CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Notitie werken aan Omgevingsprogramma's.pdf

Raad 2 juli 2024, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 22: Vaststellen Notitie werken aan Omgevingsprogramma10.864 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Stakeholders

In het deelgebied Veenweide Oost / Plassengebied hebben we vooral aan de Scheendijk en in Tienhoven te maken met een groot aantal stakeholders. De rest van het deelgebied is dunbevolkt. Hier hebben we vooral te maken met belangenverenigingen en andere overheden.

Capaciteit

Bij het opstellen van een gebiedsgericht Omgevingsprogramma zal vooral de inzet van specifieke kennis over de verschillende thema’s en het gebied vereist zijn. Daarbij gaat het om ecologie, water en groen. Ten behoeve van de verdere uitwerking van de toekomstvisie Scheendijk is inmiddels al een startnotitie vastgesteld, welke wordt voorgelegd aan de raad.

Drie grote kernen (Maarssenbroek, Maarssen-Dorp en Breukelen) Criteria

Overweging

Omgevingsvisie

In 6.5. van de Omgevingsvisie worden Maarssenbroek, Maarssen-Dorp en Breukelen aangewezen als de drie grote kernen. Ze worden genoemd als een apart deelgebied binnen de eerdere deelgebieden. Elke kern heeft een eigen karakter. Toch zijn er overeenkomsten in de opgaven voor programma’s die er voor deze kernen zijn vastgesteld. De opgaven in deze kernen zou je kunnen typeren als stedelijke opgaven bijvoorbeeld gericht op (winkel)centra, bereikbaarheid en openbaar vervoer, voorzieningen maar ook groen en beheer. Daarnaast spelen een groot aantal sociaal-maatschappelijke opgaven een rol. Een groot deel van de opgaven voor programma’s zoals genoemd in 6.5. van de Omgevingsvisie komen overeen met de opgaven voor de Snelle Vecht.

Urgentie

In de grote kernen dienen een groot aantal (ruimtelijke) opgaven opgepakt te worden. Dit moet aan de hand van enkele verplichte Omgevingsprogramma’s (geluid). De leefbaarheid staat op sommige plekken behoorlijk onder druk. Ook vanuit het sociaal domein is grote behoefte verschillende opgaven in de grote kernen op te pakken. Die opgaven komen onder andere terug in de Kernfoto’s die recent gepresenteerd zijn.

20 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

Schaalgrootte en samenbrengen thema’s

De drie grote kernen zijn afzonderlijk groot genoeg voor het opstellen van een gebiedsgericht Omgevingsprogramma. Het behoeft geen verdere toelichting dat ook in onze grote kernen voldoende thema’s samengebracht kunnen worden in een Omgevings-programma. Voor het stedelijk gebied geldt dat we beschikken over behoorlijk wat thematisch beleid welke als input gebruikt kan worden voor een gebiedsgericht Omgevingsprogramma. Maarssenbroek komt dus in een tweetal deelgebieden in de Omgevingsvisie terug; De grote kernen en Snelle Vecht.

Stakeholders

Met gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s voor de grote kernen we bereiken het grootste deel van onze inwoners en ondernemers. Daarnaast is er sprake van een grote diversiteit aan stakeholders uit het fysiek domein en het sociaal domein.

Capaciteit

Op verschillende afdelingen en in diverse werkgroepen wordt al gewerkt aan thema’s die gericht zijn op ruimtelijke en maatschappelijke opgaven in het stedelijk gebied. Ook in het sociaal domein. Momenteel wordt al een deel van onze capaciteit ingezet op het opstellen van Omgevingsprogramma’s die betrekking hebben op dit deelgebied en projecten in Maarssenbroek. Dit vereist in veel gevallen specifieke kennis en ondersteuning (ODRU).

5.4. Resultaat weging gebiedskeuze en volgorde. Op basis van de beschrijving onder 5.3 komen wij tot de volgende weging voor de gebiedskeuze en de volgorde voor het opstarten van gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s. 5.4.1 Veenweide West en Veenweide Oost / Plassengebied. Het landelijk gebied speelt een prominente rol in onze Omgevingsvisie. In het landelijk gebied komen dan ook veel thema’s bij elkaar. De urgentie is hoog en het is noodzakelijk dat de gemeente op korte termijn met resultaatgerichte voorstellen komt om sturing te geven aan ruimtelijke opgaven in het landelijk gebied. In ons beleid “Vitaal platteland” is al een aanzet gemaakt voor een volgende stap. In onze Omgevingsvisie wordt duidelijk uitgesproken dat wij voor het deelgebied Veenweide West aan de slag gaan met een integraal plan. Het is logisch dit verder invulling te geven via een gebiedsgericht Omgevingsprogramma. In 2024 zullen we daarom starten met het opstellen van een gebiedsgericht Omgevingsprogramma voor het gebied Veenweide West. Daarbij maken we gebruik van de capaciteit die al beschikbaar is binnen de organisatie en wordt het lopende proces van participatie verder uitgebreid. In het gebied Veenweide Oost / Plassengebied zijn de opgaven gericht op behoud en bescherming. Uitzondering daarbinnen is het gebied van de Scheendijk.

Bij de opgaven in de Omgevingsvisie voor het deelgebied Veenbweide Oost / Plassengebied is aangegeven dat wij verdere uitwerking geven aan de toekomstvisie Scheendijk zoals in 2019 is vastgesteld. Het college heeft de startnotitie ten behoeve van de uitwerking van de toekomstvisie via een gebiedsgericht Omgevingsprogramma al vastgesteld. 5.4.2 De drie grote kernen en Snelle Vecht Ook voor de grote kernen geldt dat hier een groot aantal urgente, maar ook verplichte, thema’s bij elkaar komen. Het bereik van een gebiedsgericht Omgevingsprogramma is groot en veel stakeholders (inwoners en ondernemers) kunnen gelijktijdig bediend worden. Veel opgaven in de drie grote kernen komen ook terug in het deelgebied van de Snelle Vecht. Dit geldt specifiek voor Maarssenbroek dat zowel één van de drie grote kernen is, als onderdeel uitmaakt van de Snelle Vecht. Een belangrijke opgave binnen de Omgevingsvisie is het beperken van negatieve gezondheidseffecten van de Zuilense Ring. Deze effecten zijn het meest zichtbaar en voelbaar in Maarssenbroek. Juist in Maarssenbroek staat de gezonde leefomgeving het meest onder druk terwijl er een aantal grote ruimtelijke ontwikkelingen op de planning staan.

Voor Maarssenbroek geldt sowieso dat hier ook nadrukkelijk een aantal thema’s spelen die onderdeel zullen uitmaken van verplichte 21 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

Omgevingsprogramma’s. Door te werken aan een gebiedsgericht Omgevingsprogramma voor Maarssenbroek wordt zowel invulling gegeven aan opgaven die volgens de Omgevingsvisie van toepassing zijn op het deelgebied Snelle Vecht als het deelgebied de drie grote kernen. Ervaringen uit het project Ruimtekwartier kunnen meegenomen worden bij de opgaven voor de rest van Maarssenbroek. 5.4.3 Langzame Vecht en overige kernen Voor wat betreft het behoud en versterken van landschappelijke en cultuurhistorische waarden binnen het deelgebied van de Langzame Vecht volgt de gemeente voor een groot deel beleid dat vastgesteld is door andere overheden. De gemeente beschikt over veel thematisch beleid met betrekking tot deze thema’s. De komende periode zal het vooral de vraag zijn of deze nog voldoende actueel is. Gelet op het bestaande beleid is het niet noodzakelijk om hier direct te beginnen met het opstellen van een gebiedsgericht Omgevingsprogramma. Wel zullen sommige onderwerpen opgepakt worden via een thematisch Omgevingsprogramma. Hoewel er in de overige kernen thema’s spelen die aandacht en inzet van de gemeente verdienen is het op dit moment niet mogelijk om voor elke kern apart een Omgevingsprogramma op te stellen. Het is ook niet efficiënt.

Regelmatig kan ook aan de hand van andere procedures en kerninstrumenten van de Omgevingswet een goede bijdrage geleverd worden aan het verbeteren van de fysieke leefomgeving. Vaak worden kleinere kernen sterk beïnvloed door ontwikkelingen in het deel van het landelijk gebied waar zij onderdeel van uitmaken. Ruimtelijk en sociaal zijn deze kernen sterk afhankelijk van het omliggende buitengebied. De kleine kernen maken in de Omgevingsvisie onderdeel uit van een groter deel van het landelijk gebied. Vooral de kernen gelegen in het gebied Veenweide West (Kockengen en Nieuwer Ter Aa) en Veenweide Oost / Plassengebied (Tienhoven, Scheendijk). Voorgesteld wordt om de samenhang met de kernen terug te laten komen in het op te stellen gebiedsgerichte Omgevings-programma voor Veenweide West. Een belangrijk thema in de Omgevingsvisie is; “vitale kernen”. Wat verstaan wordt onder een vitale kern en wat nodig is om een kern vitaal te houden, vraagt nog verder onderzoek. Vanuit het sociaal domein is de gemeente gestart met de Kernfoto’s. Deze geven inzicht in wat de inwoners van onze kernen wenselijk achten voor een vitale kern. Ook in provinciaal en regionaal verband wordt verder gewerkt aan het thema; vitale kernen. Het college is voornemens de opgaven “vitale kernen” uit te werken in een thematisch Omgevingsprogramma.

Daarbij gaat het niet zozeer om een gebied of kern maar vooral om de vraag; “Wat is nodig om een kern vitaal te houden?”. Het college kan vervolgens, in geval er voldoende capaciteit is, alsnog besluiten om voor één of meerdere kernen een gebiedsgericht Omgevingsprogramma op te stellen. Binnen de Langzame Vecht kan bijvoorbeeld gekozen worden om één gezamenlijk Omgevingsprogramma te maken voor Loenen aan de Vecht, Vreeland en Nigtevecht. Hier spelen verschillende thema’s waaronder woningbouw en de revitalisering van het centrum een rol. Daarbij is sprake van een grote betrokkenheid van de inwoner. 5.4.4 Starten met gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s. De komende periode wordt de planning en de volgorde verder uitgewerkt tot een algemene planning. Hierin worden ook de thematische omgevingsprogramma’s meegenomen. In 2024 is het college (op dit moment) voornemens om met de volgende gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s starten. We starten met een gebiedsgericht Omgevingsprogramma voor (een deel van) Veenweide West als uitwerking van de genoemde opgave in de Omgevingsvisie. Daarbij kunnen sommige onderdelen ook (gelijktijdig) thematisch uitgewerkt worden. Denk hierbij aan beleid voor vrijkomende agrarische bebouwing. In het tweede kwartaal van 2024 stelt het college hier een startnotitie voor vast.

Er zal gestart worden met een gebiedsgericht Omgevingsprogramma voor Maarssenbroek als uitwerking van de opgaven voor programma’s Omgevingsvisie zoals genoemd in de deelgebieden “Snelle Vecht” en “drie grote kernen”. Dit in samenhang met de verplichte Omgevingsprogramma’s. Indien nodig wordt voorafgaand aan het gebiedsgericht Omgevingsprogramma een gebiedsvisie voor Maarssenbroek opgesteld. De gebiedsvisie zorgt voor de benodigde kaders voor het opstellen van het gebiedsgericht Omgevingsprogramma.

22 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

In het vierde kwartaal van 2024 wordt gestart met de evaluatie van de lopende Omgevingsprogramma’s. Aan de hand hiervan zal afgewogen worden of er gestart kan worden met een volgend gebiedsgericht Omgevingsprogramma. De ervaringen met de lopende Omgevingsprogramma’s en de beschikbare capaciteit binnen de organisatie zullen een belangrijke rol spelen bij deze afweging. In het vierde kwartaal van 2024 stelt het college een startnotitie vast voor het opstellen van een thematisch Omgevingsprogramma voor onderwerp; vitale kernen. 5.4.5 Globale planning Omgevingsprogramma Het opstellen van een (gebiedsgericht) Omgevingsprogramma zal enkele kwartalen tot één jaar duren afhankelijk van de complexiteit van het thema of het gebied. Daarbij is het goed om onderscheid te maken tussen het Omgevingsprogramma en de onderliggende beleidsuitwerking in nota’s. De beleidsuitwerking in nota’s wordt gezien als de uitvoering van het Omgevingsprogramma, nadat het Omgevingsprogramma is vastgesteld. Het Omgevingsplan moet af zijn voor 1 januari 2032. Het is een reëel streven om dan ook voor alle gebieden een Omgevingsprogramma te hebben.

5.5 Uitgangspunten voor gebiedskeuze voor een gebiedsgericht Omgevingsprogramma Met betrekking tot de gebiedskeuze wordt het volgende uitgangspunt vastgesteld: 1. Bij de gebiedskeuze voor een gebiedsgericht Omgevingsprogramma wordt aansluiten gezocht bij de gebiedsindeling van de Omgevingsvisie en de daarin genoemde opgaven voor programma’s.

23 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

Bijlage 1: Omgevingsvisie en Omgevingsprogramma Er bestaat veel onduidelijkheid over het grensgebied tussen de Omgevingsvisie en het Omgevingsprogramma. Beide instrumenten – zowel de omgevingsvisie als het Omgevingsprogramma – hebben een strategische insteek. Verschil is echter dat de omgevingsvisie kaderstellend is (het bevoegd gezag ligt bij de raad) en een lange horizon heeft, terwijl het Omgevingsprogramma uitvoeringsgericht is (het bevoegd gezag ligt bij het college) en een korte tot middellange horizon heeft. Daarom wordt het omgevingsprogramma naast of ná de vaststelling van de omgevingsvisie opgesteld. Uiteindelijk slaat het omgevingsprogramma een brug tussen de omgevingsvisie (veelal abstracte ambities) en het omgevingsplan (juridisch-planologische borging van ambities).

24 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

Bijlage 2: Format Startnotitie. Beoogd Bestuurlijk opdrachtgever Ambtelijk opdrachtgever Initiatiefnemer

Project

Versie Datum

Beoogd projectleider

Inleiding In de inleiding wordt ingegaan op de aanleiding voor het opstellen van het Omgevingsprogramma. In de aanleiding kan verwezen worden naar eerder vastgesteld beleid wat ten grondslag ligt aan het op te stellen Omgevingsprogramma. De opdracht voor het opstellen van een Omgevingsprogramma kan liggen in eerder vastgesteld beleid. In de aanleiding zou ook aangegeven moeten worden of het om een verplicht of onverplicht Omgevingsprogramma gaat.

Scope en afbakening van Omgevingsprogramma Onder afbakening dient ingegaan te worden op de thema’s waarop het Omgevingsprogramma is gericht en dient gemotiveerd te worden waarom, indien van toepassing, gekozen is voor een gebied. De afbakening van het Omgevingsprogramma in deze startnotitie kan gemaakt worden aan de hand van de minimale eisen die gesteld worden in artikelen 3.16 lid 1 en 3.17 van de Omgevingswet. Belangrijk onderdeel hiervan is dat inzicht gegeven kan worden in de omgevingswaarden, opgaven of doelstelling waar het Omgevingsprogramma betrekking op heeft. In dit onderdeel wordt feitelijke de bestuurlijke keuze gemotiveerd om te starten met het opstellen van een Omgevingsprogramma. Dit in aansluiting van hoofdstuk 2 en hoofdstuk 5 van de Notitie: werken aan Omgevingsprogramma’s.

Werkwijze en beoogde projectorganisatie Het is gewenst om in ieder geval op hoofdlijnen inzicht te geven in de beoogde werkwijze. Daarbij is het belangrijk om een inschatting te maken van welke sturingsinstrumenten gebruikt gemaakt gaat worden zoals beschreven in hoofdstuk 4 van Notitie: werken aan Omgevingsprogramma’s. Belangrijk is hier ook of er sprake is van een mer-plicht. Daarnaast kunnen ook hele pragmatische zaken aan bod komen als: wie is het ambtelijk opdrachtgever, wie is de beoogd projectleider en welke collega’s, kennis en ervaring hebt ik nodig om tot het Omgevingsprogramma te komen? Wie heb je nodig om tot een gewenst resultaat te komen? Hoeveel capaciteit is gemoeid met het opstellen van een Omgevingsprogramma?

Participatie en belanghebbenden In de startnotitie dient in te worden gegaan op de motiveringsplicht voor participatie zoals genoemd in artikel 10.8 van het Omgevingsbesluit. Daarnaast moet inzicht gegeven worden in de rol de gemeente aanneemt bij het organiseren van participatie. Met de hulpvragen zoals opgenomen in hoofdstuk 3 van de Notitie: werken aan Omgevingsprogramma’s kan ook ingegaan worden op de particpatievorm.

Procedure en afstemming met gemeenteraad Het is goed om in de startnotitie in te gaan op de te volgen wettelijke procedure. Daarbij moet ook ingegaan worden op de wijze de raad betrokken wordt voorafgaand aan het opstellen van een Omgevingsprogramma betrokken wordt (zie hoofdstuk 2 van de Notitie: werken aan Omgevingsprogramma’s). Daarmee kan ook alvast Ingegaan op de wijze waarop de raad op de hoogte gehouden wordt van de voortgang.

Financiële aspecten Hoeveel middelen verwacht je ongeveer nodig te hebben? Zie je mogelijkheden voor dekking van dit budget?

Planning

25 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

Hoe ziet de globale planning eruit?

Risico’s Welke risico’s kleven aan dit initiatief, vanuit de gemeente bezien?

Borging en monitoring Wat moet er gebeuren om te zorgen dat het resultaat na afronding van het project goed wordt geborgd in de lijnorganisatie? Hoe gaan we resultaten monitoren? Het gaat hierbij vooral om een globale weergave. Vooral voor wat betreft monitoring zal in de startnotitie geen volledig beeld gegeven kunnen worden. Door het op te nemen in de startnotitie kunnen de uitvoeringsplicht en de monitoring van het Omgevingsprogramma bij de uitwerking in ieder geval niet meer vergeten worden.

Voor akkoord Opdrachtgever

Projectleider

datum

datum

26 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

Bijlage 3: Omgevingsvisie en Omgevingsprogramma

27 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

28 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2487/documents/54608