Toelichting Bijl. 7 - Nigtevechtseweg 108ws-120ws, Nigtevecht_V2.pdf
Tekst van het document
De gemeente wil meer toeristen via het water naar haar dorpen en voorzieningen trekken en de verblijfstijd van deze toeristen verlengen. De gemeente wil inzetten op passend kwaliteitstoerisme. Daardoor zullen de bestedingen van toeristen stijgen en neemt het draagvlak voor lokale voorzieningen toe.
b.
De gemeente wil het karakter van de Vecht beschermen en versterken door het duurzaam te gebruiken en beter te organiseren.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp c.
De gemeente wil meer initiatieven kunnen accommoderen waarbij met kleine groepen over de Vecht gevaren wordt. Daarbij wordt gestreefd naar een gevarieerd en passend aanbod voor verschillende doelgroepen. Hiermee worden kansen geboden aan bedrijven en worden bestedingen gestimuleerd.
d.
De gemeente Stichtse Vecht wil bewoners op enkele locaties waar mogelijk een passende ligplaats bieden in de eigen woonomgeving, zodat de bewoners nog meer dan nu profiteren van de ligging aan de rivier de Vecht.
e.
De gemeente wil duidelijkheid scheppen voor bewoners en ondernemers en belangengroepen over welke soorten ligplaatsen waar al dan niet gewenst zijn, om daarmee misverstanden en eventuele ongewenst gebruik te kunnen handhaven.
f.
De gemeente wil een eenduiding beleid vastleggen voor haar gehele grondgebied, dit afstemmen met de waterwegbeheerders en dit vertalen in alle relevante juridische documenten.
4.3.3.2 Toetsing aan de Ligplaatsenvisie Stichtse Vecht Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestaande ligplaats aan de Vecht wegbestemd waarbij de woonboot een nieuwe ligplaats inneemt. Door de verplaatsing krijgt de woonboot een passende locatie waarbij per saldo geen woonboot wordt toegevoegd waarbij een knelpunt indicatie wordt opgeheven. Tevens zal initiatiefnemer door de verplaatsing in zijn eigen leefomgeving blijven wonen aangezien het een verplaatsing van hemelsbreed 400 meter betreft. Tot slot zal de huidige ligplaats wegbestemd worden en in de oorspronkelijke staat worden teruggebracht. 4.3.4
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.
5.1
Geluid
5.1.1
Wettelijk kader
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
Het plan voorziet in een verplaatsing van een bestaande woonboot aan de Nigtevechtseweg te Vreeland. Hierbij wordt gelet op het geldende bestemmingsplan planologisch gezien geen woning toegevoegd. Er is dan ook geen sprake van een nieuw geluidsgevoelig object. Nadere toetsing aan de aspecten wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai is daarom niet noodzakelijk. 5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een (asbest)bodemonderzoek te worden verricht conform de geldende richtlijnen. Terra-Agri Business heeft in voorliggend geval een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 1 bij deze toelichting.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp 5.2.2
Uitkomst bodemonderzoeken
In het bovengrondmengmonster BM1 zijn lichte verhogingen PCB (som 7), kobalt, nikkel en PAK 10 VROM aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM2 zijn lichte verhogingen kobalt en nikkel aangetroffen. In het ondergrondmengmonster OM1 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster zijn lichte verhogingen xylenen (som), zink, barium en naftaleen aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. 5.2.3 Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief. De lichte verhogingen zijn locatie specifiek. Tevens wordt ter plaatse van de lichte verontreinigingen niet gewoond. Op basis van vorenstaande wordt het uitvoeren van een aanvullend bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.2
Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Tevens worden woningen niet aangemerkt als gevoelige bestemming in het kader van het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
De regelgeving omtrent het vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie plangebied
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart opgenomen. Het plangebied is met een rode ster indicatief aangegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart, bewerkt)
Ten noorden van het plangebied ligt op circa 240 m afstand een propaantank, behorende bij de woonboot op Nigtevechtseweg nr. 138. Bij deze propaantank is een risico contour van 12 meter aanwezig. Aangezien het plangebied op geruime afstand van de propaantank is gesitueerd, vormt de aanwezigheid van deze propaantank geen belemmering voor het voornemen. Ten zuidoosten van het plangebied is op circa 430 meter afstand eveneens een propaantank gesitueerd. Deze propaantank behoort bij de woning aan de Nigtevechtseweg nr. 110. Hierbij is een risico contour van 15 meter van toepassing. Aangezien het plangebied op geruime afstand buiten de risicocontour ligt, vormt de aanwezigheid geen belemmering. Daarnaast ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Amsterdam – Breukelen. Gelet op de effecten van een toxische wolk kunnen deze op meer dan 4000 meter dodelijk zijn. Het betreft de D4 categorie. Hierna wordt nader op de situatie binnen het plangebied ingegaan. Het groepsrisico ter plaatse van het plangebied zal als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling nie dan 10% toenemen. Dit kan zondermeer gesteld worden gelet op de dichtheid van bestaande functies in de omgeving, en de beperkte omvang van het voornemen waarbij per saldo het aantal personen in het plangebied beperkt zal toenemen.
t met meer Gelet op het vorenstaande is een nadere verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk. Bereikbaarheid Gelet op de ligging aan de Nigtevechtseweg kan geconcludeerd worden dat het plangebied uit verschillende richtingen goed bereikbaar is. Bluswatervoorziening Daarnaast dient de brandweer snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater om een incident adequaat te kunnen bestrijden. De locatie dient te voldoen aan art. 6.30 van het Bouwbesluit 2012. Dit artikel eist dat op maximaal 40 m van het bouwwerk bluswater onttrokken kan worden met een capaciteit tussen de 30m3/h. Gelet op de ligging aan de Vecht voldoet het plan hieraan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp Zelfredzaamheid De personen kunnen, gelet op dat het enkel om een verplaatsing gaat, worden aangemerkt als zelfredzaam. Tot slot dient er te worden opgemerkt dat de beoogde ligplaats reeds als woonschepenligplaats is aangeduid. Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat het plangebied: • • • • 5.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie
Eén en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het buitengebied wordt gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ als volgt omschreven: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.
Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Stichtse Vecht. In de nabijheid zijn voornamelijk woonboten, woningen en agrarische gronden gesitueerd. Om deze redenen kan het plangebied worden aangeduid als ‘rustige woonwijk’ c.q. ‘rustig gebied’. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden weergegeven. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen.
Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ en in voorliggende situatie gespecialiseerd als wonen op een woonboot betreft geen milieubelastende functie en is daarom niet opgenomen in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Vorenstaande betekent dat er geen sprake is van onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende bebouwing. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie(s) als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling(en) hinder ondervindt van de bestaande functie(s) in de omgeving. Een woning en in voorliggend geval specifiek een woonboot wordt in dit kader aangemerkt als milieugevoelige functie. Nabij het plangebied is een milieubelastende functie aanwezig. De toekomstige ligplaats ligt in de nabijheid van het voormalige Boskalis terrein waarbij een bedrijfsbestemming van toepassing is. Hierbij is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – aannemersbedrijf 2’ aanwezig.
Op basis van de VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ kan dit terrein dan ook worden geschaald onder milieucategorie 3.1 waarbij een richtafstand van 50 meter van toepassing is voor het aspect geluid. De toekomstige ligplaats ligt op circa 20 meter afstand waardoor het binnen de richtafstand. In voorliggende situatie dient echter te worden opgemerkt dat de locatie reeds is bestemd als woonschepenligplaats. Tevens zijn de vrijgekomen bedrijfsgebouwen op het Boskalis terrein aan de oostzijde op circa 300 meter gesitueerd. Gelet op de terreingesteldheid is het niet aannemelijk dat aan de westzijde van het Boskalis terrein bedrijvigheid gaat plaatsvinden die het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonboot negatief beïnvloedt. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het aspect milieuzonering. 5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.6
Ecologie
5.6.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.2
Gebiedsbescherming
5.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp Het plangebied ligt op circa 1,4 kilometer van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’. Gelet op de relatief kleine afstand ten opzichte van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is door BJZ.nu een stikstofrapportage opgesteld. De gehele rapportage is in bijlage 2 bijgevoegd. Hierna wordt kort op de conclusie ingegaan. Conclusie stikstofrapportage Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de gebruiksfase blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningplichtig. 5.6.2.2 Natuurnetwerk Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in de provinciale structuurvisie uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In voorliggende situatie betreft het een ontwikkeling binnen het NNN gebied.
Dit vanwege het feit dat de Vecht onderdeel uitmaakt van het NNN gebied. Bij onderhavig plan wordt een bestaande ligplaats ingenomen en wordt de huidige ligplaats aan de Vecht, eveneens NNN gebied wegbestemd waardoor een verbetering optreedt. 5.6.3
Soortenbescherming
5.6.3.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 5.6.3.2 Situatie plangebied Gezien het feit dat de voorgenomen ontwikkeling zowel in als aangrenzend aan het NNN gebied plaatsvindt, is door Natuurbank Overijssel een quickscan flora/fauna uitgevoerd. In bijlage 3 is de gehele rapportage bijgevoegd. Hierna wordt kort op de conclusie uit de quickscan ingegaan. Conclusie Quickscan flora/fauna De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een (vaste) rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden.
Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een (vaste) rust- en voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten en amfibieën, die een (vaste) rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen het `beschadigen/vernielen van vaste rust- en
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. 5.6.4
Conclusie
Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van de Wet natuurbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren conform wet- en regelgeving voor beschermde soorten en –gebieden.
5.7
Archeologie & Cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied De inrichting wordt gerealiseerd in een gebied dat volgens het huidige beleid een lage verwachting heeft met een verplichting tot archeologisch onderzoek bij bodemingrepen groter dan 10 hectare en dieper dan 0,30 m onder huidig maaiveld. De ingrepen blijven ruim binnen deze vrijstellingsgrenzen. Er is daarom geen archeologisch onderzoek verplicht. Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art.
5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed). 5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp 5.7.2.2 Situatie plangebied De Vecht maakt in de interim omgevingsverordening provincie Utrecht onderdeel uit van de cultuurhistorische hoofdstructuur. De vecht is gelegen binnen de historische buitenplaatszone en het militair erfgoed. De historische buitenplaatsen vertegenwoordigen bijzondere cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden in de provincie. De historische buitenplaatszones staan tegelijkertijd onder hoge druk, zowel door ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving, als door ontwikkelingen op de buitenplaatsen zelf. Voor de historische buitenplaatszones ziet het provinciaal beleid enerzijds op het veiligstellen en anderzijds het ruimte bieden aan ontwikkelingen. Voor het militair erfgoed van de voormalige waterlinies, Stelling van Amsterdam, Nieuwe Hollandse Hollandse Waterlinie en Grebbelinie, ligt de opgave vooral op het via gebiedsontwikkelingen behouden en beleefbaar maken van de linies in het landschap. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen belangen geschaad die gemeenten in acht moeten nemen. Dit omdat dat de locatie reeds voor een woonschip is bestemd en de huidige locatie van de ligplaats wordt wegbestemd. Hierbij vindt een verbetering plaats wat betreft de landschappelijke waarden 5.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen (nader) archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
5.8
Besluit milieueffectrapportage
5.8.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument (Besluit milieueffectrapportage) met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Op 7 juli 2017 is het besluit voor het laatst gewijzigd. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
•
•
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp 5.8.2
Situatie plangebied
5.8.2.1
Artikel 2.8 van de Wet Natuurbescherming
Op basis van het uitgevoerde stikstofonderzoek kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een aantasting van de instandhoudingsdoeleinden van de omliggende Natura-2000 gebieden. 5.8.2.2
Drempelwaarden Besluit m.e.r.
De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het partieel herzien van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is er sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (onderdeel D 11.2 besluit m.e.r.). De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het verplaatsen van een bestaande woonboot aan de Vecht. Ter plaatse van de tuin zal een bijgebouw worden gerealiseerd naast dat enkele beplanting wordt verwijderd. Hierbij vinden relatief kleinschalige bouw- en sloopwerkzaamheden plaats.
Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen/woonboten. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Tevens blijkt uit hoofdstuk 4.5 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.8.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.(beoordelings)-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp
HOOFDSTUK 6
WATERASPECTEN
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kunstwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3
Provinciaal beleid
De provincie Utrecht heeft het beleid omtrent water vastgelegd in het Bodem-, Water- en Milieuplan 20162021. De provincie richt zich op een behoud en het verder verbeteren van het aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat. Een provincie met krachtige steden en dorpen en een vitaal landelijk gebied de provincie ziet in dit verband de volgende drie belangrijke opgaven in het waterbeleid voor de lange en korte termijn: •
Streven naar een robuust bodem- en watersysteem. Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden. • Streven naar bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied. • Streven naar een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem ons biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden. • Streven naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio. Om deze doelen te bereiken worden in het beleid twee hoofdlijnen onderscheiden: • Focus op 4 prioriteiten • Werken vanuit 6 basiskwaliteiten De vier prioriteiten zijn: • Waterveiligheid en wateroverlast • Schoon en voldoende oppervlaktewater • Ondergrond • Leefkwaliteit stedelijk gebied De zes basiskwaliteiten zijn: bodemkwaliteit, waterkwaliteit, waterkwantiteit, lucht, geluid en externe veiligheid. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp De zes basiskwaliteiten zijn voorwaardelijk voor het uitvoeren van onze kerntaken en het realiseren van de ontwikkelopgaven en vormen een stevige basis voor een veilige, gezonde en duurzame woon-, werk- en leefomgeving. 6.1.4
Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht
Het waterbeheerplan 2016-2021 is op 8 oktober 2015 goedgekeurd door het Algemeen Bestuur van het waterschap en is vanaf 1 januari 2016 van kracht. In het Waterbeheerplan 2016-2021 beschrijft het waterschap wensbeelden per thema voor 2030, en daaruit afgeleid doelen voor de planperiode 2016-2021 op hoofdlijnen. Hierin staat wat het waterschap doet aan veiligheid, de beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en aan efficiënte zuivering van afvalwater. Ook zet het waterschap zich in voor het behoud van cultuurhistorisch erfgoed en de natuur. Het waterschap wil bereiken dat mensen zich bewuster worden van het belang van een veilig en 'robuust' (toekomstbestendig) watersysteem. Het waterschap wil open en toegankelijk zijn, actief naar samenwerking zoeken en de dialoog aangaan. De strategische uitgangspunten voor de langere termijn (2030) zijn: • • • • • • • • • •
Samenbrengen van alle regionale waterbeheertaken in één regionale waterautoriteit;' Een klimaatbestendig en daarmee waterrobuust gebied; Steden die beter bestand zijn tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte; Een omgeving die zich bewust is van waterveiligheid; Water dat overal in het gebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie; Gebruik van afvalwater als grondstof en bron voor energie en water; Gebruik van vernieuwende oplossingen vanuit samenwerking met kennisinstellingen, andere overheden en marktpartijen; Vermindering van regeldruk en vergroting van kosteneffectiviteit voor burgers en bedrijven; Afstemming over alle watertaken per stroomgebied (i.c. Rijn-West); Behoud van de zelfstandige bevoegdheid.
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting / ruimtelijke onderbouwing op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsproces
Het waterschap Amstel, Gooi en Vecht is niet aangesloten bij de watertoets. In dit kader wordt voor het vervolgtraject contact genomen met het waterschap met betrekking tot het plaatsen van afmeervoorzieningen in boezemwater en het inrichten van een oeverperceel in de kern- en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp Echter wordt hierna alvast ingegaan op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse van het plangebied. Waterhuishoudkundige aspecten plangebied Algemeen Het plangebied bevindt zich binnen een grondwaterbeschermings-, intrek- of waterwingebied. Grondwater Binnen het plangebied zijn geen gevallen van grondwateroverlast bekend. Oppervlaktewater Aangezien het voornemen een verplaatsing van een woonboot betreft is er sprake van oppervlaktewater binnen het plangebied. Hemelwater Het schone hemelwater kan binnen het plangebied in de grond infiltreren. Dit aangezien maar in beperkte mate verharding plaatsvindt. Tevens loopt het perceel af waardoor een deel van het hemelwater in de Nes kan afstromen. Afvalwater Het afvalwater wordt aangesloten op de bestaande riolering aan de Nigtevechtseweg. Het ter plaatse aanwezige rioolstelsel is dusdanig uitgevoerd dat het afvalwater van het toekomstige aantal vervuilingseenheden kan worden afgevoerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp
HOOFDSTUK 7
7.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. Ook de Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2008 (SVBP2008) is vanaf deze datum verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1)
In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. •
Wijze van meten (Artikel 2)
Dit artikel geeft onder meer bepalingen hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp 7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • • • • • • •
7.2.4
Bestemmingsomschrijving: Bouwregels: Nadere eisen: Afwijken van de bouwregels: Specifieke gebruiksregels: Afwijken van de gebruiksregels: Wijzigingsbevoegdheid: Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
Anti-dubbeltelregel (Artikel 7) p.m.
•
Algemene bouwregels (Artikel 8) p.m.
•
Algemene aanduidingsregels (Artikel 9) p.m.
•
7.2.5
Algemene wijzigingsregels (Artikel 10) p.m. Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zijn de regels conform het verzamelplan aangehouden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp ‘Water – De Vecht' (Artikel 14) De gronden die voorzien zijn van de bestemming 'Water - De Vecht' zijn onder andere bestemd voor water en waterlopen, waterhuishouding, waterweg, natuur en natuurlijke oevers. Daarnaast zijn (onder voorwaarden) bewonersligplaatsen, bezoekersligplaatsen voor recreatievaartuigen en halte- en wachtligplaatsen voor passagiersschepen toegestaan. Woonschepen zijn ter plaatsen van de aanduiding 'woonschepenligplaats' toegestaan. Op de verbeelding is tevens de maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal wooneenheden' opgenomen. Voor onderhavig plan geldt een maximum aantal van 8 woonschepen. Gebouwen mogen niet worden gebouwd. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en steigers zijn wel toegestaan. Voor de woonschepen ter plaatse van de aanduiding 'woonschepenligplaats' gelden de in de regels opgenomen kenmerken. ‘Waarde – Cultuurhistorie 1’ (Artikel 23) De dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 1' is opgenomen voor het behoud en de versterking van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Op deze gronden mag ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) en (bouw)regels uitsluitend worden gebouwd indien de betrokken waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden gericht op het behoud van de ter plaatse aangeduide waarde. ‘Waarde - Ecologie' (Artikel 26) 'Waarde - Ecologie' is opgenomen voor de gronden die zijn bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden en de aanleg en instandhouding van een natte en/of droge ecologische verbindingszone. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor het behoud, versterking en ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers, de aanwezige ondiepe waterzone met de daarbij behorende ecologische en landschappelijke waarden. Ook zijn binnen deze dubbelbestemming groenvoorzieningen en water, ondergeschikt agrarisch medegebruik en extensief recreatief medegebruik toegestaan. ‘Waterstaat – Waterkering’ (Artikel 30) De gronden met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de waterkering en bijbehorende beschermingszone. Voor wat betreft het bouwen geldt dat er uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd.
Bouwwerken ten behoeve van de andere voor de gronden geldende bestemmingen mogen wel gebouwd worden, indien en voor zover het belang van de waterkering hierdoor niet onevenredig wordt geschaad.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp
HOOFDSTUK 8
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Met betrekking tot het verhaal van de kosten van de bestemmingsplanprocedure en de uitvoering van het bestemmingsplan, is met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. Verhaal van eventuele planschadekosten is onderdeel van de anterieure overeenkomst. Het verhaal van kosten is hiermee "anderszins verzekerd", zodat het vaststellen van een exploitatieplan niet nodig is.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp
HOOFDSTUK 9
9.1
Vooroverleg
9.1.1
Het Rijk
VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Utrecht
Gelet op de omvang van de in het bestemmingsplan besloten ontwikkeling wordt vooroverleg met de provincie Overijssel niet noodzakelijk geacht. 9.1.3
Waterschap Amstel, Gooi en Vecht
Met het waterschap is reeds contact gevoerd. Het waterschap is akkoord gegaan met de inrichting van het perceel.
9.2
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In dit geval wordt geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.
9.3
Zienswijzen
Dit hoofdstuk dient na de terinzagelegging te worden ingevuld.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp
Bijlage 1
Verkennend bodemonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp
Bijlage 2
Aerius-berekening
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Bestemmingsplan “Verplaatsing woonboot Nigtevechtseweg 108-ws, Vreeland” Ontwerp
Bijlage 3
Quickscan flora/fauna
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50