CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting BP Scheendijk 2 en 3.pdf

Raad 19 november 2024, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 8: Vaststellen Bestemmingsplan Scheendijk 2&315.220 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Dit kan worden gedaan door het uitvoeren van een inspectie, conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2023). Hierbij worden nesten waargenomen door middel van de dakpannen te lichten en/of ruimte te inspecteren met een endoscoop. Dit kan worden toegepast in de periode 15 september tot 1 maart. • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan door een stikstofonderzoek uit te voeren middels de AERIUS Calculator. • Voor de beoogde ingreep dient inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van negatieve effecten op het aangelegen Natura 2000-gebied. Dit kan worden bepaald door middel van een Voortoets.

Pagina 27 Bestemmingsplan Scheendijk 2 en 3 Breukelen

Op basis van bovenstaande conclusies is een nader huismussen onderzoek noodzakelijk. Het nader huismussen onderzoek is vervolgens uitgevoerd, zie bijlage 4. De conclusie van dit onderzoek luidt: ‘Tijdens de technische inspectie op 18 september 2023 aan de Scheendijk 2 en 3 te Breukelen zijn geen (oude) nestlocaties van huismussen aangetroffen in de slopen garage en veestal. De beoogde sloop leidt derhalve ten aanzien van huismus niet tot overtreding van verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Procedurele of juridisch noodzakelijke vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.’ Op basis van bovenstaande conclusies is tevens een voortoets uitgevoerd, zie bijlage 8. De conclusie van dit onderzoek luidt: ‘Uit de quickscan Wet natuurbescherming en de Ecologische Voortoets blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn betreffende de instandhoudingsdoelen van het nabij gelegen Natura 2000gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’ ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Ten aanzien van aanwezige flora en fauna wordt, in het kader van de Algemene zorgplicht, geadviseerd mitigerende maatregelen te treffen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt, mits enkele mitigerende maatregelen worden getroffen, niet tot de aantasting van het Natura 2000-gebied en zijn instandhoudingsdoelen.

In de aanlegfase treden mogelijk tijdelijke niet-significant effecten op welke worden ondervangen door maatregelen te treffen of buiten de kwetsbare periodes van specifieke fauna te werken. Mitigerende maatregelen: • Mogelijk verstorende werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief 15 maart – 15 juli), E.e.a. op aanwijzing van deskundige, of het uitvoeren van een broedvogelinspectie. Indien de inspectie wijst dat er geen broedvogels aanwezig zijn binnen de verstoringszone kunnen de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaatsvinden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten. Mocht dit desondanks toch een vereiste zijn, dient hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel, branduren minimaliseren). Om verdere effecten op vleermuizen te voorkomen de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Gezien bovenstaande conclusies vormen de onderdelen soorten- en gebiedsbescherming geen belemmering voor voorliggend plan. Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Op 15 juni 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld.

Het PAS bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Een gedeelte van de toekomstige afname van stikstofdepositie kan vervolgens worden opgevuld door economische activiteiten die leiden tot een toename van stikstofdepositie. In de praktijk blijkt echter de afname van stikstofdepositie door de maatregelen niet gegarandeerd te kunnen worden. Daarom heeft op 29 mei 2019 de Raad van State een uitspraak gedaan. Hierin oordeelt de Raad dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Het uitgangspunt is sindsdien nog steeds dat voor nieuwe initiatieven aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden door stikstofemissies en -deposities ontstaan door het initiatief. Het instrument waarmee de stikstof berekend kan worden is de AERIUS Calculator.

Pagina 28 Bestemmingsplan Scheendijk 2 en 3 Breukelen

Planspecifiek De planlocaties maken geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Wel zijn de locaties op zeer korte afstand van het Natura 2000-gebied de Oostelijke Vechtplassen gelegen. Er is een Aeriusberekening uitgevoerd voor de sloop/bouw en de gebruiksfase. De berekening is opgenomen in bijlage 5. De conclusie uit de berekening luidt: ‘De berekening is gedaan op 12 augustus 2024 met de actuele Aeriuscalculator (versie 2023.2.1) Het effect vanuit de aanleg- en gebruiksfase op Natura 2000-gebieden is 0,00 mol N/ha/j. Er kan worden geconcludeerd dat er wordt voldaan aan de norm. In de bijlagen is het pdf-bestand opgenomen van de berekening van de gebruiksfase. Het bevoegd gezag kan via de gml-bestanden alle fases controleren. Deze gml-bestanden voor de aanleg- en gebruiksfase zijn als separate bijlage aan deze Aeriusberekening toegevoegd.’ Op basis van bovenstaande conclusie vormt het aspect ‘Stikstofdepositie’ geen belemmering voor het planvoornemen.

4.5

Bodem

Het is wettelijk geregeld (Wbb en bouwverordening) dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Planspecifiek Voor beide locaties is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om aan te tonen dat het gebruik van de gronden ten behoeve van wonen mogelijk is. Het verkennend bodemonderzoek voor Scheendijk 2 is opgenomen in bijlage 6. De conclusie uit het onderzoek luidt: ‘Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk verdacht voor bodemverontreiniging met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB), zware metalen en PAK.

Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: • De zintuiglijk onverdachte kleiige bovengrond op de locatie (0 – 0,5 m-mv, MM01 t/m MM04) is niet verontreinigd met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) en licht verontreinigd met lood en PAK(MM04); • De zintuiglijk onverdachte kleiige ondergrond op de locatie (0,5 – 1,0 m-mv) is licht verontreinigd metnikkel en lood; • In het grondwater op de onderzoekslocatie (peilbuis 105) is een licht verhoogde concentratie bariumaangetoond; deze wordt beschouwd als een natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie. De voor de onderzoekslocatie gestelde hypothese ‘verdacht voor verontreiniging met bestrijdingsmiddelen (OCB)’ dient verworpen te worden, vanwege de niet aangetoonde gehalten aan OCB in de grond. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek voor de algemene bodemkwaliteit is de hypothese ‘verdacht voor verontreiniging’ bevestigd, vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten plaatselijk in de grond. De aangetoonde gehalten in de grond zijn zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen onzes inziens niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt wordt het terrein geschikt geacht voor de huidige en de toekomstige bestemming.’ Pagina 29 Bestemmingsplan Scheendijk 2 en 3 Breukelen

Gezien bovenstaande conclusies vormt het aspect bodem geen belemmering voor de bouw van een nieuwe woning ter plaatse van de Scheendijk 2. Voor Scheendijk 3 is ook een bodemonderzoek opgesteld, zie bijlage 7. De conclusie van dit onderzoek luidt: ‘De aanleiding voor het bodemonderzoek is de voorgenomen bestemmingswijziging. Het doel is het vaststellen van de huidige bodemkwaliteit en of deze bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het huidige en toekomstige gebruik. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk verdacht voor bodemverontreiniging met zware metalen, PAK en asbest. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: • In de puin-/repacverharding en de puinhoudende grond is bij het uitgevoerde asbestonderzoek zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen. • In de mengmonsters van de puinhoudende bovengrond op de locatie (0 – 0,5 m-mv, MM01 en MM02) zijn overwegend lichte verontreinigingen met zware metalen aangetoond. In MM01 is tevens sprake van een matige verontreiniging met lood en lichte verontreinigingen met minerale olie en PAK; • In de boven- en ondergrond zonder bijmengingen (MM03 en MM04) is sprake van lichte verontreinigingen met zware metalen.

• In het grondwater op de onderzoekslocatie (peilbuis 109) zijn licht verhoogde concentraties aan barium en zink aangetoond; deze worden beschouwd als natuurlijk verhoogde achtergrondconcentraties. Uit het uitgevoerde aanvullend onderzoek blijkt dat ter plaatse van de boringen 204 en 206 sprake is van sterke verontreinigingen met lood in de puinhoudende zandige bovengrond en de zintuiglijke onverdachte kleiige ondergrond. Het onderliggende veen is matig verontreinigd met lood. Bij de boringen rondom zijn matige (boringen 101, 201, 202 en 205) respectievelijk lichte (boringen 102 en 203) verontreinigingen met lood vastgesteld. De voor de onderzoekslocatie gestelde hypothese ‘verdacht voor verontreiniging met zware metalen en PAK’ is bevestigd wegens de aangetoonde verontreinigingen in de grond. De hypothese `verdacht voor een verontreiniging met asbest’ dient verworpen te worden, omdat bij het uitgevoerde onderzoek zowel visueel als analytisch geen asbest is aangetroffen. De omvang van de sterke verontreiniging met lood in de grond is niet volledig bepaald, echter kan op basis van de resultaten van het aanvullend onderzoek reeds geconcludeerd worden dat de sterke verontreiniging met lood voorkomt over een oppervlakte van circa 50 m² en een gemiddelde dikte van ten minste 0,7 meter.

Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat sprake is van meer dan 25 m³ sterk verontreinigde grond en daarmee van een zogenaamd “geval van ernstige bodemverontreiniging” en daarmee van een saneringsnoodzaak in de zin van de Wet bodembescherming. Omdat op het terreindeel waar de matig tot sterke verontreinigingen zich bevinden (ter plaatse van het pad en voor de bestaande woning) geen wijzigingen in het gebruik of graafwerkzaamheden zijn gepland is er naar onze mening op dit moment geen aanleiding om direct over te gaan tot uitvoering van sanerende maatregelen. Wel dient er rekening mee gehouden te worden dat dit voor de toekomstig wel noodzakelijk is, zodra herinrichting of graafwerkzaamheden ter plaatse uitgevoerd moeten gaan worden. Opgemerkt wordt dat de beslissing hierover bij het bevoegd gezag ligt. Pagina 30 Bestemmingsplan Scheendijk 2 en 3 Breukelen

De Wet bodembescherming maakt onderscheid tussen historische gevallen van verontreiniging die vóór 1 januari 1987 ontstaan zijn en nieuwe gevallen van verontreiniging die ná 1 januari 1987 ontstaan zijn. Bij historische gevallen van verontreiniging mag bij de sanering rekening gehouden worden met de functie die de bodem ter plaatse heeft (functiegericht saneren). Voor nieuwe gevallen van verontreiniging geldt de saneringsregeling Wet bodembescherming niet; voor deze gevallen is het zorgplichtartikel 13 Wbb van toepassing. Dit houdt in dat voor álle bodemverontreiniging die is ontstaan na 1 januari 1987, geldt dat maatregelen moeten worden getroffen om de verontreiniging en de gevolgen van de verontreiniging ongedaan te maken. De zorgplicht is van toepassing op alle bodemverontreiniging; reeds een lichte verontreiniging kan reden zijn tot het treffen van maatregelen. Vooralsnog wordt er vanuit gegaan dat de aangetoonde verontreiniging een historisch geval van verontreiniging betreft. Gezien bovenstaande conclusie zijn initiatiefnemer voor het plan (eigenaar van Scheendijk 2) en natuurmonumenten (eigenaar van Scheendijk 3) overeengekomen dat Natuurmonumenten de gronden ter plaatse van Scheendijk 3 zal saneren. Natuurmonumenten is hierover reeds in overleg met de Omgevingsdienst.

Het plan van aanpak voor de sanering is aangeleverd en zal op basis van advies van de omgevingsdienst aangepast worden. Om in dit bestemmingsplan te borgen dat de sanering uitgevoerd zal worden is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. In art 6.4.2. is opgenomen dat de gronden voor scheendijk 2 en 3 niet in gebruik genomen mogen worden ten behoeve van de woonfunctie wanneer de sanering ter plaatste van Scheendijk 3 niet binnen een aangegeven termijn na vaststelling van het bestemmingsplan is uitgevoerd. Hiermee wordt de geschiktheid van de bodem voor de beoogde functie afdoende geborgd.

4.6

Luchtkwaliteit

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 1: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet luchtkwaliteit.

Toetsing van Stof Stikstofdioxide (NO2)

Grenswaarde

jaargemiddelde concentratie 40 µg / m³ Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar 200 µg / m³ worden overschreden) Fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg / m³ 24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 keer 50 µg / m³ per jaar worden overschreden) Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg / m³

Advieswaarde (WHO) 10 µg / m³

15 µg / m³

5 µg / m³

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM (Niet in Betekenende Mate) en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan het geval zijn wanneer een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10.

Pagina 31 Bestemmingsplan Scheendijk 2 en 3 Breukelen

Planspecifiek Een plan voldoet in de regel aan het NIBM-criterium als het minder dan 1.500 woningen betreft dan wel als er sprake is van een BVO van maximaal 100.000 m 2. Voorliggend plan blijft ruim onder het criterium. Nader onderzoek in het kader van luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk. Voorts is de huidige situatie ten aanzien van de luchtkwaliteit in beeld gebracht. Hiervoor is het Geoportaal van de ODRU geraadpleegd. Tabel 2: NSL-waardes NO2, PM2,5 en PM10 voor de jaren 2018 en 2030 ter plaatse van het plangebied. Toetsing van Grenswaarde Advieswaarde Waarde 2018 Waarde 2030 Stof (WHO) Stikstofdioxide (NO2) Jaargem. 40 µg / m³ 10 µg / m³ 16 - 18 µg / m³ 10 -12 µg / m³ concentratie Fijn stof (PM10) Jaargem. 40 µg / m³ 15 µg / m³ 19 -20 µg / m³ 16 -17 µg / m³ concentratie Fijn stof (PM2,5) Jaargem. 25 µg / m³ 5 µg / m³ 10,5 -12 µg / m³ 9,5 – 10 µg / m³ concentratie De concentraties stikstofdioxide en fijn stof blijven onder de wettelijk vereiste gemiddelde concentraties. De WHO en GGD hanteren advieswaarden voor stikstofdioxide (NO2) van 10 microgram per kuub, fijn stof (PM10) van 15 microgram per kuub en 5 microgram per kuub voor PM2,5 wat lager ligt dan de wettelijke grenswaarden. De advieswaarden worden voor NO2 en PM2,5 (net) niet benaderd. De blootstelling aan luchtverontreiniging is echter beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.

Voorliggend plan is getoetst aan het wettelijk vereiste. In de komende jaren wordt verwacht dat de luchtkwaliteit verbeterd, waardoor de wettelijke grenswaarden ook niet worden overschreden. Gelet op het bovenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen beletsel voor dit plan.

4.7

Externe veiligheid

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: • risicovolle (Bevi-)inrichtingen; • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en kampeerterreinen.

De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.

Pagina 32 Bestemmingsplan Scheendijk 2 en 3 Breukelen

Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10 -6 als grenswaarde. Het bouwen van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het bouwen van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkt kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Als een goede onderbouwing wordt gegeven dan kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Het Bevi stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is dit moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico hoe zwaarder de verantwoording is. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor (de omgeving van) de risicovolste bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting.

Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag over de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Het toetsingskader voor het onderdeel transportroutes gevaarlijke stoffen is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is op 1 april 2015 in werking getreden. Bepaald moet worden of binnen de invloedssfeer van deze transportassen gevoelige functies mogelijk zijn. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR).

Een onderdeel van het Bevt houdt in dat voor sommige transportassen rekening moet worden gehouden met het Plasbrandaandachtsgebied (PAG.). Het PAG. is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening moet worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risico verhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Het Bevb vervangt hiermee de circulaires Zonering langs hogedruk aardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991).

Pagina 33 Bestemmingsplan Scheendijk 2 en 3 Breukelen

Planspecifiek Om te beoordelen of er externe veiligheidsrisico’s aanwezig zijn voor het plan, is de risicokaart van de Atlas leefomgeving geraadpleegd.

Figuur 8: Risicokaart Atlas leefomgeving, plangebieden aangeduid met rood kader. Uit de risicokaart blijkt dat er geen relevante risicobronnen aanwezig zijn in de omgeving van het plangebied. De plangebieden liggen niet binnen een plaatsgebonden risicocontour of onderzoekszone. Wel is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van stoffen uit de stofcategorie D4 en LT3. Over het spoor worden stoffen uit de stofcategorie D4 vervoerd. Over de A2 worden stoffen uit de stofcategorie LT3 vervoerd. Dit betreffen beide toxische stoffen. Navolgend wordt ingegaan op het toxisch scenario en bijbehorend handelingsperspectief. Toxisch scenario Toxische vloeistoffen en gassen kunnen vrijkomen als de tank met toxische stoffen het begeeft als gevolg van bijvoorbeeld een incident. Hierbij komen de toxische stoffen vrij in de vorm van een plas of een wolk. Een toxische plas zal vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Afhankelijk van de weersomstandigheden en de windrichting kan de toxische wolk het plangebied indrijven. Bestrijdbaarheid Bij een ongeval met toxisch gas of vloeistof kan de brandweer optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen of op te nemen met water. Dit is wel afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario.

De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxisch scenario niet relevant. Zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Het advies bij het

Pagina 34 Bestemmingsplan Scheendijk 2 en 3 Breukelen

vrijkomen van een toxische wolk is om te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Indien het plangebied alsnog moet worden ontruimd, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Het plangebied biedt hier voldoende ruimte voor. Beoordeling Veiligheidsregio Utrecht Het voorliggende plan is voorgelegd aan de veiligheidsregio Utrecht. Op 14 juni 2024 heeft zij de gemeente geantwoord dat alle relevante zaken ten aanzien van externe veiligheid zijn meegenomen in het ontwerpbestemmingsplan. In de toelichting op het bestemmingsplan is de externe veiligheid correct omschreven. De veiligheidsregio ziet dan ook geen aanleiding om nader te adviseren inzake de externe veiligheid. Geconcludeerd kan worden dat ‘Externe veiligheid’ geen belemmering vormt voor voorliggend plan.

4.8

Archeologie en cultuurhistorie

In de Erfgoedwet, vastgesteld op 1 juli 2016, zijn de regels voor de archeologische monumentenzorg opgenomen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen door een gecertificeerd bureau archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. In de beleidsregels zijn vrijstellingsgrenzen opgenomen voor de oppervlakte en diepte van de voorgenomen ingreep. Als een plangebied groter is dan de gestelde oppervlakteondergrens en de ingreep dieper gaat dan de diepte-ondergrens dient archeologisch onderzoek volgens de Archeologische MonumentenZorg-Cyclus (AMZ-cyclus) te worden uitgevoerd. Planspecifiek Scheendijk 2 De planlocatie valt binnen de Waarde – Archeologie – 5. Volgens de geldende bouwregels voor deze bestemming vereist een archeologisch onderzoek wanneer een bodemingreep plaatsvindt met een oppervlakte van meer dan 100.000 m², of wanneer er graafwerkzaamheden plaatsvinden dieper dan 30 cm in de grond. Gezien de grond al verstoord is door de aanwezigheid van een recreatiewoning in de huidige situatie, zullen de nieuwe werkzaamheden niet dieper in de grond reiken dan voor deze woning is gedaan.

Scheendijk 3 Voor de Scheendijk 3 is ook sprake van de Waarde – Archeologie – 5. Het gaat op de Scheendijk 3 enkel om verwijdering van bestaande agrarische schuren, het verwijderen van een kuilvoerplaten en stelcomplaten. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Cultuurhistorie De zuidelijkste van de twee hooibergen, achter de schapenschuur, betreft een cultuurhistorisch waardevolle hooiberg. Deze hooiberg zal dan ook blijven bestaan. Tevens betreft de boerderij aan de Scheendijk 3 een waardevol pand. Ook de boerderij zal in de huidige vorm blijven bestaan. Verder vindt er enkel sloop plaats van niet-karakteristieke opstallen. De sloop van deze opstallen zorgt ervoor dat de openheid van het landschap verder wordt versterkt. Gezien bovenstaande vormt het aspect ‘Archeologie en cultuurhistorie’ geen belemmering voor het planvoornemen. Pagina 35 Bestemmingsplan Scheendijk 2 en 3 Breukelen

4.9

Waterhuishouding

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hooggehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt over water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 geadviseerd over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 ste eeuw worden twee keuzes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: •

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer met de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, waterkwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het bij elkaar brengen van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door een watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische toepassing van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in een aparte watervergunning. Nationaal Waterplan 2022-2027 Het NWP (maart 2022) bevat de belangrijkste punten van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren. Onderdelen hiervan zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. Het NWP beschrijft de nationale beleidsen beheerdoelen over klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur, scheepvaart en de functies van de rijkswateren.

Vanwege Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo werken we al in de geest van de Omgevingswet. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstroming risicobeheersplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma-invulling aan de Europese richtlijnen voor water,

Pagina 36 Bestemmingsplan Scheendijk 2 en 3 Breukelen

Regionaal waterbeleid Het plangebied valt onder het werkingsgebied van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. Watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. De watertoets zorgt ervoor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én kwantiteit van water. De watertoets is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het watertoetsproces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap. Planspecifiek Scheendijk 2 De Scheendijk betreft een secundaire waterkering. De planlocatie valt binnen de beschermingszone van de waterkering. Binnen deze zone gelden de regels uit de Keur van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.

Aan het plaatsen van beschoeiingen en objecten kunnen dan ook voorwaarden worden gesteld en dient voldaan te worden aan de eisen in de Leidraad / PVE beheer. Voor de nieuwe woning zal advies worden ingewonnen bij het Waterschap ten aanzien van de ligging binnen de beschermingszone. Eveneens zal de huidige dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ in een nieuw plan worden overgenomen.

Figuur 10. Uitsnede Legger Scheendijk 2 (Bron: AGV).

Pagina 37 Bestemmingsplan Scheendijk 2 en 3 Breukelen

Scheendijk 3 De langhuis boerderij valt eveneens binnen de beschermingszone van de waterkering. Binnen deze planlocatie vinden echter geen fysieke wijzigingen plaats binnen de beschermingszone. Er is hierbinnen enkel sprake van een planologische wijziging. De dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ zal in een nieuw plan worden overgenomen.

Figuur 11. Uitsnede Legger Scheendijk 2 (Bron: AGV).

Verhard oppervlakte en waterberging Als gevolg van het planvoornemen zal het verhard oppervlak aanzienlijk afnemen. Dit heeft een positief effect op de waterhuishouding en infiltratiemogelijkheden. Er wordt eveneens geen oppervlakte water gedempt. Er wordt vooralsnog niet uitgegaan dat watercompenserende maatregelen noodzakelijk zijn. Hemelwater en vuilwaterafvoer Het hemelwater wordt geloosd op het omliggende maaiveld en op het oppervlaktewater, zoals in de bestaande toestand. Het vuilwater zal aangesloten worden op het bestaande riool van het perceel. Materialen Bij de nieuwe gebouwen zullen geen uitloogbare materialen worden toegepast. Gezien bovenstaande vormt het aspect ‘Water’ geen belemmering voor onderhavig plan.

4.10 Verkeer en parkeren Verkeer en parkeren is een wezenlijk onderdeel van een goede ruimtelijke ordening. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat een plan voorziet in voldoende parkeermogelijkheden. Hierbij geldt doorgaans dat de omgeving niet nadelig belast mag worden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Ten tweede dient beoordeeld te worden of de bestaande infrastructuur toereikend is voor de beoogde ontwikkeling en dat er als gevolg van de ontwikkeling geen verkeersonveilige situaties ontstaan. Pagina 38 Bestemmingsplan Scheendijk 2 en 3 Breukelen

Planspecifiek De gemeente Stichtse Vecht heeft in haar 'Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan Stichtse Vecht 2013, deel B: Nota Parkeernormen' (GVVP, vastgesteld door de raad op 25 februari 2014) vastgelegd welke parkeernormen gelden. Scheendijk 2 Het plangebied maakt onderdeel uit van de zone ‘buitengebied’ en valt in de categorie ‘niet stedelijk’. Hiervoor geldt voor een vrijstaande woning een parkeernorm van 2,5 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied bestaat voldoende ruimte om te voorzien in deze parkeernorm. De toename in verkeersgeneratie bedraagt op basis van het CROW 7,8 – 8,6 (= gem. 8,2) vervoersbewegingen per etmaal. Dit betreft een planologische toename omdat in de feitelijke situatie de recreatiewoning al als permanente woning wordt gebruikt. De omliggende verkeersstructuur wordt voldoende instaat geacht om deze beperkte toename in verkeersgeneratie ten behoeve van de nieuwe planontwikkeling te kunnen verwerken. Het aspect verkeer en parkeren vormt dan ook geen belemmering voor voorliggend plan. Scheendijk 3 De parkeerbehoefte bij de Scheendijk 3 neemt als gevolg van het plan niet toe. Immers wordt de bestaande bedrijfswoning (boerderij) omgezet naar een reguliere woning. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om het parkeren op te lossen. Tevens zal de verkeersgeneratie afnemen om dat de agrarische bedrijfsvoering wordt gestaakt.

Het aspect Verkeer en parkeren vormt dan geen belemmering voor het planvoornemen.

4.11 Energietransitie en duurzaamheid De energietransitie betekent de overgang van fossiele brandstoffen zoals gas, kernenergie en steenkolen naar volledig duurzame energie. Duurzame, groene energie kennen we nu al vanuit zon, wind, biomassa en water. Duurzaamheid en energietransitie zijn doorlopende processen; duidelijke afspraken zijn gemaakt in het Klimaatakkoord van 28 juni 2019 en het programma ‘Nederland Circulair in 2050’. Dit betekent onder andere dat in 2030 bijna de helft minder CO2-uitstoot moet worden behaald vergeleken met 1990. Met de plannen kan het kabinet een belangrijk startschot geven voor opschaling van de energietransitie. Regelgeving Per 1 juli 2018 is de wet Voortgang Energietransitie (wet VET) van kracht geworden. De wet schrijft voor dat het niet meer is toegestaan om nieuwbouw met aardgas te bouwen, maar niet als de gemeente beslist dat er zwaarwegende belangen zijn om hiervan af te wijken. Per 1 januari 2021 zijn BENG-eisen (Bijna Energieneutrale Gebouw) van kracht, met een ambitie naar volledig energieneutraal. Daarmee worden strengere eisen gesteld om zo het energieverbruik te verlagen. Met deze wijziging moeten vanaf 1 januari 2021 alle nieuw te bouwen gebouwen, zowel woningen als utiliteitsbouw, voldoen aan de BENG eisen. De eisen zijn onafhankelijk van de energiedrager; wel is een minimum aandeel hernieuwbare energie vereist.

Planspecifiek De nieuwe woning zal op een duurzame en natuurvriendelijke manier worden ontwikkeld. Conform de Wet VET zullen de woningen niet worden aangesloten op gas. Ze zullen voldoen aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en daarmee aan de MPG- (Milieuprestatie gebouw), en de BENGnormen (Bijna Energie Neutrale Gebouwen). Voor het plan wordt door middel van onderstaande middelen beoogd om de impact van de nieuwbouw zo beperkt mogelijk te houden. Pagina 39 Bestemmingsplan Scheendijk 2 en 3 Breukelen

1. 2. 3. 4. 5.

Beperk nieuw materiaalgebruik Maak gebruik van hergebruikt materiaal of met een recycled aandeel Kies voor biobased: natuurlijk materiaal zoals hout, bamboe, stro, vlas of schapenwol Gebruik materialen die goed recyclebaar zijn en/of een lange levensduur hebben Let op losmaakbaarheid: is materiaal na de levensduur van een gebouw makkelijk te demonteren voor hergebruik? Kortom, in welke mate is circulair bouwen mogelijk? 6. Bouw zo compact mogelijk: In voorliggend plan zal zo veel mogelijk gebruik gemaakt worden van herbruikbare materialen. Ook zal het bouwmaterieel zo veel mogelijk demonteerbaar toegepast worden. In het uitvoeringsprogramma over duurzaamheid van de gemeente Stichtse Vecht ‘Op weg naar nieuwe energie 2023-2026’ ligt de focus op de volgende hoofdthema’s: 1. Opwek 2. Besparen – Verduurzamen 3. Aardgasvrij 4. Eigen organisatie In voorliggend plan zullen voor zover mogelijk zonnepanelen en een daarop aangesloten warmtepomp toegepast worden. Er wordt sowieso gasloos gebouwd.

Pagina 40 Bestemmingsplan Scheendijk 2 en 3 Breukelen

5 Juridische planbeschrijving 5.1

Plansystematiek

Het bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van twee woning mogelijk. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht op het vigerende bestemmingsplan ‘Kievitsbuurten’. Tot slot is aangesloten bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Voor iedere bestemming is een toegesneden bebouwingsregeling opgenomen. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.

5.2

Opzet van de regels

Overeenkomstig de SVBP2012 zijn de regels van voorliggend bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Onderstaande beschrijving is een algemeen beschrijving van bestemmings- of wijzigingsplanregels. Omdat verwezen wordt naar het moederplan zijn de regels in dit plan zeer beknopt. Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Het tweede artikel betreft de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn regels gegeven voor de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals die zijn aangegeven op de verbeelding. Per bestemming zijn in de bestemmingsomschrijving de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. Daarnaast is per bestemming bepaald welke vormen van bebouwing zijn toegestaan.

In beginsel zijn hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken, waarbij dient te worden voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (met name de maximale goot- en/of bouwhoogte). De verschillende bestemmingen bevatten, indien nodig, specifieke gebruiksregels. Per bestemming is daarnaast bepaald in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen. Hoofdstuk 3 - Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels: • de anti-dubbeltelbepaling; • algemene bouwregels; • algemene aanduidingsregels; • algemene afwijkingsregels; • algemene wijzigingsregels; • overige regels.

Pagina 41 Bestemmingsplan Scheendijk 2 en 3 Breukelen

Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 van de regels bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat door het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.

5.3

De bestemmingen

In het plangebied zijn verschillende bestemmingen weergegeven. Hieronder wordt een nadere beschouwing gegeven van deze bestemmingen. Artikel 3 Agrarisch met waarden De gronden met de bestemming ' Agrarisch met waarden' zijn bestemd voor agrarisch gebruik. Dit is gelijk aan de huidige bestemming enkel het bouwvlak is verwijderd en qua gebruik is veeteelt toegestaan ten behoeve van natuurbeheer. Dit gebruik sluit aan bij de visie van natuurmonumenten dat het gebied ontwikkeld wordt als natuurgebied en reguliere veeteelt geweerd wordt uit het gebied. Door het vervallen van het bouwvlak wordt invulling gegeven aan de Ruimte voor Ruimte regeling om de bestaande agrarische bebouwing weg te bestemmen. De bouwregels voor bouwwerken zijn dus niet meer opgenomen in voorliggend plan omdat deze buiten het bouwvlak niet zijn toegestaan. Artikel 4 Tuin De gronden aan de Scheendijk 3 direct grenzend aan de openbare weg zijn bestemd als Tuin. Deze bestemming heeft als doel dat er aan de voorzijde van woningen geen bebouwing kan komen te staan wat het straatbeeld kan ontsieren. De gronden bij Scheendijk 2 in dit bestemmingsplan grenzen niet tot aan de openbare weg. Voor die voorliggende gronden geldt het bestemmingsplan Kievitsbuurten waarin de bestemming Tuin geldt.

Artikel 5 Water - Natuur- en Landschapswaarden De bestemming 'Water - Natuur- en Landschapswaarden ' is opgenomen voor de watergangen in het plangebied. De ligplaatsen die mogelijk waren op deze gronden zijn komen te vervallen als onderdeel van de kwaliteitsverbetering voor het plan. Artikel 6 Wonen De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd om de nieuw beoogde woningen planologisch mogelijk te maken. De regels voor ‘Wonen’ zijn gebaseerd op de regels van het vigerende bestemmingsplan ‘Kievitsbuurten’. Artikel 7 Waarde – Archeologie 5 Op de verbeelding van het bestemmingsplan zijn de gronden waar mogelijk archeologische waarden in de grond zitten aangeduid met archeologische waarde. Met deze dubbelbestemming blijven de eventueel aanwezige waarden in de ondergrond afdoende beschermd. Artikel 8 Waterstaat - Waterkering De gronden die grenzen aan de waterkering hebben de dubbelbestemming Waterstaat – Waterkering gekregen. In deze dubbelbestemming zijn regels opgenomen die het graven in deze gronden zonder toestemming van het waterschap verbiedt. De waterkerende functie wordt hierdoor geborgd.

Pagina 42 Bestemmingsplan Scheendijk 2 en 3 Breukelen

6 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 6.1

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van de Grondexploitatiewet dient een exploitatieplan te worden vastgesteld bij het vaststellen van het bestemmingsplan of ander ruimtelijk plan, tenzij de economische uitvoerbaarheid anderszins is gegarandeerd. De procedurekosten voor het plan worden met de gemeentelijke legeskosten op initiatiefnemer verhaald. Ook wordt een anterieure overeenkomst en of een planschadeovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer van het plan. Hiermee zijn kosten en risico’s verdeeld. Alle aanlegkosten worden door de initiatiefnemer betaald. Vanuit het plan vloeien geen overige kosten of risico’s voort die voor rekening van de gemeente zijn. De economische uitvoerbaarheid van het plan is daarmee verzekerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor onderhavig bestemmingsplan wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met het gestelde in de Wet ruimtelijke ordening. Wettelijk vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties worden in kennis gesteld en krijgen de mogelijkheid om te reageren. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende de ontwerpfase in het kader van art 3.8 Wro en volgens afdeling 3.4 van de Awb het ontwerpbestemmingsplan ‘Scheendijk 2 en 3’ met ingang van vrijdag 22 december 2023 tot en met donderdag 1 februari 2024 ter inzage gelegen. Een ieder is gedurende deze periode in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het plan in te dienen. De provincie heeft een zienswijze tegen het plan ingediend. Op verzoek van de provincie is de toelichting verduidelijkt op de onderwerpen Hollandse Waterlinie en is de archeologie dubbelbestemming geactualiseerd.

Tevens zijn nog opmerkingen van de Odru verwerkt aangaande, MER, duurzaamheid, Archeologie, Bedrijven en milieuzonering, bodem en ecologie. Dit heeft tot aanpassingen van de toelichting, planregels en verbeelding geleid. Wanneer het bestemmingsplan is vastgesteld, ligt het plan ten slotte ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van beroep en/of voorlopige voorziening bij de Raad van State. Na het doorlopen van d de fase van beroep en/of voorlopige voorziening wordt het plan onherroepelijk.

Pagina 43 Bestemmingsplan Scheendijk 2 en 3 Breukelen

7 Bijlagen 1. Ruimte voor ruimte berekening, Plannen-makers, 14 juli 2023 2. Inpassingsplan Scheendijk 3, Plannen-makers, 14 juli 2023 3. Quickscan Wet natuurbescherming Scheendijk 2 en 3, Blom ecologie, Project: 2023-0651, 15 augustus 2023, 2e revisie 14 maart 2024 4. Notitie technische inspectie huismus Scheendijk 2 en 3 te Breukelen, Blom ecologie, Project: 2023-0836, 5 oktober 2023 5. Aeriusberekening Scheendijk 2 te Breukelen, PM23019, Plannen-makers, 12 augustus 2024 6. Verkennend bodemonderzoek Scheendijk 2, Inventerra, Rapportnummer, 23-2088-R01ML, 25 juli 2023 7. Verkennend bodemonderzoek Scheendijk 3, Inventerra, Rapportnummer, 23-2089-R01ML, 12 september 2023 8. Voortoets, Blom ecologie, Project: 2024-0454, 18 april 2024

Pagina 44 Bestemmingsplan Scheendijk 2 en 3 Breukelen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2522/documents/56701