Toelichting ontwerpbestemmingsplan 2e Herziening Maarsseveense Plassen.pdf
Tekst van het document
Pagina 56 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
Figuur 1: Ligging plangebied in de aandachtsgebiedenkaart voor wegverkeerslawaai.
De gemeente heeft aandachtsgebiedenkaarten opgesteld die inzicht geven in hoeverre het aspect geluid vanwege weg- en railverkeer beperkingen oplevert voor ruimtelijke planontwikkelingen met nieuwe geluidsgevoelige objecten. De kaart in figuren 1 werkt met drie kleuren: • Rood: de geluidssituatie is dermate knellend dat de gemeente een initiatiefnemer adviseert om direct bij de start van planontwikkeling een geluidsdeskundige te betrekken en deze een actieve rol in de vorming tot de planopzet te geven. Dit omdat de situatie directe gevolgen heeft voor de planopzet en de haalbaarheid van het plan. • Geel: de geluidssituatie is zodanig dat de Wet geluidhinder en het gemeentelijk beleid voorwaarden stellen die van invloed zijn op de planopzet. Ook hier is een rol voor een geluidsdeskundige weggelegd om het plan tijdig te begeleiden. • Groen: de rol van een geluidsdeskundige zal naar verwachting beperkt zijn. Overigens geldt ook hier dat de Wgh en het gemeentelijk beleid van kracht zijn en vaak zal (beperkt) akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn. Provinciaal beleid(stiltegebieden) De Provincie Utrecht heeft op 4 februari 2013 de Provinciale milieuverordening 2013 (PMV 2013) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 mei 2013. Hierin zijn stiltegebieden opgenomen.
Daarnaast zijn de stiltegebieden in de Provinciale Ruimtelijke structuurvisie benoemd als provinciaal belang en op basis daarvan opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Dit heeft invloed op het gebruik van bevoegdheden binnen de Wet ruimtelijke ordening, Algemene plaatselijke verordening, Wegenverkeerswet, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Activiteitenbesluit. Een stiltegebied is een milieubeschermingsgebied waarin de geluidsbelasting ten gevolge van menselijke activiteiten zodanig laag is, dat het ervaren van de natuurlijke geluiden in dat gebied of gedeelten daarvan niet of slechts in geringe mate wordt verstoord. Stiltegebieden worden door de provincie Utrecht aangewezen met als doel het beschermen van het geluidkarakter van een gebied en het waarborgen van stilte/rust voor de mens in de toekomst. De ruimtelijke bescherming van stiltegebieden vindt plaats via de Provinciale Ruimtelijke Verordening.
Pagina 57 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
In beginsel komen gebieden met een meetbaar achtergrondgeluidsniveau tot 40 dB(A) LAeq,24h(4) in aanmerking voor aanwijzing als stiltegebied. In feitelijk stille gebieden dient een geluidsniveau van 40 dB(A) LAeq,24h of minder in principe gegarandeerd te kunnen worden; Om deze waarde te waarborgen gelden voor ontwikkelingen in of nabij stiltegebieden bijzondere regels: • Voor ontwikkelingen op 50 meter afstand van het stiltegebied geldt een richtwaarde van 35 dB(A) (etmaalgemiddelde) binnen de grenzen van het stiltegebied voor ontwikkelingen buiten het stiltegebied. • Voor ontwikkelingen binnen het stiltegebied een richtwaarde van 35 dB(A) (etmaalgemiddelde) op 50 meter afstand van de ontwikkeling zelf. Indien ontwikkelingen in of nabij het stiltegebied plaatsvinden, dient onderzocht te worden of er kan worden voldaan aan deze richtwaarde. De doorwerking van de richtwaarden in eerdergenoemde wettelijke kaders is opgenomen in artikel 25 en 26 van de PMV 2013. Nabij het plangebied is het de stiltegebied Westbroek e.o. gelegen. Deze is weergegeven in figuur 2. Op het recreatieterrein worden evenementen gehouden. Om dit goed te regelen is de evenementenregeling van toepassing op het recreatiegebied Maarseveense Plassen. Om de uitvoerbaarheid van deze evenementenregeling te controleren is deze getoetst aan de regels van het stilte gebied.
In de regeling wordt gebruik gemaakt van de 12-dagen regeling van het Activiteitenbesluit (zie paragraaf evenementen). Maximaal kunnen er 12 evenementen per jaar gehouden worden waarbij hogere geluidsniveaus worden toegestaan dan het Activiteitenbesluit toestaat. De ODRU meet jaarlijks de geluidsbelastingen bij Ultrasonic. In 2017 heeft de provincie ook gemeten in het stiltegebied. Uit deze metingen blijkt dat een maximale geluidsbelasting in het stiltegebied optreedt van 55 tot 57 dB(A). Ultrasonic is het enige evenement dat voor een dergelijke overschrijding van de richtwaarden van het stiltegebied zorgt. De overschrijding gemeten in 2017 bedraagt 15 dB(A). Ultrasonic (en de voorganger Rockit open Air) worden al geruime tijd gehouden, al voordat de provincie de richtwaarde voor ontwikkelingen buiten het stiltegebied in de PMV heeft opgenomen. Gezien het feit dat er slechts drie dagen per jaar een dergelijk evenement in de hoogste categorie (C) mogelijk is, waarvan maar één dance-event, vinden wij dit acceptabel. De overige evenementen zullen niet voor overschrijdingen in het stiltegebied zorgen. Voor het toestaan van toekomstige ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de invloed van deze ontwikkelingen in het stiltegebied. Voor toetsing aan de richtwaarde is de buitenste contour van toepassing.
Een overschrijding van de richtwaarde heeft gevolgen voor de ontwikkeling. Bij een dreigende overschrijding zal overleg gevoerd moeten worden met de provincie Utrecht.
Figuur 2 – Het stiltegebied Westbroek e.o. ligt nabij het plangebied
Pagina 58 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
Onderhavig bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van recreatievoorzieningen mogelijk. Deze zijn niet geluidgevoelig. Wel is het mogelijk dat de onderhavige recreatie-ontwikkeling leidt tot geluidshinder op naburige geluidsgevoelige functies, met name woningen. Geluidhinder kan met name ontstaan door het geluid van verkeer van en naar de recreatievoorziening, alsmede door de recreatie-activiteiten zelf. In de paragraaf 3.4.5 wordt ingegaan op de impact van het recreatieterrein naar de omringende woningen. Uit de toetsing is gebleken dat er geen hindergevoelige functies binnen de indicatieve hinderzones gelegen zijn. Om deze reden hoeft geluidshinder eveneens niet te worden verwacht. Planspecifiek De herzieningen van het bestemmingsplan voorzien in een beperkt aantal nieuwe ontwikkelingen (zie paragraaf 1.2 en 1.3). Voor de daar genoemde ontwikkelingen is het aspect geluid niet relevant. Vanuit het aspect geluid zijn er derhalve geen belemmeringen om dit bestemmingsplan vast te stellen. In een groot deel van het plangebied wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. In een gedeelte van het plangebied wordt de maximale ontheffingswaarde overschreden. In deze delen van het plangebied zijn nieuwe ontwikkelingen niet zonder meer mogelijk. Er is dan akoestisch onderzoek en mogelijk hogere waarden noodzakelijk.
Hiermee moet rekening worden gehouden wanneer de uitwerkingsbevoegdheid voor wat betreft de recreatiewoningen wordt toegepast.
4.3
Lucht
Tussen de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening is een koppeling gelegd. Zo dienen ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de in de Wet milieubeheer opgenomen richtwaarden en grenswaarden voor een aantal luchtvervuilende stoffen. Wetgevend kader Voor luchtkwaliteit zijn de luchtkwaliteitseisen (hoofdstuk 5.2) van de Wet milieubeheer van kracht. Hierin is vastgelegd dat onder meer ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden en richtwaarden. Deze Wet is nader uitgewerkt in Besluiten en Regelingen, waarvan het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate (nibm), het Besluit gevoelige bestemmingen en de Regeling beoordeling de belangrijkste zijn. Daarnaast is ook het beginsel van een goede en duurzame ruimtelijke ordening van belang. Grenswaarden In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de richtwaarden en de grenswaarden opgenomen voor een aantal luchtvervuilende stoffen. De belangrijkste zijn de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. Deze zijn weergegeven in tabel 1. Tabel 1: Grenswaarden stikstofdioxide en fijn stof van bijlage 2 Wet milieubeheer Grenswaarden Max.
Concentratie Van kracht Stof Type norm overschrijdingen vanaf (g/m3) per jaar Jaargemiddelde 2015 40 Stikstofdioxide Uurgemiddelde 2015 200 18 Jaargemiddelde 2011 40 Fijn stof (PM10) 24-uursgemiddelde 2011 50 35 Fijn stof Jaargemiddelde 2020 20 (PM2,5) De concentraties van de overige stoffen benaderen de grenswaarden en richtwaarden in Nederland niet. Er hoeft daarom niet te worden getoetst aan deze richtwaarden en grenswaarden, ze zijn dus niet opgenomen in de bovenstaande tabel. Niet in betekenende mate (nibm) Alleen projecten die ‘in betekenende mate’ bijdragen aan de concentraties luchtvervuiling worden getoetst aan de grenswaarden. Er dient te worden onderzocht of een project ‘in betekenende’ mate Pagina 59 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
van invloed is op de luchtkwaliteit. Het Besluit nibm bepaalt dat een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie luchtvervuiling (PM10 en NO2) als deze minder dan 3% van de grenswaarde, ofwel 1,2 microgram per m3, bedraagt. De Regeling nibm is hier een nadere uitwerking van. Hierin is bepaald dat woningbouwprojecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg, of tot 3000 woningen met twee ontsluitingsweten, en kantoren tot 100.000 m2 met één ontsluitingsweg of tot 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen, zijn vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. Besluit gevoelige bestemmingen Kinderen, ouderen en zieken zijn gevoeliger voor luchtvervuiling en worden daarom extra beschermd. Bestemmingen waar deze doelgroep voor langere tijd verblijven, worden daarom aangemerkt als gevoelige bestemmingen. Op basis van het Besluit gevoelige bestemmingen gelden voor gevoelige bestemmingen nabij wegen zwaardere beperkingen. Zo mogen binnen 300 meter van rijkswegen en 50 meter vanaf provinciale wegen geen bestemmingen voor langdurig verblijf als kinderdagverblijven, scholen of verzorgingstehuizen worden gebouwd, als de wettelijke grenswaarden worden overschreden.
Het Besluit verplicht overheden om onderzoek uit te voeren naar de concentraties stikstofdioxide en fijn stof indien een gevoelige bestemming wordt gerealiseerd in de nabijheid van rijkswegen of provinciale wegen. Voor gemeentelijke wegen geldt een zwaardere motiveringsplicht. Goede ruimtelijke ordening Plannen dienen te voldoen aan het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. De formele definitie van het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is: “het coördineren van de verschillende belangen tot een harmonisch geheel dat een grotere waarde vertegenwoordigd dan het dienen van de belangen afzonderlijk”. Een goede luchtkwaliteit is een van de belangen, ofwel de luchtkwaliteit dient geschikt te zijn voor de beoogde functie. Daarom is inzicht in de luchtkwaliteitssituatie van belang. Van fijn stof is bekend dat er ook significant schadelijke effecten zijn op de gezondheid beneden de wettelijke grenswaarde. Daarom heeft de Wereld Gezondheid Organisatie (WHO) advieswaarden opgesteld 20 microgram per m3 voor PM10 en 10 microgram per m3 voor PM2,5. Situatie plangebied De Omgevingsdienst heeft de concentraties stikstofdioxide en fijn stof (PM10 en PM2,5) voor het jaar 2018 en 2030 berekenend met het rekenmodel GeoMilieuIn dit rekenmodel is het rekenhart STACKS geïntegreerd, welke voldoet aan de Regeling beoordeling.
De hieruit voortgekomen concentraties zijn openbaar beschikbaar via het geoloket van de ODRU. Voor het plangebied zijn de concentraties luchtverontreinigde stoffen weergegeven in figuur 3 t/m 8. Planspecifiek Uit de figuren is af te leiden dat de concentratie stikstofdioxide en fijn stof zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m3 bevinden. De uurgemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide van 200 microgram per m 3 wordt overschreden wanneer de concentraties gemiddeld op jaarbasis boven de 60 microgram per m 3 uitkomen. De concentraties in het plangebied overschrijden nergens de grens van 60 microgram per m3, wat betekent dat voor het hele plangebied aan de uurgemiddelde grenswaarde wordt voldaan voor zowel het peiljaar 2018 als 2030. Naast een jaargemiddelde grenswaarde voor fijn stof PM10 is er ook een daggemiddelde grenswaarde van 50 microgram per m3 van kracht, die per jaar 35 keer mag worden overschreden. Uit statistische vergelijkingen van TNO en het RIVM blijkt dat deze grenswaarde bij een concentratie van 31,3 microgram per m3 vaker dan 35 keer wordt overschreden. Aangezien de concentratie fijn stof in het plangebied niet boven de 31,3 microgram per m3 uitkomt, wordt aan deze daggemiddelde grenswaarde voldaan voor zowel het peiljaar 2018 als 2030.
Voor het gehele plangebied worden de grenswaarden voor stikstofdioxide, PM10 en PM2,5niet overschreden voor zowel het peiljaar 2018 als het peiljaar 2030. Dit betekent dat er wordt voldaan aan het wetgevende kader voor luchtkwaliteit, zoals vastgelegd in hoofdstuk 5.2 van de Wet milieubeheer. Pagina 60 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het ook van belang om te kijken naar de advieswaarden die worden gegeven door de WHO voor PM10 en PM2,5. Voor PM10 wordt zowel in peiljaar 2018 als in peiljaar 2030 voldaan aan de WHO advieswaarde. Voor PM2,5 wordt in 2018 nog niet voldaan aan de WHO advieswaarde, maar in 2030 nagenoeg wel. Dit betekent dat in het plangebied sprake is van een goede ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit.
Figuur 3 – Concentraties stikstofdioxide in 2018 in het plangebied (16 – 20 microgram per kuub)
Pagina 61 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
Figuur 4 – Concentraties fijn stof (PM10) in 2013 in het plangebied
Figuur 5 – Concentraties PM 10 in 2018 in het plangebied (18 -20 microgram per kuub)
Pagina 62 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
Figuur 6 – Concentraties PM10 in 2030 in het plangebied (16 – 18 microgram per kuub)
Figuur 7 – Concentraties PM2,5 in 2018 in het plangebied (11,5 – 12,5 microgram per kuub)
Pagina 63 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
Figuur 8 – Concentraties PM2,5 in 2030 in het plangebied (9,5 – 10,5 microgram per kuub)
4.4
Bodem
Wettelijk Kader Hoofdlijnen bodem(sanerings)beleid Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van de bodem en, ingeval van de aanwezigheid van bodemverontreiniging, hoe bodemgebruik en bodemkwaliteit optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbare risico oplevert voor mens en milieu. Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien er toch nieuwe bodemverontreiniging ontstaat, dient deze direct te worden opgeruimd. Bij verontreinigingen die voor 1987 ontstaan zijn (zogenaamde erfenisgevallen) zal bij de sanering, naast de milieuhygiënische aspecten, ook naar de kosteneffectiviteit van de saneringsmaatregelen worden gekeken. Uitgangspunt bij de aanpak van erfenisgevallen is dat de risico’s beheersbaar worden en blijven.
Indien er geen sprake is van ontwikkelingen of indien er sprake is van ontwikkelingen die niet in het bestemmingsplan worden meegenomen is het niet noodzakelijk om de bodemkwaliteit binnen het gehele plangebied vast te stellen, maar kan volstaan worden met een conclusie over de algehele bodemkwaliteit op basis van een inventarisatie van: reeds uitgevoerde bodemonderzoeken, bekende (voormalige) bodembedreigende activiteiten en geregistreerde gevallen van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging. Als er sprake is van ontwikkelingen is het van belang om na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering vormt bij de beoogde ontwikkelingen. Onder ontwikkelingen kan hier verstaan worden: bouwen, aanleg van voorzieningen, infrastructuur e.d. Er kunnen hierbij verschillende wettelijke kaders aan de orde zijn. Bij bouwen is vaak de Woningwet van toepassing en bij grondverzet is vaak het Pagina 64 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Bij een wijziging van de bestemming of functie van een terrein, waarbij geen sprake is van bouwactiviteiten waarvoor een bodemonderzoek vereist is, wordt een bodemonderzoek alleen noodzakelijk geacht wanneer deze wijziging tevens een gevoeligere bodemgebruiksvorm qua blootstellingsrisico’s inhoudt (bijvoorbeeld van bedrijvigheid naar wonen). Bouwen De Woningwet is het wettelijke instrument voor een gemeente om te regelen dat bouwwerken alleen gebouwd worden op grond die daarvoor milieuhygiënisch geschikt is. De eisen die aan een bodemonderzoek ten behoeve van een omgevingsvergunning voor het bouwen gesteld worden zijn o.a. geregeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) met bijbehorende regelingen en in de gemeentelijke bouwverordening. Bij een omgevingsvergunning voor het bouwen kan alleen een bodemonderzoek worden geëist als het gaat om een bouwwerk waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven en dat contact maakt met de grond. Asbest Voorafgaand aan de sloop van een bouwwerk dat gebouwd is voor 1 januari 1994, dient altijd een asbestinventarisatie plaats te vinden. Indien asbest op, in of aan het bouwwerk aangetroffen wordt, dient dit door een erkend asbestsaneringsbedrijf verwijderd te worden.
Bij een bodemonderzoek wordt tegenwoordig altijd visueel aandacht besteed aan de aanwezigheid van asbest in de bodem. Pas als voor het te bebouwen terrein een asbest-vrij verklaring is afgegeven en het terrein ook verder vrij is van afval en andere ongewenste materialen, kan met de daadwerkelijke bouw worden begonnen. Bij de advisering omtrent de bodemgeschiktheid zullen ook de asbestinventarisatieresultaten betrokken worden. Gemeentelijk bodembeleid Het Besluit bodemkwaliteit vormt het kader voor het bodembeheer in Nederland. Dit besluit is sinds 1 januari 2008 van kracht en stelt eisen aan de toepassing van grond en bagger. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt nagegaan of de bodemkwaliteit aansluit bij de (toekomstige) functie. Hierbij vormt het Besluit bodemkwaliteit het toetsingskader. Een gemeente kan het bodembeleid baseren op het generieke kader (dan gelden er landelijk vastgestelde Maximale Waarden bij toepassing van grond/bagger) of op een gebiedsgericht kader (dan worden er Lokale Maximale Waarden vastgesteld door de gemeenteraad). Op 23 juli 2015 voor de gemeente Stichtse Vecht regionaal grondstromenbeleid van kracht geworden (incl. bijbehorende bodemkwaliteitskaart).
Door het vaststellen van gebiedsspecifiek grondstromenbeleid door de gemeenteraad is het vanaf die datum mogelijk geworden om binnen de regio Noordwest Utrecht op een milieuhygiënisch verantwoorde, duurzame en kostenefficiënte wijze grond en baggerspecie op de landbodem toe te passen en her te gebruiken. Er is tevens een bodemkwaliteitskaart opgesteld, die de verwachte bodemkwaliteit en de toepassingseis voor op te brengen grond/bagger per onderscheiden bodemkwaliteitszone aangeeft. Het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid voor deze regio is vastgelegd in de Nota bodembeheer regio Noordwest Utrecht.d.d. 3 december 2014 (kenmerk ZT69-1/14-022.907). De bodemkwaliteitskaart is te raadplegen via het Geoloket op de website van de Omgevingsdienst regio Utrecht. Planspecifiek
Op basis van de te verwachte bodemkwaliteit zijn is de regio Noordwest Utrecht ingedeeld in bodemkwaliteitszones. In de onderstaande tabel is per onderscheiden bodemkwaliteitszone aangegeven of er een Maximale Waarde (generiek) of een Lokale Maximale Waarde (gebiedsspecifiek) geldt voor het toepassen van grond/bagger. Bodemkwaliteitszones
Huidige bodemkwaliteit (uitgedrukt in bodemkwaliteitskl asse)
Bodemfunctie (uitgedrukt in bodemfunctieklas se)
Is hergebruik van grond uit dezelfde zone toegestaan zonder partijkeuring?
Welk norm is van toepassin g?
*)
Pagina 65 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
Zone B: Naoorlogse Wonen Wonen JA MW bebouwing II Zone C: Oude bebouwing Industrie Wonen NEE MW A incl. lintbebouwing veengebied Zone G: Noorderpark en Wonen Landbouw/Natuur JA LMW Omgeving Zone H: Overig AW (schone grond) Landbouw/Natuur JA MW buitengebied *) Voordat het grondverzet plaats kan vinden moet altijd eerst een vooronderzoek conform de NEN 5725 uitgevoerd worden om vast te stellen dat het om onverdachte locaties gaat (dat geldt zowel voor de herkomst- als voor de toepassingslocatie) MW = Maximale Waarde (Generieke norm uit het Besluit bodemkwaliteit). Er gelden geen restricties bij hergebruik binnen dezelfde zone MW A = Hergebruik van vrijkomende grond is uitsluitend mogelijk in de eigen zone onder verhardingen en infrastructuur. LMW = Lokale Maximale Waarde (door de gemeenteraad vastgestelde lokaal geldende norm). Dit maakt hergebruik binnen dezelfde zone zonder restricties mogelijk Het grondgebied rondom de Grote Plas valt in: o Zone B (Naoorlogse bebouwing II). Dit betreft de strook grond aan de kant van de Herenweg. o Zone G (Noorderpark e.o.). Dit betreft de overige grond rondom de Grote Plas De gemiddelde bodemkwaliteit in deze zones is klasse Wonen. Grond uit deze zones mag worden hergebruikt binnen dezelfde zone. In deze zones mag, naast schone grond, ook klasse Wonen-grond toegepast worden.
Voor zone G (waar onder andere het Noorderpark binnen valt), is door de gemeenteraad een Lokale Maximale Waarde vastgesteld waardoor er vrij grondverzet mogelijk is binnen deze zone. Dit geldt overigens niet voor de bodemverdachte locaties die in het gebied voorkomen, (o.a. stortplaatsen en gedempte sloten). Het Noorderpark is gelegen in 3 gemeenten, te weten: De Bilt, Utrecht en Stichtse Vecht. Om grondverzet binnen dit project op een kostenffectieve en duurzame wijze mogelijk te maken is het beheergebied vergroot tot de grenzen van dit projectgebied. De lintbebouwingszones langs de Herenweg/Gageldijk en langs de Oudedijk/Westbroekse Binnenweg vallen in zone C. Deze zone is, op basis van de gemiddelde bodemkwaliteit in dit gebied, ingedeeld in bodemkwaliteitsklasse Industrie. De hergebruiksmogelijkheden van vrijkomende grond zijn daarom zeer beperkt. Het grondgebied rondom de Kleine Plas valt in zone H (Overig buitengebied). De gemiddelde bodemkwaliteit in deze zone is schoon. Dat betekent dat grond die uit deze zone vrijkomt overal hergebruikt mag worden en dat er alleen schone grond in deze zone toegepast mag worden.
De gemeenten in de regio Noordwest Utrecht accepteren naast de bodemkwaliteitskaart van het eigen bodembeheergebied ook bodemkwaliteitskaarten van een groot aantal omliggende gemeenten en regio’s als geldig milieuhygiënisch bewijsmiddel voor het toepassen van grond/bagger. Welke gemeenten en regio’s dit betreft is aangeduid in de Nota bodembeheer (par. 1.2). Enkele terreinen binnen het plangebied liggen binnen de begrenzing van Natuur Netwerk Nederland. In het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid regio Noordwest Utrecht is aangegeven dat binnen ecologische beschermingsgebieden uitsluitende schone grond mag worden toegepast. Deze toepassingseis geldt voor grond/bagger die afkomstig is van buiten de betreffende zone. Voor hergebruik van grond binnen één en dezelfde zone geldt het standstill-principe. Dat houdt in dat de bestaande bodemkwaliteit niet mag verslechteren.
Pagina 66 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
Actualiteit Een Nota bodembeheer heeft een maximale geldigheidsduur van 10 jaar. Een bodemkwaliteitskaart heeft een maximale geldigheidsduur van 5 jaar. De geldigheidsduur van een bodemkwaliteitskaart kan na 5 jaar verlengd worden. In 2020 vindt een herziening van het regionale grondstromenbeleid regio Noordwest Utrecht plaatst vanwege gewijzigde inzichten over de risico’s van bepaalde stoffen en vanwege gewijzigde wet- en regelgeving. De bodemkwaliteitskaart zal in 2020, enigszins aangepast, verlengd worden. Bodembedreigende activiteiten binnen het plangebied In onderstaande figuur wordt een globaal overzicht weergegeven van de bekende bodembedreigende activiteiten binnen het plangebied. Gedempte sloten worden als bodemverdacht aangemerkt omdat de herkomst en aard van het slootdempingsmateriaal vaak niet bekend is. Naast gedempte sloten kunnen als meest voorkomende bodembedreigende activiteiten aangemerkt worden (voorbeeld): opslag van oliën, chemicaliën en afvalstoffen, ophogingen en aangebrachte verhardingsmaterialen. Verontreinigingslocaties Van sommige locaties is bekend dat de bodembedreigende activiteiten daadwerkelijk tot bodemverontreiniging hebben geleid. Een overzicht van deze verontreinigde locaties is weergegeven in de onderstaande tabel. In de tabel is ook de gewenste vervolgactie aangegeven.
De informatie is ontleend aan het landelijk bodemloket (peildatum 2-1-2020). Tabel: Overzicht verontreinigde locaties Adres/locatienaam UT-code Oude Dijk 26 1904/00046
Oude Dijk 32
1904/00065
Oude Dijk 36
0333/00138
Westbroekse Binnenweg 1
0333/00109
Westbroekse Binnenweg nabij 5 (voormalig stortplaats Molenpolder)
0333/00182
Westbroekse Binnenweg 24
0333/00185
Westbroekse Binnenweg 70
0333/00067
Gewenste vervolgactie In 2014/2015 is er een bodemsanering uitgevoerd. Het evaluatieverslag van de uitgevoerde BUS-sanering is ingediend in 2015. Niet bekend is of dit akkoord is bevonden door het bevoegd gezag (provincie Utrecht). Op basis van de saneringsevaluatie is geconstateerd dat er verontreiniging na de sanering is achtergebleven (restverontreiniging). Deze is geregistreerd bij het Kadaster. Onbekend is of er nazorgverplichtingen gelden. De resultaten van de evaluatie van de sanering geven aan dat de vastgestelde verontreiniging voldoende is gesaneerd in het kader van de Wet bodembescherming. Er gelden nazorgverplichtingen op basis van het in 2009 goedgekeurde nazorgplan i.v.m. achtergebleven verontreiniging na sanering (restverontreiniging) De resultaten van de evaluatie van de sanering geven aan dat de vastgestelde verontreiniging voldoende is gesaneerd in het kader van de Wet bodembescherming. Er moet een saneringsplan voor de vastgestelde verontreiniging worden opgesteld. In dit plan wordt een saneringsvariant uitgewerkt. Er moet een historisch onderzoek worden uitgevoerd waaruit moet blijken of op de onderzoekslocatie activiteiten aanwezig zijn
Pagina 67 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
Westbroekse Binnenweg naast 86C
0333/00128
Westbroekse Binnenweg naast 86C (voormalige stortplaats) Herenweg nabij 53 (parkeerterrein en landtong Maarsseveense Plassen) *)
0333/00070
0333/00158
(geweest) die de bodem mogelijk hebben verontreinigd. Er moet op de locatie een nader onderzoek worden uitgevoerd om de omvang en ernst van de vastgestelde verontreiniging te bepalen. Op basis van historisch onderzoek uitgevoerd in 1996, wordt geen vervolgonderzoek nodig geacht door het bevoegd gezag (provincie Utrecht). In 2011 is door het bevoegd gezag (provincie Utrecht) ingestemd met de uitgevoerde sanering.
*) verontreinigingen zijn veroorzaakt door ophooglaag met DEMKA-slakken
Legenda locaties waar in het verleden bodembedreigende activiteiten plaatsvonden (bijv. bedrijvigheid of particuliere olietanks) gedempte sloten Figuur: Overzicht bodemverdachte locaties
Planspecifiek Het onderhavige bestemmingsplan heeft hoofdzakelijk een conserverend karakter, daarom wordt het niet nodig geacht om voor het hele plangebied middels een bodemonderzoek de algemene
Pagina 68 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
bodemkwaliteit vast te stellen. De bodemkwaliteit binnen het plangebied varieert van schone grond (rondom de Kleine Plas) tot klasse Industrie (lintbebouwing). Op plaatsen waar nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden dient door middel van een bodemonderzoek vastgesteld te worden of de bodemkwaliteit voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling een belemmering vormt. Omdat de grond op veel plaatsen binnen het plangebied niet schoon is, zijn er maar beperkte hergebruiksmogelijkheden van vrijkomende grond binnen het plangebied.
4.5
Externe veiligheid
Kader Algemeen Externe veiligheid is de kans om te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Beleid en regelgeving op dit gebied is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege: a. het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); b. het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, waterwegen en spoorwegen; c. het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Met betrekking tot risico’s wordt onderscheid gemaakt in twee risicomaten: Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als het risico op een plaats buiten een risicobron, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Binnen de wet- en regelgeving zijn aan deze definitie grens- en richtwaarden opgehangen ten aanzien van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
Het groepsrisico is gedefinieerd als cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron en een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. In wet- en regelgeving is aan het groepsrisico een oriënterende waarde toegekend als indicator voor de omvang van een ramp en een afwegingsproces gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, rampenbestrijding en resteffecten. Het beleid en de wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid biedt geen absolute veiligheid. Er is sprake van het realiseren van een verantwoorde situatie, waarbij een kleine kans op een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen tot het normaal maatschappelijk risico wordt gerekend. Wet- en regelgeving De regelgeving voor inrichtingen met (over het algemeen) grotere hoeveelheden gevaarlijke stoffen is samengebracht in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit Besluit is aangegeven welke bedrijven bij het verlenen van een milieuvergunning of het nemen van een besluit op grond van de Wro nadere aandacht behoeven. In andere regelgeving dan Bevi kunnen ook risiconormen of aan te houden effectafstanden zijn opgenomen ten aanzien van inrichtingen.
Te denken valt aan het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit ten aanzien van propaantanks, benzine- en aardgastankstations en gasdrukregelstations. De regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen is neergelegd in de circulaire “Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen” (Stc. 147, 2004). Deze Circulaire kan worden gezien als voorbode van een wettelijke verankering van de risiconormen. Met de realisatie van de wettelijke verankering komt de circulaire te vervallen. Naar verwachting treedt het “Besluit transportroutes externe veiligheid” in werking per 01-01-2015. De werkingsduur van de circulaire is door het ministerie in 2012 verlengd en inmiddels aangepast met transportgegevens van de verschillende Basisnetten. Pagina 69 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
Externe veiligheid in relatie tot transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (AMvB Buisleidingen). In de gemeente Stichtse Vecht is een Omgevingsvisie Externe veiligheid vastgesteld. In de deze visie staat beschreven op welke wijze verantwoording van externe veiligheidsrisico’s in ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen plaatsvindt De gevolgen van elektromagnetische straling worden zo veel als mogelijk beperkt met een beleidsadvies van VROM voor hoogspanningslijnen en door middel van het hanteren van blootstellingslimieten op grond van Europese regels voor antennes. Planspecifiek Algemeen Een eerste indruk van de risicobronnen in het plangebied kan worden verkregen via de provinciale risicokaart.
Figuur 7 - Uitsnede risicokaart
Inrichtingen Bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) In het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd die vallen onder het Bevi. Het plan maakt deze bedrijven ook niet mogelijk. Buiten het plangebied ligt één bedrijf dat valt onder Bevi, namelijk het LPG-tankstation aan de Maarsseveensepoort 2. Het tankstation heeft een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu waarin een doorzet van 1.500 m3 LPG/jaar is vastgelegd. Plaatsgebonden risico Voor het plaatsgebonden risico zijn afstanden opgenomen in de regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Deze afstanden gelden ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten. Deze risicocontouren vallen niet in het plangebied. Er is geen strijd met het plaatsgebonden risico. Risicobron LPG-vulpunt LPG-tank LPG-afleverzuil
Afstand (in meter) 110 25 15
Groepsrisico Pagina 70 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
Het invloedsgebied voor het groepsrisico bedraagt 150 meter rondom respectievelijk het LPG-vulpunt en de (bovengrondse appendages van de) ondergrondse LPG-tank. Het invloedsgebied valt niet over het plangebied. Een berekening en verantwoording van het groepsrisico is niet nodig. Bedrijven die vallen onder overige veiligheidswetgeving In het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig met een overig veiligheidsrisico. Buiten het plangebied zijn twee inrichtingen met een risico gelegen, namelijk Tuincentrum Vechtweelde aan de Herenweg 35, Gebro aan de Gageldijk 79. Tuincentrum Vechtweelde Herenweg 35 Het tuincentrum beschikt over een Omgevingsvergunning (activiteit milieu) voor de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk een hoeveelheid van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk. Er is sprake van vier bewaarplaatsen waar de opslag van in totaal 24.950 kg consumentenvuurwerk mag plaatsvinden. In de bufferbewaarplaats 3.500 kg en in drie bewaarplaatsen 7.150 kg per bewaarplaats. Op grond van het Vuurwerkbesluit geldt voor de bufferbewaarplaats een veiligheidsafstand van 42 meter voorwaarts, 31 meter zijwaarts en 8 meter achterwaarts tot een kwetsbaar object. Deze afstanden blijven binnen de inrichtingsgrenzen en vallen niet in het plangebied. Voor de bewaarplaatsen geldt een veiligheidsafstand van 20 meter voorwaarts.
Deze afstand blijft binnen de inrichtingsgrenzen en valt niet in het plangebied. Gebro, Gageldijk 79 Gebro beschikt over een Omgevingsvergunning (activiteit milieu) voor de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk een hoeveelheid van minder dan 10.000 kg consumentenvuurwerk. Er is sprake van twee bewaarplaatsen waar de opslag van in totaal 7.107 kg consumentenvuurwerk mag plaatsvinden. In de bufferbewaarplaats 1.744 kg en in de bewaarplaats 5.363 kg per bewaarplaats. Op grond van het Vuurwerkbesluit geldt voor de bufferbewaarplaats een veiligheidsafstand van 8 meter voorwaarts tot een kwetsbaar object. Deze afstand blijft binnen de inrichtingsgrenzen en valt niet in het plangebied. Voor de bewaarplaatsen geldt een veiligheidsafstand van 8 meter voorwaarts. Deze afstand blijft binnen de inrichtingsgrenzen en valt niet in het plangebied. Propaantanks Propaantanks zijn in dit gedeelte van de gemeente Stichtse Vecht wel bekend (o.a. op Gageldijk 77) in het bedrijvenbestand van de Omgevingsdienst. Er kan reeds voldaan worden aan specifieke veiligheidswetgeving (in dit geval de afstanden volgens het Activiteitenbesluit). Er worden geen bestemmingen toegestaan die belemmeringen oproepen voor de veiligheidsafstanden van de propaantanks.
Ruimtelijke regulering vanwege risico’s is dan niet nodig Transport van gevaarlijke stoffen Transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water Wegen, spoorwegen en waterwegen met structureel en grootschalig transport van gevaarlijke stoffen liggen niet in de buurt van het plangebied. Gemeentelijke route voor transport van gevaarlijke stoffen Voor de gemeentelijke en provinciale wegen die aansluiten op de rijksweg A2 is in de gemeente Stichtse Vecht een routering voor gevaarlijke stoffen ingesteld. Deze route loopt via de Zuilense Ring (N230) tot aan het LPG-tankstation aan de Maarsseveensepoort. Deze route loopt niet door het plangebied. Over de vastgestelde route mag uitsluitend bestemmingsverkeer rijden. Doorgaand verkeer door de gemeente Stichtse Vecht is daarmee niet (meer) toegestaan. Het risico als gevolg van dit transport ten behoeve van bestemmingsverkeer (in dit plan) wordt daarmee dermate laag dat nader onderzoek naar plaatsgebonden risico en groepsrisico als gevolg van provinciale en gemeentelijke wegen niet noodzakelijk is.
Pagina 71 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
Voor noodzakelijk transport ten behoeve van laden en/of lossen van gevaarlijke stoffen buiten de vastgestelde routes is een ontheffing nodig. Aan deze ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden om een veiligere leefomgeving te realiseren. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Er moet rekening worden gehouden met transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Volgens de risicokaart (www.risicokaart.nl) ligt er een buisleiding voor transport van gevaarlijke stoffen in het plangebied waarop het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing is. Het lokale gasnet voor huishoudens en bedrijven valt niet binnen het kader van externe veiligheid. De planologisch relevante buisleiding betreft een hogedruk aardgastransportleiding van de Gasunie op de oostelijke rand van het plangebied langs de Burgemeester Huijdecoperweg. Leiding
Druk
Diameter
Aardgastransportleiding W-500-01-KR-048 Gasunie NV
40 bar
12 inch
Afstand PR 10-6 contour 0m
Invloedsgebied groepsrisico 140 m
Afstand tot objecten in plangebied 37 meter
Voor de hogedruk aardgasleiding geldt dat rekening moet worden gehouden met een belemmeringenstrook van 4 m. Op grond van het Bevb mag het PR buiten de belemmeringenstrook niet meer dan 10-6 bedragen, hier wordt in de huidige situatie al aan voldaan. Gebleken is dat drie objecten aan de Westbroekse Binnenweg in het invloedsgebied zijn gelegen. Gelet op de bebouwingsdichtheid binnen in het invloedsgebied zal het GR in dit geval laag zijn en ruim beneden de oriënterende waarde zijn gelegen. De uitvoering van een risicoanalyse ten behoeve van het bestemmingsplan wordt daarom niet doelmatig geacht. Het groepsrisico wordt geaccepteerd. Elektromagnetische straling Ten oosten van het plangebied is een hoogspanningslijn aanwezig waarvoor een indicatieve magneetveldzone is vastgesteld. Dit is de 150kV hoogspanningslijn Lage Weide-Soest van Stedin, waarvoor een indicatieve afstand geldt van 80 meter ter weerszijden van de hoogspanningslijn. Deze afstand valt binnen het plangebied, maar hierin zijn geen gevoelige objecten of bestemmingen gelegen. Er wordt daarom voldaan aan het beleidsvoornemen van de minister. Uit de gegevens op de website van het antenneregister (www.antenneregister.nl) blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen zendmasten aanwezig zijn die overschrijdingen van de geldende blootstellingslimieten voor elektrische en magnetische veldsterkten veroorzaken.
Conclusie Het vaststellen van dit bestemmingsplan is niet in strijd met het landelijk externe veiligheidsbeleid.
4.6
Ecologie
4.6.1 Juridisch kader Voor het thema ecologie wordt onderscheid gemaakt tussen gebieds- en soortenbescherming. Gebiedsbescherming ziet toe op bescherming van waardevolle gebieden met een nationaal of internationaal bijzondere natuur. De soortenbescherming ziet toe op het beschermen van planten en dieren. Deze bescherming geldt voor geheel Nederland en is niet gekoppeld aan beschermde natuurgebieden. Wet Natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met 1 wet en minder regels wordt het makkelijker om de wet toe te passen.
Pagina 72 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
Gebiedsbescherming Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming krijgen. De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn.
In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Bestaand gebruik Een passende beoordeling op grond van artikel 19j van de Nbw 1998 (nu Wet Natuurbescherming) is niet nodig wanneer het plan op zichzelf gezien geen significante gevolgen zal hebben voor het Natura 2000-gebied. De Natuurbeschermingswet 1998 definieert bestaand gebruik als gebruik dat op 31 maart 2010 bekend is, of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn bij het bevoegd gezag. Onder bestaand gebruik vallen alle activiteiten die sinds de peildatum niet of nagenoeg niet gewijzigd zijn. Uit de Natuurbeschermingswet 1998 blijkt dat bestaand gebruik dat opgenomen wordt in het beheerplan vergunningsvrij is. Het uitgangspunt is dat het bestaand gebruik zoveel mogelijk in het beheerplan wordt geregeld. Het beheerplan is het aangewezen instrument om doelen (instandhoudingsdoelstellingen), de beoordeling van gebruik en maatregelen in onderlinge samenhang te bezien.
Voorwaarde voor het meenemen van activiteiten in het beheerplan is dat ze zodanig concreet zijn en zijn uitgewerkt dat de activiteiten daadwerkelijk toetsbaar zijn aan de instandhoudingsdoelstellingen. Er mogen fluctuaties optreden als ze maar voorzien én getoetst zijn. 4.6.2
Situatie plangebied
Het plangebied Maarsseveense plassen ligt aansluitend aan en deels in het Natuurgebied Oostelijke vechtplassen. Gezien de voornamelijk conserverende aard van het bestemmingsplan, kan grotendeels worden aangenomen dat er geen significante negatieve effecten c.q. aantastingen van natuurlijke kenmerken van de Oostelijke Vechtplassen of andere Natura 2000-gebieden zullen optreden. In deze paragraaf wordt wel nader ingaan op de volgende aspecten in het bestemmingsplan: 1. Het houden van evenementen aan de Grote Maarsseveense Plas waarbij maximaal 12 dagen per jaar de geluidsnormen mogen worden overschreden. 2. Gebruik van het strandbad. 3. Stikstofdepositie agrarische bedrijven en woongebieden voormalige chaletparken
Pagina 73 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen(groen gearceerd) ten opzichte van plangebied Ecologische hoofdstructuur / Nationaal Natuurnetwerk (NNN) Aan de noordzijde van het plangebied ligt een natuurgebied dat behoort tot het voormalig EHS gebied. De begrenzing hiervan is bijna gelijk aan de begrenzing van het Natura 2000-gebied dat nu onder de NNN valt. Het plan levert geen belemmeringen op voor de instandhoudingsdoelstellingen van het natuurgebied.
Voormalig ecologische hoofdstructuur (groen gearceerd) ten opzichte van plangebied 4.6.3. Evenementen aan de Grote Maarsseveense Plas waarbij maximaal 12 dagen per jaar de geluidsnormen mogen worden overschreden. Binnen het recreatiegebied Maarsseveense Plassen is het mogelijk evenementen te houden waarbij maximaal 12 dagen per jaar de geluidsnormen mogen worden overschreden. De plekken waar de evenementen mogen plaatsvinden zijn aangeduid op de verbeelding. Op het evenemententerrein vinden met regelmaat terugkerende evenementen en incidentele festiviteiten plaats waar een melding voor moet worden gedaan of een evenementenvergunning voor moet worden verleend. Pagina 74 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
In 2007 hebben Emond & Poot (zie bijlage 1), op basis van de in 2006 vergunde evenementen voor de Grote Maarsseveense Plas, de eventuele effecten van deze evenementen in het kader van de Natuurbeschermingswet en de Flora- & faunawet in beeld gebracht en beoordeeld. Dat was dus ruim voor de ijkdatum voor bestaand gebruik van 31 maart 2010. Deze beoordeling is gedaan op basis van 11 vergunde evenementen in 2006 en de toenmalige beleidsnota. Daarin wordt genoemd dat jaarlijks maximaal 12 dagen per jaar evenementen mogen plaatsvinden met meer dan gangbare geluidsbelasting, waaronder drie grootschalige evenementen. Dat is hetzelfde als de regeling die is opgenomen in dit bestemmingsplan. Bureau Waardenburg heeft voor de onderbouwing van dit bestemmingsplan onderzocht of het onderzoek van 2007 nog geldig kan worden geacht en heeft dit onderzoek op een aantal punten aangevuld (zie bijlage 2 Bureau Waardenburg, oplegnotitie ‘Effectbeoordeling evenementen Maarsseveense Plas’, d.d. 25 juni 2015). De conclusies van Emond & Poot (2007) worden nogmaals bevestigd door Bureau Waardenburg. Soortenbescherming Ten aanzien van het evenemententerrein wordt in het ecologisch onderzoek geschreven dat dieren kunnen reageren op de aanwezigheid of activiteit van mensen of op geluid bijvoorbeeld door zich te verwijderen van de verstoringsbron.
Een bijzonder aandachtspunt in de beoordeling betreft de soortgroep vogels. In het broedseizoen bestaat er een risico op verstoring. Allereerst is het van belang om vast te stellen of er vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn in het gedeelte van het plangebied waar de wijziging betrekking op heeft, de noordwestzijde van de recreatieplas. Vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde soorten zijn beschermd op basis van de Wet Natuurbescherming. Aandachtspunt is de eventuele aanwezigheid van nesten van vogels tijdens de broedperiode. Er zijn in het gebied slechts beperkt mogelijkheden voor het voorkomen van vaste rust- of verblijfplaatsen doordat er nauwelijks bebouwing aanwezig is, in het water is niet of nauwelijks oeverbegroeiing of ondergedoken watervegetatie aanwezig, bomen staan slechts aan de rand van het terrein, en onderbegroeiing in de vorm van struiken, ruigtes of een kruidlaag is niet aanwezig. Volgens cijfers van het recreatieschap trekt het terrein 408.000 unieke bezoeken op jaarbasis (2012), wat een enorme recreatiedruk betekent met een zeer hoge mate van betreding en verstoring. De kans dat zich in het gebied (beschermde) soorten vestigen is nihil.
De bomen aan de rand van het terrein bieden in theorie mogelijkheden voor broedvogels, maar door de grote mate van verstoring en de beschikbaarheid van (rustiger) broedmogelijkheden in de omgeving zorgen ervoor dat de verwachting van broedvogels zeer gering is. Voor verstoringsgevoelige soorten is de verwachting nihil. Ook Emond & Poot (2007) sluiten effecten van evenementen op broedvogels uit, omdat de verschillen tussen verstoring door de intensieve gangbare recreatie in het gebied en die door de evenementen gering zijn. In de directe en ruime omgeving van het evenemententerrein zijn veel alternatieve potentiële broedplekken voor vogels aanwezig. Soorten die voorkomen binnen en in de directe omgeving van het terrein waar festivals worden gehouden zijn vanwege de huidige intensieve recreatie beperkt tot weinig verstoringsgevoelige soorten. Verstoringsgevoeliger soorten zullen vanwege de reeds intensieve recreatie niet in of op korte afstand van het evenemententerrein broeden. Deze situatie is niet veranderd ten opzichte van 2007. Bureau Waardenburg bevestigd deze conclusie. Dieren, inclusief broedvogels zullen in de directe omgeving van het evenemententerrein niet veel aanwezig zijn, waarbij de meer verstoringsgevoelige soorten zich op grotere afstand van het terrein zullen vestigen.
Uit onderzoek naar verstoring van broedvogels bij evenementen blijkt dat broedvogels enige hinder kunnen ondervinden van het evenement. Dergelijke nadelige situaties kunnen echter ook ontstaan door perioden met zware regenval of harde wind, of wanneer weinig voedsel beschikbaar is. Zover was na te gaan hebben de onderzochte evenementen niet aantoonbaar geleid tot effecten in de vorm van bijvoorbeeld sterfte van jongen of verlies van broedsels. Vergelijkbare conclusies zijn getrokken in diverse onderzoeken. Conclusie Voor wat betreft de Wet Natuurbescherming is de conclusie dat de evenementen. Bestaand gebruik wordt meegenomen in het Beheerplan waarin de Instandhoudingsdoelstellingen, de beoordeling van gebruik en maatregelen in onderlinge samenhang worden bezien. Bovendien zijn geen wezenlijke negatieve effecten van de evenementen op de instandhoudingsdoelstellingen van de Oostelijke
Pagina 75 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
Vechtplassen voorzien. In de regels ten aanzien van de evenementen is wel opgenomen dat in geval van een ontheffing van de geluidnormen (12 dagen regeling) een toets plaatsvindt door een deskundige op het gebied van flora en fauna en mitigerende maatregelen moeten worden getroffen als de deskundige dit noodzakelijk acht. Gebiedsbescherming vormt geen belemmering in het kader van het bestemmingsplan. Voor wat betreft soortenbescherming is op basis van het onderzoek van Emond en Poot en van Bureau Waardenburg de conclusie getrokken dat er geen sprake is belemmeringen vanwege de beschermde soorten, omdat er geen beschermde soorten in het relevante gedeelte van het plangebied verwacht worden en de evenementen en de geringe uitbreiding van overige activiteiten vanuit ecologisch oogpunt niet tot wezenlijke verstoring leiden. 4.6.4 Gebruik strandbad Er is naast de evenementen en incidentele festiviteiten gekeken naar andere activiteiten die van invloed zouden kunnen hebben op het Natura2000 gebied. Het strandbad en strand worden al intensief gebruikt in de huidige situatie en de verstoring blijft geconcentreerd op één plek. Daardoor zijn ter plaatse geen mogelijkheden voor een goede ontwikkeling van waterleven, maar blijft deze steken in een pioniersfase door de constante verstoring tijdens het zomerhalfjaar.
Wezenlijke veranderingen in de mate van verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook niet als een speelparcours van luchtkussens in het strandbad wordt gelegd in de zomermaanden. Wezenlijke effecten van eventuele intensivering van het gebruik van het strandbad zijn ook uitgesloten. Ter plaatse van de gebouwen boven het water wordt het water minder geschikt voor waterleven, omdat het wordt afgedekt van de zon. Het gaat echter slechts om een klein deel van de oeverrand van de Grote Maarsseveense Plas. Wezenlijke effecten zijn uitgesloten. Wel is het belangrijk dat hemelwater niet vrij wordt afgevoerd de plas in, om te voorkomen dat de waterhuishouding verstoord raakt. Als hieraan wordt voldaan dan zijn wezenlijke veranderingen in de waterkwaliteit uitgesloten. 4.6.5 Stikstofdepositie bedrijven Het plangebied is direct naast het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen gelegen. In dit gebied zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor stikstof, en die daarom bescherming genieten onder de Wet natuurbescherming. Voor het gebied is een beheerplan opgesteld om de kwetsbare natuur te behouden. In dit beheerplan wordt uitgegaan van een zekere mate van stikstofdepositie, waarvoor de ijkdatum van 31 maart 2010 is gekozen voor het zogenaamde ‘bestaand gebruik’.
In de Wet natuurbescherming wordt gesproken over ‘andere handelingen die op de referentiedatum bekend waren’ (artikel 2.9, lid 2 van de Wnb). Nieuwe activiteiten na deze ijkdatum zijn mogelijk vergunningplichtig onder de Wet natuurbescherming. Of een vergunning kan worden verkregen is afhankelijk van de mate van stikstofdepositie die wordt veroorzaakt. Agrarische bedrijven Voor dit bestemmingsplan geldt dat het plan geen ontwikkelingen mogelijk mag maken die leiden tot een significante toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden. Daarom is op het niveau van het plangebied een analyse gemaakt van de aanwezige agrarische bedrijven en is de ontwikkeling binnen deze sector geanalyseerd. De belangrijkste trend die naar voren komt binnen Stichtse Vecht is dat veel agrarische bedrijven stoppen omdat ze geen opvolgers hebben of de bedrijfsvoering niet langer rendabel is. Bepaalde agrarische bedrijfstakken vragen om schaalvergroting en daar is binnen het gevoelige landelijke gebied geen ruimte voor. Bedrijven kiezen dan voor stoppen of uitplaatsing. De voormalige agrarische bedrijven veranderen naar burgerwoningen. Door onder andere gebruik te maken van de provinciale ruimte-voor-ruimte-regeling die in de regels van het bestemmingsplan is opgenomen.
Er is dus zichtbaar sprake van een afname van het aantal agrarische bedrijven binnen de gemeente en het plangebied (CBS: gemeente Stichtse Vecht, in 2014 – 218 actieve bedrijven; in 2016 – 171 actieve bedrijven). In dit plangebied hebben een aantal agrarische bedrijven een woonbestemming gekregen. Daarnaast wordt geconstateerd dat terwijl het aantal bedrijven afneemt, het aantal koeien per bedrijf groeit. Dit sluit aan op de landelijke ontwikkeling, namelijk kleinere bedrijven stoppen en bij de
Pagina 76 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
overblijvers is sprake van schaalvergroting. Om het landschap en de cultuurhistorische waarden van het landschap in stand te kunnen houden zijn de agrariërs noodzakelijk. Daarom wordt gezocht naar mogelijkheden voor verbreding van de bedrijfsvoering (bijv. met allerlei recreatieve activiteiten of verkoop van streekproducten) voor bedrijven die (een deel van) de veestapel afstoten, en het ruimtelijk faciliteren van bedrijven die de agrarische activiteiten voortzetten. Om te garanderen dat de natuurwaarden niet in het geding komen door een significante toename van stikstofdepositie, is in de planregels opgenomen dat uitbreiding niet is toegestaan. Daarmee is geborgd dat er geen toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden kan optreden. De enige locatie waar sprake is van een vergroting van het bouwvlak is (boer Floor). Hier gaat het om een vergroting van de stal ten behoeve van het dierenwelzijn, de veestapel wordt niet vergroot. De ontwikkeling is reeds vergund in het kader van de Wet natuurbescherming. Er zijn hierdoor geen nadelige effecten voor het Natura 2000-gebied.
Pagina 77 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
4.7
Waterhuishouding
4.7.1 Algemeen Het waterbeheer in het plangebied berust bij het hoogheemraadschap “Amstel, Gooi en Vecht” (AGV), waarvan Waternet de uitvoerende taken verzorgt. In december 2014 is het watergebiedsplan Noorderpark vastgesteld. Met een watergebiedsplan realiseert het waterschap doelstellingen als het voldoen aan de normen voor drooglegging, water aan- en afvoer en wateroverlast. Na de uitvoering van het watergebiedsplan is de waterhuishouding van deze polders voor een periode van minimaal 10 jaar op orde. De belangrijkste aanleidingen voor het (nu) opstellen van dit watergebiedsplan zijn: 1. De peilbesluiten van de polders zijn nu of binnen enkele jaren meer dan tien jaar oud. Volgens de wet moet een peilbesluit eens in de tien jaar worden herzien; 2. Een deel van het plangebied is nog niet getoetst aan de normen voor wateroverlast uit het Nationaal Bestuursakkoord Water; 3. Met het watergebiedsplan wil het waterschap bereiken dat het watersysteem, na oplevering van benodigde werken, de komende tien jaar goed afgestemd en ingericht is op de huidige functies en het gebruik. Dat betekent dat knelpunten in de waterhuishouding worden opgelost. En dat er actuele peilbesluiten zijn voor alle ingelegen polders.
Plangebied watergebiedsplan Noorderpark (bron Watergebiedsplan Noorderpark)
4.7.2 Watergebiedsplan Noorderpark Het doel van dit watergebiedsplan is het nemen van een peilbesluit voor de Noorderpark zodat het gebied weer beschikt over een actueel peilbesluit waarmee de functies in het gebied zo goed mogelijk worden gefaciliteerd. Daarnaast is het watergebiedsplan een uitwerking van het provinciale “inrichtingsplan op hoofdlijnen” voor de Natura 2000-gebieden. Waterhuishoudkundig valt het bestemmingsplangebied binnen het afwateringsgebied MaarsseveenWestbroek.
Pagina 78 Toelichting, Bestemmingsplan 2e herziening Maarsseveense Plassen e.o., Stichtse Vecht
De afvoer van overtollig water uit de Agrarische gebieden in Maarsseveen-Westbroek. (bron watergebiedspla Noorderpark)
Binnen deze indeling zijn in relatie tot het bestemmingsplan de volgende deelgebieden te onderscheiden: 1. de polder Binnenweg; 2. de Grote Plas; 3. de Kleine Plas; 4. zoddengebied van de polder Maarsseveen (ten zuiden van de Oude Dijk); 5. de Molenpolder. Het plangebied wordt enerzijds gekenmerkt door een aanzienlijk oppervlakte open water en anderzijds door het karakteristieke veenweidegebied met zijn langgerekte slagenlandschap en de zodden. Uit de geologische (opbouw en processen in de aardkorst) en geomorfogenetische (onderzoek van het aardoppervlak) kaart van Nederland blijkt dat de bodem ter plaatse van het plangebied deel uitmaakt van de voet van een stuwwal (Utrechtse Heuvelrug) waarop zich destijds dekzanden hebben afgezet. Globaal kan gesteld worden dat de bodem bestaat uit een grof zandpakket als uitwaaiering van de puinkegels aan de rand van de stuwwal. Daarop ligt een fijn en in dikte naar het westen toenemend dekzandpakket waarin zich ooit de loop van de rivier de Vecht heeft gevormd. In dit gebied met een relatief sterk hoogteverloop heeft in het verleden, onder andere door invloed van kwelwater, vervening plaatsgevonden. De krachtige kwel werd veroorzaakt door een aanvankelijk sterke grondwaterstroming van de heuvelrug, het snelle verval en het ontbreken van een scheidende laag (eerste watervoerende pakket).
De oorspronkelijke veenontginning gebeurde met het oog op het gebruik als landbouwgrond en bestond voornamelijk uit het aanbrengen van afwateringssloten. Met de industrialisatie (19e eeuw) en de opkomst van de grote steden ontstond een grote behoefte aan brandstof, waardoor in delen van het gebied turf is gewonnen. Voor de stadsuitbreiding van Utrecht en de aanleg van wegen is in het gebied zand gewonnen hetgeen eind jaren 60 van de vorige eeuw heeft geresulteerd in de aanleg van de Maarsseveense Plassen. De stedelijke invloed zich de afgelopen decennia verder voornamelijk doen gelden in de vorm van wonen en recreatief gebruik. Daarnaast hebben natuurwaarden een belangrijke rol gekregen (Natura2000 gebied).