Regels ontwerpbestemmingsplan Parapluplan Stichtse Vecht.pdf
Tekst van het document
23.4.5 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.
55
Artikel 24 Waarde - Archeologie 3 24.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Archeologie 3 aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden. 24.2 Bouwregels 24.2.1 Algemeen Op de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie 3 mogen geen bouwwerken worden gebouwd. 24.2.2 Uitzonderingen In afwijking van het bepaalde onder artikel 24 lid 2.1 zijn bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen op de in artikel 24 lid 2.1 bedoelde gronden slechts toelaatbaar, indien: a. b. c. d. e.
het betreft: vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid, of; een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd, of; een bouwwerk waarbij de bodemverstoring niet meer dan 1.000 m² bedraagt; een bouwwerk dat tot 0,3 m diep kan worden gerealiseerd; bebouwing die nodig is voor archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 3 m.
24.3 Afwijken van de bouwregels 24.3.1 Afwijking In afwijking van het bepaalde in artikel 24 lid 2 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 24 lid 2.2 volgens de andere daar voorkomende bestemming(en) gerealiseerd worden, mits op basis van het archeologisch rapport dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend en waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders blijkt dat: a. b. c.
archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; archeologische waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden; er geen archeologische waarden aanwezig zijn.
24.3.2 Omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder artikel 24 lid 3.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden: a. b.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen: de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundig op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
24.3.3 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.
56
24.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 24.4.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie 3 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde, en werkzaamheden uit te voeren ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende bestemmingen: a.
b. c. d. e. f. g. h. i. j.
het ontgronden, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur, dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld; het ontgronden, baggeren, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen verlagen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de waterbodemstructuur; het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; het aanleggen van drainage; het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; het verwijderen van fundamenten dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld.
24.4.2 Uitzonderingen Het in artikel 24 lid 4.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden: a. b. c. d. e. f. g. h.
in het kader van het normale beheer en onderhoud; in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes; die een oppervlakte beslaan van niet meer dan 1.000 m²; die een oppervlakte beslaan van meer dan 1.000 m² maar waarbij de bodem niet dieper gaan dan 0,3 m beneden het maaiveld wordt geroerd; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan: is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist; is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.
24.4.3 Voorwaarden a.
b.
c.
In afwijking van het bepaalde in artikel 24 lid 4.1 kan een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 24 lid 4.2, uitgevoerd worden mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt ingediend, en naar het oordeel van burgemeester en wethouders, blijkt dat: 1. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; 2. archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of ontwikkeling van die waarden; 3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld onder a is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 24 lid 4.2 sub c. Het bepaalde onder b is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op grond waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld in artikel 24 lid 3.1 en/of het bepaalde onder a. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de
57
aanvrager een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. artikel 24 lid 4.4 is hierbij van overeenkomstige toepassing. 24.4.4 Voorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 24 lid 4.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
24.4.5 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.
58
Artikel 25 Waarde - Archeologie 4 25.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Archeologie 4 aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden. 25.2 Bouwregels 25.2.1 Algemeen Op de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie 4 mogen geen bouwwerken worden gebouwd. 25.2.2 Uitzonderingen In afwijking van het bepaalde onder artikel 25 lid 2.1 zijn bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen op de in artikel 25 lid 1 bedoelde gronden slechts toelaatbaar, indien: a. b. c. d. e.
het betreft: vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid, of; een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd, of; een bouwwerk waarbij de bodemverstoring niet meer dan 10.000 m² bedraagt; een bouwwerk dat tot 0,3 m diep kan worden gerealiseerd; bebouwing die nodig is voor archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 3 m.
25.3 Afwijken van de bouwregels 25.3.1 Afwijking In afwijking van het bepaalde in artikel 25 lid 2 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 25 lid 2.2, volgens de andere daar voorkomende bestemming(en) gerealiseerd worden, mits op basis van het archeologisch rapport dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend en waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders blijkt dat: a. b. c.
archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; archeologische waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden; er geen archeologische waarden aanwezig zijn.
25.3.2 Omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder artikel 25 lid 3.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden: a. b.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen: de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundig op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
25.3.3 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.
59
25.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 25.4.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie 4 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde, en werkzaamheden uit te voeren ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende bestemmingen: a.
b. c. d. e. f. g. h. i. j.
het ontgronden, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur, dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld; het ontgronden, baggeren, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen verlagen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de waterbodemstructuur; het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; het aanleggen van drainage; het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; het verwijderen van fundamenten dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld.
25.4.2 Uitzonderingen Het in artikel 25 lid 4.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden: a. b. c. d. e. f. g. h.
in het kader van het normale beheer en onderhoud; in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes; die een oppervlakte beslaan van niet meer dan 10.000 m²; die een oppervlakte beslaan van meer dan 10.000 m² maar waarbij de bodem niet dieper gaan dan 0,3 m beneden het maaiveld wordt geroerd; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan: is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist; is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.
25.4.3 Voorwaarden a.
b.
c.
In afwijking van het bepaalde in artikel 25 lid 4.1 kan een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 25 lid 4.2 uitgevoerd worden mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt ingediend, en naar het oordeel van burgemeester en wethouders, blijkt dat: 1. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; 2. archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of ontwikkeling van die waarden; 3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld onder a is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 25 lid 4.2 sub c Het bepaalde onder b is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op grond waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld in artikel 25 lid 3.1 en/of het bepaalde onder a. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de
60
aanvrager een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. artikel 25 lid 4.4 is hierbij van overeenkomstige toepassing. 25.4.4 Voorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 25 lid 4.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
25.4.5 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.
61
Artikel 26 Waarde - Archeologie 5 26.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Archeologie 5 aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden. 26.2 Bouwregels 26.2.1 Algemeen Op de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie 5 mogen geen bouwwerken worden gebouwd. 26.2.2 Uitzonderingen In afwijking van het bepaalde onder artikel 26 lid 2.1 zijn bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen op de in artikel 26 lid 1 bedoelde gronden slechts toelaatbaar, indien: a. b. c. d. e.
het betreft: vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid, of; een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd, of; een bouwwerk waarbij de bodemverstoring niet meer dan 10 hectare bedraagt; een bouwwerk dat tot 0,3 m diep kan worden gerealiseerd; bebouwing die nodig is voor archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 3 m.
26.3 Afwijken van de bouwregels 26.3.1 Afwijking In afwijking van het bepaalde in artikel 26 lid 2 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 26 lid 2.2, volgens de andere daar voorkomende bestemming(en) gerealiseerd worden, mits op basis van het archeologisch rapport dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend en waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders blijkt dat: a. b. c.
archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; archeologische waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden; er geen archeologische waarden aanwezig zijn.
26.3.2 Omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder artikel 26 lid 3.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden: a. b.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen: de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundig op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
26.3.3 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.
62
26.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 26.4.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie 5 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde, en werkzaamheden uit te voeren ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende bestemmingen: a.
b. c. d. e. f. g. h. i. j.
het ontgronden, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur, dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld; het ontgronden, baggeren, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen verlagen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de waterbodemstructuur; het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; het aanleggen van drainage; het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; het verwijderen van fundamenten dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld.
26.4.2 Uitzonderingen Het in artikel 26 lid 4.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden: a. b. c. d. e. f. g. h.
in het kader van het normale beheer en onderhoud; in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes; die een oppervlakte beslaan van niet meer dan 10 hectare; die een oppervlakte beslaan van meer dan 10 hectare maar waarbij de bodem niet dieper gaan dan 0,3 m beneden het maaiveld wordt geroerd; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan: is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist; is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.
26.4.3 Voorwaarden a.
b.
c.
In afwijking van het bepaalde in artikel 26 lid 4.1 kan een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 26 lid 4.2, uitgevoerd worden mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt ingediend, en naar het oordeel van burgemeester en wethouders, blijkt dat: 1. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; 2. archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of ontwikkeling van die waarden; 3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld onder a is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 26 lid 4.2 sub c. Het bepaalde onder b is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op grond waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld in artikel 26 lid 3.1 en/of het bepaalde onder a. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de
63
aanvrager een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. artikel 26 lid 4.4 is hierbij van overeenkomstige toepassing. 26.4.4 Voorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 26 lid 4.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
26.4.5 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.
64
Artikel 27 Waarde - Cultuurhistorie 1 27.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Cultuurhistorie 1 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor; a.
de bescherming en veiligstelling van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
27.2 Bouwregels Op de gronden met de bestemming Waarde - Cultuurhistorie 1 mogen bouwwerken worden gebouwd, met dien verstande dat: a. b.
c. d.
uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd, waarbij de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2 m; ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien de betrokken waarden, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op het behoud van de Nieuwe Hollandse Waterlinie; het bepaalde in dit lid onder a is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op gronden gelegen binnen bouwvlakken. burgemeester en wethouders ter beoordeling van het bepaalde onder b. deskundig advies inwinnen.
27.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 27.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Cultuurhistorie 1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d. e.
het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, egaliseren, ontginnen en ophogen; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het, voor langer dan één groeiseizoen, omzetten van grasland naar bouwland; het aanbrengen van oeverbeschoeiingen of kaden; het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting.
27.3.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod als bedoeld in artikel 27 lid 3.1 is niet van toepassing indien werkzaamheden: a. b. c. d. e. f.
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 27 lid 2 in acht genomen is; betrekking hebben op het herstel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie; behoren tot het normaal onderhoud en beheer; mogen worden uitgevoerd krachtens een op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan reeds verleende omgevingsvergunning; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. indien de werken betrekking hebben op gronden gelegen binnen bouwvlakken of de bestemming ‘Wonen’ en/of ‘Tuin’.
65
27.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 27 lid 3.1 zijn slechts toelaatbaar mits: a.
daardoor de Nieuw Hollandse Waterlinie niet onevenredig wordt aangetast, kan worden, of wordt hersteld.
66
Artikel 28 Waarde - Cultuurhistorie 3 28.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Cultuurhistorie 3 aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de versterking van de Stelling van Amsterdam. 28.2 Bouwregels a.
b. c.
Op de gronden met de bestemming Waarde - Cultuurhistorie 3 mag ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) en (bouw)regels uitsluitend worden gebouwd indien de betrokken waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden gericht op het behoud van de ter plaatse aangeduide waarde; Ter beoordeling van het bepaalde onder a winnen burgemeester en wethouders deskundig advies in; Het bepaalde artikel 28 lid 2 sub a is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op gronden gelegen binnen bouwvlakken.
28.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 28.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Cultuurhistorie 3 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c.
het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, egaliseren, ontginnen en ophogen; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting.
28.3.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod als bedoeld in artikel 28 lid 3.1 is niet van toepassing indien werkzaamheden: a. b. c. d. e.
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 28 lid 2 in acht genomen is; betrekking hebben op herstel van de aanwezige cultuurhistorische waarden; behoren tot het normaal onderhoud en beheer; mogen worden uitgevoerd krachtens een op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan reeds verleende omgevingsvergunning; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
28.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 28 lid 3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de aangeduide cultuurhistorische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast of hersteld.
67
Artikel 29 Waarde - Cultuurhistorie 4 29.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Cultuurhistorie 4 aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de versterking van de buitenplaatszone langs de Vecht. 29.2 Bouwregels a.
b. c.
Op de gronden met de bestemming Waarde - Cultuurhistorie 4 mag ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) en (bouw)regels uitsluitend worden gebouwd indien de betrokken waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden gericht op het behoud van de ter plaatse aangeduide waarde; Ter beoordeling van het bepaalde onder a winnen burgemeester en wethouders deskundig advies in; Het bepaalde onder a is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op gronden gelegen binnen bouwvlakken.
29.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 29.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Cultuurhistorie 4 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c.
het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, egaliseren, ontginnen en ophogen; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting.
29.3.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod als bedoeld in artikel 29 lid 3.1 is niet van toepassing indien werkzaamheden: a. b. c. d. e.
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 29 lid 2 in acht genomen is; betrekking hebben op herstel van de aanwezige cultuurhistorische waarden; behoren tot het normaal onderhoud en beheer; mogen worden uitgevoerd krachtens een op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan reeds verleende omgevingsvergunning; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
29.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 29 lid 3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de aangeduide cultuurhistorische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast of hersteld.
68
Artikel 30 Waarde - Cultuurhistorie, landschap en natuur 30.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Cultuurhistorie, landschap en natuur aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a.
het behoud, herstel, beheer en de versterking van de aanwezige cultuurhistorische waarden, natuur- en landschapswaarden in de vorm van bebouwde en onbebouwde structuren, elementen, systemen, patronen en zichtlijnen;
30.2 Bouwregels Op de gronden met de bestemming Waarde - Cultuurhistorie, landschap en natuur mag ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) en (bouw)regels uitsluitend worden gebouwd indien: a. b.
c. d.
de cultuurhistorische waarden, natuur- en/of landschapswaarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - ecologische hoofdstructuur' is aangetoond dat de wezenlijke kenmerken en waarden geen negatieve effecten ondervinden (nee, tenzij-beleid); met een schriftelijk advies van een deskundige is aangetoond dat de cultuurhistorische waarden, natuur- en/of landschapswaarden niet worden geschaad of dat schade kan worden voorkomen; aan de omgevingsvergunning voorwaarden zijn verbonden gericht op het behoud van de cultuurhistorische waarden, natuur- en/of landschapswaarden.
30.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 30.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Cultuurhistorie, landschap en natuur zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d. e.
grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, egaliseren, ontginnen en ophogen; het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers, inhammen en andere waterpartijen; het aanleggen of verharden van kavelwegen of het aanbrengen van andere oppervlakte verhardingen; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting.
30.3.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod als bedoeld in artikel 30 lid 3.1 is niet van toepassing indien werkzaamheden: a. b. c. d. e.
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 30 lid 2 in acht genomen is; betrekking hebben op herstel van de aanwezige cultuurhistorische waarden; behoren tot het normaal onderhoud en beheer; mogen worden uitgevoerd krachtens een op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan reeds verleende omgevingsvergunning; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
69
30.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 30 lid 3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien: a. b.
de cultuurhistorische, natuur- en/of landschapswaarden worden hersteld of niet onevenredig (kunnen) worden aangetast; met een schriftelijk advies van een deskundige is aangetoond dat de cultuurhistorische waarden, natuur- en/of landschapswaarden niet worden geschaad of dat schade kan worden voorkomen;
70
Artikel 31 Waarde - Natuur 31.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Natuur aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de versterking van de aanwezige natuur- en landschapswaarden. Bij nieuwe ontwikkelingen bij bouwen of gebruiken die niet rechtstreeks zijn toegestaan binnen de aangewezen EHS is medewerking slechts mogelijk indien is voldaan aan de landelijk gehanteerde Spelregels EHS. 31.2 Bouwregels a.
b. c.
Op de gronden met de bestemming Waarde - Natuur mag ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) en (bouw)regels uitsluitend worden gebouwd indien de betrokken waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden gericht op het behoud van de ter plaatse aangeduide waarde; Ter beoordeling van het bepaalde onder a winnen burgemeester en wethouders deskundig advies in; Het bepaalde onder a is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op gronden gelegen binnen bouwvlakken.
31.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 31.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Natuur zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c.
het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, egaliseren, ontginnen en ophogen; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting.
31.3.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod als bedoeld in artikel 31 lid 3.1 is niet van toepassing indien werkzaamheden: a. b. c. d. e.
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 31 lid 2 in acht genomen is; betrekking hebben op herstel van de aanwezige natuur- en landschapswaarden; behoren tot het normaal onderhoud en beheer; mogen worden uitgevoerd krachtens een op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan reeds verleende omgevingsvergunning; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
31.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 31 lid 3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de aangeduide natuurwaarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast of hersteld.
71
Artikel 32 Waterstaat - Waterkering 32.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waterstaat - Waterkering aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor waterkering en de bijbehorende beschermingszone. 32.2 Bouwregels Ten behoeve van de in artikel 32 lid 1 bedoelde bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een maximale bouwhoogte van 3 m worden gerealiseerd. 32.3 Afwijken van de bouwregels In afwijking van het bepaalde in artikel 32 lid 2 mogen bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen worden gebouwd, indien en voor zover het belang van de waterkering hierdoor niet onevenredig wordt geschaad. Bij die belangenafweging wordt goedkeuring gevraagd aan de beheerder van de waterkering. Ten behoeve van deze andere onderliggende bestemmingen mogen gebouwd worden conform het bepaalde bij de betreffende bestemmingsbepalingen. 32.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 32.4.1 Werken en werkzaamheden Het is verboden op de in artikel 32 lid 1 bedoelde gronden de navolgende werken of werkzaamheden uit te voeren, te doen of laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden van burgemeester en wethouders: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j.
het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden; het bodemverlagen of afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist; het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,30 m, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen; verlagen van het waterpeil; het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; het aanleggen of verwijderen van oeverbeschoeiingen; het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie-, of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; het aanbrengen van constructies, die verband houden met bovengrondse leidingen; het graven, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; alle overige werkzaamheden die de waterkering kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van de waterkering.
32.4.2 Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning is nodig voor: a. b.
normale onderhoudswerkzaamheden gericht op en noodzakelijk voor de instandhouding van de waterkering; andere werken en/of werkzaamheden die uit een oogpunt van bescherming van de waterkering van niet ingrijpende betekenis zijn.
32.4.3 Toelaatbaarheid Het bepaalde in artikel 32 lid 4.1 is slechts toelaatbaar, indien is gebleken dat de in dat lid genoemde werken of werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de waterkering.
72
32.4.4 Voorwaarden Burgemeester en wethouders verlenen uitsluitend vergunning zoals bedoeld in artikel 32 lid 4.1 na schriftelijk goedkeuring van de beheerder van de waterkering.
73
hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 33 Algemene gebruiksregels 33.1 Parkeren 33.1.1 Parkeernormen a.
b.
Een omgevingsvergunning voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken ten dienste van de bestemming kan alleen worden verleend indien in, op of onder het gebouw dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort, in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien, conform de parkeernormen zoals opgenomen in het ‘Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan Stichtse Vecht 2013, deel B: Nota Parkeernormen, vastgesteld door de raad op 29 september 2015. Indien de nota niet voorziet in een parkeernorm voor een specifieke functie, stelt het bevoegd gezag een parkeernorm vast. Als de onder a bedoelde beleidsregels worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.
33.1.2 Afwijken van de parkeernormen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 33 lid 1.1 indien: a. b.
aanpassing van het bouwplan om alsnog te kunnen voorzien in voldoende parkeerruimte redelijkerwijs niet kan worden verlangd; of op een andere wijze is of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen.
Artikel 34 Algemene aanduidingsregels 34.1 vrijwaringszone - straalpad In aanvulling op het bepaalde bij de andere ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone - straalpad’ voorkomende bestemming(en) mag de bouwhoogte ter plaatse van deze aanduiding niet meer bedragen dan 88 m ten opzichte van NAP. 34.2 veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen 34.2.1 Bouwregels In uitzondering op hetgeen elders in deze regels is bepaald, mogen op of in de gronden ter plaatse van de aanduiding ' Veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen' geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden gebouwd. 34.2.2 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 34 lid 1 en toegestaan dat beperkt kwetsbare objecten worden gebouwd, indien er sprake is van zwaarwegende maatschappelijke, economische en/of planologische redenen en mits is aangetoond dat er hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de veiligheid van personen.
74
Artikel 35 Overige regels 35.1 Administratieve bepaling 35.1.1 Aanduiding 'horeca' in bestemmingsplan 'Maarssenbroek Woongebied' In het bestemmingsplan 'Maarssenbroek Woongebied' (vastgesteld 22 november 2011) wordt: a. b.
aan artikel 12.1 Bestemmingsomschrijving toegevoegd dat ter plaatse van de aanduiding 'horeca' een zelfstandige horeca(onderneming) in categorie h7 is toegestaan; aan artikel 16.1 Bestemmingsomschrijving toegevoegd dat ter plaatse van de aanduiding 'horeca' een zelfstandige horeca(onderneming) in categorie h7 is toegestaan
35.1.2 Verwijzing naar 'Groen -1' in bestemmingsplan 'Maarssenbroek Woongebied' Als in het bestemmingsplan 'Maarssenbroek Woongebied' (vastgesteld 31 oktober 2012) voor wat betreft de bestemming 'Groen - 1' wordt verwezen naar artikel 9, moet dat worden gezien als een verwijzing naar artikel 10 'Groen - 1'. 35.1.3 Verwijzing binnen de bestemming 'Natuur' in bestemmingsplan 'Landelijk Gebied Maarssen' In het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied Maarssen' (vastgesteld 17 december 2013) wordt; a. b. c. d.
de verwijzing naar 'lid 11.3.1 onder a' in artikel 11.4.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod vervangen door 'lid 11.4.1 onder a'; de verwijzing naar 'lid 11.3.1 onder a' in artikel 11.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning vervangen door 'lid 11.4.1 onder a'; de verwijzing naar 'lid 11.3.1 onder a' in artikel 11.4.4 Advies vervangen door 'lid 11.4.1 onder a'. Het bepaalde in artikel 11.1 onder a. vervangen door: De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 1. behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden; 2. water; 3. agrarisch medegebruik; 4. extensief recreatief medegebruik; 5. ter plaatse van de aanduiding 'sluis'; een sluis; 6. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur- schuilgelegenheden/berging': een schuilgelegenheid, observatiehut en/of berging; 7. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - schaftwagens': uitsluitend schaftwagens;
35.1.4 Toevoegen pluimveeslachterij in bestemmingsplan 'Oud Zuilen en Op Buuren e.o.' In het bestemmingsplan 'Oud Zuilen en Op Buuren e.o.' (vastgesteld 26 april 2016) wordt: a. b.
aan artikel 3.1 Bestemmingsomschrijving toegevoegd: 'tevens een pluimveeslachterij ter plaatse van het bouwvlak van de locatie Groeneweg 6 in Oud Zuilen' aan artikel 3.4 Specifieke gebruiksregels wordt een lid f toegevoegd: 'f. de pluimveeslachterij op de locatie Groeneweg 6 in Oud Zuilen mag alleen ten behoeve van het eigen bedrijf slachten.'
35.1.5 Parkeernormen Aan de bestemmingsplannen 'Maarssen aan de Vecht' (vastgesteld 1 juli 2008), 'Maarssen aan de Vecht, partiële herziening’ (vastgesteld op 21 juni 2010), 'Corridor' (vastgesteld op 28 mei 2014) en 'Corridor 1ste herziening' (vastgesteld op 1 maart 2015) wordt een parkeerregeling toegevoegd, conform de regeling in artikel 33 lid 1 Parkeren.
75
35.1.6 Afwijkingsbepaling bestemmingsplan Breukelen Woongebied Artikel 29 lid 3 van het bestemmingsplan 'Breukelen Woongebied (vastgesteld 7 juli 2013) wordt als volgt aangepast: a.
b. c.
In afwijking van het bepaalde in artikel 29 lid 2 mogen bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen worden gebouwd, indien en voor zover het belang van de waterkering hierdoor niet onevenredig wordt geschaad. Ten behoeve van deze andere onderliggende bestemmingen mag worden gebouwd conform het bepaalde bij de betreffende bestemmingsbepalingen; Burgemeester en wethouders ter beoordeling van het bepaalde onder b. goedkeuring vragen aan de beheerder van de waterkering.
35.1.7 Tweede bedrijfswoning Slotlaan 10 in Loenersloot Aan artikel 3.1 onder l. van het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied Noord' (vastgesteld 3 december 2015) wordt toegevoegd dat ter plaatse van het bouwvlak van de locatie Slotlaan 10 in Loenersloot twee bedrijfswoningen zijn toegestaan. 35.1.8 Aanduiding 'kinderboerderij' binnen maatschappelijke bestemming In het bestemmingsplan 'Maarssenbroek Woongebied' (vastgesteld 31 oktober 2012) wordt artikel 12.1 onder b aangepast naar: a.
ter plaatse van de aanduiding 'kinderboerderij' zijn een kinderboerderij, milieu-educatief centrum en een zelfstandige horeca(onderneming) in categorie h1 toegestaan.
35.1.9 Bijbehorende bouwwerken bestemmingsplan Nieuwersluis Artikel 15.2.2 onder h van het bestemmingsplan 'Nieuwersluis' (vastgesteld 24 maart 2009) wordt als volgt aangepast: h.
de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak bedraagt niet meer dan 50% van de oppervlakte van het aansluitend aan de woning gelegen bestemmingsvlak, buiten het bouwvlak met een maximum bebouwingsoppervlakte van 150 m².
35.1.10 Aanduiding 'aanlegplaatsen' en verduidelijking in bestemmingsplan 'Landelijk Gebied Noord' In het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied Noord' (vastgesteld 3 december 2015): 1. 2.
wordt artikel 14.1 onder f aangepast naar: 'f. ter plaatse van de aanduiding ‘aanlegplaatsen’: tevens voor een aanlegplaats voor recreatievaartuigen.' worden artikel 15.2.1. onder e en f. vervangen door: e. de maximum goot- en bouwhoogte van woningen mag niet meer bedragen dan resp. 6 en 11 m; f. de inhoud van een woning bedraagt ten hoogste 600 m³, met dien verstande dat indien de woning op het moment van ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan kleiner is dan 300 m³ de maximale inhoud 400 m³ mag bedragen; g. bij/per woning zijn bijgebouwen en/of overkappingen toegestaan tot een maximum van 50 m², tenzij op de verbeelding met de aanduiding ‘maximum oppervlakte’ anders staat aangegeven; h. indien de aanduiding ‘erf’ voorkomt zijn uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'erf' bijgebouwen en/of overkappingen toegestaan; i. de maximum goot- en bouwhoogte van bijgebouwen en/of overkappingen mag niet meer bedragen dan resp. 3 en 6 m; j. overige bouwwerken, geen gebouwen, overkappingen, paardenbakken en terrein- of erfafscheidingen zijnde, zijn toegestaan tot maximaal 3 m.
76
3.
In samenhang met het hiervoor bepaalde in lid 2 worden ook de volgende bepalingen aangepast: e. in artikel 15.3.2 onder a en b wordt de verwijzing naar artikel 15.2.1 onder f vervangen door artikel 15.2.1 onder g; f. in artikel 15.3.3 wordt de verwijzing naar artikel 15.2.1 onder f vervangen door artikel 15.2.1 onder j.
35.1.11 Overkappingen binnen bestemming 'Wonen' in bestemmingsplan 'Vreeland' In het bestemmingsplan 'Vreeland' (vastgesteld 6 april 2011) wordt artikel 20.2.2 aangepast naar: 20.2.2 aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkapping Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen voldoen aan de volgende kenmerken: a. b.
c. d. e. f. g. h. i. j.
gebouwd op het zij- en achtererf en minimaal 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning; in het geval van een vrijstaand bijgebouw, dient de afstand tussen het vrijstaande bijgebouw en de overige aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en andere vrijstaande bijgebouwen minimaal 1 m te bedragen; aan- en uitbouwen, overkappingen of bijgebouwen aan de achterzijde mogen niet breder zijn dan de oorspronkelijke achtergevel van de woning; horizontale van diepte aan- en uitbouwen, overkappingen of bijgebouwen niet meer dan 3 m buiten het bouwvlak; aan- en uitbouwen, overkappingen en bijgebouwen aan de zijgevel mogen niet dieper zijn dan de oorspronkelijke achtergevel breed is; aan- en uitbouwen, overkappingen en bijgebouwen aan de zijgevel mogen niet meer dan 6 meter uitsteken buiten het bouwvlak; de goot- en boeiboordhoogte van aan- en uitbouwen, overkappingen en bijgebouwen mag niet meer dan de eerste bouwlaag bedragen, + 0,25 m; de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer dan 6 m bedragen; de bouwhoogte van overkappingen mag niet meer dan de eerste bouwlaag + 0,25 m bedragen; gezamenlijke oppervlakte voor zover gebouwd buiten het bouwvlak per hoofdgebouw niet meer dan 50 m², mits het bebouwingspercentage van het gedeelte van het bouwperceel buiten het bouwvlak niet meer dan 50% bedraagt.
35.1.12 Overkappingen binnen bestemming 'Bedrijf' in het bestemmingsplan 'Bergseweg 6 Vreeland' In het bestemmingsplan 'Bergseweg 6 Vreeland' (vastgesteld 18 november 2015) wordt artikel 4.2.2 aangepast naar: 4.2.2 aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkapping Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen voldoen aan de volgende kenmerken: a. b.
c. d. e. f. g.
gebouwd op het zij- en achtererf en minimaal 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning; in het geval van een vrijstaand bijgebouw, dient de afstand tussen het vrijstaande bijgebouw en de overige aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en andere vrijstaande bijgebouwen minimaal 1 m te bedragen; aan- en uitbouwen, overkappingen of bijgebouwen aan de achterzijde mogen niet breder zijn dan de oorspronkelijke achtergevel van de bedrijfswoning; horizontale van diepte aan- en uitbouwen, overkappingen of bijgebouwen niet meer dan 3 m buiten het bouwvlak; aan- en uitbouwen, overkappingen en bijgebouwen aan de zijgevel mogen niet dieper zijn dan de oorspronkelijke achtergevel breed is; aan- en uitbouwen, overkappingen en bijgebouwen aan de zijgevel mogen niet meer dan 6 meter uitsteken buiten het bouwvlak; de goot- en boeiboordhoogte van aan- en uitbouwen, overkappingen en bijgebouwen mag niet meer dan de eerste bouwlaag bedragen, + 0,25 m;
77
h. i. j.
de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer dan 6 m bedragen; de bouwhoogte van overkappingen mag niet meer dan de eerste bouwlaag + 0,25 m bedragen; de gezamenlijke oppervlakte voor zover gebouwd buiten het bouwvlak per bedrijfswoning niet meer dan 50 m².
35.1.13 Aangrenzende bijbehorende bouwwerken binnen bestemming 'Tuin' De regels van de bestemming 'Tuin', artikel 5.2.1 onder a van het bestemmingsplan 'Stationsweg-Noord' (vastgesteld op 3 juli 2017) en artikel 17.2.1 onder a van het bestemmingsplan 'Maarssendorp Woongebied' (vastgesteld op 17 juni 2015) wordt aangepast naar: a.
voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken aangebouwd aan de voor- of zijkant van een hoofdgebouw geldt: 1. dat de bouw van een bijbehorend bouwwerk niet ten koste mag gaan van parkeerplaatsen op eigen erf; 2. de breedte van een bijbehorend bouwwerk niet meer mag bedragen dan 50% van de breedte van de desbetreffende voor- of zijkant van het hoofdgebouw; 3. de oppervlakte van het bijbehorende erf niet meer mag bedragen dan 6 m²; 4. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk niet meer mag bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw plus 0,30 m; 5. de horizontale diepte van een bijbehorend bouwwerk niet meer mag bedragen dan 1,5 m;
35.1.14 Inhoudsmaat 'Wonen - 2 in bestemmingsplan 'Rondom de Vecht In het bestemmingsplan 'Rondom de Vecht' (vastgesteld 19 november 2019) wordt a. b.
c. d.
artikel 19.2.1 onder e aangepast naar: 'de maximum inhoud bedraagt 600 m³, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken.' artikel 19.4.2 wordt de eerste zin aangepast naar: 'Burgemeester en wethouders zijn bevoegd middels een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 19.2.1 sub e ten behoeve van het vergroten van de inhoud van woningen van 600 m³ inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken naar maximaal 800 m³ inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat:' artikel 20.2.1 onder e aangepast naar: 'de maximum inhoud bedraagt 600 m³, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken.' artikel 20.3.1 onder a aangepast naar: 'de inhoud van de woning niet meer bedraagt dan 800 m³, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken.'
78
hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 36 Overgangsrecht 36.1 Overgangsrecht bouwwerken a.
b. c.
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid a met maximaal 10 %. Lid a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
36.2 Overgangsrecht gebruik a. b.
c.
d.
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. Indien het gebruik, bedoeld in lid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Lid a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
36.3 Persoonsgebonden overgangsrecht a.
b.
In de in bijlagen bij de regels, bijlage 1 genoemde recreatiewoningen/caravans mogen de betreffende personen het recreatieverblijf waarvoor zij een persoonsgebonden gedoogbeschikking hebben gekregen permanent bewonen. Het persoonsgebonden overgangsrecht zoals genoemd in lid a. komt te vervallen, zodra: 1. de betreffende persoon verhuist; 2. de betreffende persoon komt te overlijden; 3. van het recreatieverblijf weer recreatief gebruikt gemaakt wordt; 4. de betreffende persoon niet langer in de Basisregistratie personen staat ingeschreven; 5. de permanente bewoning voor een periode van twee maanden of langer is gestaakt; 6. de (woon)situatie is gewijzigd ten opzichte van de (woon)situatie zoals die was ten tijde van het verlenen van de persoonsgebonden gedoogbeschikking.
36.4 Objectgebonden overgangsrecht a. b.
De percelen zoals genoemd in bijlagen bij de regels, bijlage 3mogen gebruikt worden voor permanente bewoning. Het objectgebonden overgangsrecht zoals genoemd in lid a. komt te vervallen, zodra: 1. het perceel weer recreatief gebruikt wordt; 2. de permanente bewoning voor een periode van twee maanden of langer is gestaakt.
79
Artikel 37 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Parapluplan 'Witte vlekken en reparaties'.
80