CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

PARK-advies nov 2020.pdf

Informatieve commissie I 16 februari 2021, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 5. 21:30: RES, zoekgebieden zonne- energie en gesprek Stedin15.137 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

48

3.1. Totaalbod zeven RES-regio’s

verdeling naar oppervlakte * buiten Groene Hart wind

zon op dak, parkeerplaatsen, geluidschermen

gespecificeerd windenergie

3,3 TWh

1,59 TWh

72 turbines

binnen Groene Hart wind

159 turbines

87 turbines 12 turbines

totaalbod 7 RES-regio’s

opgave windturbines en zonnevelden

niet gespecificeerd

12,06 TWh

4,82 TWh

1,41 TWh

binnen Groene Hart zon 170 ha 1418 ha

1,81 TWh

reeds bestaand en gepland

2631 ha gespecificeerd zonne-energie

circa 2,08 TWh circa 100 windturbines

50%

50%

3,95 TWh

Indicatieve Groene Hart opgave

1213 ha buiten Groene Hart zon

3.2 Vertaling van het RES bod voor het gehele grondgebied van de 7 regio’s naar aantal windturbines en hectares zonneveld

en

circa 1600 ha zonneveld

49

3.3 Het bod van de zeven RES-regio’s uitgesplitst naar hectaren en aantallen turbines (3,6 MW). Voor de berekening van de aantallen zijn de vuistregels uit de handreiking RES aangehouden. Het aantal hectare zonneveld is weergegeven als een blok op schaal van de kaart. De windturbines zijn weergegeven als aantal. Deze weergave mag niet gelezen worden als een fictieve ‘grid-opstelling’: daarvoor staan de windturbines op de kaart te ver uit elkaar

50

3.2. Indicatief bod Groene Hart

verdeling naar oppervlakte * buiten Groene Hart wind

zon op dak, parkeerplaatsen, geluidschermen

gespecificeerd windenergie

3,3 TWh

1,59 TWh

72 turbines

binnen Groene Hart wind

159 turbines

87 turbines 12 turbines

totaalbod 7 RES-regio’s

opgave windturbines en zonnevelden

niet gespecificeerd

12,06 TWh

4,82 TWh

1,41 TWh

binnen Groene Hart zon 170 ha 1418 ha

1,81 TWh

reeds bestaand en gepland

2631 ha gespecificeerd zonne-energie

circa 2,08 TWh circa 100 windturbines

50%

50%

3,95 TWh

Indicatieve Groene Hart opgave

en

circa 1600 ha zonneveld

1213 ha buiten Groene Hart zon

3.4 Vertaling van het RES bod van de zeven regio’s naar een indicatieve opgave voor het Groene hart (aantal windturbines en hectares zonneveld). *Verdeling op basis van oppervlakte binnen/buiten Groene Hart van de betreffende regio’s.

51

3.5 Welk deel van de RES-opgave is voor het Groene Hart? Op kaart een verdeling naar oppervlakte. Het aandeel van de opgave is in dit indicatieve model gelijk aan het aandeel van het totale oppervlakte van de RES-regio’s dat binnen het Groene Hart valt

52

4. Karakteristiek en opgaven

In dit hoofdstuk volgt een selectie van kenmerken, kwaliteiten en opgaven van het Groene Hart zoals besproken in het adviesdeel. Er wordt verwacht dat het Groene Hart erbij gebaat is de verbinding te leggen tussen de energie-opgave en deze kenmerken, kwaliteiten en andere opgaven. Wat gebeurt er als we vanuit de optiek van het Groene Hart naar de zoekgebieden van de concept-RES kijken? Door middel van deelkaartjes wordt telkens in beeld gebracht wat de mogelijke (geografische) relatie is tussen de zoekgebieden voor zonne- en windenergie en het betreffende thema.

53

4.1 De bovenstaande kaarten tonen de ruimtelijke ontwikkeling aan de stedelijke randen van het Groene Hart. Het linker beeld is van 1995, toen Borger en Vesters hun cultuurhistorische waardebepaling van het Groene Hart maakten. Rechts de huidige situatie. Hoewel veel van de karaktereigenschappen van het Groene Hart (het open weidelandschap, de woon- en agrarische linten, de ‘view from the road’) nog voorkomen, zijn alle stedelijke en mobiliteitsvoorzieningen behoorlijk opgedikt en naar elkaar toe gegroeid. Hoe ziet het beeld er over nog eens 25 jaar uit en welke rol speelt de energietransitie hierin als nieuwe gebruiksfunctie in het Groene Hart?

54

4.1. Grote landschappelijke deelregio’s In de rapportage ‘Cultuurhistorie in het Groene Hart’ van prof. Borger en drs. Vesters (1996) wordt het Groene Hart in cultuurhistorisch opzicht getypeerd en gewaardeerd. Op dit moment vindt een uitgebreide herijking en actualisering plaats door onderzoeksbureau SteenhuisMeurs. Op basis van ontstaansgeschiedenis en ruimtelijke karakteristiek onderscheiden Borger en Vesters vier deelregio’s. Het gebied ‘boorden van de Oude Rijn’ wordt gekenmerkt door de oude rivierloop, aan weerszijden geflankeerd door smalle oeverwallen met daar achter uitgestrekte veenweidegebieden met hun grote openheid. Evenwijdig aan de rivier zien we de verdichting van bebouwing en doorgaande infrastructuur. Haaks op de rivier is er de opstrekkende verkaveling, watergangen en verbindingswegen. Het gebied ‘droogmakerijen, bovenlanden en veenplassen’ wordt gekenmerkt door in het gehele gebied op korte afstand van elkaar voorkomen van opmerkelijke hoogteverschillen in het waterniveau tussen de oude veenriviertjes, de bovenlanden en de droogmakerijen. Het gebied ‘de

waarden’ wordt gekenmerkt door grote landschappelijke eenheden die worden omsloten door rivieren en voormalige veenstroompjes. Langs de (voormalige) benedenlopen van de Rijn liggen oeverwallen die op enige afstand van de rivier overgaan in klei-op-veen- en veengebieden met een grote mate van openheid. De Vechtstreek wordt gekenmerkt door het rivierstelsel van Vecht en Amstel als ruggengraat. Deze doorsnijdt de overgangszone tussen de zandgronden van de Utrechtse Heuvelrug en het Gooi enerzijds en het HollandsUtrechts veengebied anderzijds. Ook is de sterke mate van vervening kenmerkend en de aanwezigheid van een aantal plassen en droogmakerijen.

55

4.2 Kaartbeeld Cultuurhistorie naar gebieden opgedeeld - vier landschappelijke regio’s

56

Wind In het hart van de Alblasserwaard en de Lopikerwaard en het oostelijke

(6)

deel van de Krimpenerwaard zijn geen zoekgebieden geprojecteerd (1). Wel zijn

(7)

de randen in beeld. In Vijfheerenlanden vinden we juist

(4)

veel zoekgebieden (2). Ook het

(5)

(8)

westelijke deel van de Krimpenerwaard is aangewezen (3). Bij de boorden

(1)

van de Oude Rijn valt vooral het grote

(3)

aantal verspreide zoekgebieden in het

(2)

oosten op (4). Verder naar het westen

(1)

concentreren de zoekgebieden zich wat meer rond de infrastructuur (N11-A12)

(5). In de Vechtstreek concentreren de zoekgebieden zich met name rond de

4.3 Zoekgebieden windenergie geprojecteerd op de vier landschappelijke regio’s

zone A2-Amsterdam Rijnkanaal (6). Het droogmakerijen en plassengebied ten noorden van de Oude Rijn laat

polders) (7). Het droogmakerijengebied

grote aaneengesloten zoekgebieden

Zoetermeer-Boskoop is nagenoeg in zijn

zien (gehele polders of grote delen van

geheel aangewezen (8).

57

Zon In de Krimpener- Alblasser- en Lopikerwaard komen ten opzichte van windenergie extra gebieden in beeld, onder andere de band ten

(6)

(7)

noorden van de Lek (1), een aantal

(8)

linten in de Krimpenerwaard (2) en grote aaneengesloten vlakken in het hart van de Lopikerwaard. Naar het

(5)

oosten toe verdicht het patroon zich

(3)

tot één aaneengesloten zoekgebied (4).

(2)

In de boorden van de Oude Rijn zien we eenzelfde beeld. Ten westen van

(1)

Bodegraven worden de zoekgebieden compacter en het poldergebied leger (5). In het droogmakerijen en plassengebied zien we een verspreid

aaneengesloten zoekgebied (7). In de

patroon van zoekgebieden van

Vechtstreek zien we hetzelfde beeld als

verschillende maten, waarbij opvalt dat

bij windenergie: een concentratie van

ook water regelmatig als zoekgebied

zoekgebied rond A2 en Amsterdam-

is aangewezen (6). In de polders

Rijnkanaal. Ook komt de noordrand

rond Mijdrecht vinden we een groot

van Utrecht in beeld (8).

4.4 Zoekgebieden zonne-energie geprojecteerd op de vier landschappelijke regio’s

58

4.2. Cultuurhistorische waardering In de rapportage ‘Cultuurhistorie in het Groene Hart’ van prof. Borger en drs. Vesters (1996) is ook een waardering van het Groene Hart opgenomen. Er zijn onderscheidende waarderingen toegekend aan subgebieden, een fijnere onderverdeling binnen de vier hiervoor besproken regio’s. Hierbij is vooral gekeken naar de ‘herkenbare samenhang van elementen en structuren in tijd en ruimte’ als bepalend voor de cultuurhistorische kwaliteit. Criteria als gaafheid, zeldzaamheid en verscheidenheid speelden ook een rol. Het gehele Groene Hart bezit een zekere cultuurhistorische basiskwaliteit. Daarnaast zijn er gebieden met een middenkwaliteit, een top/middenkwaliteit en topkwaliteit onderscheiden. De droogmakerijen ten zuiden van de Oude Rijn, tussen Zoetermeer en Boskoop, vormen een complex van middenkwaliteit-gebieden. Ook de zuidpunt van de Haarlemmermeer kent deze kwaliteit. Van topkwaliteit zijn onder andere de middengebieden van de waarden, de aaneengesloten gordel van veengebieden ten noorden van de Oude Rijn en nagenoeg de gehele Vechtstreek.

59

4.5 De cultuurhistorische waarderingskaart

60

Wind De cultuurhistorische waardering blijft niet gespaard van zoekgebieden.

(3)

Opvallend is met name de bundeling langs infrastructuur Bij

(5) (4)

de Vechtplassen en ten zuiden van

(6)

Utrecht, maar ook een concentratie ten noorden van Woerden. Het

(2)

zoekgebied ten noorden van Hardinxveld aan de zuidzijde van de Alblasserwaard (1) kent een lagere kwaliteit dan niet aangewezen zoekgebied verder naar het noorden. Het droogmakerijenlandschap tussen

(1)

Zoetermeer en Boskoop (2) kent een basiskwaliteit en is grotendeels als zoekgebied benoemd, net als de zuidpunt van de Haarlemmermeer ( 3) .

voor de polders rond Mijdrecht ( 5) en

Ten noorden van Alphen (4 ) zien we

Nieuwkoop ( 6 ) is dit het geval. Maar

ook dat juist delen van droogmakerijen,

hier zien we juist dat ook de zuidelijker

die een lagere kwaliteit hebben als

gelegen veengebieden meedoen als

zoekgebied zijn aangewezen. Ook

zoekgebied.

4.6 Zoekgebieden windenergie geprojecteerd op de cultuurhistorische waardenkaart

61

Zon Ook voor zonne-energie zien we een opvallend grote overlap met de hoogst gewaardeerde gebieden. Het totaal (5)

aan oppervlakte zoekgebied in het

(1)

droogmakerijenlandschappen (1) lijkt echter groter dan in het hoger gewaardeerde veengebied van de boorden van de Oude Rijn (2). In de

(6)

(2) (1)

Krimpenerwaard zien we dat de randen een minder grote kwaliteit hebben dan het middengebied. Dit komt

(3)

(4)

globaal overeen met de projectie van zoekgebieden voor zon aan de randen (3) . In de Lopikerwaard wordt vrijwel het gehele gebied hooggewaardeerd en toch zien we hier veel zoekgebieden (4) . Het Vechtplassengebied, in zijn geheel van hoge kwaliteit, wordt grotendeels ontzien (5). Dit geldt niet voor de omgeving van de Vecht zelf( 6) .

4.7 Zoekgebieden zonne-energie geprojecteerd op de cultuurhistorische waardenkaart

62

4.3. Infrastructuurlandschap

gewenst omdat daarmee de ruimtelijke impact van de infrastructuur vergroot wordt. Zonne-energie langs (bermen

In de meeste RES regio’s wordt ruimtelijke koppeling

en geluidsschermen) en boven infrastructuur past goed bij

van energieopwekking aan infrastructuur onderzocht.

infrastructuurlandschappen. Bij autonome infrastructuur

Dit is een logische gedachte, maar vanuit de ligging in

zijn er mogelijkheden mits rekening gehouden wordt

het landschap biedt niet elke infrastructuurlijn hiervoor

met de panorama’s op het landschap. Landschappelijke

dezelfde mogelijkheden. In de quickscan energieopwekking

infrastructuur wordt niet gezien als geschikte ruimtelijke

Groene Hart (FABRICactions - Sant en Co, 2020) worden

drager voor energieopwekking.

drie typen infrastructuur onderscheiden om hier houvast op te krijgen: landschappelijke infrastructuur, waarbij infrastructuur bestaande landschappelijke structuren zoals dijken en kavels volgt; autonome infrastructuur waarbij de infrastructurele lijn als een los element door het landschap snijdt maar de beleving van het landschap vaak sterk is, en infrastructuurlandschappen, waarbij de infrastructuur dominant is en een eigen landschap vormt. De beleving van het landschap wordt hier bepaald door andere infrastructuren en aan deze infrastructuur gerelateerde vormen van ruimtegebruik, zoals distributiecentra. Ten aanzien van zonne-energie wordt gesteld dat het infrastructuurlandschap goede mogelijkheden biedt voor benutting van overhoeken en rafelranden. Bij autonome infrastructuur is dit niet

63

4.8 Kaart met infrastructuur onderverdeeld naar typen in relatie tot de draagkracht voor energie (kaartbeeld op basis van Plambeck, P. en Wijnakker, R. (2019) Ontwerpend Onderzoek Groene Hart, Den Haag: Buro Sant en Co Landschapsarchitectuur en Fabrications)

64

Wind De hoofdinfrastructuurlijnen

(1)

zijn duidelijk terug te zien op de zoekgebiedenkaart voor windenergie. Opvallend is dat de snelwegen vrijwel

(2)

Uitgezonderd is de omgeving van de

(5)

(6)

zonder uitzondering in beeld zijn. (4)

A6-A1 bij Muiden (cruciale relatie Gooi-en Vechtplassen met voormalige Zuiderzee) (1) en de A4 ten noorden van Leiden (2). Het onderscheid tussen

(3) (6)

infrastructuurlandschap en autonome infrastructuur is in de huidige zoekgebieden niet af te lezen. De A12 (3) en de N11 (4) zijn bijvoorbeeld net zo goed in beeld als de A2 (5). Verspreid in het gebied zijn ook kleinere zoekgebieden geprojecteerd langs provinciale wegen (6).

4.9 Zoekgebieden windenergie geprojecteerd op de infrastructuur

65

Zon Een groot areaal van zoekgebied voor zonne-energie valt samen met de ruime omgeving van het

(1)

(3)

hoofdwegennet (1). Op een lager schaalniveau valt een aantal lijnen in het poldergebied op: zoekgebieden voor zonne-energie gekoppeld aan wegen van lagere orde. Dit zien

(1)

(1)

we bijvoorbeeld bij de linten in de Krimpenerwaard (2) of de hoofdweg ten noorden van Mijdrecht (3).

(2)

4.10 Zoekgebieden zonne-energie geprojecteerd op infrastructuur

(1)

66

4.4. Stedelijk landschap: de kernrandzones In verschillende RES regio’s zijn de randen van de steden en dorpen expliciet opgenomen als zoekgebied voor duurzame energieopwekking. Als het gaat om voorkomen van versnippering en behoud van het groene karakter en de openheid van grote aaneengesloten gebieden, ligt aansluiting van nieuwe ontwikkelingen bij de bestaande stads- en dorpskernen bijzonder gevoelig. Lokaal eigenaarschap en de logica ‘energie opwekken waar het ook gebruikt wordt’ zijn andere argumenten. In het provinciale beleid kennen de stads- en dorpsranden, in Utrecht kernrandzones genoemd, een bijzondere status. In het Zuid-Hollandse beleid is al ruimte gemaakt voor zonnevelden in de stadsen dorpsranden, mits goed ingepast en wanneer andere kwaliteitsverbeteringen en gebruikskansen worden meegenomen. Het ‘schaal bij schaal’ principe kan toegepast worden, om te voorkomen dat een grote ontwikkeling het karakter van een kleine kern gaat domineren. Op de kaart is daarom onderscheid gemaakt tussen bebouwing in het landschap, kleine en grote kernen en stedelijk gebied. Ook

zijn bedrijventerreinen aangegeven. Aan de randen van de kernen komt het contact tussen bebouwd gebied en het landschap tot stand. Hier is nog veel te verbeteren op het gebied van zicht, toegankelijkheid en gebruiksmogelijkheden. Voorkomen moet worden dat zonnevelden afbreuk doen aan de bestaande kwaliteit van de dorpsrand, of verbetering onmogelijk maken. Tot slot is de woningbouwdiscussie actueel. Hoewel er formeel restrictief beleid in het Groene Hart geldt, neemt de druk op de randen van de kernen toe. Een kernrandplan, waarvan duurzame energieopwekking deel uit maakt, zou uitkomst kunnen bieden voor het samen laten komen van alle functies en kwaliteiten. Een gefaseerde ontwikkeling, waarbij zonnevelden na verloop van tijd plaats maken voor andere functies, vormt hiervoor een interessant instrument. Hierbij kan voortgebouwd worden op de investeringen in het elektriciteitsnetwerk.

67

4.11 Kaartbeeld met het stedelijk landschap en de onderverdeling naar grootteklasse van het type kern

68

Wind Het principe ‘stads- en dorpsrand’ komt niet overtuigend naar voren uit

(1)

het kaartbeeld van de zoekgebieden voor windenergie. Andere overwegingen, zoals infrastructuur, waren daarvoor bepalender (1). De randen van veel kleinere kernen zijn niet in beeld als zoekgebied voor windenergie. Opvallend is dat

(2)

(2)

(1) (3)

de randen van bijvoorbeeld Alphen

(3)

en Woerden wel als zoekgebied zijn aangewezen (2). In de Utrechtse regio bevinden zicht veel zoekgebieden aan de randen van het stedelijke gebied (3).

4.12 Zoekgebieden windenergie geprojecteerd op de stads- en dorpsranden

69

Zon Bij de zoekgebieden voor zonneenergie komen juist wel veel stads- en dorpsranden in beeld.

(3)

Een aantal regio’s heeft juist hier zoekgebieden geprojecteerd, zoals in de Ablasserwaard waar bij aan alle kernen een areaal zonneveld is toegerekend (1). In de Krimpener- en Lopikerwaard zien we een vergelijkbaar beeld, waardoor de zone langs de Lek zich als

(2)

band aftekent op de zoekgebiedenkaart (2). Ook tekent zicht een aantal bebouwingsstructuren in de polders af

(1)

als lijnen of vlakken, bijvoorbeeld ten noorden van Mijdrecht (3). De focus op de stads- en dorpsranden roept de vraag op over conflicten met andere ruimteclaims in deze dynamische zones.

4.13 Zoekgebieden zonne-energie geprojecteerd op de stads- en dorpsranden

70

4.5. Elektriciteitsnetwerk

de ‘luwe gebieden’ in het elektriciteitsnetwerk. De werkelijkheid is gecompliceerder (topografie, netwerk enzovoort). In de

Zonnevelden en windturbines dienen aangesloten te worden

RES processen is terecht veel aandacht voor de zogenaamde

op het elektriciteitsnetwerk om de opgewekte energie bij

‘netwerkefficientie’ van de locaties die worden aangewezen.

de gebruikers te krijgen. Het elektriciteitsnetwerk wordt

Clustering bij ‘hotspots’ ligt voor de hand, maar is niet altijd

uitgebreid en aangepast om de energietransitie mogelijk te

verenigbaar met andere kwaliteiten van het Groene Hart. Als

maken. De huidige situatie vormt daarvoor het uitgangspunt.

onderdeel van de energietransitie moet het elektriciteitsnetwerk

Dit netwerk is hiërarchisch en werkt hierdoor differentiërend:

aangepast worden. Dat is kostbaar en vraagt om slimme,

niet alles kan zomaar op elke plek. Het is lastig om dit

efficiente keuzes. Nieuwe ruimte op het net kan ook nieuwe

eenduidig in beeld te brengen, maar er is een poging gedaan.

ruimtelijke ontwikkelingen oproepen. Opwek van duurzame

Op een tussenspanningsstation kunnen grotere projecten

elektriciteit in luwe gebieden leidt tot grote aanpassingen in

aangesloten worden dan op een middenspanningsstation. Het

het netwerk, een investering die mogelijk ook weer andere

middenspanningsringnetwerk is het breedst vertakt maar kent

(ongewenste) ontwikkelingen oproept. Als in de toekomst opslag

ook de meeste beperkingen. Met vuistregels is de maximale

voor eigen gebruik binnen een deelgebied goedkoper wordt,

omvang van een zonne- of windenergieproject aan te geven

komt opwek in deze gebieden zeker weer in beeld.

(zie figuur 4.14.). Daarnaast is de totale capaciteit binnen een deel van het netwerk begrensd, waardoor er wel of geen ruimte kan zijn voor extra ontwikkelingen. Of de businesscase van en zonne- of windproject aantrekkelijk is, hangt onder andere af van de afstand tussen de locatie van opwek en het midden- of tussenspanningsstation waarop het wordt aangesloten. Hiervoor

wind

zon

5 km

3 km

wind

zon

10 km

5 km

kunnen ook afstanden van 3,5 en 10 kilometer aangehouden worden. De kaart geeft een grove indicatie van de ‘hotspots’ en

MS station 1,75-10MVA

TS station 1,75-10MVA

4.14 Indicatie van de afstandsregels voor zon en wind - de hotspots liggen binnen de contour (op basis van input netbeheerder Stedin)

71

4.15 Kaartbeeld met het hoofdnetwerk voor elektriciteit en de hoofdstations

72

Wind De tussen- en

(1)

middenspanningsstations liggen overwegend aan de randen van het stedelijke gebied (1). Zoekgebieden voor windenergie zijn vaak gekoppeld

(1)

aan infrastructuur. Waar de

(2) (1)

infrastructuur raakt aan stedelijk gebied is er automatisch een ‘match’ tussen de netwerk-hotspots en de

(1)

zoekgebieden voor windenergie. Het

(2)

areaal echte ‘luwe gebieden’ vanuit het netwerk is in het Groene Hart beperkt (2). (1)

4.16 Zoekgebieden windenergie geprojecteerd op de netwerkhotspots

73

Zon Voor zonne-energieprojecten is het netwerk wat meer differentiërend dan voor windenergie. De nabijheid van een midden- of tussenspanningsstation

(1)

is van groter belang. Er bevindt zich een groot areaal aan zoekgebieden op

(1)

grote afstand van de aansluitpunten in het netwerk (1). Dit zijn locaties die om technische en financiële redenen niet zonder meer geschikt zijn en

(1) (1)

investeringen in het netwerk vragen. (1)

4.17 Zoekgebieden zonne-energie geprojecteerd op de netwerkhotspots

74

4.6. Natura2000 en stikstof

overschrijding verschillende afstanden worden aangehouden. Het volledig verduurzamen van landbouw binnen deze

In Natura 2000 gebied zijn wind- en zonne-energie niet

afstanden kan veel verlichting binnen het betreffende

gewenst / niet toegestaan. Ook in gebieden van het NNN is dit

natuurgebied geven. Energieproductie kan een middel zijn

in verband met de aanwezige natuurwaarden niet gewenst. In

om dit mogelijk te maken. Hierbij wordt opgemerkt dat

de omgeving van Natura 2000 gebieden is dit in verband met

windturbines binnen de 1 kilometerzone rond een Natura

de stikstofproblematiek juist wel het onderzoeken waard.

2000 gebied niet gewenst zijn omdat vogels hier vaak voorbij trekken of fourageren. Ook op grotere afstand is uiteraard

Al jaren is er in Natura 2000-gebieden te veel stikstof

onderzoek nodig. Zonnepanelen zijn hier in principe wel

(ammoniak en stikstofoxiden). De natuurkwaliteit

mogelijk, mits goed voor bodem- en vegetatiekwaliteit.

staat hierdoor onder grote druk. De aanpak van de stikstofproblematiek komt is noodzakelijk en urgent. De

Vleermuizen

stikstof die in de natuurgebieden neerslaat is onder andere afkomstig van industrie en verkeer en ook voor een groot

Vleermuizen houden zich veel op bij water en opgaand groen.

deel van de landbouw (veehouderijen). Door het wegnemen

Ook trekken soorten als ruige dwergvleermuis vaak langs

van stikstofbronnen in de nabijheid van een natuurgebied,

doorgaande water- en boslijnen. Om vleermuizen zo min

kan aanmerkelijke verbetering plaatsvinden. Zo kan

mogelijk te verstoren dienen windturbines op 100m of meer

omvorming van gebieden met veeteelt naar andere vormen

van wateren en bomenrijen te staan. Dit lijkt misschien

van landgebruik positief doorwerken op de natuurkwaliteit.

eenvoudig te realiseren, maar als gevolg van het waterrijke

Er is een achttal Natura 2000-gebieden in het Groene Hart

karakter van het Groene Hart is de impact op de beschikbare

dat gevoelig is voor stikstof en overbelast is.

ruimte voor windturbines groot.

Om een indicatie te krijgen van het effect van landgebruikstransformatie kunnen op basis van de

75

Botshol 5 km

Naardermeer 3 km

Oostelijke Vechtplassen 5 km

Nieuwkoopse Plassen en de Haeck 5 km

Uiterwaarden Lek 3 km Zouweboezem 5 km

Lingegebied en Diefdijk 3 km

Biesbosch 1 km

4.18 Kaartbeeld Natura 2000 gebieden en afstandcontouren stikstof, interpretatie Sjef Jansen op basis van https://geodienst.xyz/stikstof/

76

Wind Opvallend is het zoekgebied voor windenergie in het Natura 2000-gebied de Nieuwkoopse Plassen (1). Ook (3)

valt op dat binnen 1 kilometer van de rand van vrijwel alle Natura 2000 zoekgebieden voor windenergie

(1)

aangewezen zijn (2). Hier is grote kans op spanning met behoud van de ecologische waarden. Soms lijkt juist bewust een afstand van 1 kilometer of groter aangehouden, bijvoorbeeld

(2)

bij een aantal zoekgebieden ten westen van de Vechtplassen (3). Binnen de 3 en 5 kilometerzones bevinden zicht diverse zoekgebieden voor windenergie. Hier ligt mogelijk een kans voor transformatie van het grondgebruik in relatie tot wegnemen van stikstofbronnen.

4.19 Zoekgebieden windenergie geprojecteerd op Natura 2000 gebied en stikstofzones

77

Zon In de RES van Holland-Rijnland is expliciet de kans benoemd om zonne-energie ten noorden van de Nieuwkoopse Plassen te combineren met water- en natuurmaatregelen

(1)

die de kwaliteit van het Natura 2000 gebied kunnen versterken (1). Het wegnemen van stikstofbronnen kan hier aan toegevoegd worden. Vanuit de 1, 3 en 5 kilometer bufferzones zien we dat er ook rond andere Natura 2000 gebieden hiervoor kansen liggen. Bij

(2) (2) (2)

de Lekuiterwaarden, de Zouwe Boezem en de Diefdijk zien we zoekgebieden voor zonne-energie binnen de 1 kilometerzone (2).Hier hebben stikstofmaatregelen het grootste effect.

4.20 Zoekgebieden zonne-energie geprojecteerd op Natura 2000 gebied en stikstofzones

78

4.7. Bodemdaling

zonne-akkers? Kan zoiets ook op gebiedsschaal in plaats van ieder voor zich? En kunnen daarmee andere delen van het

In grote delen van het Groene Hart is sprake van een zekere mate van bodemdaling. Het gaat hierbij om veengebieden waarbij de bodem oxideert. De oorzaak is de diepe ontwatering van het veen, om het huidige landbouwkundige gebruik mogelijk te maken. Het is een meerlaags probleem, want bij bodemdaling komen broeikasgassen vrij, het levert stijgende kosten op (door verzakkingen van bebouwing en infra) en het draagt bij aan de toenemende watervraag en disbalans in tijden van droogte. Verhoging van het waterpeil ligt voor de hand, maar kan niet zonder ander grondgebruiksperspectief en de middelen om dit aantrekkelijk te maken. Kan de opwek van duurzame (zonne)energie hier een rol bij spelen? In hun Groene Hart verkenning introduceren Sant en co en Fabric een aantal agrarische bedrijfsmodellen waarbij energie één van de economische dragers is, in combinatie met een hoger waterpeil en andere teelten. Als we naar de kaart hiernaast kijken zien we de gebieden waar sprake is van bodemdaling met in de donkerste gebieden de grootste daling. Welk perspectief is hier vanuit energie aan mee te geven? Zijn hier mogelijkheden voor een peilopzet in combinatie met

landschap ontlast worden?

79 Bodemdaling tot 2050

4.21 Kaartbeeld met bodemdalingsgevoelige gebieden. (kaartbeeld op basis van Plambeck, P. en Wijnakker, R. (2019) Ontwerpend Onderzoek Groene Hart, Den Haag: Buro Sant en Co Landschapsarchitectuur en Fabrications)

80

Wind Tegengaan van bodemdaling wordt in de RES regio’s tot nu toe niet expliciet gekoppeld aan vernatting in combinatie met duurzame energie als alternatief voor het huidige grondgebruik. Er

(3)

valt een aantal gebieden op waar de zoekruimte voor wind samenvalt met hevige bodemdaling: de zuidrand van de Alblasserwaard (Hardinxveld) (1), de kop van de Krimpenerwaard (2) en de randen van de Polder Nieuwkoop (3).

(2)

Aanleg van bouwwerken en ook kabels en leidingen in bodemdalingsgebied

(1)

is niet vanzelf duurzaam en vraagt om extra aandacht. 4.22 Zoekgebieden windenergie geprojecteerd op de bodemdalingskaart

81

Zon In veel bodemdalingsgebieden zijn ook zoekgebieden voor zonne-

(4)

energie geprojecteerd. Naast

(3)

de eerder genoemde Alblasseren Krimpenerwaard (1) zien we bijvoorbeeld ook dat het

(2)

veenpoldergebied ten noorden van Kamerik (2) in beeld is, net als de polders rond Mijdrecht (3) en het veengebied tussen Amstel en Vecht (4).

(1)

(1)

4.23 Zoekgebieden zonne-energie geprojecteerd op de bodemdalingskaart

82

5. Testbeelden energie

Hoe kan de energieopgave zich tot de kwaliteiten en opgaven van het Groene Hart verhouden? Kan er uit de zoekgebieden van de concept-RES een coherent beeld ontstaan? Welke gebieden lichten er op? Er wordt een poging gedaan in de vorm van een serie van testbeelden en afwegingsprincipes.

83 Een testbeeld is geen plan en we zijn ons er van bewust dat we niet alle regionale en lokaal argumenten en gevoeligheden kennen. Een testbeeld is bedoeld om grip te krijgen op de opgave op de bovenregionale schaal en om te laten zien dat een samenhangend beeld kán ontstaan en er dus iets te kiezen valt. Zo laten we zien hoe de indicatieve energieopgave (100 windturbines en 1600 hectare zonneveld) in en aan de randen van het Groene Hart ingevuld zou kunnen worden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de organiserende principes en opgaven uit het vorige hoofdstuk. Bij het opstellen van de testbeelden is gebruik gemaakt van de zoekgebieden uit de concept-RES documenten.

4.24 Op zoek naar houvast op de bovenregionale schaal. Schetswerk ten behoeve van de testbeelden en een verzamelkaart van de afwegingsprincipes

84

5.1. Organiserende principes Op de kaart hiernaast zijn de meest opvallende onderdelen van de verschillende themakaarten samengevat. Hiermee ontstaat een grof beeld met afwegingskaders voor de ruimtelijke organisatie van de locaties voor duurzame energieopwekking. Deze schets is gebruikt als onderlegger voor de testbeelden.

85 Verzamelkaart afwegingskader ruimtelijke organisatie

5.1 Kaartbeeld met de meest opvallende onderdelen van de verschillende themakaarten samengebracht, als ‘onderlegger’ voor de testbeelden

86

5.2. Testbeeld windenergie Dit beeld is gebaseerd op het principe van clusteren van windenergie. Acherliggende gedachte is dat windturbines zichtbaar zijn over grote afstand en met elkaar het beeld van de horizon bepalen. Clustering leidt tot herkenbaarheid op grote schaal, tot eenheid en contrast ten opzichte van lege gebieden. Het clusteren gebeurt zoveel mogelijk in zogenaamde ‘infralandschappen’. Dit zijn gebieden waar de infrastructuur dominant aanwezig is. Vaak is er sprake van meerdere lijnen (snelwegen, spoorwegen, kanaal) en knooppunten of bepaalt de infrastructuur de grens tussen stedelijk en landelijk gebied. De clusters liggen vooral aan de randen van het Groene Hart. Clusteren in deze gebieden lijkt vanuit ruimtelijke optiek logisch, maar is in de praktijk

Categorieën en locaties Grote windclusters 1. Haarlemmermeer Zuid circa 15 nieuw windturbines 2. A4-N11 aansluiting Leiden-Zoeterwoude circa 4 nieuw windturbines 3. A4 Leidschendam circa 8 windturbines 4. A1-A9 Diemen / Amsterdam Rijnkanaal circa 9 windturbines 5. A2, oostzijde Amstelscheg Indicatie omvang: circa 7 nieuwe windturbines 6. Utrecht Noord, A2-spoor-Amsterdam Rijnkanaal Indicatie omvang: in totaal circa 23 windturbines

niet altijd eenvoudig. Het zijn juist gebieden waar meerdere

7. Utrecht-A12 Rijnenburg; circa 8 windturbines (3 in

belemmeringen samen komen.

8. Omgeving Vianen (Everdingen en rivierbruggen);

Groene Hart) circa 12 windturbines 9. A15 zone Alblasserwaard; circa 18 windturbines Compacte clusters 10. A12 Woerden; circa 4 windturbines 11. A12 Gouda; circa 4 windturbines 12. A12 Bodegraven; circa 4 windturbines 13. N11 Alphen; circa 4 windturbines 14. A27 Meerkerk; circa 3 windturbines

(4) (5)

(1)

(6)

(2) (3)

(13) (12)

(10)

(7)

(11)

(8) (14)

(9)

5.2 Testbeeld windenergie

88 Ook spelen er andere ontwikkelingen. De uitdaging is te komen tot een krachtige, zorgvuldig ontworpen gebiedstransformatie die niet alleen de energieopgave invult, maar ook herkenbare nieuwe landschappen met kwaliteit oplevert. Naast de grootschalige clusters kan er op strategische plekken langs autonome infrastructuur een aantal kleinere windturbine-opstellingen ingezet worden. Deze dienen voldoende onderlinge afstand te hebben, zijn een toevoeging aan het landschap en moeten rekening houden met het zicht – panorama - vanaf de weg op het landschap. Vanuit het netwerk biedt clusteren voordelen. De huidige infrastructuur biedt goede kansen en uitbreiding richting clusters is efficiënt, zeker wanneer de windclusters met zonne-energie gecombineerd worden.

89

5.3 Bestaande windturbines

5.4 Kleine windenergieopstellingen langs autonome infrastructuur

5.5 Grote windclusters bij infrastructuurlandschappen

5.6 Solitaire windturbines, op termijn laten vervallen

90

5.3. Testbeeld zonne-energie Categorieën en locaties Het testbeeld voor zonne-energie is opgesteld vanuit een aantal principes. Er is gestart met grootschalige clustering in

Geclusterd met windenergie in infralandschappen a. Haarlemmermeer Zuid, indicatie omvang 200 ha

combinatie de locatie uit het testbeeld voor windenergie. Ook

b. A1-A9-Amsterdam Rijnkanaal, indicatie omvang

wordt er rekening gehouden met zonnevelden van beperktere

c. A2 zone ten noorden van Utrecht, indicatie

omvang aan de randen van stads- en dorpskernen. Een aantal gebieden lijkt kansrijk voor koppeling van zonne-energie

50 ha omvang 100 ha d. Rijnenburg, indicatie omvang 230 ha (ca 100 in Groene Hart)

aan andere grote opgaven op het gebied van bodemdaling,

e. A2-A27 knooppunt Everdingen, indicatie omvang

biodiversiteit, stikstofreductie en recreatieve dooradering of

f.

in bijvoorbeeld als onderdeel van gebiedstransformatie met bosontwikkeling. Op de kaart is te realiseren areaal zonneveld

100 ha

Gekoppeld aan stads- en dorpsranden g. Verspreid in het gebied. Omvang indicatief 200 ha (10x10 ha en 20x5 ha).

op schaal weergegeven. Er is bij het opstellen gebruik gemaakt van de zoekgebieden uit de concept-RES.

A15 zone Alblasserwaard, indicatie omvang 100 ha

Gekoppeld aan ‘grote opgaven Groene Hart’ h. Polder Nieuwkoop irt vernatting en wegnemen stikstofbronnen Nieuwkoopse Plassen, indicatie omvang 100 ha i.

Oeverwal Lek irt ontwikkeling woonmilieu (‘tuinieren) en wegnemen stikstofbronnen Lekuiterwaarden en Zouweboezem, indicatie omvang 100 ha

j.

Linten Krimpenerwaard irt nieuw perspectief voor huidig landbouwkundig gebruik i.c.m. tegengaan bodemdaling (vernatting), indicatie omvang 100 ha (50x2ha)

k. Droogmakerijen Zoetermeer-Waddinxveen i.c.m. groene/recreatieve dooradering/bosontwikkeling ‘basiskwaliteitsgebied’, indicatie omvang 300 ha

(b)

(g)

(a)

(c)

(g)

(h)

(k) (d)

(k) (e)

(i)

(j)

(g)

(f)

5.7 Testbeeld zonne-energie

92 Opgeteld is rond de infralandschappen (koppeling aan windclusters) zo’n 800 hectare geprojecteerd. Bij de stadsen dorpsranden is dit 200 hectare. 500 hectare is gekoppeld aan grote gebiedsopgaven en 100 hectare aan lokale gebiedsontwikkeling. In totaal is hiermee de indicatieve opgave van circa 1600 hectare zonneveld geprojecteerd in en (deels) aan de randen van het Groene Hart.

5.8 Zonne-energie gecombineerd met windenergie in een aantal infrastructuurlandschappen.

93

5.9 Zonne-energie in combinatie met gebiedsontwikkeling (oa recreatie, bosontwikkeling) in cultuurhistorisch ‘basiskwaliteitsgebied.

5.10 Zonne-energie gekoppeld aan stads- en dorpsranden.

5.11 Zonne-energie in combinatie met vernieuwing landgebruik rond stikstofgevoelig natura 2000 gebied.

5.12 Zonne-energie als onderdeel van nieuw landgebruiksperspectief met vernatting in bodemdalingsgebied.

94

5.4. Testbeelden voor zonne- en windenergie samen

Zon Geclusterd met windenergie in infralandschappen

De testbeelden voor wind en zon leveren samen het volgende kaartbeeld op. De koppeling van wind met zon is

Categorieën en locaties Grote windclusters

tussen wind en zon is te zien. MEt wind

2. A4-N11 aansluiting Leiden-Zoeterwoude

stads- en dorpsranden of aan de grote opgaven in het Groene Hart.

ha

Wind 1. Haarlemmermeer Zuid

zon ook daarbinnen, gekoppeld aan

b. A1-A9-Amsterdam Rijnkanaal, indicatie omvang 50 c. A2 zone ten noorden van Utrecht, indicatie omvang

duidelijk zichtbaar en ook het verschil vooral langs de randen in clusters en

a. Haarlemmermeer Zuid, indicatie omvang 200 ha

circa 15 nieuw windturbines circa 4 nieuw windturbines

100 ha d. Rijnenburg, indicatie omvang 230 ha (ca 100 in Groene Hart) e. A2-A27 knooppunt Everdingen, indicatie omvang 100 ha f.

A15 zone Alblasserwaard, indicatie omvang 100 ha

3. A4 Leidschendam circa 8 windturbines 4. A1-A9 Diemen / Amsterdam Rijnkanaal

Gekoppeld aan stads- en dorpsranden g. Verspreid in het gebied. Omvang indicatief 200 ha

circa 9 windturbines

(10x10 ha en 20x5 ha).

5. A2, oostzijde Amstelscheg Indicatie omvang: circa 7 nieuwe windturbines 6. Utrecht Noord, A2-spoor-Amsterdam Rijnkanaal

Gekoppeld aan ‘grote opgaven Groene Hart’ h. Polder Nieuwkoop irt vernatting en wegnemen

Indicatie omvang: in totaal circa 23 windturbines

stikstofbronnen Nieuwkoopse Plassen, indicatie

7. Utrecht-A12 Rijnenburg; circa 8 windturbines (3 in Groene Hart)

omvang 100 ha i.

8. Omgeving Vianen (Everdingen en rivierbruggen);

Oeverwal Lek irt ontwikkeling woonmilieu (‘tuinieren) en wegnemen stikstofbronnen

circa 12 windturbines

Lekuiterwaarden en Zouweboezem, indicatie

9. A15 zone Alblasserwaard; circa 18 windturbines

omvang 100 ha j.

Linten Krimpenerwaard irt nieuw perspectief voor

Compacte clusters

huidig landbouwkundig gebruik i.c.m. tegengaan

10. A12 Woerden; circa 4 windturbines

bodemdaling (vernatting), indicatie omvang 100 ha

11. A12 Gouda; circa 4 windturbines 12. A12 Bodegraven; circa 4 windturbines

(50x2ha) k. Droogmakerijen Zoetermeer-Waddinxveen i.c.m.

13. N11 Alphen; circa 4 windturbines

groene/recreatieve dooradering/bosontwikkeling

14. A27 Meerkerk; circa 3 windturbines

‘basiskwaliteitsgebied’, indicatie omvang 300 ha

(4) (5)

(b)

(g)

(1) (a)

(2)

(g) (13)

(3)

(h)

(k)

(c)

(6)

(10)

(12)

(7) (d)

(11)

(k) (8) (e)

(i)

(j)

(14) (g)

(9) (f)

5.13 Testbeeld windenergie en zonne-energie samen

96

97

Colofon

Advies Provinciaal Adviseurs Ruimtelijke Kwaliteit provincies Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland

Dit advies is in conceptvorm besproken met een werkgroep

Bijlage

waarin naast de RES-regio’s ook Rijk, provincies en het

Pieter Schengenga, Jan Wilbers, Danielle van Meijeren

bestuurlijk platform Groene Hart vertegenwoordigd waren.

(H+N+S Landschapsarchitecten)

RWS, STEDIN en het Nationaal RES-programma waren

Sjef Jansen (Planecologie - ecologisch advies)

daarbij tevens als kennisbron aanwezig.

Peter Veldt (GIS-analyse)

Ter ondersteuning van dit advies is door H+N+S

Begeleiding

landschapsarchitecten in samenwerking met

Patricia Braaksma (Coördinatiebureau Groene Hart)

landschapsecoloog Sjef Jansen een analyse gemaakt van de

David van Zelm van Eldik (ONS Landschap, Minsterie van

zeven RES 0.5-documenten.

Binnenlandse Zaken en Koninksrijkrelaties) Charles Angenendt (Directie Ruimtelijke Ordening, Minsterie van Binnenlandse Zaken en Koninksrijkrelaties) Isolde Somsen (provincie Zuid-Holland)

Den Haag/Haarlem/Utrecht, november 2020

98

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/1492/documents/31964