen foerageren. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer van het plangebied en de omgeving, wordt het plangebied mogelijk incidenteel benut door vleermuizen als foerageergebied. Soorten die mogelijk in het plangebied foerageren zijn soorten met een verblijfplaats op het erf, zoals de gewone dwergvleermuis, of soorten die een verblijfplaats elders bezetten zoals de laatvlieger, rosse vleermuis, watervleermuis en meervleermuis.

Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte van het plangebied, is de betekenis ervan als foerageergebied voor vleermuizen gering. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de kwaliteit van het plangebied als foerageergebied niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Aantasten foerageergebied. Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen als geleiders tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantarenpalen, rasterpalen en gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindend element in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute voor vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen. Amfibieën Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode in het jaar waarin amfibieën actief zijn, maar op basis van een beoordeling van het landschap en het gevoerde beheer, kan de functie van het plangebied als functioneel leefgebied voldoende goed ingeschat worden.

Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer in het plangebied en de ligging van het plangebied in de buurt (< 1 km) van geschikte voortplantingswateren, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor sommige algemene- en weinig kritische amfibieënsoorten als gewone pad, bruine kikker, bastaardkikker en kleine watersalamander beschouwd. Het plangebied wordt als een ongeschikt functioneel leefgebied voor soorten als poelkikker, heikikker en meerkikker beschouwd. Het plangebied ligt binnen het normale verspreidingsgebied van de rugstreeppad, maar de inrichting en het gevoerde beheer maken net 15

plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soort. Een zwervend individu kan altijd incidenteel opduiken in het plangebied. Omdat rugstreeppadden geen (winter)rustplaatsen of voortplantingsplaatsen in het plangebied bezetten, is het niet mogelijk om specifieke maatregelen te treffen. Een zwervend exemplaar kan overal opduiken gedurende de actieve periode. Om te voorkomen dat rugstreeppadden een (tijdelijk) water zal gaan benutten als voortplantingslocatie, wordt geadviseerd om geen open water, zoals plassen en met water gevulde gaten, te laten ontstaan in het plangebied gedurende de periode april-juli. Om te voorkomen dat geschikte voortplantingsbiotopen ontstaan dient het plangebied vlak gehouden worden (gaten en wielsporen opvullen zodat ze niet met regenwater gevuld kunnen raken). Amfibieën benutten de buitenruimte in het plangebied mogelijk als foerageergebied en (winter)rustplaats en de sloot in het plangebied vormt mogelijk een voortplantingslocatie. Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten onder water, in holen in de grond, onder afval, bouwmaterialen, zeil en tegels. Gelet op de ligging nabij een mogelijke voortplantingslocatie, behoort het plangebied tot het functionele leefgebied van enkele tientallen tot mogelijk honderden amfibieën.

Door het dempen van de sloop en het bouwrijp maken van het plangebied worden mogelijk amfibieën verwond en gedood, worden mogelijk (winter)rustplaatsen beschadigd en vernield en worden mogelijk eiklompen beschadigd en vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Door het dempen van de sloot en het bouwrijp maken van de bouwplaats worden mogelijk eiklompen beschadigd en vernield, worden mogelijk (winter)rustplaatsen beschadigd en vernield en worden mogelijk amfibieën verwond en gedood. Reptielen Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode in het jaar waarin reptielen actief zijn, maar op basis van een beoordeling van het landschap en het gevoerde beheer, kan de functie van het plangebied als functioneel leefgebied voldoende goed ingeschat worden. Het plangebied ligt binnen het normale verspreidingsgebied van de ringslang. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied niet tot het functionele leefgebied van de ringslang gerekend. Mogelijke broedhopen en overwinteringslocaties ontbreken er en het beheer maakt het plangebied tot een weinig geschikt foerageergebied. Een zwervend individu kan altijd opduiken in het plangebied, maar het plangebied vormt geen wezenlijk onderdeel van het functionele leefgebied van deze soort. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen. Vissen In het plangebied ligt een ‘poldersloot’.

Deze varieert van 1 tot 2 meter breed. Op het oog lijkt deze sloot een geschikte habitat voor de kleine- en grote modderkruiper en rivierdonderpad. Uit bestaande verspreidingsatlassen (o.a. Waarneming.nl in de periode 1990-2018) behoort het plangebied niet tot het normale verspreidingsgebied van deze soorten. Het is aannemelijk dat de sloot wel tot het functionele leefgebied van sommige, niet beschermde vissoorten behoort. Door het dempen van de sloot kunnen vissen verwond en gedood worden. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen. Libellen en andere ongewervelden Voor het Natura2000-gebied Oostelijke vechtplassen zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor sommige soorten ongewervelden, zoals zeggekorfslak, gevlekte witsnuitlibel, gestreepte waterroofkever en platte schijfhoorn. Deze soorten zijn, met uitzondering van de zeggekorfslak, gebonden aan (onder)water milieus. In het bijzonder (onder)watermilieus met een goede waterkwaliteit (kwel) en weelderige (onder)watervegetatie. Geschikte habitat voor deze soorten ontbreekt in het plangebied. Door het dempen

16

van de sloot worden geen beschermde ongewervelden verwond of gedood en wordt geen geschikt functioneel leefgebied beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen. Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.

17

5.4 Toetsingskader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Verder is het verboden om plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor sommige in de Wet natuurbescherming genoemde soorten geldt een ontheffing voor het opzettelijk doden en vangen en de vaste voortplantings- en rustplaatsen van deze soorten opzettelijk beschadigen of vernielen, als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de vrijstellingsregeling van de Provincie Utrecht van kracht. Ook gelden er bepaalde vrijstellingen voor het verbod op verwonden en doden mits er gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde Gedragscode. Op het moment van schrijven van dit rapport is er geen goedgekeurde gedragscode van kracht voor de voorgenoemde activiteiten. Voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’.

In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het toegestaan om sommige soorten opzettelijk te doden en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat.

18

5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Door het bouwrijp maken van het plangebied (verwijderen beplanting) kunnen vogelnesten beschadigd en vernield worden. Van de in het plangebied nestelende soorten zijn uitsluitend de bezette nesten beschermd, niet de oude nesten of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van bezette nesten en het verwonden/doden van vogels kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd wettelijk belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om deze werkzaamheden uit te voeren is augustus-februari. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Beplanting rooien en plangebied bouwrijp maken buiten de broedtijd van vogels. Vleermuizen Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen vleermuizen verwond of gedood en worden geen verblijfplaatsen beschadigd of vernield. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen.

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties: - Geen Foerageergebied Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op foerageergebied van vleermuizen. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt daarom niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen. Vliegroute Het onderzoeksgebied heeft geen betekenis als vliegroute voor vleermuizen. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen.

Grondgebonden zoogdieren Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk grondgebonden zoogdieren verwond en gedood en worden mogelijk rust- en voortplantingslocaties beschadigd en vernield. Voor de grondgebonden zoogdiersoorten die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wnb, of ze zijn niet beschermd (bruine rat). Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek 19

uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen, wel zorgplicht. Amfibieën Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk amfibieën verwond en gedood, worden mogelijk (winter)rustplaatsen beschadigd en vernield en worden mogelijk eiklompen beschadigd en vernield. Voor de in het plangebied voorkomende amfibieënsoorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘beschadigen en doden’ van dieren en eiklompen en het ‘beschadigen en vernielen van verblijfplaatsen’ als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden. In het kader van de zorgplicht dient voorkomen te worden dat amfibieën en eiklompen onnodig beschadigd en gedood worden. Geadviseerd wordt om de sloot te dempen buiten de voortplantingsperiode en winterrustperiode en het terrein bouwrijp te maken buiten de winterrustperiode. De meest geschikte periode om voorgenoemde werkzaamheden uit te voeren is april-half mei en half augustus-september.

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen, wel zorgplicht. Reptielen Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden geen reptielen verwond of gedood en worden geen winterrust- of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen. Vissen Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde vissen verwond of gedood en worden geen winterrust- of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd om de sloot vanuit één zijde te dempen, zodat de aanwezige vissen kunnen ontkomen en niet verwond of gedood worden. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen, wel zorgplicht. Libellen en andere ongewervelden Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde libellen of andere ongewervelden verwond of gedood en wordt geen functioneel leefgebied beschadigd of vernield. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

20

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen Overige soorten Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.

21

In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep

Beschermde soorten planlocatie

Verbodsbepalingen*

aandachtspunt

Grondgebonden zoogdieren; foerageergebied Grondgebonden zoogdieren; rust- en voortplantingslocaties

Diverse soorten

Geen

Vogels; foerageergebied

Diverse soorten

Vogels; bezette nesten (niet jaarrond beschermd) Vogels: beschermde rust- en nestplaatsen

Diverse soorten

Niet van toepassing, functie is niet beschermd Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling (of niet beschermd: bruine rat) Niet van toepassing, functie is niet beschermd Art. 3.1 lid 1 & lid 2

Vleermuizen; verblijfplaatsen en vliegroute Vleermuizen; foerageergebied Amfibieën; foerageergebied, voortplantingslocatie en (winter)rustplaatsen Reptielen; foerageergebied Reptielen; winterrust- en voorplantingslocatie Vissen; alle functies Libellen Ongewervelden Overige soorten

Diverse soorten

Zorgplicht

Geen Beplanting rooien buiten de broedtijd Geen

Niet aanwezig; wel steenuil buiten plangebied Niet aanwezig

Niet van toepassing; nestplaats en foerageergebied wordt niet aangetast Niet van toepassing.

Geen

Diverse soorten

Niet van toepassing , functie wordt niet aangetast Niet van toepassing; ; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling.

Geen

Mogelijk incidenteel ringslang als dwaalgast Niet aanwezig

Niet van toepassing.

Geen

Niet van toepassing.

Geen

Diverse soorten Niet aanwezig Niet aanwezig Niet aanwezig

Soorten zijn niet beschermd Niet van toepassing. Niet van toepassing. Niet van toepassing.

Zorgplicht Geen Geen Geen

Diverse soorten

Zorgplicht

Samenvatting van de wettelijke consequenties.

5.6 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens bekend over de betekenis van het plangebied voor beschermde floraen faunawaarden. 5.7 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.

22

6 Samenvatting en conclusies De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke beschermde faunasoorten3 geldt in de provincie Utrecht een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk vernielen en weghalen van rust- en voortplantingslocaties’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te mogen beschadigen en te vernielen. Het plangebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van sommige beschermde grondgebonden zoogdier-, vleermuis-, amfibieën- en vogelsoorten. De sloot vormt vermoedelijk het functionele leefgebied voor sommige niet beschermde faunasoorten, waaronder vissen. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige zoogdier-, amfibieën- en vogelsoorten er rust- en/of voortplantingslocaties. Het is niet uitgesloten dat incidenteel een ringslang opduikt in het plangebied, maar deze wordt als een ‘zwerver’ beschouwd en bezet er geen winterrustplaats of voortplantingslocatie. Het plangebied behoort niet tot het ‘normale’ foerageergebied va deze soort.

Van de vogelsoorten die in het plangebied nestelen zijn uitsluitend de bezette nesten beschermd, niet de oude nesten of de nestplaats. Werkzaamheden die leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels is niet beschermd. Voor de grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van (winter)rust- en voortplantingslocaties’. De functie van het plangebied als foerageergebied, is voor deze soorten niet beschermd. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied en de functie van het plangebied als foerageergebied wordt niet aangetast. In het kader van de zorgplicht dient voorkomen te worden dat dieren onnodig verwond en gedood worden en dat rust- en voortplantingsplaatsen onnodig verstoord en vernield worden. Daarom dient bij de uitvoering van de voorgenomen activiteiten rekening gehouden te worden met de ecologie van amfibieën, en grondgebonden zoogdieren dient de sloot gedempt te worden op een dusdanige wijze, dat vissen weg kunnen komen. Het onderzoeksgebied ligt volledig binnen het Natuurnetwerk Nederland en het Natura2000-gebied Oostelijke Vechtplassen.

De voorgenomen activiteiten leiden tot een beperkt areaalverlies van het NNN, maar hebben geen negatief effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied. Conclusie: Mits bezette vogelnesten beschermd worden, dan leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soort- en gebiedsbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning in het kader van soort- of gebiedsbescherming aangevraagd te worden. In het kader van de zorgplicht dienen de werkzaamheden afgestemd te worden op de ecologie van amfibieën, en grondgebonden zoogdieren. Door uitvoering van de quickscan natuurwaardenonderzoek heeft initiatiefnemer voldaan aan de zorgplicht zoals vermeld in Art. 1.11 van de Wnb.

3

Zie bijlage 2 van dit rapport 23

Bijlagen: Bijlage 1. De natuurkalender Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen:

24

Bijlage Toelichting Wet Natuurbescherming

2

Drie beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: -

-

Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.

Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk.

25

Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. Gedragscodes die zijn opgesteld onder de Flora- en faunawet kunnen worden uitgebreid ten aanzien van soorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd worden maar dat op grond van de Floraen faunawet nog niet waren. Goedkeuring van een gedragscode op grond van de Flora- en faunawet blijft ook onder de Wet natuurbescherming geldig, voor de duur van de goedkeuring. Daarna dient de gedragscode voor goedkeuring getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming.

Welke soorten zijn beschermd? De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Ten tweede worden soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. 3. Tenslotte is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven.

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming

Vrijgestelde soorten In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet is het toegestaan de onderstaande soorten opzettelijk te doden, en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met de volgende activiteiten: 26

-

de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer.

Soortgroep Amfibiëen Amfibiëen Amfibiëen Amfibiëen Amfibiëen Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren

Nederlandse naam bruine kikker gewone pad kleine watersalamander meerkikker middelste groene kikker/bastaard kikker aardmuis bosmuis bunzing dwergmuis dwergspitsmuis egel gewone bosspitsmuis haas hermelijn huisspitsmuis konijn ondergrondse woelmuis ree rosse woelmuis tweekleurige bosspitsmuis veldmuis vos wezel woelrat

Wetenschappelijke naam Rana temporaria Bufo bufo Lissotriton vulgaris Pelophylax ridibundus Pelophylax kl. esculentus Microtus agrestis Apodemus sylvaticus Mustela putorius Micromys minutus Sorex minutus Erinaceus europeus Sorex araneus Lepus europeus Mustela erminea Crocidura russula Oryctolagus cuniculus Pitymys subterraneus Capreolus capreolus Clethrionomys glareolus Sorex coronatus Microtus arvalis Vulpes vulpes Mustela nivalis Arvicola terrestris

Lijst met soorten waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt in de Provincie Utrecht als gevolg van handelingen die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd.

27

Bijlage 3. Fotobijlage. Impressie van het plangebied en de directe omgeving.

28

Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen: Internet: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ https://www.regelink.net/kenniscentrum/beschermde-soorten-wet-natuurbescherming/ http://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol (vleermuisprotocol) https://calculator.aerius.nl http://www.ruimtelijkeplannen.nl

29

Toetsing Natura 2000 bouwblokvergroting Griendweg 1 Tienhoven Toetsing van mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming

Datum: 10-09-2020 Auteur: A. Tuitert Opdrachtgever: Dhr. Van der Linden Rapportnummer: AT/2020/10.09 Versie: D1

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Er zijn concrete plannen om de begrenzing van het agrarisch bouwblok voor een agrarisch bedrijf aan de Griendweg 1 te Tienhoven te wijzigen met als doel om een aantal sleufsilo’s voor de opslag van kuilvoer en een bestaande en nog nieuw te bouwen mestsilo planologisch te legaliseren. Hiervoor is een bestemmingswijziging nodig. Het bedrijf is deels gelegen binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Op grond van de Wet natuurbescherming is het bij het wijzigen van een bestemmingsplan noodzakelijk om de mogelijke effecten van het voorgenomen plan te toetsen op mogelijke significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Voorliggend rapport betreft een toetsing van de mogelijke effecten van het voorgenomen plan op Natura 2000gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming. Overigens betreft het een veehouderij die grotendeels gericht is op het beheer van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen, waarin het bedrijf is gelegen. Er wordt bijna 400 hectare grond gebruikt, waarvan ruim 80% een natuurbestemming heeft. De hele bedrijfsvoering is gericht op de natuurbeheer. Rond het bedrijf is vooral de bestemming riet/moeras en botanisch, waaronder habitats zoals schraalgrasland en vochtig hooiland.

Het maaibeheer voor deze habitats wordt door dit bedrijf uitgevoerd en het maaisel wordt afgevoerd en gebruikt op het bedrijf, als hooi voor de koeien, als strooisel in de boxen of als compost. In die zin kan worden gesteld dat het bedrijf activiteiten verricht die direct verband hebben met en noodzakelijk zijn voor het beheer van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Voor dergelijke activiteiten geldt vanaf 1 januari 2020 (door het wijziging van de Wet natuurbescherming vanwege de Spoedwet stikstof) dat geen plantoets hoeft te worden doorlopen op grond van artikel 2.7, eerste lid, Wet natuurbescherming en geldt geen vergunningplicht meer op grond van artikel 2.7, tweede lid, Wet natuurbescherming. 1.2 Doel Doel van voorliggende toetsing is om te bepalen of het voorgenomen plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Indien dit het geval is, dan kan de wijziging van het bestemmingsplan niet zondermeer worden vastgesteld door het bevoegd gezag. Wanneer uit de voortoets blijkt dat significante gevolgen op voorhand met zekerheid zijn uitgesloten, dan kan de voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan door het bevoegd gezag worden vastgesteld en kan het bouwblok worden vergroot.

2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/1970/documents/40712