CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerpbestemmingsplan Zandpad 41.pdf

Commissie Fysiek Domein 9 mei 2023, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: a: Ontwerpbestemmingsplan Zandpad 4128.679 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

x

gebouwen maken deel uit van een stedenbouwkundig voorgevelrooilijnen en hoeken van belang zijn;

x x

gebouwen met de voorgevel richten op de belangrijkste openbare ruimte;

patroon,

waarin

vooral

de

gebouwen met een bijzondere functie zoals scholen kunnen een meer vrij positie innemen en daarbij een meerzijdige oriëntatie krijgen.

Massa

x

de bouwmassa is evenwichtig en afgestemd op de samenhang in rij of cluster bezien vanuit de openbare ruimte;

x x

woningen hebben bij voorkeur een onderbouw van twee lagen met kap;

x

gebouwen met bijzondere functies harmoniëren met het karakter van het gebied en kunnen afhankelijk van hun ligging afwijken van de gebruikelijke massa, opbouw en vorm.

uitbreidingen zoals aanbouwen en dakkapellen indien goed zichtbaar vanuit de openbare ruimte vormgeven als ondergeschikt element of opnemen in de hoofdmassa;

Architectonische uitwerking

x x x

de architectonische uitwerking en detaillering zijn eenvoudig maar degelijk; bij rijenwoningen aan voorkanten de herhaling behouden; wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op het hoofdvolume en de rij of het cluster.

Materiaal en kleur

x x

materialen en kleuren zijn degelijk en terughoudend en aan de voorkant in samenhang met de rij of het cluster; gevels bij voorkeur in baksteen of vergelijkbare materialen uitvoeren.

Planspecifiek De planlocatie ligt in de Vechtzone. De bebouwing in dit gebied bestaat voornamelijk uit boerderijen, woonhuizen op buitenplaatsen en (agrarische) bedrijfsgebouwen. Bedrijfsbebouwing ligt voornamelijk achter en soms naast de woning. De bedrijfserven zijn slechts deels verhard. In de huidige situatie ligt de bedrijfsbebouwing achter de bedrijfswoning en is het erf grotendeels verhard. Dit past niet bij de welstandseisen van de Vechtzone. De waarde van de Vechtzone is vooral gelegen in landschappelijke kwaliteiten als de openheid en de Vecht zelf in combinatie met historische waardevolle elementen. Op het plangebied staat in de huidige situatie een grote opslag voor caravans. Dit belemmert deels de openheid van het gebied. Met de herontwikkeling van het terrein en de bouw van de woningen wordt er meer openheid gecreëerd. Daarbij zal er met de ontwikkeling aangesloten worden op de karakteristieken van de voormalige tuinderij en met een relatie met de Vecht. De woningen passen op de voorgestelde wijze passen in de omgeving en zullen voldoen aan het gemeentelijke welstandsbeleid.

25

4 Onderzoeken

4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

x x

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;

x

de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Met het voorliggende plan wordt de bestaande 5.100 m² grote bedrijfsbebouwing ter plaatse van het plangebied

26

gesloopt. Hiervoor in de plaats worden binnen het ruimtelijke opgezette plangebied 10 woningen gerealiseerd. De bebouwingsmogelijkheden nemen daarmee niet toe ten opzichte van de bestaande (planologische) situatie. Er kan dan ook gesteld worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.

4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Planspecifiek Met het voorliggende bestemmingsplan worden nieuwe woningen mogelijk gemaakt en vindt er een bestemmingswijziging naar een strenger bodemgebruik plaats. In het kader van het bestemmingsplan zal aangetoond moeten worden dat de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Om die reden zijn (verkennende) bodemonderzoeken uitgevoerd, achtereenvolgens:

x

'Verkennend bodemonderzoek Zandpad 41 te Maarssen' (Aveco de Bondt, d.d. 7 november 2018), zie bijlagen bij toelichting bijlage 2;

x

'Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Zandpad 41 te Maarssen' (Aveco de Bondt, d.d. 3 september 2021), zie bijlagen bij toelichting bijlage 3; 'Verkennend en aanvullend bodemonderzoek' (Bodem Portaal, d.d. 5 juli 2022): zie bijlagen bij toelichting bijlage 4.

x

27

Verkennend bodemonderzoek 2018 Met het verkennend bodemonderzoek is de planlocatie opgedeeld in deellocaties. De navolgende afbeelding toont de deellocaties en de positie van de monsterpunten.

Deellocaties en positie monsterpunten verkennend bodemonderzoek 2018 (bron: Aveco de Bondt)

Zintuiglijke waarnemingen In de bovengrond van de deellocaties D en E zijn overwegend bijmengingen met puinhoudend aangetroffen. In de bovengrond van de deellocaties F1 en F2 zijn overwegend bijmengingen met puin- en koolhoudend aangetroffen. Tijdens het verrichten van de visuele terreininspectie zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Ook tijdens het verrichten van de handboringen en het graven van de gaten zijn in de bodem geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Deellocatie A In de bovengrond zijn lichte verontreinigingen aan kwik, lood, PCB en chloorbestrijdingsmiddelen OCB, DDD en DDE gemeten. De licht verhoogde gehalten zijn mogelijk veroorzaakt door het gebruik van bestrijdingsmiddelen in het verleden. In de ondergrond zijn geen van de onderzochte stoffen in verhoogde gehalten gemeten. In het ondiepe grondwater van de deellocatie A zijn geen verontreinigingen aangetoond. Deellocatie B In bovengrond van de onderzoekslocatie B zijn geen van de onderzochte stoffen in verhoogde gehalten gemeten. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen aan barium, xylenen en naftaleen aangetoond.

28

Deellocatie C In de bovengrond zijn geen verhoogde gehalten aan de chloorbestrijdingsmiddelen OCB’s en DDT/DDD/DDE gemeten. Deellocatie D/E In de puinhoudende bovengrond zijn lichte verontreinigingen aan kwik, lood, zink en PCB gemeten. De licht verhoogde gehalten zijn waarschijnlijk gerelateerd aan de bijmengingen met puin. Deellocatie F1/F2 In de puin- en koolhoudende grond zijn lichte verontreinigingen aan cadmium, koper, kwik, lood, nikkel, zink, PAK, PCB en minerale olie gemeten. De licht verhoogde gehalten zijn waarschijnlijk gerelateerd aan de bijmengingen met puin en kooldeeltjes. Verkennend en aanvullend bodemonderzoek 2021 In het verkennend bodemonderzoek van 2018 is het westelijke gedeelte van de planlocatie, ter plaatse van de groenwal en de eventuele toekomstige watergang, niet meegenomen. Om die reden is in september 2021 een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd naar deze twee deellocaties. De navolgende afbeelding toont de deellocaties:

Deellocaties aanvullend verkennend bodemonderzoek 2021 (bron: Aveco de Bondt)

Toekomstige watergang

x x x

Op het maaiveld of in de opgeboorde grond zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de grond zijn ter plaatse van de gehele onderzoekslocatie zwakke tot matige bijmengingen met baksteen aangetroffen tot een diepte van circa 1,0 m -mv. Ter plaatse van boring 09 zijn in de ondergrond ook zwakke bijmengingen met puin aangetroffen. Ter plaatse van de bronlocatie van de verontreiniging met VOCl zijn in de grond licht en matig verhoogde gehalten tetrachlooretheen (PER) aanwezig.

29

x

x x x x

In het grondwater ter plaatse van de bronlocatie met VOCl is in het grondwatermonster uit peilbuis 09 een sterk verhoogde concentratie vinylchloride (VC) aangetoond. Tevens is een matig verhoogde concentratie dichlooretheen (CIS) aangetoond. In de overige grondwatermonsters zijn licht verhoogde concentraties dichlooretheen en vinylchloride aangetoond. Circa 8 meter ten noordoosten van de bronlocatie met VOCl is in het grondwater (bestaande peilbuis 704) een sterk verhoogde concentratie dichlooretheen aangetoond. Tevens zijn licht verhoogde concentraties tetrachlooretheen en vinylchloride aangetoond. De verontreiniging met VOCl in de grond en grondwater maken deel uit van het geval van ernstige bodemverontreiniging zoals is beschikt door de RUD Utrecht. In het grondwater is lokaal een matig verhoogde concentratie barium aangetoond. Het betreft waarschijnlijk een van nature verhoogde concentratie. Nader onderzoek naar de verhoogde concentratie barium wordt niet noodzakelijk geacht. Op twee locaties is een sterk verhoogd gehalte PCB in de grond aangetoond. Op een derde locatie is een sterk verhoogd gehalte nikkel aangetoond. Een duidelijke bron of oorzaak voor deze verontreinigingen is niet aan te wijzen. In de grond is analytisch PFAS aangetoond. De grond is op basis van het Tijdelijk handelingskader PFAS indicatief geclassificeerd als ‘klasse wonen of industrie’.

Groenwal

x

Ter plaatse van de groenwal zijn in het gehele boorprofiel zwakke bijmengingen met baksteen aangetroffen.

x

Op het maaiveld of in de opgeboorde grond zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen.

x

Ter plaatse van de groenwal zijn licht verhoogde gehalten diverse zware metalen, PCB en PAK aangetoond. Er is geen aanleiding voor nader onderzoek.

Aanbevelingen Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn meerdere matige tot sterke verontreinigingen met VOCl, PCB en nikkel aangetoond. De verontreiniging met VOCl betreft een beschikt geval van bodemverontreiniging waarnaar geen nader onderzoek noodzakelijk is. De verontreinigingen met PCB en nikkel zijn zowel horizontaal als verticaal niet (voldoende) afgeperkt. Het is onbekend of er sprake is van een of meerdere gevallen van ernstige bodemverontreiniging. Nader onderzoek naar de omvang van de verontreinigingen met PCB en nikkel wordt noodzakelijk geacht. Tevens wordt aanbevolen een asbestonderzoek conform de NEN 5707 uit te voeren vanwege de aangetroffen bijmengingen met baksteen en puin en de nabijgelegen gedempte sloot waarin asbest boven de interventiewaarde is aangetoond in het dempingsmateriaal. Indien graafwerkzaamheden in de sterke verontreinigingen of in een geval van ernstige bodemverontreiniging zijn voorzien dient voorafgaand een saneringsplan of een plan van aanpak te worden opgesteld dat ter goedkeuring moet worden ingediend bij het bevoegd gezag (RUD Utrecht). De huidige bodemkwaliteit vormt een belemmering voor de realisatie van de watergang. De nieuwe watergang is in het meest recente plan niet meer opgenomen.

30

Aanvullend bodemonderzoek 2022 Naar aanleiding van de onderzoeken uit 2018 en 2021 bleek het noodzakelijk om aanvullend onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van PCB en nikkel. Tevens is een niet onderzocht terreindeel, waarvoor geldt dat het historisch onverdacht is, verkennend onderzocht. De navolgende afbeelding toont de positie van de monsterpunten.

Positie monsterpunten aanvullend / verkennend bodemonderzoek 2022 (bron: Bodemportaal)

Onverdacht terreindeel Zintuigelijk zijn in de opgeboorde grond waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van verontreiniging in de grond. Het betrof asfaltbrokken en koolas in de bovengrond. De visuele waarnemingen zijn, mede gezien de resultaten van het eerder uitgevoerde bodemonderzoek, geen aanleiding voor het uitvoeren van een aanvullend onderzoek, op asbest in de grond. Uit de analyseresultaten blijkt dat er in vrijwel alle grondmonsters sprake is van lichte overschrijdingen van zware metalen en/of minerale olie, PCB en PAK. In één separaat grondmonster waarin matige bijmengingen met koolas zijn vastgesteld, is er sprake van matig verhoogde gehalte lood en koper. In de grondwatermonsters zijn licht verhoogde gehalten barium aangetoond. Barium wordt regelmatig licht in licht verhoogde gehalten in het grondwater aangetroffen en is dan vaak van nature in de bodem aanwezig. Resultaten aanvullend onderzoek Uit de analyseresultaten afkomstig van de individuele deelmonsters van de ondergrond blijkt dat de gelaten PCB alleen licht verhoogd zijn. De gehalten nikkel overschrijven in één grondmonster de tussenwaarde en in twee grondmonsters de interventiewaarde.

Conclusie en aanbevelingen De lichte overschrijdingen van de streefwaarden van de grondmonsters op het onverdachte terreindeel en het licht verhoogde gehalte barium in het grondwater zijn geen aanleiding voor het uitvoeren van nader bodemonderzoek. De licht verhoogde gehalten PCB in de separate grondmonsters van het aanvullend bodemonderzoek tonen aan dat de sterke verontreinigingen met PCB beperkt blijven tot de grond direct rondom de eerder verrichte boringen. Vanuit de onderzoeksresultaten is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met PCB.

31

De sterke verontreinigingen met nikkel zijn tijdens het aanvullend bodemonderzoek in de bodemlaag van 0,5 tot 1,0 m-mv vastgesteld. De horizontale verspreiding is niet vastgesteld, aangezien in twee van de drie afperkende boringen sprake is van sterk verhoogde gehalten nikkel. Vanuit de onderzoeksresultaten is er sprake van een hoeveelheid sterk verontreinigde grond die het volumecriterium van 25 m³ overschrijdt. Aangezien de omvang van de verontreiniging met nikkel in de ondergrond meer dan 25 m³ sterk verontreinigde grond betreft, is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en daarmee een saneringsverplichting. Conclusie Uit de bodemonderzoeken is gebleken dat er sprake is van verontreiniging van de bodem. De wijze en het tijdstip van bodemsanering is afhankelijk van het tijdstip waarop de verontreiniging is ontstaan en de aard en omvang van de in de bodem aangetoonde stoffen. In onderhavige situatie zijn de sterke verontreinigingen in de bodemlaag van 0,5 tot 1,0 m-mv aangetoond en betreft het de parameter nikkel die als 'immobiel' kan worden beschouwd. Vanuit de historie van het terrein kan worden aangenomen dat deze voor 1987 is ontstaan, waardoor er sprake is van een geval van historische bodemverontreiniging.

Bij een geval van historische bodemverontreiniging met immobiele stoffen wordt onder het saneren van de bodem, het wegnemen van de actuele risico´s voor de voor het terrein beoogde functie verstaan. Het tijdstip voor het verwijderen van de verontreiniging is niet wettelijk vastgesteld, maar kan op een 'natuurlijk moment' plaatsvinden. Een 'natuurlijk moment' is het moment dat er sprake is van een nieuwe functie van het terrein, bijvoorbeeld van bedrijfsterrein naar woningbouw. Omdat de aangetoonde sterke verontreinigingen zich in de bodemlaag van 0,5 tot 1,0 m-mv bevinden, is er geen direct contact met de verontreiniging mogelijk. Daarnaast is er voor het verontreinigde terreindeel geen woningbouw gepland. Vanuit de beoogde bestemming van het perceel zal dit terreindeel als ‘Groen’ en ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ worden ingericht. De navolgende afbeelding toont de locatie van de gemeten verontreiniging met nikkel, in een projectie op de verbeelding en de kaart met monsterpunten.

Positie verontreiniging met nikkel in de bodemlaag van 0,5 tot 1,0 m-mv

32

Vanuit het bovengenoemde wettelijke kader, de beoogde bestemming ‘Groen’ en ‘Verkeer - Verblijfsgebied’, het gegeven dat er alleen de parameter nikkel tot boven de interventiewaarde is aangetoond en er geen directe contactmogelijkheden zijn, is er vanuit de beoogde planontwikkeling geen directe aanleiding voor aanvullend bodemonderzoek en sanerende maatregelen. Deze conclusie wijzigt als er op dit terreindeel sprake is van een functiewijziging naar de bestemming 'Wonen'. Voor wonen volstaat de leeflaag van 0,5 m-maaiveld niet en moet er tenminste sprake zijn van een leeflaag van 1,0 meter voor de functie geschikte grond.

4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

x x

woningen; andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven);

x

geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek De Wet geluidhinder (Wgh) ziet toe op de bescherming van geluidgevoelige objecten. De beoogde woningen zijn geluidgevoelige objecten. Het plangebied ligt niet binnen de onderzoekszone van een spoorlijn of een geluidgezoneerd industrieterrein. Een akoestisch onderzoek naar spoorweg- of industrielawaai is niet noodzakelijk. De planlocatie ligt wel binnen de onderzoekszone van het Zandpad en deels binnen de onderzoekszone van de Straatweg (N402). Derhalve is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Adviesburo Van der Boom, 7 juni 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5). De bestaande woning Zandpad 41 is hierin niet meegenomen. Hierop zijn de bepalingen van de Wet geluidhinder niet van toepassing, aangezien het een bestaande (bedrijfs-)woning betreft. De geluidbelasting door wegverkeer op het Zandpad bedraagt ten hoogste 50 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt in één rekenpunt (punt 1) op één woning overschreden. De geluidbelasting door wegverkeer op de Straatweg bedraagt ten hoogste 49 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh.

De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt in één rekenpunt (punt 1) op één woning overschreden. De maximale hogere waarde van 53 dB wordt niet overschreden. Het verlagen van de geluidbelasting door het treffen van maatregelen aan de bron ligt niet voor de hand uit financiële overwegingen en mogelijk vanwege civieltechnische bezwaren. Afscherming van alle woonlagen is landschappelijk ongewenst en niet effectief omdat het scherm moet worden onderbroken door de toegangsweg naar het perceel. Voor deze woning dient een hogere waarde te worden aangevraagd van 50 dB voor wegverkeer op het Zandpad en van 49 dB voor wegverkeer op de Straatweg. De geluidbelaste woning maakt deel uit van een aantal woningen die de bebouwing van de bestaande tuinderij vervangen op dezelfde locatie. De geluidbelaste woning heeft een geluidluwe (noord)gevel en een geluidluwe buitenruimte grenzend aan deze gevel. Er wordt aan een goede ruimtelijke ordening voldaan als een hogere waarde voor de woning wordt verleend en als voldaan wordt aan de eisen uit het Bouwbesluit voor de geluidwering van de woning. De geluidbelaste gevels van twee woningen ondervinden een geluidbelasting van meer dan 53 dB zonder aftrek. Voor deze gevels zijn aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. De hoogste geluidbelasting bedraagt zonder aftrek 58 dB.

De benodigde karakteristieke geluidwering voor deze gevels bedraagt dan GA;k 25 dB.

33

Er wordt hiervoor door de Omgevingsdienst regio Utrecht een besluit Hogere grenswaarden geluid opgesteld. Daarmee kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 μg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5.

De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 μg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Om de luchtkwaliteit permanent te verbeteren, sloot het Rijk in 2020 het zogeheten Schone Lucht Akkoord (SLA)met provincies en tientallen gemeenten. Gestreefd wordt naar een gezondheidswinst van minimaal 50 procent in 2030 ten opzichte van 2016. Op 26 maart 2021 is de uitvoeringsagenda 2021-2023 gepubliceerd, waarin staat welke maatregelen, pilots en activiteiten de deelnemers uitvoeren om de afspraken in praktijk te brengen. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden.

Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De realisatie van 10 woningen kan, gezien de zeer beperkte omvang (< 1.500 woningen), aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2019 van fijnstof (PM 10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 17 μg/m³, 10 μg/m³ en 18 μg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5. In 2021 is gebleken dat NO2 en fijn stof schadelijker zijn dan gedacht. De WHO heeft daarom de advieswaarden voor zowel NO2, PM10 en PM2,5 op 21 september 2021 verlaagt naar respectievelijk 10, 15

34

en 5 μg/m³. Deze richtlijn wordt ook door de GGD gevolgd. Er wordt niet voldaan aan deze aangescherpte WHO-advieswaarden. Hierbij dient vermeld te worden dat deze waarden dermate streng zijn dat ze momenteel nergens in Nederland worden gehaald. Op basis van het Schone Lucht Akkoord wordt gestreefd naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, waarbij wordt toegewerkt naar de WHOadvieswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof in 2030. Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

x

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

x

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van woningen. Wonen wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een milieugevoelige bestemming. Om te spreken van een goede ruimtelijke ordening is het relevant dat ter plaatse van gevoelige bestemmingen, zoals de beoogde woningen, sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen milieubelastende activiteiten niet in hun mogelijkheden beperkt worden. Daarbij moet in beginsel voldaan te worden aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende functies aanwezig, zoals wonen, bedrijvigheid en horeca. De omgeving van het plangebied kan aangemerkt worden als het omgevingstype ‘gemengd gebied’. De richtafstanden kunnen daarmee, met uitzondering van het aspect gevaar, met één afstandstap verminderd worden. Ten westen van het plangebied, aan de overkant van de Vecht, is op het perceel van de Straatweg 5 detailhandel in hout en steengoed toegestaan. Volgens de VNG-brochure beschikt een dergelijk bedrijf over

35

de milieucategorie 3.1, waarbij de richtafstand in een gemengd gebied 30 m bedraagt. Met een afstand van ca. 190 m tussen het bedrijf en het plangebied wordt ruim voldaan aan deze richtafstand. Aan de Straatweg 1 bevindt zich een restaurant met milieucategorie 1. In een gemengd gebied geldt een richtafstand van 0 m. Het restaurant ligt op een afstand van ca. 130 m van het plangebied, waarmee ruim voldaan wordt aan de richtafstand. Verder zijn er rond het plangebied verschillende agrarische bedrijven en gronden te vinden. Voor het houden van (rund)vee geldt een milieucategorie van 3.2 en in een gemengd gebied een richtafstand van 50 m. De planlocatie ligt op ruim voldoende afstand van de agrarische bedrijven in de omgeving. In de huidige situatie beschikken de gronden van het plangebied over een bedrijfsbestemming. Hier zijn bedrijven tot en met milieucategorie 2 en in het bijzonder een caravanstalling toegestaan. Met het wegbestemmen van de bedrijfsbestemming zal (mogelijke) hinder op de omliggende woningen sterk verminderen. De huidige bedrijfsbestemming maakt immers bedrijfsactiviteit mogelijk die veel verkeersbewegingen en ook enige hinder (geur, stof, geluid en gevaar) met zich meebrengen. Dat kan het geval zijn bij diverse van de regulier binnen het bestemmingsplan toegelaten bedrijfsfuncties.

Met het opheffen van de bedrijfsbestemming zijn deze activiteiten niet meer mogelijk. Ook in vergelijking met de huidige caravanstalling zal met de tien woningen de impact op de omliggende omgeving verminderen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

x x x

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5contour.

36

Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang.

Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden.

Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

37

Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. Om te kunnen bepalen of in de nabijheid van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart externe veiligheid geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.

Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: risicokaart.nl)

Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en/of buisleidingen aanwezig zijn. Wel bevindt zich op een afstand van ca. 920 m ten zuidwesten de binnenvaartroute over het Amsterdam-Rijnkanaal en op ca. 1.030 m ten zuidwesten een spoorlijn waar gevaarlijke stoffen over worden vervoerd. Gelet op de ruime afstand en de relatief kleine omvang van de beoogde ontwikkeling heeft de binnenvaartroute over het Amsterdam-Rijnkanaal en de transportroute voor gevaarlijke stoffen over het spoor geen invloed op het plangebied. Tevens bevindt het plangebied zich niet binnen magneetveldzones van hoogspanningsmasten. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek De gemeente Stichtse Vecht beschikt over een cultuurhistorische waardenkaart waar de cultuurhistorische elementen in de gemeente op aangegeven staan. Uit het raadplegen van de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Stichtse Vecht blijkt dat er binnen het plangebied geen monumenten

38

aanwezig zijn. Direct grenzend aan het plangebied, aan Zandpad 42, bevindt zich de historische buitenplaats Cromwijck (Rijksmonumentnr. 26463). Het zuidelijke deel van het plangebied maakt onderdeel uit van deze buitenplaats, terwijl een groot deel van de rest van het perceel onderdeel is van de buitenplaatsbiotoop. Met een buitenplaatsbiotoop wordt een soort bufferzone, een ruimtelijke context, om een buitenplaats getrokken. Het plangebied ligt volgens het provinciale beleid en de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Stichtse Vecht in de zone van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Echter bevinden de waardevolle inundatievelden zich ten noorden van het plangebied. Binnen het plangebied zijn geen elementen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie aanwezig. Met de herontwikkeling van het plangebied zullen de cultuurhistorische waarden in de omgeving niet aangetast worden. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Stichtse Vecht.

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (bron: gemeente Stichtse Vecht)

Door Stichting In Arcadië zijn de tuinhistorische waarden beoordeeld (20 juli 2017, Stichting In Arcadië, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Daaruit blijkt dat de huidige inrichting van het plangebied vrijwel geheel na 1966 tot stand is gekomen. Uit de periode dat het gebied onderdeel uitmaakte van de tuin- en parkaanleg van de buitenplaats (eerste helft 17e eeuw - 1904) zijn de volgende elementen nog aanwezig.

x x x x

de bermsloot langs het Zandpad; de locatie van de entree met brug over de bermsloot; de kenmerkende gerende kavelgrens met de buitenplaats Cromwijck; enkele kavelsloten aan de noordzijde.

Uit de periode dat het studiegebied onderdeel uitmaakte van de kwekerij en later tuinderij Cromwijck dateren:

x x x x

de watertoren (1912); de woning met bijgebouw (verm. 1919); een schoorsteen van het kassencomplex (verm. 1925); enkele funderingsrestanten van de zuidelijke kassen.

In het rapport wordt geconcludeerd dat de voorlopige tuinhistorische waarde van het plangebied in de actuele situatie indifferent is. Daarbij wordt opgemerkt dat het gebied op onderdelen een positieve tuinhistorische waarde heeft. Bij het inrichtingsplan is daar mee rekening gehouden.

39

Het aspect cultuurhistorie zal geen belemmeringen veroorzaken voor de beoogde ontwikkeling; het is veeleer een inspiratiebron om recht te doen aan de (tuinhistorische) waarden. De Tuinderij van Cromwijck wordt gezien als plandrager. De nieuwe woningen zullen ten opzichte van de caravanstalling beter passen in de cultuurhistorische context in de omgeving, met name die van de historische buitenplaatsen. Daarnaast wordt er meer openheid gecreëerd wat passend is bij de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Als geheel zorgt de beoogde ontwikkeling voor een positieve impact op de cultuurhistorische waarde in de omgeving en daarmee ook op het woon- en leefklimaat van omwonenden.

4.8 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Volgens de 'Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Stichtse Vecht' is het plangebied onderdeel van 'Stroomgordel, hoge archeologische verwachting vanaf Vroege IJzertijd'.

Uitsnede Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Stichtse Vecht, plangebied blauw omlijnd (bron: Transect, 20 oktober 2021)

40

Tevens zijn de gronden in het geldende bestemmingsplan 'Rondom de Vecht' voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Voor de gronden met deze dubbelbestemming geldt dat bij bodemverstoring van meer dan 1.000 m² en 0,3 m diep een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Met het voorliggende plan worden deze normen overschreden. Er is dan ook een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Transect, 20 oktober 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7). Op basis van het bureauonderzoek geldt een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten in het plangebied. Deze verwachting is gebaseerd op de veronderstelde ligging van het plangebied ter plaatse van de stroomgordel van de Vecht, waarvan oeverafzettingen verwacht worden. Deze oeverafzettingen vormen het archeologisch relevante niveau. Ze hebben een gunstige vestigingslocatie geboden vanaf de IJzertijd tot en met de Late Middeleeuwen, waardoor sprake is van een hoge verwachting op de aanwezigheid van nederzettingsterreinen uit deze periode. Gedurende de Nieuwe tijd is het plangebied deel uit gaan maken van het landgoed Cromwijck, dat is ontstaan gedurende de vroege 17e eeuw. In het plangebied worden op basis van de historische kaarten echter uitsluitend sporen van terreininrichting en tuininrichting verwacht.

De inrichting van het plangebied als kwekerij en tuinderij gedurende de 19e en 20e eeuw kan echter gezorgd hebben voor de aantasting van het niveau. Uit het veldonderzoek is gebleken dat de top van de oeverafzettingen in het plangebied verstoord is geraakt door de bouw en sloop van kassen, evenals de verploeging van het land in de tuinderij en kwekerij. Aangezien vindplaatsen werden verwacht in de top van de oeverafzettingen, is geen sprake meer van een intact archeologisch relevant niveau. Onder de verstoringslagen kan evenwel nog sprake zijn van restanten van sloten of greppels, maar deze zullen door hun demping gedurende de late 19e en vroege 20e eeuw slechts een zeer geringe informatiewaarde vertegenwoordigen. De hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten is daarom voor het hele plangebied voor de periodes IJzertijd – Nieuwe tijd naar een lage verwachting bij te stellen. Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek geldt voor het plangebied een lage archeologische verwachting. Een archeologisch vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. Voor de gronden van het plangebied wordt geen dubbelbestemming opgenomen.

Mochten er tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan dienen de initiatiefnemer en de uitvoerder van de werkzaamheden dergelijke toevalsvondsten direct te melden bij de bevoegde overheid, de gemeente Stichtse Vecht (conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11).

4.9 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

41

Planspecifiek Om de ontwikkeling van de tien nieuwe woningen mogelijk te maken, wordt de bestaande loods gesloopt. Daarnaast wordt het plangebied heringericht. Om die reden is er een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Blom Ecologie B.V., 9 juni 2021, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8). In dit onderzoek is illustratief nog een eerdere stedenbouwkundige opzet opgenomen, maar dat maakt voor de bevindingen en conclusies niet uit. Soortenbescherming Eén boom op de planlocatie heeft een holte welke aannemelijk naar boven is ingerot, waarmee deze holte kan worden gebruikt als verblijfplaats door vleermuizen. De betreffende boom blijft evenwel behouden. Tevens zullen er diverse andere bomen van de bosschage behouden blijven, zodat een aanvliegroute ook niet aangetast wordt. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van boombewonende vleermuizen uitgesloten. Hoewel de planlocatie gebruik kan worden voor foerageeractiviteiten, vervult de planlocatie geen essentiële functie als foerageergebied, aangezien er diverse bomen van de bosschages behouden blijven en voldoende foerageermogelijkheden in de directe omgeving aanwezig zijn. Een negatieve invloed op essentiële foerageergebieden en essentiële vliegroutes is derhalve uitgesloten.

De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland of de Groene contour. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld.

In de nieuwe AERIUS Calculator van oktober 2020 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Om aan te tonen of de beoogde ontwikkeling significante gevolgen heeft voor de omliggende Natura 2000gebieden zijn Aeriusberekeningen uitgevoerd. In eerste instantie betrof dat alleen de gebruiksfase, omdat tot 2 november 2022 nog de 'bouwvrijstelling' van kracht was (Buro SRO, d.d. 22 april 2022): zie bijlagen bij toelichting, bijlage 9 en invoerbijlage gebruiksfase bijlage 9a. Voor de berekening van de gebruiksfase geldt dat er geen resultaten hoger dan 0,0 mol/ha/j naar voren zijn gekomen. In aanvulling hierop zijn Aeriusberekeningen voor de bouwfase uitgevoerd (Buro SRO, d.d. 28 november 2022): zie bijlagen bij toelichting, bijlage 9b. Voor de berekening van de bouwfase geldt dat er geen resultaten hoger dan 0,0 mol/ha/j naar voren zijn gekomen. De beoogde ontwikkeling heeft derhalve geen significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming.. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Natuurinclusief bouwen Een gezonde woon en leefomgeving wordt mede bepaald door de aanwezigheid van kwalitatief groen.

De aanwezigheid van een robuuste aaneengesloten groenstructuur is een randvoorwaarde. Het helpt mens, dier en insect aan een goed woon en leefklimaat. Verder speelt groen een belangrijke rol binnen klimaatverandering.

42

Het is dan ook een randvoorwaarde dat een woongebied een groene uitstraling krijgt en het groen beleefbaar is middels een robuuste groenstructuur. Bestaande watergangen en bestaand groen vormen een goede basis om op aan te sluiten. Het is belangrijk een goede biodiversiteit te creëren. Dat kan door de juiste keuze in planten en ruimte te bieden aan insecten en dieren door middel van goede foerageerruimte, nestruimte (ook in gebouwen) en plekken waar ze voedsel kunnen vinden. Er wordt hierbij gebruik gemaakt van het 'Puntensysteem Natuurinclusief Bouwen'. Bepaald is dat de onderhavige ontwikkeling minimaal 12 punten moet behalen, waarbij een keuze gemaakt dient te worden uit een lijst met maatregelen. Aan de maatregelen afzonderlijk zijn 1, 2 of 3 punten toegekend. Vervolgens worden de keuzes in het 'Puntenformulier Natuurinclusief Bouwen Stichtse Vecht' geregistreerd. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen de volgende maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen:

x

De boom met een aannemelijk naar boven ingerotte holte dient behouden te blijven. Tevens dient ten alle tijden verlichting gericht op deze boom voorkomen te worden.

x

Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht).

x

Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

x

Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.

x

Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

x

De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Verlichting gericht op de bomen op en rondom de planlocatie dient voorkomen te worden.

x

Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

x

4.10 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

43

4.10.1 Generiek beleid Op Rijksniveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

x

Vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

x

Schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2243/documents/47619