CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Bestemmingsplan De Vecht.pdf

Commissie Fysiek Domein 22 november 2021, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 3. 19:30: Bestemmingsplan De Vecht (voor de kernen Nieuwersluis, Nieuwer ter Aa, Breukelen en Kockengen).27.837 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

36

Planspecifiek (ligplaats nemen) Het is onder voorwaarden mogelijk om vrijstelling te krijgen om ligplaats te nemen: het vaartuig moet in ieder geval niet geheel of gedeeltelijk in de middenstrook van primaire wateren liggen. Tevens moet het ligplaats nemen in het plangebied gebeuren met gebruikmaking van een krachtens de Keur toegestane afmeervoorziening, omdat langs de hele oever van de Vecht sprake is van een groene oeverzone. Indien sprake is van openbare passantenligplaatsen buiten stedelijk gebied is geen watervergunning vereist op basis van de keur.

3.3.3 Beleidsregel keurvergunningen Het waterschap beoordeelt de vergunningaanvraag en bepaalt de vergunningsvoorwaarden met behulp van de Beleidsregels Keurvergunningen. Bij de afweging is het uitgangspunt dat het beschermingsniveau niet in gevaar mag komen door de activiteit. Veiligheid gaat altijd voor. Soms zijn activiteiten niet direct schadelijk voor het watersysteem, maar wel hinderlijk voor bijvoorbeeld het onderhoud. In die gevallen wil AGV het maatschappelijk belang van de activiteit meewegen bij de beslissing om al dan niet een vergunning te verlenen. Een aantal beleidsregels bevat daarom de voorwaarde dat ‘de aanvrager moet aantonen dat de activiteit een maatschappelijk belang dient', vaak in combinatie met ‘dat er geen acceptabele alternatieven zijn'. Bij een vergunning levert AGV voorschriften over de manier waarop de aanvrager de activiteit moet uitvoeren. Beleidsregels voor werken in en nabij wateren Beleidsregel 1: algemene voorwaarden voor werken in of nabij wateren Het bestuur kan onder voorwaarden vergunning verlenen voor de aanleg van (kunst)werken in wateren. De belangrijkste algemene voorwaarden die relevant zijn voor het plangebied zijn:

• •

de vaarfunctie mag niet worden gehinderd;

•

bij de aanleg van kunstwerken in een groene oeverzone geeft de aanvrager een overzicht van de huidige begroeiing;

• •

de aanvrager toont aan dat de stabiliteit van oever en bodem in stand blijft; indien het werk geplaatst wordt in of binnen een afstand van 75 m van een bocht van wateren dan toont de aanvrager aan dat het werk buiten de bochtverbreding geplaatst wordt. De aanvrager berekent de bochtverbreding zoals gedefinieerd in Richtlijnen Vaarwegen (RVW,2005) en

de schade aan de ecologische waarde door de aanleg van kunstwerken in een groene oeverzone wordt volledig gecompenseerd waarbij: 1. de verminderde oeverlengte wordt hersteld tot de oorspronkelijke oeverlengte; 2. de vorm van de nieuw aan te leggen oever is minimaal gelijk aan de oorspronkelijke oever; 3. de compensatie vindt plaats in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam.

Beleidsregel 5: steigers Beleidsregel 5 bevat voorwaarden voor de aanleg of het wijzigen van steigers. Planspecifiek (beleidsregels voor werken in en nabij wateren) Voor ‘normale’ toepassingen hebben steigers meestal geen vergunning nodig als ze voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling (Keurbesluit). Soms voldoen ze niet aan die voorwaarden, bijvoorbeeld als een aanvrager een grotere steiger wil aanleggen bij een appartementencomplex of vanwege toegankelijkheid voor rolstoelen. Dit zijn voorbeelden van uitzonderlijke situaties. Een steiger mag uiteraard geen belemmering vormen voor de doorstroming. De aanvrager moet dan ook onderhoud uitvoeren onder de steiger om te zorgen dat de bodem daar niet dichtgroeit of slibt. Steigers zijn niet overal toegestaan. In de zogenaamde ‘rode oeverzones’ en in de middenstrook of vaarstrook mogen steigers niet worden geplaatst, omdat ze daar hinder opleveren voor het vaarverkeer. Datzelfde geldt ook voor steigers in groene oeverzones. Dit zijn oevers met een natuurfunctie (vanuit

37

Natura 2000 of Europese Kaderrichtlijn Water). Een steiger is hier niet wenselijk, maar soms mogelijk met afdoende compenserende maatregelen, zoals beschreven bij beleidsregel 1. Steigers moeten bovendien 25 m afstand houden van bemalingsobjecten (en bij bepaalde typen wateren zelfs 50 m). Dit is nodig omdat schepen die afmeren bij de steiger hinder kunnen veroorzaken voor de bemaling als ze er te dicht bij liggen. Ook moeten steigers minstens 3,0 m uit elkaar liggen, omdat het onderhoud van de watergang anders lastig wordt. Een steiger buiten stedelijk gebied kan alleen vergund worden als deze gelegen is aan een bebouwd oeverperceel. Percelen die van het water gescheiden worden door een openbare weg zijn geen oeverpercelen. Het vereiste van een bebouwd oeverperceel geldt niet wanneer sprake is van maatschappelijk belang, omdat anders sprake zou zijn van tegenstrijdige vereisten. 3.3.4 Verkeersbesluit Vaarwegen AGV-1 2016 Het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht heeft voor (gedeelten van) de vaarwegen, waarvoor het door de provincie als nautisch beheerder is aangewezen, een algemene regeling getroffen voor het nemen van ligplaats als ook het vastleggen van de maximaal toegestane afmetingen van vaartuigen. Dit verkeersbesluit dient ter bescherming van: a. b. c. d.

de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer de instandhouding van scheepvaartwegen en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan; het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan de waterhuishouding, oevers en waterkeringen, of werken gelegen in of over scheepvaartwegen schade door het scheepvaartverkeer aan de landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarden van een gebied waarin scheepvaartwegen zijn gelegen.

In Verkeersbesluit AGV-1 staat per water of delen ervan

• • •

de breedte van de minimaal vrij te houden vaarstrook; de maximale diepgang, lengte en breedte van schepen; de ligging van de oevers waarlangs het verboden is om zonder vergunning ligplaats te nemen, te meren of te ankeren met een schip, drijvend voorwerp of een drijvende inrichting.

Breedte vaarstrook Voor de meeste wateren is gekozen voor een krap profiel als uitgangspunt voor de breedte van de vaarstrook. (zie Richtlijnen Vaarwegen 2011, RWS). Zo is er ruimte genoeg voor de beroepsvaart en recreatievaart. Voor de situatie in Vreeland is gekozen voor het formaliseren van de praktijksituatie. De Vecht is ter plekke zo smal dat maatgevende schepen (beroepsvaart) elkaar niet kunnen passeren. Hier is voor een kort traject een enkelstrooks profiel gekozen. Bij het bepalen van de vrij te houden vaarstrook wordt uitgegaan van de as van de watergang tenzij anders bepaald. Voor de rivier de Vecht in de gemeente Stichtse Vecht geldt van noord naar zuid gezien de volgende minimaal vrij te houden vaarstrook: Naam vaarweg Vecht (Muiden - Sluis 't Hemeltje) Vecht (Sluis 't Hemeltje - Mijndense Sluis, uitgezonderd Vecht bij Vreeland) Vecht bij Vreeland (Korenmolen De Ruiter - Van Leerbrug) Vecht (Mijndense Sluis - Weerdsluis) Kunstwerk Vechtsluis bij Maarssen (verbinding met Amsterdam Rijnkanaal)

Minimaal vrij te houden vaarstrook (m) 21,0 17,0 13,0 17,0 6,5

38

Ligplaats nemen Artikel 2 betreft een nadere invulling van artikel 7.02 uit het Binnenvaartpolitiereglement (BPR). Het is verboden zonder ontheffing van het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht ligplaats te nemen, te meren of te ankeren met een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting:

• • •

meer dan 6,0 m uit de waterkant van vaarwegen of (lid 1); binnen de vaarstrook of een gedeelte daarvan (lid 2); langs de op de kaart aangegeven rode oeverzones (lid 3).

De wachtligplaatsen bij bruggen en sluizen kunnen in of nabij een rode oeverzone liggen. Uiteraard is het toegestaan om daar voor een korte periode ligplaats te nemen of te meren om te wachten tot de eerst volgende brug- of sluisbediening. De ligging van de rode oeverzones is aangegeven op de kaart. Bij deze oevers bestaan nautische bezwaren tegen het ligplaats nemen, meren of ankeren. Dit kan zijn omdat het bijvoorbeeld een onoverzichtelijke situatie bij een bocht en bij bruggen en sluizen (engten) is. De lengte van de rode zones bij engten is gelijk aan twee keer de maximale lengte van de schepen voor dit deel van de vaarweg. Hiermee geeft het hoogheemraadschap een nadere invulling aan de genoemde engten bij bruggen en sluizen zoals aangegeven in het Binnenvaartpolitiereglement. Daar waar de rode lijn 'in het water' is getekend mag er ligplaats genomen worden tussen de rode lijn en de dichtstbijzijnde oever. Bij een aantal bruggen en sluizen ontbreken plaatselijk enkele rode oeverzones. Hier zijn ondanks de nabijheid van een engte nautisch gezien toch ligplaatsen mogelijk. Ontheffingsmogelijkheden Ontheffing van het verbod om af te meren buiten 6,0 m (lid 1) uit de oever en ligplaats nemen langs rode zones (lid 3) is mogelijk.

Van het verbod om binnen de vaarstrook of een gedeelte daarvan ligplaats te nemen, te meren of te ankeren in (lid 2) kan slechts ontheffing worden verleend voor tijdelijke activiteiten (zie toelichting paragraaf 3.3.5). Planspecifiek De rode oeverzones zijn in het bestemmingsplan overgenomen en ter plaatse is het verboden om ligplaats te nemen. De breedte van de vaarstrook is eveneens in de regels van het bestemmingsplan overgenomen. 3.3.5 Beleidsregel voor nautische vergunningen Het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht is op een aantal wateren aangewezen als nautisch beheerder. Het nautisch beheer betreft de zorg voor veilig en vlot scheepvaartverkeer. Deze werkzaamheden betreffen onder meer:

• •

Het zorgen voor voldoende brede vaarstroken, Het beoordelen van de veilige afmetingen (diepte, breedte en lengte) van schepen ten opzichte van het te bevaren water,

• • • •

Het controleren van het gebruik van openbare aanlegplaatsen, Het zorgen voor markeringen, betonningen e.d. Het beperken van de schade aan oevers en waterkeringen door scheepvaart en Het beperken van de schade aan landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden door scheepvaart

Ter regulering van bovenstaande gelden er regels, die zijn vastgelegd in het Binnenvaartpolitiereglement en de Verkeersbesluiten. Van de verboden in de Verkeersbesluiten en een aantal verboden uit het BPR

39

kan ontheffing worden verleend. vergunningsvoorwaarden opgesteld.

Voor

de

beoordeling

hiervan

zijn

in

deze beleidsregel

Voordat een vergunning verleend kan worden, moet in ieder geval aan de volgende algemene voorwaarden (= beleidsregel 1) voldaan worden: a. b. c. d.

de aanvrager toont desgevraagd aan dat de te vergunnen handeling het scheepvaartverkeer niet onnodig ophoudt en de aanvrager toont desgevraagd aan dat het scheepvaartverkeer niet in gevaar wordt gebracht en de aanvrager toont desgevraagd aan dat er geen schade wordt veroorzaakt aan de oevers, waterkeringen of werken gelegen in of over de vaarweg en de aanvrager toont desgevraagd aan dat geen schade wordt veroorzaakt aan de natuurwetenschappelijke waarden van het gebied waarin de vaarweg ligt.

Beleidsregel ligplaats nemen Deze beleidsregel vormt het afwegingskader om toestemming te kunnen geven voor ligplaats nemen, meren of ankeren met een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting. Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die betrekking hebben op het verbodsartikel 2 uit het Verkeersbesluit AGV-1. Beleidsregel 3 In deze beleidsregel zijn vergunningsvoorwaarden opgenomen voor het ligplaats nemen, meren of ankeren van schepen, drijvende inrichtingen en voorwerpen in de vaarstrook of langs rode oeverzones: a.

b.

Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor tijdelijk ligplaats nemen, meren of ankeren van schepen, drijvende inrichtingen en voorwerpen: 1. De aanvrager voldoet aan beleidsregel 1 en 2. de aanvrager toont desgevraagd aan dat het ligplaats nemen, meren of ankeren ter plaatse noodzakelijk is en 3. de tijdelijke ligplaats, het meren of ankeren wordt niet langer gebruikt dan nodig met een maximum van 6 maanden per jaar en 4. de afmetingen van het schip, de drijvende inrichting en/of het voorwerp zijn niet groter dan strikt noodzakelijk en 5. De tijdelijke ligplaats is nodig voor onderhoud aan werken of wateren. Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor ligplaats nemen, meren of ankeren van schepen, drijvende inrichtingen en voorwerpen: 1. de aanvrager voldoet aan beleidsregel 1 en 2. de schepen, drijvende inrichtingen en voorwerpen liggen niet (gedeeltelijk) in de vrij te houden vaarstrook en 3. de schepen, drijvende inrichtingen of voorwerpen liggen parallel aan de lenterichting van de vaarstrook en 4. in het geval er sprake is van een remmingwerk dan wordt er ligplaats genomen tussen het werk en de dichtstbijzijnde oever en 5.

indien er sprake is van een brug met zijdoorgangen wordt er ligplaats genomen buiten een strook met een breedte gelijk aan de zijdoorgang en een lengte van 20,0 m vanaf de buitenzijde van het landhoofd aan weerzijde van de brug. De richting van deze strook is gelijk aan die van de vaarstrook.

40

Beleidsregel 4 In deze beleidsregel zijn vergunningsvoorwaarden opgenomen voor het ligplaats nemen, meren of ankeren meer dan 6,0 m uit de waterkant:

• •

De aanvrager voldoet aan beleidsregel 1 en De aanvrager toont desgevraagd aan dat het ligplaats nemen, meren of ankeren ter plaatse noodzakelijk is.

De regels voor ligplaats nemen, meren en ankeren uit het Verkeersbesluit AGV-1 zijn strikt. De breedte van de vaarstrook is afgestemd op het gebruik van de wateren door beroeps- en recreatievaart. De rode oevers zijn aangegeven op die plaatsen waar ligplaats nemen, meren en ankeren een potentieel probleem veroorzaakt voor vlot en vooral veilig scheepvaartverkeer bij smalle doorgangen zoals bij bruggen en sluizen. De aangelegde wachtligplaatsen kunnen uiteraard wel gebruikt worden om ligplaats te nemen, meren of ankeren om te wachten tot de eerstvolgende brug of sluisbediening. Naast deze wachtligplaatsen zijn er onder de genoemde voorwaarden tijdelijke en permanente ligplaatsen mogelijk. Het vaartuig moet in de lengterichting afgemeerd worden omdat bij haakse ligging te veel vaarmanoeuvres nodig zijn. Dit verstoort het andere vaarverkeer bij het passeren van een brug of sluis. Achter een remmingwerk achten het waterschap het mogelijk om veilig een ligplaats te nemen, aangezien het overige vaarverkeer geen gebruik maakt van dit deel van de vaarweg. De zijdoorgangen van een beweegbare brug worden gebruikt door de pleziervaart. Door deze zijdoorgangen bevaarbaar te houden, blijft het aantal brugopeningen beperkt. Wanneer ligplaats genomen wordt vlak voor of in de nabijheid van de zijdoorgang neemt de veiligheid af.

Planspecifiek De rode oeverzones zijn in het bestemmingsplan overgenomen en ter plaatse is het verboden om ligplaats te nemen. De breedte van de vaarstrook volgt uit de tabel in toelichting paragraaf 3.3.4. 3.3.6 Verkeersbesluit openbare aanlegvoorzieningen regio Vecht Het Verkeersbesluit openbare aanlegvoorzieningen regio Vecht is per 9 februari 2009 gewijzigd in werking getreden. Naast een aantal correcties is er tevens een verbod opgenomen om binnen 72 uur na vertrek van een 3 x 24 uur zone (passantenligplaats genoemd in dit bestemmingsplan), opnieuw op diezelfde afmeervoorziening af te meren. Op navolgende afbeelding is de kaart behorende bij het verkeersbesluit weergegeven. Het betreft aanlegplaatsen, wachtplaatsen, aftuigplaatsen en plaatsen voor kano's die door middel van verkeerstekens zijn aangegeven opdat daar tijdelijk kan worden afgemeerd voor recreatieve doeleinden danwel ten behoeve van brug- of sluisbediening. In het kader van voorliggend bestemmingsplan zijn alleen de aanlegplaatsen (3 x 24 uur passenligplaatsen) relevant.

41

42

3.3.7 Natuurvriendelijke steigers Het waterschap doet graag een beroep op particulieren die een steiger realiseren om deze steiger zo natuurvriendelijk mogelijk te maken. Hiervoor is een ontwerpprincipe opgesteld als handreiking. Omdat een steiger en schip de oever beschaduwen is daar geen groei van waterplanten mogelijk. Met het ontwerp van een steiger kan daarmee rekening gehouden worden. Dat kan door het oppervlak van een steiger zoveel mogelijk te beperken en door enige ruimte te laten tussen de steigerplanken. Verder kan de negatieve invloed van de beschaduwing gecompenseerd worden door waterplanten te laten groeien. Dit kan door een palenrij te slaan in het verlengde van de steiger. Een palenrij die vanaf de hoek van de steiger schuin aflopend (of met een bocht) richting de oever gaat. Met hier en daar in de palenrij openingen om vissen en amfibieën door te laten. Door in de zone tussen deze palenrij en de oever de bodem met klei te verondiepen ontstaat een ondiepe zone met een diepte tussen de 0,2 en 0,6 meter. In deze verondiepte zone kunnen waterplanten groeien. Waterplanten hebben een positief effect op de ontwikkeling van de ecologie van de Vecht. Binnen de gebieden met de dubbel bestemming Waarde - Ecologie is een regeling van nadere eisen opgenomen. Hiermee wordt het mogelijk voor het college nadere eisen te stellen aan de vergunning.

Hiermee kan 'afgedwongen' worden dat steigers conform dit principe worden gerealiseerd. Hieronder is dit principe in een tekening weergegeven.

In paragraaf 5.4 wordt nader ingegaan op de ecologische aspecten van het plangebied.

43

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Ligplaatsenvisie Stichtse Vecht: Goed geregeld, blijvend genieten De Vecht vormt een uniek cultuurhistorisch en natuurlijk lint. Daarvan willen veel mensen genieten op en aan het water. Dat past bij de ambities van de gemeente Stichtse Vecht die graag haar kwaliteiten wil delen met bewoners en bezoekers. Maar om dat te kunnen blijven doen is een eenduidig beleid noodzakelijk, dat mogelijkheden creëert waar dat kan en wildgroei voorkomt waar dat moet. Er komen daarmee niet meer ligplaatsen en boten, het wordt vooral beter. Het college van burgemeester en wethouders heeft daarom op 22 februari 2016 de concept ligplaatsenvisie vastgesteld. Het ligplaatsenbeleid heeft een aantal doelstellingen: a.

b. c.

d.

e.

f.

De gemeente wil meer toeristen via het water naar haar dorpen en voorzieningen trekken en de verblijfstijd van deze toeristen verlengen. Zij wil inzetten op passend kwaliteitstoerisme. Daardoor zullen de bestedingen van de toeristen stijgen en neemt het draagvlak voor lokale voorzieningen toe. De gemeente wil het karakter van de Vecht beschermen en versterken door het duurzaam te gebruiken en beter te organiseren. De gemeente wil meer initiatieven kunnen accommoderen waarbij met kleine groepen over de Vecht gevaren wordt. Daarbij wordt gestreefd naar een gevarieerd en passend aanbod voor verschillende doelgroepen. Hiermee worden kansen geboden aan bedrijven en worden bestedingen gestimuleerd De gemeente Stichtse Vecht wil bewoners op enkele locaties waar mogelijk een passende ligplaats bieden in de eigen woonomgeving, zodat de bewoners nog meer dan nu profiteren van de ligging aan de rivier de Vecht. De gemeente wil duidelijkheid scheppen voor bewoners en ondernemers en belangengroepen over welke soorten ligplaatsen waar al dan niet gewenst zijn, om daarmee misverstanden en eventuele ongewenst gebruik te kunnen handhaven. De gemeente wil een eenduidig beleid vastleggen voor haar gehele grondgebied, dit afstemmen met de waterwegbeheerders en dit vertalen in alle relevante juridische documenten.

De ligplaatsenvisie beperkt zich tot de ligplaatsen binnen de gemeente Stichtse Vecht, op of direct aan de rivier de Vecht. De havens aan de Scheendijk en aan de oostzijde van Loenen vormen belangrijke watersportconcentraties maar zijn sterk gerelateerd aan de Loosdrechtse Plassen en vrijwel allemaal gelegen in jachthavens. Ligplaatsen voor woonschepen en historische schepen kennen een geheel eigen beleid en zijn verankerd in bestemmingsplannen als specifieke gebruiksvorm. Deze vallen buiten de scope van de ligplaatsenvisie. Ten behoeve de ligplaatsenvisie is een inventarisatie gemaakt van bestaand gebruik, bestaande voorzieningen, mogelijkheden en beperkingen. Doel van de inventarisatie is om een algemeen beeld te schetsen van de situatie qua ligplaatsen op de Vecht. Het beleid kent de volgende soorten ligplaatsen:

• • • • • • • •

Bewonersligplaatsen buiten bebouwde kom; Bewonersligplaatsen binnen bebouwde kom; Kadeligplaatsen (voor bewoners); Passantenligplaatsen met oeververbinding/ zonder oeververbinding; Bezoekersligplaatsen bij horeca, attracties (o.a. streekproducten) of verblijfsaccommodaties; Halteligplaatsen passagiersvaartschepen; Opstapligplaatsen passagiersvaartschepen; Vaste ligplaatsen passagiersvaartschepen;

Het ligplaatsenbeleid beoogt een optimalisatie van het gebruik van de Vecht voor bewoners en bezoekers. Het moet ruimte scheppen voor passende initiatieven van de passagiersvaart en ruimte laten voor bezoekers per boot voor een dagtocht of meerdaags verblijf. Het ligplaatsbeleid moet bewoners waar

44

mogelijk de ruimte geven met een eigen ligplaats gebruik te maken van de rivier om daarmee het woonklimaat te versterken. Een heldere regeling moet ruimte scheppen voor initiatieven en het bestaand gebruik organiseren. Dit alles binnen de randvoorwaarden die nautische veiligheid, waterkwaliteit, landschap, cultuurhistorie, leefbaarheid en natuur hieraan stellen. Waar mogelijk worden investeringen en aanpassingen gecombineerd met oeverwerken en onderhoud. De verdeling van verantwoordelijkheid is helder. De overheid verzorgt de openbare gebieden en bedrijven en particulieren zijn zelf verantwoordelijk voor instandhouding en bruikbaarheid van door hen aangebrachte voorzieningen. Planspecifiek De ligplaatsenvisie en de bijbehorende inventarisatie vanaf het water van het bestaand gebruik dient mede als basis voor onderhavig bestemmingsplan dat de juridische verankering vormt van ligplaatsen voor niet-woonschepen. Woonschepenligplaatsen, jachthavens en historische schepen maken geen onderdeel van het nieuwe ligplaatsenbeleid. Omdat echter de hele loop van de rivier de Vecht in de gemeente Stichtse Vecht tot het plangebied behoort, zijn de geldende planologische rechten voor eventueel aanwezige woonschepenligplaatsen, jachthavens en historische schepen wel vrijwel 1-op-1 overgenomen in dit bestemmingsplan.

Niet alle ambities die verwoord zijn in de ligplaatsenvisie worden verwezenlijkt. Deels omdat deze vanuit nautische overwegingen niet haalbaar bleken te zijn en deels omdat de ambities nog onvoldoende concreet bleken te zijn. 3.4.2 Focus op morgen, Toekomstvisie Stichtse Vecht 2013-2040 Op 29 januari 2013 heeft de raad van de gemeente Stichtse Vecht de visie ‘Focus op morgen’ vastgesteld. Deze visie bestaat uit vier delen:

• • • •

een beschrijving van de kernkwaliteiten van Stichtse Vecht; inzicht in de trends en ontwikkelingen waarvoor de gemeente zich gesteld ziet; de opgaven en kansen voor de toekomst; het gevolg geven aan de visie en het verder ontwikkelen van deelvisies op Stichtse Vecht.

Behoud van het landschap met haar eeuwenoude buitenplaatsen en ontginningenstelsel vormt een belangrijke pijler. Het landschap geeft Stichtse Vecht identiteit en toekomstwaarde. Binnen de gemeente zijn meer dan 100 agrariërs, welke optreden als beheerder en drager van het landschap. Door ruimte te bieden aan verbreding van functies kunnen meer agrarische bedrijven blijven voortbestaan. Hierdoor kan het landschap zijn cultuurhistorische en landschappelijke waarden behouden en versterken. Bij verbreding wordt gedacht aan activiteiten op kleinschalig niveau, zoals Bed and Breakfast, agritoerisme, kamperen bij de boer, educatieve activiteiten en verkoop van agrarische producten. De Vecht is van belang als historische drager van het gebied. Dit is ook uitvoerig beschreven in hoofdstuk 2 van deze plantoelichting. Waar er cultuurhistorische waarden zijn, zijn deze vastgelegd middels nadere aanduidingen of met een dubbelbestemming. Op deze wijze worden de aanwezige cultuurhistorische waarden geborgd voor de toekomst.

3.4.3 Landschapsontwikkelingsplan Breukelen-Loenen (2008) Het Landschapsontwikkelingsplan Breukelen-Loenen (verder: LOP) heeft een stimulerend en adviserend karakter in bestaande situaties. Zij stelt alleen randvoorwaarden bij nieuwe omtwikkelingen. Het LOP is een toetsingskader bij ontwikkelingen in het buitengebied en is vastgesteld door de raad van de gemeente Stichtse Vecht. In het LOP worden verschillende landschapstypen onderscheiden. Het weidelandschap oost, het stroomruggenlandschap van de Aa, Angstel en Slootdijk, het stroomruggenlandschap Vecht Noord en het stroomruggenlandschap van de Vecht Zuid. Het LOP is maar beperkt van invloed op het onderhavige bestemmingsplan. Dit omdat de ruimtelijke ingrepen als gevolg van dit bestemmingsplan ook beperkt zijn. Voor de sturing op passende elementen langs het water voorziet dit bestemmingsplan in een regeling van nadere eisen waarmee excessen voorkomen kunnen worden.

45

3.4.4 Landschapsontwikkelingsplan Maarssen In 2010 is voor Maarssen een Landschapsontwikkelingsplan (verder: LOP) opgesteld. Het LOP heeft tot doelstellingen het benoemen, behouden, versterken en ontwikkelen van de landschappelijke kwaliteiten van het buitengebied van Maarssen, het opstellen van een aansprekende visie voor de komende 10-15 jaar, die als inspirerend streefbeeld en als toetsingskader dient voor nieuwe ontwikkelingen en het stimuleren van initiatieven voor landschaps- en natuurontwikkeling in het buitengebied. Voor de Vechtzone is in het landschapsontwikkelingsplan het volgende opgenomen: Voor de stroomruggen en oeverwallen van de Vecht is beplanting kenmerkend welke bestaat uit boomgaarden, vochtige loofbosjes, parkbossen, geriefhoutbosjes, kavelgrensbeplantingen, houtsingels, solitaire bomen, knotbomen, lanen, hagen, wegbeplantingen en oeverbeplanting. In het algemeen is hier in beperkte mate uitbreiding en herstel van de vroeger veelvuldig voorkomende landschapselementen gewenst. Belangrijk is het behoud en herstel van de doorzichten vanaf de Vecht naar het achterland en de beleving van de beplanting van de erven bij boerderijen en buitenplaatsen. Ook behoud van de grotere open gebieden, dient als randvoorwaarde voor de ontwikkeling van beplanting.

Verder is in het landschapsontwikkelingsplan is opgenomen dat de beeldkwaliteit van de Vechtoevers verbeterd dient te worden door beheer van oeverbeplanting. Specifiek wordt aandacht geschonken aan het behoud en de verbetering van de dakpanbeschoeiing in de oevers van de Vecht. In het bestemmingsplan is hiervoor een specifieke regeling opgenomen.

46

4 Uitvoerbaarheid De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan. Zoals uit hoofdstuk 3 is gebleken is het voorliggende bestemmingsplan overwegend conserverend van aard. Derhalve is in veel gevallen geen nader onderzoek noodzakelijk.

4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Planspecifiek In het bestemmingsplan worden onder voorwaarden extra ligplaatsen toegelaten. De ontwikkelingen, die het plan toelaat bevat activiteiten, die genoemd worden in onderdeel D van de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage. De aanleg, wijziging of uitbreiding van jachthavens met 100 ligplaatsen of meer valt onder onderdeel D.10. In onderhavig bestemmingsplan worden slechts beperkt extra ligplaatsen mogelijk gemaakt en ook nog eens verspreid over de hele loop van de rivier de Vecht in de gemeente Stichtse Vecht. Het gaat in de eerste plaats vooral om het reguleren van al bestaande ligplaatsen. Het aantal nieuwe ligplaatsen blijft onder de drempelwaarde, die in het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen. Er geldt geen verplichting om een m.e.r. beoordeling uit te voeren. In de volgende hoofdstukken van de toelichting wordt het effect van het plan voldoende beschreven.

47

4.2 Milieu 4.2.1 Bodem In het kader van een bestemmingsplan moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij herinrichtingssituaties is doorgaans een bodemonderzoek noodzakelijk in het kader van de Woningwet. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Voor bodemgebruik wordt uitgegaan van acht verschillende bodemfuncties: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

landbouw; moestuin/volkstuin; wonen met tuin; kinderspeelplaatsen; natuurgebieden; groen met natuurwaarden; industrie en ander groen; bebouwing en infrastructuur.

In het kader van de Wet bodembescherming worden de acht bodemfuncties in het Besluit Bodemkwaliteit onderscheiden in drie bodemklassen:

• • •

klasse landbouw en natuur (1, 2 en 5); klasse wonen (3, 4 en 6); klasse industrie/bedrijven (7 en 8).

Wanneer onderzoek noodzakelijk is wordt in eerste instantie volstaan met een historisch vooronderzoek. De NVN-5725 (Bodem - Leidraad voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek) van het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) vormt de leidraad voor het historisch onderzoek. Wanneer uit het vooronderzoek blijkt dat op grond van de resultaten een verontreiniging te verwachten is, dient een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 (Bodem - Landbodem Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond) van het NNI te worden uitgevoerd. De kwaliteit van verontreinigde bodem moet ten behoeve van de realisatie van een nieuwe bestemming voldoen aan de doelstellingen uit de Beleidsvernieuwing Bodemsanering (BEVER). Uitgangspunt is dat functioneel wordt omgegaan met eventueel aanwezige verontreinigingen. Tevens introduceerde de commissie Welschen in het begin van de jaren negentig het begrip "actief bodembeheer". Het doel hiervan is om op verstandige, doelmatige wijze om te gaan met de structurele aanwezigheid van bodemverontreiniging. Planspecifiek Binnen het plangebied vinden geen ingrepen aan de bodem plaats. Het betreft ligplaatsen op het water. Daarmee blijven de bodemfuncties vergelijkbaar als in de geldende bestemmingsplannen.

Een onderzoek naar de bodemgesteldheid is derhalve niet noodzakelijk.

48

4.2.2 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Onderhavig bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen bij recht mogelijk; ligplaatsen zijn immers geen geluidgevoelige bestemmingen. Nader onderzoek naar geluid is in het kader van dit bestemmingsplan daarom niet noodzakelijk. Voor passagiersschepen geldt dat deze veelal een inrichting zijn in het kader van de Wet milieubeheer en vanuit het Activiteitenbesluit nadere voorwaarden gelden voor de bedrijfsactiviteiten die verricht worden. 4.2.3 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 μg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging

49

van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. Daarnaast mag niet onvermeld blijven, dat per 1 januari 2015 de grenswaarde voor PM2,5 in werking is getreden. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden:

• •

Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat; Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.

Planspecifiek Het betreft, naast bezoekersligplaatsen, voornamelijk bewonersligplaatsen op de Vecht ten behoeve van particuliere woningen. Dit levert geen extra voertuigbewegingen op en heeft derhalve geen negatieve invloed op de luchtkwaliteit in het plangebied. Uit de luchtkwaliteitskaarten van de Omgevingsdienst Regio Utrecht blijkt dat de luchtkwaliteit op de Vecht overal voldoet aan de grenswaarden. Er wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening op dit aspect. 4.2.4 Milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan.

Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.

50

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek In de woningen in de buurt van de ligplaatsen voor passanten is een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden gegarandeerd doordat er voldoende afstand is ten opzichte van woningen. De VNGpublicatie kent geen bruikbare categorie voor ligplaatsen voor passanten. Bij de beoordeling is de grootste richtafstand van milieucategorie 1 gehanteerd. Hieraan wordt voldaan. De ligplaatsen bij particuliere woningen zijn geen inrichtingen. Daarom zijn er ten opzichte van omringende woningen geen belemmeringen. Deze ligplaatsen zijn geen gevoelige bestemming. Eventuele bedrijven worden dan ook niet belemmerd.

4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico (voorheen individueel risico) wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.

51

Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Het Bevi stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is dit moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico hoe zwaarder de verantwoording is. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.

Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het PR in acht te nemen en het GR te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor In het Bevt is in artikel 7 te lezen, dat in de toelichting van een bestemmingsplan moet worden ingegaan op de mogelijkheden voor de hulpdiensten om een ramp te bestrijden, voor zover het plangebied gelegen is binnen het invloedsgebied van een weg, spoorweg of binnenwater, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Bij nieuwbouwprojecten moet worden ingegaan op de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich een calamiteit voordoet op de transportroute.

Een risicoberekening is niet verplicht voor plannen die op meer dan 200 m van de transportroute liggen (artikel 8 Bevt). Planspecifiek De ligplaatsen zijn getoetst aan de informatie op de provinciale risicokaart. Op deze kaart staan inrichtingen en locaties die een verhoogd veiligheidsrisico kunnen vormen voor de omgeving. Uit raadpleging van de risicokaart blijkt dat er geen inrichtingen en locaties op de risicokaart staan die een belemmering vormen voor de aangewezen ligplaatsen. Er is uitgegaan van een beperkt aantal ligplaatsen (maximaal 10) per aangewezen locatie en een beperkte duur dat men verblijft op deze locaties. Niet is getoetst is aan het activiteitenbesluit, het vuurwerkbesluit, en het beleid ten aanzien van elektromagnetische straling, omdat, mede gezien de beperkte tijdsduur dat men op een ligplaats verblijft, dit geen relevante risico’s oplevert.

52

4.3 Archeologie De Nederlandse bodem bevat archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992 - een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed – hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Gemeenten zijn sinds 2007 verplicht rekening te houden met archeologische waarden in de bestemmingsplannen. De bescherming van archeologische waarden krijgt gestalte door het opnemen van regels in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van een omgevingsvergunning voor bodemverstorende activiteiten in die gebieden die (in potentie) als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Gemeenten dienen bij bodemingrepen het behoud van archeologische waarden af te wegen tegen andere belangen. Om deze belangenafweging op adequate en verantwoorde wijze te kunnen maken, beschikt gemeente Stichtse Vecht over een archeologische beleidskaart voor haar grondgebied. Deze beleidskaart stelt de gemeente Stichtse Vecht in staat de archeologische waarden binnen het gemeentelijk grondgebied structureel mee te nemen in het ruimtelijke planvormingsproces. Sinds juli 2016 is de nieuwe Erfgoedwet van kracht; hierin blijven de uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) van kracht als de basis voor de omgang met de archeologische monumentenzorg.

De belangrijkste verandering is de vervanging van de opgravingsvergunning door een wettelijk geregelde certificering. Voor dit bestemmingsplan is met name de betere inkadering in de Erfgoedwet van het archeologische erfgoed in en op waterbodems van belang. Op de archeologische beleidskaart staan archeologische waarden en archeologische verwachtingszones aangegeven waaraan beleidsregels zijn gekoppeld. In de beleidsregels zijn vrijstellingsgrenzen opgenomen voor de oppervlakte en diepte van de voorgenomen ingreep. Indien een plangebied groter is dan de gestelde oppervlakte-ondergrens en de ingreep dieper gaat dan de diepte-ondergrens, dient archeologisch onderzoek conform de Archeologische MonumentenZorg-cyclus (AMZ-cyclus) te worden uitgevoerd. Voor waterbodems is een aangepaste AMZ-cyclus voor Waterbodems van toepassing. Planspecifiek Op de huidige beleidskaart van gemeente Stichtse Vecht is voor de archeologie van waterbodems sprake van hoge archeologische verwachting voor De Vecht. In 2017 vindt herziening plaats van de archeologische beleidskaart. Hierbij is voorgesteld om aan waterbodems die grenzen aan terreinen van Zeer Hoge Archeologische Waarden een hoge archeologische waarde mee te geven; hierin is in principe geen verstoring van de waterbodem toegestaan. Voor de overige trajecten van De Vecht kan de bestaande hoge archeologische verwachting worden gehandhaafd.

Voor gebieden waar geen dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' is opgenomen, geldt wel een wettelijke meldingsplicht indien er sprake is van toevalsvondsten. Onder toevalsvondsten wordt verstaan: vondsten die worden gedaan bij het verrichten van niet-archeologische (graaf- of bagger)werkzaamheden, waarvan duidelijk is, danwel redelijkerwijs vermoed kan worden dat het een archeologische vondst betreft. De verplichting tot melding geldt conform artikelen 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet.

53

4.4 Ecologie Voor ecologie moet er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met de flora en fauna (soortbescherming) en met de bescherming van natuurgebieden en natuurverbindingen (gebiedsbescherming). De bescherming van flora en fauna en van aangewezen natuurgebieden (Natura 2000) is geregeld in de Wet natuurbescherming die sinds 1 januari 2017 van kracht is geworden. Naast de volgens de Wet natuurbescherming aangewezen gebieden kent Nederland nog het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische hoofdstructuur (EHS) genoemd). In paragraaf 3.2.4 is uitvoerig ingegaan op de ligging van De Vecht binnen het NNN. Soortenbescherming Het doel van de wet is het beschermen van alle soorten planten- en dieren die in het wild in Nederland voorkomen. De wet gebied dat alle in het wild levende dieren en planten in principe met rust worden gelaten, wat is vastgelegd in de algemene zorgplicht. Aangezien niet alle soorten even zeldzaam zijn, zijn er lijsten opgesteld met soorten die zwaarder zijn beschermd. Hierbij worden de lijsten uit de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn (conventies van Bonn en Bern) gebruikt. Hierbij moeten de beschermingsregimes gevolgd worden die bij deze richtlijnen zijn genoemd en zijn overgenomen in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is er een landelijke lijst opgesteld met soorten die extra bescherming genieten binnen Nederland.

Het beschermingsregime van deze soorten wordt nader ingevuld door de Provincie die met de wetwijziging van 1 januari 2017 het bevoegd gezag is geworden. Gebiedsbescherming De wet is ook van toepassing op natuurgebieden die door de overheid zijn aangewezen in het kader van de vogelrichtlijn en/of de habitatrichtlijn (de zogenaamde Natura 2000-gebieden). De Habitatrichtlijn richt zich op de bescherming van natuurlijke habitat en leefgebieden van aangewezen planten- en dierensoorten. De Vogelrichtlijn richt zich op de bescherming van leefgebied van beschermde vogelsoorten. Voor activiteiten die een negatieve invloed kunnen hebben op deze gebieden gelden strikte regels. Dergelijke activiteiten worden beoordeeld door het bevoegd gezag (Provincie). Het bevoegd gezag bepaalt of er een vergunning volgens de natuurbeschermingswet aangevraagd moet worden. De vergunningaanvragen worden door de Provincie afgehandeld. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast de beschermde gebieden uit de Habitat- en/of Vogelrichtlijn kent Nederland het NNN. De NNN is bedoeld voor het ontwikkelen van ecologische zones tussen verschillende natuurgebieden zodat populaties met elkaar in verbinding blijven en versnippering van natuur wordt tegen gegaan. Het is uiteraard niet wenselijk dat een ontwikkeling een verstorende werking heeft op de functie van deze verbindingszones.

Deze zones zijn niet beschermd volgens de Natuurbeschermingswet maar worden vastgelegd in de bestemmingsplannen. Deze zijn op hun beurt getoetst aan de provinciale structuurvisie. Planspecifiek De basis van het natuurbeleid is de het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS/ Ecologische Hoofdstructuur). Het NNN is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Nederland. Grotere natuurgebieden zijn beter bestand tegen negatieve milieu-invloeden, zoals verdroging. Ze zijn gevarieerder en er kunnen meer soorten planten en dieren leven. Door natuurgebieden met elkaar te verbinden, kunnen planten en dieren zich makkelijker verspreiden. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) omvat in de provincie Utrecht zo'n 30.000 hectare natuur en omvant een grote afwisseling van bossen, heide, stuifzand, bloemrijke graslanden, rietlanden en plassen.

54

Het is het leefgebied van talloze planten en dieren, maar ook het gebied waar veel mensen naar toe komen om te genieten en te ontspannen. De Vecht is in zijn geheel in de Provinciale verordening van de Provincie Utrecht aangewezen als onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland. De Vecht is ongeveer 44 km lang. 27 km daarvan ligt binnen de grenzen van de gemeente Stichtse Vecht. De Vecht is daarmee ook een belangrijke verbindende factor tussen verschillende ecologlische gebieden Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten initiatiefnemers voldoende rekening houden met de natuur. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) kan haar kwaliteit alleen behouden en ontwikkelen als bedreigingen worden voorkomen.

4.5 Visrechten Heerlijke visrechten vallen onder de noemer van zogenaamde oude zakelijke rechten. Deze oude zakelijke rechten dateren van voor de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1838. Het bijzondere aan oude zakelijke rechten is dat ze los staan van het eigendom van de grond. Oude zakelijke rechten zijn verhandelbaar en overerfbaar. Er bestonden voor 1838 diverse soorten zakelijke rechten, het visrecht was daar één van. Heerlijke visrechten werden vroeger uitgegeven door koningen en keizers aan hun lagere gezagsdragers voor een bepaald gebied, de heerlijkheid. De begrenzing van een heerlijkheid moet uit oude documenten herleid worden. Het heerlijk visrecht strekt zich uit –behoudens tegenbewijs- tot alle openbare of bevaarbare wateren binnen de heerlijkheid, zoals die bestonden voor 1838. Binnen het plangebied komen verschillende visrechten voor. Het visrecht kan zich verzetten tegen eventuele publiekrechtelijke mogelijkheden. Omdat in dit bestemmingsplan één bestemming Water is opgenomen voor de gehele Vecht is een generieke gebruiks- en bebouwingsregeling opgenomen. Het kan zijn dat een eigenaar van gronden niet volledig gebruik kan maken van bouw- of gebruiksmogelijkheden als gevolg van deze visrechten.

55

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Plansystematiek Onderhavig bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het bestemmingsplan is gericht op zowel het vastleggen van het beleid voor ligplaatsen (niet zijnde woonschepenligplaatsen) alsmede het beheer van de bestaande situatie, waarbij de waardevolle elementen binnen het plangebied van een passende bescherming zijn voorzien. De geldende planologische rechten (zowel qua gebruik als qua bebouwing) zijn daarbij zoveel mogelijk gerespecteerd. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Omdat onderhavig bestemmingsplan in eerste aanleg vooral is gericht op het vastleggen van het gemeentelijke ligplaatsenbeleid, is een gedetailleerde systematiek gekozen voor de gronden in het plangebied die (vrijwel) allemaal onderdeel uitmaken van de rivier de Vecht.

In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. In essentie wordt voor het water van de Vecht een nieuwe enkelbestemming opgenomen. Met deze enkelbestemming worden de geldende regelingen voor de Vecht, veelal met de bestemming Water, in één keer voorzien van één uniforme regeling. Naast de bestemming Water had de Vecht in de verschillende bestemmingsplan nog een groot aantal dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen zijn opnieuw opgenomen in dit bestemmingsplan. Daarmee kent dit bestemmingsplan veel verschillende dubbelbestemmingen die hun herkomst hebben uit een groot aantal verschillende plannen. Voor de oeverzone, de gronden direct naast de Vecht, is een dubbelbestemming opgenomen. Met deze dubbelbestemming wordt de bebouwing voor aanlegvoorzieningen mogelijk gemaakt voorzover deze op land gelegen zijn. Door middel van een administratieve bepaling is regelt dat de overige bestemmingen uit de vigerende plannen van toepassing blijven naast deze nieuwe dubbelbestemming.

5.2 Opzet van de regels Overeenkomstig de SVBP 2012 zijn de regels van voorliggend bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. In toelichting paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Het tweede artikel betreft de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels Aanleiding voor dit bestemmingsplan en daarmee ook belangrijk onderdeel van de regeling is de juridische regeling voor ligplaatsen, afmeervoorzieningen en opstapplaatsen langs De Vecht. Hiervoor was binnen de gemeente Stichtse Vecht nog geen uniforme regeling. Met dit bestemmingsplan wordt hiervoor één nieuwe regeling voorgesteld. Deze regeling is in uitvoerig overleg met de andere waterbeheerders tot stand gekomen.

56

In hoofdstuk 2 zijn regels gegeven voor de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals die zijn aangegeven op de verbeelding. Per bestemming zijn in de bestemmingsomschrijving de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. Daarnaast is per bestemming bepaald welke vormen van bebouwing zijn toegestaan. De verschillende bestemmingen bevatten, indien nodig, specifieke gebruiksregels. Per bestemming is daarnaast bepaald in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan. Voor dit bestemmingsplan is de bestemming Water - De Vecht de belangrijkste bestemming. Binnen deze bestemming is uiteraard De Vecht als waterstroom geregeld en het gebruik van De Vecht als vaarroute. Daarnaast zijn binnen deze bestemming de ligplaatsen voor woonschepen geregeld. De regeling voor woonschepen is een zogenaamde beleidsneutrale omzetting. Met het overnemen van de woonschepen in dit bestemmingsplan is de juridische regeling ongewijzigd gebleven. Naast de bestemming Water - De Vecht gelden verschillende dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen zijn overgenomen en samengevoegd uit de nu geldende bestemmingsplannen. Op verzoek van het Waterschap en de Provincie Utrecht zijn voor de aanwezige natuurvriendelijke oevers en ondiepe waterzones ook een regeling opgenomen.

Deze regeling heeft primair tot doel de aanwezige natuurvriendelijke oevers en/of ecologische waarden te beschermen. Gezien deze doelstelling zijn deze regelingen opgenomen in de dubbelbestemming voor ecologie. Hoofdstuk 3 - Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/1794/documents/36707