Toelichting Bestemmingsplan De Vecht.pdf
Tekst van het document
Door voortschrijdende ontginning en maaivelddaling werden de ontginningsgebieden steeds kwetsbaarder voor overstromingen en werd een bovenlokale organisatie noodzakelijk voor het beheer van dijken en waterwegen. Hieruit ontstonden de waterschappen. Ook dorpen die niet direct aan belangrijke dijken lagen hadden belang bij goed onderhoud van zowel de dijken als de daarover lopende jaag- en zandpaden. Voor het onderhoud van een bepaald dijkvak: de hoefslag werden, via verhoefslaging, ook belanghebbende dorpen uit de wijde omgeving aangeslagen. De hoefslagen werden op de dijk gemarkeerd met hoefslagpalen, waarop letters of nummers aangaven wie voor dat slag verantwoordelijk was. Gaandeweg werd dit systeem vervangen door de ‘gemeenmaking’ van de dijken, waarbij het onderhoud in één hand kwam (rijk, gemeente of waterschap). Dammen Vóór de bedijking kon de Vecht bij hoog water vrij buiten zijn oevers treden. Door de bedijking werd dat voorkomen, met opstuwing tot gevolg. Een enkele keer is het water tot aan Utrecht opgestuwd. Aangenomen wordt dat rond 1130 de Otterspoordam werd aangelegd om de stad Utrecht te beschermen. Dijkdoorbraken tijdens de Sint-Elisabethsvloed van 1421 leidden tot de aanleg van een nieuwe dam met sluis, de Hinderdam (1437), ditmaal op de grens van het Sticht Utrecht en Holland. Hij kreeg de naam Hinderdam [1] omdat hij het vaarverkeer hinderde.
Voor de Staten van Utrecht was de voor de hand liggende zeesluis bij Muiden toen nog niet bespreekbaar. Deze kwam er pas, als onderdeel van de Hollandse Waterlinie, tijdens het Rampjaar 1672/73. Kort daarna werd de Hinderdam opgeruimd. De Grote Zeesluis in Muiden was een grote verbetering, maar kon overstromingen niet voorkomen. De laatste grote overstroming vond plaats in 1928 en gaf de doorslag voor het plaatsen van een groot gemaal in de Groote Zeesluis zodat in noodgevallen water op zee kon worden uitgeslagen. Pas in 1932, na de aanleg van de Afsluitdijk, was het overstromingsgevaar geweken. De Hinderdam speelde, behalve voor de bescherming van het achterland tegen overstroming uit zee, in tijden van droogte een rol bij het op peil houden van de waterdiepte en de bevaarbaarheid van de Vecht. De Vecht als boezemwater, sluizen en gemalen Door de omkering van het land werd de Vecht een boezemwater waarop het water uit de omliggende, lager gelegen polders werd en wordt uitgeslagen. Die omkering had tot gevolg dat de zijriviertjes niet langer op een natuurlijke manier hun water op de Vecht konden lozen. Om het water uit die lager gelegen terreinen op de Vecht te kunnen lozen, werden bij bestaande afwateringspunten (veelal veenriviertjes) watermolens geplaatst; vaak in samenhang met sluizen om o.a.
turf en land- en tuinbouwgewassen uit het achterland naar de Vecht en vandaar naar de markt te kunnen brengen. Westelijk van de Vecht is de oorspronkelijke situatie in belangrijke mate verstoord door de aanleg van het Merwede-/Amsterdam Rijnkanaal; daarmee is de relatie tussen de Vecht en het westelijk veenweidegebied verbroken; de waterhuishouding is daarop aangepast. Aan de oostkant is de oorspronkelijke situatie nog goed in het landschap te herkennen en zijn de bestaande afwateringskanalen en sluizen aangepast voor en geïntegreerd in de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) met het doel om het rijke gewest Holland tegen de vijand te beschermen, door polders onder water te zetten, te inunderen,
19
Speciaal voor de NHW aangelegd is de sluis in de Vecht bij Nieuwersluis en de inundatiesluis tussen de Vecht en de Wijde Blik. Vechtpeil Van nature werd het Vechtpeil bepaald door het water waarop de Vecht kon lozen: de Zuiderzee. De benedenloop stond onder invloed van getijdenwerking en bij aanhoudende noordenwinden kon het water hoog worden opgestuwd. Vanaf de aanleg in 1673 tot het moment dat de verbinding tussen Vecht en Amsterdam-Rijnkanaal open permanent werd (ca. 1970), speelde de Groote Zeesluis in Muiden de hoofdrol bij het beheersen van het Vechtpeil. Toch kon deze de jaarlijks terugkerende overlast van overstromingen niet voorkomen. Nog in 1928 waren er tot aan Oud Zuilen toe overstromingen. Angst voor verdere overstromingen, schade aan de landbouw en gevaren voor de volksgezondheid gaven uiteindelijk de doorslag voor de aanleg van een stoomgemaal in Muiden, dat op 31 januari 1931 in werking werd gesteld. In 1932, met de voltooiing van de Afsluitdijk, kwam er een definitief einde aan de directe invloed van de Zuiderzee op de Vechtstreek. De permanente openstelling van de verbindingen met het Amsterdam-Rijnkanaal had tot gevolg dat het Vechtpeil ca. 30 cm daalde tot ca. -0,40 NAP, ongeveer het gemiddelde winterpeil van het IJmeer.
Door de permanente verlaging van het Vechtpeil zijn over grote lengtes de funderingen van (dakpan)oeverbeschoeiingen droog komen te liggen, met grote schade aan de oevers tot gevolg, die de laatste jaren steeds meer zichtbaar wordt. Sinds de aanleg van het Merwedekanaal is de Vecht als boezem voor zijn water vooral afhankelijk van de gebieden ten oosten van de Vecht. Door de drooglegging van de Bethunepolder en het verwerken van dat water tot drinkwater voor Amsterdam, heeft de Vecht een tekort aan water. In het zuiden zorgt het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden voor de toestroom van voldoende schoon water. Het noordelijk deel van de Vecht wordt vanaf 1976 in de zomermaanden kunstmatig gevoed met water uit het relatief schone IJmeer, dat door de Groote Zeesluis wordt ingelaten. Nu de Vecht zowel vanuit het noorden als het zuiden wordt gevoed, stroomt deze tot aan Nigtevecht tegen zichtzelf in. Sinds de laatste verbreding van het Amsterdam Rijnkanaal, rond 1970, staat de Vecht op zes plaatsen in open verbinding met dat kanaal en wordt het overtollige water via het IJ en het Noordzeekanaal op de Noordzee geloosd.
[1] Bij de baggerwerkzaamheden in het kader van het Restauratieplan Vecht (RPV) zijn hiervan in 2011 resten aangetroffen.
2.11 De Vechtoevers als infrastructuur-drager Tot diep in de Middeleeuwen was wie zich in onze streken niet over water wilde of kon verplaatsen vooral aangewezen op de hoge, relatief droge oeverwallen. Naarmate deze natuurlijke Vechtdijken werden verhoogd en verstevigd ontstond op beide oevers gaandeweg een stelsel van paden en wegen dat uitgroeide tot een regionaal netwerk. Al vroeg in de middeleeuwen was de Vecht van grote betekenis voor de handelsbelangen van de stad Utrecht. De ontwikkeling van de infrastructuur op de Vechtdijken hangt dan ook nauw samen met deze handelsbelangen. Eerst voor de stad Utrecht; vanaf de 16e – 17e eeuw wordt dat overgenomen door Amsterdam. Zo ontstaat op de westelijke oever een wegverbinding tussen Utrecht en Amsterdam (de Heerenwagenweg), vooral voor interlokaal rijvervoer, die zich later ontwikkelt tot postweg. Op de oostelijke oever ontstaan jaag- en zandpaden, in samenhang met het transport over water, de trekvaart. Oostelijke oever De ontwikkeling op de oostelijke oever valt voor een belangrijk deel samen met die van de trekvaart. De trekvaart, het vanaf een pad over het land (jaagpad) met een lange lijn voorttrekken van een schip, was al bij de Romeinen bekend en al in de middeleeuwen werden langs waterwegen stroken grond vrij gehouden
20
voor het slepen van schepen. Het voordeel van trekvaart boven varen op het zeil is de onafhankelijkheid van weer en wind waardoor een geregelde vaart mogelijk werd. Door de toenemende beurt- en turfvaart en de groei van de stad Utrecht nam de scheepvaart op de Vecht toe en daarmee het gebruik van het jaagpad. Al in 1437 had Utrecht tot aan Breukelen een jaagpad laten aanleggen, dat rond 1448 door het graven van de Nieuwe Wetering werd doorgetrokken tot de Angstel. In 1531 werd een ‘Maarschalk’ aangewezen die moest toezien op het onderhoud van de watergang tussen Utrecht en Amsterdam. De opkomst van de Gouden Eeuw zorgde voor toenemende scheepvaart op de Vecht. Voor de turfvaart werden steeds vaker paarden gebruikt om te jagen en ook het overige wegverkeer nam toe, waardoor het jaagpad op de oostelijke oever steeds minder voldeed. Omstreeks 1600 besloten de Staten van Utrecht het bestaande jaagpad te verbeteren en ook geschikt te maken voor paarden en karren. Het pad moest daarom tenminste 12 voet (ca. 3,75 m) breed worden en voorzien worden van een dikke laag zand (vandaar zandpad) [1].
Tracé van het Jaagpad In 1626 besloten de Staten van Holland en van Utrecht dat er een jaag- en zandpad moest komen dat loopt van Utrecht over de rechteroever van de Vecht tot aan de brug van het fort Nieuwersluis en vandaar langs de noordzijde van de Nieuwe Wetering en verder langs de Angstel en de Holendrecht richting Ouderkerk. Voor de verlenging van het pad naar Weesp en Muiden in het noorden gaven de Staten in 1628 het groene licht om het jaagpad aan te leggen van Nieuwersluis tot aan de Hinderdam. Daarbij werd tevens toestemming gegeven voor twee afsnijdingen van Vechtbochten “tot vermeydinge van cromten in de Vecht en vercortinge van de vaert ende trekpad”: de Nesservaart als afsnijding van de Nes en de aanleg van de Reevaart (als Nieuwe Vecht). De ‘Oude Vechtarm’ in Vreeland was al in de 15 e eeuw afgesneden. Het onderhoud van de jaagpaden viel, door middel van verhoefslaging en het innen van tolgelden, samen met dat van de dijken waarover zij waren aangelegd (zie aldaar) en werd (mede) gefinancierd door de tol die werd geheven. Westelijke oever Al in de Middeleeuwen liep op de westelijke oever een doorlopende weg tussen Utrecht en Amsterdam, via Oud Zuilen, Maarssen, Breukelen en Loenen naar Loenersloot tot aan Baambrugge, Abcoude en Ouderkerk.
Deze Heerenwagenweg of Heerenweg liep over de rug van de Vechtdijk en was uit klei opgeworpen en werd daarom ook wel Kleiweg genoemd. In 1531 bepaalden de Staten van Utrecht dat de weg een minimale breedte van 2 roeden (ca. 7,5 m) moest hebben. Karren trokken diepe sporen in de klei. Doordat zij eerst verschillende asbreedtes hadden, was de Kleiweg, zeker in natte perioden en in de wintermaanden, nagenoeg onbegaanbaar. Pas in de 17e eeuw werd de asbreedte gestandaardiseerd, zodat ook de postkoets een geregeld gebruik van de weg kon maken. In 1810 ging de weg deel uitmaken van het internationaal postroutenetwerk Amsterdam-Utrecht-Antwerpen. Route Impériale No. 2 – Rijksstraatweg – N402 Wanneer Napoleon in oktober 1811, met zijn jonge gemalin Marie-Louise, Amsterdam wil bezoeken en de fortificaties wil inspecteren, is het weer belabberd en zijn de wegen haast onbegaanbaar. Voor zo’n belangrijke missie –en zijn jonge bruid!- was de trekschuit te min. Dus nam hij de karos – en bleef alsmaar in de modder steken. Eenmaal aangekomen in Amsterdam bepaalde hij per decreet dat de Kleiweg een Rijksstraatweg zou worden, de Route Impériale No. 2 van Amsterdam naar Parijs, de tweede hoofdweg van zijn Keizerrijk. De aanleg werd voortvarend ter hand genomen [2] en amper twee jaar later, september 1813, was de weg gerealiseerd.
Weer twee maanden later was Napoleon verslagen en zette Willem I als ‘soeverein vorst’ voet op Nederlandse bodem: de Keizerlijke weg werd een Nederlandse Rijksweg.
21
Tracé, aanleg en gebruik Voor het grootste deel werd gebruik gemaakt van het bestaande tracé van de Kleiweg over de Vechtdijk maar sommige bochten werden door kaarsrechte ‘coupures’ afgesneden, zoals de Amsterdamsestraatweg tussen Maarssen en Utrecht, tussen Nijenrode en de kern van Breukelen en tussen Baambrugge en Abcoude. Bij de aanleg moest de Route Impériale voldoen aan hoge eisen: een verhoogde aarden baan met ruimte voor een 4 m brede verharde strook met gebakken klinkers, aan weerszijde geflankeerd door 2 m brede onverharde stroken, beplanting met bomen en aan de buitenzijde een sloot of greppel. De nieuwe weg was vooral bestemd voor personen- en postverkeer. Zwaar verkeer was eerst niet toegestaan, dat moest nog gebruik maken van vervoer over water. Met de opkomst van het spoor nam het verkeer over de Straatweg sterk af, om begin 20e eeuw met de opkomst van de auto weer sterk toe te nemen. Tot de openstelling van de rijksweg A2, in 1954, bleef de Rijksstraatweg voor het autoverkeer de hoofdverbinding tussen Amsterdam, Utrecht en Parijs.
Met de aanleg van de Rijksstraatweg wordt voor de Vecht en de Vechtstreek een nieuwe fase ingeluid, die bijna een eeuw later (1892) zijn definitieve beslag krijgt met de beslissing af te zien van het oorspronkelijke plan om de Vecht te verbreden en bochten af te snijden, maar om westelijk, op enige afstand van de Vecht het Merwedekanaal aan te leggen, waardoor de Vecht gespaard is gebleven en een Vechtstreek is ontstaan met twee ‘snelheden’: de ‘langzame Vecht’, waar de kwaliteiten van de Vecht bewaard zijn gebleven en op enige afstand daarvan de ‘snelle Vecht’, met de dynamiek van de grote infrastructuur.
[1] Manten 2002, p 27 [2] Uit het dagboek van Willem de Clercq Donderdag 4 juni 1812 Afgelopen zaterdag liep ik al om 7 uur naar de trekschuit en kwam ik al vroeg aan op mijn geliefde Rupelmonde. Daar merkte ik al direct dat men van slag was door onzalige berichten; het treurigste betrof wel de aanleg van de nieuwe weg, waarvoor men een dijk zou moeten verhogen tot meer dan 7½ voet boven het peil van de Vecht. Naast andere bezwaren, zou deze dijk het hele, door de dames zo geliefde zicht vanuit de Tuinkamer belemmeren. Bovendien is de weg voor het huis verbreed. Sloten, bruggen, hekken, mooie bomen, alles dat zich in zijn nieuwe tracé bevindt, moet worden gekapt of gesloopt. Voor de aanleg van deze dijk gebruikt men, tenslotte, links en rechts materialen, zonder zich te bekommeren om klachten van de eigenaar.
2.12 Hollandse Waterlinie Nu de kans groot is dat de Nieuwe Hollandse Waterlinie in 2019 de status van Werelderfgoed krijgt, liggen er voor Stichtse Vecht kansen om het boeiende verhaal van de Hollandse Waterlinies zichtbaar te maken, hoe de mens van de ‘nood’ (bodemdaling) een ‘deugd’ maakte (bescherming van het rijke Holland) om de vijand tegen te houden door het land ten oosten van de Vecht (de inundatievelden) onder water te zetten. En om alle processen en het ingenieuze netwerk van dijken en sluizen en andere waterhuishoudkundige werken die de Waterlinie mogelijk maakten in context te plaatsen en te tonen. Als hoofdleverancier van water (nodig voor de inundatie) speelt de Vecht in zowel de Oude als de Nieuwe Hollandse Waterlinie een hoofdrol. De Oude Hollandse Waterlinie linie volgde vanaf Muiden de Vecht stroomop om bij Nieuwersluis naar het westen af te buiten richting Woerden. Door inundaties - en een onverwacht vroeg invallende dooi – voorkwam deze linie dat de Fransen in de winter van 1672/73 Amsterdam en het rijke Holland konden innemen. Als represaille werden dorpen, buitenplaatsen en kastelen in brand gestoken – tenzij je voldoende betaalde!
22
De zuidelijke Vechtstreek en Utrecht werden dus niet beschermd door de Oude Hollandse Waterlinie. Het pleidooi om deze gebieden binnen de linie te brengen door deze naar het oosten op te schuiven, viel bij Napoleon in goede aarde: Amsterdam, de derde stad van zijn Rijk, zou zo beter beschermd worden. Uiteindelijk was het koning Willem I die in 1815 besloot tot de aanleg van het hele complex van dijken, sluizen, forten en andere werken, dat pas rond 1870 voltooid was. Als gevolg van de continue ontwikkeling van nieuw geschut en de komst van vliegtuigen moesten voortdurend verbeteringen worden aangebracht, tot aan de mobilisatie in 1939. Uiteindelijk was de linie van Muiden tot Woudrichem 85 km lang en gemiddeld 3 tot 5 km breed. Stichtse Vecht neemt daarin, met een Vechtlengte van 27 km (ca. 32%), een belangrijke plaats in. Amsterdam, dat bij een oprukkend veldleger als laatste bastion zou dienen, was nog onvoldoende beschermd. Daarom regelde de Vestingwet van 1874 de aanleg van de Stelling van Amsterdam, een 135 km lange verdedigingslinie op 15 tot 20 km van het centrum van de stad. De Stelling, in eerste instantie ook een waterlinie, is van 1880 tot 1914 aangelegd en bevat 45 forten. De Stelling van Amsterdam (in 1996 op de UNESCO Werelderfgoedlijst geplaatst) valt van Muiden tot Nigtevecht samen met de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
De Vecht was als hoofdwaterkering en als hoofdverdedigingslinie –met als ‘achterland’ eerst de Zuiderzee en de Amstel, later het Merwede-/Amsterdam-Rijnkanaal- verantwoordelijk voor de aanvoer van het water dat nodig was om de inundatievelden onder water te kunnen zetten. Om dat water op de juiste plek en de gewenste diepte te krijgen, de zg. ‘onderwaterhuishouding’, was de linie voor een belangrijk deel afhankelijk van het al bestaande ingenieuze systeem van sluizen, dijken, vaarten, stuwen en gemalen. Omdat de inundatievelden ten oosten van de Vecht liggen, vinden we de (sporen van) inundatiesluizen ook alleen aan die zijde en wel bij de Nedereindse Vaart,de Maarsseveensevaart, de Machinekade, de Kraaienestersluis, de Weersluis, de Mijndensesluis, de sluis in het Oud Over (tussen 164-166), ’t Sluisje (Vreeland), ’t Hemeltje en (net buiten Stichtse Vecht) de sluis in de Dammerweg. De Vechtdijken – en de toegangen tot die dijken (de accessen) - waren dus kwetsbaar en werden daarom door forten beschermd. Om de accessen te beschermen liggen de meeste forten op enige afstand van de Vecht, maar drie forten liggen dichtbij of aan de Vecht; het Fort aan de Hinderdam ligt er zelfs gedeeltelijk in. Het Fort bij Nigtevecht (als enige gelegen achter de Waterlinie) beschermt het sluizencomplex tussen de Vecht en het Amsterdam-Rijnkanaal.
Het Fort Nieuwersluis –waarvan het sluizencomplex in de Vecht deel uitmaakt- beschermt ook de Nieuwe Wetering, de verbinding tussen de Vecht en de Angstel. Door de bouw van de kazerne, thans in gebruik als penitentiaire inrichting, is in Nieuwersluis een deel van de vestingwerken niet meer als zodanig te herkennen. De schans die in het Rampjaar als onderdeel van de OHW zo’n belangrijke rol speelde, leeft voort in de naam van de buitenplaats Sterreschans. Verboden Kringen Om het schootsveld rond de forten vrij te houden, werden zg. ‘Verboden Kringen’ ingesteld: binnen die kringen mocht niet worden gebouwd, of alleen in hout zodat die huizen in geval van nood konden worden gesloopt of zelfs in brand gestoken. De Vecht ligt binnen de Verboden Kring van de forten de Klop, Nieuwersluis, Nigtevecht, de Hinderdam, Uitermeer, Weesp en Muiden. In o.a. Nieuwersluis herinneren de houten Verboden Kring-huizen langs de Mijndensedijk daaraan. Inundaties Met uitzondering van het onder water zetten tijdens de Mobilisatie (1939) van de Keverdijkse Polder en tijdens de eerste oorlogsdagen van de Noorder en Zuider polders tussen Muiden en Muiderberg, is de Nieuwe Hollandse Waterlinie in de Vechtstreek niet gebruikt voor zijn primaire doel: het land beschermen tegen de oprukkende vijand.
Wel zijn tegen het einde van de oorlog als represaillemaatregel zowel de Mijndensesluis, als ’t Sluisje in Vreeland door de Duitse troepen opgeblazen, met inundaties tot gevolg
23
2.13 Vestiging industrie Tot de aanleg van het Amsterdam-Rijnkanaal was de Vecht belangrijk voor de vestiging van industrieën: de oevers als vestigingslocatie en de rivier als transportader. En het Vechtwater voor de bierbrouwerijen en wasserijen. Vanwege de beschikbaarheid van klei in de komgronden en van turf in het achterland (en de Vecht voor de deur voor transport) waren de oevers van de Vecht uitermate geschikt voor het vestigen van steen- en pannenbakkerijen. Vanaf de Bemuurde Weerd, vlak buiten Utrecht, tot aan Vreeland hebben vele steen- en pannenbakkerijen op de oevers van de Vecht gelegen. Maar al vroeg waren er allerlei andere industrieën, zoals kalkbranderijen, wasserijen en een glasfabriek (bij de Glashut) en, meer in de noordelijke Vechtstreek, bierbrouwerijen en jeneverstokerijen (Weesp) en zoutziederijen en scheepswerven (Muiden), die allen hun afval op de Vecht loosden. Niet-agrarische activiteiten waren tot aan het einde van de 19 de eeuw een uitzondering. In de 19e eeuw zorgden de aanleg van het spoor (1843), maar vooral de aanleg van het Amsterdam-Rijnkanaal (1892) voor de vestiging van verschillende industrieën en daaraan gekoppelde bevolkingsgroei, vooral in Maarssen, Breukelen en Weesp.
Dat neemt niet weg dat sommige fabrieken zich aan de Vecht vestigden (zoals de jamfabriek Zwaardemaker, die rozebotteljam propageerde om een vitale vent te worden!) of de Verzinkerij Bammens en de Amsterdamse Kininefabriek (ACF) in Maarssen. In Vreeland vormt de ligging aan de Vecht voor Bernard van Leer nog in 1930 een aantrekkelijke voorwaarde om zich met zijn vatenfabriek (thans Greif bv) te vestigen op de locatie van de vrml. buitenplaats Brugzicht. Op en in meerdere buitenplaatsen waren industrieën gevestigd. Nog een paar voorbeelden: in het vlak buiten de stad Utrecht gelegen Zijdebalen was de beroemde, op waterkracht aangedreven zijdesprinnerij gevestigd; Lammerts van Bueren had zijn zeilmakerij op Herteveld; in het koetshuis van Vreedenhoef, ook Maarsen, zat de Atlas Verenfabriek. De buitenplaatsen Cromwijck en het aan de overkant van de Vecht gelegen Vecht en Rhijn werden door hun eigenaar naast de steenfabriek gebouwd. Vecht en Rhijn is het enig overgebleven voorbeeld van een steen- en pannenbakkerij met landhuis aan de Vecht. De steenfabriek van Cromwijck sloot in de 19 e eeuw; het huis verloor in 1934 zijn dak door brand in de kapok voor de matrassenfabriek. In de jaren zestig was Cromwijck in gebruik bij de FAM Stofzuigerfabriek. De berceau op Stoopendaal's afbeelding van Rupelmonde schijn te zijn aangelegd op de lijnbaan van een touwslagerij.
De Glashut langs het Oud Over herinnert aan de glasfabriek op het terrein van Ooster echt. Al lang voordat van Leer vatenfabriek zijn vatenfabriek op Brugzicht vestigde was ooit, ook in Vreeland, op Vreedenhorst een koperplaat katoendrukkerij actief. In 1914 werd op Veldzicht, langs de ’s-Gravelandseweg in Weesp, een ijzergieterij gevestigd, in de jaren zestig opgevolgd door Rubatex, een late verwerkende industrie. De zware bodemvervuiling zorgt al jaren voor een patstelling . Van groot belang voor de ontwikkeling van noordelijke Vechtstreek zijn, behalve de rivier de Vecht en het Amsterdam-Rijnkanaal, de aanleg (in 1641) van de Muider- en Naarder trekvaart voor het zandtransport van Muiderberg naar Amsterdam en, in 1874, de aanleg van de Gooilijn (Oosterspoorweg), de spoorlijn van Amsterdam naar Amersfoort en verder naar het DuitseRuhrgebied . In Weesp, waar tussen 1759 en 1769 het befaamde Weesper porselein werd gemaakt, zorgde de chocoladefabriek Van Houten (vanaf 1850) dat de stad tot grote bloei kwam. De Van Houtenkerk aan de Oude Gracht herinneren er aan dat dit bedrijf meer dan een eeuw zijn stempel op de stad heeft gedrukt. De vestingstad Muiden had al in de 17e eeuw een kruitmolen of kruitfabriek, later onder de naam ‘De Krijgsman’ die vooral een reputatie heeft vele malen, soms met dodelijk gevolg, te zijn ontploft.
Dat leidde in 1986 tot sluiting en lange procedures, totdat uiteindelijk in 2017 kon worden begonnen met de realisatie van ca. 1.300 woningen. Door de ligging aan de monding van de Vecht lag Muiden gunstig voor de zoutziederij en zouthandel, die al vanaf rond 1600 voor werkgelegenheid zorgde en uiteindelijk faam verwierf door de familie Bouvy die van 1838 tot de sluiting in 1969 leiding gaf aan de fabriek.
24
Nog in 1952 wordt Maarssen-Maarsseveen in het Uitbreidingsplan beschreven als ‘één der groeiende industriegemeenten van ons land’. Maar inmiddels is de industrie langs de Vecht verdwenen, met uitzondering van de betonfabriek Nigtevecht Beheer bv (Tasseron) en Greif bv. Maar het vuil bleef achter en ondertussen neemt de toeristisch-recreatieve industrie de Vecht in haar bezit.
2.14 Het Restauratieplan Vecht Door vestiging in de eerste helft van de 20e eeuw van vervuilende industrie en het lozen van het stadswater van Utrecht wordt de Vecht een zwaar vervuilde rivier, een open riool en zo dood als een pier. Daarin wordt verandering gebracht door zuiveringsinstallaties en uiteindelijk het Restauratieplan Vecht, waarbij een groot aantal partijen hebben samengewerkt om de Vecht grondig te saneren en de waterkwaliteit te verbeteren en de Vecht weer gezond te maken en waterplanten en vissen weer terug te krijgen. Onder andere door een enorme baggeroperatie waarbij 2,4 miljoen kubieke meter zwaar vervuild slib is gebaggerd en afgevoerd en de realisatie van een groot aantal natuurvriendelijke oevers.
2.15 Geraadpleegde literatuur Berg, Bart O. Van den, Evert Boeve, Dedalo Carasso & Carla S. Oldenburger, Theekoepels en tuinhuizen in de Vechtstreek en ’sGraveland, Vechtplassencommissie, 1980 Blijdenstijn, Roland & Kees Volkers, Over Historische wegen – varen, rijden en sporen door de provincie Utrecht, provincie Utrecht, 2018 Bos, Ingwer, Hendrik Feiken, Frans Bunnink & Jeroen Schokker, Influence of organics and classic fills on distributary channel processes in the distal Rhine-Meuse delta (The Netherlands), Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology, 284, 2009, pp 355-4374 Clercq, Willen de, Dagboek van Willem de Clercq 1811-1844, http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/declercq/ Clercq, Steven de & Hans van Bemmel, Het raadsel van de dakpanbeschoeiingen in de Vechtstreek,, Jaarb. Niftarlake, 2008, pp 90-99 Clercq, Steven de & Hans van Bemmel, Hoefslagpalen en een verkenning naar het onderhoud van de Vechtdijk, Jaarb. Niftarlake, 2008, pp 106-114 Clercq, Steven de, Juliette Jonker-Duynstee, Jörn Copijn en Luuc van Dam, Vechtoevers – zien en gezien worden – Hoe houden we onze Vechtoevers mooi? Vechtplassencommissie, 2011 Clercq, Steven de, Land uit water, Jaarb.
Niftarlake, 2014 Clercq, Steven de & Juliette Jonker-Duynstee, De Kracht van Stichtse Vecht, Vechtsnoer, 2018 Dukes, M.N.G., Een eeuw geleden: de redding van de Vecht, 1976 Donkersloot-de Vrij, Marijke, De Vechtstreek, Oude kaarten en de geschiedenis van het landschap, Heureka, Weesp, 1985 Dooren, Noël van, Vecht Vademecum, Vechtplassencommissie, 2002 Jonker-Duynstee, Juliette, De Vechtoevers – waterkering & infrastructuurdrager, manuscript, 2010 Jonker-Duynstee, Juliette en Anton Cruysheer, Vreeland, 750 jaar geschiedenis in vogelvlucht, VechtExclusief, 2015 Jonker-Duynstee, Juliette & Steven de Clercq, Gouden Bochten – Amsterdam & de Vechtstreek, Vechtsnoer, 2015 Manten, A.A., Scheepvaart op de Vecht, Maandblad Oud Utrecht, 1991, pp. 118-130 Manten, A.A., De mens zoek zijn weg, Rijkswaterstaat/HKBreukelen, 2002
25
3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Binnenvaartpolitiereglement Het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) bevat de verkeersregels voor de Nederlandse binnenwateren. Zo staan hierin de borden en overige verkeerstekens vermeld, de te voeren verlichting, tekens en geluidsseinen voor vaartuigen, en de voorrangs- en uitwijkregels op het water. Het BPR werd als wet vastgesteld op 26 oktober 1983 en vormt de opvolger van het vaarreglement (1965-1984). Het is op 1 juli 2010 grondig gewijzigd en voor per 1 januari 2016 op op onderdelen voor het laatst herzien. Het BPR geldt voor iedereen en voor elk vaartuig, zowel voor de beroepsvaart als voor de recreatievaart (inclusief roeiboten en surfplanken). Op grond van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement is het BPR geldig op alle Nederlandse binnenwateren, behalve de Rijn, de Waal en de Lek. Daar geldt het Rijnvaartpolitiereglement. In de grensgebieden op de Westerschelde, kanaal van Gent naar Terneuzen, de Maas in Limburg en de Eems-Dollard gelden specifieke reglementen. Planspecifiek In de (beleids)regels van de lagere overheidslagen, zoals de provincie en het waterschap, is qua regelgeving aangesloten bij het hoofdkader dat wordt gevormd door het BPR. De relevante begrippen uit het BPR zijn in dit bestemmingsplan overgenomen.
26
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale Structuurvisie 2013 - 2028 De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) is opgesteld om te zorgen voor een blijvend aantrekkelijke provincie. Via haar ruimtelijk beleid draagt de provincie bij aan een kwalitatief hoogwaardige fysieke leefomgeving, waarin het ook in de toekomst plezierig wonen, werken en recreëren is. De PRS geeft de ruimtelijke ambities weer van de provincie Utrecht. Hierin staat welke doelstellingen de provincie van provinciaal belang acht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort én hoe dit beleid uitgevoerd wordt. Deels loopt deze uitvoering via de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (PRV) die tegelijk met de PRS is vastgesteld. De PRS is een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op grond van de Wro heeft de PRS alleen een zelfbindende werking. Het is bindend voor de provincie, niet voor andere partijen. De PRV zorgt voor doorwerking van het beleid en is bindend voor de gemeenten. De Vecht maakt in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie onderdeel uit van de cultuurhistorische hoofdstructuur. De Vecht is gelegen binnen de historische buitenplaatszone en het militair erfgoed. De historische buitenplaatsen vertegenwoordigen bijzondere cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden in onze provincie.
De historische buitenplaatszones staan tegelijkertijd onder hoge druk, zowel door ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving, als door ontwikkelingen op de buitenplaatsen zelf. Voor de historische buitenplaatszones ziet het provinciaal beleid enerzijds op het veiligstellen en anderzijds het ruimte bieden aan ontwikkelingen. Voor het militair erfgoed van de voormalige waterlinies, Stelling van Amsterdam, Nieuwe Hollandse Waterlinie, Oude Hollandse Waterlinie en Grebbelinie, ligt de opgave vooral op het via gebiedsontwikkelingen behouden en beleefbaar maken van de linies in het landschap. De ruimtelijke effecten van dit bestemmingsplan zijn in relatie tot de cultuurhistorische aspecten beperkt. Dit is mede ingegeven door het feit dat binnen dit bestemmingsplan de ruimtelijke uitgangspunten van de Provinciale landschapsverordening zijn gevolgd. Daarmee heeft afstemming van de provinciale structuurvisie eigenlijk al plaatsgevonden. 3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 De Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (PRV) inclusief de eerste en tweede partiële herziening bevat algemene regels die gemeenten in acht moeten nemen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen. In de PRV staan geen regels die direct doorwerken naar de burgers. In de PRV zijn alleen de algemene regels opgenomen, die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de provinciale belangen.
De PRV geeft soms harde ruimtelijke grenzen aan. Soms wordt volstaan met de verplichting om een ruimtelijke keuze voor een bepaald beleidsaspect goed te onderbouwen. Daarnaast bevat de PRV ook regels die voortvloeien uit het Barro. In de PRV is De Vecht deels gelegen in de recreatiezone, drinkwaterwinningsgebied, landelijk gebied, cultuurhistorisch waardevolle gebieden (buitenplaatszone en militair erfgoed), groene hart, aardkundige waarden, en Natuur Netwerk Nederland. Daarmee zijn nagenoeg alle regels uit de provinciale verordening wel van toepassing op dit bestemmingsplan. Ook hier geldt dat de nauwe afstemming met de Provinciale verordening Natuur en Landschap tot gevolg heeft dat de regels van dit bestemmingsplan in overeenstemming zijn met de Provinciale Verordening.
27
3.2.3 Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017 Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet zijn drie oude wetten, te weten de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet geïntegreerd. Deze wet vormt tevens een implementatie van de afspraken uit het Bestuursakkoord natuur. De provincie krijgt met deze wet in belangrijke mate de regie over het natuurbeleid. Verschillende taken en verantwoordelijkheden gaan hiermee over van het Rijk naar de provincie. Op grond hiervan is het noodzakelijk om, bij verordening, voor verschillende onderwerpen nadere regels te stellen. Deels verplicht de wet om deze regels te stellen, bijvoorbeeld betreffende faunabeheereenheden en faunabeheerplannen, deels zijn nadere regels wenselijk om op een efficiënte manier de uit de wet voortvloeiende taken en verantwoordelijkheden uit te kunnen voeren. De onderhavige regeling voorziet hierin. In de toelichting bij de verschillende hoofdstukken wordt nader ingegaan op de achtergrond van deze regels. De wet regelt niet alleen de bescherming van soorten en gebieden maar biedt ook een handvat om regels te stellen met betrekking tot de bescherming van landschappen. In Utrecht was hiervoor in het najaar van 2016 de Landschapsverordening provincie Utrecht 2016 vastgesteld.
Deze verordening ziet mede op de bescherming van natuurwaarden buiten stedelijk gebied. Gelet op het feit dat het deels dezelfde onderwerpen betreft is ervoor gekozen om deze Landschapsverordening integraal op te nemen in hoofdstuk 5 van de Verordening Natuur en Landschap. Woonschepen In afdeling A (artikel 5.4.2 t/m 5.4.4) zijn specifieke regels met betrekking tot woonschepen opgenomen. Planspecifiek (woonschepen) In onderhavig bestemmingsplan worden de bestaande aanduidingen en regelingen voor woonschepenligplaatsen (bestaande planologische rechten) 1-op-1 overgenomen uit de geldende bestemmingsplannen en is geen sprake van nieuw beleid. Andere Vaartuigen en voorwerpen In afdeling B (artikel 5.4.6 t/m 5.4.8) zijn specifieke regels opgenomen met betrekking tot alle vaartuigen en andere voorwerpen die niet als woonschip zijn aan te merken. Het is in principe verboden om dergelijke vaartuigen of drijvende voorwerpen ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, of anderszins in, op of vlak boven een water te plaatsen, aanwezig te hebben of te houden. Het verbod is echter niet van toepassing op plaatsen aangegeven met verkeerstekens E.5 tot en met E.7.1. Dit zijn de blauwe borden die de locaties aangeven waar toestemming is om ligplaats te nemen en/of te ankeren.
Als genoemde verkeerstekens niet zijn geplaatst, maar openbare aanlegplaatsen voor het tijdelijk aanleggen van vaartuigen door passanten van overheidswege op een andere wijze zijn aangeduid, dan wordt dat gerespecteerd. Daarnaast zijn er nog verschillende andere uitzonderingen (artikel 5.4.8) waarop het verbod niet van toepassing is. De belangrijkste worden hierna besproken: Er wordt in lid 3 een uitzondering gemaakt voor één open vaartuig met een maximale lengtemaat van 7,0 m, zonder stuur- of slaaphut, zonder kajuit en zonder enig andere overdekte verblijfsruimte, afgemeerd bij een erf. Het gaat hier dus ook om overdekkingen, die aan een of meerdere zijden open zijn. Om een opeenhoping van aangemeerde vaartuigen te voorkomen, geldt deze vrijstelling alleen indien er geen andere vaartuigen op dezelfde locatie liggen afgemeerd. Dit wordt uitgedrukt door de nadruk op het woord één. Door de vrijstelling in lid 5 mag in plaats van de uitzondering in lid 3 ook een ander vaartuig afgemeerd worden, maar alleen tijdens het recreatieseizoen (de periode van 15 maart tot en met 31 oktober) en alleen om het in- of uitpakken, dan wel vaarklaar van dat vaartuig mogelijk te maken. De vrijstelling gaat onder andere niet samen met het gebruik van de vrijstelling uit lid 3 en lid 7.
28
Het afmeren van vaartuigen, ook bij een horecagelegenheid, valt onder het afmeerverbod. Het is echter niet de bedoeling om het kortstondig afmeren van partyschepen of recreatievaartuigen bij een horecagelegenheid onmogelijk te maken. Het afmeren ten behoeve van het in- en uitstappen bij horecagelegenheden heeft geen zwaarwegende landschappelijke bezwaren. Daarom is deze vrijstellingsbepaling opgenomen. De vrijstelling in lid 6 geldt alleen maar als het een bestemde horecagelegenheid betreft. Diverse restaurants langs de Vecht hebben een vaartuig (partyschip) afgemeerd bij het restaurant, dat gebruikt wordt bij feesten en partijen. Dit past in het (ook provinciale) streven naar een grote diversiteit aan recreatief-toeristische voorzieningen. Landschappelijk gezien is er geen groot bezwaar tegen het permanent afmeren van een partyschip tot maximaal 25 meter, omdat er een functionele binding is met het gebouw waar het bij hoort (de horecagelegenheid). Het gebruik van deze vrijstelling uit lid 7 sluit het gebruik van de vrijstellingen uit onder andere lid 3 en lid 5 uit. Planspecifiek (andere vaartuigen en voorwerpen) Qua maatvoering voor vaartuigen buiten stedelijk gebied wordt aangesloten bij de maatvoering uit de Verordening Natuur en Landschap.
Ook het kortstondig afmeren van bezoekers met vaartuigen bij horecagelegenheden wordt gefaciliteerd door het opnemen van de aanduiding 'specifieke vorm van water - bezoekersligplaatsen' op de verbeelding van onderhavig bestemmingsplan. Steigers In afdeling C (artikel 5.4.9 t/m 5.4.11) zijn specifieke regels opgenomen met betrekking tot havens en aanlegplaatsen bij andere vaartuigen en voorwerpen. Havens en aanlegplaatsen op bepaalde locaties kunnen de door de verordening beschermde belangen aantasten. Indien er ruimte is om ontheffing te verlenen, kan door middel van de ontheffingsvoorschriften de inpassing in het landschap worden geregeld. In artikel 5.4.9 worden de voorzieningen die noodzakelijk zijn voor de aanleg van havens en aanleg- en ligplaatsen aan elkaar gekoppeld. Hiermee wordt voorkomen dat bijvoorbeeld een vissteiger of remmingswerk onder het verbod valt. Voorzieningen, die op een bepaalde locatie in het water worden geplaatst of daarin al aanwezig zijn, kunnen ook de door de verordening te beschermen waarden aantasten. Indien op een bepaalde locatie ontheffing van het afmeerverbod voor een bepaald type woonschip of vaartuig aanvaardbaar is dan moet er gelijktijdig de mogelijkheid zijn om onder voorwaarden ontheffing te kunnen verlenen voor de inrichting en het hebben van de aanlegplaats en het maken en hebben van de daarbij behorende voorzieningen.
Afhankelijk van de waarden van het gebied kan het treffen van voorzieningen op de oever tot een minimum worden beperkt. Artikel 5.4.10 maakt het mogelijk om aan een erf een steiger te realiseren. Steigers moeten aan bepaalde afmetingenvoorschriften voldoen om te voorkomen dat zij een te grote inbreuk maken op natuur en landschap. Om te voorkomen dat verschillende overheden voor steigers verschillende afmetingenvoorschriften hanteren, is aansluiting gezocht bij de voorschriften die de meeste water- of vaarwegbeheerders stellen voor de betreffende locatie: 7,2 m². Planspecifiek (steigers) In de regels is voor steigers een regeling opgenomen waarbij de maximum maatvoering 6 x 1,2 m bedraagt (7,2 m²), waarbij steigers evenwijdig aan de oever moet worden gebouwd. Omdat de hele Vecht onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland (ecologische verbindingszone) is het tevens verboden om verlichte steigers te realiseren.
29
3.2.4 Natuur Netwerk Nederland De rivier de Vecht is in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie in zijn geheel aangewezen als ecologische verbindingszone. Ecologische verbindingen zijn een essentieel onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur geheten). Onder ecologische verbindingen worden gebieden of structuren verstaan die planten en dieren de mogelijkheid bieden zich binnen het landschap te verplaatsen tussen leefgebieden. Verbindingszones zullen, als strategie bij het oplossen van de problematiek van versnippering en isolatie, een positieve invloed uitoefenen op de overleving van populaties en planten- en diersoorten en daarmee bijdragen aan de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van ecosystemen. Natuur Netwerk Nederland Het Natuur Netwerk Nederland (hierna: NNN) is een robuust netwerk gevormd door bestaande natuurgebieden, nieuwe nog te realiseren natuurgebieden en verbindingen tussen de natuurgebieden. Enkele blijvend agrarische gebieden maken ook onderdeel uit van het NNN. Dit zijn landbouwgebieden waar agrarisch natuurbeheer wordt ingezet om een bijdrage te leveren aan de biodiversiteit, én aan het functioneren van het NNN. Het NNN heeft twee doelen: 1.
2.
de rijkdom aan soorten - de biodiversiteit - te behouden en te herstellen. Hiervoor is het noodzakelijk dat natuurgebieden worden uitgebreid, verbeterd, en met elkaar worden verbonden in een samenhangend netwerk. Dit netwerk moet functioneren in ruimte en tijd, waardoor planten en dieren een duurzame, robuuste en klimaatbestendige leefomgeving krijgen; ruimte bieden aan de groeiende behoefte aan rust en ruimte, waardoor inwoners en bezoekers de natuur kunnen beleven en het draagvlak voor natuurbeleid gewaarborgd is.
Om een zorgvuldige beoordeling te kunnen maken, zal bij bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen in het NNN een zogenaamd nee, tenzij-onderzoek de effecten van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling op de te beschermen, te ontwikkelen en te behouden factoren moeten specificeren. Het gaat daarbij om de ‘wezenlijke waarden en kenmerken’ van de bij het gebied behorende natuurdoelen en natuurkwaliteit: 1. 2. 3. 4.
de bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem waaronder ook begrepen worden de vereiste omgevingsfactoren zoals donkerte, bodem, water en milieu; de robuustheid en de aaneen geslotenheid van het NNN; de aanwezigheid van bijzondere soorten; de verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen.
Ook moet worden onderzocht of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het NNN niet leidt tot significante vermindering van de oppervlakte van de (natuur-)gebieden of de samenhang tussen deze gebieden. Natuurvriendelijke oevers Het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) heeft halverwege de jaren negentig een convenant gesloten met verschillende partijen, die bij het beheer van waterkwaliteit en kwantiteit van de rivier de Vecht betrokken zijn. In dit convenant is een restauratieplan voor de Vecht beschreven. In het kader van dit restauratieplan zijn sinds 1997 ruim 12 km natuurvriendelijke oevers aangelegd waaronder kraamkamers voor waterplanten. Het doel van deze natuurvriendelijke oevers is de water- en oevervegetatie beter tot ontwikkeling te laten komen hetgeen een positief effect heeft op de waterkwaliteit en op de op water gerichte dieren en insecten waaronder vissen, libellen en waterkevers. De aanleg van meer natuurvriendelijke oevers en de in stand houding ervan blijft een belangrijk uitgangspunt voor de toekomst en hoort een plek te krijgen in het bestemmingsplan.
30
Een natuurvriendelijke oever wordt als volgt gedefinieerd: Oevers die ten behoeve van de ecologische toestand en (natte) natuurwaarden zijn ingericht met een ondiepe “natte” zone die oever- en waterplanten de kans bieden zich te ontwikkelen. Het restauratieplan is er onder andere op gericht om ondergedoken waterplanten weer terug te krijgen in het natuurlijke beeld van de rivier. Het doel is dat langs ten minste 15% van de oevers waterplanten groeien. Deze plekken in rivier de Vecht moeten aan drie voorwaarden voldoen namelijk verspreiding van zaden, ontkieming en overleving. De volgende soorten waterplanten zijn in de basis als doelsoorten aangeven. Het zijn soorten die weinig eisen stellen aan hun milieu en daarom algemeen voorkomen. Deze vier soorten kwamen vroeger veel voor in de Vecht.
• • • •
Potamogeton pectinatus (Schedefonteinkruid) Callitriche obtusangula (Stomphoekig sterrenkroos) Elodea nutallii (Smalbladige waterpest) Ceratophillum demersum (Gedoornd hoornblad)
In Hinderdam zijn inmiddels kraamkamers voor waterplanten gerealiseerd. Een tweede kraamkamer is gewenst en zou in het gesaneerde Slijk (bij Ganzenhoef) kunnen komen te liggen. De helderheid van het water is, zeker sinds de sanering van de waterbodem, goed. Op sommige plekken kun je al meer dan een meter diep het water in kijken hetgeen een positief effect heeft op de waterplanten. De visstand is nog niet optimaal. Er zitten te veel brasems en karpers en te weinig soorten die horen bij helder plantenrijk water, zoals de zeelt en ruisvoorn. Waarom is uitbreiding van het areaal aan natuurvriendelijke oevers nodig? Uit onderzoeken die onder meer in het kader van het Restauratieplan Vecht en de Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn uitgevoerd blijkt voor een goede ontwikkeling van de waterkwaliteit en ecologie een samenstel van maatregelen noodzakelijk. Deze maatregelen zijn:
• • • • •
Verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringen die lozen op de Vecht; Baggeren van de Vecht inclusief het de waterbodemsanering van ’t Slijk; Uitbreiding van het areaal aan natuurvriendelijke oevers; Streven naar vermindering van het aantal woonboten op de Vecht; Beperken van de snelheid van vaartuigen op de Vecht.
Alle genoemde maatregelen zijn uitgevoerd. De uitbreiding van het areaal natuurvriendelijke oevers is net als alle andere maatregelen een onmisbaar onderdeel van dit samenstel aan maatregelen. Het realiseren van extra faciliteiten (zoals extra steigers) voor de recreatievaart, waarin dit bestemmingsplan voorziet, leidt tot extra beschaduwen van de voor de ecologie belangrijke “natte” zone met waterplanten en het ondiepe deel van het onderwatertalud. Dit heeft een negatieve invloed op het behalen van de gestelde doelen voor de Vecht. Daarom gelden een aantal regels, namelijk: 1. 2. 3. 4.
Er moet compensatie plaatsvinden door uitbreiding van het areaal natuurvriendelijke oevers met een flauw en ondiep onderwatertalud waar waterplanten zich kunnen ontwikkelen. De bouw van natuurvriendelijke steigers waarmee het doorlaten van licht niet onnodig wordt beperkt (zie figuur). Een verbod op het afmeren van een (woon)schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting binnen de bestaande natuurvriendelijke oeverzones. Het aanbrengen van oeverbeschoeiing is binnen de natuurvriendelijke oeverzones alleen onder strikte voorwaarden toegestaan, namelijk tussen de natte en droge oever ten behoeve van versteviging van de wegconstructie en stabiliteit van de dijk.
31
Belangrijk aandachtspunt is tevens de vaarsnelheid van de recreatievaart. Veel recreanten houden zich niet aan de maximum vaarsnelheid. Hard varen brengt hoge golven met zich mee, die een negatief effect hebben op de oevers en de natuur. De navolgende afbeeldingen laten zien op welke wijze een natuurvriendelijke steiger kan worden gerealiseerd.
32
3.3 Waterschapsbeleid 3.3.1 Keur AGV De taak van het waterschap is om te zorgen voor een veilig en gezond watersysteem. Volgens de Waterwet gaat het daarbij om drie hoofddoelstellingen:
• • •
Voorkomen van overstroming, wateroverlast en waterschaarste Beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van watersystemen Vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
Om deze doelen te kunnen realiseren beschikken de waterschappen over een eigen verordening, die van oudsher de Keur heet. De Keur kent ‘verboden' en ‘geboden' voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oevers en wateren. De Keur is een belangrijk instrument voor het waterschap om activiteiten in en rond het watersysteem in goede banen te leiden en te zorgen dat ze geen gevaar op kunnen leveren voor het watersysteem. Dit maakt het mogelijk om het watersysteem en de keringen voor méér te gebruiken dan alleen voor bescherming tegen wateroverlast en het creëren van een ecologisch gezond watersysteem. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) beschikt over een Keur, een Keurbesluit vrijstellingen, met daarin voorwaarden voor vrijstelling, en de Beleidsregel keurvergunningen, waarin de vergunningsvoorwaarden staan waaraan activiteiten moeten voldoen die niet passen binnen de vrijstellingen uit het Keurbesluit vrijstellingen. Overgangsbepalingen In de overgangsbepalingen van de Keur is opgenomen dat voor werken, woonschepen en drijvende inrichtingen in, boven of onder wateren en/of de beschermingszones die aantoonbaar vóór 1 januari 2002 zijn aangebracht of afgemeerd op de betreffende locatie, in strijd met het bepaalde in deze Keur, wordt geacht vergunning te zijn verleend.
De enige uitzondering op deze bepaling is wanneer het bestuur van oordeel is dat er een onacceptabele belemmering ontstaat voor het onderhoud of de aan- en afvoer van water, of voor het scheepvaartverkeer, of wanneer het object langs een rode oeverzone ligt. Planspecifiek (overgangsbepalingen) De rode oeverzones, die nader zijn afgebakend in het 'Verkeersbesluit Vaarwegen AGV-1 2016' (zie toelichting paragraaf 3.3.4), zijn overgenomen op de verbeelding en voorzien van de aanduiding 'vrijwaringszone - rode oeverzone'. De meeste van deze rode oeverzones bevinden zich nabij bruggen en sluizen. Ter plaatse is het innemen van ligplaatsen uitgesloten. Uiteraard mag er wel aangelegd worden aan speciaal daarvoor aangebrachte wachtsteigers. Onderhoudsplichtigen en onderhoudsverplichtingen in oppervlaktewaterlichamen Dit artikel wijst de onderhoudsplichtigen aan en benoemt hun onderhoudsverplichtingen en begrenst de fysieke omvang van de onderhoudsverplichtingen. In artikel 2.5 van de Keur staat dat het hoogheemraadschap in principe verantwoordelijk is voor het op diepte houden (baggeren) en het vrijhouden van plantengroei (maaien) van het stromingsprofiel van primaire wateren. In de praktijk onderhoudt het hoogheemraadschap vaak het gehele 'natte' profiel, voor zover gelegen beneden het hoogste streefpeil, inclusief het natte deel van natuurvriendelijke oevers.
Maar niet onder woonschepen en steigers en dergelijke en ook niet in bredere en grotere wateren zoals havenbassins, plassen en vijvers. (Afwijkende) afspraken over het onderhoud van wateren binnen stedelijk gebied tussen gemeente en hoogheemraadschap worden doorgaans vastgelegd in een beheerovereenkomst en kunnen uiteindelijk worden vastgelegd in de legger. Binnen stedelijk gebied zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het schoon houden van de openbare ruimte. Daar hoort ook het water bij. Daarom is het verwijderen van vuil uit de primaire (niet particuliere) wateren in stedelijk gebied een taak van de gemeente. Dit geldt ook wanneer met een gemeente is afgesproken dat AGV het
33
'schouwonderhoud' overneemt. Het schouwonderhoud betreft immers geen dagelijks onderhoud, waaronder het verwijderen van vuil wél valt. Het onderhoud van het water onder woonschepen en steigers, is een verantwoordelijkheid van de gerechtigde van de ligplaats. De verplichting van de gerechtigde heeft prioriteit boven de verplichting van het hoogheemraadschap: dus bijzonder vóór algemeen. De reden hiervoor is dat de ligplaats in gebruik is bij de gerechtigde daarvan. In artikel 2.7 is opgenomen dat voor gerechtigden van ligplaatsen van woonschepen en drijvende inrichtingen specifieke onderhoudsverplichtingen gelden voor de ligplaats, waaronder uitdrukkelijk ook het water tussen wal en schip moet worden verstaan. Ook dit artikel bevat een algemene regeling die voor het gehele beheergebied van het hoogheemraadschap geldt. Planspecifiek (Onderhoudsplichtigen en onderhoudsverplichtingen) In onderhavig bestemmingsplan zijn geen specifieke bepalingen opgenomen over deze verplichtingen uit de Keur, anders dan dat altijd aan de bepalingen uit de Keur voldaan moet worden.
Verboden handelingen in en nabij waterkerende dijklichamen en oppervlaktewaterlichamen Het is op basis van artikel 3.1 lid 2 onder andere verboden zonder vergunning van het bestuur in, boven of onder oppervlaktewaterlichamen en de beschermingszones daarvan en in de kernzone en beschermingszones van waterkerende dijklichamen en waterkerende constructies:
• •
steigers en afmeerpalen aan te brengen, te hebben, te wijzigen of te verwijderen; ligplaats te nemen, te meren of te ankeren, met een (woon)schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting;
Ad 3.1 lid 2 sub i Redenen voor dit verbod zijn het zo min mogelijk beperken van de doorstroming; en daarnaast water en oevers, en de ruimte onder en achter de steiger, zoveel mogelijk toegankelijk houden voor onderhoud en voor de bestrijding van calamiteiten, ook met behulp van vaartuigen. Het aanbrengen van steigers of afmeerpalen kan ook de waterkering verzwakken. Tenslotte speelt ook de ecologische toestand van water en oever een belangrijke rol. Onderhoud van de steiger wordt niet gezien als een wijziging. Het vervangen van de hele steiger, of een gedeelte dat zich in het water bevindt, zoals een of meerdere palen van de steiger, wordt beschouwd als wijziging. Een uitbreiding van de steiger is altijd een wijziging. Ad 3.1 lid 2 sub m Wanneer een schip langs een waterkering is afgemeerd dient onder meer voldoende ruimte tussen het schip en de wal over te blijven voor inspectie en onderhoud van de waterkering of de beschoeiing van de oever om er zeker van te zijn dat de stabiliteit van de achtergelegen waterkering niet in gevaar komt. Ook mogen in het water of langs de oever gelegen zaken niet dusdanig in de waterkering of beschermingszone verankerd zijn dat ze schade aan de waterkering kunnen veroorzaken of de stabiliteit daarvan kunnen aantasten.
De doorstroming, de waterbeheersing of het onderhoud van het water mag ook niet gehinderd of geblokkeerd raken door het nemen van ligplaats. Planspecifiek (Verboden handelingen) In het Keurbesluit vrijstellingen (zie toelichting paragraaf 3.3.2) zijn vrijstellingsbepalingen opgenomen voor steigers en afmeerpalen in wateren binnen stedelijk gebied, steigers en afmeerpalen in wateren buiten stedelijk gebied, steigers en afmeerpalen langs groene oeverzones en het ligplaats nemen (meren en ankeren). Daarnaast zijn in de Beleidsregel keurvergunningen (zie toelichting paragraaf 3.3.3) vergunningsregels opgenomen voor steigers.
34
3.3.2 Keurbesluit vrijstellingen Het aanvragen van vergunningen brengt veel administratieve lasten met zich mee voor burgers en bedrijven. Het waterschap wil die lasten zo klein mogelijk maken. In de Keur staat daarom een bepaling, in artikel 3.16, waarmee het dagelijkse bestuur van het waterschap de mogelijkheid krijgt om bepaalde activiteiten vrij te stellen van de vergunningplicht en voor die activiteiten voorwaarden en voorschriften vast te stellen. Het Keurbesluit Vrijstellingen is de uitwerking van dit artikel. Het Keurbesluit heeft alleen betrekking op de verboden in hoofdstuk 3 van de Keur. In het Keurbesluit heeft het waterschap beschreven onder welke voorwaarden bepaalde activiteiten zijn toegestaan, zonder dat een Keurvergunning nodig is. Dit scheelt administratief werk voor burgers en bedrijven. In veel gevallen geldt wel een meldplicht. Daarmee kan het waterschap inzicht houden in het aantal en de omvang van deze activiteiten. Voor activiteiten die volgens de Keur verboden zijn en die niet voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling, kunnen initiatiefnemers een vergunning aanvragen bij het waterschap (zie toelichting paragraaf 3.3.3). Met een vergunning kan het waterschap toestemming verlenen om een activiteit uit te voeren ondanks een algemeen verbod (of: na te laten, ondanks een algemeen gebod).
Steigers en afmeerpalen in wateren in stedelijk gebied In artikel 5.1 lid 1 van het Keurbesluit is opgenomen dat onder voorwaarden geen watervergunning is vereist voor het maken, hebben, wijzigen en verwijderen van steigers en afmeerpalen in wateren binnen stedelijk gebied. Steigers mogen in principe nooit breder zijn dan 1,2 m, omdat de ruimte onder de steigers bereikbaar moet zijn en blijven voor maai-, bagger- en ander onderhoud, en voor inspectie. Steigers mogen ook niet op meer palen in het water rusten dan nodig is om de constructie te kunnen dragen, en er moet een onderlinge afstand van tenminste 3,0 m zijn. Reden voor deze voorwaarden is het zo min mogelijk beperken van de doorstroming. Daarnaast zijn de voorwaarden bedoeld om water en oevers en de ruimte onder en achter het werk, zoveel mogelijk toegankelijk te houden voor onderhoud en voor de bestrijding van calamiteiten, ook met behulp van vaartuigen. Bovendien beschouwt het waterschap een groter aantal palen als demping. Ook mogen steigers niet geheel of gedeeltelijk in de vaarstrook of een rode of groene oeverzone liggen en niet geheel of gedeeltelijk in de middenstrook van primaire wateren.
Planspecifiek (steigers en afmeerpalen in stedelijk gebied) Aangezien de oevers langs het volledige plangebied blijkens de kaart 'KRW-oppervlaktewaterlichaam en Natura 2000-gebieden' aangewezen zijn als groene oeverzone is het niet mogelijk om voor steigers gebruik te maken van deze vrijstellingsbepaling in het plangebied. Afmeerpalen zijn wel mogelijk. Steigers en afmeerpalen in wateren buiten stedelijk gebied In artikel 5.1 lid 2 van het Keurbesluit is opgenomen dat onder voorwaarden geen watervergunning vereist is vereist voor het maken, hebben, wijzigen en verwijderen van steigers en afmeerpalen in wateren buiten stedelijk gebied. Buiten stedelijk gebied koppelt AGV het toestaan van steigers en afmeerpalen aan bebouwde oeverpercelen. Door het toestaan van een steiger en/of 2 afmeerpalen per oeverperceel met woonbebouwing, is er een goed evenwicht tussen de wensen van aanwonenden om een afmeermogelijkheid te hebben, en de noodzaak van het openhouden van het water voor de doorstroming en het onderhoud. Binnen stedelijk gebied is vaak sprake van aaneengesloten bebouwing op de kant, zodat de voor het watersysteem gewenste beperking van steigers en afmeerpalen niet gekoppeld kan worden aan bebouwde oeverpercelen.
Indien de beoogde steiger in afwijking van lid 1 toch in een groene oeverzone ligt, mag (op basis van artikel 5.1 lid 2 sub d derde bullit) gebruik worden gemaakt van een open type steiger zoals aangegeven in bijlage 1 van het Keurbesluit vrijstellingen.
35
Planspecifiek (steigers en afmeerpalen buiten stedelijk gebied) Vanwege de bepaling in lid 2 sub d van het Keurbesluit is er buiten stedelijk gebied wel de mogelijkheid om onder voorwaarden langs groene oeverzones steigers te kunnen realiseren. Tevens is geen watervergunning vereist voor het hebben en verwijderen van steigers en afmeerpalen in wateren langs groene oeverzones, voor zover: a. b.
de steigers of afmeerpalen tussen 9 maart 2006 en 1 december 2011 zijn aangebracht in overeenstemming met de destijds geldende regelgeving; en de steigers of afmeerpalen aan een oever zijn gelegen die op grond van de Oeverzoneringskaarten, vastgesteld door het Algemeen Bestuur van AGV op 9 maart 2006, als bruine oever werd aangemerkt.
Ligplaats nemen (meren en ankeren) algemeen In artikel 5.2 lid 1 van het Keurbesluit is opgenomen dat geen watervergunning is vereist voor het ligplaats nemen in wateren met een (woon)schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting, voor zover:
•
het (woon)schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting niet geheel of gedeeltelijk in de middenstrook van primaire wateren ligt; en,
•
er minimaal 0,3 m afstand is tussen de onderkant van het (woon)schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting en de waterbodem; en, dit gebeurt met gebruikmaking van een krachtens de Keur toegestane afmeervoorziening, indien men wenst af te meren in een groene oeverzone; en
• •
de bij het ligplaats nemen aan te brengen loopplanken gezamenlijk een aaneengesloten breedte van maximaal 2,0 m hebben.
Ligplaats nemen (meren en ankeren) buiten stedelijk gebied Voor het ligplaats nemen buiten stedelijk gebied is nog een nadere uitleg opgenomen in artikel 5.2 lid 2 van het Keurbesluit. In dit lid staat aanvullend op lid 1 dat geen watervergunning is vereist voor het ligplaats nemen in wateren buiten stedelijk gebied, met dien verstande dat:
•
slechts sprake is van 1 drijvende inrichting per oeverperceel met woonbebouwing óf per woonschip; en daarbij
•
slechts sprake is van óf 1 schip, eventueel inclusief daarbij behorende boatsaver), óf 1 drijvend voorwerp per oeverperceel met woonbebouwing of per woonschip; en niet geheel of gedeeltelijk in het leggerprofiel van primaire wateren wordt afgemeerd; en
• •
de drijvende inrichting en het drijvende voorwerp elk afzonderlijk niet meer dan 6,0 m lang en 1,2 m breed zijn.
De beperking van maximaal één drijvende inrichting, plus één schip of drijvend voorwerp per oeverperceel geldt niet wanneer er langs het betreffende oeverperceel (legaal) meerdere woonschepen liggen. In dat geval mag langs ieder woonschip zonder vergunning één drijvende inrichting, plus één schip of drijvend voorwerp zoals een onderhoudsvlonder of terras, afgemeerd liggen. Het voorwerp of de inrichting mag niet groter zijn dan 6,0 m bij 1,2 m. In artikel 5.2 lid 3 is opgenomen dat geen watervergunning is vereist voor het ligplaats nemen in wateren buiten stedelijk gebied, voor zover wordt voldaan aan de vereisten van lid 1 van dit artikel en de ligplaats zich bevindt binnen een jachthaven of een openbare aanlegplaats. Openbare aanlegplaatsen zijn aanlegplaatsen die door of in opdracht van de bevoegde autoriteit zijn aangelegd en die op grond van de scheepvaartverkeersregelgeving als zodanig zijn aangewezen. Artikel 5.2 is niet van toepassing op het ligplaats nemen met schepen en drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen langs onbeschoeide oevers van waterkerende dijklichamen.