CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting ontwerpbestemmingsplan Griendweg 1 in Tienhoven.pdf

Commissie Fysiek Domein 31 mei 2022, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: b.: Ontwerpbestemmingsplan Griendweg 1 in Tienhoven.29.364 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

•

Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze bouwhoogtes, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

5.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Ontwerp • • •

5.2.4

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Afwijkingen van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels.

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

•

•

•

•

•

5.2.5

Anti-dubbeltelregel (Artikel 5) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 6) In dit artikel worden de algemene bouwregels aangehaald. Het gaat hierbij om bouwwerken met afwijkende maten, overschrijding van de bouwgrenzen, ondergronds bouwen en de aftanden van woningen tot wegen. Algemene gebruiksregels (Artikel 7) In dit artikel staat beschreven welk gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval strijdig zijn met het bestemmingsplan. Algemene aanduidingsregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven, vanwege de ligging in de ‘bethunepolder’ en ‘milieuzone – waterwingebied’. Algemene afwijkingsregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels geven burgemeester en wethouders onder andere de bevoegdheid om het plan te wijzigen ten behoeve van ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan.

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

5.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Ten aanzien van de plansystematiek voor de bestemmingen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de plansystematiek van het geldende bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Maarssen’.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Ontwerp “Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden” (Artikel 3) De voor ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor grondgebonden veehouderijbedrijven, behoud en versterking en herstel van de aldaar voorkomende, dan wel daaraan eigen zijnde natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden. Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- of terreinafscheidingen en veekralen uitsluitend worden gebouwd binnen de bouwvlakken. Per bouwvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan. In de regels is onderscheid gemaakt in bouwregels voor bedrijfswoningen, bijgebouwen bij de bedrijfswoning, bedrijfswoning (niet zijnde kassen), agrarische hulpgebouwen buiten het bouwvlak, mestvergistingsinstallatie, windmolen, mestsilo’s, overige silo’s, erfafscheidingen, veekralen, overige bouwwerken (geen gebouwen zijnde). Aan de regels is een voorwaardelijke verplichting toegevoegd. De voorwaardelijke verplichting voorziet in een borging van de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen (zie bijlage 1 van de regels).

“Waarde – Archeologie - 5” (Artikel 4) De voor ‘Waarde – Archeologie – 5’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere door voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de in of op de grond aanwezige archeologische waarden. In beginsel geldt er een bouwverbod geldt en dat een omgevingsvergunning is vereist voor ingrepen dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk wanneer het bouwwerken of projecten betreft met een oppervlakte van 10 ha of minder.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Ontwerp

HOOFDSTUK 6 6.1

UITVOERBAARHEID

Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een samenwerkingsovereenkomst en een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. In de anterieure overeenkomst wordt tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

6.2

Vooroverleg

6.2.1

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

6.2.2

Provincie Utrecht

In het kader van het vooroverleg is het voorliggend bestemmingsplan naar de provincie Utrecht toegezonden. De vooroverlegreactie(s) van de provincie zijn verwerkt in bestemmingsplan.

6.2.3

Waterschap Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht

In het kader van voorgenomen ontwikkeling is advies ingewonnen bij het waterschap. Het advies van het waterschap is verwerkt in de waterparagraaf zoals opgenomen in paragraaf 4.9.

6.3

Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Ontwerp

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Ontwerp

Bijlage 1

Landschappelijk inpassingsplan

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Ontwerp

Bijlage 2

Quickscan natuurwaarden

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Ontwerp

Bijlage 3

Toetsing effecten Natura 2000-gebieden

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

51

Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Ontwerp

Bijlage 4

Aanvullende notitie natuur (NNN)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

52

Bestemmingsplan “Griendweg 1, Tienhoven” Ontwerp

Bijlage 5

Vormvrije mer-beoordeling

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

53

Landschappelijk inpassingsplan Griendweg 1 Tienhoven

Colofon Landschappelijk inpassingsplan Griendweg 1 te Tienhoven

Uitgevoerd door:

Natuurbank Overijssel

Opdrachtgever: Contactpersoon:

AR Bedrijfsontwikkeling dhr. S. Holkenborg Postbus 610 6700 AP Wageningen

Projectnummer en versie: 1372B versie 1.0 Projectleider: Ing. P.Leemreise Ligging projectgebied: Griendweg 1 te Tienhoven

Veldmedewerker(s): Ing. P.Leemreise

Status: definitief Rapportdatum: 16-10-2020

Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten E: Tel:

info@natuurbankoverijssel.nl 0543-451142 /0614-435700

1

Inhoudsopgave 1 Inleiding ........................................................................................................................................................... 3 2 Het plangebied ................................................................................................................................................ 3 2.1 Situering ................................................................................................................................................... 3 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 3 2.3 Landschap................................................................................................................................................. 4 3 Voorgenomen activiteiten............................................................................................................................... 5 3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 5 4 Ruimtelijke kwaliteit ........................................................................................................................................

6 4.1 Het huidige erf.......................................................................................................................................... 6 4.2 Mogelijkheden voor inpassing van het nieuwe erf .................................................................................. 8 4.3 Uitgangspunten voor landschappelijke inpassing .................................................................................... 9 5 Landschappelijke inpassing ........................................................................................................................... 10 5.1 Inpassingsplan ........................................................................................................................................ 10 5.2 Maatregelen ........................................................................................................................................... 10 6 beheer en inrichting ...................................................................................................................................... 10 6.1 Inrichtingsmaatregelen .......................................................................................................................... 10 6.2 Beheer .................................................................................................................................................... 11

2

1 Inleiding Er zijn concrete plannen om de begrenzing van het agrarisch bouwblok voor een agrarisch bedrijf aan de Griendweg 1 te Tienhoven te wijzigen. Tevens zijn er concrete plannen voor de bouw van een mestsilo op een perceel grasland. In voorliggend rapport wordt een voorstel voor landschappelijke inpassing van het nieuwe erf weergegeven. Er is gekozen voor de inpassing van het nieuwe erf door middel van de aanleg van erfbeplanting. Het voorstel voor landschappelijke inpassing is tot stand gekomen op basis van een analyse van het omringende landschap, waarbij gekeken naar streekeigen beplantingsvormen (zoals hakhout en knotbomen) en streekeigen soorten (zoals els, wilg en es). In dit rapport wordt het voorstel voor landschappelijke inpassing uitwerkt op een kaartbeeld. In het hoofdstuk inrichting en beheer, wordt ingegaan op de te nemen maatregelen om tot het wenselijke eindbeeld te komen.

2 Het plangebied 2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd aan de Griendweg 1 te Tienhoven. Het ligt in het buitengebied, circa 1,3 kilometer ten westen van Tienhoven. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied op de topografischede kaart weergegeven.

Globale ligging van het plangebied op de topografische kaart (bron: Ruimtelijke Plannen).

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit een agrarisch erf. Op het erf staan een bedrijfswoning, twee ligboxenstallen, een jongveenstal en een werktuigenberging. Het erf grenst aan de oostzijde aan de Griendweg en aan de overige zijden aan agrarische cultuurgrond. Deze grond bestaat uit grasland dat gebruikt wordt binnen het biologische melkveebedrijf. Aan de voorzijde van het erf staat een enkele rij hakhoutbeplanting, welke in de winter 2017-2018 afgezet is en het erf wordt aan de noordzijde omzoomd door een enkele rij elzen. De mestsilo wordt omzoomd door meidoornstruweel en een aanplant van jonge berken, overgebleven van een gemengde aanplant van ca. vijf jaar geleden. De westrand van het erf wordt omzoomd door een enkele rij (jonge) wilgen, welke gedeelte geknot zijn. Aan de achterzijde van de jongveestal staan enkele oude knotwilgen. 3

Weergave van het plangebied (Bron luchtfoto: PDOK).

2.3 Landschap Het plangebied ligt in Polder Bethune. Deze polder is ontstaan na ontginning van het laagveen. De naam van de polder is ontleend aan de Belgische markies De Béthune die zich in de 19e eeuw volledig heeft verkeken op het droogmalen van het toenmalige meer. Het ontbrak hem aan techniek om een polder leeg te pompen waar zoveel water opwelde. Rond 1880 slaagde de markies er weliswaar in om de polder enigszins droog te krijgen, maar dit was lang niet droog genoeg voor de geplande land- en tuinbouw. In 1900 deed de markies zijn concessie van de hand. Ook een latere eigenaar, de Maarssenaar Anton August van Vloten, kreeg de bemaling niet voor elkaar. Hij ging zelfs failliet aan de hoge bemalingskosten. Pas toen in 1930 het Gemeentelijk Waterbedrijf Amsterdam begon met oppompen van water, daalde het waterpeil zover dat veeteelt mogelijk werd in het grootste deel van de polder. Het noordwestelijke deel bleef echter te nat en bestaat nog steeds uit elzenbroekbos (bekend onder de naam 'het bosje van robinson') en uitgestrekte rietlanden. Het oude gemaal aan de Machinekade, een bijzonder industrieel monument, is niet meer in gebruik maar nog wel gebruiksgereed (bron: Wikipedia). Op onderstaande afbeeldingen wordt de ligging van het plangebied op de topografische kaart van eind 19e eeuw, 1960 en anno 2017 weergegeven.

4

Topografische kaart van het plangebied en de omringende polder Bethune. De ligging van het plangebied wordt met de cirkel aangeduid (bron: kadaster-topotijdreis).

Het veenontginningslandschap kenmerkt zich door een kleinschalige strokenverkaveling met een fijnmazig netwerk van kleine en grote sloten. Bebouwing treffen we aan langs de ontginningswegen (dijken). Het grootste deel van de polder wordt agrarisch gebruikt, als dan niet middels gangbare landbouw, biologische landbouw of als agrarisch natuurbeheer. Beplanting treffen we aan op de erven en als natuurlijke opslag in delen van de polder. Daarbij is de natuurlijke opslag in de loop der tijd uitgegroeid tot moerasbos. De natuurlijke opslag in de polder bestaat grotendeels uit riet, ruigte en elzen.

3 Voorgenomen activiteiten 3.1 Algemeen Het concrete voornemen bestaat om de begrenzing en het oppervlak van het agrarisch bouwblok te wijzigen in het bestemmingsplan. Tevens zijn er concrete plannen voor de bouw van een nieuwe mestsilo. Het erf wordt nadien landschappelijk ingepast. Op onderstaande afbeeldingen wordt het wenselijke eindbeeld weergegeven met daarop de begrenzing van het huidige bouwblok.

Verbeelding van het wenselijke eindbeeld, inclusief wenselijke begrenzing van het agrarisch bouwblok (bron: AR Bedrijfsontwikkeling/ruimtelijkeplannen.nl).

5

4 Ruimtelijke kwaliteit 4.1 Het huidige erf Het plangebied bestaat uit een agrarisch bedrijf waarop een biologisch melkveebedrijf is gevestigd. Aan de voorzijde van het erf staat een rijbeplanting van els, es en meidoorn welke beheerd wordt als hakhout. Rond de woning staan enkele opgaande solitaire bomen, waaronder een es en een (knot)linde. Ter afscherming van een schuur aan de zuidzijde van het erf staat een rij oude knotwilgen. De westzijde van het erf wordt afgeschermd door een enkele rij jongen wilgen (4- 6 jaar oud), waarvan enkele recent geknot zijn. Deze beplanting staat op een smalle strook grond tussen de sloot en de sleufsilo’s waarbij geen ruimte is voor een bredere beplantingsstrook. De mestsilo wordt omzoomd door een gemengde beplanting van berk, meidoorn, wilg en els. Dit vormt het overblijfsel van een gemengde aanplant die na de bouw van de silo is aangebracht. Op onderstaande afbeelding wordt de bestaande beplanting weergegeven, inclusief enkele afbeeldingen van het huidige erf.

Huidige erfbeplanting.

6

Impressie van het plangebied (januari 2018).

Aanpassingen aan slotenpatroon Het plangebied ligt in de Bethunepolder en kent een historisch slotenpatroon dat sinds het ontstaan van de polder niet of nauwelijks is gewijzigd. Door ontwikkeling van het agrarische bedrijf in de afgelopen decennia, zijn verschillende aanpassing aan het slotenpatroon ten westen van het bedrijf uitgevoerd; telkens als gevolg van wenselijke uitbreiding van bedrijfsoppervlakte. Op onderstaande uitsnedes van de topografische kaart, wordt de ontwikkeling weergegeven.

2010

2011

7

2014

2015

Ontwikkeling van het agrarisch bedrijfsperceel in de periode 2010-2015 (bron: topotijdreis.nl).

Zoals zichtbaar op bovenstaande uitsnedes van de topografische kaart zijn omstreeks 2011 de eerste aanpassing in het slotenpatroon uitgevoerd. Het erf is toen in westelijke richting uitgebreid en is een smalle sloot verlegd. Na 2014 is de brede sloot, welke tussen de uitbreiding en het oorspronkelijk erf lag, gedempt. Bij de huidige voorgenomen ontwikkeling, wordt een kleine aanpassing uitgevoerd aan de sloot in de noordwestzijde van het erf. De smalle sloot, ten westen van de huidige mestsilo, wordt verlegd in westelijke richting, en komt naast de nieuwe mestsilo te liggen. Op onderstaande uitsnede van de topografische kaart wordt deze (wenselijke) aanpassing weergegeven. Sloot graven

Sloot dempen

Aanduiding van de wenselijke wijziging van het huidige slotenpatroon.

De gekozen ligging van de sloot is puur praktisch ingestoken en niet gebaseerd op een cultuurhistorische achtergrond. Voor een efficiënte bedrijfsvoering is het niet wenselijk om sloten in het bouwvlak te hebben.

4.2 Mogelijkheden voor inpassing van het nieuwe erf De voorgenomen activiteit bestaat uit de bouw van een nieuwe bouw van een mestsilo en het in overeenstemming brengen van de begrenzing van het agrarisch bouwblok in het bestemmingsplan met het huidige gebruik. De nieuwbouw van de mestsilo vindt plaats op het achtererf en is slechts vanaf de Griendweg, rijdend in zuidelijke richting waarneembaar. De sleufsilo’s op het achtererf staan vlak naast de sloot. Er is slechts een strook van circa 1 meter om beplanting aan te brengen. De volgende mogelijkheden voor inpassing van het nieuwe erf worden onderscheiden; •

Aanplant hakhoutsingel rondom de te bouwen mestsilo. Daarbij wordt gedacht aan een gemengde beplanting van wilgen, essen en zwarte els;

8

• •

Behoud bestaande beplanting. Ten noorden en westen van de huidige mestsilo staat nu een beplanting van meidoorn en berk. Deze beplanting wordt zo veel mogelijk behouden; Wegnemen zicht op kuilvoeropslag door middel van de aanplant van knotwilgen;

Weergave van kansen voor landschappelijke inpassing. Op bovenstaande afbeelding is de nieuwe mestsilo geprojecteerd op het huidige erf en de huidige erfbeplanting.

4.3 Uitgangspunten voor landschappelijke inpassing Op basis van het landschapstype waarin het plangebied ligt en specifieke omstandigheden van het erf worden uitgangspunten gedefinieerd waaraan de nieuwe beplanting moet voldoen. Deze zijn: • Streekeigen beplanting Er wordt alleen streekeigen beplanting gebruikt. Kenmerkend voor het plangebied is de toepassing van els, es, boswilg, schietwilg. • Streekeigen beplantingsvorm Streekeigen beplantingsvormen in het omringende landschap zijn rietland en rietsloten, knotwilgen, elzenbroek, hoogstam fruitboomgaarden, solitaire erfbomen, struweelhaaf, hakhoutsingels. • Bebouwing mag gezien worden Agrarische bebouwing mag gezien en beleefd worden. Agrarische bebouwing wordt daarom niet ‘verstopt’ achter een wal van ‘groen’. Bij de keuze voor de bouwstijl en materiaalgebruik wordt rekening gehouden met de zichtbaarheid van de bebouwing. •

Benut oude structuren en grenzen voor nieuwe beplanting

9

5 Landschappelijke inpassing 5.1 Inpassingsplan Op onderstaande afbeelding wordt het voorstel voor landschappelijke inpassing. Voor de inpassing van het nieuwe erf is gekozen voor verschillende type beplanting, beplantingsvormen en aanleg van moeraszone. In hoofdstuk 6 wordt, overeenkomstig de nummering op onderstaande kaart, een toelichting gegeven per inrichtingsmaatregel.

Voorstel voor landschappelijke inpassing van het nieuwe erf.

5.2 Maatregelen Om tot het wenselijke eindbeeld te komen dienen de volgende maatregelen genomen te worden: • Dempen bestaande sloot; • Verplaatsen bestaande beplanting; • Aanleg rietoever; • Aanleggen nieuwe beplanting;

6 beheer en inrichting Om tot het wenselijke eindbeeld te komen moeten er verschillende inrichtings- en beheermaatregelen genomen worden.

6.1 Inrichtingsmaatregelen In onderstaande alinea wordt per maatregel een toelichting gegeven. De nummers corresponderen met de nummering op de kaart. Ad 1 & 5 Bestaande beplanting Niets doen i.v.m. bestaande situatie. Ad 6. Verspreid elzensingel met daartussen gagel Tussen de sloot en het kavelpad worden zes groepjes zwarte elzen geplant. Deze groepjes bestaan uit 6-12 jonge zwarte elzen (driejarig plantsoen) in een plantverband van 0,5x0,5 meter (10-15 m2 per groepje). Tussen de groepjes elzen wordt (wilde) gagel geplant. In totaal worden 12 gagelstruiken geplant. De elzen en de gagel wordt aan de waterkant geplant. 10

Ad 8. Verplaatsen beplanting Om vraat en schade van ratten en om de sleufsilo’s aan te kunnen rijden van beide kopse kanten, dient de beplanting ten westen van de sleufsilo’s verplaatst te worden. De beplanting wordt verplaatst naast de nieuw te bouwen mestsilo. Ag 9 t/m 12. N.v.t. Ad 13. Te verplaatsen struweel Om de mestsilo te kunnen bouwen, dient de aanwezige beplanting verplaatst te worden. De beplanting wordt verplaatst naast de nieuw te bouwen mestsilo. Ad 14. Hakhoutsingel. Rond de nieuwe mestsilo wordt beplanting geplant. Dit plantvak wordt ingeplant met een gemengd plantsoen bestaande uit zwarte els, boswilg, katwilg, kraakwilg, Gelderse roos, hondsroos, ruwe iep en winterlinde. Ook wordt beplanting die elders weggaat, hierin verwerkt. Daarbij gaat het om meidoorn en els. De boomvormers worden aan de binnenzijde geplant, de struweelvormers aan de buitenzijde (zonzijde). Er wordt gebruik gemaakt van driejarig plantsoen van minimaal 80-120 cm hoog. Het plantsoen wordt geplant in een driehoeksverband van 1,5 x 1,5 meter. Ad 15 Elzensingel in slootkant In de slootkant worden zwarte els, boswilg, katwilg, kraakwilg en es geplant in een enkele rij. Er wordt een enkele rij geplant van driejarig plantsoen van minimaal 80-120 cm hoog. Het plantsoen wordt geplant in een verband van 1 stuk per strekkende meter.

Ad 16 Boomgaard Er wordt een boomgaard aangelegd van zeven hoogstam fruitbomen. Er wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van oude fruitrassen. De bomen worden geplant met twee boompalen en boomband. Ad 17 Rietstrook met hakhout Er wordt een drie meter brede moerasstrook met rietland met ruigte aangelegd. Deze strook wordt vier meter breed en ontstaat door het afgraven van de bovenste 30-40 cm van het grasland. De moerasstrook zal op natuurlijke wijze ontwikkelen tot een rietstrook en ruigte, als gevolg van natuurlijke opslag van bomen en struiken. De moerasstrook wordt veiliggesteld door het aanbrengen van een raster.

6.2 Beheer Om van aanplant tot het wenselijke eindbeeld te komen moet de beplanting op de juiste wijze beheerd worden. Knotbomen De knotbomen worden periodiek geknot, afhankelijk van de snelheid van het uitlopen van de bomen is dat gemiddeld ieder 8-12 jaar.

11

Het knotten van wilgen (bron: internet)

Houtsingel De houtige beplanting in het plangebied wordt beheerd als hakhout. Dat wil zeggen dat de beplanting periodiek (om de 10-12 jaar) net boven de grond afgezaagd wordt, waarna deze weer zal uitlopen. Het afzetten van het hakhout gebeurt bij voorkeur gefaseerd, waarbij met een tussenpose van 3-4 jaar, de helft van de haag afgezet wordt (i.p.v. de hele singel in één jaar).

Ontwikkeling van de struweelhaag na het afzetten (bron: Landschapsbeheer Gelderland).

Rietstrook Om het wenselijke eindbeeld, rietsloot met verspreid enkele bomen en ruigte, te handhaven, wordt natuurlijke opslag van bomen en struiken periodiek verwijderd. De rietstrook wordt verdeeld over drie delen, periodiek gemaaid met tussenliggende periodes van 4-6 jaar.

12

Quickscan Natuurwaardenonderzoek Griendweg 1 Tienhoven In het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Griendweg 1 te Tienhoven

In het kader van de Wet natuurbescherming

Uitgevoerd door:

Natuurbank Overijssel

Opdrachtgever: Contactpersoon:

AR Bedrijfsontwikkeling dhr. S. Holkenborg Postbus 610 6700 AP Wageningen

Projectnummer en versie: 1372 versie 1.0 Projectleider: Ing. P.Leemreise

Veldmedewerker(s): Ing. P.Leemreise

Status: definitief Rapportdatum: 28-1-2018 aangevuld 14-2-2019

Ligging projectgebied: Griendweg 1 te Tienhoven

Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten E: Tel:

info@natuurbankoverijssel.nl 0543-451142 /0614-435700 1

Inhoudsopgave Samenvatting......................................................................................................................................... 3 1 Inleiding.............................................................................................................................................. 4 2 Het plangebied.................................................................................................................................... 5 2.1 Situering....................................................................................................................................... 5 2.2 Beschrijving van het plangebied ..................................................................................................... 5 3 Voorgenomen activiteiten.................................................................................................................... 6 3.1 Algemeen ..................................................................................................................................... 6 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten .................. 6 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer......................................................................................................

6 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied............................................................................................ 7 4 Gebiedsbescherming ........................................................................................................................... 8 4.1 Algemeen ..................................................................................................................................... 8 4.2 Natura 2000-gebied ...................................................................................................................... 8 4.3 Natuurnetwerk Nederland............................................................................................................. 9 4.4 Slotconclusie .............................................................................................................................. 11 5 Soortenbescherming; het onderzoek .................................................................................................. 12 5.1 Verwachting ............................................................................................................................... 12 5.2 Methode ....................................................................................................................................

12 5.3 Resultaten .................................................................................................................................. 14 5.4 Toetsingskader ........................................................................................................................... 18 5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep........................................................................ 19 5.6 Historische gegevens en overige bronnen .................................................................................... 22 5.7 Volledigheid van het onderzoek ................................................................................................... 22 6 Samenvatting en conclusies ............................................................................................................... 23

2

Samenvatting Er zijn concrete plannen om de begrenzing van het bouwblok voor een agrarisch bedrijf aan de Griendweg 1 te Tienhoven te wijzigen. Tevens zijn er concrete plannen voor de bouw van een mestsilo op een perceel grasland. Omdat negatieve effecten van de voorgenomen activiteiten op beschermde flora- en faunasoorten en beschermd (natuur)gebied op voorhand niet uit te sluiten zijn, is initiatiefnemer verplicht om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteit (vooraf) te onderzoeken. Natuurbank Overijssel is daarom gevraagd de wettelijke consequenties in het kader van soort- en gebiedsbescherming te onderzoeken. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het onderzoeksgebied is op 10 januari 2018 onderzocht op de aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde waarden die door uitvoering van de voorgenomen activiteiten beschadigd of vernield worden. Ook is gekeken of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’.

Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke beschermde faunasoorten geldt in de provincie Utrecht1 een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk vernielen en weghalen van rust- en voortplantingslocaties’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te mogen beschadigen en te vernielen. Het plangebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van sommige beschermde grondgebonden zoogdier-, vleermuis-, amfibieën- en vogelsoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige zoogdier-, amfibieën- en vogelsoorten er rust- en/of voortplantingslocaties. Het is niet uitgesloten dat incidenteel een ringslang opduikt in het plangebied, maar deze wordt als een ‘zwerver’ beschouwd en bezet er geen winterrustplaats of voortplantingslocatie. Het plangebied behoort niet tot het ‘normale’ foerageergebied va deze soort. In het kader van de zorgplicht dient voorkomen te worden dat dieren onnodig verwond en gedood worden en dat rust- en voortplantingsplaatsen onnodig verstoord en vernield worden.

Daarom dient bij de uitvoering van de voorgenomen activiteiten rekening gehouden te worden met de ecologie van amfibieën, en grondgebonden zoogdieren en dient de sloot gedempt te worden op een dusdanige wijze, dat vissen weg kunnen komen. Het onderzoeksgebied ligt volledig binnen het Natuurnetwerk Nederland en het Natura2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. De voorgenomen activiteiten leiden tot een beperkt areaalverlies van het NNN, maar hebben geen negatief effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied. Conclusie: Mits bezette vogelnesten beschermd worden, dan leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soort- en gebiedsbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning in het kader van soort- of gebiedsbescherming aangevraagd te worden. In het kader van de zorgplicht dienen de werkzaamheden afgestemd te worden op de ecologie van amfibieën, en grondgebonden zoogdieren. Door uitvoering van de quickscan natuurwaardenonderzoek heeft initiatiefnemer voldaan aan de zorgplicht zoals vermeld in Art. 1.11 van de Wnb.

1

Zie bijlage 2 van dit rapport 3

1 Inleiding Er zijn concrete plannen om de begrenzing van het agrarisch bouwblok voor een agrarisch bedrijf aan de Griendweg 1 te Tienhoven te wijzigen. Tevens zijn er concrete plannen voor de bouw van een mestsilo op een perceel grasland. Omdat negatieve effecten van de voorgenomen activiteiten op beschermde flora- en faunasoorten en beschermd (natuur)gebied op voorhand niet uit te sluiten zijn, is initiatiefnemer verplicht om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteit (vooraf) te onderzoeken. Natuurbank Overijssel is daarom gevraagd de wettelijke consequenties in het kader van soort- en gebiedsbescherming te onderzoeken. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties die door uitvoering van de voorgenomen activiteiten beschadigd of vernield worden. Ook is gekeken of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied.

Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura2000-gebied) en de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 Provincie Utrecht (herijking 2016) (Natuurnetwerk Nederland).

Toepasbaarheid: De resultaten van het onderzoek zijn toepasbaar op twee verschillende momenten. Ten eerste wordt de beoordeling van de wettelijke consequentie van de voorgenomen activiteit in het kader van de Wet natuurbescherming gebruikt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Deze vraag dient zich aan in het proces van de Ruimtelijke Ordening, zoals bij het wijzigen van een bestemmingsplan of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Ten tweede wordt in deze rapportage aangeven op welke wijze de voorgenomen activiteiten in overeenstemming zijn met de Wet natuurbescherming. Indien aan de orde, wordt aangegeven in welke periode van het jaar bepaalde werkzaamheden niet uitgevoerd mogen worden en of aanvullende maatregelen of een ontheffing van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming vereist is.

4

2 Het plangebied 2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd aan de Griendweg 1 te Tienhoven. Het ligt in het buitengebied, circa 1,3 kilometer ten westen van Tienhoven. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied op de topografischede kaart weergegeven.

Globale ligging van het plangebied op de topografische kaart (bron: Ruimtelijke Plannen).

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied vormt een deel van een bestaand agrarisch bedrijf (melkvee) en bestaat voor een klein deel uit agrarisch cultuurland. Het plangebied bestaat uit bebouwing (werktuigenberging en mestsilo) erfverharding (vier sleufsilo’s en erfverharding), opgaande beplanting (wilg en meidoorn) en open water (sloot) met slootoever. De sloot is ca. 1-2 meter breed. Op onderstaande luchtfoto wordt het plangebied in detail weergegeven, evenals de begrenzing. De beplanting in het plangebied bestaat uit wilgenopslag, enkele jonge knotwilgen en meidoornstruweel van enkele jaren oud. Het agrarisch cultuurland bestaat uit een monocultuur van raaigras. Het agrarisch cultuurland wordt Biologisch beheerd waarbij deze jaarlijks wordt gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd.

Detailweergave en begrenzing van het plangebied. Deze wordt met de gele lijn (links) en de rode lijn (recht) aangeduid (Bron luchtfoto: PDOK).

5

3 Voorgenomen activiteiten 3.1 Algemeen Het concrete voornemen bestaat om de begrenzing en het oppervlak van het agrarisch bouwblok te wijzigen in het bestemmingsplan. Tevens zijn er concrete plannen voor de bouw van een nieuwe mestsilo. Het erf wordt nadien landschappelijk ingepast. Op onderstaande afbeeldingen wordt het wenselijke eindbeeld weergegeven (links) en een uitsnede van de bestemmingsplankaart met daarop het erf en het huidige bouwblok.

Links: verbeelding van het wenselijke eindbeeld, inclusief wenselijke begrenzing van het agrarisch bouwblok. Rechts de huidige begrenzing van het agrarisch bouwblok (bron: AR Bedrijfsontwikkeling/ruimtelijkeplannen.nl).

De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Dempen sloot; • Graven nieuwe sloot; • Verwijderen beplanting; • Bouwrijp maken bouwplaats mestsilo; • Bouwen mestsilo en aan brengen landschappelijke beplanting rondom silo

3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten De voorgenomen activiteit heeft mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en natuurgebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;

3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd (natuur)gebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt uitsluitend gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals het dempen van de sloot, het graven van een nieuwe sloot, het verwijderen van beplanting, het bouwen van de mestsilo en het planten van beplanting. 6

Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal. Mogelijk zijn tijdens de bouwwerkzaamheden geluid en trillingen waarneembaar buiten het plangebied, maar deze effecten zijn incidenteel en kortstondig zodat deze niet zullen leiden tot een significante verstoring van beschermde faunasoorten of de aantasting van beschermde habitats.

3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied is gelijk aan het plangebied.

7

4 Gebiedsbescherming 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteit op beschermd natuurgebied en het Nationaal Natuurnetwerk (verder NNN genoemd). 4.2 Natura 2000-gebied De bescherming van Natura 2000-gebied wordt geregeld via de Wet natuurbescherming. Provincies vormen het bevoegd gezag voor de duurzame veiligstelling van beschermde habitattypen en habitatsoorten in hun provincie. Voor activiteiten die leiden tot aantasting van de duurzame instandhouding van deze gebieden dient een vergunning in het kader van de Wnb aangevraagd te worden. Ligging t.o.v. beschermd natuurgebied Het plangebied ligt volledig binnen de begrenzing van het Natura2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Dit Natura2000-gebied is aangewezen als Vogelrichtlijn- en als Habitatrichtlijngebied. Het plangebied is gelegen in Vogelrichtlijngebied. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het plangebied in het Natura2000-gebied weergegeven.

Ligging van het plangebied in het Natura2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Het plangebied wordt met de rode lijn aangeduid (bron: Aerius).

Toelichting Natura2000-gebied Oostelijke Vechtplassen De Oostelijke Vechtplassen bestaat uit een reeks van laagveengebieden tussen de Vecht en de oostrand van Utrechtse heuvelrug. In het gebied bevinden zich door turfwinning ontstane meren en plassen, meest met een zandondergrond, sommige aanzienlijk verdiept door zandwinning. De combinatie van rivierinvloeden en invloeden van het watersysteem van de zandgronden heeft een rijke schakering van typen van moeras en moerasvegetaties doen ontstaan. In het gebied zijn twee belangrijke gradiënten te onderscheiden: van noord naar zuid loopt een gradiënt van meer gesloten gebied (bos) naar meer open landschap (grasland, trilveen en rietland), terwijl van west naar oost een gradiënt is te zien van toenemende kwel (in petgaten en trilvenen).Belangrijk broedgebied voor broedvogels van rietmoerassen (roerdomp, purperreiger) en zeer belangrijk voor broedvogels van moerassen met veel waterriet en lange oeverlijnen (woudaap, grote karekiet). Ook van enig belang als broedgebied voor enkele andere moeras- en watervogels (porseleinhoen, zwarte stern, ijsvogel) (bron: Synbiosys Alterra).

8

Voor het gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor broedvogels en niet-broedvogels. Als broedvogel zijn water- en moerasvogels aangewezen. Dit zijn roerdomp, woudaapje, purperreiger, porseleinhoen zwarte stern, ijsvogel, snor, rietzanger en grote karekiet. Als niet broedvogel zijn hoofdzakelijk aan watermilieus gebonden soorten aangewezen als aalscholver, krakeend, slobeend, tafeleend, nonnetje en enkele herbivoren als kolgans, grauwe gans en smient. Effectbeoordeling Als gevolg van de voorgenomen activiteiten krijgt ca. 8400 m2 Natura2000-gebied een andere bestemming en ten opzichte van de huidige situatie wordt ca 1200 m2 grasland omgezet naar erf. De voorgenomen omzetting van grasland naar erf heeft geen negatief effect op de instandhoudingsdoelen voor broed en niet-broedvogels. Het plangebied vormt geen functioneel leefgebied voor deze broedvogelsoorten en de invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is dusdanig gering, dat deze geen negatief effect hebben op het functionele leefgebied deze soorten in de omgeving. Ook heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op het functionele leefgebied van de nietbroedvogelsoorten.

Door het omzetten van grasland naar erf, gaat potentieel foerageergebied van herbivoren soorten als kolgans, grauwe gans en smient verloren, maar vanwege de ligging van het plangebied direct naast een bestaand agrarisch erf, wordt het plangebied niet tot het ‘normale’ functionele leefgebied van deze soorten beschouwd. Bebouwing, beplanting en menselijke activiteiten op het erf zorgen er voor dat voorgenoemde soorten enige afstand houden tot het erf. Door de bouw van de mestsilo, neemt dit verstoringseffect nauwelijks toe omdat menselijke activiteiten achter de silo niet zichtbaar zijn voor deze soorten. Daar komt bij dat de landelijke staat van instandhouding van voorgenoemde herbivoren gunstig is. Dit houdt in dat zelfs een beperkt negatief effect acceptabel is omdat daardoor nog steeds de instandhoudingsdoelstelling behaald kan worden. Conclusie De voorgenomen activiteiten leiden niet tot een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura2000. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen vergunning in het kader van de Wnb aangevraagd te worden.

4.3 Natuurnetwerk Nederland Algemeen Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN (voorheen EHS). Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kernmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.

Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. 9

De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 Provincie Utrecht. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v. het NNN Het plangebied behoort volledig tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het NNN in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Ligging van het plangebied in het Natuurnetwerk Nederland (groen) (bron: Provincie Utrecht).

Wezenlijke waarden en kenmerken De provincie Utrecht heeft zes toetsingsaspecten vastgesteld die samen de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN vormen. Deze zijn: 1. Bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem, inclusief de vereiste omgevingsfactoren (zoals donkerte, bodem, water en milieu). 2. De robuustheid en aaneengeslotenheid van de EHS 3. De aanwezigheid van bijzondere soorten 4. De verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen 5. Behoud van oppervlakte 6. Behoud van samenhang

Regels t.a.v. het Natuurnetwerk Nederland De Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 Provincie Utrecht (herijking 2016) zegt over het Natuurnetwerk Nederland het volgende; Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘Natuur Netwerk Nederland’ bevat geen nieuwe bestemmingen en regels die ruimtelijke ontwikkelingen toestaan, die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden, tenzij:

10

• •

er sprake is van een groot openbaar belang en er geen reële andere mogelijkheden zijn, of de ruimtelijke ontwikkelingen nieuwe bebouwing of terreinverharding binnen omheinde militaire terreinen mogelijk maken, en negatieve effecten voor de natuur worden zoveel mogelijk beperkt door mitigerende maatregelen en de overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd door inrichting van nieuwe natuur elders, met dien verstande dat: - de compensatie minimaal gelijkwaardig is aan het verlies aan waarden en kenmerken, en de - compensatie plaatsvindt in aansluiting op het Natuur Netwerk Nederland (NNN), of binnen de groene contour, of binnen het NNN op een locatie waar nog nieuwe natuur moet worden ontwikkeld en dit leidt tot versnelling van realisatie van het NNN, en - de realisatie van de compensatie, het beheer en de instandhouding daarvan zijn verzekerd op het moment van vaststelling van het ruimtelijk besluit, waarin de aantastende ruimtelijke ingreep mogelijk wordt gemaakt.

De toelichting op een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘Natuur Netwerk Nederland’ bevat een ruimtelijke onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan en bevat een beschrijving van de in het plangebied voorkomende wezenlijke kenmerken en waarden. Effectbeoordeling Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de bestemming, het gebruik en de inrichting van een deel van het NNN duurzaam gewijzigd. Wanneer we kijken naar het effect van de voorgenomen activiteit op de wezenlijke waarden en kenmerken, dan worden deze in grote lijnen niet aangetast. Door het omzetten van grasland naar ‘erf’ neemt strikt beschouwd de oppervlakte NNN licht af. Conclusie De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft ontheffing aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 Provincie Utrecht.

4.4 Slotconclusie Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen de begrenzing van het Natura2000-gebied Oostelijke Vechtplassen en ligt volledig binnen de begrenzing van Natuurnetwerk Nederland. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. Dat houdt in dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect hebben op gebieden die buiten het plangebied liggen. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstelling van natura2000-gebied en hebben slechts beperkt effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland.

11

5 Soortenbescherming; het onderzoek 5.1 Verwachting Op basis van bronnenonderzoek, landschappelijke karakteristieken, beheer, omvang en gebruik van het onderzoeksgebied is het niet uitgesloten dat (beschermde) soorten van onderstaande soortgroepen in het gebied voorkomen: • Vogels; • Grondgebonden zoogdieren; • Vleermuizen; • Amfibieën; • Reptielen; • Vissen; • Ongewervelden; 5.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 10 januari 2018 tijdens de daglichtperiode (ochtend) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x60) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Veldbezoek door ervaren ecoloog2 • Aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. • Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland • Atlas van de zoogdieren van Nederland • Nieuwe atlas van de Nederlandse flora Het weer tijdens het veldbezoek Bewolkt, droog, 6⁰C, wind 1-2 Bft.

Flora en vegetatie Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde plantensoorten en habitattypen waarvoor in het Natura2000-gebied een instandhoudingsdoelstelling geldt. De onderzoeksperiode is beperkt geschikt voor floristisch onderzoek omdat de meeste planten niet meer bloeien eind november en de bovengrondse plantendelen geheel of gedeeltelijk afgestorven zijn. Op basis van standplaatsfactoren en abiotische parameters kan een goede inschatting gemaakt worden van de potentie van het onderzoeksgebied en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen. Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van broedvogels. De onderzoeksperiode is beperkt geschikt om alle potentiële broedvogelsoorten in het onderzoeksgebied vast te kunnen stellen omdat het onderzoek is uitgevoerd buiten de broedtijd van de meeste vogelsoorten en de zomergasten vertrokken zijn naar hun winterverblijfplaatsen. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels.

2

Het onderzoek is uitgevoerd door Ing. P.E.B. Leemreise. Hij heeft ruim 30 jaar ervaring als veldbioloog. Eerst specifiek op het gebied van vogelstudie, later meer integraal met een tweede specialisatie op het gebied van grondgebonden kleine zoogdieren en vleermuizen. Hij voert jaarlijks 120-140 quickscan natuurwaardenonderzoeken uit, verspreid over heel Nederland. 12

Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar deze dieren al bezetten ze geen voortplantingslocaties in deze tijd van het jaar. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van grondgebonden zoogdiersoorten. Vleermuizen De onderzoeksperiode is beperkt geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. De meeste vleermuissoorten hebben de zomerverblijfplaatsen verlaten en bezetten de winterverblijfplaatsen, al dan niet op enige afstand van de zomerverblijfplaatsen. Soorten als gewone- en ruige dwergvleermuizen bezetten soms nog wel een (beschutte) zomerverblijfplaats. De onderzoeksperiode is ongeschikt voor onderzoek naar kraamkolonies. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en verblijfplaatsen van vleermuizen. Daarbij is gelet op uitwerpselen, veegstrepen rond invliegopeningen en prooiresten.

Bij de beoordeling van de geschiktheid van de bebouwing als mogelijke verblijfplaats voor vleermuizen is onder andere bekeken naar bouwstijl, gebruikte materialen en staat van onderhoud. De mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is ongeschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën omdat ze zich vanaf half september - begin oktober tot eind maart terugtrekken in hun overwinteringsplaatsen onder water, in holen en gaten in de grond, in holle bomen/stammen of onder de strooisellaag, bergen groen of ander groenafval. Soms overwinteren amfibieën in toegankelijke gebouwen, zoals karloodsen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van amfibieënsoorten.

Reptielen De onderzoeksperiode is ongeschikt voor verspreidingsonderzoek naar reptielen omdat ze zich vanaf eind september- begin oktober tot begin maart-half april terugtrekken in hun overwinteringsplaatsen in holen en gaten in de grond, in holle bomen/stammen of onder de strooisellaag, bergen groen of ander groenafval. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor reptielen en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van reptielensoorten. Vissen Het onderzoek is uitgevoerd in een periode die ongeschikt is om alle mogelijk aanwezige soorten in het plangebied vast te stellen. Sommige soorten bezetten in de winter een andere leefomgeving dan in de zomer. Er is tijdens het veldbezoek geen schepnetonderzoek uitgevoerd. De geschiktheid van het plangebied als functioneel leefgebied is bepaald op basis van een visuele beoordeling van natte landschapselementen. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van beschermde vissoorten.

13

Ongewervelden (o.a. libellen) Het plangebied ligt binnen het normale verspreidingsgebied van sommige beschermde ongewervelden. Deze zijn vooral gebonden aan (kwelgevoede) weelderige onderwatermilieus en waardplanten (zeggekorfslak). Er is tijdens het veldonderzoek geen schepnetonderzoek uitgevoerd en er zijn geen waterplanten gecontroleerd op de aanwezigheid van beschermde ongewervelden. Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode van het jaar waarin libellen actief zijn. Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet specifiek onderzocht op het voorkomen van overige beschermde soorten als amfibieën, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplantenvaren (kleine vlotvaren), haften (oeveraas) en kreeftachtigen (Europese rivierkreeft) omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten.

5.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, die mogelijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Het onderzoeksgebied behoort niet tot de groeiplaats van beschermde plantensoorten. Beschermde planten en habitattypen In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten of habitattypen vastgesteld. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten en habitattypen. Vogels Het plangebied behoort het functionele leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk nestelen er vogels in het plangebied. Vogels kunnen nestelen in bomen, struiken en in dichte vegetatie op de grond. Soorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn wilde eend, merel, houtduif, tjiftjaf, grasmus, heggenmus en witte kwikstaart. In de stal bezet een steenuil een verblijfplaats (in nestkast). De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de verblijfplaats van de steenuil in de stal. Onderdeel van de voorgenomen plannen het rooien van enkele vinger-dikke knotwilgen, een sloot en oeverzone.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/1970/documents/40712