Planregels bestemmingsplan Nieuwersluis v11.pdf
Tekst van het document
op het betreffende adres is het te werk stellen van personeel dat niet woonachtig is op het betreffende adres en geen onderdeel uitmaakt van het huishouden, niet toegestaan; e. het gebruik mag geen grote verkeersaantrekkende werking hebben en geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer, waaronder parkeren; f. het gebruik mag geen afbreuk doen aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; g. de ruimtelijke uitstraling moet passend zijn binnen de functie van het hoofdgebouw en het woongebied; h. er mag geen andere horeca, geen seksinrichting, geen koeriers of (personen)vervoers-bedrijf, geen kinderdagverblijf en geen detailhandel plaatsvinden, met uitzondering van functioneel ondergeschikte en niet zelfstandige detailhandel 14.4.3 Voorwaardelijke verplichting Mijndensedijk 49-51 De de nieuwe woning aangeduid met nummer 9 in de landschapsschets opgenomen in bijlage 2 bij de regels, en de woningen aan de Mijndensedijk 49-51 mogen enkel in gebruik genomen worden ten behoeve van de bestemming wonen, indien binnen 24 maanden na verlening van de omgevingsvergunning voor de bouw van de nieuwe woning aangeduid met nummer 9, de maatregelen zoals beschreven in de landschapsschets opgenomen in bijlage 2 bij de regels gerealiseerd zijn en in stand gehouden worden. 57
Artikel 15 Wonen - 1 15.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen op een buitenplaats en/of landgoed; b. een aan-huis-verbonden beroep, kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en/of praktijkruimte; c. gebruik ten dienste van de bestemming van het hoofdgebouw; ter plaatse van de aanduiding d. 'specifieke vorm van wonen - landhuis' is een hoofdgebouw toegestaan; e. 'wonen' is een woning toegestaan; met de daarbij behorende f. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde; g. erven en terreinen; h. groenvoorzieningen en water; i. parkeervoorzieningen en straatmeubilair; j. wegen en paden; k. overige functioneel met de bestemming 'Buitenplaats' verbonden voorzieningen. 15.2 Bouwregels 15.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. landhuizen en woningen worden uitsluitend gebouwd binnen een bouwvlak ter plaatse van de aanduiding 'wonen'; b. het bouwvlak mag geheel worden bebouwd; c. het aantal wooneenheden bedraagt niet meer dan 1 per bouwvlak; d. de inhoud van een hoofdgebouw bedraagt niet meer dan 2500 m3; e. de oppervlakte van een hoofdgebouw bedraagt niet meer dan 250 m2; f. de bouwhoogte van een hoofdgebouw bedraagt niet meer dan 15 m. 15.3 Specifieke gebruiksregels 15.3.1 Strijdig gebruik a.
Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt in ieder geval begrepen: 1. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens; 2. het opslaan van gerede en ongerede goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, werktuigen, machines of onderdelen hiervan; 3. het opslaan c.q. stallen van gebruiksklare of onklare voer- of vaartuigen of onderdelen hiervan; 4. het opslaan of opgeslagen houden, storten of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen; b. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op: 1. het opslaan van stoffen die noodzakelijk zijn voor het normale onderhoud van de gronden en de daarbij behorende voorzieningen; 2. het tijdelijk opslaan van materialen en werktuigen, welke nodig zijn voor de realisering en/of handhaving van de bestemming. 58
15.3.2 Aan-huis-verbonden beroep en kleinschalige bedrijfsactiviteit Gebruik van ruimten in het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een aan-huis-verbonden-beroep en kleinschalige bedrijfsactiviteit wordt als gebruik in overeenstemming met de bestemming aangemerkt, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het gebruik mag niet ten koste gaan van de hoofdbestemming; b. het beroep of de activiteit dient alleen door de bewoner(s) te worden uitgeoefend; c. op het betreffende adres is het te werk stellen van personeel dat niet woonachtig is op het betreffende adres en geen onderdeel uitmaakt van het huishouden, niet toegestaan; d. het gebruik mag geen grote verkeersaantrekkende werking hebben en geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer, waaronder parkeren; e. het gebruik mag geen afbreuk doen aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; f. de ruimtelijke uitstraling moet passend zijn binnen de functie van het hoofdgebouw en het woongebied; g. er mag geen andere horeca, geen seksinrichting, geen koeriers of (personen)vervoersbedrijf, geen kinderdagverblijf en geen detailhandel plaatsvinden, met uitzondering van functioneel ondergeschikte en niet zelfstandige detailhandel.
15.3.3 Ten behoeve van nevenfuncties binnen bestaande bebouwing Gebruik van de buitenplaats ten behoeve van nevenfuncties is toegestaan, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. door aanvrager wordt aangetoond dat de aangevraagde functie in wezenlijke mate bijdraagt aan de instandhouding van de buitenplaats en zijn landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden; b. de nevenfuncties ondergeschikt zijn aan de hoofdbestemming; c. maximaal 2 functies per buitenplaats zijn toegestaan; d. de bedrijfsactiviteiten beperkt blijven tot de categorieën 1 en 2 van de als bijlagen bij de regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten; e. de functies binnen het bouwvlak respectievelijk bestemmingsvlak dienen plaats te vinden; f. de functies binnen de bestaande bebouwing plaatsvindt; g. de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet mag worden vergroot ten gevolge van de nevenfunctie; h. het totaal oppervlak voor de functies maximaal 200 m2 bedraagt; i. omliggende woningen en bedrijven niet onevenredig in hun bedrijfsvoering worden beperkt; j. de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking van de functies in verhouding staan tot de capaciteit van de betrokken wegen; k. parkeren op eigen erf plaatsvindt; l.
het uitoefenen van de functie mag door visuele aspecten, zoals buitenopslag en stalling, reclame-uitingen en technische installaties, het buitenplaatskarakter niet onevenredig aantasten; ter bewerkstelliging van een redelijke visuele inpassing hiervan kunnen nadere eisen worden gesteld betreffende de situering, afscherming door beplanting of anderszins.
59
15.3.4 Bed & Breakfast Gebruik van ruimten in het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een Bed & Breakfast wordt als gebruik in overeenstemming met de bestemming aangemerkt, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het gebruik gaat niet ten koste van de woonfunctie van de bestemming 'Wonen - 1'; b. de Bed & Breakfast mag totaal uit maximaal 3 kamers en/of maximaal 8 bedden bestaan; c. indien het maximum aantal kamers en/of bedden reeds is gerealiseerd op basis van de bestemming 'Buitenplaats' het totaal aantal kamers en bedden niet mag worden overschreden; d. er is maximaal één gezamenlijke keuken toegestaan; e. de woning binnen de bestemming 'Wonen - 1' dient door de hoofdgebruiker te worden bewoond; f. de hoofdgebruiker dient aanwezig te zijn tijdens het nachtverblijf; g. het beroep of de activiteit dient alleen door de bewoner(s) te worden uitgeoefend; h. op het betreffende adres is het te werk stellen van personeel dat niet woonachtig is op het betreffende adres en geen onderdeel uitmaakt van het huishouden, niet toegestaan; i. het gebruik mag geen grote verkeersaantrekkende werking hebben en geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer, waaronder parkeren; j. het gebruik mag geen afbreuk doen aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; k.
de ruimtelijke uitstraling moet passend zijn binnen de functie van het hoofdgebouw binnen de bestemming 'Wonen - 1' en het woongebied; l. er mag geen andere horeca, geen seksinrichting, geen koeriers of (personen)vervoersbedrijf, geen kinderdagverblijf en geen detailhandel plaatsvinden, met uitzondering van functioneel ondergeschikte en niet zelfstandige detailhandel. 15.4 Afwijken van de gebruiksregels 15.4.1 Ten behoeve van nevenfuncties met een oppervlak groter dan 200 m2 en kleiner dan 400 m2 binnen de bestaande bebouwing Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 15 lid 1 ten behoeve van nevenactiviteiten, voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. door aanvrager wordt aangetoond dat de aangevraagde functie in wezenlijke mate bijdraagt aan de instandhouding van de buitenplaats en zijn landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden; b. de nevenfuncties ondergeschikt zijn aan de hoofdbestemming; c. maximaal 2 functies per buitenplaats zijn toegestaan; d. de bedrijfsactiviteiten beperkt blijven tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; e. de functies binnen het bouwvlak respectievelijk bestemmingsvlak dienen plaats te vinden; f. de functies binnen de bestaande bebouwing plaatsvindt; g. de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet mag worden vergroot ten gevolge van de nevenfunctie; h.
het totaal oppervlak voor de functies maximaal 200 m2 bedraagt; i. omliggende woningen en bedrijven niet onevenredig in hun bedrijfsvoering worden beperkt; 60
j.
de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking van de functies in verhouding staan tot de capaciteit van de betrokken wegen; k. parkeren op eigen erf plaatsvindt.
61
Artikel 16 Waarde - Archeologie 2 16.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de in of op de grond aanwezige archeologische waarden. 16.2 Bouwregels 16.2.1 Algemeen Op de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ mogen geen bouwwerken worden gebouwd. 16.2.2 Uitzonderingen In afwijking van het bepaalde onder artikel 16 lid 2.1 zijn bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen op de in artikel 16 lid 2.1 bedoelde gronden slechts toelaatbaar, indien: a. het betreft: vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid; b. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd; c. een bouwwerk waarbij de bodemverstoring niet meer dan 50 m2 bedraagt. d. een bouwwerk dat tot 0,3 m diep kan worden gerealiseerd. e. bebouwing die nodig is voor archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 3 m.
16.3 Afwijken van de bouwregels 16.3.1 Afwijking In afwijking van het bepaalde in artikel 16 lid 2 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 16 lid 2.2, volgens de andere daar voorkomende bestemming(en) gerealiseerd worden, mits op basis van het archeologisch rapport dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend en waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders blijkt dat: a. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; b. archeologische waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden; c. er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 16.3.2 Omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder artikel 16 lid 3.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen: de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundig op het terrein van de 62
archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. 16.3.3 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen. 16.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 16.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde, en werkzaamheden uit te voeren ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende bestemmingen: a. het ontgronden, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur, dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld; b. het ontgronden, baggeren, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen verlagen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de waterbodemstructuur; c. het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen; d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; e. het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; f. het aanleggen van drainage; g.
het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; h. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; i. het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; j. het verwijderen van fundamenten dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld. 16.4.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod Het in artikel 16 lid 4.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden: a. in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper gaan dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes; c. die een oppervlakte beslaan van niet meer dan 50 m2; d. die een oppervlakte beslaan van meer dan 50 m2 maar waarbij de bodem niet dieper dan 0,3m beneden het maaiveld wordt geroerd; e. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; f. waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan: 1. is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist; 2. is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.
63
16.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning a. In afwijking van het bepaalde in artikel 16 lid 4.1 kan een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 16 lid 4.2, uitgevoerd worden mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt ingediend, en naar het oordeel van burgemeester en wethouders, blijkt dat: 1. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; 2. archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of ontwikkeling van die waarden; 3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn. b. Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld onder a is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 16 lid 4.2 sub b. c. Het bepaalde onder b is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op grond waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld in artikel 16 lid 3.1 en/of het bepaalde onder a. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld.
artikel 16 lid 4.4 is hierbij van overeenkomstige toepassing. 16.4.4 Voorschriften bij een omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 16 lid 4.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. 16.4.5 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.
64
Artikel 17 Waarde - Archeologie 3 17.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de in of op de grond aanwezige archeologische waarden. 17.2 Bouwregels 17.2.1 Algemeen Op de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie 3' mogen geen bouwwerken worden gebouwd. 17.2.2 Uitzonderingen In afwijking van het bepaalde onder artikel 17 lid 2.1 zijn bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen op de in artikel 17 lid 2.1 bedoelde gronden slechts toelaatbaar, indien: a. het betreft: vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid; b. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd; c. een bouwwerk waarbij de bodemverstoring niet meer dan 500 m2 bedraagt. d. een bouwwerk dat tot 0,3 m diep kan worden gerealiseerd. e. bebouwing die nodig is voor archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 3 m.
17.3 Afwijken van de bouwregels 17.3.1 Afwijking In afwijking van het bepaalde in artikel 17 lid 2 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 17 lid 2.2, volgens de andere daar voorkomende bestemming(en) gerealiseerd worden, mits op basis van het archeologisch rapport dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend en waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders blijkt dat: a. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; b. archeologische waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden; c. er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 17.3.2 Omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder artikel 17 lid 3.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 65
b. de verplichting tot het doen van opgravingen: de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundig op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. 17.3.3 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen. 17.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 17.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie 3' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde, en werkzaamheden uit te voeren ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende bestemmingen: a. het ontgronden, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur, dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld; b. het ontgronden, baggeren, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen verlagen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de waterbodemstructuur; c. het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen; d.
het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; e. het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; f. het aanleggen van drainage; g. het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; h. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; i. het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; j. het verwijderen van fundamenten dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld. 17.4.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod Het in artikel 17 lid 4.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden: a. in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper gaan dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes; c. die een oppervlakte beslaan van niet meer dan 500 m2; d. die een oppervlakte beslaan van meer dan 500 m2 maar waarbij de bodem niet dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld wordt geroerd; e. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; f. waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan: 1. is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist; 2.
is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning. 66
17.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning a. In afwijking van het bepaalde in artikel 17 lid 4.1 kan een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 17 lid 4.2, uitgevoerd worden mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt ingediend, en naar het oordeel van burgemeester en wethouders, blijkt dat: 1. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; 2. archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of ontwikkeling van die waarden; 3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn. b. Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld onder a is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 17 lid 4.2 sub b. c. Het bepaalde onder b is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op grond waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld in artikel 17 lid 3.1 en/of het bepaalde onder a. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld.
artikel 17 lid 4.4 is hierbij van overeenkomstige toepassing. 17.4.4 Voorschriften bij een omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17 lid 4.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. 17.4.5 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.
67
Artikel 18 Waarde - Archeologie 5 18.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de in of op de grond aanwezige archeologische waarden. 18.2 Bouwregels 18.2.1 Algemeen Op de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie 5' mogen geen bouwwerken worden gebouwd. 18.2.2 Uitzonderingen In afwijking van het bepaalde onder artikel 18 lid 2.1 zijn bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen op de in artikel 18 lid 2.1 bedoelde gronden slechts toelaatbaar, indien: a. het betreft: vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid; b. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd; c. een bouwwerk waarbij de bodemverstoring niet meer dan 1.000 m2 bedraagt. d. een bouwwerk dat tot 0,3 m diep kan worden gerealiseerd. e. bebouwing die nodig is voor archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 3 m.
18.3 Afwijken van de bouwregels 18.3.1 Afwijking In afwijking van het bepaalde in artikel 18 lid 2 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 18 lid 2.2, volgens de andere daar voorkomende bestemming(en) gerealiseerd worden, mits op basis van het archeologisch rapport dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend en waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders blijkt dat: a. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; b. archeologische waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden; c. er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 18.3.2 Omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder artikel 18 lid 3.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen: de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundig op het terrein van de 68
archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. 18.3.3 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen. 18.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 18.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie 5' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde, en werkzaamheden uit te voeren ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende bestemmingen: a. het ontgronden, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur, dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld; b. het ontgronden, baggeren, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen verlagen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de waterbodemstructuur; c. het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen; d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; e. het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; f. het aanleggen van drainage; g.
het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; h. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; i. het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; j. het verwijderen van fundamenten dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld. 18.4.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod Het in artikel 18 lid 4.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden: a. in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper gaan dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes; c. die een oppervlakte beslaan van niet meer dan 1.000 m2; d. die een oppervlakte beslaan van meer dan 1.000 m2 maar waarbij de bodem niet dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld wordt geroerd; e. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; f. waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan: 1. is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist; 2. is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.
69
18.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning a. In afwijking van het bepaalde in artikel 18 lid 4.1 kan een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 18 lid 4.2, uitgevoerd worden mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt ingediend, en naar het oordeel van burgemeester en wethouders, blijkt dat: 1. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; 2. archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of ontwikkeling van die waarden; 3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn. b. Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld onder a is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 18 lid 4.2 sub b. c. Het bepaalde onder b is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op grond waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld in artikel 18 lid 3.1 en/of het bepaalde onder a. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld.
artikel 18 lid 4.4 is hierbij van overeenkomstige toepassing. 18.4.4 Voorschriften bij een omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 18 lid 4.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. 18.4.5 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.
70
Artikel 19 Waarde - Archeologie 6 19.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de in of op de grond aanwezige archeologische waarden. 19.2 Bouwregels 19.2.1 Algemeen Op de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie 6' mogen geen bouwwerken worden gebouwd. 19.2.2 Uitzonderingen In afwijking van het bepaalde onder artikel 19 lid 2.1 zijn bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen op de in artikel 19 lid 2.1 bedoelde gronden slechts toelaatbaar, indien: a. het betreft: vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid; b. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd; c. een bouwwerk waarbij de bodemverstoring niet meer dan 100.000 m2 (10ha) bedraagt. d. een bouwwerk dat tot 0,3 m diep kan worden gerealiseerd. e. bebouwing die nodig is voor archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 3 m.
19.3 Afwijken van de bouwregels 19.3.1 Afwijking In afwijking van het bepaalde in artikel 19 lid 2 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 19 lid 2.2, volgens de andere daar voorkomende bestemming(en) gerealiseerd worden, mits op basis van het archeologisch rapport dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend en waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders blijkt dat: a. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; b. archeologische waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden; c. er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 19.3.2 Omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder artikel 19 lid 3.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 71
b. de verplichting tot het doen van opgravingen: de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundig op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. 19.3.3 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen. 19.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 19.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie 6' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde, en werkzaamheden uit te voeren ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende bestemmingen: a. het ontgronden, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur, dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld; b. het ontgronden, baggeren, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen verlagen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de waterbodemstructuur; c. het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen; d.
het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; e. het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; f. het aanleggen van drainage; g. het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; h. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; i. het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; j. het verwijderen van fundamenten dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld. 19.4.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod Het in artikel 19 lid 4.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden: a. in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper gaan dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes; c. die een oppervlakte beslaan van niet meer dan 100.000 m2; d. die een oppervlakte beslaan van meer dan 100.000 m2 maar waarbij de bodem niet dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld wordt geroerd; e. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; f. waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan: 1. is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist; 2.
is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning. 72
19.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning a. In afwijking van het bepaalde in artikel 19 lid 4.1 kan een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 19 lid 4.2, uitgevoerd worden mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt ingediend, en naar het oordeel van burgemeester en wethouders, blijkt dat: 1. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; 2. archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of ontwikkeling van die waarden; 3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn. b. Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld onder a is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 19 lid 4.2 sub b. c. Het bepaalde onder b is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op grond waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld in artikel 19 lid 3.1 en/of het bepaalde onder a. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld.
artikel 19 lid 4.4 is hierbij van overeenkomstige toepassing. 19.4.4 Voorschriften bij een omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 19 lid 4.1 kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. 19.4.5 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen.
73
Artikel 20 Waarde - Beschermd dorpsgezicht 20.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Beschermd dorpsgezicht’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor: a. instandhouding, bescherming en herstel van de binnen het beschermd dorpsgezicht voorkomende, dan wel daaraan eigen karakteristieke cultuurhistorische waarden. 20.2 Bouwregels Voor het bouwen op de in artikel 20 lid 1 bedoelde gronden gelden, naast en mogelijk in afwijking van het bepaalde elders in de bestemmingsplanregels, de volgende regels: a. de horizontale en verticale maten alsmede de dakvorm en de dakhelling zoals aanwezig op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan mogen niet worden gewijzigd; b. de situering van de voorgevel van hoofdgebouwen dient in overeenstemming te zijn met de situering van de voorgevel op het tijstip van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan; c. indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om een omgevingsvergunning voor het bouwen te verlenen, die van invloed kan zijn op het beschermde dorpsgezicht, wordt de commissie voor omgevingskwaliteit om advies gevraagd. 20.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 20 lid 2, met dien verstande dat: a.
het veranderen van de dakvorm of dakhelling een herstel of verbetering van de karakteristieke cultuurhistorische waarden betreft en geen onevenredige aantasting van het beschermd dorpsgezicht tot gevolg heeft; b. de dakhelling niet minder bedraagt dan 30º; c. indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om de vergunning te verlenen op basis van het gestelde in sub a of b, wordt de gemeentelijke commissie voor omgevingskwaliteit om advies gevraagd. 20.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 20.4.1 Werken en werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het aanleggen van oppervlakteverhardingen; b. het herinrichten of anderszins wijzigingen aanbrengen in de inrichting van de openbare ruimte; c. het bestraten of herstraten van de bestaande profielen, in de zin van herprofilering en/of wijziging van bestratingsmateriaal; d. het bestraten en verharden van onverharde gronden.
74
20.4.2 Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning is nodig voor: a. andere-werken die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b. andere-werken die verband houden met de normale voortgang van de uitoefening van het agrarisch beheer op gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’; c. andere-werken die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning. 20.4.3 Toelaatbaarheid a. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20 lid 4.1 mag alleen en moet worden geweigerd indien door het uitvoeren van de werken en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de binnen het beschermd dorpsgezicht voorkomende, dan wel daaraan eigen karakteristieke cultuurhistorische waarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen; b. een omgevingsvergunning voor het vellen, kappen en/of rooien van hagen als bedoeld in artikel 20 lid 4.1, wordt zeker wel verleend indien instandhouding van de haag vanwege de staat redelijkewijs niet kan worden geëist, met dien verstande dat: 1. de aanvraag voor de omgevingsvergunning dient te worden vergezeld van een advies van een terzake deskundige over de staat van de haag; 2.
aan de omgevingsvergunning het voorschrift kan worden verbonden tot herplant van de te vellen haag. 20.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk 20.5.1 Sloopwerkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebouwen en bouwwerken, zoals theekoepels, theehuizen, schuttingen, tuinmuren, hekken, pergola’s en andere bouwwerken, te slopen of te laten slopen. 20.5.2 Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning is nodig voor: a. werkzaamheden die: 1. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan; 2. het normale onderhoud betreffen; 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het bouwen of slopen of een aanschrijving van het bevoegd gezag; b. bouwwerken die ten gevolge van een calamiteit verloren zijn gegaan. 20.5.3 Toelaatbaarheid a. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20 lid 5.1 wordt slechts verleend indien: 1. geen onevenredige schade aan de cultuurhistorische, (historisch-) stedenbouwkundige en (historisch-)architectonische waarden van het beschermd dorpsgezicht plaatsvindt;
75
2. voor het slopen geen vergunning is vereist of al een vergunning is verleend ingevolge de Monumentenwet 1988, een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening; b. In afwijking van het bepaalde in sub a kan een omgevingsvergunning worden verleend als sprake is van groot maatschappelijk belang en er redelijkerwijs geen alternatieven zijn voor de voorgestelde ingreep of als op basis van technische en economische overwegingen instandhouding van het bouwwerk redelijkerwijs niet kan worden verlangd c. Indien het bevoegd gezag voornemens is om de vergunning te verlenen op basis van het gestelde in sub a of b, wordt de gemeentelijke monumentencommissie om advies gevraagd.
76
Artikel 21 Waarde - Cultuurhistorie 21.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Cultuurhistorie’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de versterking van: a. de Oude Hollandse Waterlinie en de Nieuwe Hollandse Waterlinie; b. de versterking van de buitenplaatszone langs de Vecht; c. het behouden, versterken, herstellen en ontwikkelen van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van de Vecht en haar oevers. 21.2 Bouwregels a. Op de gronden met de bestemming ‘Waarde - Cultuurhistorie’ mag ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) en (bouw)regels uitsluitend worden gebouwd indien de betrokken waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden gericht op het behoud van de ter plaatse aangeduide waarde; b. Ter beoordeling van het bepaalde onder a winnen burgemeester en wethouders deskundig advies in; c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op gronden gelegen binnen bouwvlakken.
21.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 21.3.1 werken en werkzaamheden Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde - Cultuurhistorie’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, egaliseren, ontginnen en ophogen; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil. 21.3.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in artikel 21 lid 3.1 is niet van toepassing indien werkzaamheden: a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 21 lid 2 in acht genomen is; b. betrekking hebben op herstel van de aanwezige cultuurhistorische waarden; c. behoren tot het normaal onderhoud en beheer; d. mogen worden uitgevoerd krachtens een op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan reeds verleende omgevingsvergunning; e. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
77
21.3.3 toelaatbaarheid De werken en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 21 lid 2 sub a zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de aangeduide cultuurhistorische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast of hersteld.
78
Artikel 22 Waarde - Natuur Netwerk Nederland 22.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Natuur Netwerk Nederland' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een natte en/of droge ecologische verbindingszone. 22.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 22.2.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Natuur Netwerk Nederland' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen en ophogen van gronden; b. het wijzigen van de perceelsindeling zoals die door sloten, greppels en beplantingselementen is aangegeven; c. het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies; d. het wijzigen van de waterhuishouding of de grondwaterstand en/of het vergroten van de toe- en afvoer van water ; e. het draineren van gronden; f. het graven, dempen of anderszins wijzigen en verbeteren van waterlopen. 22.2.2 Uitzonderingen Het in artikel 19 lid 2.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke a.
binnen het kader van het onderhoud nodig is tot bescherming en instandhouding van de ecologische waarden en daarop gerichte waterhuishoudkundige functies; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; c. waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan aanlegvergunning is verleend. 22.2.3 Toelaatbaarheid De in artikel 19 lid 2.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als blijkt dat de werken en werkzaamheden plaatsvinden in het kader van het beheer van de gronden en daarmee geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het in ecologisch opzicht waardevolle gebied.
79
Artikel 23 Waterstaat - Natuurvriendelijke oever 23.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Natuurvriendelijke oever' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen primair bestemd voor het behoud, versterking en ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers. 23.2 Bouwregels Binnen de bestemming mag niet gebouwd worden. 23.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen bij de afgifte van een Omgevingsvergunning voor een afmeervoorziening nadere eisen stellen aan: a. de situering van een afmeervoorziening; b. de vorm en omvang van een afmeervoorziening; dit ter bevordering van; • •
de ecologische kwaliteit van de oever; de aanleg en instandhouding van riet- en rietkragen.
23.4 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 23 lid 2 voor de bouw van bouwwerken als genoemd in de andere op deze gronden geldende bestemmingen, mits de betreffende bouwwerken geen belemmering vormen voor het onderhoud aan de watergangen en indien is gebleken dat de genoemde bouwwerken dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze bouwwerken niet zullen leiden tot een onevenredige afbreuk van de ecologische, natuurlijke en landschappelijke waarden. 23.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 23.5.1 Werken en werkzaamheden Het is verboden op de in artikel artikel 23 lid 1 bedoelde gronden de navolgende werken of werkzaamheden uit te voeren, te doen of laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden van burgemeester en wethouders: a. b. c. d. e. f.
het aanleggen of aanbrengen van beschoeiingen; het ophogen van gronden en of verharden van gronden; het verwijderen van vegetatie, waaronder rietkragen; het graven of dempen van waterpartijen en het afdammen van waterpartijen; boringen te verrichten, seismisch of ander bodemonderzoek te doen; het wijzigen van het waterpeil.
23.5.2 Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning is nodig voor: 80
a. het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de bestemmingen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning; 23.5.3 Toelaatbaarheid Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 23 lid 5.1 wordt uitsluitend verleend indien is gebleken dat de genoemde werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 23 lid 5.1 dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een onevenredige afbreuk van de ecologische, natuurlijke en landschappelijke waarden. 23.5.4 Voorwaarden Burgemeester en wethouders kunnen de omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden onder beperkingen verlenen en kunnen voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden die zien op het behoud van de natuurvriendelijke oevers in het plangebied.
81
Artikel 24 Waterstaat - Oeverzone 24.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Oeverzone' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor afmeervoorzieningen zoals o.a. steigers en andere aanlegvoorzieningen. 24.2 Bouwregels Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels: a. uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan; b. de hoogte van bouwwerken mag niet meer bedragen dan 1 meter; c. bouwwerken mogen uitsluitend in combinatie met bouwwerken die zijn toegestaan op grond van de onderliggende bestemming.
82
Artikel 25 Waterstaat - Waterkering 25.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor waterkering en de bijbehorende beschermingszone. 25.2 Bouwregels Op de gronden met de bestemming ‘Waterstaat - Waterkering’ mogen bouwwerken worden gebouwd, met dien verstande dat: a. uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m; b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen worden gebouwd, indien en voor zover het belang van de waterkering hierdoor niet onevenredig wordt geschaad; c. ten behoeve van deze andere onderliggende bestemmingen mag worden gebouwd conform het bepaalde bij de betreffende bestemmingsbepalingen; d. burgemeester en wethouders ter beoordeling van het bepaalde onder b. goedkeuring vragen aan de beheerder van de waterkering. 25.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 25.3.1 werken en werkzaamheden Het is verboden op de in artikel 25 lid 1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden; b.
het bodemverlagen of afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist; c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,30 m, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen; d. het omzetten van grasland in bouwland; e. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd; f. het aanleggen van bos of boomgaard; g. verlagen van het waterpeil; h. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; i. het aanleggen of verwijderen van oeverbeschoeiingen; j. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie-, of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; k. het aanbrengen van constructies, die verband houden met bovengrondse leidingen; l. het aanbrengen van diepwortelende beplanting; m. het graven, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; n. alle overige werkzaamheden die de waterkering kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van de waterkering.
83
25.3.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in artikel 25 lid 3.1 is niet van toepassing, indien de werkzaamheden: a. behoren tot het normale onderhoud en beheer gericht op en noodzakelijk voor de instandhouding van de waterkering; b. uit een oogpunt van bescherming van de waterkering van niet ingrijpende betekenis zijn. 25.3.3 Toelaatbaarheid De werken en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 25 lid 3.1 zijn slechts toelaatbaar, a. indien is gebleken dat de in dat lid genoemde werken of werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de waterkering; b. de beheerder van de waterkering schriftelijke goedkeuring heeft verleend.
84
3 Algemene regels Artikel 26 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 27 Algemene bouwregels 27.1 Algemene regel Geen bouwwerk of complex van bouwwerken mag worden opgericht indien daarvoor een bestaand bouwwerk of complex van bouwwerken met daarbij behorende perceel, hetzij niet langer zou blijven voldoen aan het plan, hetzij in grotere mate zou gaan afwijken van het plan. 27.2 Bestaande afwijkende maatvoering a. In die gevallen dat de bestaande goot- en boeiboordhoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand tot enige aangegeven lijn van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet en/of Wabo tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goot- en boeiboordhoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan; b. in die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage, dat in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet en/of Wabo tot stand is gekomen, meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentage in afwijking daarvan als maximaal toegestaan. c. op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing.
27.3 Overschrijding bouwgrenzen door ondergeschikte bouwdelen De in het plan opgenomen regels met betrekking tot bouwgrenzen, zijn niet van toepassing voor wat betreft overschrijdingen door: a. stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen en funderingen; b. plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, indien de overschrijding van de voorgevellijn niet meer dan 20 cm bedraagt; c. reclametoestellen en draagconstructies voor reclame met niet meer dan 50 cm; d. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen, erkers, galerijen en luifels, mits zij de voorgevellijn met niet meer dan 50 cm overschrijden; e. balkons, mits zij de voorgevellijn met niet meer dan 1 m overschrijden; f. ondergrondse funderingen en ondergrondse bouwwerken, voor zover deze de bouwgrens met niet meer dan 1 m overschrijden; g. hijsinrichtingen aan tot bewoning bestemde gebouwen, voor zover deze hijsinrichtingen in geen enkele stand de voorgevellijn met meer dan 1 m overschrijden;
85
h. vlaggenmasten, antennemasten en schoorstenen, die deel uitmaken van een gebouw, voor zover deze binnen een bouwvlak worden opgericht en de voor dat gebouw toegestane maximale hoogte met niet meer dan 5 m wordt overschreden; i. dakopbouwen ten behoeve van noodtrappen, luchtbehandelings- en liftinstallaties, voor zover deze niet hoger zijn dan 3 m en geen grotere oppervlakte hebben dan 40% van de vloeroppervlakte van de bovenste bouwlaag van het gebouw, waarop zij worden geplaatst; j. bergbezinkbassins (dan wel andere waterstaatkundige werken) ten behoeve van de opvang van water (waaronder rioolwater) k. afvalinzamelsystemen zowel boven- als ondergronds. 27.4 Ondergrondse bouwwerken 27.4.1 Bouwregels a. Ondergrondse bouwwerken mogen worden gerealiseerd binnen op de verbeelding aangegeven bouwvlakken en binnen de direct omringende gronden, waar de bijbehorende bouwwerken mogen worden opgericht, enkel onder de gebouwen die daar zijn of worden opgericht, met dien verstande dat; 1. ondergeschikte kelderingangen en kelderkoekoeken wel buiten de oppervlakte van bovengronds gelegen gebouwen zijn toegestaan. b.
Indien onder de bestemming is aangegeven dat ondergronds bouwen niet is toegestaan, mag niet ondergronds worden gebouwd; 27.4.2 Afwijken van de bouwregels voor het bouwen buiten bovengronds gelegen gebouwen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in het bepaalde onder a. ten behoeve van ondergrondse bouw buiten de oppervlakte van bovengronds gelegen gebouwen, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de verticale diepte van kelders bedraagt maximaal 3,5 m beneden peil; b. een kelder mag, voor zover gesitueerd buiten het bouwvlak, niet minder dan 0,10 m onder het aansluitende afgewerkte terrein zijn gelegen; c. de afstand tot de perceelgrens en de openbare weg bedraagt ten minste 1 m; d. kelders mogen niet worden voorzien van een dakraam of lichtkoepel, met dien verstande dat ondergeschikte kelderingangen en kelderkoekoeken wel zijn toegestaan; e. ondergrondse bouwwerken die meer dan 1 m buiten het buitenwerk van het bovengronds gelegen gebouw worden gerealiseerd, tellen mee in de oppervlakteregeling voor bijgebouwen; f. bergbezinkbassins zijn toegestaan op alle gronden binnen het plangebied.
86
Artikel 28 Algemene gebruiksregels 28.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik van gronden en bouwwerken die strijdig zijn met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken voor: a. seksinrichting, prostitutie of erotisch getinte horecabedrijven; b. opslag en verkoop van vuurwerk; c. het gebruiken van vrijstaande bijgebouwen en recreatiewoningen ten behoeve van (zelfstandige) bewoning; d. het gebruik van een (bedrijfs)woning voor meer dan één huishouden; e. commerciële kamerbewoning/-verhuur; f. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval en/of bouwmaterialen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; g. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud. 28.2 Parkeren 28.2.1 Parkeernormen a.